Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 15748 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 15748 | ander besluit van algemene strekking |
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
Gelet op de artikelen 9.7.1.3, 9.7.1.4, 9.7.2.1, vierde lid, 9.7.2.3, derde lid, 9.7.3.1, eerste lid, 9.7.3.9, 9.7.4.5, eerste lid, 9.7.4.6, eerste lid, onderdeel b, sub 2, vierde en vijfde lid, 9.7.5.2, eerste lid, 9.7.5.3, zesde lid, 9.7.5.5, eerste en tweede lid, 9.7.6.1, vierde lid, 9.7.6.2, tweede lid, 9.8.3.2, eerste lid, 9.8.3.4, eerste lid, 9.8.4.2, eerste lid, en 9.8.4.3, vijfde lid, van de Wet milieubeheer, de artikelen 3, zevende lid, 5a, zesde lid, 5d, vijfde lid, 7, zevende lid, 10, zesde lid, 18, 21, 24, en 36, zesde lid, van het Besluit energie vervoer en artikel 3.3, vierde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging;
BESLUIT:
De Regeling energie vervoer wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen met bijbehorende omschrijvingen ingevoegd:
A-B-C-transacties tussen vergunninghouders van een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën voor afhaaltransacties per truck bij depots en raffinaderijlaadpunten als bedoeld in bepaling 1.4 van de Beleidsregels accijnswetgeving;
brandstofleveringsnota als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging;
distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
distributiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
distributiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
European Article Number, bedoeld als unieke 18-cijferige identificatiecode;
garantie van oorsprong voor niet-netlevering voor gas uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Regeling garanties van oorsprong, met de vermeldingen, bedoeld in artikel 24, derde lid, van die regeling.
2. De volgende begripsbepalingen vervallen:
binnenschip;
directe lijn;
elektriciteitsaansluiting;
gasaansluiting;
gastransportnet;
gecertificeerde schakel van een duurzaamheidssysteem;
gecertificeerde schakel van een vrijwillig systeem;
LNG;
LPG;
massabalans.
3. In de omschrijving van de begripsbepaling van bewijs van duurzaamheid wordt ‘een geleverde hoeveelheid fysieke biobrandstof’ vervangen door ‘een geleverde hoeveelheid grondstof voor biobrandstof of een geleverde hoeveelheid biobrandstof’ en wordt ‘massabalans’ vervangen door ‘massabalans van biobrandstof’.
4. In de omschrijving van de begripsbepaling van bewijs van hernieuwbaarheid wordt ‘hernieuwbare brandstof’ vervangen door ‘hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong’ en ‘hernieuwbare brandstoffen’ vervangen door ‘hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong’.
5. De begripsbepaling en bijbehorende omschrijving van garantie van oorsprong komt te luiden:
garantie van oorsprong als bedoeld in artikel 23, zevende lid, van de Regeling garanties van oorsprong, met de vermeldingen, bedoeld in artikel 24, derde lid, van die regeling;
6. De begripsbepaling en bijbehorende omschrijving van garantie van oorsprong voor niet-netlevering komt te luiden:
garantie van oorsprong voor niet-netlevering voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Regeling garanties van oorsprong;
7. In de omschrijving van de begripsbepaling van transactie wordt ‘hernieuwbare brandstofeenheden’ vervangen door ‘emissiereductie-eenheden’.
B
Artikel 2 komt te luiden:
1. De energie-inhoud op basis van de onderste verbrandingswaarde van de geleverde brandstof, de geleverde biobrandstof of de geleverde hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, waarvoor bijlage III bij de richtlijn hernieuwbare energie geen energie-inhoud vermeldt, wordt door de leverancier tot eindverbruik onderscheidenlijk de inboeker ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond met behulp van een erkende methode die bestemd is voor het vaststellen van de verbrandingswaarde van de brandstof, de biobrandstof of de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong.
2. De energie-inhoud als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op basis van een monstername die representatief is voor de geleverde brandstof, de geleverde biobrandstof of de geleverde hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong. Met uitzondering van methylvetzuren (FAME), bioethanol en ETBE:
a. gebeurt de monstername volgens EN ISO 3170 of EN ISO 3171 en door een instelling die door een nationaal accreditatie-instituut als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 voor die norm is geaccrediteerd;
b. gebeurt een analyse onder ISO-/IEC 17025 door een instelling die door een nationaal accreditatie-instituut als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 voor die norm is geaccrediteerd.
3. De energie-inhoud wordt voor de sector zeevaart bepaald overeenkomstig bijlage II van Verordening (EU) 2023/1805.
C
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na ‘welke ondernemingen’ ingevoegd ‘in de sectoren land en binnenvaart’, wordt ‘meer dan 500.000 liter’ vervangen door ‘gelijk aan of meer dan 500.000 liter’ en wordt na ‘zware stookolie’ ingevoegd ‘of rode gasolie’.
2. In het tweede lid wordt na ‘door ondernemingen’ ingevoegd ‘in de sectoren land en binnenvaart’.
3. In het derde lid wordt ‘hernieuwbare brandstoffen’ vervangen door ‘hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong’.
D
Artikel 3a komt te luiden:
1. De minister verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit informatie over welke ondernemingen rode gasolie aan de sector binnenvaart en dieselolie voor de scheepvaart, gasolie voor de scheepvaart en scheepsbrandstof aan de sector zeevaart leveren, met inbegrip van de geleverde hoeveelheden.
2. De minister verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit alle informatie die de emissieautoriteit nodig heeft om te bepalen of in het register de levering tot eindverbruik door ondernemingen in de sectoren binnenvaart en zeevaart juist en volledig is geregistreerd. Hiertoe voert de minister ten minste een gegevensanalyse uit nadat zij daartoe de benodigde gegevens heeft ontvangen van de emissieautoriteit. Ook verstrekt hij aan de emissieautoriteit risicosignalen ten aanzien van ondernemingen, bedoeld in het eerste lid.
3. De minister en het bestuur van de emissieautoriteit sluiten over de invulling van het bepaalde in dit artikel een bestuursovereenkomst.
E
Na artikel 3a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De marktdeelnemer, bedoeld in artikel 9.7.1.3, onderdeel a, van de wet, voert tijdig en correct de gegevens, bedoeld in dit onderdeel a, in de Uniedatabank in.
2. De marktdeelnemer bewaart de gegevens, bedoeld in het vorige lid, en de onderliggende stukken, ten minste vijf jaar vanaf het kalenderjaar waarop die gegevens betrekking hebben.
3. Het certificeringsorgaan van het duurzaamheidsysteem of het vrijwillige systeem van de marktdeelnemer controleert de juistheid van door de marktdeelnemer in de Uniedatabank ingevoerde gegevens.
F
Artikel 4 komt te luiden:
1. Bij het invoeren van zijn levering tot eindverbruik van de sector land, bedoeld in artikel 9.7.2.3, eerste lid, van de wet, vermeldt de leverancier tot eindverbruik de volgende gegevens:
a. soort brandstof en de bijbehorende energie-inhoud;
b. periode overeenkomend met de periode van de accijnsaangifte;
c. volume in liters per brandstofsoort bij een temperatuur van 15°C;
d. of de opgave afwijkt van de accijnsaangifte en de omvang van de afwijking;
e. indien de opgave afwijkt van de accijnsaangifte, de verklaring voor die afwijking.
2. Bij het invoeren van zijn levering tot eindverbruik van de sector binnenvaart, bedoeld in artikel 9.7.2.3, eerste lid, van de wet, vermeldt de leverancier tot eindverbruik het volume van geleverde rode gasolie per maand in liters bij een temperatuur van 15°C en de bijbehorende energie-inhoud.
3. Bij het invoeren van zijn levering tot eindverbruik van de sector zeevaart, bedoeld in artikel 9.7.2.3, eerste lid, van de wet, vermeldt de leverancier tot eindverbruik het volume per brandstofsoort per maand in liters bij een temperatuur van 15°C dan wel in kilogrammen en de bijbehorende energie-inhoud.
G
Artikel 5 komt te luiden:
1. Het percentage, bedoeld in artikel 3, zevende lid, van het besluit, bedraagt:
a. 100 procent voor het kalenderjaar 2026;
b. 80 procent voor het kalenderjaar 2027;
c. 78 procent voor het kalenderjaar 2028;
d. 76 procent voor het kalenderjaar 2029;
e. 74 procent voor het kalenderjaar 2030.
2. Het percentage, bedoeld in de artikel 5a, zesde lid, en 5d, vijfde lid, van het besluit, bedraagt 100 procent.
H
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na ‘de fysieke hoeveelheid’ telkens ingevoegd ‘biobrandstof’ en wordt na ‘de Nederlandse markt’ toegevoegd ‘voor vervoer’.
2. In het tweede lid wordt na ‘massabalans’ ingevoegd ‘van biobrandstoffen’.
3. Het vierde lid komt te luiden:
4. Bij het inboeken van een geleverde hoeveelheid vloeibare biobrandstof:
a. vermeldt de inboeker in welke standaardbrandstof als bedoeld in de aanhef van bijlage 1 de vloeibare biobrandstof is geleverd en of de levering tot verbruik is uitgeslagen of onder schorsing van betaling van accijns plaatsvond;
b. vermeldt de inboeker bij een niet-standaardbrandstof als bedoeld in de aanhef van bijlage 1 of de vloeibare biobrandstof in pure vorm of in een mengsel met een fossiele brandstof is geleverd;
c. voldoet de inboeker aan de in bijlage 2, deel A, genoemde eisen voor het aantonen van de aanwezigheid van de ingeboekte biobrandstof, bedoeld in de aanhef, in de geleverde brandstof of het geleverde brandstofmengsel;
d. in het geval van inboeking van een geleverde bio-ethanol, toont de inboeker ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aan dat de bio-ethanol:
1°. is geproduceerd in de Europese Unie; of
2°. in de Europese Unie in het vrije verkeer is gebracht na afdracht van de importheffing voor niet-gedenatureerde ethyl alcohol (GN-code 2207 10 XX).
4. Het vijfde lid komt te luiden:
5. Een hoeveelheid geleverde vloeibare biobrandstof die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in bijlage 1, geldt niet als een levering aan de Nederlandse markt van vervoer en mag niet worden ingeboekt.
5. Het zesde lid vervalt.
I
Artikel 6a vervalt.
J
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘het gastransportnet’ vervangen door ‘het distributiesysteem voor gas’, wordt ‘de geleverde hoeveelheid in kilogrammen’ vervangen door ‘de geleverde hoeveelheid gas in kilogrammen’, wordt ‘hernieuwbare energiebronnen’ vervangen door ‘hernieuwbare bronnen’ en wordt ‘vergroend wordt’ vervangen door ‘is vergroend’.
2. In het tweede lid wordt na ‘niet-netlevering’ ingevoegd ‘voor gas’, wordt ‘hernieuwbare energiebronnen’ vervangen door ‘hernieuwbare bronnen’ en wordt ‘vergroend wordt’ vervangen door ‘is vergroend’.
3. In het derde wordt ‘garanties van oorsprong vermeld is’ vervangen door ‘garanties van oorsprong voor gas uit hernieuwbare bronnen is vermeld’.
4. In het vierde lid wordt ‘garanties van oorsprong voor niet-netlevering vermeld is’ vervangen door ‘garanties van oorsprong voor niet-netlevering voor gas uit hernieuwbare bronnen is vermeld’.
5. In het vijfde lid wordt:
a. in de aanhef ‘garanties van oorsprong, bedoeld in het eerste lid’ vervangen door ‘garanties van oorsprong voor gas uit hernieuwbare bronnen, bedoeld in het eerste lid’ en ‘garanties van oorsprong voor niet-netlevering’ vervangen door ‘garanties van oorsprong voor niet-netlevering voor gas uit hernieuwbare bronnen’;
b. in onderdeel a ‘artikel 3 van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit’ vervangen door ‘artikel 23, derde lid, van de Regeling garanties van oorsprong, met de gegevens, bedoeld in artikel 23, van de Regeling garanties van oorsprong ’.
6. In het zesde lid wordt ‘derde en vierde lid’ vervangen door ‘eerste en tweede lid’.
7. Het zevende lid vervalt.
K
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid wordt ‘hernieuwbare brandstof’ vervangen door ‘hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong’.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Bij het inboeken van geleverde hoeveelheid vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong:
a. vermeldt de inboeker in welke standaardbrandstof als bedoeld in de aanhef van bijlage 1 de brandstof, bedoeld in de aanhef, is geleverd en of de levering tot verbruik is uitgeslagen of onder schorsing van betaling van accijns plaatsvond;
b. vermeldt de inboeker bij een niet-standaardbrandstof als bedoeld in de aanhef van bijlage 1 of de brandstof, bedoeld in de aanhef, in pure vorm of in een mengsel met een fossiele brandstof geleverd is;
c. voldoet de inboeker aan de in bijlage 2, deel B, genoemde eisen voor het aantonen van de aanwezigheid van de ingeboekte brandstof, bedoeld in de aanhef, in de geleverde brandstof of het geleverde brandstofmengsel.
3. Het vierde lid komt te luiden:
4. Een hoeveelheid geleverde vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in bijlage 1, geldt niet als een levering aan de Nederlandse markt van vervoer en mag niet worden ingeboekt.
L
Artikel 8a komt te luiden:
1. De hoeveelheid gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die wordt ingeboekt door een onderneming die beschikt over een vergunning bij of krachtens de Omgevingswet voor de ontvangst, de opslag en de verkoop van waterstof, is de hoeveelheid waterstof in kilogrammen die blijkt uit de meter van het bemeterde leverpunt.
2. De hoeveelheid gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die wordt ingeboekt door de onderneming die de gasvormige hernieuwbare brandstof produceert en levert met behulp van een waterstofcontainer, is de hoeveelheid waterstof in kilogrammen zoals blijkt uit de bedrijfsadministratie van de inboeker.
3. Voor een geleverde hoeveelheid gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die wordt ingeboekt toont de inboeker, bedoeld in het eerste lid, de hernieuwbaarheid van de geleverde gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong aan met behulp van het bewijs van hernieuwbaarheid dat hij van zijn toeleverancier ontvangt, tenzij hij de waterstof op locatie produceert, in welk geval hij over de locatie een massabalans van hernieuwbare brandstoffen voor waterstof voert, waarvan hij een bewijs van hernieuwbaarheid ten behoeve van het bestuur van de emissieautoriteit opstelt.
4. Voor een geleverde hoeveelheid gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die wordt ingeboekt stelt de inboeker, bedoeld in het tweede lid, op basis van de massabalans van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong een bewijs van hernieuwbaarheid op ten behoeve van het bestuur van de emissieautoriteit.
M
Artikel 9 komt te luiden:
1. De hoeveelheid geleverde elektriciteit die wordt ingeboekt, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, en het tweede lid, van het besluit, is de geleverde hoeveelheid in kWh die blijkt uit de meter van het bemeterd leverpunt, waarbij terugleveringen van elektriciteit vanuit het voertuig niet ingeboekt worden.
2. De hoeveelheid geleverde elektriciteit die wordt ingeboekt, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, is de geleverde hoeveelheid in kWh die blijkt uit de meter van de aansluiting of het bemeterde allocatiepunt.
3. De hoeveelheid geleverde elektriciteit die wordt ingeboekt, bedoeld in artikel 10, derde lid, van het besluit, is de geleverde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die blijkt uit de meter van het bemeterd leverpunt en die voor die directe lijn dan wel voor dat adres door garanties van oorsprong voor niet-netlevering voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen boekhoudkundig is vergroend, waarbij terugleveringen van elektriciteit vanuit het voertuig niet ingeboekt worden.
4. De geleverde hoeveelheid elektriciteit, bedoeld in het derde lid, heeft ten minste de omvang van de hoeveelheid elektriciteit die op de garanties van oorsprong voor niet-netlevering voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen is vermeld.
5. De garanties van oorsprong voor niet-netlevering voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, bedoeld in het vierde lid:
a. zijn voorafgaand aan het inboeken van de hoeveelheid elektriciteit, bedoeld in het derde lid, op de rekening van de emissieautoriteit, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Regeling garanties van oorsprong geboekt;
b. hebben een einddatum van geldigheid die ligt op of na de einddatum van de bij de inboeking opgegeven periode van de levering van de elektriciteit;
c. hebben betrekking op in Nederland geproduceerde elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, uitgezonderd biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas.
6. De minimale hoeveelheid jaarlijks in te boeken elektriciteit door een inboeker bedraagt 2 miljoen kWh, tenzij hij aan het bepaalde in het zevende lid voldoet of de onderneming al een rekening met een inboekfaciliteit heeft voor de inboeking van een andere soort geleverde hernieuwbare energie dan elektriciteit.
7. Het benodigde aantal machtigingen van ondernemingen of natuurlijke personen voor een inboekdienstverlenerbedraagt minimaal 200.
8. De inboekdienstverlener kan inboeken voor een onderneming of een natuurlijke persoon, indien hij over een door deze partijen ondertekende machtiging beschikt, die voor een periode van telkens ten minste een heel kalenderjaar is afgegeven, voor de inboeking van de geleverde of afgenomen elektriciteit in dat kalenderjaar geldig is en waarop de volgende gegevens zijn vermeld:
a. voor een onderneming:
1°. de naam, het vestigingsadres en het handelsregisternummer van de onderneming;
2°. de naam en de handtekening van de vertegenwoordigingsbevoegde van de onderneming;
3°. de EAN van de aansluiting;
4°. een machtiging voor de NEa om gegevens over de aansluiting bij de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit op te vragen;
5°. een machtiging aan de inboekverificateur van de inboekdienstverlener om de laadlocatie op het voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 10, eerste tot en met derde lid, van het besluit te controleren;
6°. de datum van afgifte en geldigheidsduur in kalenderjaren van de machtiging;
b. voor een natuurlijke persoon:
1°. de naam en handtekening van de aangeslotene;
2°. het adres en de EAN van de aansluiting van de aangeslotene;
3°. een machtiging voor de NEa om gegevens over de aansluiting bij de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit op te vragen;
4°. een machtiging aan de inboekverificateur van de inboekdienstverlener om de laadlocatie op het voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het besluit te controleren;
5°. de datum van afgifte en geldigheidsduur in kalenderjaren van de machtiging.
N
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. De inboeker van een hoeveelheid geleverde vloeibare biobrandstof of een vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong controleert elk kwartaal tegen de overige bedrijfsadministratie:
a. zijn voorraadverloop per soort vloeibare biobrandstof of vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, waarbij de eindvoorraad gelijk is aan de beginvoorraad opgeteld met het saldo van de leveringen in die periode;
b. het totaal van inboekingen in het register, waarbij de inboekingen niet groter zijn dan de leveringen in die periode.
2. Het vierde lid komt te luiden:
4. De inboeker bewaart de gegevens en de bewijsstukken, bedoeld in het derde lid, ten minste vijf jaar vanaf het kalenderjaar waarop die gegevens betrekking hebben.
O
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste, derde en vijfde tot en met zevende lid vervallen onder vernummering van het tweede lid tot eerste lid en het vierde lid tot tweede lid.
2. In het eerste lid (nieuw) wordt ‘de energie-inhoud, bedoeld in artikel 9.7.4.6, derde lid’ vervangen door ‘de CO2-equivalent-ketenemissiereductie, bedoeld in artikel 9.7.4.6, zevende lid’ en wordt ‘artikel 9, eerste lid’ vervangen door ‘artikel 10, eerste en tweede lid, van het besluit’.
3. In het tweede lid (nieuw) wordt ‘artikel 10, tweede lid’ vervangen door ‘artikel 10, derde lid’ en wordt ‘de energie-inhoud, bedoeld in artikel 9.7.4.6, derde lid’ vervangen door ‘de CO2-equivalent-ketenemissiereductie, bedoeld in artikel 9.7.4.6, eerste lid, onderdeel e’.
P
In artikel 12 wordt na ‘vloeibare hernieuwbare brandstof’ ingevoegd ‘van niet biologische oorsprong’.
Q
Aan artikel 14 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. De grondstof, bedoeld in artikel 9.7.4.6, vijfde lid, van de wet, is dierlijk vet categorie 3 en de factor, bedoeld in dit lid, is 0,5.
R
Artikel 15 komt te luiden:
1. De verificateur levering tot eindverbruik:
a. beheert de verificatieverklaringen levering tot eindverbruik per sector en de rapporten van bevindingen in het register;
b. controleert dat de hoeveelheid tot eindverbruik geleverde brandstof is bepaald met behulp van voldoende nauwkeurige meetinstrumenten;
c. neemt bij een te verifiëren levering tot eindverbruik van de sectoren binnenvaart of zeevaart, de opgevoerde levering tot eindverbruik van de andere scheepvaartsector in acht;
d. houdt een deugdelijke boekhouding bij van de verificatie levering tot eindverbruik en het verificatieproces. Het verificatiedossier laat duidelijk alle relevante verificatiestappen en hun onderlinge samenhang zien, bevat voldoende motivering van de keuzes die hij heeft gemaakt in het kader van zijn oordeelsvorming, bevat een voldoende gedetailleerde vastlegging van de uitgevoerde verificatiewerkzaamheden, is volledig en overzichtelijk;
e. meldt aan het bestuur van de emissieautoriteit vermoedens van fraude.
2. De verificatie levering tot eindverbruik en de verificatieverklaring levering tot eindverbruik voldoen aan de eisen, gesteld in bijlage 6.
3. De verificateur levering tot eindverbruik bewaart alle gegevens en documentatie met betrekking tot de verificatie gedurende vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de verificatie is verricht.
S
Artikel 16 komt te luiden:
1. De verificateur biomassa:
a. beheert de verificatieverklaringen biomassa in het register;
b. stelt vast welke hoeveelheid LPG, waarmee de met oplegger verplaatsbare opslagtanks of tankauto’s worden afgevuld, uit biomassa is vervaardigd;
c. controleert of de hoeveelheid LPG, waarmee de met oplegger verplaatsbare opslagtanks of tankauto’s worden afgevuld, met behulp van een voldoende nauwkeurige meter is bepaald;
d. houdt een deugdelijke boekhouding bij van de verificatie biomassa en het verificatieproces. Het verificatiedossier laat duidelijk alle relevante verificatiestappen en hun onderlinge samenhang zien, bevat voldoende motivering van de keuzes die hij heeft gemaakt in het kader van zijn oordeelsvorming, bevat een voldoende gedetailleerde vastlegging van de uitgevoerde verificatiewerkzaamheden, is volledig en overzichtelijk;
e. meldt aan het bestuur van de emissieautoriteit vermoedens van fraude.
2. De verificatie biomassa en de verificatieverklaring biomassa voldoen aan de eisen gesteld in bijlage 7.
3. De verificateur biomassa bewaart alle gegevens en documentatie met betrekking tot de verificatie gedurende vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de verificatie is verricht.
T
In artikel 17, eerste lid, onderdeel a, vervalt ‘, bedoeld in artikel 9.7.5.1 van de wet’.
V
Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘de beoogde opslaglocatie of opslaglocaties’ vervangen door ‘de opslaglocatie’ en wordt na ‘de Nederlandse markt’ toegevoegd ‘voor vervoer, uitgezonderd indien artikel 9.7.4.2, tweede lid, van de wet, van toepassing is’.
2. In het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. indien de onderneming een geleverde hoeveelheid gasvormige biobrandstof wil inboeken:
1°. bij levering met het distributiesysteem voor gas: het EAN en het adres van de aansluiting of bemeterd allocatiepunt, de naam van de distributiesysteembeheerder voor gas van die aansluiting of bemeterd allocatiepunt en een machtiging om bij de distributiesysteembeheerder voor gas informatie over de tenaamstelling en de eigenschappen van de aansluiting of bemeterd allocatiepunt op het distributiesysteem voor gas in te winnen;
2°. bij levering met een directe lijn: het adres waar het bemeterd leverpunt zich bevindt;
3. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘hernieuwbare brandstof’ vervangen door ‘hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong’, wordt ‘de beoogde opslaglocatie of opslaglocaties’ vervangen door ‘de opslaglocatie’ en wordt na ‘de Nederlandse markt’ toegevoegd ‘voor vervoer’.
4. Het tweede lid, onderdelen d en e, komen te luiden:
d. indien de onderneming een geleverde hoeveelheid gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong wil inboeken:
1°. bij levering vanaf een locatie: de naam en het vestigingsadres van de locatie voor het leveren van waterstof aan vervoer in Nederland en een afschrift van de vergunning, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van het besluit en, indien van toepassing, het bewijs dat de locatie gecertificeerd is door een vrijwillig systeem en dat die certificering geldig is;
2°. bij levering met een waterstofcontainer: de naam en het adres van locatie waar de waterstof wordt geproduceerd en waar vanaf met een waterstofcontainer aan binnenschepen en zeeschepen wordt geleverd en het bewijs dat de locatie gecertificeerd is door een vrijwillig systeem en dat die certificering geldig is.
e. indien de onderneming een geleverde hoeveelheid elektriciteit wil inboeken:
1°. bij levering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van het besluit: het EAN en het adres van de aansluiting, het bewijs dat de aansluiting uitsluitend bestemd is voor de levering van elektriciteit aan het gekoppelde bemeterd leverpunt, de naam van de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit van die aansluiting en een machtiging om bij de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit informatie over de tenaamstelling en de eigenschappen van de aansluiting op te vragen; of
2°. bij levering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van het besluit: het EAN en het adres van de aansluiting, het bewijs dat het bemeterd leverpunt voorzien is van een geregeld meetinstrument, de naam van de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit van die aansluiting en een machtiging om bij de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit informatie over de tenaamstelling en de eigenschappen van het bemeterd leverpunt op te vragen; of
3°. bij levering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, van het besluit: het EAN en het adres van de aansluiting, een bewijs van het leveren van openbaarvervoersdiensten, de naam van de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit van die aansluiting en een machtiging om bij de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit informatie over de tenaamstelling en de eigenschappen van de aansluiting of bemeterd allocatiepunt op te vragen; of
4°. bij levering als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, van het besluit: de vereisten van sub 1 tot en met 3, en het bewijs dat wordt geleverd met behulp van verwisselbare accu’s en de locatie waar de verwisselbare accu’s geladen wordt; of
5°. bij levering als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, van het besluit: de vereisten van sub 1 tot en met 3, en het bewijs dat wordt geleverd met behulp van een accupakket of elektrolyt en de locatie waar het accupakket of de elektrolyt geladen wordt; of
6°. bij levering als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder a, van het besluit: het EAN en het adres van de aansluiting, het bewijs dat de met de directe lijn geleverde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen uitsluitend bestemd is voor de levering van die elektriciteit aan het bemeterd leverpunt, de naam van de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit van die aansluiting en een machtiging om bij de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit informatie over de tenaamstelling en de eigenschappen van de aansluiting op te vragen; of
7°. bij levering als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, van het besluit: het EAN en het adres van de aansluiting, het bewijs dat op het adres van de onderneming opgewekte hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen uitsluitend bestemd is voor de levering van die elektriciteit aan het bemeterd leverpunt, de naam van de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit van die aansluiting en een machtiging om bij de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit informatie over de tenaamstelling en de eigenschappen van de aansluiting op te vragen; en
8°. onderbouwing dat de onderneming voldoet aan de drempelwaarde als bedoeld in artikel 9, zesde lid, voor het inboeken van geleverde hoeveelheden elektriciteit.
5. In het tweede lid wordt na onderdeel e (nieuw) een onderdeel toegevoegd, luidende:
f. indien een inboekdienstverlener een hoeveelheid geleverde of geladen elektriciteit wil inboeken:
1°. onderbouwing dat hij aan de drempelwaarde voldoet als bedoeld in artikel 9, zesde lid;
2°. een machtiging van de partijen als bedoeld in artikel 9, zevende lid, om bij de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit informatie op te vragen over de tenaamstelling en de eigenschappen van de aansluitingen.
6. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Bij de aanvraag van een rekening met alleen een overboekfaciliteit verstrekt de onderneming aan het bestuur van de emissieautoriteit langs elektronische weg een bewijs dat de onderneming als hoofdactiviteit het bedrijfsmatig handelen in energiederivaten, broeikasgasemissierechten of emissiereductie-eenheden heeft.
W
Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:
De emissieautoriteit kan deze periode met twintig werkdagen verlengen.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. De emissieautoriteit neemt rekeningaanvragen voor een rekening met inboekfaciliteit of alleen overboekfaciliteit in behandeling tot en met 15 december van een kalenderjaar waarover een onderneming wenst in te boeken of over te boeken.
X
In artikel 22, vierde lid, wordt ‘onderdeel b en e’ vervangen door ‘onderdelen b, e en f, en derde lid,’.
Y
Na artikel 24 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
AA
In artikel 25 wordt ‘4 april, 10 mei’ vervangen door ‘10 april’.
AB
Artikel 25a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘een massabalans’ vervangen door ‘een massabalans van biobrandstoffen’.
2. In het tweede lid wordt in de aanhef ‘juist verantwoording’ vervangen door ‘een juiste verantwoording’ en in onderdeel a ‘de vervaardiging van duurzame biobrandstof’ vervangen door ‘de vervaardiging van de duurzame biobrandstof’.
3. In het derde lid wordt ‘hernieuwbare brandstoffen’ telkens vervangen door ‘hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong’ en wordt ‘hernieuwbare brandstof’ vervangen door ‘hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong’.
4. In het vierde lid wordt ‘hernieuwbare brandstoffen’ telkens vervangen door ‘hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong’ en wordt ‘hernieuwbare brandstof’ telkens vervangen door ‘hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong’.
AC
Artikel 25b wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘een massabalans’ telkens vervangen door ‘een massabalans van biobrandstoffen’.
2. Het tweede tot en met vierde lid komen te luiden:
2. Een onderneming die is gecertificeerd volgens een duurzaamheidssysteem beschikt over een administratieve organisatie met maatregelen van interne beheersing en controle die in opzet en werking waarborgen dat hij een juiste verantwoording aflegt over:
a. de aard en hoeveelheid ontvangen duurzame grondstof of biobrandstof;
b. de juiste verhouding tussen de aard en hoeveelheid ontvangen duurzame grondstof en de soort en hoeveelheid geleverde grondstof; en
c. de hoeveelheid per afnemer geleverde duurzame grondstof of biobrandstof.
3. Een onderneming die is gecertificeerd volgens een vrijwillig systeem voert een massabalans van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong. Een onderneming die over een opslaglocatie beschikt, voert een massabalans hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong over elke opslaglocatie waar zich hoeveelheden hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong bevinden.
4. De massabalans van biobrandstoffen dan wel de massabalans hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong is een volledig onderdeel van de bedrijfsadministratie van de onderneming.
3. Na het vierde lid wordt twee leden toegevoegd, luidende:
5. Na afloop van de massabalansperiode:
a. maakt de onderneming een aansluiting tussen de bedrijfsadministratie van biobrandstof en de massabalans van biobrandstoffen op basis van een betrouwbare voorraadopname van tastbare hoeveelheden biobrandstof; en
b. bij een vastgesteld verschil schrijft de onderneming de hoeveelheid kenmerken van duurzaamheid in zijn massabalans van biobrandstoffen af ter grootte van het overschot van kenmerken, teniende evenveel kenmerken van duurzaamheid te beheren als de tastbare hoeveelheid biobrandstof in zijn bedrijfsadministratie groot is.
6. Na afloop van de massabalansperiode:
a. maakt de onderneming een aansluiting tussen de bedrijfsadministratie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong en de massabalans hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong op basis van een betrouwbare voorraadopname van de desbetreffende fossiele brandstof; en
b. bij een vastgesteld verschil schrijft de onderneming de hoeveelheid kenmerken van hernieuwbaarheid in zijn massabalans van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong af ter grootte van het overschot van kenmerken, opdat hij evenveel kenmerken van hernieuwbaarheid beheert als de desbetreffende hoeveelheid fossiele brandstof in zijn bedrijfsadministratie groot is.
AD
Hoofdstuk 2 komt te luiden:
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
bewijs dat de broeikasgasemissiereductie van een geleverde hoeveelheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong aantoont, afgegeven door een gecertificeerde schakel van een vrijwillig systeem op basis van zijn massabalans.
1. De energie-inhoud op basis van de onderste verbrandingswaarde van de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong ingezet voor de productie van een conventionele vervoersbrandstof of een biobrandstof, waarvoor bijlage III bij de richtlijn hernieuwbare energie geen energie-inhoud vermeldt, wordt door de inboeker ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond met behulp van een erkende methode die bestemd is voor het vaststellen van de verbrandingswaarde van de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
2. De energie-inhoud als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op basis van een monstername die representatief is voor de ingezette hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong. Met uitzondering van methylvetzuren (FAME), bioethanol en ETBE. De monstername gebeurt volgens EN ISO 3170 of EN ISO 3171 en door een instelling die door een nationaal accreditatie-instituut als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 voor die norm is geaccrediteerd. Een analyse gebeurt onder ISO-/IEC 17025 door een instelling die door een nationaal accreditatie-instituut als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 voor die norm is geaccrediteerd.
1. De hoeveelheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong gebruikt bij de productie van een conventionele vervoersbrandstof of een biobrandstof die wordt ingeboekt is de fysieke hoeveelheid in liters bij een temperatuur van 15°C of kilogram die blijkt uit de meter en de bedrijfsadministratie van de raffinaderij waar de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong is ingezet.
2. Voor een hoeveelheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die wordt ingeboekt stelt de raffinaderijhouder op basis van zijn massabalans en desbetreffende soort brandstof een bewijs van hernieuwbaarheid op ten behoeve van het bestuur van de emissieautoriteit.
3. De door het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong verwezenlijkte broeikasgasemissiereductie telt niet mee bij de berekening van de broeikasgasemissiereducties van de biobrandstoffen.
4. Bij het inboeken van een gebruikte hoeveelheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong bij de productie van een conventionele vervoersbrandstof of een biobrandstof vermeldt de inboeker de gegevens, bedoeld in bijlage 8a.
5. De inboeker bewaart de gegevens, bedoeld in bijlage 8a, en de bewijsstukken ter onderbouwing van die gegevens, ten minste vijf jaar vanaf het kalenderjaar waarop die gegevens betrekking hebben.
1. De verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen:
a. beheert de verificatieverklaringen raffinagereductie vervoersbrandstoffen en de rapporten van bevindingen in het register;
b. vermeldt in het register het resultaat van de verificatie;
c. houdt een deugdelijke boekhouding bij van de verificatie en het verificatieproces. Het verificatiedossier laat duidelijk alle relevante verificatiestappen en hun onderlinge samenhang zien, bevat voldoende motivering van de keuzes die hij heeft gemaakt in het kader van zijn oordeelsvorming, bevat een voldoende gedetailleerde vastlegging van de uitgevoerde verificatiewerkzaamheden, is volledig en overzichtelijk;
d. meldt aan het bestuur van de emissieautoriteit vermoedens van fraude.
2. Het rapport van bevindingen wordt opgesteld op basis van een verificatie van alle inboekingen die ter verificatie werden aangeboden.
3. De verificatie raffinagereductie vervoersbrandstoffen en de verificatieverklaring raffinagereductie vervoersbrandstoffen voldoen aan de eisen, bedoeld in bijlage 8b.
1. Het register is toegankelijk via het internet.
2. Voor de toegang tot het register wordt gebruik gemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit aangewezen inlogmiddel.
3. Het bestuur van de emissieautoriteit kan de toegang tot het register opschorten indien schade is ontstaan of dreigt te ontstaan aan het register.
4. Het bestuur van de emissieautoriteit neemt alle maatregelen die redelijkerwijs verwacht kunnen worden om te zorgen dat het register beschikbaar is op werkdagen van 9.00 tot 17.00 uur.
1. Bij de aanvraag voor een rekening met een inboekfaciliteit verstrekt de raffinaderijhouder aan het bestuur van de emissieautoriteit langs elektronische weg de volgende gegevens:
a. de naam, het vestigingsadres en handelsregisternummer van de raffinaderij;
b. de naam en een kleurenkopie van het geldige legitimatiebewijs van de statutair vertegenwoordigingsbevoegde van de raffinaderij;
c. de naam, het vestigingsadres, het elektronisch postadres en het telefoonnummer van de rekeningbevoegden en fiatteurs;
d. het bewijs van een actieve bankrekening van de raffinaderij;
e. de afgiftedatum, de ingangsdatum, de einddatum en het nummer van de vergunning voor de accijnsgoederenplaats van de raffinaderij, alsmede het Rechtspersonen en Samenwerkingsverbanden Informatienummer (RSIN);
f. bewijs dat de raffinaderij gecertificeerd is door een vrijwillig systeem of vrijwillige systemen en dat die certificering geldig is.
2. Bij de aanvraag voor een rekening met alleen een overboekfaciliteit, verstrekt de leverancier tot eindverbruik of de onderneming, bedoeld in artikel 9.7.5.3, derde lid, van de wet aan het bestuur van de emissieautoriteit langs elektronische weg de volgende gegevens:
a. de naam, het vestigingsadres en handelsregisternummer van de onderneming;
b. het nummer van de rekening in het register als bedoeld in artikel 9.7.5.1 van de wet.
3. Het bestuur van de emissieautoriteit kan verzoeken om:
a. een verklaring omtrent het gedrag van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c; en
b. waarmerking van de kleurenkopie van het legitimatiebewijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
4. Artikel 10, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.
1. Het bestuur van de emissieautoriteit controleert of de gegevens en documenten die verstrekt zijn, volledig, actueel, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn.
2. Indien is voldaan aan de eisen voor het hebben van een rekening maakt de emissieautoriteit uiterlijk twintig werkdagen na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikelen 31 in het register een rekening aan voor de aanvrager. De emissieautoriteit kan deze periode met twintig werkdagen verlengen.
3. De emissieautoriteit neemt rekeningaanvragen voor een rekening met een inboekfaciliteit of een rekening met alleen een overboekfaciliteit in behandeling tot en met 15 december van een kalenderjaar waarover een onderneming wenst in te boeken of over te boeken.
4. Alvorens de rekening te gebruiken accepteert de rekeninghouder de gebruiksvoorwaarden.
1. De rekeninghouder meldt wijzigingen van de op hem betrekking hebbende gegevens, bedoeld in artikel 31, eerste lid, binnen twintig werkdagen langs elektronische weg aan het bestuur van de emissieautoriteit.
2. De emissieautoriteit wijzigt de gegevens, nadat de juistheid van de melding, bedoeld in het eerste lid, is vastgesteld overeenkomstig die melding binnen twintig werkdagen na ontvangst van die melding.
3. Artikel 32, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
1. Indien een rekeningbevoegde weet of vermoedt dat een onbevoegde persoon zich toegang tot de rekening kan verschaffen, blokkeert hij de toegang tot zijn rekening en meldt hij dit onverwijld langs elektronische weg aan het bestuur van de emissieautoriteit.
2. Indien een melding als bedoeld in het eerste lid is ontvangen, controleert de emissieautoriteit of de toegang tot de desbetreffende rekening geblokkeerd is.
3. Tot het moment waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen, wordt elke toegang tot de rekening als bevoegd aangemerkt.
1. De rekeninghouder wijst per rekening ten minste twee rekeningbevoegden aan.
2. De rekeninghouder kan per rekening twee of meer fiatteurs aanwijzen.
3. Een rekeninghouder heeft opgeteld per rekening niet meer dan tien rekeningbevoegden of fiatteurs.
4. Een rekeningbevoegde kan slechts fiatteur zijn voor een transactie die hij niet heeft voorgesteld.
5. Voor de opening en het gebruik van een rekening met inboekfaciliteit en een rekening met overboekfaciliteit voor de onderneming, bedoeld in artikel 9.7.5.3, derde lid, van de wet, is de onderneming per kalenderjaar een vergoeding van € 400 verschuldigd.
AE
Bijlage 1 wordt vervangen door de bijlage in bijlage I bij deze regeling.
AF
Bijlage 2 wordt vervangen door de bijlage in bijlage II bij deze regeling.
AG
Bijlage 3 wordt vervangen door de bijlage in bijlage III bij deze regeling.
AH
Bijlage 5 wordt vervangen door de bijlage in bijlage IV bij deze regeling.
AI
Bijlage 6 wordt vervangen door de bijlage in bijlage V bij deze regeling.
AJ
Bijlage 7 wordt vervangen door de bijlage in bijlage VI bij deze regeling.
AK
Bijlage 8 wordt vervangen door de bijlage in bijlage VII bij deze regeling.
AL
Na bijlage 8 wordt bijlage 8a toegevoegd, als opgenomen in bijlage VIII bij deze regeling.
AM
Na bijlage 8a (nieuw) wordt bijlage 8b toegevoegd, als opgenomen in bijlage IX bij deze regeling.
De Regeling brandstoffen luchtverontreiniging wordt als volgt gewijzigd:
Na artikel 5 wordt twee artikelen ingevoegd, luidende:
1. Een brandstofleverancier als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van het besluit, registreert bij de Inspectie Leefomgeving en Transport de volgende gegevens:
a. bedrijfsnaam zoals vermeld in het Handelsregister;
b. naam/namen, waaronder wordt geleverd en die wordt vermeld op de brandstofleveringsnota;
c. inschrijving in het Handelsregister;
d. vestigingsadres;
e. telefoonnummer.
2. Een nieuwe brandstofleverancier registreert zich voor aanvang van zijn eerste levering van scheepsbrandstoffen bij de Inspectie Leefomgeving en Transport.
3. Een brandstofleverancier waarvan een van de in het eerste lid genoemde gegevens wijzigt of bij het staken van leveringen van scheepsbrandstoffen, meldt dit onverwijld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport.
1. Binnen een maand na de afsluiting van elk kwartaal stuurt de leverancier, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van het besluit, een afschrift van de brandstofleveringsnota’s met bijlagen van alle leveringen aan de zeevaart in Nederland in het voorgaande kwartaal aan de Inspectie Leefomgeving en Transport.
2. De afschriften van de brandstofleveringsnota’s zijn vergezeld van een overzicht, waarin voor elke brandstoflevering, onder het unieke nummer van de brandstofleveringsnota, de informatie wordt vermeld die is opgenomen in Aanhangsel V van Bijlage VI bij het Verdrag, aangevuld met de informatie overeenkomstig bijlage I van Verordening (EU) 2023/1805, inclusief de samenstelling van de brandstoflevering en de ISO 8217-brandstofklassen.
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 1 april 2026 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de accijns in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (Stb. 2026, 83), in werking treedt, en werkt terug tot 1 januari 2026.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.W.H. Bertram
1. Voorwaarden voor het leveren aan de Nederlandse markt voor vervoer van een hoeveelheid vloeibare biobrandstof of vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, in een standaardbrandstof:
uitslag tot verbruik of levering onder schorsing van betaling van accijns door de inboeker met een A-B-C-afhaaltransactie van:
– benzine als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging;
– diesel als bedoeld in artikel 2.5 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging;
– gasolie voor mobiele machines, bedoeld in artikel 2.6 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en die geen onderwerp van onderdeel 2 is;
– brandstof die voldoet aan EN15940; of
– LPG die voldoet aan EN589 of LNG die voldoet aan ISO13686,
voor gebruik in een wegvoertuig, in een spoorvoertuig, in een niet voor de weg bestemde mobiele machine (met uitzondering van een binnenschip en een zeeschip), in een landbouwtrekker, in een bosbouwtrekker, in een pleziervaartuig of in een vaste installatie.
2. Voorwaarden voor het leveren aan de Nederlandse markt voor vervoer van een hoeveelheid vloeibare biobrandstof of vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, in een niet-standaardbrandstof:
uitslag tot verbruik door de inboeker van een brandstof die niet voldoet:
– aan de milieutechnische specificaties van artikel 2.3 en 2.5 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging;
– aan de milieutechnische specificaties van gasolie voor mobiele machines, die voor meer dan 50% uit biobrandstof bestaat;
– aan EN15940, of
– aan EN589 voor LPG of aan ISO13686 voor LNG, en
waarbij de inboeker met onder meer een factuur (voorzien van het afleveradres) en een betaalbewijs in zijn boekhouding aantoont dat de (door hem) geleverde brandstof door zijn afnemer is gebruikt in een wegvoertuig, in een spoorvoertuig, in een niet voor de weg bestemde mobiele machine (met uitzondering van een binnenschip en een zeeschip), in een landbouwtrekker, in een bosbouwtrekker, in een pleziervaartuig of in een vaste installatie.
3. Voorwaarden voor het leveren aan de Nederlandse markt voor vervoer van een hoeveelheid vloeibare biobrandstof of vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong voor gebruik in binnenschepen voor de aandrijving of als scheepsbehoefte aan boord, in een standaardbrandstof:
a. uitslag tot verbruik door de inboeker of levering onder schorsing van betaling van accijns door de inboeker met een A-B-C-afhaaltransactie van:
– gasolie voor mobiele machines, bedoeld in artikel 2.6 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging, voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 1a van de Wet op de accijns en die geen onderwerp van onderdeel 4 is,
– brandstof die voldoet aan de EN15940, of
– LPGdie voldoet aan de EN589 of LNG die voldoet aan de ISO13686; of
b. levering onder schorsing van betaling van accijns door de inboeker met een bunkerdienstverlener van:
– gasolie voor mobiele machines, bedoeld in artikel 2.6 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging, voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 1a van de Wet op de accijns en die geen onderwerp van onderdeel 4;
– brandstof die voldoet aan de EN15940, of
– LPG die voldoet aan de EN589 of LNG die voldoet aan de ISO13686; en
waarbij de inboeker met onder meer een factuur en een betaalbewijs in zijn boekhouding aantoont dat hij, vanaf zijn accijnsgoederenplaats (of vanaf een accijnsgoederenplaats dan wel een belastingentrepot waarover hij de massabalans van biobrandstoffen voert), de brandstof op het bunkerschip van de bunkerdienstverlener heeft geladen en met een bunkerverklaring van de bunkerdienstverlener de aflevering van die brandstof aan een binnenschip van zijn afnemer aantoont.
4. Voorwaarden voor het leveren aan de Nederlandse markt voor vervoer van een hoeveelheid vloeibare biobrandstof voor gebruik in binnenschepen voor de aandrijving of als scheepsbehoefte aan boord, in een niet-standaardbrandstof:
a. uitslag tot verbruik door de inboeker:
– van gasolie voor mobiele machines, bedoeld in artikel 2.6 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging, voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 1a van de Wet op de accijns, die voor meer dan 50% uit biobrandstof bestaat,
– brandstof die niet voldoet aan de EN15940, of
– LPG die niet voldoet aan de EN589 of LNG die niet voldoet aan de ISO13686; en
waarbij de inboeker onder meer met een factuur, een betaalbewijs en een bunkerverklaring in zijn boekhouding de aflevering van die brandstof aan een binnenschip van zijn afnemer aantoont; of
b. levering onder schorsing van betaling van accijns door de inboeker met een bunkerdienstverlener van:
– gasolie voor mobiele machines, bedoeld in artikel 2.6 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging, voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 1a van de Wet op de accijns, die voor meer dan 50% uit biobrandstof bestaat;
– brandstof die niet voldoet aan de EN15940; of
– LPG die niet voldoet aan de EN589 of LNG die niet voldoet aan de ISO13686; en
waarbij de inboeker met onder meer een factuur en een betaalbewijs in zijn boekhouding aantoont dat hij vanaf zijn accijnsgoederenplaats, of vanaf een accijnsgoederenplaats dan wel een belastingentrepot waarover hij de massabalans van biobrandstoffen voert, de desbetreffende brandstof op het bunkerschip van de bunkerdienstverlener heeft geladen en met een bunkerverklaring van de bunkerdienstverlener de aflevering van die brandstof aan een binnenschip van zijn afnemer aantoont.
5. Voorwaarden voor het leveren aan de Nederlandse markt van een hoeveelheid vloeibare biobrandstof of vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong voor gebruik in zeeschepen voor de aandrijving of als scheepsbehoefte aan boord, in een standaard- of niet-standaardbrandstof:
a. uitslag tot verbruik door de inboeker van:
– dieselolie voor de scheepvaart, gasolie voor de scheepvaart of scheepsbrandstof als bedoeld in paragraaf 3.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging;
– LPG die voldoet aan de EN589 of LNG die voldoet aan de ISO13686;
– brandstof die voldoet aan de EN15940; of
– pure biobrandstof (een biobrandstof in ongemengde vorm); en
waarbij de inboeker onder meer met een factuur, een betaalbewijs of een bunkerverklaring de aflevering van die hoeveelheid aan een zeeschip van zijn afnemer aantoont; of
b. levering onder schorsing van betaling van accijns door de inboeker met een bunkerdienstverlener van:
– dieselolie voor de scheepvaart, gasolie voor de scheepvaart of scheepsbrandstof als bedoeld in paragraaf 3.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging;
– LPG die voldoet aan de EN589 of LNG die voldoet aan de ISO13686;
– brandstof die voldoet aan de EN15940; of
– pure biobrandstof (een biobrandstof in ongemengde vorm); en
waarbij de inboeker met onder meer een factuur en een betaalbewijs in zijn boekhouding aantoont dat hij vanaf zijn accijnsgoederenplaats, of vanaf een accijnsgoederenplaats dan wel een belastingentrepot waarover hij de massabalans van biobrandstoffen voert, de desbetreffende brandstof op het bunkerschip van de bunkerdienstverlener heeft geladen en met een bunkerverklaring van de bunkerdienstverlener de aflevering van die brandstof aan een zeeschip van zijn afnemer aantoont.
1. De inboeker toont, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit, de fysieke aard van een hoeveelheid vloeibare biobrandstof in een geleverde brandstof aan door middel van monstername en analyse.
2. Een monstername en analyse vindt plaats op de brandstof die de toeleverancier aan de inboeker levert dan wel op de brandstof die de inboeker aan de Nederlandse markt voor vervoer levert. De monstername en de analyse hebben betrekking op de ingeboekte brandstof die de inboeker aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverd heeft en het genomen monster is representatief voor de geleverde brandstof. De analyse gebeurt met behulp van een erkende methode die bestemd is voor het vaststellen van de aanwezigheid van een biobrandstof.
Met uitzondering van methylvetzuren (FAME), bioethanol en ETBE, gebeurt:
a. een monstername volgens EN ISO 3170 of EN ISO 3171, door een instelling die door een nationaal accreditatie-instituut zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 is geaccrediteerd;
b. een analyse onder ISO-/IEC 17025 accreditatie, verleend door een nationaal accreditatie-instituut zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008.
3. Indien de inboeker de fysieke aard van een hoeveelheid biobrandstof in een geleverde brandstof aantoont met behulp van een analyse van zijn toeleverancier, dan moet de inboeker met een betrouwbare overpomp- en opslagboekhouding van de opslaglocatie, bedoeld in artikel 9.7.4.2, onderdeel b, van de wet, de herleidbaarheid van de hoeveelheid door de inboeker aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverde biobrandstof tot de hoeveelheid van zijn toeleverancier ontvangen biobrandstof aantonen. Hiertoe moet:
a. de monstername plaatsvinden op de opslaglocatie van de toeleverancier direct voorafgaand aan de beleverde locatie van de inboeker. Eventuele tussenhandel zonder opslag is toegestaan, evenals het verplaatsen binnen de gecertificeerde opslaglocatie(s) van de inboeker;
b. de monstername bij de leverancier betrekking hebben op de brandstof die aan de inboeker geleverd wordt. Dit moet blijken uit het administratie- en monsternamerapport.
4. De inboeker van een LPG uit biomassa mag de fysieke hoeveelheid biobrandstof aantonen met behulp van een verificatie, bedoeld in artikel 9.7.4.8 van de wet.
De inboeker die een vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong als een onderdeel van een mengsel met fossiele brandstof levert, toont met behulp van een monstername en analyse de hoeveelheid van de desbetreffende vloeibare brandstof in de geleverde brandstof aan. De monstername en de analyse hebben betrekking op de ingeboekte brandstof die de inboeker aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverd heeft en het genomen monster is representatief voor de geleverde brandstof.
1. Algemeen
a. soort hernieuwbare energie;
b. datum of periode van levering;
c. de beleverde sector als bedoeld in artikel 9.7.4.1, tweede lid, van de wet.
2. Bij de inboeking van een geleverde hoeveelheid vloeibare biobrandstof
a. de soort vloeibare biobrandstof en de geleverde hoeveelheid in liters bij 15°C, dan wel in kilogram;
b. in geval van een standaardbrandstof als bedoeld in de aanhef en onderdelen 1 en 3 van bijlage 1: de soort standaardbrandstof en of de standaardbrandstof tot verbruik is uitgeslagen of onder schorsing van betaling van accijns aan een andere houder van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns, is geleverd;
c. in geval van een niet-standaardbrandstof als bedoeld in de aanhef en onderdelen 2 en 4 van bijlage 1: of de vloeibare biobrandstof in pure vorm of in een mengsel met een fossiele brandstof geleverd is;
d. de gecertificeerde opslaglocatie waar vanaf de fysieke levering plaatsvond; de naam, het nummer waaronder de locatie van de accijnsgoederenplaats, bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns, bij de rijksbelastingdienst geregistreerd is en het adres, of de naam en adres van het belastingentrepot;
e. het duurzaamheidsysteem waaronder de levering plaatsvindt;
f. het nummer van het bewijs van duurzaamheid uit de Uniedatabank;
g. de naam van de oorspronkelijke grondstof of de grondstoffen volgens het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvindt;
h. het land van herkomst van de grondstof of de grondstoffen;
i. het land van productie van de biobrandstof;
j. de totale broeikasgasemissie per grondstof in g CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie dan wel, indien geen gebruik wordt gemaakt van de standaardwaarde, de broeikasgasprestatie opgedeeld in de factoren;
k. in het geval van meerdere grondstoffen: per grondstof de bijdrage van die grondstof aan de totale energie-inhoud van de biobrandstof als percentage of als GJ;
l. of de fysieke productie van de biobrandstof op een productielocatie plaatsvond die na 5 oktober 2015 operationeel is geworden dan wel na 1 januari 2021;
m. of de fysieke productie van de biobrandstof op een opslaglocatie plaatsvond die na 5 oktober 2015 of na 1 januari 2021 operationeel is geworden.
3. Bij de inboeking van een geleverde hoeveelheid gasvormige biobrandstof
a. bij levering met het distributiesysteem voor gas:
1°. de per aansluiting of bemeterd allocatiepunt, volgens het bemeterde leverpunt of de bemeterde leverpunten, geleverde hoeveelheid gas in kilogrammen;
2°. het adres en het EAN van de aansluiting;
3°. van de garantie van oorsprong, bedoeld in artikel 7, eerste lid:
1°. het nummer van de certificaatreeks;
2°. de aanmaakdatum van de certificaatreeks;
3°. de naam van de grondstof of de grondstoffen volgens het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvindt;
4°. het land van herkomst van de grondstof of de grondstoffen;
5°. in het geval van meerdere grondstoffen: per grondstof de bijdrage van die grondstof aan de totale energie-inhoud van de biobrandstof als percentage;
6°. het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvindt;
7°. de totale broeikasgasemissie in g CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie;
8°. de energieproductie zonder, indien toegepast, correctie voor eigen gebruik van het gas als vermeld in artikel 6, tweede lid, van de Regeling garanties van oorsprong;
b. bij leveringen met een directe lijn:
1°. de volgens het bemeterde leverpunt of de bemeterde leverpunten geleverde hoeveelheid biogas in kilogrammen;
2°. de identificerende naam, het adres en het EAN van het bemeterde leverpunt;
3°. van de garantie van oorsprong, bedoeld in artikel 7, tweede lid:
1°. het nummer van de certificaatreeks;
2°. de aanmaakdatum van de certificaatreeks;
3°. de naam van de grondstof of de grondstoffen volgens het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvindt;
4°. het land van herkomst van de grondstof of de grondstoffen;
5°. in het geval van meerdere grondstoffen: per grondstof de bijdrage van die grondstof aan de totale energie-inhoud van de biobrandstof als percentage;
6°. het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvindt;
7°. de totale broeikasgasemissie in g CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie;
8°. de energieproductie zonder, indien toegepast, correctie voor eigen gebruik van het gas als vermeld in artikel 6, tweede lid, van de Regeling garanties van oorsprong;
4. Bij de inboeking van een geleverde hoeveelheid vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong
a. de soort vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong en de geleverde hoeveelheid in liters bij 15°C of kilogram per soort hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
b. de soort standaardbrandstof als bedoeld in de aanhef en onderdelen 1 en 3, van bijlage 1 en of standaard brandstof tot verbruik is uitgeslagen of onder schorsing van betaling van accijns aan een andere houder van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns is geleverd;
c. in geval van een niet-standaardbrandstof als bedoeld in de aanhef en onderdelen 2 en 4 van bijlage 1: of de vloeibare hernieuwbare brandstof in pure vorm of in een mengsel met een fossiele brandstof geleverd is;
d. de gecertificeerde opslaglocatie waar vanaf de fysieke levering plaatsvond, met inbegrip van identificerende naam, het nummer waaronder de locatie van de accijnsgoederenplaats, bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns, bij de rijksbelastingdienst geregistreerd is en het adres, of de naam en adres van het belastingentrepot;
e. het vrijwillige systeem waaronder de levering plaatsvindt;
f. het nummer van het bewijs van hernieuwbaarheid;
g. de broeikasgasemissie in g CO2eq/MJ volgens het bewijs van hernieuwbaarheid.
5. Bij de inboeking van een geleverde hoeveelheid gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong
a. de soort gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong en de geleverde hoeveelheid in kilogrammen per soort hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
b. bij levering vanaf een vulstation: de identificerende naam en het adres van de locatie waar de gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong wordt geleverd;
c. bij levering met een waterstofcontainer: het adres van de productielocatie waar vanaf geleverd wordt en het Europees scheepnummer (ENI) of het IMO-scheepnummer en de naam van het vaartuig waaraan geleverd wordt;
d. het vrijwillige systeem waaronder de levering plaatsvindt;
e. het nummer van het bewijs van hernieuwbaarheid;
f. de broeikasgasemissie in g CO2eq/MJ volgens het bewijs van hernieuwbaarheid.
6. Bij de inboeking van een geleverde hoeveelheid elektriciteit
a. bij netlevering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, a en b: de per aansluiting of bemeterd allocatiepunt volgens het bemeterd leverpunt geleverde hoeveelheid elektriciteit in kWh, het adres en het EAN van de aansluiting, waarbij invoeding van elektriciteit uit de accu van het voertuig aan het distributiesysteem voor elektriciteit niet ingeboekt worden;
b. bij leveringen met behulp van een accupakket of elektrolyt: de geleverde hoeveelheid elektriciteit in kWh, het Europees scheepnummer (ENI) of het IMO-scheepnummer en de naam van het vaartuig waaraan geleverd wordt;
c. bij leveringen met een directe lijn: de volgens het bemeterd leverpunt geleverde hoeveelheid elektriciteit in kWh, met inbegrip van de identificerende naam en de adressen die de directe lijn verbindt, waarbij invoeding van elektriciteit uit de accu van het voertuig aan het distributiesysteem voor elektriciteit niet ingeboekt worden;
d. bij levering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die op hetzelfde adres van de onderneming wordt opgewekt: de volgens het bemeterd leverpunt geleverde hoeveelheid elektriciteit in kWh, met inbegrip van het adres van de leverlocatie, waarbij invoeding van elektriciteit uit de accu van het voertuig aan het distributiesysteem voor elektriciteit niet ingeboekt worden;
e. bij levering met behulp van een directe lijn en bij levering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die op hetzelfde adres van de onderneming wordt opgewekt: van de garantie van oorsprong niet-netlevering voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, bedoeld in artikel 9, vijfde lid:
1°. het nummer van de certificaatreeks;
2°. de aanmaakdatum van de certificaatreeks;
3°. de hoeveelheid elektriciteit in kWh die volgens de certificaatreeks is geleverd;
4°. het adres van de productie- of opweklocatie.
f. bij inboekingen door een inboekdienstverlener:
1°. per onderneming of natuurlijke persoon, per EAN de hoeveelheid geleverde elektriciteit;
2°. per onderneming of natuurlijk persoon de datum van afgifte en de periode van geldigheid van de machtiging;
3°. per onderneming de machtiging, zoals bedoeld in artikel 9, zevende lid.
|
Grondstof |
Omschrijving |
|---|---|
|
Afval/residuen uit alcoholverwerking (waste/residues from processing of alcohol) |
Dit omvat droesem, drab en slib/onzuiverheden uit gisting of distillatie. Ongeschikt voor menselijke of dierlijke consumptie. |
|
Biogene component van oude autobanden (renewable component of end-of-life tyres) |
Banden worden gefabriceerd uit een mix van niet-hernieuwbare materialen en natuurlijk rubber. Alleen end-of-life banden (die op grond van geldende wetgeving zijn aangemerkt als afval), kennen een afvalstatus. Alleen het biogene deel mag worden ingeboekt. |
|
Cashew Nut Shell Liquid (CNSL) (idem) |
CNSL is de olie geperst uit het harde omhulsel van cashewnoten. Dit omhulsel blijft over als residu bij het consumptiegeschikt maken van de cashewnoot. |
|
Ethanol gebruikt in het reinigen/extraheren van bloedplasma. (Ethanol used in the cleaning/extraction of blood plasma) |
Verontreinigde bioethanol die is gebruikt als reinigingsvloeistof en niet kan worden gebruikt voor voedsel, diervoeder of farmaceutische doeleinden en anders zou worden weggegooid. |
|
Gebruikte bleekaarde (spent bleaching earth) |
Bleekaarde is een medium bij het filteren van plantaardige oliën. Uit gebruikte bleekaarde kunnen achtergebleven (residuale) oliën via extractie worden teruggewonnen. |
|
Gft en soortgelijke afvalstromen uit handel, diensten en bedrijven (bio-waste from trade, services and companies) |
Gft en soortgelijke afvalstromen uit handel, diensten en bedrijven. Dit is inclusief etensresten van restaurants (swill) |
|
Laagwaardige zetmeelslurry (starch slurry (low grade)) |
Een mengsel van water en zetmeel uit het proces van natte tarwevermaling. Het droge stof gehalte van de stroom bedraagt maximaal 20% en het aandeel aan vaste bestanddelen, gemeten over een filter met een gestandaardiseerde perforatie van 5 micron, bedraagt maximaal 10%. Bepaling van het droge stof gehalte dient plaats te vinden op het punt van scheiding van een fabrieksproduct. |
|
Residu van FAME einddestillatie (Residue of FAME end distillation) |
Bij de productie van FAME kan het noodzakelijk zijn om veresterd product te destilleren om te voldoen aan de EN14214 specificatie. Deze grondstof is het residu van die benodigde einddestillatie bij de productie van FAME uit grondstoffen, bedoeld in bijlage IX van de richtlijn hernieuwbare energie. Het is vereist dat het oorspronkelijke materiaal wordt vermeld op het bewijs van duurzaamheid. Het materiaal moet ondoorzichtig zijn, met een dichtheid van ten minste 905 kg/m3 (bij 15 °C) en een viscositeit (bij 40 °C) van meer dan 10 mm2/s. Het volume mag niet meer bedragen dan de gemiddelde productie van de productielocatie in de laatste drie kalenderjaren. |
|
Suikerbietresiduen (sugar beet residues) |
Toppen, punten en proceswater uit de verwerking van suikerbieten. De kroon van de suikerbiet valt hier niet onder. |
|
Velasse (velasse) |
Waterachtige stroom die vrijkomt bij het verwerken van soja. De stroom bevat maximaal 20% suiker. |
|
Voedingsmiddelen ongeschikt voor menselijke of dierlijke consumptie (food and feed products unfit for human and animal consumption, i.e. food waste and feed waste) |
Dit betreft voedsel- en voederafval, zoals over datum producten, of producten die uit gezondheids- of veiligheidsoverwegingen uit de markt worden gehaald. Hiervan moet zijn vastgesteld dat zij ongeschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie. |
|
Waswater van schepen (Wastewater from ship transport) |
Waswater dat ontstaat tijdens het schoonmaken van scheepstanks na het transporteren en uitladen van olie van biogene origine, zoals plantaardige olie. |
1. Met betrekking tot de totstandkoming van de verificatieverklaring levering tot eindverbruik sector binnenvaart, is de verificateur levering tot eindverbruik bekend met de administratieve processen van de leverancier tot eindverbruik die rode gasolie aan binnenschepen levert. Gelet op dit oogmerk:
a. bezoekt de verificateur levering tot eindverbruik de locatie waar de leverancier tot eindverbruik zijn boekhouding heeft, ten minste tijdens het initieel onderzoek;
b. bezoekt de verificateur levering tot eindverbruik in de verificaties volgend op het initieel onderzoek de locatie waar de leverancier tot eindverbruik zijn boekhouding heeft op basis van een risicoanalyse, indien uit de risicoanalyse blijkt dat dit nodig is voor een redelijke mate van zekerheid;
c. controleert de verificateur levering tot eindverbruik de totale hoeveelheid geleverde rode gasolie van het betreffende kalenderjaar door middel van de optelling van de totale hoeveelheid rode gasolie uit registratiesysteem van de Stichting Afvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart (SAB) en de totale hoeveelheid rode gasolie in de accijnsaangifte voor rode gasolie van het desbetreffende kalenderjaar.
2. De verificateur levering tot eindverbruik voert een totaalcontrole op maandbasis voor het desbetreffende kalenderjaar uit, door de totale hoeveelheid rode gasolie uit registratiesysteem van de SAB op te tellen bij de totale hoeveelheid veraccijnsde leveringen van rode gasolie en te vergelijken met de hoeveelheid op zijn rekening in het register ingevoerde levering tot eindverbruik van dat kalenderjaar, waarbij geldt dat de opgetelde hoeveelheid even groot moet zijn als de ingevoerde hoeveelheid levering tot eindverbruik.
3. De verificateur levering tot eindverbruik controleert bij wijze van deelwaarneming of de leverancier tot eindverbruik de transacties uit registratiesysteem van de SAB en de transacties uit de accijnsaangifte voor rode gasolie heeft verantwoord in het register, tenzij de leverancier tot eindverbruik de maandgegevens uit het registratiesysteem van de SAB en de accijnsaangifte in het register registreert.
4. De verificatieverklaring levering tot eindverbruik sector binnenvaart vermeldt in elk geval:
a. de hoeveelheid rode gasolie waaruit de levering tot eindverbruik sector binnenvaart in het betreffende kalenderjaar bestaat, opgesplitst in leveringen uit het registratiesysteem van SAB en leveringen waarvoor de leverancier tot eindverbruik accijnsaangifte heeft gedaan, weergegeven per maand;
b. dat de verificateur levering tot eindverbruik een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat er geen materiële afwijkingen zijn in de in het register ingevoerde levering tot eindverbruik sector binnenvaart.
1. Met betrekking tot de totstandkoming van de verificatieverklaring levering tot eindverbruik sector zeevaart, is de verificateur levering tot eindverbruik bekend met de administratieve processen van de leverancier tot eindverbruik die dieselolie voor de scheepvaart, gasolie voor de scheepvaart of scheepsbrandstof aan zeeschepen levert. Gelet op dit oogmerk:
a. bezoekt de verificateur levering tot eindverbruik de locatie waar de leverancier tot eindverbruik zijn boekhouding heeft, ten minste tijdens het initieel onderzoek;
b. bezoekt de verificateur levering tot eindverbruik in de verificaties volgend op het initieel onderzoek de locatie waar de leverancier tot eindverbruik zijn boekhouding heeft, indien dit volgt uit de risicoanalyse;
c. controleert de verificateur levering tot eindverbruik de hoeveelheid dieselolie voor de scheepvaart, gasolie voor de scheepvaart en scheepsbrandstof die is geleverd op basis van de kwartaalopgave van de ILT;
d. controleert de verificateur levering tot eindverbruik of het totaal van de kwartaalopgave van de ILT overeenstemt met de kwartaalopgave in het register;
e. controleert de verificateur levering tot eindverbruik of het totaal van de kwartaalopgaven van de ILT over het gehele kalenderjaar overeenstemt met het totaal van de opgaven van het betreffende kalenderjaar in het register, waarbij de verificateur levering tot eindverbruik in geval van een hogere opgave bij de ILT bepaalt of het verschil te verklaren is door niet-verplichte opgaven bij de ILT.
2. De verificateur levering tot eindverbruik controleert bij wijze van deelwaarneming of de leverancier tot eindverbruik de transacties uit de kwartaalopgaven van de ILT en de transacties uit de accijnsaangifte voor dieselolie voor de scheepvaart, gasolie voor de scheepvaart of scheepsbrandstof, heeft verantwoord in het register.
3. De verificatieverklaring levering tot eindverbruik sector zeevaart vermeldt in elk geval:
a. het totale volume dieselolie voor de scheepvaart, gasolie voor de scheepvaart of scheepsbrandstof waaruit de levering tot eindverbruik sector zeevaart in het betreffende boekjaar bestaat, weergegeven per kwartaal;
b. dat de verificateur levering tot eindverbruik een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat er geen materiële afwijkingen zijn in de in het register opgevoerde levering tot eindverbruik sector zeevaart.
1. De verificatieverklaring biomassa wordt afgegeven aan de producent van de LPG uit biomassa (de vervloeiingsinstallatie).
2. Met betrekking tot de totstandkoming van de verificatieverklaring is de verificateur biomassa bekend met de administratieve processen, alsmede de productie-installatie en de geproduceerde hoeveelheden van de LPG uit biomassa.
3. De verificateur biomassa een voert een vooronderzoek en een risicoanalyse uit die onder andere rekening houdt met de mogelijkheid dat bij de producent en de voorliggende schakel(s) fossiel gas of LPG in de keten terechtkomt.
4. De verificateur biomassa verkrijgt een redelijke mate van zekerheid over de biogene aard van het gas dat in de vervloeiingsinstallatie wordt ingevoed. Hiertoe controleert de verificateur biomassa onder andere:
a. de mogelijkheid van het terechtkomen van fossiel gas in de keten bij de voorliggende schakel(s) met de bedrijfsadministratie en technische tekeningen;
b. de samenhang met duurzaamheidsadministratie;
c. dat voor de hoeveelheden biogas geen garantie van oorsprong is bijgeschreven in een register voor garanties van oorsprong.
5. De verificateur biomassa:
a. kan besluiten dat een bezoek aan de locatie(s) van voorgaande schakel(s) noodzakelijk is;
b. controleert ten minste de meter voor de invoeding van het gas in de vervloeiingsinstallatie, alsook de meter van de installatie voor de invoeding van de met oplegger verplaatsbare opslagtanks of tankauto’s met LPG uit biomassa op nauwkeurigheid en betrouwbaarheid;
c. bezoekt de productielocatie ten minste tijdens het initieel onderzoek;
d. bezoekt de productielocatie ten minste eenmaal per jaar in elk kalenderjaar waarin verklaringen worden uitgegeven;
e. controleert de totaal in de relevante tijdsperiode(n) van productie gebruikte hoeveelheid biogas;
f. controleert de hoeveelheid van de totaal in een tijdsperiode geproduceerde hoeveelheid LPG uit biomassa;
g. controleert de juiste verhouding van de in die tijdsperiode gebruikte hoeveelheid biogas en geproduceerde hoeveelheid LPG uit biomassa;
h. mag, in plaats van onderdelen c tot en met g, de hoeveelheid LPG uit biomassa worden gecontroleerd met een C-14 analyse;
i. controleert of de hoeveelheid geproduceerde LPG uit biomassa niet ook door een andere verificateur biomassa is geverifieerd;
j. beoordeelt de administratieve organisatie, alsmede de interne beheersing- en controleprocedure van de producent;
k. voert gesprekken met de werknemers die bij productie van LPG uit biomassa betrokken zijn;
l. beoordeelt de verhouding LPG uit biomassa en fossiel LPG en de juistheid van het volume LPG uit biomassa waarop de verificatieverklaring biomassa betrekking heeft;
m. stelt vast dat de producent rechtstreeks levert aan de inboeker, dan wel direct aan de Nederlandse markt.
6. De verificatieverklaring biomassa vermeldt:
a. de hoeveelheid geproduceerde LPG uit biomassa;
b. de hoeveelheid per afnemer geleverde LPG uit biomassa;
c. een unieke code, waarbij de som van de hoeveelheden waarop deze verklaringen betrekking hebben, niet meer bedraagt dan de oorspronkelijke geproduceerde hoeveelheid volgens de bedrijfsadministratie van LPG uit biomassa van de producent;
d. het herkenningsnummer van de met oplegger verplaatsbare opslagtank of kenteken van de tankauto waarmee de LPG uit biomassa aan de inboeker, dan wel direct aan de Nederlandse markt voor vervoer is geleverd.
1. Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekverificatieverklaring, is de inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker en de relevante activiteiten en processen op de opslaglocaties die onder het door de inboeker gehanteerde duurzaamheidssysteem zijn gecertificeerd. Gelet op dit oogmerk:
a. bezoekt de inboekverificateur in elk geval de locatie waar de inboeker zijn boekhouding heeft;
b. bezoekt de inboekverificateur de (door de inboeker in dat kalenderjaar gebruikte) opslaglocaties, die onder het certificaat van het duurzaamheidssysteem van de inboeker vallen, steekproefsgewijs en wel op basis van een risicoanalyse;
c. controleert de inboekverificateur of het certificaat van het duurzaamheidssysteem van de inboeker geldig is voor alle locaties van de accijnsgoederenplaats, bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns waar vanaf de inboeker levert aan de Nederlandse markt voor vervoer;
d. controleert de inboekverificateur de hoeveelheid, de energie-inhoud en de soort geleverde vloeibare biobrandstof en de hoeveelheid van die brandstof in liters bij 15°C, dan wel in kilogram;
e. controleert de inboekverificateur of de vloeibare biobrandstof aan de Nederlandse markt voor vervoer is geleverd als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling;
f. indien de geleverde brandstof een niet-standaardbrandstof als bedoeld in de aanhef van bijlage 1 is: controleert de inboekverificateur of de biobrandstof in pure vorm of in een mengsel met een fossiele brandstof geleverd is, en in het geval van een mengsel: het bijmengpercentage van de biobrandstof;
g. controleert de inboekverificateur of de inboeker de vloeibare biobrandstof evenredig aan deelleveringen toerekent bij vermenging van de vloeibare biobrandstof met een hoeveelheid fossiele brandstof als bedoeld in artikel 6, derde lid, van deze regeling;
h. controleert de inboekverificateur of de inboeker de hoeveelheid aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverde fysieke vloeibare biobrandstof kan aantonen overeenkomstig bijlage 2, deel A, van deze regeling;
i. in geval van LPG uit biomassa: controleert de inboekverificateur de aard en hoeveelheid van de brandstof aan de hand van de verificatieverklaring biomassa, de samenhang met het bewijs van duurzaamheid en het herkenningsnummer van de met oplegger verplaatsbare opslagtank of kenteken van de tankauto;
j. controleert de inboekverificateur of de inboeker de kenmerken van het bewijs van duurzaamheid juist heeft overgenomen;
k. controleert de inboekverificateur of de inboeker kenmerken van hernieuwbaarheid ter grootte van de ingezette vloeibare biobrandstof heeft afgeboekt van de massabalans van biobrandstoffen;
l. beoordeelt de inboekverificateur de administratieve organisatie en de interne beheersing- en controleprocessen;
m. voert de inboekverificateur gesprekken met de werknemers die bij de inboeking van de vloeibare biobrandstof betrokken zijn.
2. De inboekverificateur bepaalt de uit te voeren verificatiewerkzaamheden voor het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid op basis van een risicoanalyse die ten minste de volgende onderdelen omvat:
a. de hoeveelheid, soort en energie-inhoud van de vloeibare biobrandstof die de inboeker heeft ingeboekt;
b. de hoeveelheid en soorten hernieuwbare energie die de inboeker heeft ingeboekt;
c. de hoeveelheid en sectoren die de inboeker belevert;
d. het aantal opslaglocaties waar vanaf de inboeker levert aan de Nederlandse markt voor vervoer;
e. de hoeveelheid vloeibare biobrandstof die de inboeker per opslaglocatie levert aan de Nederlandse markt voor vervoer;
f. of op de opslaglocatie een substantiële wijziging heeft plaatsgevonden ten opzichte van de voorgaande inboekverificatie;
g. of de inboeker geleverde niet-standaardbrandstof zoals bedoeld in bijlage 1 van deze regeling in het register heeft ingeboekt;
h. of de inboeker vloeibare biobrandstof geleverd onder schorsing van accijns zoals bedoeld in bijlage 1 van deze regeling heeft ingeboekt;
i. of de inboeker eerder vloeibare biobrandstof heeft ingeboekt;
j. de bevindingen uit voorgaande inboekverificaties;
k. de bevindingen uit eventuele inspecties van de Nederlandse emissieautoriteit van de voorgaande drie kalenderjaren.
3. Een inboekverificatieverklaring vermeldt:
a. de gegevens van de inboeker met inbegrip van zijn rekeningnummer in het register;
b. een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (met inbegrip van de bezochte opslaglocaties);
c. de hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof, opgedeeld per soort en sector vloeibare biobrandstof (zoals bedoeld in bijlage III van de richtlijn hernieuwbare energie);
d. de energie-inhoud van de vloeibare biobrandstof overeenkomstig artikel 2 van deze regeling, opgedeeld per soort vloeibare biobrandstof;
e. dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof in het register geen materiële afwijkingen bevat;
f. dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de inboeker de kenmerken van het bewijs van duurzaamheid juist heeft overgenomen;
g. een totaaloordeel waaruit blijkt dat de inboekverificateur met een redelijke mate van zekerheid de juistheid van de data en informatie over de soort en hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof die is geleverd aan de Nederlandse markt voor vervoer en de bijbehorende duurzaamheidkenmerken van de hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof kan vaststellen;
h. een verklaring van de verificateur dat hij voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen om tot zijn oordeel te komen.
1. Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekverificatieverklaring is de inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker en de relevante activiteiten en processen op de locaties waar de inboeker het gas of biogas aan vervoer in Nederland levert. Gelet op dit oogmerk:
a. bezoekt de inboekverificateur in elk geval de locatie waar de inboeker zijn boekhouding heeft;
b. bezoekt de inboekverificateur de locaties, waar de inboeker het gas of het biogas aan vervoer in Nederland levert, steekproefsgewijs en wel op basis van een risicoanalyse;
c. controleert de inboekverificateur bij een locatiebezoek of de aansluiting of bemeterd allocatiepunt op het distributiesysteem voor gas alleen bestemd is voor de levering van gas aan vervoer in Nederland (bij leveringen met behulp van het distributiesysteem voor gas);
d. controleert de inboekverificateur bij een locatiebezoek de meter van de aansluiting of bemeterd allocatiepunt op het distributiesysteem voor gas en de meter van het bemeterd leverpunt (bij leveringen met behulp van het distributiesysteem voor gas) op nauwkeurigheid en betrouwbaarheid;
e. controleert de inboekverificateur of de inboeker ter grootte van de ingeboekte hoeveelheid gasvormige biobrandstof in dat kalenderjaar op de desbetreffende aansluiting of bemeterd allocatiepunt ten minste een overeenkomstige hoeveelheid gas (bij leveringen met behulp van het distributiesysteem voor gas) of biogas (bij leveringen met behulp van een directe lijn) aan vervoer in Nederland heeft geleverd;
f. controleert de inboekverificateur of voor de hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof geen exploitatiesubsidie is verstrekt;
g. controleert de inboekverificateur of de garanties van oorsprong van gas uit hernieuwbare bronnen of garanties van oorsprong voor niet-netlevering uit hernieuwbare bronnen een einddatum van geldigheid hebben die ligt op of na de einddatum van de bij de inboeking opgegeven periode van de levering van het gas (bij leveringen met behulp van het distributiesysteem voor gas) of het biogas (bij leveringen met behulp van een directe lijn);
h. controleert de inboekverificateur de in- en verkoopboekhouding van gas, alsmede de financiële boekhouding;
i. beoordeelt de inboekverificateur de administratieve organisatie en de interne beheersing- en controleprocessen;
j. voert de inboekverificateur gesprekken met de werknemers die bij de inboeking van de gasvormige biobrandstof betrokken zijn.
2. De inboekverificateur bepaalt de uit te voeren verificatiewerkzaamheden voor het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid op basis van een risicoanalyse die ten minste de volgende onderdelen omvat:
a. de hoeveelheid en soort gasvormige biobrandstof die de inboeker heeft ingeboekt;
b. de hoeveelheid en soorten hernieuwbare energie die de inboeker heeft ingeboekt;
c. de hoeveelheid en soorten bestemmingen die de inboeker belevert;
d. het aantal locaties waar de inboeker het gas of het biogas aan vervoer in Nederland levert;
e. de hoeveelheid gasvormige biobrandstof die de inboeker per locatie aan vervoer in Nederland levert;
f. of op de opslaglocatie een substantiële wijziging heeft plaatsgevonden ten opzichte van de voorgaande inboekverificatie;
g. de wijze waarop de inboeker de gasvormige biobrandstof aan vervoer in Nederland levert, te weten met behulp van het distributiesysteem voor gas dan wel met behulp van een directe lijn;
h. of de inboeker eerder gasvormige biobrandstof heeft ingeboekt;
i. de bevindingen uit voorgaande inboekverificaties;
j. de bevindingen uit eventuele inspecties van de emissieautoriteit van de voorgaande drie kalenderjaren.
3. Een inboekverificatieverklaring vermeldt:
a. de gegevens van de inboeker met inbegrip van zijn rekeningnummer in het register;
b. een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (met inbegrip van de bezochte locaties);
c. de hoeveelheid en energie-inhoud van de ingeboekte gasvormige biobrandstof, zoals bljjkt uit de garantie van oorsprong voor energie uit hernieuwbare bronnen en de garantie van oorsprong voor niet-netlevering van energie uit hernieuwbare bronnen;
d. dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof in het register geen materiële afwijkingen bevat;
e. dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de inboeker de kenmerken van de garanties van oorsprong (bij leveringen met behulp van het distributiesysteem voor gas) en de garanties van oorsprong niet-netlevering (bij leveringen met behulp van een directe lijn) juist heeft overgenomen;
f. een totaaloordeel waaruit blijkt dat de inboekverificateur met een redelijke mate van zekerheid de juistheid van de data en informatie over de soort en hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof die is geleverd aan vervoer in Nederland en de bijbehorende duurzaamheidkenmerken van de hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof kan vaststellen;
g. een verklaring van de verificateur dat hij voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen om tot zijn oordeel te komen.
1. Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekverificatieverklaring, is de inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker en de relevante activiteiten en processen op de opslaglocaties die onder het door de inboeker gehanteerde vrijwillige systeem zijn gecertificeerd. Gelet op dit oogmerk:
a. bezoekt de inboekverificateur in elk geval de locatie waar de inboeker zijn boekhouding heeft;
b. bezoekt de inboekverificateur de (door de inboeker in dat kalenderjaar gebruikte) opslaglocaties, die onder het certificaat van het vrijwillige systeem van de inboeker vallen, steekproefsgewijs en wel op basis van een risicoanalyse;
c. controleert de inboekverificateur of het certificaat van het vrijwillige systeem van de inboeker geldig is voor alle locaties van de accijnsgoederenplaats, bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns waar vanaf de inboeker levert aan de Nederlandse markt voor vervoer;
d. controleert de inboekverificateur de soort geleverde vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong en de hoeveelheid van die brandstof in liters bij 15°C, dan wel in kilogram;
e. controleert de inboekverificateur of de vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong aan de Nederlandse markt voor vervoer is geleverd als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling;
f. indien de geleverde brandstof een niet-standaardbrandstof als bedoeld in de aanhef van bijlage 1 is: controleert de inboekverificateur of de brandstof in pure vorm of in een mengsel met een fossiele brandstof geleverd is, en in het geval van een mengsel: het bijmengpercentage van de brandstof;
g. in geval van een vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die als onderdeel van een mengsel met een fossiele brandstof geleverd wordt: controleert de inboekverificateur of de inboeker de aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverde hoeveelheid vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong kan aantonen overeenkomstig bijlage 2, deel B, van de regeling;
h. controleert de inboekverificateur of de inboeker de kenmerken van het bewijs van hernieuwbaarheid juist heeft overgenomen;
i. controleert de inboekverificateur of de inboeker kenmerken van hernieuwbaarheid ter grootte van de ingezette vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong heeft afgeboekt van de massabalans van hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
j. beoordeelt de inboekverificateur de administratieve organisatie en de interne beheersing- en controleprocessen;
k. voert de inboekverificateur gesprekken met de werknemers die bij de inboeking van de vloeibare biobrandstof van niet-biologische oorsprong betrokken zijn.
2. De inboekverificateur bepaalt de uit te voeren verificatiewerkzaamheden voor het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid op basis van een risicoanalyse die ten minste de volgende onderdelen omvat:
a. de hoeveelheid, soort en energie-inhoud van de vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die de inboeker heeft ingeboekt;
b. de hoeveelheid en soorten hernieuwbare energie die de inboeker heeft ingeboekt;
c. de hoeveelheid en sectoren die de inboeker belevert;
d. het aantal opslaglocaties waar vanaf de inboeker levert aan de Nederlandse markt voor vervoer;
e. de hoeveelheid vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die de inboeker per opslaglocatie levert aan de Nederlandse markt voor vervoer;
f. of op de opslaglocatie een substantiële wijziging heeft plaatsgevonden ten opzichte van de voorgaande inboekverificatie;
g. of de inboeker niet-standaardbrandstof zoals bedoeld in bijlage 1 van de regeling in het register heeft ingeboekt;
h. of de inboeker vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong geleverd onder schorsing van accijns zoals bedoeld in bijlage 1 van de regeling heeft ingeboekt;
i. of de inboeker eerder vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong heeft ingeboekt;
j. de bevindingen uit voorgaande inboekverificaties;
k. de bevindingen uit eventuele inspecties van de emissieautoriteit van de voorgaande drie kalenderjaren
3. Een inboekverificatieverklaring vermeldt:
a. de gegevens van de inboeker met inbegrip van zijn rekeningnummer in het register;
b. een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (met inbegrip van de bezochte opslaglocaties);
c. de hoeveelheid ingeboekte vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, opgedeeld per soort vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
d. de energie-inhoud van de vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong overeenkomstig artikel 2 van de regeling, opgedeeld per soort vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
e. dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong in het register geen materiële afwijkingen bevat;
f. dat de inboeker een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de inboeker de kenmerken van het bewijs van hernieuwbaarheid juist heeft overgenomen;
g. een totaaloordeel waaruit blijkt dat de inboekverificateur met een redelijke mate van zekerheid de juistheid van de data en informatie over de soort en hoeveelheid ingeboekte vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong kan vaststellen;
h. een verklaring van de verificateur dat hij voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen om tot zijn oordeel te komen.
1. Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekverificatieverklaring is de inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker en de relevante activiteiten en processen op de locaties waar vanaf de inboeker waterstof aan vervoer in Nederland levert, dan wel waterstof aan binnenschepen en zeeschepen met behulp van een waterstofcontainer levert. Gelet op dit oogmerk:
a. bezoekt de inboekverificateur in elk geval de locatie waar de inboeker zijn boekhouding heeft;
b. bezoekt de inboekverificateur de locaties, waar vanaf de inboeker de waterstof aan vervoer in Nederland met behulp van een bemeterd leverpunt levert, dan wel de locatie waar de inboeker de waterstof produceert die hij met behulp van een waterstofcontainer aan binnenschepen of zeeschepen levert, steekproefsgewijs en wel op basis van een risicoanalyse;
c. controleert de inboekverificateur het certificaat van het vrijwillige systeem van de toeleverancier van de inboeker die waterstof aan vervoer in Nederland met behulp van een bemeterd leverpunt levert, dan wel het certificaat van het vrijwillige systeem indien de inboeker de waterstof op locatie produceert;
d. controleert de inboekverificateur of het certificaat van het vrijwillige systeem van de inboeker geldig is voor de locatie waar de inboeker de waterstof produceert die hij met behulp van een waterstofcontainer aan binnenschepen of zeeschepen levert;
e. controleert de inboekverificateur bij een bezoek aan de locatie van de inboeker, die waterstof aan vervoer in Nederland met een bemeterd leverpunt levert, de meter van het bemeterd leverpunt op nauwkeurigheid en betrouwbaarheid;
f. controleert de inboekverificateur of de inboeker ter grootte van de ingeboekte hoeveelheid gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong in dat kalenderjaar ten minste een overeenkomstige hoeveelheid waterstof aan vervoer in Nederland heeft geleverd;
g. controleert de inboekverificateur of de inboeker de kenmerken van het bewijs van hernieuwbaarheid juist heeft overgenomen;
h. controleert de inboekverificateur de in- en verkoopboekhouding van waterstof, alsmede de financiële boekhouding;
i. beoordeelt de inboekverificateur de administratieve organisatie en de interne beheersing- en controleprocessen;
j. voert de inboekverificateur gesprekken met de werknemers die bij de inboeking van de gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong betrokken zijn.
2. De inboekverificateur bepaalt de uit te voeren verificatiewerkzaamheden voor het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid op basis van een risicoanalyse die ten minste de volgende onderdelen omvat:
a. de hoeveelheid, soort en energie-inhoud van de gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die de inboeker heeft ingeboekt;
b. de hoeveelheid en soorten hernieuwbare energie die de inboeker heeft ingeboekt;
c. de hoeveelheid en sectoren die de inboeker belevert;
d. het aantal locaties waar vanaf de inboeker de waterstof aan vervoer in Nederland levert;
e. de hoeveelheid waterstof die de inboeker per locatie aan vervoer in Nederland levert;
f. of op de locatie waar vanaf de inboeker de waterstof met behulp van een bemeterd leverpunt levert, dan wel waar de inboeker de waterstof produceert die hij met behulp van waterstofcontainers levert, een substantiële wijziging heeft plaatsgevonden ten opzichte van de voorgaande inboekverificatie;
g. de wijze waarop de inboeker de waterstof aan vervoer in Nederland levert, te weten met een bemeterd leverpunt dan wel met behulp van een waterstofcontainer;
h. of de inboeker eerder gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong heeft ingeboekt;
i. de bevindingen uit voorgaande inboekverificaties;
j. de bevindingen uit eventuele inspecties van de emissieautoriteit van de voorgaande drie kalenderjaren.
3. Een inboekverificatieverklaring vermeldt:
a. de gegevens van de inboeker met inbegrip van zijn rekeningnummer in het register;
b. een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (met inbegrip van de bezochte locaties);
c. de hoeveelheid ingeboekte gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die als waterstof geleverd is (zoals bedoeld in bijlage III van de richtlijn hernieuwbare energie);
d. dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong in het register die als waterstof geleverd is geen materiële afwijkingen bevat;
e. dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de inboeker de kenmerken van het bewijs van hernieuwbaarheid juist heeft overgenomen;
f. een totaaloordeel waaruit blijkt dat de inboekverificateur met een redelijke mate van zekerheid de juistheid van de data en informatie over de soort en hoeveelheid ingeboekte gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong kan vaststellen;
g. een verklaring van de verificateur dat hij voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen om tot zijn oordeel te komen.
1. Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekingverificatieverklaring is de inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker en de relevante fysieke situaties op de locaties waar de inboeker elektriciteit aan wegvoertuigen, mobiele machines, binnenschepen en zeeschepen in Nederland levert. Gelet op dit oogmerk:
a. controleert de inboekverificateur de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit als bedoeld in artikel 9, zesde lid;
b. bezoekt de inboekverificateur in elk geval de locatie waar de inboeker zijn boekhouding heeft;
c. bezoekt de inboekverificateur de nieuwe locaties, waar de inboeker de elektriciteit aan wegvoertuigen, mobiele machines, binnenschepen en zeeschepen in Nederland levert, steekproefsgewijs tijdens het initieel onderzoek;
d. bezoekt de inboekverificateur de locaties, waar de inboeker de elektriciteit aan wegvoertuigen, mobiele machines, binnenschepen en zeeschepen in Nederland levert, wanneer op die locaties een substantiële verandering is doorgevoerd en wel op basis van een risicoanalyse;
e. controleert de inboekverificateur bij een locatiebezoek de meter van het bemeterd leverpunt op nauwkeurigheid en betrouwbaarheid;
f. controleert de inboekverificateur bij een locatiebezoek of de inboeker de hoedanigheid van aangeslotene heeft en:
– elektriciteit levert met een aansluiting die, of een bemeterd allocatiepunt dat, uitsluitend bestemd is voor de levering van elektriciteit aan wegvoertuigen, mobiele machines, binnenschepen en zeeschepen en gekoppeld is aan een bemeterd leverpunt, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van het besluit, of
– beschikt over een bemeterd leverpunt, voorzien van een geregeld meetinstrument als bedoeld in artikel 1 van de Metrologiewet, met een geldige conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet en voorzien van de voor dat meetinstrument voorgeschreven merktekens als bedoeld in artikel 8 van die wet en gekoppeld is aan de aansluiting of bemeterd allocatiepunt, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van het besluit; of
– een aansluiting of een bemeterd allocatiepunt heeft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van die wet die uitsluitend is bestemd voor de levering van elektriciteit aan openbaar vervoersbestemming en die als onderneming openbaar vervoersdiensten aanbiedt, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, van het besluit; of
– elektriciteit levert aan wegvoertuigen of mobiele machines met behulp van verwisselbare accu’s, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, van het besluit; of
– elektriciteit levert aan binnenschepen of zeeschepen met behulp van een accupakket of elektrolyt, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, van het besluit;
g. controleert de inboekverificateur bij een locatiebezoek van de inboeker die elektriciteit levert uit hernieuwbare bronnen, of de elektriciteit niet uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas is opgewekt en of de met een bemeterd leverpunt geleverde elektriciteit uit hernieuwbare bronnen:
– aan het adres van de onderneming is geleverd met behulp van een directe lijn, als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder a, van het besluit; of
– op hetzelfde adres van de onderneming is opgewekt uit elektriciteit uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, van het besluit;
h. in geval van inboeking door een inboekdienstverlener: controleert de inboekverificateur of de ondernemingen en natuurlijke personen, die de inboekdienstverlener hebben gemachtigd als bedoeld in artikel 9, achtste lid, voldoen aan de vereisten als inboeker van elektriciteit;
i. controleert de inboekverificateur bij een locatiebezoek de meter van het bemeterd leverpunt en de meter van een eventuele eenheid die elektriciteit uit hernieuwbare bronnen uitgezonderd biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas op dezelfde locatie opwekt, op nauwkeurigheid en betrouwbaarheid;
j. in geval van levering van elektriciteit met beleverd meterpunt: controleert de inboekverificateur de geleverde hoeveelheid elektriciteit per bemeterd leverpunt;
k. in geval van levering van elektriciteit met een aansluiting of beleverd allocatiepunt door een onderneming die openbaarvervoersdiensten aanbiedt: controleert de inboekverificateur de hoeveelheid geleverde elektriciteit per aansluiting of beleverd allocatiepunt;
l. in geval van levering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen met een directe lijn dan wel in geval van opwekking en levering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen op hetzelfde adres: controleert de inboekverificateur of de inboeker ter grootte van de ingeboekte hoeveelheid elektriciteit op die locatie ten minste een hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen met een directe lijn heeft ontvangen dan wel ten minste die hoeveelheid heeft opgewekt;
m. in geval van levering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen met een directe lijn dan wel in geval van opwekking en levering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen op hetzelfde adres: controleert de inboekverificateur het verband tussen de hoeveelheid met een directe lijn geleverde dan wel op het adres opgewekte elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en de met het bemeterde leverpunt geleverde elektriciteit;
n. in geval van levering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen met een directe lijn en opwekking en levering van elektriciteit op hetzelfde adres: controleert de inboekverificateur of de garanties van oorsprong niet-netlevering elektriciteit uit hernieuwbare bronnen op het moment van de inboeking een einddatum van geldigheid hebben die ligt op of na de einddatum van de bij de inboeking opgegeven periode van de levering van de elektriciteit;
o. in geval van levering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen met een directe lijn en opwekking en levering van elektriciteit op hetzelfde adres: controleert de inboekverificateur of voor de ingeboekte hoeveelheid elektriciteit geen exploitatiesubsidie is verstrekt;
p. in geval van een bemeterd leverpunt met terugleveringfaciliteit van elektriciteit: controleert de inboekverificateur of de hoeveelheden teruggeleverde elektriciteit zijn verrekend met de uiteindelijke ingeboekte hoeveelheid elektriciteit;
q. beoordeelt de inboekverificateur de administratieve organisatie en de interne beheersing- en controleprocessen;
r. controleert de inboekverificateur de in- en verkoopboekhouding van elektriciteit, alsmede de financiële boekhouding;
s. voert de inboekverificateur locatiegesprekken met de werknemers die bij de inboeking van de elektriciteit betrokken zijn.
2. In geval van inboeking door een inboekdienstverlener voert de inboekverificateur, met steekproefsgewijze toepassing van onderdeel 1, tevens de volgende werkzaamheden uit:
a. bezoekt de inboekverificateur het vestigingsadres van de inboekdienstverlener tijdens het initieel onderzoek;
b. controleert de inboekverificateur of de inboekdienstverlener beschikt over de gegevens, bedoeld in artikel 9, achtste lid;
c. controleert de inboekverificateur of de machtigingsgevers voldoen aan de vereisten van inboeker.
3. Een inboekverificatieverklaring vermeldt:
a. de gegevens van de inboeker met inbegrip van zijn rekeningnummer in het register;
b. een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden, met inbegrip van de bezochte locaties en geraadpleegde registers;
c. bij een inboekverificatie van een inboekdienstverlener: een bevestiging van controle van de machtigingen;
d. de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit;
e. dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit en de periode van levering geen materiële afwijkingen bevat;
f. een totaaloordeel waaruit blijkt dat de inboekverificateur met en redelijke mate van zekerheid de juistheid van de data en informatie over de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit kan vaststellen;
g. een verklaring van de verificateur dat hij voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen om tot zijn oordeel te komen.
1. Algemeen
a. soort gebruikte hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
b. datum of periode van gebruik;
c. de identificerende naam en het adres van de raffinaderij.
2. Vloeibare of gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong
Bij het gebruik van een hoeveelheid vloeibare of gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong bij de productie van een conventionele vervoersbrandstof of een biobrandstof:
1°. de hoeveelheid in liters bij 15°C of kilogram per soort gebruikte hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
2°. het vrijwillige systeem waaronder de levering plaatsvindt;
3°. het nummer van het bewijs van hernieuwbaarheid;
4°. de broeikasgasemissie in g CO2eq/MJ.
1. Met betrekking tot de totstandkoming van de verificatieverklaring raffinagereductie vervoersbrandstoffen, is de verificateur bekend met de administratieve processen van de raffinaderijhouder en de relevante activiteiten en processen op de raffinaderij die onder het door de inboeker gehanteerde vrijwillige systeem zijn gecertificeerd. Gelet op dit oogmerk:
a. bezoekt de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen in elk geval de locatie waar de raffinaderijhouder zijn boekhouding heeft;
b. bezoekt de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen de raffinaderij, die onder het certificaat van het vrijwillige systeem van de raffinaderijhouder valt;
c. controleert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen het certificaat van het vrijwillige systeem van de raffinaderij geldig is;
d. controleert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen de soort gebruikte hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong en de hoeveelheid van die brandstof in liters bij 15°C, dan wel in kilogram;
e. controleert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen dat de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong is gebruikt in de productie van een conventionele vervoersbrandstof of een biobrandstof;
f. controleert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen dat de totale hoeveelheid in dat kalenderjaar door de raffinaderijhouder ingeboekte hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong niet groter is dan het totale gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de raffinaderij bij de productie van een conventionele vervoersbrandstof of van een biobrandstof;
g. controleert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen dat de totale hoeveelheid in dat kalenderjaar door de raffinaderijhouder ingeboekte hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, opgeteld bij de in het HWI-register, bedoeld in artikel 9.10.5.1 van de wet, ingeboekte hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, bedoeld in artikel 9.10.3.1 van de wet, niet groter is dan het totale gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de raffinaderij;
h. controleert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen of de raffinaderijhouder de kenmerken van het bewijs van hernieuwbaarheid juist heeft overgenomen;
i. controleert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen of de raffinaderijhouder kenmerken van hernieuwbaarheid ter grootte van de ingezette hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong heeft afgeboekt van de massabalans;
j. controleert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen dat de hoeveelheid verwezenlijkte broeikasgasemissiereductie door het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet biologische oorsprong niet is meegeteld bij de berekening van de broeikasgasemissiereductie van de biobrandstof;
k. controleert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen de in- en verkoopboekhouding van waterstof, alsmede de financiële boekhouding;
l. beoordeelt de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen de administratieve organisatie en de interne beheersing- en controleprocessen;
m. voert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen gesprekken met de werknemers die bij de inboeking van de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong zijn betrokken.
2. De verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen bepaalt de uit te voeren verificatiewerkzaamheden op basis van een risicoanalyse die ten minste de volgende onderdelen omvat:
a. de hoeveelheid en soort hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die de raffinaderijhouder heeft ingeboekt;
b. of op de raffinaderij een substantiële wijziging heeft plaatsgevonden ten opzichte van de voorgaande verificatie raffinagereductie;
c. of de raffinaderijhouder eerder hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong heeft ingeboekt;
d. de bevindingen uit de voorgaande drie verificaties raffinagereductie vervoersbrandstoffen;
e. de bevindingen uit eventuele inspecties van de emissieautoriteit van de voorgaande drie kalenderjaren.
3. Een verificatieverklaring raffinagereductie vervoersbrandstoffen vermeldt:
a. de gegevens van de raffinaderijhouder met inbegrip van zijn rekeningnummer in het register;
b. een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (met inbegrip van de bezochte raffinaderij);
c. de hoeveelheid ingeboekte hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, opgedeeld per soort hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
d. de energie-inhoud per soort hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong overeenkomstig artikel 26 van de regeling;
e. dat de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de hoeveelheid en soort gebruikte hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong en de ingeboekte hoeveelheid en soort in het register geen materiële afwijkingen bevat;
f. dat de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de totaal in dat kalenderjaar door de raffinaderijhouder ingeboekte hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, opgeteld bij de in het HWI-register, bedoeld in artikel 9.10.5.1 van de wet, ingeboekte hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong ter verkrijging van hernieuwbare waterstofeenheden industrie, bedoeld in artikel 9.10.3.1 van de wet, niet groter is dan het totale gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong bij de productie van een conventionele vervoersbrandstof of van een biobrandstof;
g. dat de hoeveelheid verwezenlijkte broeikasgasemissiereductie door het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet biologische oorsprong niet is meegeteld bij de berekening van de broeikasgasemissiereductie van de biobrandstof;
h. een totaaloordeel waaruit blijkt dat de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen, met een redelijke mate van zekerheid, de juistheid van de data en informatie over de hoeveelheid en soort ingeboekte hernieuwbare brandstof kan vaststellen.
Met deze wijziging van de Regeling energie vervoer en de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging wordt uitvoering gegeven aan diverse beleidsontwikkelingen op het gebied van de systematiek hernieuwbare energie vervoer, in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/24131 (RED III) (hierna: wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie) op het gebied van hernieuwbare energie, voor zover betrekking hebbend op de sector vervoer. De wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie moet uiterlijk 21 mei 2025 zijn omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving. Deze wijziging van de Regeling energie vervoer vult de delegatiegrondslagen van de titels 9.7 en 9.8 van de Wet milieubeheer en het gewijzigde Besluit energie vervoer nader in. De nieuwe regelgeving hernieuwbare energie vervoer is van kracht met ingang van het kalenderjaar 2026, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de wijziging van titels 9.7 en 9.8 van de Wet milieubeheer2 en het gewijzigde Besluit energie vervoer.
De wijziging van de systematiek hernieuwbare energie vervoer, legt de nadruk op het sturen op CO2-ketenemissiereductie in plaats van op de energie-inhoud van de hernieuwbare energie (van energiesturing naar CO2-ketensturing). Daarmee wordt een verschuiving beoogd van volume-gestuurde stimulering van hernieuwbare energie naar emissiegestuurde doelmatigheid van energie in vervoer. Daarnaast zal de systematiek hernieuwbare energie vervoer van een sectorbrede en overkoepelende behandeling van vervoer overgaan op een sectorspecifieke benadering van vervoer (sectorsturing).
In het Klimaatakkoord3, in de Visie duurzame energiedragers in vervoer4 en in de voorjaarsbesluiten van 2023 en 20255 zijn nationale doelstellingen verwoord ten aanzien van de verduurzaming van de vervoerssector. Deze doelen vragen om een actualisering van de bestaande bepalingen, passend binnen de ruimte die de wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie aan lidstaten biedt, onder meer om marktverstoring tegen te gaan, een doeltreffend toezicht mogelijk te maken en om aan de betrokken marktpartijen investeringszekerheid te bieden.
De wijzigingen van de Regeling energie vervoer worden op hoofdlijnen in paragraaf 2 van deze toelichting toegelicht. In paragraaf 3 wordt in hoofdlijnen ingegaan op de wijziging van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging. Vervolgens wordt in paragraaf 4 nader ingegaan op aspecten rondom de uitvoering en handhaving, terwijl in paragraaf 5 de gevolgen voor burgers, bedrijven, overheid en milieu wordt toegelicht. Paragraaf 6 behandelt de advisering, de handhaafbaarheid-, uitvoerbaarheid- en fraudebestendigheidstoets van de Nederlandse Emissieautoriteit (hierna: NEa) en de internetconsultatie van deze wijzigingsregeling. Het tweede deel van deze toelichting bevat een artikelsgewijze toelichting. Ten slotte is in de bijlage bij deze toelichting de implementatietabel opgenomen.
Het hoofddoel van het Nederlandse beleid inzake hernieuwbare energie voor vervoer (en daarmee de systematiek hernieuwbare energie vervoer), is het behalen (dan wel het leveren van een significante bijdrage aan het behalen) van het bindend nationaal streefcijfer uit de richtlijn hernieuwbare energie, rekening houdend met de afspraken en nationaal toerekenbare CO2-doelen uit het Klimaatakkoord in het kader van de Parijsdoelstelling. De kaders hiervoor zijn vormgegeven in de Wet milieubeheer, terwijl de nadere invulling van de kaders is verwerkt in het Besluit energie vervoer. In onderstaande paragrafen wordt op hoofdlijnen de wijzigingen van de Regeling energie vervoer toegelicht.
Met de uitbreiding van de systematiek hernieuwbare energie vervoer naar de sectoren binnenvaart en zeevaart, heeft de leverancier tot eindverbruik van de sector binnenvaart een jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer over de door hem in een kalenderjaar geleverde hoeveelheid rode diesel en de leverancier tot eindverbruik sector zeevaart een jaarverplichting over geleverde brandstoffen. Omdat een geleverde minerale olie aan een binnenschip voor voortbeweging en scheepsbehoeften aan boord vrijgesteld zijn van het betalen van accijns (en de Douane bijgevolg niet jaarlijks de juistheid van de accijnsteruggaaf controleert), voert de systematiek hernieuwbare energie vervoer de verificatie levering tot eindverbruik in, als waarborg voor de volledigheid van de (door de leverancier tot eindverbruik sector binnenvaart) ingevoerde levering tot eindverbruik, te weten de hoeveelheid in een kalenderjaar geleverde rode diesel. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de brandstoffen geleverd aan de sector zeevaart, met dien verstande dat niet de Douane, maar de Minister van Verkeer en Waterstaat (vertegenwoordigd door de Inspectie Leefomgeving en Transport) belast is.
Ook voert de systematiek hernieuwbare energie vervoer de verificatie biomassa in, die de inboeker moet gebruiken om de hoeveelheid biobrandstof van ingevoerd bioLNG of bioLPG aan te tonen, dan wel mag gebruiken voor het aantonen van de hoeveelheid biobrandstof in een geleverde bioLNG of bioLPG vanaf zijn opslaglocatie.
Bij het voldoen aan het verplichte aandeel hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong (subverplichting) van de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer, mag de leverancier tot eindverbruik – naast emissiereductie-eenheden (ERE’s) van de desbetreffende vervoerssector – ook zogenaamde raffinagereductie-eenheden (RARE’s) gebruiken. De Wet milieubeheer bevat echter wel de mogelijkheid om bij ministeriële regeling een rekenfactor lager dan één te stellen bij het gebruik van RARE’s bij het voldoen aan die subverplichting, om het gebruik van ERE’s-hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong te bevorderen, die immers een directe inzet van die brandstof in de Nederlandse markt voor vervoer vertegenwoordigen. Dit in tegenstelling tot RARE’s, die hun oorsprong vinden in het gebruik van hernieuwbare waterstof in een raffinaderij bij de vervaardiging van een conventionele vervoersbrandstof of een biobrandstof (de zogenaamde raffinageroute). Om te verzekeren dat de raffinageroute bijdraagt aan de opschaling van elektrolysecapaciteit in Nederland, is niettemin besloten om geen correctiefactor te hanteren bij het gebruik van RARE’s bij het voldoen aan de subverplichting voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong (zie ook amendement Van Groningen c.s.; Kamerstukken II 36 766-16).
De mogelijkheid tot het inboeken van geleverd vloeibaar gemaakt aardgas (LNG), vervaardigd uit aardgas uit het distributiesysteem voor gas en boekhoudkundig vergroend met garanties van oorsprong (GvO’s) voor gas uit hernieuwbare bronnen, wordt geschrapt. Van deze inboekmogelijkheid maken inboekers geen gebruik, terwijl de vergroening onvoldoende bijdraagt aan de beleidsdoelstelling om daadwerkelijk vloeibaar gemaakt biogas (bioLNG oftewel LBG) en andere fysieke biobrandstoffen in te zetten in de vervoerssector.
De reden dat de mogelijkheid tot inboeking in 2022 in de regeling was opgenomen, was om de opschaling van de productie van biogas te bevorderen. Dit doel wordt overgenomen door de bijmengverplichting groen gas, een nieuwe wettelijke systematiek in titel 9.10 van de Wet milieubeheer, die leveranciers van aardgas verplicht tot de boekhoudkundige vergroening met GvO’s gas uit hernieuwbare bronnen, van het aardgas dat ze met het distributiesysteem voor gas aan eindgebruikers (huishoudens en tuinbouwsector) levert. Omdat GvO’s beperkt beschikbaar zijn, zou de instandhouding van de inboekbevoegdheid van boekhoudkundig vergroend LNG een prijsopdrijvend effect hebben die ten nadele van huishoudens en de tuinbouwsector uitpakt, in een context dat op geleverd LNG geen jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer rust en de leveranciers tot eindverbruik betere alternatieven ter beschikking staan (zoals bioLNG oftewel LBG).
De administratieve dubbeltelling van de energie-inhoud van biobrandstoffen uit bijlage IX, deel A en B, van de richtlijn hernieuwbare energie bij het behalen van de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer, komt te vervallen. Deze systematiek leidde in toenemende mate tot onwenselijke prikkels. Als gevolg van de keuze voor een CO2-ketensturing en een sectorsturing, worden dergelijke vermenigvuldigers (die bepalend zijn voor het aantal bij te schrijven verhandelbare eenheden) afgeschaft, omdat ze niet langer toegestaan, dan wel niet langer van belang zijn. Door het vervallen van de dubbeltelling, komt ook de dubbeltellingverificatie te vervallen.
De overstap naar een CO2-ketensturing en de gekoppelde afschaffing van dubbeltelling, heeft als gevolg dat bepaalde biobrandstoffen hoger gewaardeerd worden dan beleidsmatig wenselijk is.
Dit treedt op bij dierlijk vet categorie 3, waarvan de inboeking van een geleverde biobrandstof uit die grondstof leidt tot de bijschrijving van een ERE-overig, terwijl de inboeking van een biobrandstof uit dierlijke vetten categorie 1 en 2 de bijschrijving van een ERE-bijlage IXB tot gevolg heeft. Een verhandelbare eenheid ERE-bijlage IXB kent meer beperkingen dan de ERE-overig en is bijgevolg waardevoller. Om het risico op marktverstoring te beperken, voert de systematiek hernieuwbare energie vervoer een correctiefactor van 0,5 voor dierlijk vet categorie 3 in, met als doel de inzet van deze grondstoffen niet te bevorderen ten koste van hun toepassing in andere, hoogwaardigere sectoren. Afgezien van dierlijk vet categorie 3, zullen de huidige grondstoffen binnen categorie-overig geen correctiefactor 0,5 krijgen. Nieuwe grondstoffen binnen categorie-overig kunnen wél een correctiefactor 0,5 krijgen, wanneer biobrandstofproductie uit die grondstof leidt tot een risico op marktverstoring.
De wijziging van de Regeling energie vervoer bevat ook bepalingen over de inboekdienstverlener, de onderneming die door een onderneming geleverde of een natuurlijke persoon afgenomen elektriciteit inboekt.
Voortaan is 15 december de uiterste datum voor het aanvragen van een rekening met een inboekfaciliteit of alleen een overboekfaciliteit. Deze maatregel beoogt de toenemende werklast van de NEa aan het eind van het kalenderjaar te beperken, alsook de rechtszekerheid voor ondernemingen die afhankelijk zijn van tijdige goedkeuring van hun rekeningaanvraag te vergroten.
Vanwege het intrekken van de systematiek rapportage- en reductieverplichting vervoersemissies (oude titel 9.8 van de Wet milieubeheer) en de invoering van de systematiek raffinagereductie vervoersbrandstoffen (nieuwe titel 9.8 van de Wet milieubeheer), zal het tweede hoofdstuk van de ministeriële regeling volledig vervangen worden. Dit nieuwe hoofdstuk bestaat uit paragrafen met bepalingen over het inboeken hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, over het Register raffinagereductie-eenheden en over rapportages van raffinagereductie-eenheden.
Om te voorkomen dat emissiereductie als gevolg van de inzet van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong bij de vervaardiging van biobrandstoffen meerdere keren geteld wordt, controleert de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen dat de emissiereductie, die de ingezette hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong vertegenwoordigt, niet ook bij de berekening van broeikasgasemissiereductie van de vervaardigde biobrandstof is meegeteld.
Tot slot leidt de overgang naar een CO2-keten- en sectorsturing tot de wijziging van verschillende bijlagen van de Regeling energie vervoer, terwijl de invoering van de verificatie levering tot eindverbruik en de verificatie biomassa tot de invoeging van nieuwe bijlagen leidt. De bijlage over de dubbeltellingverificatie wordt daarentegen geschrapt. Daarnaast worden wijzigingen in bijlagen 1, 2 en 5 aangebracht.
De gegevens die op grond van de bijlagen verstrekt moeten worden, zijn voor het grootste deel een voortzetting van bestaand beleid. In het geval van nieuwe bijlagen, zoals bijlage 8a, geldt dat ze een weerspiegeling zijn van bestaande bijlagen, waarbij niet-relevante gegevens zijn geschrapt. De gegevens die bedrijven bij de NEa moeten aanleveren, hebben betrekking op één van de onderstaande onderwerpen:
– gegevens om de hoogte van de verplichting te bepalen;
– gegevens om de soort en hoeveelheid bij te schrijven emissiereductie-eenheden te bepalen;
– gegevens om de duurzaamheid of hernieuwbaarheid te bepalen;
– gegevens om het risico van overtreding van de regelgeving in te schatten.
De systematiek hernieuwbare energie vervoer van titel 9.7 van de Wet milieubeheer verplicht leveranciers met een levering tot eindverbruik sector land, met een levering tot eindverbruik sector binnenvaart en een levering tot eindverbruik sector zeevaart, tot het jaarlijks behalen van een vooraf vastgesteld percentage CO2eq-ketenemissiereductie, met de inzet van ERE’s en RARE’s (jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer). Voor de sectoren land en binnenvaart bepaalt de Wet milieubeheer aan de hand van de Wet op de accijns welke ondernemingen over welke geleverde brandstoffen een jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer hebben (zie begripsbepalingen in artikel 9.7.1.1 van de Wet milieubeheer van leverancier tot eindverbruik, levering tot eindverbruik sector land en leverancier tot eindverbruik sector binnenvaart). De accijnswetgeving biedt echter geen of onvoldoende aanknopingspunten om de onderneming als leverancier tot eindverbruik sector zeevaart te duiden, terwijl de accijnsvrijstelling voor geleverde brandstoffen voor voortbeweging en scheepsbehoeften aan boord van schepen, de bepaling van de hoeveelheid geleverde brandstoffen aan een zeeschip bemoeilijkt.
Voor het vaststellen van de hoedanigheid van leverancier tot eindverbruik van de sector zeevaart, alsook de bepaling van de soort en hoeveelheid aan de sector zeevaart geleverde brandstoffen, is daarom aansluiting gezocht bij hoofdstuk 3 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging. Deze bepalingen stellen regels over de gegevens die door de leverancier van brandstoffen aan zeeschepen moet opnemen in de zogenaamde brandstofleveringsnota. Het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging is aangevuld met een registratieverplichting bij de Inspectie Leefomgeving en Transport voor leveranciers van brandstoffen aan zeeschepen.
Bij de registratie vermeldt de brandstofleverancier onder meer gegevens over zijn bedrijfsnaam en zijn vestigingsadres. Vervolgens dient een leverancier van brandstoffen aan zeeschepen per kwartaal een afschrift van zijn brandstofleveringsnota’s bij de ILT in te dienen, met aanvullende gegevens over de soort en hoeveelheid geleverde brandstoffen aan zeeschepen.
De NEa, verantwoordelijk voor de uitvoering en de handhaving van de systematiek hernieuwbare energie vervoer (zie ook paragraaf 4) en gebruikmakend van haar bevoegdheid om bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat gegevens op te vragen die nodig zijn voor een goede uitvoering van haar taken, zal vervolgens de beschikbare informatie over de leveranciers van brandstoffen aan zeeschepen en de afschriften van de brandstofleveringsnota’s benutten voor de controle op het voldoen aan de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer van deze leveranciers tot eindverbruik sector zeevaart.
De NEa is verantwoordelijk voor de uitvoering (artikel 2.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer) en handhaving (artikel 18.2f, tweede lid, van de Wet milieubeheer) van de systematiek hernieuwbare energie vervoer en de systematiek raffinagereductie vervoersbrandstoffen, zoals uitgewerkt in de titels 9.7 en 9.8 van de Wet milieubeheer. Ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wet milieubeheer, dient het bestuur van de NEa te bewerkstelligen dat de werkzaamheden, die voortvloeien uit artikel 18.2f, gescheiden van de overige werkzaamheden worden uitgevoerd.
De NEa beheert het Register energie voor vervoer. Dit register is de verzamelnaam voor het Register hernieuwbare energie vervoer en het Register raffinagereductie-eenheden, bedoeld in paragrafen 9.7.5, onderscheidenlijk 9.8.4, van de Wet milieubeheer. De systematiek hernieuwbare energie vervoer en de systematiek raffinagereductie vervoersbrandstoffen, zoals neergelegd in de titels 9.7 en 9.8 van de Wet milieubeheer en uitgewerkt in het Besluit energie vervoer en de Regeling energie vervoer, kent een samenspel van certificering, verificatie, toezicht en handhaving.
De NEa is tevens met de handhaving belast. Daartoe beschikt de NEa onder andere over handhavingsinstrumenten, zoals het opleggen van een last onder dwangsom (artikel 18.6b van de Wet milieubeheer) of een bestuurlijke boete (artikel 18.16s van de Wet milieubeheer). De NEa sluit onder meer overeenkomsten met de Rijksbelastingdienst en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over het uitwisselen van gegevens ten behoeve van het toezicht.
De administratieve lasten (voor de burger en bedrijven) en de uitvoeringslasten (voor de overheid) van de wijzigingen van de systematiek hernieuwbare energie vervoer die in deze regeling uitgewerkt worden, houden voornamelijk verband met de overgang naar een CO2-ketenemissie- en een sectorsturing. De hieraan gekoppelde regeldrukeffecten zijn reeds beschreven in de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wet milieubeheer.
Rekening houdend met deze overgang naar een andere systeemsturing, maar tegelijkertijd een voortzetting van de bestaande systematiek van inboekers en jaarplichtigen, is gestreefd naar een zo lastenluw mogelijke omzetting van de wijzigingsrichtijn hernieuwbare energie.
De wijzigingen in deze regeling hebben met name gevolgen voor bedrijven die actief zijn in de productie, de levering of de inboeking van hernieuwbare energie in de vervoerssector. Voor deze ondernemingen betekent de afschaffing van de dubbeltelling een vereenvoudiging van de administratieve lasten. Ondernemingen dienen zich nu te richten op daadwerkelijke CO2-ketenemissiereductie, wat een kwalitatieve verbetering van het brandstoffenaanbod bevordert.
In tabel 1 wordt weergegeven wat, op basis van informatie van verificateurs en de Nederlandse Emissieautoriteit, de jaarlijkse verlaging van administratieve lasten is als gevolg van de afschaffing van dubbeltelling.
|
Activiteit |
Grootte bedrijf |
Aantal dubbeltellingsverificaties per bedrijf |
Totale kosten voor bedrijf op jaarbasis (€) |
|---|---|---|---|
|
Verkrijgen dubbeltellingsverificatie |
Klein |
1–2 |
3.000 – 6.000 |
|
Groot |
30–40 |
20.000 – 30.000 |
In totaal gaat het, op basis van gegevens van de NEa uit 2024, om circa 4.000 dubbeltellingsverklaringen per jaar, waarbij de exacte verhouding tussen kleine en grote bedrijven niet bekend is. Op basis van gegevens van de verschillende verificatiebureaus, variëren de kosten voor een dubbeltellingsverificatie van € 750 voor partijen die grotere aantallen verificaties laten uitvoeren tot € 3.000 voor partijen die slechts 1 of 2 verklaringen laten opstellen. Dit levert een bandbreedte op van € 3 tot € 12 miljoen (van 4.000*€ 750 tot 4.000*€ 3.000) aan lastenverlaging door afschaffing van dubbeltellingsverificaties, afhankelijk van de verdeling tussen kleine en grote bedrijven. De exacte verdeling is niet bij de verificatiebureaus, noch bij de NEa bekend. Aannemelijk is dat de meeste dubbeltellingsverificaties door grotere bedrijven worden aangevraagd, waardoor de totale lastenverlaging dichter bij de € 3 dan de € 12 miljoen zal liggen.
Regeldrukberekering van de registratieverplichting voor leveranciers van brandstoffen aan de zeeschepen
De registratie van de leveranciers is beperkt tot een eenmalige registratie en het actueel houden van bedrijfs- en handelsnamen en contactgegevens. Het maken en bewaren van brandstofleveringsnota’s is een verplichting die de leveranciers reeds hebben vanuit het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL), met protocollen en bijlagen met aanhangsels, zoals neergelegd in het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.
Omdat de verplichtingen van de Regeling energie vervoer voor de leverancier tot eindverbruik sector zeevaart aansluiten bij een bestaande verplichting, mag verondersteld worden dat de kwartaalregistratie uit de administratie van de leverancier eenvoudig kan worden opgemaakt en dat maximaal een werkdag (administratief personeel) per leverancier per kwartaal volstaat. Dit betekent de volgende regeldrukkosten:
|
Activiteit |
Aantal bedrijven |
Aantal uren |
Kosten per eenheid |
Totaal (x € 1.000) |
|---|---|---|---|---|
|
Eenmalige registratie leveranciers |
50 |
4 (leidinggevende) 4 (administratief) |
€ 44 € 22 |
€ 13,2 (eenmalig) |
|
Kwartaalrapportage |
50 |
8 per rapportage (x4) |
€ 22 |
€ 35,2 (per jaar) |
Regeldrukgevolgen van de registratieverplichting voor leveranciers van brandstoffen aan zeeschepen
Informatieplicht en doel hiervan
De wijzigingen ten aanzien van de informatieplicht zijn beperkt; het grootste deel van de gevraagde informatie aan bedrijven is een voortzetting van het beleid van de afgelopen jaren. De nieuwe bijlagen 8a en 8b van de Regeling energie vervoer zijn een weerspiegeling van de bestaande bijlagen 3 en 8, waarbij geldt dat alle niet-relevante gegevens zijn geschrapt. De gegevens die bedrijven bij NEa moeten aanleveren, hebben betrekking op één van de onderstaande onderwerpen:
– gegevens om de hoogte van de verplichting te bepalen;
– gegevens om de soort en hoeveelheid bij te schrijven emissiereductie-eenheden te bepalen;
– gegevens om de duurzaamheid of hernieuwbaarheid te bepalen;
– gegevens om het risico van overtreding van de regelgeving in te schatten.
Bijna alle gegevens die de Regeling energie vervoer uitvraagt, heeft de NEa nodig om de soort of de hoeveelheid bij te schrijven ERE’s te bepalen. Voor een beperkt aantal gegevens geldt dat ze de NEa helpen om een risico-analyse te maken.
De NEa controleert of de inboekingen aan de regels voldoen. Dit toezicht is risico-gestuurd. Om te voorkomen dat NEa hierbij gegevens bij bedrijven moet opvragen, gebeurt de uitvraag bij het inboeken van een geleverde hoeveelheid hernieuwbare energie vervoer. Een voorbeeld van dergelijke gegevens is de opsplitsing van de emissieberekening in de verschillende tussenstappen (de rekenregels voor de emissiewaarde volgen uit Uniewetgeving, met inbegrip van de onderdelen waaruit het totaal is opgebouwd). De bedrijven worden beloond op basis van de totale emissiewaarde, maar de tussenstappen vormen een belangrijke risico-indicator. Wanneer enkel naar de totale emissiewaarde gekeken werd, zou die aannemelijk kunnen zijn, maar indien het overzicht ook de emissiewaarden van de tussenstappen weergeeft, kan die aanvullende informatie uitwijzen dat specifieke onderdelen (veel) lagere emissiewaarden dan verwacht hebben. Dat is dan een signaal voor het toezicht dat mogelijkerwijs de NEa te veel eenheden heeft bijgeschreven. Dit betreft overigens een gegeven dat een gecertificeerde schakel van een erkend duurzaamheidsysteem of een erkend vrijwillig systeem verplicht beschikbaar heeft in de eigen administratie en nu op het bewijs van duurzaamheid of hernieuwbaarheid gestructureerd doorgegeven moet worden. De uitvraag verlangt dus geen extra berekening van bedrijven.
Voor de gegevens die de verificateur moet verzamelen dan wel moet verstrekken of vermelden (bijlagen 6, 7, 8 en 8b), geldt het volgende:
• Bijlage 8 over de inboekverificatie, bestaat al langer. Het bepaalt wat de inboekverificateur moet controleren om een redelijke mate van zekerheid te verkrijgen dat de inboekingen aan de regels voldoen. Door het toevoegen van meer mogelijkheden om geleverde (of afgenomen) hernieuwbare energie te verzilveren (in te boeken) is het ook nodig om toegespitste regels op te nemen, om te controleren dat de NEa niet ten onrechte ERE bijgeschreven heeft.
• Bijlage 8b (nieuw) is een weerspiegeling hiervan voor de systematiek raffinagereductie vervoersbrandstoffen. Hierbij zijn alle niet-noodzakelijke controles geschrapt.
• Door het uitbreiden van de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer naar de sectoren binnenvaart en zeevaart, is de verificatie levering tot eindverbruik nodig om de NEa voldoende zekerheid te verschaffen over de volledigheid van de (door de leverancier tot eindverbruik in het Register hernieuwbare energie vervoer) ingevoerde levering tot eindverbruik (bijlage 6). De controles zijn nodig om de verificateur met een redelijke mate van zekerheid te kunnen laten vaststellen dat de opgegeven hoeveelheid geleverde brandstof, te weten de hoeveelheid waarover de jaarverplichting hernieuwbare energie voor de sectoren binnenvaart en zeevaart wordt berekend, volledig is.
• Bijlage 7 is deels een uitwerking van een regeldrukverlaging. Op verzoek van leveranciers van bioLNG en bioLPG vanaf een opslaglocatie in Nederland, vertegenwoordigt de verificatie biomassa een alternatief voor monstername en analyse om de hoeveelheid biobrandstof in een geleverde hoeveelheid bioLNG of bioLPG aan te tonen. Bijlage 7 geeft aan wat een verificateur moet controleren om een redelijke mate van zekerheid te verkrijgen over de hoeveelheid biobrandstof in een geleverde hoeveelheid bioLNG of bioLPG.
Samenloop met het systeem van verhandelbare emissierechten voor de bebouwde omgeving en vervoer (ETS-2)
Door beleidsmatige keuzen op Europese en nationaal niveau, verschilt de reikwijdte voor de rapportageverplichting tussen de systematiek hernieuwbare energie vervoer en het systeem van verhandelbare emissierechten voor de bebouwde omgeving en vervoer (ETS-2). Hierdoor is het samenvoegen van beide rapportageverplichtingen niet mogelijk. NEa heeft wel onderzocht in hoeverre één rapportage mogelijk is – door een vooraf ingevulde rapportage aan te bieden, die de leverancier moet aanvullen. Gelet op de complexiteit, gaven bedrijven aan dan liever afzonderlijk voor beide systemen te rapporteren.
Bij de samenloop van beide systemen is de bedoeling dat de leverancier tot eindverbruik, die met ERE’s aan zijn jaarverplichting voldoet, in zijn hoedanigheid als leverancier van brandstoffen voor die hoeveelheid een nul-uitstoot in zijn emissieverslag te laten opnemen. Hiertoe heeft de wijziging van de systematiek hernieuwbare energie de ERE-elektriciteit ingevoerd (die immers buiten ETS-2 valt), alsook voor de NEa een grondslag opgenomen om per soort ERE, die de leverancier tot eindverbruik voor het voldoen aan zijn jaarverplichting mag gebruiken, de energiebijdrage vast te stellen. Een directe koppeling met de ERE’s, blijkt echter te botsen met Uniewetgeving voor de monitoring van ETS-2. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei verkennen samen een alternatieve koppeling.
Omdat de inleververplichting voor uitstootrechten voor ETS-2 met een jaar is uitgesteld, is de samenloop tussen beide systemen minder urgent en biedt het uitstel meer tijd om de samenloop goed te borgen.
Voor burgers is het directe effect beperkt. De wijziging raakt voornamelijk de achterliggende systematiek van energieboekhouding en emissiereductie. Wel beoogt de maatregel indirect bij te dragen aan het verwezenlijken van schoner vervoer en daarmee aan de verbetering van de luchtkwaliteit en de vermindering van klimaatverandering. In de gevallen waarin de leveranciers van brandstoffen de meerkosten van geleverde hernieuwbare energiedragers doorberekenen aan de consument, kunnen prijsveranderingen aan de pomp optreden, maar het beleid is zodanig vormgegeven dat deze effecten worden beperkt en in evenwicht worden gebracht tussen sectoren.
Invoeringstoets
Na implementatie van de gewijzigde systematiek hernieuwbare energie vervoer, zal een invoeringstoets worden uitgevoerd, waarbij specifiek wordt ingegaan op de werkbaarheid van de informatieverplichtingen.
Gebruik input bedrijfsleven
Zoals ook beschreven in de nota van toelichting bij het gewijzigde Besluit energie vervoer, zal de regeldruk voor inboekers van hernieuwbare elektriciteit afnemen door de introductie van de inboekdienstverlener. De NEa heeft diverse bijeenkomsten gehad met huidige inboekers van elektriciteit, met mogelijke inboekdienstverleners en inboekverificateurs om dit onderdeel van de wijziging van inboekbepalingen te bespreken. De gesprekken hebben geleid tot wijzigingen in de voorgestelde inboekbepalingen.
Aangepaste regeldrukberekening
Nu de sector luchtvaart niet langer onderdeel uitmaakt van de systematiek, wordt de eerder in de Wet opgenomen regeldrukberekening aangepast.
|
Activiteit |
Grootte bedrijf |
Aantal bedrijven |
Aantal |
Eenheid |
Kosten per eenheid (€) |
Totaal (x1.000 €) |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
Kennisneming regelgeving |
n.v.t |
90 |
3 |
uur |
47 |
13 |
|
Implementatie regelgeving |
n.v.t |
90 |
100 |
uur |
47 |
423 |
|
Ontwikkelen software toepassing |
n.v.t |
90 |
1.280 |
uur |
47 |
5.414 |
|
Openen rekening bij de NEa |
n.v.t |
90 |
2 |
uur |
47 |
8 |
|
Totaal eenmalige kosten |
5.848 |
|||||
|
Inboeken, handel en optimaliseren gebruik ERE’s |
Klein |
34 |
0,3 |
FTE |
84.600 |
863 |
|
Middelgroot |
33 |
3 |
FTE |
84.600 |
8.460 |
|
|
Groot |
33 |
6 |
FTE |
84.600 |
16.920 |
|
|
Controle / inspecties / audits |
n.v.t. |
90 |
5 |
uur per jaar |
47 |
21 |
|
Totaal structurele kosten |
Klein |
884 |
||||
|
Middelgroot |
8.481 |
|||||
|
Groot |
16.941 |
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft een regeldruktoets uitgevoerd op de ontwerpversie van de wijziging van de Regeling energie vervoer. Uit deze toets kwamen verschillende adviespunten van het college naar voren, die leidden tot een dictum 4: het advies om de regeling in die vorm niet in te dienen.
Naar aanleiding van dit advies is de toelichting van de regeling aangepast. In een nadere zienswijze naar aanleiding van de aangepaste versie van de Regeling, geeft het Adviescollege aan dat de adviespunten naar behoren zijn opgevolgd.
Hieronder wordt nader ingegaan op de adviespunten en de wijze waarop hieraan opvolging is gegeven:
Ten eerste adviseerde het college om duidelijk te maken welk doel de informatieverplichtingen voor leveranciers tot eindverbruik en verificateurs hebben en te beschrijven hoe de informatieverplichtingen zich verhouden tot de doelstellingen. Naar aanleiding van het ATR-advies is de toelichting aangevuld en verduidelijkt. Zo maakt de toelichting duidelijk dat gevraagde informatie voor het grootste deel een voortzetting van bestaand beleid is. Bij een nieuwe informatie-uitvraag, beschrijft de toelichting het doel daarvan. Het betreft onder andere gegevens die noodzakelijk zijn om de hoogte van de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer te bepalen. Ook verduidelijkt de toelichting op welke wijze de gegevens bijdragen aan risico-gestuurd toezicht.
Ten tweede stelde het college vast dat het doel van de informatieverstrekking niet helder was en bijgevolg moeilijk te beoordelen was of de Regeling energie vervoer overbodige informatie uitvraagt. Omdat deze bezwaren zijn weggenomen door opvolging van het eerste adviespunt, ziet het college geen aanleiding voor voorstellen om minder belastende alternatieven te onderzoeken.
Het college adviseerde verder om in de Regeling energie vervoer duidelijk te maken op welke wijze dubbele rapportagelasten uit hoofde van de systematiek hernieuwbare energie vervoer en ETS2 voorkomen kan worden. Naar aanleiding van dit adviespunt beschrijft de toelichting dat de NEa en het Ministerie van IenW hebben onderzocht in hoeverre een enkele rapportage voor beide systemen mogelijk is door middel van het aanbieden van een vooraf ingevulde rapportage, die door de leverancier tot eindverbruik/leverancier van brandstoffen aangevuld moest worden. Gelet op de complexiteit gaven de bedrijven de voorkeur aan het afzonderlijk rapporteren voor beide systemen. De Ministeries van IenW en KGG werken samen aan een verkenning naar een alternatief hiervoor. Doordat de inleververplichting voor ETS2-uitstootrechten met een jaar is uitgesteld, is de samenloop van beide systemen minder urgent en bestaat meer tijd is om de samenhang op dit vlak goed te borgen.
Het advies bij de regeling bevatte nog twee punten in het kader van de werkbaarheid. Het college adviseert om in de toelichting te beschrijven wat bedrijven hebben ingebracht met betrekking tot de werkbaarheid van de informatieverplichtingen en hoe deze inbreng bij de vormgeving van deze verplichtingen is gebruikt. Tot slot was het advies om na de afronding van de omzetting van de wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie een invoeringstoets uit te voeren en hierin in te gaan op de werkbaarheid van de informatieverplichtingen. De aangepaste toelichting vermeldt dat de NEa diverse bijeenkomsten heeft gehad met huidige inboekers van elektriciteit, met mogelijke inboekdienstverleners en inboekverificateurs om dit onderdeel van de wijziging van inboekbepalingen te bespreken. De gesprekken hebben geleid tot wijzigingen in de voorgestelde inboekbepalingen. Ook benoemt de aangepaste toelichting dat een invoeringstoets zal plaatsvinden.
Voor het milieu zijn de effecten positief. Het afschaffen van dubbeltelling en de overgang naar CO2-ketenemissiesturing zorgt dat de inzet van hernieuwbare energie daadwerkelijk leidt tot een besparing van broeikasgasemissies. Het systeem beloont voortaan emissiereductie in plaats van enkel volumevergroting. Tegelijkertijd voorkomt het hanteren van correctiefactoren bij bepaalde grondstoffen dat ze overmatig worden ingezet op een wijze die de doelstelling van de systematiek ondermijnt. De voorgestelde wijzigingen zijn daarmee in lijn met het Klimaatakkoord en dragen bij aan het behalen van de nationale klimaatdoelen.
Voor de totstandkoming van de systematiek hernieuwbare energie vervoer, is samengewerkt met de NEa en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Over de eisen die deze regeling stelt, is op meerdere momenten overleg gevoerd met de betrokken ondernemingen. Dit betreft de ondernemingen die een jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer hebben of zullen hebben (de leveranciers tot eindverbruik van de sectoren land, binnenvaart en zeevaart), alsook de inboekers en de verificateurs. Tot slot is voor de doelgroep een bijeenkomst georganiseerd om de Regeling energie vervoer toe te lichten en door te spreken.
De NEa heeft een toets uitgevoerd op de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF) van de wijzigingen op de Regeling energie vervoer. Aanvullend heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een HUF-toets uitgevoerd specifiek op de wijzigingen die de ILT betreffen. De NEa concludeert dat, ondanks de complexiteit van de gewijzigde regelgeving, ze handhaafbaar en uitvoerbaar is, mits de opmerkingen van de NEa in acht genomen worden.
De NEa vraagt aandacht voor wijzigingen ten aanzien van de sector zeevaart.
De NEa geeft aan dat de onzekerheden toezicht- en handhavingsrisico’s voor de sector zeevaart met zich mee kunnen brengen. Het evalueren van de jaarverplichting hernieuwbare energie voor de sector zeevaart is na het eerste jaar nodig om te kunnen bepalen of aanpassingen aan de regelgeving nodig zijn.
Verder benadrukt de NEa het belang van de opzet van de rapportage en het toezicht op de registratie van de brandstofleveringsnota’s. De ILT heeft aangegeven dat ze werkt aan een webformulier, waarin bedrijven op basis van e-Herkenning de registratie van de brandstofleveringsnota’s kunnen verrichten. In haar HUF-toets, heeft ILT uitgewerkt op welke wijze ze haar toezicht kan inrichten. ILT merkt bovendien op dat de Regeling energie vervoer de bewaartermijn van de brandstofleveringsnota’s op vijf jaar stelt, terwijl de bewaartermijn van de brandstofleveringsnota’s aan boord van schepen in het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging – in lijn met het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL) – ongewijzigd op drie jaar blijf staan. De ILT onderzoekt wat de verplichting is voor het afgeven van de brandstofleveringsnota’s bij schepen van 400 brutotonnage (GT) of meer. Daarbij geeft ILT aan dat het belangrijk is om fraude te voorkomen, om controlemogelijkheden te vergroten, alsook om te bewerkstelligen dat de bijlage bij de brandstofleveringsnota overeenkomstig de verordening FuelEU Maritiem opgesteld wordt.
Voor de NEa en ILT is het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst van belang, opdat ILT de informatie met de NEa mag uitwisselen. Zowel de HUF-toets van de NEa als van de ILT vragen aandacht voor het gelijke speelveld met België, waarbij de zorgen over een verschil in toezicht en mogelijke ontwijking worden benoemd.
Reactie IenW:
Het ministerie zal de jaarverplichting hernieuwbare energie sector zeevaart, met inbegrip van haar onzekerheden en risico’s, onderdeel laten zijn van de evaluatie.
Nederland heeft met België een intentieverklaring (Memorandum of Understanding) getekend, waarin is neergelegd dat de grondslag van de jaarverplichting de brandstofleveringsnota’s bij levering aan zeevaart zijn. In het geval dat België de jaarverplichting – en daarmee de registratie van de brandstofleveringsnota’s – niet vanaf 2026 invoert, bestaat het risico dat het gelijke speelveld met dat land verstoord wordt.
De NEa deelt, naast haar belangrijkste conclusies, ook diverse bevindingen. De NEa benadrukt de complexiteit van de regelgeving met betrekking tot de nieuwe raffinageroute en het gebruik van de Uniedatabank. De NEa kan moeilijk inschatten of de regelgeving aansluit bij de praktijk, of ze de juiste kaders en controles hiervoor stelt en ook of de regelgeving de marktpartijen voldoende handvatten verschaft om de zakelijke rechtvaardiging van de raffinageroute te beoordelen.
Reactie IenW:
Het ministerie zal nauwlettend de uitwerking van deze nieuwe regelgeving en signalen van de markt en toezichthouders volgen.
De NEa geeft aan dat van groot belang is dat de NEa toegang tot de gegevens in de Uniedatabank verkrijgt en verzoekt het ministerie om zich daarvoor in te zetten. De NEa benadrukt dat het Ministerie van IenW zich moet blijven inzetten voor Europese samenwerking om de frauderisico’s te beperken. De Uniedatabank kan daarbij een belangrijk middel zijn.
Reactie IenW:
Het ministerie zal zich, samen met het Ministerie van KGG, de NEa en andere betrokken partijen inzetten voor snelle duidelijkheid over de Uniedatabank en voor de benodigde toegang van de NEa en andere partijen tot de relevante gegevens van de Uniedatabank.
De NEa merkt op dat bij A-B-C-afhaaltransacties, als bedoeld in de beleidsregels accijnswetgeving, het systeem van hernieuwbare energie vervoer niet aansluit bij het systeem van verhandelbare emissierechten voor de bebouwde omgeving en vervoer (ETS-2). Deze ongerijmdheid heeft tot gevolg dat een geleverde hoeveelheid vloeibare biobrandstof met een A-B-C-afhaaltransacties ingeboekt mag worden en tot de bijschrijving van ERE’s leidt, ook al slaat de inboeker de brandstof niet uit tot verbruik; een willekeurige leverancier tot eindverbruik mag die ERE’s gebruiken voor het voldoen aan zijn jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer. Voor de leverancier van brandstoffen als bedoeld in ETS-2, die in de A-B-C-afhaaltransacties wel uitslaat tot verbruik, geldt dat hij de hoeveelheid biobrandstof niet als nul-uitstoot mag meetellen in zijn emissieverslag omdat hij de duurzaamheid niet kan bewijzen, terwijl de inboeker, die de duurzaamheid wel kan bewijzen, niet uitslaat tot verbruik. Het verkennend onderzoek uit 2025 bevestigt de knelpunten, maar biedt volgens de Ministeries van IenW en KGG geen aanleiding voor aanpassing van wet- en regelgeving. De NEa verzoekt beide ministeries om de knelpunten verder te onderzoeken en op te lossen, waarbij de NEa de ministeries kan ondersteunen.
Reactie IenW: Op basis van de huidige inzichten ziet het ministerie geen aanleiding om aanpassingen in wet- of regelgeving door te voeren. De bevinden worden in verdere verkenningen naar de verbetering van informatieoverdracht meegenomen.
De internetconsultatie van het ontwerpbesluit tot wijziging van de Regeling energie vervoer ter omzetting van de wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie, vond plaats in de periode van 18 september 2025 tot en met 16 oktober 2025. Over het ontwerpbesluit zijn 70 zienswijzen ingediend. In het hoofdlijnenverslag wordt per thema op de zienswijzen ingegaan (Overheid.nl | Wijziging Regeling energie vervoer ter implementatie RED-III). De belangrijkste bevindingen van de internetconsultatie worden hieronder beschreven.
Jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer
De indieners van zienswijzen zijn over het algemeen tevreden met de voorgestelde opklimmende hoogte van de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer voor de verschillende sectoren, evenals die van de subverplichtingen. Sommige partijen geven aan de verplichtingen voor de sectoren zeevaart en binnenvaart te hoog te vinden met het oog op een gelijk speelveld. Andere partijen zijn van mening dat de verplichtingen juist te laag zijn, gelet op de klimaatdoelen en de investeringszekerheid die nodig is voor de opschaling van de productie van hernieuwbare brandstoffen. Verschillende partijen stellen voor om de verplichting van de sector land te verhogen. Een aantal partijen wensen meer duidelijkheid over de hoogte van de jaarverplichtingen van de verschillende sectoren na 2030. Ze benadrukken dat een langetermijnperspectief noodzakelijk is om investeringen te kunnen rechtvaardigen. Daarnaast pleiten enkele partijen voor een jaarlijkse evaluatie van de hoogte van de jaarverplichting, zodat eventuele concurrentienadelen ten opzichte van ander lidstaten tijdig worden opgemerkt.
Reactie I&W:
De hoogte van de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer wordt zo gelijk mogelijk verdeeld over de sectoren. Daarbij geldt dat de hoogte voor de sector land hoger is dan het gemiddelde van 14,5 procent CO2eq-ketenemissiereductie die de sectoren gezamenlijk moeten behalen. De reden is dat de sector land meer mogelijkheden tot verduurzaming kent dan de andere sectoren. Over de wens om de hoogte van de jaarverplichting na 2030 vast te stellen, zal het ministerie uiterlijk in het eerste kwartaal van 2026 een besluit nemen.
Dierlijke vet categorie 3
Verschillende partijen hebben reacties ingediend over de correctiefactor op dierlijke vetten categorie 3. Een aantal partijen geeft aan de correctiefactor te ondersteunen, omdat ze bijdraagt aan het zo hoogwaardig mogelijk inzetten van biogrondstoffen en bewerkstelligt dat minder duurzame grondstoffen niet de duurzamere grondstoffen verdringen. Een aantal partijen wil de correctiefactor verhogen of zelfs verwijderen, omdat de correctiefactor tot gevolg heeft dat – ondanks dat de grondstof vanuit binnen de EU kan worden gehaald – de waarde van dierlijke vetten categorie 3 lager wordt, alsook dat een correctiefactor op biogrondstoffen binnen categorie-overig zou leiden tot onzekerheid in de Nederlandse biobrandstoffensector. Sommige partijen stellen een grenswaarde in plaats van een correctiefactor voor, omdat dit een beter middel zou zijn om de beoogde marktverstoring te voorkomen. Eén partij wil een verbod op dierlijke vet voor de productie van biobrandstoffen, omdat deze grondstof hoger ingezet kan worden in bijvoorbeeld de diervoedingssector. Daarnaast vragen enkele partijen naar de procedure voor de toepassing van de correctiefactor.
Reactie IenW:
Omdat zonder ingrijpen de overstap naar CO2eq-ketensturing en de gekoppelde afschaffing van dubbeltelling dierlijk vet categorie 3 hoger gewaardeerd zou worden dan vetten categorie 1 en 2, verkrijgt dierlijk vet categorie 3 een correctiefactor 0,5. Immers, de inboeking van een biobrandstof uit categorie vetten 1 en 2 leidt tot de bijschrijving van een ERE-overig, terwijl de inboeking van een biobrandstof uit vetten categorie 3 tot de bijschrijving van een ERE-bijlage IX leidt, te weten een verhandelbare eenheid die door een leverancier tot eindverbruik beperkt gebruikt mag worden om aan zijn jaarverplichting hernieuwbare energie te voldoen. Hiermee blijft de waardering van deze grondstof ten opzichte van bijlage-IX grondstoffen gelijk met die in het huidige systeem. Ten aanzien van de vraag wanneer het ministerie het gebruik van een correctiefactor overweegt, geldt dat een correctiefactor aan de orde is wanneer een risico op marktverstoring bestaat (zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van de toelichting).
Monsterneming en accreditatie
Verschillende indieners van zienswijzen gaan in op de voorgestelde bepalingen rondom monstername en accreditatie. Ze geven aan dat de norm ISO 17025 geen bepalingen over monstername bevat en dat voor bemonstering van brandstoffen en -componenten EN ISO 3170 (tanks), EN ISO 3171 (leidingen) of EN 14275 (pompstations) bestaan. Verder is een partij niet duidelijk waarom FAME, ethanol en ETBE op een andere manier getest moeten worden. Tot slot doet een partij een suggestie voor een redactionele wijziging, namelijk om de bewoording van artikel 2, onderdeel c, en artikel 26, onderdeel c, gelijk te trekken.
Reactie IenW:
Brandstofleveranciers onderwerpen FAME, ethanol en ETBE al aan monstername en analyse. Om administratieve lasten van brandstofleveranciers te beperken, verkiest het ministerie om geen aanvullende vereisten vanuit de regelgeving hernieuwbare energie vervoer te stellen. Voor de andere brandstoffen neemt het ministerie het voorstel over om te verwijzen naar EN ISO 3170 en EN ISO 3171. Omdat monstername op tankstations in deze regelgeving niet aan de orde is, zal het ministerie het voorstel om naar EN 14275 te verwijzen, niet overnemen. Het ministerie neemt het voorstel om de bewoording in artikel 2, onderdeel c, en artikel 26, onderdeel c, gelijk te trekken, wel over.
LPG/propaan
Een partij vraagt om een duidelijkere verwijzingen naar biobrandstof voor onderdeel B van bijlage 2. Daarnaast wijst een partij om het belang van het voeren van een goede massabalans op te nemen in bijlage 2.
Reactie IenW:
Onderdeel B van bijlage 2 heeft geen betrekking op biobrandstoffen, maar op hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong. Bepalingen over het voeren van een goede massabalans horen niet in bijlage 2 thuis, maar zijn reeds opgenomen in andere artikelen van de Regeling energie vervoer.
Controleregels
Een partij merkt op dat bijlage 3, onderdeel 3a, geen vereisten voor garanties van oorsprong vermeldt. Ook vraagt een partij of bijlage 7 niet ook LNG moet vermelden.
Reactie IenW:
Het verzuim van het stellen van vereisten aan garanties van oorsprong in bijlage 3, onderdeel 3a, heeft het ministerie hersteld. LNG behoeft niet apart te worden vermeld, omdat het begrip van LPG ook LNG omvat. Daar waar LPG staat, moet met andere woorden ook LNG worden gelezen.
Inboeken elektriciteit: algemeen
De indieners van zienswijzen zijn overwegend positief over het inboeken van geleverde elektriciteit. Partijen zijn tevreden over de duidelijkheid die de Regeling energie vervoer verschaft. Op verzoek van enkele partijen is de toelichting op enkele punten aangevuld.
Inboeken elektriciteit: drempelwaarden
Het ministerie heeft verschillende zienswijzen over de hoogte van drempelwaarde ontvangen, waarbij partijen lagere of juist hogere waarden bepleiten.
Reactie IenW:
Om die reden past het ministerie de hoogte van de drempelwaarden niet aan. Het ministerie stelt ze voor meerdere jaren vast om stabiliteit te waarborgen. Diverse partijen stellen vragen over de wisselwerking tussen de twee drempelwaarden. Het ministerie heeft de toelichting aangevuld om de werking te verduidelijken.
Inboeken elektriciteit en inboekdienstverleners: machtigingen
Diverse partijen vragen naar de manier waarop de NEa voorkomt dat ondernemingen of afnemers van elektriciteit aan meerdere inboekdienstverleners machtigingen verlenen.
Reactie IenW:
De NEa kan met behulp van het Register hernieuwbare energie vervoer controleren of meerdere partijen op dezelfde aansluiting inboeken.
Inboeken elektriciteit en inboekdienstverleners: verantwoordelijkheid voor fouten
Diverse partijen vragen naar de verantwoordelijkheid van inboekdienstverleners voor fouten in de administratie van zijn klanten.
Reactie IenW:
De inboekdienstverlener is verantwoordelijk voor de fouten van zijn klanten.
Hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong: correctiefactor
De indieners van zienswijzen zijn overwegend positief over het vervallen van de correctiefactor bij het voldoen aan de subverplichting van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong met raffinagereductie-eenheden (RARE’s). Niettemin vinden sommige partijen de subverplichting te laag en zijn van mening dat de strenge certificeringseisen en administratieve complexiteit investeringsbereidheid afremt.
Reactie IenW:
In overleg met het Ministerie van KGG, heeft het ministerie besloten om de correctiefactor voor inzet van RARE’s tot en met 2030 op 1 te zetten om voldoende investeringszekerheid voor elektrolyseprojecten te verschaffen. Ter vermijding van een aanvullende complexiteit, heeft het ministerie afgezien van een afzonderlijke factor voor het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in een raffinaderij bij de vervaardiging van een biobrandstof. De verhandelbare eenheden uit het systeem van de verplichting hernieuwbare waterstof industrie (neer te leggen in titel 9.10 van de Wet milieubeheer), te weten de hernieuwbare waterstofeenheden (HWI’s), zijn niet te gebruiken bij het voldoen aan de subverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong. Niet alleen treedt de systematiek met HWI’s pas later in werking, bovendien geldt dat een HWI geen prestatie vertegenwoordigt die bijdraagt aan het behalen van de doelen van de wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie voor vervoer.
Hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong: invloed raffinageroute op directe inzet van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong:
Sommige indieners van zienswijzen hebben vragen over de gevolgen van de raffinageroute op directe inzet van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in vervoer. Verder vragen deze partijen of ingevoerde hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong ingeboekt mogen worden.
Reactie IenW:
Voor de sector land geldt dat vanaf 2027 een jaarlijks oplopend percentage van de subverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong uitsluitend mag worden ingevuld met ERE’s-hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, te weten verhandelbare eenheden die een directe inzet van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in die sector vertegenwoordigen. Omdat voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong het gebruik van de brandstof leidend is voor de toerekening van de prestatie hernieuwbare energie, mogen ook ingevoerde hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die in Nederland geleverd worden onderwerp van een inboeking gemaakt worden.
Hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong: subverplichting
Een partij geeft aan dat de subverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de sectoren lager is dan de subverplichting die in de wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie is opgenomen.
Reactie IenW:
De subverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de sectoren zoals opgenomen in de Regeling energie vervoer, met inbegrip van de 2PJ directe inzet voor de sector land in 2030, overstijgt de subverplichting van de wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie. In aanvulling hierop, zal ook de verordening ReFuelEU Luchtvaart inzet van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in Nederland verlangen.
Hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong: haalbaarheid subverplichting
Enkele indieners van zienswijzen plaatsen vraagtekens bij de haalbaarheid van de beoogde directe inzet van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong ter grootte van 2PJ in 2030 en pleiten verder voor ruimere spaarregels voor RARE’s.
Reactie IenW:
Ten aanzien van de beschikbaarheid van H2-voertuigen en H2-tankstations, sluit de 2PJ aan op de beschikbare budgetten vanuit de SWIM6. Verder de bijmenging van e-methanol bij benzine ook bijdragen aan het behalen van de beoogde 2PJ. Ten opzichte van het eerdere voorstel, zal het ministerie de spaarmogelijkheid van RARE’s verruimen.
Hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong: sector-overstijgende subverplichting
Enkele partijen pleiten voor het instellen van een sector-overstijgende subverplichting voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong.
Reactie IenW:
Het doel van een subverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong per sector, is de bevordering van de inzet in alle sectoren. Een aanvullende flexibiliteit zou die doelstelling ondermijnen.
Hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong: communicatie
Enkele partijen gaven aan dat aanpassingen in het voorstel over hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, zoals het reserveren van een deel van de subverplichting voor directe inzet van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de sector land en het instellen van een beperking aan ethanol, door het ministerie erg laat bekend gemaakt zijn.
Reactie IenW:
Het ministerie beoogt wijzigingen van de regelgeving tijdig met de doelgroep af te stemmen. Zowel de 2PJ ophoging van de subverplichting voor directe inzet van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de sector land, alsook de beperking van ingevoerd ethanol tot niet-gedenatureerde ethanol, zijn wijzigingen die laat in het wetgevingsproces niet door het ministerie, maar door de Staten-Generaal der Tweede Kamer (de wetgever) aan het wetsvoorstel aangebracht zijn.
Prijseffecten ERE’s
Twee indieners van zienswijzen verzoeken om de prijzen van ERE’s te indexeren of een zekere compensatie aan te bieden indien de prijs van ERE’s lager uitvalt dan verwacht.
Reactie IenW:
Het systeem van hernieuwbare energie vervoer is een marktmechanisme waarin de prijzen van ERE’s bepaald worden door vraag en aanbod.
Sector zeevaart: gelijk speelveld
Door enkele partijen is gewezen op het belang van een gelijk speelveld en op gelijktijdige omzetting van de wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie met buurlanden. Daarnaast verzoeken enkele partijen om sector-overstijgende handel in verplichtingen mogelijk te maken.
Reactie IenW:
Deze onderwerpen worden grotendeels geregeld in het Besluit energie vervoer, niet in de Regeling energie vervoer. In lijn met een aangenomen motie van de Kamerleden Van Groningen en Veltman, zullen verschillen met de buurlanden onderwerp van een jaarlijkse evaluatie zijn. Sector-overstijgende handel in verplichtingen is deels mogelijk, omdat jaarverplichting hernieuwbare energie van de sector zeevaart deels mag worden voldaan met ERE’s uit de sectoren land en binnenvaart, net zoals dat ERE’s uit de sector zeevaart gebruikt mogen worden om gedeeltelijk aan de jaarverplichting van de sector binnenvaart te voldoen.
Sector zeevaart: administratieve lasten
Door enkele indieners van zienswijzen is gewezen op de administratieve lasten van de leverancier die zijn gemoeid met de registratie bij ILT en de NEa, alsook met brandstofleveringsnota’s.
Reactie IenW:
Het ministerie probeert om de administratieve lasten van de registratie zoveel mogelijk te beperken. De registratie van de leveranciers is beperkt tot de registratie en het beheer van de bedrijfsnaam en de contactgegevens. Het maken en bewaren van brandstofleveringsnota’s is een verplichting die reeds op de leveranciers brandstoffen aan zeeschepen rust vanuit het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL), met protocollen en bijlagen met aanhangsels. Voor het registreren van een uitdraai van deze brandstofleveringsnota’s haakt de Regeling energie vervoer zoveel mogelijk aan bij deze verplichting en de verplichting vanuit de verordening FuelEU Maritiem.
Sector zeevaart: emissiereductiewaarde
Enkele partijen benadrukken dat het bewijs van duurzaamheid of hernieuwbaarheid (en daarmee de CO2eq-ketenemissiereductiewaarde) niet direct bij de levering van de brandstof beschikbaar is.
Reactie IenW:
Hoewel dit wel een verplichting is vanuit de verordening FuelEU Maritiem en de registratie van brandstofleveringsnota’s een maand na afsluiting van het kwartaal moet gebeuren, heeft het ministerie besloten om de invoer van deze waarden slechts te verlangen bij een inboeking in het Register hernieuwbare energie vervoer van een geleverde brandstof aan de sector zeevaart.
Sector zeevaart: inboeken van T1- en T2-leveringen
Verschillende partijen hebben een zienswijze ingediend over de inboekbeperking van hoeveelheden tot verbruik uitgeslagen brandstoffen aan de sector zeevaart. Sommige partijen steunen de beperking, andere pleiten voor een verruiming naar niet-Uniebunkers.
Reactie IenW:
De keuze om alleen hoeveelheden tot verbruik uitgeslagen brandstoffen aan de sector zeevaart onderwerp van een inboeking te maken, heeft het ministerie gemaakt omdat die beperking aansluit bij de huidige inboekvoorwaarden, waarvan gebleken is dat ze uitvoerbaar en fraudebestendig zijn. De wenselijkheid van een uitbreiding van de inboekbevoegdheid naar geleverde niet-Uniebunkers, zal het ministerie onderzoeken.
Sector zeevaart: energie-inhoud
In de ontwerpregeling is opgenomen dat de onderste verbrandingswaarde van brandstoffen die aan de sector zeevaart geleverd worden, moet worden bepaald met monstername en analyse, omdat ze niet voorkomen in bijlage III van de wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie. Verschillende partijen hebben aangegeven dat dit niet werkbaar is en hebben voorgesteld om gebruik te maken van de standaardwaarden die bijlage II van de verordening FuelEU Maritiem vermeldt.
Reactie IenW:
Het ministerie zal artikel 2 van de Regeling energie vervoer wijzigen, opdat de standaardwaarden voor de onderste verbrandingswaarde gebruik kunnen worden die zijn opgenomen in bijlage II van de verordening FuelEU Maritiem.
Uniedatabank
Verschillende partijen maken zich zorgen over de inwerkingtreding van de Uniedatabank.
Reactie IenW:
Het ministerie deelt deze zorgen. Unierecht verplicht vanaf 2026 het invoeren van de transacties in de Uniedatabank. Vooralsnog hebben de verplichtingen van de systematiek hernieuwbare energie vervoer betrekking op het Register hernieuwbare energie vervoer. Zodra de Uniedatabank voor gebruik geschikt is, zal het ministerie de doelgroep informeren over de verplichtingen die dan gaan gelden.
Gevolgen weigering nul-uitstoot in het emissieverslag ETS-2 en geleverde biobrandstof met A-B-C-afhaaltransacties
Verschillende partijen maken zich zorgen over de mogelijk prijsopdrijvende gevolgen van de weigering van een nul-uitstoot in het emissieverslag in het systeem van verhandelbare emissierechten voor de bebouwde omgeving en vervoer (ETS-2) voor vloeibare biobrandstoffen die met A-B-C-afhaaltransacties met vrachtauto geleverd zijn.
Reactie IenW:
Het ministerie houdt de mogelijke gevolgen van de nieuwe monitoringsbepalingen van ETS-2 op deze vormen van levering en de brandstofmarkt nauwlettend bij. Vooralsnog ziet het ministerie geen reden om de regels van inboeken te wijzigen, maar blijft de situatie volgen. De resultaten van een onderzoek tonen aan dat een mogelijke afname van A-B-C-afhaaltransacties in sommige regio’s met beperkte depotcapaciteit kan leiden tot een toename van marktconcentratie van grote brandstofleveranciers. Dit zou met name nadelige gevolgen hebben voor de positie van kleinere marktpartijen. Ook wijst het onderzoek uit dat de werking van het systeem van hernieuwbare energie vervoer in bepaalde gevallen onder druk kan komen te staan, wat mogelijk gevolgen heeft voor transparantie van, alsook marktwerking en innovatie in de sector. De Ministeries van IenW en KGG blijven de ontwikkelingen volgen en overwegen maatregelen indien daarvoor aanleiding bestaat. In elk geval blijft het ministerie lopende initiatieven steunen, die transparantie en het borgen van duurzaamheid in de brandstofketen beogen te versterken, zoals de Uniedatabank, het productpaspoort en het project Clean Fuel Contracts (een initiatief om inzicht en afspraken binnen de keten te versterken).
Hoewel geen specifiek op het MKB gerichte toets heeft plaatsgevonden, heeft het MKB wel actief deelgenomen aan de verschillende informatiesessies; aan de bijeenkomst in juni 2025, hebben ruim 30 MKB-bedrijven deelgenomen.
De wijziging van het begrippenkader van de Regeling energie vervoer, houdt verband met de leesbaarheid van bijlage 1 (begrip A-B-C-afhaaltransacties), een gewijzigd begrippenkader in de wet en het besluit (hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, de massabalans van biobrandstoffen) en die van de Energiewet (distributiesysteem voor gas) en die van de Regeling garanties van oorsprong (de garantie van oorsprong voor gas uit hernieuwbare bronnen, de garantie van oorsprong voor niet-netlevering voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en de garantie van oorsprong voor niet-netlevering voor gas uit hernieuwbare bronnen), alsook de invoering van een sectorsturing (brandstofleveringsnota).
Artikel 2 is aan de orde wanneer bijlage III van de richtlijn hernieuwbare energie voor de geleverde brandstof, biobrandstof of hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong geen energie-inhoud vermeldt. De wijziging van artikel 2, onderdeel c, verduidelijkt dat de energie-inhoud van geleverde brandstoffen aan de sector zeevaart wordt bepaald met de waarden uit bijlage II van de verordening FuelEU Maritiem. Het bestaande onderdeel c, dat vereist dat het monster, op basis waarvan een daarvoor geaccrediteerd laboratorium de energie-inhoud vaststelt, representatief voor de geleverde brandstof, biobrandstof of hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong moet zijn, wordt neergelegd in onderdeel d. Het nieuwe onderdeel d geeft aan volgens welke normen de monstername en de analyse moet gebeuren en dat accreditatie voor de desbetreffende norm vereist is. De vereiste monstername en analyse door een geaccrediteerde instelling geldt niet voor methylvetzuren (FAME), bioethanol en ETBE.
Deze bepalingen zien op de ontsluiting van informatie die de NEa nodig heeft bij de uitoefening van haar uitvoerende en toezichthoudende taken ten aanzien van de systematiek energie voor vervoer. Het bestaande artikel 3, dat op de informatieverstrekking door de Douane als onderdeel van de Rijksbelastingdienst ziet, verduidelijkt dat het van toepassing is op geleverde brandstoffen aan de sectoren land en binnenvaart. Artikel 3a verschaft de NEa de mogelijkheid om bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat op verzoek informatie te verkrijgen over de doelgroep van de sector binnenvaart, in het bijzonder om informatie te verkrijgen die de Stichting Afvalstoffen en vaardocumenten Binnenvaart bijhoudt. De NEa kan de minister ook benaderen voor de bepaling van de doelgroep van leveranciers tot eindverbruik van de sector zeevaart, alsook voor de soort en hoeveelheid geleverde brandstof, omwille van de bepaling van hun levering tot eindverbruik (van belang bij de berekening van de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer). Deze informatie bevindt zich bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (zie ook artikel 5b (nieuw) van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging).
Dit onderdeel van de wijziging betreft de informatie die een marktdeelnemer in een ander register dan het Register hernieuwbare energie vervoer moet invoeren, te weten de Europees opgezette Uniedatabank. Een marktdeelnemer is een inboeker van een geleverde biobrandstof of een hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, dan wel een gecertifieerde schakel van een (erkend) duurzaamheidsysteem of vrijwillig systeem in de aanvoerketen in Nederland (waaronder producenten van biobrandstoffen of hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong). Volgens het derde lid van het artikel controleert het certificeringsorgaan van het duurzaamheidsysteem of het vrijwillige systeem van de marktdeelnemer de juistheid van door de marktdeelnemer in de Uniedatabank ingevoerde gegevens.
Het bestaande artikel 4, als onderdeel van de paragraaf over de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer, wordt aangepast aan de nieuwe sectorsturing. Het artikel geeft de gegevens weer die de leverancier tot eindgebruik per sector in het Register hernieuwbare energie vervoer moet invoeren.
Volgens het Besluit energie vervoer mogen raffinagereductie-eenheden (RARE’s) worden ingezet tot een bij regeling vast te stellen percentage, om te kunnen voldoen aan het percentage dat minimaal moet worden gerealiseerd in de sectoren land, binnenvaart en zeevaart. Voor de sector land wordt in artikel 5, eerste lid, een aflopend percentage gehanteerd om vorm te geven aan de toezegging aan de Tweede Kamer om een deel van het subverplichting voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong te reserveren voor directe inzet van deze brandstoffen in vervoer. Artikel 5, tweede lid, stelt het percentage vast op honderd procent voor de sectoren binnenvaart en zeevaart.
Artikel 6 is de eerste bepaling van de paragraaf over het inboeken van geleverde hernieuwbare energie vervoer en betreft het inboeken van een geleverde vloeibare biobrandstof.
De wijzigingen zien met name op het vierde lid, dat gebiedt dat de inboeker bij een geleverde standaardbrandstof vermeldt of ze tot verbruik is uitgeslagen of – gebruikmakend van een zogenaamde A-B-C-afhaaltransactie – onder schorsing van betaling van accijns is geleverd. Een standaardbrandstof is volgens bijlage 1 een benzine, een diesel, een gasolie voor mobiele machines (alle als bedoeld in het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging), een brandstof die voldoet aan de EN15940 of een LPG (met inbegrip van LNG). Bij een niet-standaard brandstof moet de inboeker bij zijn inboeking vermelden of de vloeibare biobrandstof in pure vorm of in een mengsel met een fossiele brandstof geleverd is. De gedachte achter het onderscheid tussen standaard en niet-standaard brandstoffen, is dat standaard brandstoffen bij een tankstation of bunkerstation te verkrijgen zijn, in tegenstelling tot niet-standaard brandstoffen die waarschijnlijk een tussenproduct zijn. Voor die brandstoffen gelden bijgevolg strengere vereisten. Deze wijzigingen beogen de controleerbaarheid van inboekingen te vergroten, omdat de inboeking uitsluitend betrekking heeft op de vloeibare biobrandstof. Voor het aantonen van de aanwezigheid van biobrandstof in de geleverde brandstof of het geleverde brandstofmengsel moet de inboeker voldoen aan de vereisten, genoemd in bijlage 2, deel A, van de Regeling energie vervoer.
Onderdeel d van het vierde lid verplicht de inboeker om bij het inboeken van een geleverde bio-ethanol ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aan te tonen dat de bio-ethanol is geproduceerd in de Europese Unie of in de Europese Unie in het vrije verkeer is gebracht, na afdracht van de importheffing voor niet-gedenatureerde ethyl alcohol (GN-code 2207 10 XX). Met deze verplichting wordt alsnog invulling gegeven aan de bedoeling van het – niet in werking getreden – artikel 9.7.4.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet milieubeheer, zoals vastgesteld bij amendement Veltman/Van Groningen7. Met deze bepaling wordt verduidelijkt welke bio-ethanol als vloeibare biobrandstof kan meetellen voor de jaarverplichting hernieuwbare energie in vervoer. Met de bepaling wordt voorkomen dat bio-ethanol die tegen gunstigere voorwaarden van buiten de EU is ingevoerd, kan meetellen voor de jaarverplichting hernieuwbare energie in vervoer. Dit zorgt voor een gelijk speelveld voor Nederlandse en Europese producenten van bio-ethanol.
Voor zover een hoeveelheid vloeibare biobrandstof in een brandstof dan wel aan een bestemming is geleverd die bijlage 1 niet vermeldt, of indien de brandstof tot verbruik is uitgeslagen of onder schorsing van betaling van accijns is geleverd in een geval dat bijlage 1 niet opsomt, vindt volgens het vijfde lid geen levering aan de Nederlandse markt voor vervoer plaats en is inboeken bijgevolg niet toegestaan.
De wijzigingen van artikel 8 over het inboeken van een geleverde vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, zijn vergelijkbaar aan de wijzigingen die voor het inboeken van een geleverde vloeibare biobrandstof gelden, met dien verstande dat het aantonen van de fysieke werkelijkheid ziet op de brandstof die de inboeker onderwerp van zijn inboeking maakt, voor zover die brandstof een bestanddeel van een geleverd brandstofmengsel is. Indien bijvoorbeeld een inboeker de hoeveelheid methanol als een bestanddeel van een geleverde benzine (als bedoeld in het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging) inboekt, dan moet hij aantonen dat zich ten minste ter grootte van de inboeking een hoeveelheid methanol in de geleverde benzine bevond. Deze verplichting is neergelegd in bijlage 2, deel B, van de gewijzigde Regeling energie vervoer.
Dit artikel is vervallen omdat inboeking van boekhoudkundig vergroend en geleverd vloeibaar gemaakt aardgas (LNG) niet langer toegestaan is (zie paragraaf 2.3).
Dit betreft een wijziging van wetstechnische aard.
Artikel 8a bevat bepalingen over het inboeken van een geleverde hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong. Het artikel maakt een onderscheid tussen de inboeker met een waterstofvulstation en de inboeker die met een container waterstof aan een binnenschip of een zeeschip levert. De regel is dat de inboeker gecertificeerd is door een vrijwillig systeem, tenzij de inboeker geen waterstof op zijn vulstation vervaardigt, in welk geval hij met het bewijs van hernieuwbaarheid de hernieuwbaarheid van de geleverde waterstof bewijst dat hij van zijn toeleverancier van waterstof heeft ontvangen.
Artikel 9 betreft het inboeken van geleverde elektriciteit. De eerste drie leden van het artikel bepalen per situatie op welke wijze de hoeveelheid geleverde elektriciteit bepaald moet worden. In de regel wordt die hoeveelheid door de meter van het bemeterde leverpunt bepaald. Een meter die geen onderdeel van het leverpunt is, mag derhalve niet gebruikt worden bij het bepalen van de hoeveelheid geleverde elektriciteit die ingeboekt wordt.
De elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die de onderneming op haar adres met behulp van een directe lijn geleverd krijgt, mag niet afkomstig zijn van biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties of biogas en moet bovendien boekhoudkundig vergroend worden met garanties van oorsprong niet-netlevering van duurzame elektriciteit die door de Minister voor Klimaat en Groene Groei voor die directe lijn uitgegeven zijn. De inboeker mag evenveel geleverde elektriciteit uit hernieuwbare bronnen inboeken, als de hoeveelheid die hij boekhoudkundig vergroent met garanties van oorsprong niet-netlevering van duurzame elektriciteit.
Ten overvloede verduidelijken het eerste en derde lid dat een hoeveelheid vanuit een voertuig of een vaartuig aan het adres terug geleverde elektriciteit niet ingeboekt mag worden (en bijgevolg afgetrokken moet worden van de hoeveelheid met het bemeterde leverpunt geleverde elektriciteit).
Het vijfde en zesde lid geven de minimale hoeveelheid in te boeken elektriciteit weer om in aanmerking te kunnen komen voor een rekening met een inboekfaciliteit, met als doel het aantal rekeningen in het Register hernieuwbare energie vervoer te beperken. Het vijfde lid geeft de drempelwaarde voor opening van een rekening met een inboekfaciliteit weer. Een onderneming komt in aanmerking voor een dergelijke rekening openen wanneer ze meer dan 2 miljoen kWh aan geleverde elektriciteit inboekt. De ondergrens geldt niet voor een rekeninghouder die over een rekening met een inboekfaciliteit beschikt voor het inboeken van een andere soort geleverde hernieuwbare energie vervoer dan elektriciteit. Voor de onderneming die als inboekdienstverlener hoeveelheden door een andere onderneming geleverde, dan wel door een natuurlijke persoon afgenomen elektriciteit inboekt, geldt volgens het zesde lid een alternatieve drempelwaarde in de vorm van 200 machtigingen.
Het achtste lid stelt voorwaarden aan de (digitale) machtiging waarover de inboekdienstverlener moet beschikken indien hij door een rechtspersoon geleverde of door een natuurlijke persoon afgenomen elektriciteit wil inboeken. Van belang is dat de machtiging voor een periode van ten minste een kalenderjaar of een veelvoud daarvan is afgegeven; een machtiging voor anderhalf jaar is dus niet toegestaan. Dezelfde onderneming of natuurlijke persoon, die op dezelfde locatie (met dezelfde aansluiting) elektriciteit levert onderscheidenlijk afneemt, mag gedurende een kalenderjaar derhalve niet van de diensten van meerdere inboekdienstverleners gebruik maken (om dubbele inboekingen te voorkomen). Ten overvloede geldt dat het begrip inboekdienstverlener zich verzet tegen het inboeken als inboekdienstverlener van hoeveelheden elektriciteit die hijzelf geleverd heeft; daarvoor moet hij ofwel een eigen rekening aanvragen, dan wel zich tot een andere inboekdienstverlener richten.
Het is belangrijk dat de inboeker van een geleverde hoeveelheid vloeibare biobrandstof of een vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong elk kwartaal zijn voorraadverloop controleert, van beginvoorraad tot eindvoorraad, voor een juiste verantwoording van de ingeboekte hoeveelheid hernieuwbare energie. Ter ondersteuning van deze controle dient de inboeker ook gebruik te maken van zijn overige bedrijfsadministratie, zoals de in- en verkoopboekhouding.
Dit betreft een wijziging van wetstechnische aard.
Dit betreft een wijziging van wetstechnische aard.
Een gevolg van de overgang van energiesturing naar CO2eq-ketenemissiesturing, is dat binnen de systematiek hernieuwbare energie vervoer de dubbeltelling van biobrandstoffen uit grondstoffen in bijlage IX, deel A en bijlage IX, deel B, van de richtlijn hernieuwbare energie wordt afgeschaft (zie ook paragraaf 2.5). Dit kan leiden tot een verhoogd gebruik van grondstoffen in categorie-overig, waarvan CO2-ketenemissie laag is, maar die volgens de afvalhiërarchie een hogere toepassing kennen, wat tot marktverstoring kan leiden. Deze marktverstoring vertaalt zich in een stijgende inzet van de grondstof voor biobrandstofproductie, maar in een dalende inzet van de grondstof voor de hogere toepassing.
Van alle grondstoffen die momenteel in het Register hernieuwbare energie staan, geldt alleen voor dierlijk vet categorie 3 een verhoogd risico op marktverstoring bij de overgang naar de nieuwe systematiek. Dit risico op marktverstoring wordt versterkt omdat de inboeking van een geleverde biobrandstof uit dierlijke vet categorie 3 tot de bijschrijving van een ERE-overig leidt, waarvoor bij het voldoen aan de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer geen limiet geldt, terwijl de inboeking van een biobrandstof uit categorie 1 en 2 vetten de bijschrijving van een ERE-bijlage IX-B tot gevolg heeft, waarvoor wel een grenswaarde bestaat. Artikel 14 voert voor dierlijk vet categorie 3 geldt derhalve een correctiefactor 0,5 in, om het verhoogd risico op marktverstoring te verkleinen.
Met de uitbreiding van de systematiek hernieuwbare energie vervoer naar de sectoren binnenvaart en zeevaart, is van belang dat de volledigheid van de gegevens over de geleverde brandstoffen door de leverancier tot eindverbruik gecontroleerd worden. Hiervoor voert de systematiek hernieuwbare energie vervoer de verificatie levering tot eindverbruik in. Artikel 15 somt de werkzaamheden van en aandachtspunten voor de verificateur bij deze controle op, terwijl het in bijlage 6 vereisten aan de verificatieverklaring stelt.
Een inboeker van geleverd bioLPG of bioLNG, die zijn biobrandstof koopt van een productielocatie in het buitenland, is volgens de systematiek hernieuwbare energie vervoer verplicht om eerst aan te tonen dat zich in de geleverde biobrandstof een hoeveelheid biobrandstof ter grootte van de inboeking bevond, om vervolgens haar duurzaamheid te bewijzen. Indien de bioLPG of bioLNG (met behulp van met een oplegger verplaatsbare opslagtank of een tankauto) direct aan de Nederlandse markt voor vervoer levert, dan zou dat betekenen dat het aantonen moet gebeuren door een monstername van de desbetreffende opslagtank of tankauto, hetgeen omslachtig en niet ongevaarlijk is. Daarom voert de systematiek hernieuwbare energie vervoer de verificatie biomassa in, een verificatie die op de productielocatie van de biobrandstof gebeurt, alwaar de (met behulp van met een oplegger verplaatsbare) opslagtanks of tankauto met bioLPG of bioLNG gevuld worden.
Indien de (met behulp van met een oplegger verplaatsbare) opslagtanks of tankauto met bioLPG of bioLNG niet aan een vulstation in Nederland, maar aan een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën ter bewerking geleverd worden, kan de verificatieverklaring biomassa door de inboeker gebruikt worden om de aard en hoeveelheid van de (direct van de productielocatie in het buitenland ontvangen) bioLPG of bioLNG aan te tonen, mits hij de vereisten van bijlage 2, deel A, onderdeel 3, in acht neemt (en met een betrouwbare overpomp- en opslagboekhouding van de locatie, de herleidbaarheid van de hoeveelheid door de inboeker aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverde biobrandstof tot de hoeveelheid van zijn toeleverancier ontvangen biobrandstof kan aantonen). Doet hij dat niet, dan kan hij de verificateur biomassa dezelfde controle bij de desbetreffende locatie van de inboeker in Nederland laten doen die hij bij de productielocatie van biobrandstof in het buitenland zou doen.
Artikel 16 somt de werkzaamheden van en aandachtspunten voor de verificateur bij deze controle op, terwijl het in bijlage 7 vereisten aan de verificatieverklaring stelt. Van belang is dat, anders dan de voormalige dubbeltellingverklaring, een splitsing van de verificatieverklaring biomassa niet is toegestaan. Dit houdt verband met het feit dat de keten slechts uit twee schakels bestaat en dat de regelgeving voorkomt dat de verklaring wordt gebruikt door een ander partij dan de ontvanger van de verklaring. Van belang is dat een verband moet bestaan tussen de hoeveelheid bioLPG (of bioLNG) waarop de verificatieverklaring betrekking heeft en de hoeveel bioLPG (of bioLNG) die met een oplegger verplaatsbare opslagtank of tankauto wordt geleverd aan het vulstation.
Dit betreffen wijzigingen van wetstechnische aard.
Artikel 20 somt in het eerste en tweede lid de aanvullende gegevens op die een aanvrager van een rekening met een inboekfaciliteit aan de NEa moet verstrekken. De bepalingen zijn geactualiseerd en aangevuld met de gegevens die een aanvrager van een rekening met een inboekfaciliteit voor vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong moet aanleveren.
Bij de aanvraag van een rekening met een inboekfaciliteit voor elektriciteit, is een verknoping van hoedanigheden niet toegestaan. De toetsing van de aanvraag gebeurt per hoedanigheid en, indien aan de aanvrager aan de voorwaarden voldoet, tot de opening van een eigen rekening leidt. Voor de opening van een dergelijke rekening gelden immers deels andere criteria. Zo behoeft de inboekdienstverlener niet aan het criterium van aangeslotene te voldoen en geldt het criterium van het aantal machtigingen niet voor de inboeker op eigen titel. Daarbij komt dat alle leveringen op dezelfde rekening bijgeschreven zouden worden, wat boekhoudkundige verwarring oproept en de bepalingen van de inboekverificatie verschillen al naar gelang de hoedanigheid van de ondernemer. Een verknoping van beide rekeningen ondermijnt de gedachte van de drempelwaarde, die per hoedanigheid moet gelden; de facto kan de inboekdienstverlener dan zijn eigen leveringen inboeken.
Het derde lid van artikel 20 heeft betrekking op de aanvrager van een rekening met alleen een overboekfaciliteit. In dit geval betreft het de onderneming die bedrijfsmatig handelt in energiederivaten, broeikasgasemissierechten of emissiereductie-eenheden en deze activiteit als hoofdactiviteit uitvoert. Dit verzekert een professionele aanpak van de handel in emissiereductie-eenheden.
De bepaling over het openen door de NEa van een rekening in het Register hernieuwbare energie vervoer, beoogt de werkdruk van de NEa te verlagen, die met name aan het einde van een kalenderjaar optreedt. Om aan de werkdruk van de NEa tegemoet te komen, verschaft een aanvulling van het tweede lid de NEa de mogelijkheid om de termijn, waarbinnen ze (na de ontvangst en controle van alle benodigde gegevens) de rekening opent, met een periode van 20 werkdagen te verlengen.
Daarnaast bepaalt het nieuwe vierde lid dat de NEa aanvragen voor een rekening met een inboekfaciliteit, die de aanvrager wil gebruiken voor het desbetreffende kalenderjaar, tot 15 december van een kalenderjaar in behandeling neemt. De reden hiervoor is dat de controle op aanvragen van rekeningen met een inboekfaciliteit (zowel voor vloeibare en gasvormige brandstoffen als elektriciteit) navraag vergen bij externe partijen over de tenaamstelling van vergunningen (vergunningen accijnsgoederenplaats voor minerale oliën of EAN van aansluitingen). De NEa heeft geen invloed op de termijn waarop deze externe partijen aan de NEa de gevraagde gegevens verstrekken, terwijl ze voor de goedkeuring van de rekeningaanvraag wel afhankelijk van hun antwoord is. Om ondernemingen zekerheid te verschaffen dat de rekening tijdig wordt geopend, opdat zij hun geleverde hoeveelheid hernieuwbare energie aan vervoer kunnen inboeken voor de uiterste datum van 1 maart van het volgende kalenderjaar, is de uiterste datum om een rekening met inboekfaciliteit aan te vragen 15 december van het kalenderjaar waarover de inboeker geleverde hernieuwbare energie aan vervoer wenst in te boeken.
Dit betreft een wijziging van wetstechnische aard.
Voor de opening en het gebruik van een rekening met een overboekfaciliteit, bepaalt dit nieuwe artikel dat de onderneming per kalenderjaar een vergoeding van € 400 verschuldigd is. Deze kosten zijn even hoog als de vergoeding die de NEa op grond van artikel 51 van de Regeling handel in emissierechten vraagt voor het openen en het onderhouden van een persoonstegoed- of handelsrekening als bedoeld in artikel 16 van de Verordening EU-register handel in emissierechten of een Kyotorekening. De hoogte van de vergoeding is voor die registers in 2017 vastgesteld en wordt dit jaar opnieuw beoordeeld, tezamen met de vergoeding voor de opening en het onderhouden van een rekening met een overboekfaciliteit in het Register hernieuwbare energie vervoer.
Dit betreft een wijziging van wetstechnische aard.
De wijziging van artikel 25, de bepaling over de periodieke overzichten van de NEa over het aantal per soort en sector beschikbare emissiereductie-eenheden, beoogt de tijdstippen van de overzichten aan te passen aan de gewijzigde termijnen die in titel 9.7 van de gewijzigde Wet milieubeheer gesteld zijn.
De wijziging in het eerste lid sluit aan bij de bewoording van artikel 9.7.6.2, eerste lid, van de wet, en verduidelijkt dat de massabalans van biobrandstoffen wordt gevoerd. De wijziging in het tweede lid is van wetstechnische aard.
Voor de producent van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, bedoeld in het derde en vierde lid, geldt dat hij over een administratieve organisatie met maatregelen van interne beheersing en controle te beschikken, die in opzet en werking waarborgen dat hij op goede wijze verantwoording kan afleggen over de hoeveelheid gebruikte energie uit hernieuwbare bronnen voor de vervaardiging van de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, over de juiste verhouding tussen de hoeveelheid gebruikte energie uit hernieuwbare bronnen en de soort en hoeveelheid vervaardigde hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, als ook over de hoeveelheid per afnemer en soort geleverde hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong. Indien de producent uit elektriciteit uit hernieuwbare bronnen waterstof vervaardigt, dan moet hij aantonen dat de elektriciteit uit hernieuwbare bronnen afkomstig is (hiervoor dient de producent de Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1184 van de Commissie van 10 februari 2023 inzake gedetailleerde regels voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in acht te nemen) en een massabalans van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong over de waterstof te voeren. Een producent die uit waterstof methanol vervaardigt, moet zowel een massabalans van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong over de waterstof als over methanol voeren.
Artikel 25b bevat vereisten aan het voeren van een massabalans van biobrandstoffen door een gecertificeerde schakel van een duurzaamheidsysteem, alsook van een massabalans van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong per soort brandstof door een gecertificeerde schakel van een vrijwillig systeem. De wijziging verduidelijkt het verband tussen de massabalans, de bedrijfsadministratie en de fysieke hoeveelheid van de desbetreffende grondstoffen voor een biobrandstof, biobrandstoffen of soort hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong op de opslaglocatie en bepaalt wat de gecertificeerde schakel bij een verschil tussen de fysieke hoeveelheid op de opslaglocatie enerzijds en de voorraad volgens zijn bedrijfsadministratie en massabalans moet doen.
Deze wijziging is noodzakelijk om het toezicht op de naleving door de NEa van de verplichting tot goed massabalansbeheer te verbeteren. In de praktijk blijkt dat bedrijven uiteenlopende en slecht ingerichte systemen gebruiken, waardoor de koppeling tussen bewijzen van duurzaamheid en die van hernieuwbaarheid met de fysieke leveringen niet altijd goed herleidbaar is. Dit bemoeilijkt het toezicht en vergroot het risico op fouten en fraude. De opgenomen vereisten zijn in lijn met Unierechtelijke bepalingen op het gebied van massabalansbeheer. Ze beogen een goede koppeling tot stand te brengen tussen bewijzen van duurzaamheid en die van hernieuwbaarheid met de fysieke leveringen, alsmede het bevorderen van de herleidbaarheid, het verkleinen van de ruimte voor misbruik en het vergemakkelijken van toezicht
Dit artikel bevat de omschrijving van begrip ‘bewijs van hernieuwbaarheid’.
Dit artikel is vergelijkbaar met artikel 2, met regels over het aantonen van de energie-inhoud van – onder andere – geleverde hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong. De raffinaderijhouder die een hoeveelheid geleverde hernieuwbare energie inboekt, in de vorm van hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, gebruikt als tussenproduct voor de productie van een conventionele vervoersbrandstof of van een biobrandstof, waarvoor in bijlage III van de richtlijn hernieuwbare energie geen energie-inhoud is vastgelegd, dient daarvan de energie-inhoud ten genoegen van de NEa aan te tonen. De monstername moet volgens EN ISO 3170 of EN ISO 3171 gebeuren, door een instelling die volgens een nationaal accreditatie-instituut zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 voor die norm is geaccrediteerd. De analyse gebeurt onder ISO-/IEC 17025 accreditatie, verleend door een nationaal accreditatie-instituut zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008.
Artikel 28 somt de voorwaarden op voor de inboeking door een raffinaderijhouder van een gebruikte hoeveelheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong bij de productie van een conventionele vervoersbrandstof of een biobrandstof. De hoeveelheid in te boeken hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong is de fysieke hoeveelheid in liters bij een temperatuur van 15°C of kilogram die blijkt uit de meter en de bedrijfsadministratie van de raffinaderij. Voor de ingeboekte hoeveelheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong stelt de raffinaderijhouder op basis van zijn massabalans en desbetreffende soort brandstof een bewijs van hernieuwbaarheid ten behoeve van het bestuur van de NEa op. In het geval de raffinaderijhouder de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong gebruikt voor de vervaardiging van een biobrandstof, mag de verwezenlijkte broeikasgasemissiereductie niet meetellen bij de berekening van de broeikasgasemissiereducties van de biobrandstoffen. Bijlage 8a somt de gegevens op die de raffinaderijhouder bij zijn inboeking van een gebruikte hoeveelheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong bij de productie van een conventionele vervoersbrandstof of een biobrandstof moet vermelden.
De verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen heeft een vergelijkbare taak als de inboekverificateur van hernieuwbare energie vervoer (zie artikel 17), als het gaat om het opstellen van verificatieverklaringen en het beheren daarvan in het register. In bijlage 8b zijn de activiteiten opgenomen die de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen moet uitvoeren voor het opstellen van zijn verificatieverklaringen en de vereisten waaraan de verificatieverklaring moet voldoen.
Deze nieuwe artikelen bevatten de bepalingen voor de werking van het Register raffinagereductie-eenheden. Deze artikelen zijn vergelijkbaar met de artikelen 18 tot en met 24 over het Register hernieuwbare energie vervoer.
Het nieuwe artikel geeft invulling aan de verplichting in artikel 9.8.3.4 van de Wet milieubeheer voor de NEa om te rapporteren over de hoeveelheid beschikbare raffinagereductie-eenheden. Deze invulling is een spiegeling van de rapportages in artikel 25.
Bijlage 1 van de Regeling energie vervoer is een uitwerking van artikelen 6 en 8, de artikelen die bepalingen bevatten over het inboeken van een geleverde vloeibare biobrandstof onderscheidenlijk een geleverde vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong. De bijlage is opgedeeld in sectoren en bepaalt de voorwaarden voor het leveren van standaard en niet-standaard brandstoffen aan de Nederlandse markt voor vervoer. Indien bijlage 1 een brandstof of een levering niet weergeeft, dan is een inboeking niet toegestaan. Naast de opdeling in sectoren, heeft de bijlage ook een brandstofnorm voor LPG (EN589) en LNG (ISO13686) opgenomen.
Bijlage 2 bevat bepalingen over het aantonen van de fysieke werkelijkheid en bestaat uit twee delen. Deel A ziet op het aantonen van een hoeveelheid biobrandstof, dat op twee manieren mag gebeuren en voor bioLPG en bioLNG de verificatie biomassa toestaat. Voor het aantonen van de fysieke hoeveelheid biobrandstof door monstername en analyse, gelden dezelfde voorwaarden als artikel 2 voor het bepalen van de energie-inhoud stelt, met dien verstande dat de analyse moet gebeuren met behulp van een erkende methode die bestemd is voor het vaststellen van de aanwezigheid van een biobrandstof. Daarnaast beschrijft de bijlage de voorwaarden voor het aantonen van de fysieke hoeveelheid biobrandstof door middel van een betrouwbare overpomp- en opslagboekhouding, waarvoor geldt dat een aantoonbaar verband tussen de hoeveelheid van zijn toeleverancier ontvangen biobrandstof met de hoeveelheid door de inboeker aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverde biobrandstof moet bestaan.
Deel B van bijlage 2 verlangt dat de inboeker, die een vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong als een onderdeel van een mengsel met fossiele brandstof levert, de hoeveelheid van de desbetreffende vloeibare brandstof in de geleverde brandstof met behulp van een monstername en analyse aantoont.
Op grond van een wijziging in bijlage 3 moeten ondernemingen bij het inboeken van een geleverde soort hernieuwbare energie vervoer de opgedeelde broeikasgasprestatie aanleveren, in plaats van alleen de totaalwaarde (onderdelen 2l en 3b, sub 7). Deze gegevens zijn dienstbaar aan het toezicht van de NEa. Hetzelfde geldt voor de verplichte invoer van het land van herkomst van de grondstof(fen) en biobrandstof (onderdelen 2i, 2j en 3b, sub 6). Met de overgang van een energiesturing naar een ketenemissiesturing, wordt de broeikasgasemissie een nieuwe parameter in het Register hernieuwbare energie vervoer (onderdelen 2k, 3b, sub 9, 4h, en 5f). In de nieuwe systematiek hernieuwbare energie vervoer is deze waarde leidend voor het aantal bij te schrijven ERE’s. Het register berekent de broeikasgasemissie in gCO2eq/MJ overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie. De fossiele referentie voor vloeibare en gasvormige brandstoffen, is 94 gCO2eq/MJ en voor elektriciteit 183 gCO2eq/MJ.
Een aantal grondstoffen in bijlage 5 is aangepast, zodat ze in lijn zijn met bijlage IV uit de Uitvoeringsverordening (EU) 2022/996. Het uitgangspunt hiervoor is om een gelijker speelveld met de rest van de EU te verkrijgen op het gebied van grondstoffen. Dit bewerkstelligt dat Nederlandse biobrandstofproducenten niet benadeeld worden ten opzichte van concurrenten in andere lidstaten. Daarnaast vergemakkelijkt het gelijke speelveld de positie van producenten die in zowel Nederland als andere EU-lidstaten werken, opdat ze niet verschillende grondstoffencriteria hoeven te volgen. De aangepaste grondstoffen voldoen alsnog aan de Nederlandse duurzaamheidstandaarden. Het verwijderen van grondstoffen betekent overigens niet dat ze niet langer inboekbaar zijn.
De omschrijving van ‘residu van FAME einddestillatie (Residue of FAME end destillation)’ is aangepast, met als gevolg dat het residu niet alleen grondstoffen uit bijlage IX, deel B, van de richtlijn hernieuwbare energie vervaardigd mag zijn, maar ook uit grondstoffen uit bijlage IX, deel A, van de richtlijn geproduceerd mag zijn. Hierdoor mag het residu van FAME einddestillatie, geproduceerd uit grondstoffen uit bijlage IX, deel A, van de richtlijn ook aan de sector zeevaart geleverd worden. Omwille van de transparantie van de gebruikte grondstoffen, moet het bewijs van duurzaamheid de oorspronkelijke grondstof vermelden, waarmee het residu van FAME einddestillatie is vervaardigd.
De bijlage over de inboekverificatie is aangepast aan de CO2eq-ketenemissiesturing van de nieuwe systematiek hernieuwbare energie vervoer en is aangevuld met bepalingen over de verificatie van inboekingen door inboekdienstverleners. Om de uitvoering hiervan te vereenvoudigen, verlangt de bijlage geen verificatieverslag per klant, maar volstaat verificatieverslag per inboekdienstverlener. Dat betekent ook dat de inboekverificateur de locaties waar de klanten elektriciteit geleverd of afgenomen hebben, steekproefsgewijs en op basis van risico-analyse bezoekt. De verificateur controleert op de locatie van de inboekdienstverlener de aanwezigheid en juistheid van de administratie en machtigingen, zoals dat nu ook gebeurt bij ondernemingen die elektriciteit inboeken.
Deze wijziging van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging komt voort uit het nieuwe artikel 3.3, derde en vierde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging. Artikel 5a bevat de verplichting voor leveranciers van brandstoffen aan zeeschepen om zich te registreren bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De bepaling somt de gegevens op die nodig zijn voor registratie en bepaalt wanneer de registratie of een wijziging aan de orde is.
Dit artikel bepaalt dat de leveranciers van brandstoffen aan zeeschepen binnen een maand na de afsluiting van elk kwartaal een afschrift van de brandstofleveringsnota’s met bijlagen van alle leveringen aan de zeevaart in Nederland in het voorgaande kwartaal aan de ILT verschaft. De afschriften van de brandstofleveringsnota’s moeten zijn vergezeld van een overzicht, waarin voor elke brandstoflevering, met vermelding van het unieke nummer van de brandstofleveringsnota, die de informatie verschaft die aanhangsel V van bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL) verlangt, met inbegrip van de samenstelling van de brandstoflevering en de ISO 8217-brandstofklassen.
Deze regeling treedt tegelijkertijd met de wijzigingswet ter implementatie van de RED III in werking, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. Op hetzelfde moment zal ook de wijziging van het Besluit energie vervoer ter implementatie van de RED III in werking treden, eveneens met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. Naar verwachting zal hierdoor wordt afgeweken van het systeem van de vaste verandermomenten, op grond van Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder d, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Hiervoor is gekozen omdat implementatie van de RED III zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Tevens zorgt inwerkingtreding van deze regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 voor een ononderbroken overgang van de oude naar de nieuwe wettelijke systematiek, gekoppeld aan vastgestelde jaarpercentages die met ingang van kalenderjaar 2026 een uitdrukking zijn van die nieuwe regelgeving.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.W.H. Bertram
De wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie ziet – naast bepalingen op het gebied van de sector vervoer – ook op bepalingen op het gebied van hernieuwbare energie voor de sector elektriciteit en de verwarmings- en koelingssector. Laatstgenoemde bepalingen vormen echter geen onderdeel van onderhavige wijzigingsregeling, maar zullen onder verantwoordelijkheid van de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in de desbetreffende wet- en regelgeving worden omgezet. In onderstaande implementatietabel is wel zoveel als mogelijk voor alle bepalingen van de wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie (Richtlijn (EU) 2023/2413) aangegeven hoe deze worden omgezet. De bepalingen die van toepassing zijn op de sector vervoer zijn terug te vinden in de tabel vanaf artikel 25 e.v. van de wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie.
|
Artikel, -lid of -onderdeel EU-regeling |
Bepaling in implementatieregeling of in bestaande regelgeving; toelichting indien niet geïmplementeerd of uit zijn aard geen implementatie behoeft |
Omschrijving invulling beleidsruimte |
|---|---|---|
|
Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2018/2001 |
||
|
Artikel 2 |
||
|
Punt 1 (energie uit hernieuwbare bronnen) |
Reeds geïmplementeerd in artikel 9.7.1.1 Wet milieubeheer (definitie hernieuwbare energie) |
|
|
Punt 4 (bruto-eindverbruik van energie) |
Implementatie door feitelijk handelen. Lidstaten stellen nationale bijdrage vast. Zie INEK, paragraaf 2.1.2, onderdeel i, en voor de voortgang KEV. |
|
|
Punt 22bis (hernieuwbare brandstoffen) |
Geïmplementeerd via definities van biobrandstof en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in art. 9.7.1.1 Wet milieubeheer |
|
|
Punt 36 (hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong) |
Geïmplementeerd in artikel 9.7.1.1 Wet milieubeheer (definitie hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong) |
|
|
Artikel 3 |
||
|
Lid 1, eerste alinea |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. Lidstaten stellen nationale bijdragen vast. Bereiken van het doel van 42,5% wordt meegenomen in Integraal Nationaal Klimaat- en Energieplan (hierna: INEK) en via monitoringscyclus, in de Klimaat en Energie Verkenning (hierna: KEV) en in de jaarlijkse klimaat- en energienota. |
|
|
Lid 1, eerste lid, tweede alinea |
Implementatie wordt vormgegeven via feitelijk handelen. Streefcijfer van 45% wordt meegenomen in INEK nadat EC de INEK updates heeft geïnventariseerd. Er wordt gewerkt aan een rekenmethodiek. |
|
|
Lid 1, eerste lid, derde alinea |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. Er wordt gewerkt aan een rekenmethodiek. |
|
|
Lid 3 |
Implementatie in steunregelingen biomassa |
Mogelijkheden tot nemen van extra criteria: geen gebruik van gemaakt. Dit blijkt uit de voorwaarden die worden gesteld in (subsidie)regelingen, zoals de SDE++. |
|
Lid 3 bis |
Implementatie in steunregelingen biomassa, er moet voldaan worden aan de eisen uit artikel 3 waarbij er niet wordt afgeweken van de voorwaarden. |
Er is voor gekozen om niet af te wijken van het beginsel van het cascaderend gebruik van biomassa. |
|
Lid 3 ter |
Implementatie niet nodig, omdat ervoor is gekozen om niet af te wijken van cascaderend gebruik biomassa. |
|
|
Lid 3 quater |
Implementatie in steunregelingen biomassa. Wordt als eis opgenomen in de Aanwijzingsregeling categorieën stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie 2025. |
|
|
Lid 3 quinquies |
Implementatie in steunregelingen biomassa. |
|
|
Lid 4 bis |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
Artikel 7 |
||
|
Lid 1 Lid 2 Lid 4 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. Betreft rekenregels (ook via toepassing van artikel 7, zesde lid, Richtlijn (EU) 2018/2001), in afstemming met CBS, PBL en TNO. |
|
|
Artikel 9 |
||
|
Lid 1 bis |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. Invulling en aantal gezamenlijke projecten aan LS. |
|
|
Lid 7 bis |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
Er wordt (voorlopig) geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hernieuwbare-energiegemeenschappen op te nemen in gezamenlijke projecten voor hernieuwbare offshore-energie. |
|
Artikel 15 |
||
|
Lid 1 |
Implementatie door onderstaande artikelen. |
|
|
Lid 2 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen en door eisen op te nemen in aanbestedingsprocedures en steunregelingen. |
|
|
Lid 2 bis Lid 3 Lid 8 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen |
|
|
Lid 9 |
Dit artikellid richt zich tot de Europese Commissie en behoeft om die reden geen implementatie. |
|
|
Artikel 15 bis |
||
|
Lid 1 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijke handelen en vraagt vaststelling streefcijfer voor gebouwde omgeving en rapportageverplichting aan EC. Streefcijfer wordt meegenomen in INEK 2024 en voorgenomen is aan te sluiten bij indicatiefscijfer van EU van 49% hernieuwbare energie. |
|
|
Lid 2 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen en rapportageverplichting aan EC. Keuzemogelijkheid voor wel of niet meenemen restwarmte. |
De keuze om restwarmte en -koude mee te nemen wordt momenteel onderzocht. In de INEK 2027 update zal de keuze richting de EC worden gecommuniceerd. |
|
Lid 3 |
Implementatie wordt deels vormgegeven door feitelijk handelen en deels wordt het Bbl hierop aangepast (artikel 5.20 en als gevolg daarvan een wijziging in tabel 5.8). |
|
|
Lid 4 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen (voorbeeldfunctie zon op daken van publieke gebouwen). |
|
|
Lid 5 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
Wordt uitvoering gegeven aan de kan-bepaling, door bijvoorbeeld participatiecoalitie Regionale Energie Strategieën. |
|
Lid 6 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
NL geeft al uitvoering aan deze kan-bepaling. Voorbeelden: SDE+++ Salderingsregeling ISDE SVVE SCE Innovatiesubsidies Nationaal Warmtefonds Verbeteren benutten hypotheek voor het financieren van verduurzamingsmaatregelen Verbeter Je Huis Platform Convenant Verduurzaming Koopketen |
|
Artikel 15 ter |
||
|
Lid 1 |
Implementatie wordt vormgegeven door een overzicht van bestaande (ruimtelijke) plannen voor het bereiken van de doelstelling voor hernieuwbare energie Uiterlijk op 21 mei 2025 aan te voldoen. |
|
|
Lid 2 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
Lid 3 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
Lid 4 |
||
|
Artikel 15 quater |
||
|
Lid 1 |
Implementatie door aanvulling van artikel 2.21 van de Omgevingswet (de Minister van KGG wijst gebieden aan in de Omgevingsregeling) en een nieuw artikel 2.47: de Minister, gemeenten en provincies kunnen gebieden aanwijzen voor het opwekken van hernieuwbare energie en voor infrastructuurgebieden. De genoemde artikelen zijn ook van toepassing op de Noordzee. Bij amvb wordt geregeld in welke gevallen welk bestuursorgaan aanwijst. Eerste lid, onder a: Bij amvb wordt geregeld aan welke eisen de gekozen gebieden moeten voldoen. Eerste lid, onder b: In de artikelen 3.6, 3.8 en 3.9 van de Omgevingswet wordt bepaald dat het bestuursorgaan dat een gebied heeft aangewezen voor dat gebied een plan moet vaststellen met daarin mitigerende maatregelen. Bij amvb wordt geregeld aan welke eisen het plan moet voldoen. Bij amvb wordt geregeld dat proefprojecten kunnen worden uitgevoerd en dat de keuze van het gebied moet worden gemotiveerd. |
|
|
Lid 2 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. Nationale regelgeving voldoet, geen nadere implementatie nodig. Bestaande regelgeving: Artikel 16.36 Omgevingswet: PlanMER Artikel 16.53c Omgevingswet: passende beoordeling. |
|
|
Lid 3 |
Openbaar maken van het plan is al geregeld in artikel 16.77b Ow en artikel 3.42 Awb, artikelen 5 en 6 Bekendmakingswet. Openbaar maken van het aanwijzen van het gebied in het Omgevingsplan, de Omgevingsverordening en de Omgevingsregeling: artikel 3:42 Awb en artikelen 5 en 6 Bekendmakingswet. Verder wordt implementatie vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
Lid 4 |
Vaststellen gebieden voor versnelde uitrol waar al een planMER is uitgevoerd voor 21 mei 2024. Nederland maakt geen gebruik van deze mogelijkheid, aangezien dit weinig versnelling brengt en wel veel aanpassingen in bestaande procedures vraagt. |
|
|
Lid 5 |
Verwezen wordt naar het gestelde bij artikel 16bis. |
|
|
Artikel 15 quinquies |
||
|
Lid 1 |
Is reeds geborgd in bestaande wetgeving. Mogelijkheden tot inspraak bij gebieden uit art. 15 quater lid.1, is geregeld in Omgevingswet en onderliggende regelgeving, artikel 16.23 Omgevingswet en afdeling 3.4 Awb. Dit is al geregeld, voor programma’ s in art. 10.8 Omgevingsbesluit. – Omgevingsplan: art. 16.30 Omgevingswet, 10.2 Omgevingsbesluit. – Omgevingsverordening: art. 16.32 Omgevingswet, 10.3a Omgevingsbesluit. – Projectbesluit: art. 5.47, 5.48 en 5.51 Omgevingswet en art. 5.3 en 5.5 Omgevingsbesluit. |
|
|
Lid 2 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen, mede op grond van artikel 6.12 van de Energiewet. |
|
|
Artikel 15 sexies |
||
|
Lid 1 |
Implementatie door aanvulling van artikel 2.21 van de Omgevingswet (de Minister van KGG kan gebieden aanwijzen in de Omgevingsregeling) en een nieuw artikel 2.47: de Minister, gemeenten en provincies kunnen gebieden aanwijzen voor het opwekken van hernieuwbare energie en voor infrastructuurgebieden. De genoemde artikelen zijn ook van toepassing op de Noordzee. Bij amvb wordt geregeld in welke gevallen welk bestuursorgaan aanwijst. Bij amvb wordt geregeld aan welke eisen de gekozen gebieden moeten voldoen. In de artikelen 3.6, 3.8 en 3.9 van de Omgevingswet wordt bepaald dat het bestuursorgaan dat een gebied heeft aangewezen voor dat gebied een plan moet vaststellen met daarin mitigerende maatregelen. Bij amvb wordt geregeld aan welke eisen het plan moet voldoen. Plan-mer moet worden uitgevoerd op grond van het bestaande artikel 16.36 Ow. Passende beoordeling voor een plan is verplicht gesteld in artikel 16.53c, eerste lid, Ow Betrekken van infrastructuursysteembeheerders is feitelijk handelen en vaste praktijk. |
|
|
Lid 2 |
Mogelijkheid tot vrijstellen van projecten binnen gebieden als bedoeld in art. 15 sexies lid 1 van de projectMER-plicht, passende beoordeling op projectniveau en mitigerende maatregelen. Vrijstelling van de merplicht en mer-beoordelingsplicht wordt op grond van artikel 16.43, vierde lid, Ow geregeld bij amvb. Vrijstelling van de passende beoordeling wordt geregeld in artikel 16.53c Ow en uitgewerkt bij amvb. |
|
|
Lid 3 |
Implementatie vindt plaats via artikel 16.53d Ow, op grond waarvan een screening moet worden uitgevoerd. Bij amvb worden nadere regels gesteld over de screening, bijvoorbeeld de termijn waarbinnen deze moet plaatsvinden. |
|
|
Lid 4 |
Implementatie vindt voornamelijk bij amvb plaats, waarin geregeld wordt dat mitigerende maatregelen getroffen moeten worden of gecompenseerd moet worden als uit de screening blijkt dat er onverwachte aanzienlijke effecten zijn. Voor financiële compensatie wordt een grondslag toegevoegd met artikel 13.6a Ow. |
|
|
Lid 5 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. Zonodig worden bij amvb nadere regels gesteld. |
|
|
Artikel 16 |
||
|
Lid 1 |
Implementatie vindt plaats door implementatie van de volgende artikelleden. |
|
|
Lid 2 |
Implementatie door wijzigingen van termijnen in het vergunningstelsel voor wat betreft de bevestiging van de volledigheid van de ontvangen aanvraag binnen 30 (land)/45 dagen (zee). Dit wordt geregeld bij amvb. |
|
|
Lid 3 |
Artikel 2.48 Ow: de Minister van KGG wordt aangewezen als contactpunt. De mogelijkheid om stukken elektronisch in te dienen bestaat al op grond van artikel 16.1 Ow en 14.1 Omgevingsbesluit. |
|
|
Lid 4 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
Lid 5 |
Wettelijk kader bestaat in afdeling 3.4 Awb en hoofdstuk 6 en 7 Awb |
|
|
Lid 6 |
Implementatie door Artikel II van het wetsvoorstel waarmee in de Awb geregeld wordt dat tegen hernieuwbare energieprojecten beroep openstaat in één instantie. |
|
|
Lid 7 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
Lid 8 |
Behoeft naar de aard geen implementatie. Kan worden toegepast binnen de huidige kaders van de Ow en de Awb. |
|
|
Lid 9 |
Behoeft geen implementatie. Reeds verankerd in nationale regelgeving. |
|
|
Artikel 16 bis |
||
|
Lid 1 |
Is grotendeels reeds verankerd in nationale regelgeving. Kennisgeving bij verlenging is deels geregeld in bestaand recht (artikel 16.66, derde lid, Ow voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure) en wordt aangevuld bij amvb. |
|
|
Lid 2 |
Is grotendeels verankerd in nationale regelgeving. Kennisgeving bij verlenging wordt geregeld bij amvb. |
|
|
Lid 3 |
In artikel 16.53c, derde en vierde lid, Ow is een grondslag toegevoegd voor uitzondering op de verplichting een passende beoordeling uit te voeren. Een grondslag voor uitzondering op de mer(beoordelings)plicht zit al in artikel 16.43, vierde lid, Ow. Uitzonderingen worden uitgewerkt bij amvb. |
|
|
Lid 4 |
Artikel 16.53d Ow: screening en doelen van de screening. Vierde lid: als blijkt dat er toch effecten zijn wordt daarover een besluit genomen. Verstrekken aanvullende informatie en termijn waarbinnen de screening moet worden afgerond worden geregeld bij amvb. |
|
|
Lid 5 |
Bij amvb wordt geregeld dat de uitzonderingen op de mer(beoordelings)plicht en passende beoordelingsplicht niet gelden als naar aanleiding van de screening in een besluit wordt vastgelegd dat er effecten zijn. Mitigerende maatregelen en regels over compensatie worden op grond van de artikelen 3.6, 3.8 en 3.9, nader uitgewerkt bij amvb, in een plan beschreven en vervolgens in een vergunning aan de exploitant verplicht gesteld. Voor financiële compensatie wordt in artikel 13.6a Ow een grondslag opgenomen. |
|
|
Lid 6 |
Geen implementatie nodig. |
|
|
Artikel 16 ter |
||
|
Lid 1 |
Geen implementatie nodig, dit is al geregeld in artikel 4:13 Awb en de artikelen 16.61 en 16.64 Ow (reguliere procedure) en artikel 3:18 Awb en artikel 16.66 Ow (uniforme openbare voorbereidingsprocedure). Kennisgeven reden uitstel is voor de uniforme openbare voorbereidingsprocecure geregeld in artikel 16.66, derde lid Ow. Voor de regulier procedure is geen implementatie nodig, de verlenging past binnen de basis-termijn uit de richtlijn. |
|
|
Lid 2 |
Eén procedure voor de verschillende beoordelingen is al geregeld in artikel 11.15 van het Omgevingsbesluit. Advies over de gedetailleerdheid van de informatie voor de mer-beoordeling is al geregeld in artikel 16.46 Ow. Niet als opzettelijk beschouwen van doden of verstoren wordt geregeld bij amvb. Hetzelfde geldt voor het mogelijk maken van maatregelen als proef. De genoemde termijnen passen binnen het Nederlandse recht, zie de toelichting bij het eerste lid. |
|
|
Artikel 16 quater |
||
|
Lid 1 |
Geen implementatie vereist. |
|
|
Lid 2 |
Implementatie vindt zonodig plaats bij amvb. |
|
|
Lid 3 |
Implementatie door artikel 16.53d, vijfde lid, Ow |
|
|
Artikel quinquies |
||
|
Lid 1 |
Implementatie door artikel 16.64, vijfde en zesde lid, Ow. Vrijstelling van de project-mer wordt geregeld bij amvb. |
In Nederland gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit de laatste zin van dit artikellid om zonnepanelen op monumenten uit te zonderen van deze verkorte procedure. |
|
Lid 2 |
Geen implementatie vereist. Voor deze projecten geldt in Nederland geen vergunningplicht. |
|
|
Artikel 16 sexies |
||
|
Lid 1 |
Implementatie via artikel 16.64, vijfde en zesde lid Ow. |
|
|
Lid 2 |
Geen implementatie nodig. |
|
|
Lid 3 |
Implementatie via artikel 16.64, zesde lid. In Nederland gebruik gemaakt van de uitzondering voor warmtepompen op monumenten. |
|
|
Lid 4 |
Geen implementatie vereist |
|
|
Artikel 16 septies |
||
|
Implementatie vindt bij amvb (Bkl) plaats. |
In Nederland geen beperking van de reikwijdte. |
|
|
Artikel 18 |
||
|
Lid 3 |
Implementatie wordt vormgegeven door niet-wettelijke maatregelen: Opleiden, kwalificeren en certificeren van installateurs die nodig zijn in de energietransitie, bijvoorbeeld: • Voor laadinfrastructuur is voor het opleiden en certificeren van installateurs hebben elf partners (waaronder IenW) in november 2023 een convenant getekend. Mensen Maken de Transitie pakt een deel van deze agenda op (met steun van IenW), en er zijn taken belegd bij de PPS1 • De Redesign.Life foundation werkt aan voorlichting en de instroom van leerlingen voor de automotive sector (met steun van IenW). Ook heeft het EV Kenniscentrum de afgelopen jaren gratis studiemateriaal ontwikkeld voor docenten om te gebruiken in hun lessen (met steun van IenW). |
|
|
Lid 4 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. De overheid heeft geen lijst gepubliceerd. Wel kan via de website van https://installq.nl/ worden gezocht naar erkende installateurs. |
|
|
Artikel 19 |
||
|
Lid 2, eerste alinea |
Op grond van artikel 3, eerste lid van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong kunnen GVO’s afgegeven worden voor gasvormige hernieuwbare brandstoffen van niet biologische oorsprong. |
In de REDIII kamerbrief van 7 juni 2024 is aangegeven dat geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de standaardhoeveelheid in fractie te verdelen tot een veelvoud van 1 Wh. Er wordt middels de ‘wet implementatie REDIII overig’ een grondslag gecreëerd om verdere verfijning in de toekomst mogelijk te maken. Er wordt middels de ‘wet implementatie REDIII overig’ een grondslag gecreëerd om verdere verfijning in de toekomst mogelijk te maken. |
|
Lid 2, tweede alinea |
Er wordt middels de ‘wet implementatie REDIII overig’ een grondslag gecreëerd om vereenvoudigde registratieprocessen en lagere registratiekosten in te kunnen voeren. |
|
|
Lid 2, vierde alinea |
In Nederland worden GVO’s enkel aan producenten van hernieuwbare energie afgegeven. |
Nederland maakt gebruik van de reeds bestaande optie b (de marktwaarde van de garanties van oorsprong in aanmerking nemen bij de vaststelling van de financiële steun) om aan te tonen dat voldoende rekening is gehouden met de marktwaarde van de garantie van oorsprong. |
|
Lid 3 |
Artikel 26 van de GVO-regeling. De restenergiemix wordt op het moment dat de Association of Issuing Bodies berekend en gepubliceerd. |
|
|
Lid 4 |
||
|
Lid 7 |
Artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c van de Energiewet is de kapstok om dit te regelen. Is al uitgewerkt in artikel 24, eerste lid, onderdeel d van de GVO-regeling |
|
|
Lid 8 |
In de Gasrichtlijn is geregeld hoe en wat dit precies moet. De Gasrichtlijn hoeft echter pas in 2026 te worden geïmplementeerd. |
|
|
Lid 13 |
Geen implementatie nodig, actie voor EC. |
|
|
Lid 13 bis |
Geen implementatie nodig, actie voor EC. |
|
|
Artikel 20 |
||
|
Lid 3 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen |
|
|
Artikel 20 bis |
||
|
lid 1 |
Artikel 3.78 (actief en passief openbaar maken) van de Energiewet biedt de kapstok om dit bij MR te regelen. |
|
|
lid 2 |
Deze gegevens zijn reeds te vinden op https://ned.nl/api. |
|
|
lid 3 |
Mogelijke verankering in Energiewet, na overleg met ESNL. |
|
|
lid 4 |
Implementatie via (het voorstel tot) Wet houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/1804. In een NTA Slimme private laadpunten en laaddiensten is geregeld wat een laadpaal moet kunnen om aan deze vereisten te kunnen voldoen. Bedrijven kunnen de NTA gebruiken om aan te tonen dat een laadpaal slim kan laden. |
|
|
lid 5 |
Het is voor deze systemen mogelijk om deel te nemen aan de elektriciteitsmarkt, omdat het niet is uitgesloten in een gelijk speelveld er is, zonder dat dit ergens is geëxpliciteerd. De volgende artikelen uit de Energiewet zijn hierbij van belang: 2.1, 2.3, 2.34, 3.28 en 3.29. Toegang tot elektriciteitsmarkten, met inbegrip van congestiebeheer en het aanbieden van flexibiliteits- en balanceringsdiensten, is uitgewerkt in methoden en voorwaarden conform de vereisten van Verordening (EU) 2019/943 en Richtlijn (EU) 2019/944. Deze regels verbieden de facto oneigenlijke uitsluiting of nadelige behandeling van technieken en typen deelnemers, waaronder kleine of mobiele systemen zoals thuisbatterijen en elektrische voertuigen en andere kleine gedecentraliseerde energiebronnen. Hiervoor zijn dus geen nieuwe regels nodig. |
|
|
Artikel 22 bis |
||
|
lid 1 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen en vraagt vaststelling streefcijfer. |
|
|
lid 2 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
lid 3 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
Artikel 22 ter |
||
|
lid 1 |
Behoeft geen implementatie. |
Keuze om gebruik te maken van uitzonderingsgrond. |
|
lid 2 |
Behoeft geen implementatie. Rapportageverplichting indien gebruik wordt gemaakt van uitzonderingsgrond artikel 22 ter lid 1. |
|
|
Artikel 23 |
||
|
Lid 1 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
Lid 1 bis |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen, berekeningswijze. |
|
|
Lid 1 ter |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. Verwezen wordt naar onderzoek TNO. Zie art. 15 lid 3 en INEK. |
|
|
Lid 2, aanhef |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen, berekeningswijze. |
|
|
Lid 2, vierde alinea |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
Lid 4 |
Van deze opsommingen van maatregelen gebruikt NL al twee of meer maatregelen. Dit zijn in ieder geval b, d, f en h t/m l. Dit blijkt uit: B: Home owners. • NWF (financing) Groen licht voor jouw verduurzaming – Warmtefonds • ISDE (subsidy) ISDE: Subsidie voor verduurzaming van uw woning | RVO.nl Housing associations • SAH (subsidy district heating) Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) voor verhuurders aanvragen | RVO.nl • ISDE ISDE: Subsidie voor verduurzaming van uw woning | RVO.nl Owners associations • SVVE (subsidy) SVVE: Subsidieregeling verduurzaming voor VvE’s • SAH (subsidy district heating) Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) voor verhuurders aanvragen | RVO.nl (gemengde VvE’s) • NWF: Groen licht voor jouw verduurzaming – Warmtefonds Landlords (private) • SVOH (subsidy) Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) | RVO.nl Public buildings • DuMaVa (subsidy) Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) | RVO.nl • Bevorderen toegang tot financiering voor maatschappelijk vastgoed via bijdragen aan (doelgroepgerichte) fondsen. • Extra middelen voor verduurzaming van het Rijksvastgoed. D: Municipalities and provinces • CDOKE (Financing for municipalities and provinces to support planning, implementing and advice/support energy projects) Tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE) | RVO.nl • NPLW (inter-governmental program, knowledge, support) Informatie voor gemeenten over de warmtetransitie | NPLW F: Legislation (collective transformation/district heating) • Artikel 3.6, derde lid van de Omgevingswet. Obligates municipalities to draft and execute a heat program for all districts of the municipality or city. • WGIW Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie | Overheid.nl | Wetgevingskalender I: Programma Groen Gas en onderdeel daarvan is bijmengverplichting groen gas voor energieleveranciers. Hier valt alleen geïnjecteerd groen gas onder. J: Routekaart Energieopslag K: bevorderen van energie-efficiënte stadsverwarming in de Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) en de Subsidie Warmte-Infrastructuur Glastuinbouw (SWiG). Ontwikkelfonds Warmte voor warmtegemeenschappen. L: Other than subsidies, financing, support and legislation, sustainability is promoted through tax incentives. examples • Energy taxation. Relative high marginal taxation on energy, both for gas as well as electricity, which is reduced with a fixed reduction. This dampens the total tax on energy, while retaining a marginal incentive to reduces energy consumption. Energiebelasting • EIA/MIA. For businesses it is possible to apply the Energy Investment Allowance (EIA). Energie Investeringsaftrek (EIA) Mia en Vamil | RVO.nl With the EIA companies pay less tax when they invest in energy-efficient technologies and sustainable energy. Companies can deduct 40% of the investment costs from the fiscal profits, on top of the usual depreciation, which results in an average tax deduction of 10%. |
|
|
Artikel 24 |
||
|
Lid 1 |
Implementatie in bestaande en nieuwe regelgeving. Warmtewet art. 12a en artikel 7a van de warmteregeling. Nieuwe wetgeving: art. 2.22 en art. 2.23 in WcW, uitwerking in AMvB (nog in ontwikkeling). |
|
|
Lid 2 |
Behoeft geen implementatie. |
Nederland maakt gebruik van uitzondering in lid 10. 90% van warmtenetten betreft een efficiënt warmtenet. |
|
Lid 3 |
Behoeft geen implementatie. |
Nederland maakt gebruik van uitzondering in lid 10. 90% van warmtenetten betreft een efficiënt warmtenet. |
|
Lid 4 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. Vergt vaststellen indicatief cijfer van ten minste 2.2 procentpunt. Rapportage in INEK. |
Vaststellen indicatief cijfer aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en uit restwarmte en -koude in stadsverwarming en -koeling. LS mogen hernieuwbare elektriciteit meetellen. |
|
Lid 4 bis |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen. |
|
|
Lid 4 ter Lid 5 L:id 6 Lid 8 Lid 9 Lid 10 |
Behoeft geen implementatie. |
Nederland maakt gebruik van uitzondering in lid 10. 90% van warmtenetten betreft een efficiënt warmtenet. |
|
Artikel 25 |
||
|
Lid 1, eerste alinea, onderdeel a |
Implementatie door wijziging van titel 9.7 Wet milieubeheer (art. 9.7.2.1). Streefcijfer CO2-reductie nader vastgesteld in Besluit energie vervoer in art. 3 (lid 1), 5a (lid 1), 5d (lid 1). |
Lidstaten kunnen bij de verplichting onderscheid maken in sturing op een hernieuwbare energiedoelstelling of een CO2-reductiedoelstelling. In titel 9.7 Wet milieubeheer (specifiek art. 9.7.2.1) wordt gekozen voor sturing op een CO2-reductiedoelstelling. |
|
Lid 1, eerste alinea, onderdeel b, en tweede alinea |
Implementatie in art. 9.7.2.1 (lid 1), 9.7.3.2 (lid 2), 9.7.4.6 (lid 1), van de Wet milieubeheer, nader uitgewerkt in streefcijfers in het Besluit energie vervoer in art. 3 (lid 4, 5 en 6), 5a (lid 4 en 5), 5d (lid 3 en 4). |
|
|
Lid 1, derde alinea |
Implementatie in art. 9.7.2.1 (lid 1 t/m 3), 9.7.3.2 (lid 2, onder d) en 9.7.4.6 (lid 1, onder d) van de Wet milieubeheer, nader uitgewerkt in streefcijfers in Besluit energie vervoer in art. 5d (lid 4). |
|
|
Lid 1, vierde alinea |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen in verslaglegging. |
|
|
Lid 1, vijfde alinea |
Implementatie in art. 9.7.2.1 (lid 1), 9.7.3.2 (lid 2) en 9.7.4.6 (lid 1) van de Wet milieubeheer, nader uitgewerkt in streefcijfers in het Besluit energie vervoer in art 3, 5a en 5d. |
|
|
Lid 2 |
Implementatie in art. 9.7.2.1 (lid 1 en lid 4) juncto titel 9.8, 9.7.3.2 (lid 2), 9.7.4.6 (lid 1) van de Wet milieubeheer. nader uitgewerkt in Hoofdstuk 2 van het Besluit energie vervoer en Hoofdstuk 2 van de Regeling energie vervoer. |
|
|
Lid 3 |
Implementatie door feitelijk handelen. |
Lidstaten kunnen brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof in aanmerking nemen: van kan-bepaling wordt geen gebruik gemaakt. Lidstaten mogen bij de vaststelling van de verplichting voor brandstofleveranciers: a. bij leveranciers van elektriciteit en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, vrijstellen van een minimumaandeel geavanceerde biobrandstoffen en biogas: van kan-bepaling wordt gebruik gemaakt t.a.v. leveranciers van elektriciteit. b. sturen op volumes, energie-inhoud of broeikasgasemissies: gekozen voor sturen op broeikasgasemissies. c. onderscheid maken tussen verschillende energiedragers: van kan-bepaling wordt gebruik gemaakt, bijv. geen jaarverplichting op elektriciteit, LNG of CNG. d. onderscheid maken tussen zeevervoerssector en andere sectoren; van kan-bepaling wordt gebruik gemaakt met vaststelling eigen jaarverplichting inzake sector zeevaart (artikel 9.7.2.1 Wet milieubeheer). |
|
Lid 4 |
Implementatie in par. 9.7.4 juncto art. 9.7.2.1 van de Wet milieubeheer |
Lidstaten mogen particuliere oplaadpunten opnemen in mechanisme: van kan-bepaling wordt gebruik gemaakt via artikel 9.7.4.1, lid 1, onderdeel e, van de Wet milieubeheer. |
|
Artikel 26 |
||
|
Lid 1 |
(Reeds) geïmplementeerd in de Wet milieubeheer in titel 9.7 Wet milieubeheer (art. 9.7.2.1, 9.7.4.1, lid 1, onderdelen a en b, 9.7.4.6, lid 1, onderdeel a); streefcijfers nader ingevuld in Besluit energie vervoer in art. 3 (lid 3), 5a (lid 3) en 5d (lid 3). |
Vierde alinea: Lidstaten kunnen de art. 25-doelstelling verlagen in geval van een lager gebruik van voedsel- en voedergewassen van 7%: van deze kan-bepaling wordt geen gebruik gemaakt. |
|
Lid 2 |
(Reeds) geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (art. 9.7.2.1, 9.7.4.1, 9.7.4.2, 9.7.4.6, lid 1, onderdeel a) Vijfde alinea: behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie. |
|
|
Artikel 27 |
||
|
Lid 1, 2 en 5 |
Adresseert de lidstaat: wordt vormgegeven door de berekening door de lidstaat bij de vaststelling van de hoogte van de jaarverplichting en het verschuldigd aantal per soort emissiereductie-eenheden ex artikel 9.7.2.1 van de Wet milieubeheer, nader uitgewerkt in het Besluit energie vervoer in art. 3, 5a en 5d. En wordt ingevuld ex artikel 9.7.4.6, vierde lid, bij het vaststellen van regels over de berekening van de CO2-equivalent-ketenemissie (zie definitie CO2-equivalent-ketenemissie in artikel 9.7.1.1). |
Lid 1, onderdeel d: van de kan-bepaling om brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof mee te nemen in de berekening, wordt geen gebruik gemaakt. Lid 1, tweede alinea: van de kan-bepaling tot verhoging van de max. 1,7% Bijlage IX-deel B-brandstoffen, wordt geen gebruik gemaakt. |
|
Lid 3 en 4 |
Behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie. |
|
|
Lid 6 |
Wordt geregeld via erkenning door de Cie. van vrijwillige systemen ex artikel 30, vierde lid, RED. |
|
|
Artikel 28 |
||
|
Lid 5 |
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, bevoegdheid EC. |
|
|
Lid 7 |
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, bevoegdheid EC. |
|
|
Artikel 29 |
||
|
Lid 1 |
Eerste alinea: art. 9.7.4.2, lid 1, onderdeel a, en 9.7.4.3, onderdeel a), van de Wet milieubeheer, nader uitgewerkt in het Besluit energie vervoer in art. 3 (lid 1), 5a (lid 1) en 5d (lid 1). Tweede alinea: art. 9.7.4.2, lid 1, onderdeel a, en 9.7.4.3, onderdeel a), van de Wet milieubeheer,: deels reeds geïmplementeerd in art. 7 (lid 4), en art. 8 (lid 4), van het Besluit energie vervoer. Vierde alinea: niet van toepassing op sector vervoer. |
Tweede alinea, tweede volzin: Lidstaten kunnen sorteersystemen voor gemengd afval voorschrijven: van deze kan-bepaling wordt geen gebruik gemaakt. |
|
Lid 3 |
Deels reeds geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (art. 9.7.4.2, lid 1, onderdeel a, en 9.7.4.3, onderdeel a), en in art. 7 (lid 3) en art. 8 (lid 3) van het Besluit energie vervoer. Via diverse (subsidie)regelingen. |
|
|
Lid 4 |
Deels reeds geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (art. 9.7.4.2, lid 1, onderdeel a, en 9.7.4.3, onderdeel a), en in art. 7 (lid 3) en art. 8 (lid 3) van het Besluit energie vervoer. Via diverse (subsidie)regelingen. |
|
|
Lid 5 |
Deels reeds geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (art. 9.7.4.2, lid 1, onderdeel a, en 9.7.4.3, onderdeel a), en in art. 7 (lid 3) en art. 8 (lid 3) van het Besluit energie vervoer. Via diverse (subsidie)regelingen. |
|
|
Lid 6 |
Deels reeds geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (art. 9.7.4.2, lid 1, onderdeel a, en 9.7.4.3, onderdeel a), en in art. 7 (lid 3) en art. 8 (lid 3) van het Besluit energie vervoer. Via diverse (subsidie)regelingen. |
|
|
Lid 7 bis |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen |
|
|
Lid 7 ter |
Feitelijk handelen. |
|
|
Lid 10 |
Via diverse (subsidie)regelingen. |
|
|
Lid 13 |
Geen implementatie nodig: Niet van toepassing op NL. |
|
|
Lid 15 |
Feitelijk handelen. |
|
|
Artikel 29 bis |
||
|
Lid 1 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen en is uitgewerkt in art. 9.7.4.4, onderdeel a, van de Wet milieubeheer, nader uitgewerkt in het Besluit energie vervoer in art. 9 (lid 2) en 9a (lid 2). |
|
|
Lid 2 |
Implementatie wordt vormgegeven door feitelijk handelen |
|
|
Lid 3 |
Behoeft geen implementatie, bevoegdheid EC. |
|
|
Artikel 30 |
||
|
Lid 1–2 (vervoer) |
Deels reeds geïmplementeerd met: onderdeel van certificering duurzaamheidssysteem ex artikel 30, lid 4, richtlijn (EU) 2008/2001; verwerkt in bewijs van duurzaamheid (Proof of Sustainability; PoS) ex artikel 9.7.4.2 en 9.7.4.3 Wet milieubeheer; nader uit te werken in het Besluit energie vervoer nader uitgewerkt in het Besluit energie vervoer in art. 7 (lid 3) en 8 (lid 3). Toepassing massabalans in artikel 9.7.6.2 Wet milieubeheer: nader uitgewerkt in artikel 6 van de Regeling energie vervoer. |
|
|
Artikel 31 |
||
|
Lid 1 |
Via diverse (subsidie)regelingen. |
|
|
Lid 2 |
Via diverse (subsidie)regelingen. |
|
|
Lid 3 |
Eerste alinea: art. 9.7.4.12 van de Wet milieubeheer, nader uit te werken in het Besluit energie vervoer in art. 16 tot en met 24. Tweede alinea:Eerste volzin: Behoeft geen omzetting, in de wetgeving wordt geen onderscheid gemaakt in geografische oorsprong en type grondstof. Tweede alinea, tweede volzin: bekendmaking art. 9.7.4.14 van de Wet milieubeheer, nader uitgewerkt in het Besluit energie vervoer in art. 32. Opstellen passende norm voor onafhankelijke audits: nader uit te werken in het Besluit energie vervoer Via diverse (subsidie)regelingen. |
|
|
Lid 4 |
Via diverse (subsidie)regelingen. |
|
|
Lid 6 |
Implementatie niet nodig. |
|
|
Lid 9 |
Via diverse (subsidie)regelingen. |
|
|
Lid 10 |
Behoeft naar haar aard geen implementatie, bevoegdheid EC. |
|
|
Artikel 31 bis |
||
|
Lid 1 |
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, opdracht voor EC. |
|
|
Lid 2 |
artikel 9.7.1.3 Wet milieubeheer, nader uitgewerkt in artikel 3b Regeling energie vervoer Artikel 9.10.1.2. Concept wetsvoorstel Wet jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie Artikel 9.9.1.2. Concept wetsvoorstel jaarverplichting groen gas. |
|
|
Lid 3 |
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie. |
|
|
Lid 4 |
Artikel 9.10.1.2. Concept wetsvoorstel Wet jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie Artikel 9.9.1.2. Concept wetsvoorstel jaarverplichting groen gas |
|
|
Lid 5 |
artikel 9.7.1.3 Wet milieubeheer, nader uitgewerkt in artikel 3b Regeling energie vervoer. |
Geen nationale databank. |
|
Lid 6 |
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, opdracht voor EC. |
|
|
Artikel 33 |
||
|
Lid 3 |
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, opdracht voor EC. |
|
|
Artikel 35 |
||
|
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie |
||
|
Bijlage I |
||
|
Reeds geïmplementeerd in artikel 9.7.2.1 Wm en nader uitgewerkt in Besluit Energie vervoer (art. 3). |
||
|
Bijlage I bis |
||
|
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie. |
||
|
Bijlage IX |
||
|
Implementatie Wet milieubeheer (art. 9.7.4.6, lid 1, onderdelen b en c, en art. 9.7.4.8, lid 1). |
||
|
Wijziging Verordening (EU) 2018/1999 |
||
|
Verwerkt in INEK |
||
|
Wijzigingen van Richtlijn 98/70/EG |
||
|
Artikel 1 |
Reeds geïmplementeerd in hoofdstuk 2 (art. 2.1) van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging. |
|
|
Artikel 2 |
Wijziging van artikel 1.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging (gewijzigde definitie van biobrandstoffen; nieuwe definitie van leverancier). |
|
|
Artikel 4, lid 1 |
Wijziging van artikel 2.5 (lid 1) van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging |
|
|
Artikel 4, lid 2 |
Reeds geïmplementeerd in art. 1.1 (definitie van gasolie voor mobile machines) en art. 2.6 (lid 1 en 2) van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging. |
|
|
Artikel 7bis tot en met 7sexies |
Implementatie via vervallen van titel 9.8 van de Wet milieubeheer (Rapportage – en reductieverplichting vervoersemissies). |
|
|
Artikel 9 |
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie. |
|
|
Bijlage I, II, IV en V |
Bijlage I en II: Implementatie via reeds bestaande art. 2.3 en 2.5 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en wijziging Regeling brandstoffen luchtverontreiniging. Bijlage III en IV: implementatie via vervallen titel 9.8 van de Wet milieubeheer. |
|
Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europese Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (Pb L van 31.10.2023).
Wet van 1 april 2026 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de accijns in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (Stb. 2026, 83).
Visie Duurzame Energiedragers in Mobiliteit, Ministerie van infrastructuur en Waterstaat van juni 2020.
Zie Kabinetsaanpak Klimaatbeleid | Tweede Kamer der Staten-Generaal; Kamerstukken II 2022/23, 32 813, nr. 1230.
Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europese Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (Pb L van 31.10.2023).
Wet van 1 april 2026 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de accijns in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (Stb. 2026, 83).
Visie Duurzame Energiedragers in Mobiliteit, Ministerie van infrastructuur en Waterstaat van juni 2020.
Zie Kabinetsaanpak Klimaatbeleid | Tweede Kamer der Staten-Generaal; Kamerstukken II 2022/23, 32 813, nr. 1230.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-15748.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.