Regeling van de Minister van Asiel en Migratie van 29 april 2026, 7534477, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdachtennegentigste wijziging)

De Minister van Asiel en Migratie,

Gelet op de artikelen 4, eerste, tweede en vierde lid, en 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, de artikelen 2.2, eerste lid, en 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 11, eerste lid, en punt 3.1.5. van bijlage VI van de Schengengrenscode;

Besluit:

ARTIKEL I

Het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.16a komt te luiden:

Artikel 3.16a

  • 1. Als categorie vreemdelingen, bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Besluit, zijn aangewezen vreemdelingen met het volgende verblijfsdoel:

    • a) verblijf in het kader van de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten;

    • b) verblijf als beoefenaar van een vrij beroep in de zin van het toepasselijke Handelsakkoord.

  • 2. Onze Minister besluit niet over de verlening of intrekking van de verblijfsvergunning onder de beperking, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan nadat hij advies heeft gevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Deze instantie adviseert over de vraag of is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a) de vreemdeling voldoet aan de definitie van beoefenaar van een vrij beroep in de zin van het toepasselijke Handelsakkoord;

    • b) de vreemdeling verleent de diensten op basis van een geldige dienstverleningsovereenkomst, anders dan via een agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening, waarbij:

      • 1°. de dienstverleningsovereenkomst gesloten is voor een periode van ten hoogste twaalf maanden;

      • 2°. de als beoefenaar van een vrij beroep aan de opdrachtgever te verlenen diensten worden verricht in één van de sectoren, bedoeld in het toepasselijke Handelsakkoord, in het kader waarvan zijn tijdelijke aanwezigheid in Nederland vereist is; en

      • 3°. de dienstverleningsovereenkomst informatie bevat over de bezoldiging voor de dienstverlening;

    • c) de vreemdeling beschikt onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van de aanvraag over:

      • 1°. een voltooide hoger beroepsonderwijs of universitaire opleiding of een kwalificatie waaruit kennis van een gelijkwaardig niveau blijkt;

      • 2°. de beroepskwalificaties die wettelijk vereist zijn voor het uitoefenen van de overeengekomen activiteit in Nederland; en

      • 3°. 6 jaar beroepservaring in de sector, bedoeld onder b, onderdeel 2;

    • d) de vreemdeling, met uitzondering van de vreemdeling die onderdaan is van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, verblijft, overeenkomstig het toepasselijke Handelsakkoord, een periode van maximaal twaalf maanden binnen een periode van maximaal 24 maanden in Nederland als beoefenaar van een vrij beroep voor het verlenen van diensten.

  • 3. In afwijking van artikel 3.19, eerste lid, dient de beoefenaar van een vrij beroep voldoende middelen van bestaan te verwerven, als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, van het Besluit.

  • 4. Het verblijfsrecht is tijdelijk.

  • 5. De verblijfsvergunning onder de beperking verblijf als beoefenaar van een vrij beroep in de zin van het toepasselijke Handelsakkoord wordt verleend voor de duur van de dienstverleningsovereenkomst en, overeenkomstig het toepasselijke Handelsakkoord, ten hoogste voor de duur van twaalf maanden. Deze verblijfsvergunning is na het verstrijken van de maximale geldigheidsduur niet verlengbaar.

B

Artikel 3.34 wordt als volgt gewijzigd:

Onder verlettering van onderdeel v tot onderdeel w, wordt in de tabel na onderdeel u een onderdeel toegevoegd, luidende:

v. ‘beoefenaar van een vrij beroep in de zin van het toepasselijke Handelsakkoord’

€ 423

Niet van toepassing

C

Artikel 4.2a wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid wordt de zinsnede “ten hoogste drie dagen” vervangen door “ten hoogste tien dagen”.

D

Bijlage 1, behorend bij artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden als aangegeven in de bijlage bij deze regeling.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 29 april 2026

De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink

BIJLAGE 1, BEHOREND BIJ ARTIKEL 2.1, EERSTE LID, ONDERDEEL A, VOORSCHRIFT VREEMDELINGEN 2000

Luchthaven

Luchthavencode

Abeid Amani Karume International Airport

ZNZ

Accra International Airport

ACC

Amman Queen Alia International Airport

AMM

Abu Dhabi International Airport

AUH

Antalya International Airport

AYT

Bahrein International Airport

BAH

Belgrado Nicola Tesla International Airport

BEG

Boryspil International Airport

KBP

Casablanca International Airport

CMN

Cairo International Airport

CAI

Damman- King Fahd International Airport

DMM

Dar Es Salaam International Airport

DAR

Dubai International Airport

DXB

Dubai Al Maktoum International Airport

DWC

Entebbe International Airport

EBB

Guangzhou Baiyun International Airport

CAN

Hong Kong International Airport

HKG

Hamad International Airport

DOH

Istanbul International Airport

IST

Istanbul Sabiha Gökçen International Airport

SAW

Izmir International Airport

ADB

Jeddah King Abdulaziz Airport

JED

Johan Adolf Pengel International Airport

PBM

Johannesburg International Airport

JNB

Kuala Lumpur International Airport

KUL

Konya Airport

KYA

Kuwait International Airport

KWI

Lagos International Airport

LOS

Lungi International Airport

FNA

Marrakesh Menara Airport

RAK

Moskou Sheremetjevo International Airport

SVO

Muscat International Airport

MCT

Nairobi Jomo Kenyatta International Airport

NBO

New Delhi Indira Gandhi International Airport

DEL

Riyadh King Khalid International Airport

RUH

Rafael Núnez International Airport

CTG

Rafik Hariri International Airport

BEY

Roberts International Airport

RBO

Rio de Janeiro Galeao International Airport

GIG

Sao Paulo International Airport

GRU

Singapore Changi International Airport

SIN

Teheran Imam Khomeini International Airport

IKA

TOELICHTING

Algemeen

Deze wijzigingsregeling bestaat uit een bundeling van meerdere wijzigingen van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000).

De eerste wijziging (ARTIKEL I, onderdelen A en B) strekt tot aanpassing van het VV 2000 in het belang van een nieuwe verblijfsbeperking voor beoefenaars van een vrij beroep in de zin van meerdere tussen de Europese Unie en haar lidstaten enerzijds en een of meerdere derde landen anderzijds gesloten Handelsakkoorden. Beoefenaars van een vrij beroep verlenen op basis van een dienstverleningsovereenkomst diensten aan opdrachtgevers in de Europese Unie en moeten hiervoor tijdelijk aanwezig zijn op het grondgebied van de lidstaten. Beoefenaars van een vrij beroep die hiervoor langer dan 90 dagen in Nederland verblijven om de overeengekomen diensten te verlenen, dienen over een reguliere verblijfsvergunning te beschikken. Thans ontbreekt hiervoor een toepasselijke verblijfsbeperking. Met deze regeling wordt hierin alsnog voorzien.

Verscheidene Handelsakkoorden tussen de Europese Unie en haar lidstaten enerzijds en een of meerdere derde landen anderzijds bevatten bepalingen over toegang tot en tijdelijk verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat van de Europese Unie voor zakelijke doeleinden. Ingevolge deze bepalingen moet Nederland toestaan dat beoefenaars van een vrij beroep ten behoeve van de overeengekomen dienstverlening op Nederlands grondgebied verblijven voor een maximale periode die, al naar gelang het toepasselijke Handelsakkoord, varieert tussen een periode van zes maanden en een periode van 12 maanden. Zonder een toelatingsregeling mogen de beoefenaars van een vrij beroep alleen gedurende een kort verblijf van maximaal 90 dagen in Nederland aanwezig zijn voor het verlenen van diensten. Een nieuwe toelatingsregeling is daarom nodig om de bepalingen in de Handelsakkoorden over toegang en tijdelijk verblijf van beoefenaars van een vrij beroep te implementeren.

De tweede wijziging (ARTIKEL I, onderdeel C) bevat een aanpassing van het moment na de tijdige kennisgeving van de afvaart en de daaropvolgende grenscontrole waarop een schip dat in een Nederlandse zeehaven ligt de buitengrens van het Schengengebied daadwerkelijk dient te overschrijden.

De derde wijziging (ARTIKEL I, onderdeel D) betreft een wijziging van bijlage 1, behorend bij artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, VV 2000 in verband met het bijwerken van de lijst met luchthavens ten aanzien waarvan voor luchtvaartmaatschappijen een afschriftplicht geldt.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen A en B

Inleiding

De nieuwe toelatingsregeling in artikel 3.16a VV 2000 bevat de criteria voor de afgifte van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan beoefenaars van een vrij beroep met het verblijfsdoel ‘beoefenaar van een vrij beroep in de zin van het toepasselijke Handelsakkoord’. Beoefenaars van een vrij beroep zijn hooggekwalificeerde vreemdelingen met de nationaliteit van een derde land waarmee een Handelsakkoord is gesloten en verlenen op basis van een dienstverleningsovereenkomst aan een opdrachtgever in de Europese Unie diensten in één van de sectoren als bedoeld in dat Handelsakkoord. Daarnaast bevat deze regeling een aanpassing van de tabel in artikel 3.34 VV 2000 in verband met de leges voor de indiening en behandeling van de verblijfsaanvraag. Hierna zal eerst nader worden stilgestaan bij het doel en de noodzaak van deze regeling. Vervolgens zal worden ingegaan op de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor de reguliere verblijfsvergunning, alsmede op het bijbehorende legesbedrag. Tot slot wordt een toelichting gegeven op het aspect van financiële gevolgen en uitvoerbaarheid en op de datum van inwerkingtreding van de regeling.

Doel en noodzaak van de toelatingsregeling

Met deze regeling wordt voorzien in een nieuwe verblijfsbeperking voor beoefenaars van een vrij beroep. Het gaat hierbij om vreemdelingen uit een derde land die voor het verlenen van diensten op basis van een dienstverleningsovereenkomst aan een Europese opdrachtgever tijdelijk in Nederland aanwezig moeten zijn. De nieuwe verblijfsbeperking houdt verband met verscheidene Handelsakkoorden tussen de Europese Unie en haar lidstaten enerzijds en een of meerdere derde landen anderzijds.1 Het meest recente Handelsakkoord hiervan betreft de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds.2 Het gemeenschappelijke doel van deze Handelsakkoorden betreft het stimuleren van de wederzijdse handel en investeringen. De partijen bij de Handelsakkoorden bevestigen daarin hun verbintenis om een gunstig klimaat te scheppen voor de ontwikkeling van onderlinge handel en investeringen. Als onderdeel hiervan dienen de partijen maatregelen te nemen inzake de toelating tot en het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden. Uitgangspunt hierbij is dat alle voorschriften van de wetgeving van een partij met betrekking tot de toelating en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen van toepassing zijn, met inbegrip van de wet- en regelgeving over de verblijfsduur.3

Eén van de categorieën natuurlijke personen ten aanzien van wie op grond van de Handelsakkoorden de tijdelijke aanwezigheid voor zakelijke doeleinden op het grondgebied van de partijen moet worden toegestaan, betreft de beoefenaars van een vrij beroep. Voor beoefenaars van een vrij beroep die voor het verlenen van diensten tijdelijk op Nederlands grondgebied aanwezig moeten zijn, geldt dat zij gedurende hun verblijf in Nederland moeten beschikken over een verblijfstitel. Een deel van de beoefenaars van een vrij beroep dat naar Nederland komt, vertrekt binnen 90 dagen weer uit Nederland. Voor hen is de vrije termijn dan wel, bij een visumplichtige nationaliteit, het visum voor kort verblijf reeds een toereikende grondslag voor het vereiste rechtmatig verblijf.

Een ander deel van de beoefenaars van een vrij beroep beoogt een langer verblijf dan 90 dagen op Nederlands grondgebied. Voor hen is de vrije termijn dan wel het visum voor kort verblijf niet voldoende om hier rechtmatig te kunnen verblijven. Zij dienen gedurende hun verblijf in Nederland te beschikken over een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Hierbij geldt, afhankelijk van hun nationaliteit, dat de beoefenaars in bezit moeten zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf voorafgaand aan de komst naar Nederland.

De huidige verblijfsbeperkingen, als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), zijn niet van toepassing op het verblijfsdoel van de beoefenaars van een vrij beroep. Zo is de verblijfsbeperking ‘arbeid in loondienst’ voor hen niet geëigend omdat zij geen werkgever hebben. Hierdoor ontbreekt een in Nederland gevestigde referent en kunnen de beoefenaars niet voldoen aan de voorwaarde, zoals neergelegd in artikel 16, eerste lid, onder k, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ingevolge deze bepaling dient bij de aanvraag een verklaring van een referent, als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, Vw 2000, te worden overgelegd. Daarnaast is de verblijfsbeperking ‘arbeid als zelfstandige’ hier niet geëigend, omdat deze beperking betrekking heeft op vreemdelingen die voor het verrichten van arbeid als zelfstandige een bedrijf in Nederland willen vestigen. Beoefenaars van een vrij beroep hebben daarentegen geen commerciële vestiging op het grondgebied van de Europese Unie. Voorts dient met het verrichten van arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang gemoeid te zijn, terwijl de Handelsakkoorden niet een soortgelijke voorwaarde stellen voor het verlenen van diensten als beoefenaar van een vrij beroep. Het ontbreken van een toepasselijke verblijfsbeperking laat onverlet dat vreemdelingen geregeld een beroep doen op de Handelsakkoorden en als beoefenaar van een vrij beroep in aanmerking wensen te komen voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Voor deze vreemdelingen werd een zogenoemde ‘workaround’ toegepast. Die hield in dat zij in de gelegenheid werden gesteld om een aanvraag voor een gecombineerde vergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ in te dienen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bracht vervolgens advies uit over de vraag of aan de criteria van het toepasselijke Handelsakkoord is voldaan. Indien daarvan sprake was, werd vervolgens de gecombineerde vergunning verleend. Het voorgaande is reden om gebruik te maken van de grondslag in artikel 3.4, vierde lid, Vb 2000 door in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 de beoefenaars van een vrij beroep als een nieuwe categorie vreemdelingen aan te wijzen waarvoor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een andere beperking kan worden verleend.

Die aanwijzing is nodig vanwege de bepalingen in voornoemde Handelsakkoorden over toegang en verblijf van beoefenaars van een vrij beroep, die met deze regeling in Nederlandse wetgeving worden geïmplementeerd. Na de inwerkingtreding van deze regeling komt met de nieuwe verblijfsbeperking ‘beoefenaar van een vrij beroep in de zin van het toepasselijke Handelsakkoord’ een einde aan de toepassing van voornoemde workaround.

Doelgroep beoefenaars van een vrij beroep

Niet iedere vreemdeling die een vrij beroep beoefent, valt onder de nieuwe toelatingsregeling van artikel 3.16a, eerste lid, onder b, VV 2000. Het moet in de eerste plaats gaan om een vreemdeling die valt onder de definitie van beoefenaars van een vrij beroep als bedoeld in het Handelsakkoord dat op hem van toepassing is. Het gaat thans om een van de volgende Handelsakkoorden:

  • de Economische Partnerschapsovereenkomst tussen de CARIFORUM-staten4, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (PB L 289 van 30.10.2008);

  • de Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia, Peru en Ecuador, anderzijds (PB L 354 van 21.12.2012);

  • de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (PB L 11 van 14.1.2017);

  • de Economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende een economisch partnerschap (PB L 330 van 27.12.2018);

  • de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds (PB L 261 van 30.8.2014);

  • de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds (PB L 260 van 30.8.2014);

  • de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds (PB L 161 van 29.5.2014);

  • de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PB L 149 van 30.4.2021).

In de toekomst kunnen nieuwe Handelsakkoorden worden gesloten tussen de Europese Unie en haar lidstaten enerzijds en een of meerdere andere derde landen anderzijds. Indien die Handelsakkoorden soortgelijke bepalingen bevatten over toegang en verblijf voor beoefenaars van een vrij beroep als in de hiervoor opgesomde Handelsakkoorden, kunnen beoefenaars van een vrij beroep uit die andere derde landen eveneens een beroep doen op deze nieuwe toelatingsregeling.

De Handelsakkoorden bevatten ieder een definitiebepaling over beoefenaars van een vrij beroep. Hoewel de definities in de Handelsakkoorden niet geheel eensluidend zijn, verschillen zij onderling niet wezenlijk van elkaar. Uit al deze definities kan worden afgeleid dat beoefenaars van een vrij beroep die tijdelijk in Nederland willen verblijven, natuurlijke personen moeten zijn die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een van de derde landen, als partij bij de Handelsakkoorden, zijn gevestigd. Zij hebben geen vestiging op het grondgebied van de Europese Unie en haar lidstaten. Voorts verlenen zij diensten aan een eindverbruiker in Nederland.5 Daarnaast moet onder natuurlijke personen worden verstaan de onderdanen van een van de derde landen waarmee het Handelsakkoord is gesloten.6 Gelet hierop is de nieuwe toelatingsregeling uitsluitend van toepassing op de vreemdeling die de nationaliteit bezit van een derde land dat partij is bij een van de hiervoor bedoelde Handelsakkoorden, en die voldoet aan de definitie van beoefenaars van een vrij beroep in het op hem van toepassing zijnde Handelsakkoord. Met de voorwaarde in artikel 3.16a, tweede lid, onderdeel a, VV 2000 is hierin voorzien.

Dienstverlening

Uit de definitiebepalingen in de Handelsakkoorden komt voorts naar voren dat de beoefenaars van een vrij beroep dienen te beschikken over een dienstverleningsovereenkomst voor het verlenen van diensten aan een eindverbruiker in Nederland. Het moet hierbij gaan om een bona fide contract dat niet via een agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening mag zijn gesloten. Daarnaast geldt dat de beoefenaar van een vrij beroep en de eindverbruiker het contract hebben gesloten voor een periode van maximaal 12 maanden, en dat de beoefenaar van een vrij beroep op grond van het contract tijdelijk op het grondgebied van Nederland aanwezig moet zijn voor het verlenen van de overeengekomen diensten. Deze voorwaarden komen terug in artikel 3.16a, tweede lid, aanhef en onder b, VV 2000.

Het staat de beoefenaar van een vrij beroep niet vrij om in iedere economische sector van Nederland diensten te verlenen. De Handelsakkoorden bevatten een afgebakende groep sectoren waarbinnen de beoefenaars van een vrij beroep diensten mogen verlenen. Welke sectoren dit zijn, verschilt per Handelsakkoord.7 Het hangt daarom van het toepasselijke Handelsakkoord af of de dienstverlening binnen een toegestane sector valt. Om te kunnen toetsen of de dienstverlening in de betreffende sector, waarop het contract betrekking heeft, op Nederlands grondgebied mag plaatsvinden, is in artikel 3.16a, tweede lid, aanhef en onder b, VV 2000 als voorwaarde opgenomen dat de vreemdeling dient te beschikken over een geldige dienstverleningsovereenkomst in een van de sectoren als bedoeld in het op hem van toepassing zijnde Handelsakkoord.

Beroepskwalificaties

Uit de Handelsakkoorden komt het beeld naar voren van beoefenaars van een vrij beroep als hooggekwalificeerde vreemdelingen. Zo volgt uit de Handelsakkoorden dat beoefenaars van een vrij beroep een universitaire graad moeten hebben behaald voor het verlenen van de overeengekomen diensten. Indien zij geen universitaire graad hebben, dienen zij te beschikken over een kwalificatie waaruit kennis van een gelijkwaardig niveau blijkt. Dit betekent dat de beoefenaar van een vrij beroep die de overeengekomen diensten op Nederlands grondgebied wenst te verlenen, in het bezit moet zijn van een diploma op het niveau van een hoger beroepsonderwijs of universitaire opleiding. Ook komt hieruit naar voren dat de beoefenaar de overeengekomen diensten op dat niveau van een hoger beroepsonderwijs of universitaire opleiding moet verlenen. Bij gebreke van een diploma op dit niveau dient hij te onderbouwen over een gelijkwaardig kennisniveau te beschikken. De beoordeling hiervan kan worden gedaan op grond van een verklaring van de eindverbruiker van de te verlenen diensten in Nederland, inhoudende dat de beoefenaar van een vrij beroep over de vereiste kwalificaties en beroepservaring beschikt voor de overeengekomen dienstverlening. Uit de Handelsakkoorden volgt verder dat de beoefenaars in het bezit moeten zijn van de beroepskwalificaties die de Nederlandse wet- en regelgeving eventueel voorschrijft voor het verlenen van de overeengekomen diensten. Daarnaast moeten zij ten tijde van de indiening van de verblijfsaanvraag ten minste zes jaar relevante beroepservaring hebben opgedaan in de sector waarop de dienstverleningsovereenkomst betrekking heeft. Al deze vereisten voor de hooggekwalificeerde beoefenaar van een vrij beroep zijn als voorwaarden van de nieuwe toelatingsregeling opgenomen in artikel 3.16a, tweede lid, aanhef en onder c, VV 2000.

Eerder verblijf

Een andere voorwaarde van de nieuwe toelatingsregeling vloeit voort uit bepalingen in de Handelsakkoorden over de maximale periode voor de toelating tot en het tijdelijke verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat van de Europese Unie. Uit het merendeel van de Handelsakkoorden volgt dat de beoefenaar van een vrij beroep een periode van bij elkaar opgeteld maximaal zes maanden gedurende een periode van 12 maanden op Nederlands grondgebied mag verblijven. De Handelsakkoorden met Japan en Canada hanteren langere periodes en schrijven voor dat de duur van het verblijf van beoefenaars van een vrij beroep niet meer dan een cumulatieve periode van 12 maanden mag bedragen binnen een periode van 24 maanden. Een uitzondering hierop vormt het Handelsakkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. In dit Handelsakkoord is geen periode opgenomen waarbinnen de maximaal toegestane verblijfsduur moet plaatsvinden. Uit het voorgaande volgt dat bijvoorbeeld een vreemdeling afkomstig uit Japan die een verblijfsvergunning aanvraagt voor een periode van 12 maanden, gedurende de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag niet in Nederland mag hebben verbleven als beoefenaar van een vrij beroep. Als dat wel het geval zou zijn, heeft het verlenen van de verblijfsvergunning voor de gewenste periode ten gevolge dat de maximumverblijfsduur van 12 maanden binnen een periode van 24 maanden wordt overschreden. Een ander voorbeeld betreft een vreemdeling afkomstig uit een van de Cariforum-staten die een aanvraag indient voor een verblijfsvergunning voor de duur van 5 maanden. Op grond van het toepasselijke Handelsakkoord geldt voor deze vreemdeling een maximum verblijfsduur van 6 maanden binnen een periode van 12 maanden. Indien hij gedurende de 6 maanden voorafgaand aan de aanvraag reeds 2 maanden als beoefenaar van een vrij beroep in Nederland heeft verbleven, zou een verblijfsvergunning voor de duur van 5 maanden betekenen dat de maximum verblijfsduur wordt overschreden. In dit geval kan de verblijfsvergunning daarom ten hoogstens voor een periode van 4 maanden worden verleend. Als gezegd, zijn de beoefenaars van een vrij beroep afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van deze regel over eerder verblijf uitgezonderd. Met de voorwaarde in artikel 3.16a, tweede lid, onder d, VV 2000 is hierin voorzien.

Middelenvereiste

Uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 volgt dat een vreemdeling die in aanmerking wenst te komen voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, zelfstandig en duurzaam dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Het doel van het middelenvereiste is om vast te stellen dat vreemdelingen over voldoende middelen van bestaan beschikken en om die reden geen beroep op een bijstandsuitkering zullen doen. Het middelenvereiste geldt ook voor de vreemdeling die in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘beoefenaar van een vrij beroep in de zin van het toepasselijke Handelsakkoord’. Op grond van artikel 3.74, eerste lid, Vb 2000 zijn de middelen van bestaan in ieder geval voldoende indien de som van inkomsten, waaronder de bruto-winst uit arbeid als zelfstandige, ten minste gelijk is aan het minimumloon, als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.8 Deze norm geldt voor de beoefenaars van een vrij beroep die een verblijfsvergunning aanvragen onder de nieuwe toelatingsregeling. Per 1 januari 2026 bedraagt het minimumloon € 2.294,40 per maand, zodat de beoefenaar van een vrij beroep ten minste een inkomen gelijk aan dat bedrag moet genereren uit onder meer de overeengekomen dienstverlening. Op grond van artikel 3.74, derde lid, Vb 2000 is in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 als uitgangspunt opgenomen dat voor alleenstaande vreemdelingen een lagere norm geldt dan het minimumloon. Zo geldt voor hen dat de som van inkomsten, waaronder de bruto-winst uit arbeid als zelfstandige, ten minste gelijk moet zijn aan 70 procent van het minimumloon om aan het middelenvereiste te voldoen.9 De beoefenaars van een vrij beroep komen als alleenstaande naar Nederland om alhier de overeengekomen diensten te verlenen, zodat deze lagere norm ook op hen van toepassing is. Dat is niet de bedoeling. Als hooggekwalificeerde vreemdeling worden zij in staat geacht om ten minste aan de norm van het wettelijk minimumloon te voldoen. Om die reden is in artikel 3.16a, derde lid, VV 2000 opgenomen dat de middelen van bestaan van de beoefenaars van een vrij beroep in ieder geval voldoende zijn, indien die ten minste gelijk zijn aan de norm van artikel 3.74, eerste lid, Vb 2000. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kan beoordelen of hieraan wordt voldaan. Om dat te kunnen beoordelen is in het tweede lid, onder b, punt 3, VV 2000 als voorwaarde opgenomen dat de beoefenaar dient te beschikken over een geldige dienstverleningsovereenkomst met informatie over de bezoldiging die hem toekomt voor het verlenen van de overeengekomen diensten.

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Vreemdelingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 3.16a, tweede lid, VV 2000 komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘beoefenaars van een vrij beroep in de zin van het toepasselijke Handelsakkoord’. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) is in staat om te toetsen of aan deze voorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 3.16a, tweede lid, aanhef, VV 2000 dient Onze Minister, namens deze de IND, advies hierover in te winnen bij het UWV, alvorens over te gaan tot het verder behandelen en beslissen van de verblijfsaanvraag. Een negatief advies van het UWV zal ertoe leiden dat de IND de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de nieuwe toelatingsregeling afwijst. Bij een positief advies van het UWV zal in beginsel worden overgegaan tot inwilliging van de aanvraag, tenzij een of meerdere weigeringsgronden van artikel 16 van de Vreemdelingenwet 2000 voor de IND aanleiding geven om de aanvraag af te wijzen.

Tijdelijk verblijfsrecht

Uit de definitiebepalingen van de Handelsakkoorden komt naar voren dat de beoefenaar van een vrij beroep slechts tijdelijk aanwezig hoeft te zijn op het grondgebied van Nederland voor de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst. In de Handelsakkoorden is de verblijfsduur voor de beoefenaars van een vrij beroep ook begrensd in tijd. Voor het merendeel van de Handelsakkoorden geldt dat de beoefenaars van een vrij beroep een periode van bij elkaar opgeteld maximaal zes maanden in Nederland mogen verblijven dan wel voor de duur van de dienstverleningsovereenkomst als die een kortere looptijd heeft. Alleen de Handelsakkoorden met Japan, Canada en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland staan een langere verblijfsduur toe. De beoefenaars van een vrij beroep die onder deze Handelsakkoorden vallen, mogen een periode van in totaal ten hoogste twaalf maanden in Nederland verblijven, dan wel voor de duur van de dienstverleningsovereenkomst indien die korter is. Gelet hierop is het verblijfsrecht van de beoefenaars tijdelijk van aard. In artikel 3.16a, vierde lid, VV 2000 is dan ook neergelegd dat het verblijfsrecht van de beoefenaar van een vrij beroep tijdelijk is. Daarnaast is in het vijfde lid de maximaal toegestane verblijfsduur geregeld. De verblijfsvergunning wordt in beginsel verleend voor de duur van de dienstverleningsovereenkomst. Hierbij is de vergunning ten hoogste voor de duur van maximaal 12 maanden geldig, al naar gelang het toepasselijke Handelsakkoord, indien de dienstverlening voor een langere periode is overeengekomen. Dit betekent dat de maximale geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor beoefenaars van een vrij beroep die onder het toepassingsbereik van de Handelsakkoorden met Japan, Canada en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen, 12 maanden bedraagt. Voor de overige beroepsbeoefenaars van een vrij beroep betekent dit dat, overeenkomstig de op hen van toepassing zijnde Handelsakkoorden, de verblijfsvergunning maximaal zes maanden geldig is.

Geen verlengingsmogelijkheid

Zoals hierboven is toegelicht, is het verblijfsrecht van de beoefenaars van een vrij beroep tijdelijk van aard. Hierbij komt dat het op grond van de Handelsakkoorden, met uitzondering van het Handelsakkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, voor de beoefenaar van een vrij beroep alleen is toegestaan om een periode van niet meer dan 6 of 12 maanden binnen een periode van achtereenvolgens 12 of 24 maanden, al naar gelang het toepasselijke Handelsakkoord, als beoefenaar van een vrij beroep in Nederland te verblijven. Het is hiermee niet verenigbaar dat de verblijfsvergunning verlengd zou kunnen worden. In het vijfde lid van artikel 3.16a VV 2000 is daarom neergelegd dat de verblijfsvergunning niet verlengbaar is na het verstrijken van de maximale geldigheidsduur.

Voor de beoefenaars van een vrij beroep uit het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland geldt hierop in zoverre een uitzondering dat zij wel na de einddatum van hun verblijfsvergunning opnieuw in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning in Nederland als beoefenaar van een vrij beroep. Uit het Handelsakkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland volgt namelijk niet dat een periode in acht moet worden genomen waarbinnen een eerder verblijf als beoefenaar van een vrij beroep op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden. Dit Handelsakkoord sluit niet uit dat op basis van een nieuwe dienstverleningsovereenkomst een nieuw beroep kan worden gedaan op de toelatingsregeling. In het geval deze beoefenaars een nieuwe verblijfsvergunning aanvragen op basis van een nieuwe dienstverleningsovereenkomst over dezelfde werkzaamheden voor dezelfde opdrachtgever, wordt de aanvraag echter afgewezen. Immers, het verlenen van een verblijfsvergunning zou dan in feite neerkomen op een verlenging van de eerdere verblijfsvergunning. De beoefenaars zullen na de einddatum van hun eerdere verblijfsvergunning eerst een redelijke termijn in acht moeten nemen voordat zij in aanmerking komen voor de gewenste nieuwe verblijfsvergunning.

Leges

Het legestarief dat moet worden betaald voor de behandeling van de verblijfsaanvraag sluit aan bij het legeshuis van de IND. Sinds 2018 is ervoor gekozen om de tarieven bij reguliere verblijfsdoelen gelijk te stellen met het tarief van 1x, 3x of 5x de kosten van een ID-kaart. De leges die de beoefenaars van een vrij beroep moeten betalen voor hun verblijfsaanvraag zijn gelijk aan de legesbedragen die gelden voor andere arbeid gerelateerde verblijfsdoelen.

In de tabel in artikel 3.34 VV 2000 is in onderdeel v het legesbedrag opgenomen voor de aanvrager van het verblijfsdoel ‘beoefenaar van een vrij beroep in de zin van toepasselijke Handelsakkoord’. Dit bedrag bedraagt € 423,–.

Uitvoerbaarheid

De IND heeft een toets op uitvoering verricht en op basis daarvan geconcludeerd dat de nieuwe toelatingsregeling voor de beoefenaars van een vrij beroep uitvoerbaar is. Daarnaast wijst de IND op een handhavingsrisico dat verband houdt met de voorwaarde over beroepskwalificaties. De bewijsmiddelen ter staving van de beroepskwalificaties zouden fraudegevoelig kunnen zijn, wat een risico op oneigenlijk gebruik van de nieuwe toelatingsregeling met zich zou kunnen brengen. Gelet hierop wordt het wenselijk geacht om de toelatingsregeling na twee jaar te evalueren.

Ook het UWV heeft op basis van een toets op uitvoering positief geconcludeerd over de uitvoerbaarheid. Dat geldt eveneens voor de Arbeidsinspectie die tot een positieve conclusie over de handhaafbaarheid is gekomen. Er wordt geen extra beslag voorzien op de capaciteit van de Nederlandse Arbeidsinspectie.

De nieuwe toelatingsregeling komt ten gunste aan de administratieve lasten en de vermindering van de regeldruk. De inhoud van de toelatingsprocedure zelf wijzigt niet wezenlijk ten opzichte van de voornoemde workaround die bij verblijfsaanvragen van beoefenaars van een vrij beroep werd toegepast. Wel wordt met de implementatie van de bepalingen over toelating en verblijf uit de Handelsakkoorden voor de vreemdeling duidelijker wat de voorwaarden zijn om als beoefenaar van een vrij beroep in aanmerking te komen voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Hierbij zal de IND het aanvraagformulier toesnijden op de nieuwe toelatingsregeling voor beoefenaars van een vrij beroep, zodat voor hen duidelijker is welke informatie zij bij de verblijfsaanvraag moeten verstrekken. De nieuwe toelatingsregeling maakt het daarnaast voor zowel UWV als IND eenvoudiger om achtereenvolgens advies uit te brengen over de vraag of aan de voorwaarden is voldaan en om de verblijfsaanvraag te behandelen en bij inwilliging over te gaan tot vergunningverlening. Gelet hierop wordt de aanvraagprocedure onder de nieuwe toelatingsregeling duidelijker en minder tijdrovend dan de workaround.

Onderdeel C

In artikel 4.2a VV 2000 is nadere invulling gegeven aan het precieze moment waarop tijdens de grenscontrole een uitreisstempel moet worden geplaatst, wanneer een onderdaan van een derde land aan boord gaat van een schip dat gelegen is in een zeehaven om daarmee het Schengengebied te verlaten. Dit artikel vindt zijn grondslag in artikel 11, eerste lid, in samenhang met paragraaf 3.1.5. van Bijlage VI van de Schengengrenscode. Daaruit volgt dat het reisdocument van deze onderdanen (hierna: zeevarenden) bij uitreis moet worden afgestempeld en dat de gezagvoerder van een vaartuig de bevoegde autoriteit tijdig in kennis stelt van de afvaart.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in de uitspraak van 5 februari 2020 (ECLI:EU:C:2020:76) hieromtrent bevestigd dat een uitreisstempel pas mag worden geplaatst wanneer de gezagvoerder van het schip, waarop de zeevarende aanmonstert of is aangemonsterd, bij de bevoegde nationale autoriteiten heeft gemeld dat de afvaart van het schip aanstaande of op handen is. Het enkele aanmonsteren, dat wil zeggen het aan boord gaan, is dus niet voldoende. Er moet sprake zijn van daadwerkelijk vertrek op korte termijn uit het Schengengebied. Het loutere feit dat een zeevarende zich bij de grensdoorlaatpost heeft gemeld om vervolgens aan boord van het schip te gaan, betekent nog niet dat deze persoon ook het Schengengebied heeft verlaten. Melding bij een grensdoorlaatpost geeft hoogstens blijk van een voornemen om het Schengengebied te verlaten. Als vaststaat dat de controle van een zeevarende aan de grensdoorlaatpost niet op korte termijn zal worden gevolgd door fysieke overschrijding van de buitengrens, wordt derhalve nog geen uitreisstempel in het reisdocument geplaatst. Het is van belang dat de uitreisstempel kort vóór die overschrijding wordt aangebracht, om er overeenkomstig de doelstelling van de Schengengrenscode voor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten de daadwerkelijke naleving van de toegestane maximale verblijfsduur in het Schengengebied kunnen controleren.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 25 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2818) overwogen dat het aan de (toenmalige) staatssecretaris is om de in het arrest van het Hof geboden ruimte in te vullen, met inachtneming van de hierin gestelde grenzen. Gelet op de betekenis in het normale spraakgebruik van de uitdrukking ‘op handen’ zijn en het woord ‘aanstaande’ volgt volgens de Afdeling uit het arrest dat de termijn tussen enerzijds het melden van de afvaart en het uitstempelen en anderzijds het daadwerkelijke afvaren hooguit enkele dagen kan zijn. Gelet hierop is met ingang van 1 januari 2021 een nieuw artikel 4.2a, eerste lid, VV 2000 in werking getreden, waarin de maximum termijn voor het doen van een tijdige kennisgeving van de afvaart is vastgesteld op drie dagen voor het moment dat het schip de buitengrens daadwerkelijk zal overschrijden.

Op 22 oktober 2022 heeft de Europese Commissie in het Praktisch Handboek voor Grenswachters als richtsnoer opgenomen dat lidstaten zelf het aantal dagen vaststellen tussen enerzijds de melding van de afvaart en het uitstempelen en anderzijds de daadwerkelijke afvaart. De maximum termijn mag volgens de Commissie echter niet langer zijn dan 10 dagen.10 Lidstaten mogen kortere maximum termijnen vaststellen die niet korter mogen zijn dan 3 dagen en zij mogen ook verschillende termijnen vaststellen voor regelmatige en voor uitzonderlijke omstandigheden.

In de praktijk is gebleken dat de maximum termijn van 3 dagen, als bedoeld in artikel 4.2a, eerste lid, VV 2000, niet voldoende ruimte biedt voor de uitvoering door de Koninklijke Marechaussee (KMar) en de Zeehavenpolitie (ZHP). Het is voor de grenswachters in de meeste gevallen, met name bij de grotere zeeschepen, niet haalbaar om bij een kennisgeving van de afvaart drie dagen vóór het verlaten van de zeehaven en het overschrijden van de buitengrens, alle zeevarenden van het betreffende schip tijdig uit te stempelen. Een soortgelijk signaal wordt ook afgegeven door de werkgeversorganisaties in de zeevaart en het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat, die pleiten voor een langere termijn die meer flexibiliteit biedt. Het is niet altijd op voorhand duidelijk dat het schip daadwerkelijk op dag 3 zal uitvaren. Bovendien is de periode direct voorafgaand aan vertrek een drukke periode waarvoor geldt dat altijd een minimale bemanning aan boord van het schip aanwezig moet zijn. Een langere termijn biedt de mogelijkheid om de bemanning gespreid naar de grensdoorlaatpost te sturen voor het uitstempelen van hun reisdocumenten. De bevindingen van zowel de KMar en de ZHP als de werkgeversorganisaties laten zien dat een langere maximum termijn van gemiddeld 7 tot 10 dagen in de praktijk haalbaar moet worden geacht. Gelet op voornoemde richtsnoeren van de Commissie is een maximum termijn van 10 dagen verenigbaar met artikel 11 en paragraaf 3.1.5. van Bijlage VI van de SGC en de Hofjurisprudentie hieromtrent. Er bestaat daarom aanleiding om deze maximum termijn in artikel 4.2a VV 2000 vast te leggen, inhoudende dat een kennisgeving van de afvaart tijdig kan worden gedaan tot ten hoogste 10 dagen voor het moment waarop het schip de buitengrens van het Schengengebied daadwerkelijk zal overschrijden. Dit betekent dat de grenscontrole van zeevarenden, met als onderdeel het uitstempelen van hun reisdocumenten, reeds 10 dagen voorafgaand aan het daadwerkelijke vertrek uit de zeehaven kan plaatsvinden.

Als de werkelijke vertrekdatum na de maximum termijn van 10 dagen ligt, volgt uit de Schengengrenscode dat de datum van de uitreisstempel moet overeenkomen met de vertrekdatum. Dit kan zich voordoen wanneer na een aanvankelijk tijdige kennisgeving van de afvaart 10 dagen vóór het voorgenomen vertrek de reisdocumenten zijn uitgestempeld maar het schip door omstandigheden, bij voorbeeld een storm, toch niet op dag 10 kan vertrekken. In dat geval komt de werkelijke vertrekdatum na de maximum termijn van 10 dagen te liggen. Aangezien de datum van de uitreisstempel dan niet meer overeenkomt met de vertrekdatum, zal die ingetrokken moeten worden. De zeevarende zal zich opnieuw bij de grensdoorlaatpost moeten melden voor een grenscontrole en een nieuwe uitreisstempel.

Handhaving

De onderhavige wijziging brengt geen significante veranderingen in de bestaande handhaving.

Onderdeel D

Volgens artikel 2.2, eerste lid, Vb 2000 is de vervoerder die een vreemdeling naar Nederland brengt – rechtstreeks of via een transfer of transit – verplicht een afschrift te maken van het document dat de vreemdeling nodig heeft voor grensoverschrijding. Deze verplichting geldt wanneer de vlucht vertrekt vanaf een luchthaven die bij ministeriële regeling is aangewezen.

Op grond van het voorgaande is in bijlage 1 bij artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, VV 2000 een lijst opgenomen van luchthavens waarvoor de hiervoor genoemde afschriftplicht geldt voor luchtvaartmaatschappijen. Alle vervoerders die vanaf de aangewezen luchthavens naar Nederland vliegen, dienen afschriften te maken van de documenten voor grensoverschrijding van de passagiers die zij vervoeren die niet in het bezit zijn van een Nederlands paspoort. Deze afschriften bewaren zij voor een periode van zes maanden. Het doel van de afschriftplicht is het terugdringen van illegale migratie.

De lijst van afschriftplichtige luchthavens wordt ieder halfjaar bijgewerkt door de volgende criteria toe te passen op de gegevens t.a.v. illegale migratie van het afgelopen half jaar:

  • het hanteren van een ondergrens van vijf aangevoerde ongedocumenteerden per half jaar per luchthaven;

  • het betrekken van historische gegevens met betrekking tot de aanvoer van ongedocumenteerden;

  • het in overweging nemen van overige (trend)informatie over bepaalde luchthavens;

  • het doel van preventie.

De ervaringsgegevens van augustus 2025 tot en met januari 2026 hebben geleid tot een aangepaste lijst van tweeënveertig afschriftplichtige luchthavens. Eenenveertig luchthavens die het laatste half jaar op de lijst worden genoemd, blijven gehandhaafd. De luchthaven Abeid Amani Karume International Airport (ZNZ) wordt aan de lijst toegevoegd, vanwege zowel het hanteren van de hierboven genoemde ondergrens als de historische gegevens ten aanzien van de aanvoer van ongedocumenteerden. Er worden geen luchthavens van de lijst gehaald.

Artikel II

Na publicatie in de Staatscourant zal deze regeling in werking treden met ingang van 1 juli 2026, zijnde het eerstvolgende vaste verandermoment van het VV 2000 na de verplichte invoeringstermijn van twee maanden.

Vanaf 1 juli 2026 kunnen vreemdelingen in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘beoefenaar van een vrij beroep in de zin van het toepasselijke Handelsakkoord’.

De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink


X Noot
1

Het gaat om de volgende landen: Georgië, Moldavië, Oekraïne, Japan, Canada en de landen van het CARIFORUM: Antigua en Barbuda, de Bahama's, Barbados, Belize, Dominica, de Dominicaanse Republiek, Grenada, Guyana, Haïti, Jamaica, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Saint Kitts en Nevis, Suriname en Trinidad en Tobago, en Colombia, Ecuador en Peru.

X Noot
2

Publicatieblad van de Europese Unie L 149 van 30 april 2021, blz. 10.

X Noot
3

Zie onder andere artikelen 123 en 140 van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, alsmede artikelen 60 en 80 van de Economische Partnerschapsovereenkomst tussen de CARIFORUM-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds.

X Noot
4

Zie voetnoot 1 voor een opsomming van de Cariforum-staten.

X Noot
5

Zie ter illustratie de definitiebepalingen van artikel 80, tweede lid, onder d, Handelsakkoord met de Cariforum-staten en artikel 140, vijfde lid, onder c, Handelsakkoord met Verenigd Koninkrijk en Noord-Ierland.

X Noot
6

Zie ter illustratie artikel 77 Handelsakkoord met Georgië, artikel 10.2 Handelsakkoord met Canada en artikel 61, onder c, Handelsakkoord met de Cariforum-staten.

X Noot
7

Vergelijk Bijlage XXVII-D bij het Handelsakkoord met de Republiek Moldavië en Bijlage 22 bij het Handelsakkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

X Noot
8

Artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb 2000.

X Noot
9

Artikel 3.19, eerste lid, VV 2000.

X Noot
10

Zie paragraaf 6.10 van het Praktisch Handboek voor Grenswachters (Schengenhandboek), Aanbeveling C(2022) 7591 final.


X Noot
1

Het gaat om de volgende landen: Georgië, Moldavië, Oekraïne, Japan, Canada en de landen van het CARIFORUM: Antigua en Barbuda, de Bahama's, Barbados, Belize, Dominica, de Dominicaanse Republiek, Grenada, Guyana, Haïti, Jamaica, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Saint Kitts en Nevis, Suriname en Trinidad en Tobago, en Colombia, Ecuador en Peru.

X Noot
2

Publicatieblad van de Europese Unie L 149 van 30 april 2021, blz. 10.

X Noot
3

Zie onder andere artikelen 123 en 140 van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, alsmede artikelen 60 en 80 van de Economische Partnerschapsovereenkomst tussen de CARIFORUM-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds.

X Noot
4

Zie voetnoot 1 voor een opsomming van de Cariforum-staten.

X Noot
5

Zie ter illustratie de definitiebepalingen van artikel 80, tweede lid, onder d, Handelsakkoord met de Cariforum-staten en artikel 140, vijfde lid, onder c, Handelsakkoord met Verenigd Koninkrijk en Noord-Ierland.

X Noot
6

Zie ter illustratie artikel 77 Handelsakkoord met Georgië, artikel 10.2 Handelsakkoord met Canada en artikel 61, onder c, Handelsakkoord met de Cariforum-staten.

X Noot
7

Vergelijk Bijlage XXVII-D bij het Handelsakkoord met de Republiek Moldavië en Bijlage 22 bij het Handelsakkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

X Noot
8

Artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb 2000.

X Noot
9

Artikel 3.19, eerste lid, VV 2000.

X Noot
10

Zie paragraaf 6.10 van het Praktisch Handboek voor Grenswachters (Schengenhandboek), Aanbeveling C(2022) 7591 final.

Naar boven