Regeling van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 17 april 2026, kenmerk 4370342-1096886-MEVA houdende regels voor de verstrekking van subsidie ter ondersteuning van zorgaanbieders in de wijkverpleging bij het opleiden en begeleiden van leerling-werknemers (Subsidieregeling Werkgeverskosten Opleiden Wijkverpleging)

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,

Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

AGB-code:

Algemene Gegevens Beheer-code van een zorgaanbieder, zoals geregistreerd in het AGB-register dat wordt beheerd door Vektis;

beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg:

beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, gericht op het behalen van een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

beroepsopleiding in de derde leerweg:

beroepsopleiding als bedoeld in artikel 1.4.1, lid 1a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, gericht op het behalen van een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

beroepspraktijkvorming:

onderricht in de praktijk van het beroep als bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

de-minimisverordening:

Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;

duale opleiding:

een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, gericht op het behalen van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

erkend leerbedrijf:

bedrijf of organisatie die door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven op grond van artikel 1.5.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs is erkend als leerbedrijf voor de beroepspraktijkvorming als bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

leerling-werknemer:

leerling die een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg, beroepsopleiding in de derde leerweg of een duale opleiding volgt met een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, gesloten met een werkgever die een erkend leerbedrijf is;

minister:

Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport;

zorgaanbieder in de wijkverpleging:

rechtspersoon, die beroepsmatig verpleging en verzorging als bedoeld in artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering bij cliënten thuis levert;

zorgverzekeraar:

zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Zorgverzekeringswet.

Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling

  • 1. De artikelen 1.5, onder b, 4.1, eerste lid, 7.3, 7.5, zesde lid, en 10.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS zijn niet van toepassing op een subsidie ingevolge deze regeling.

  • 2. Artikel 7.5, tweede en vierde lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3. Doel van de regeling

De regeling heeft als doel het stimuleren van zorgaanbieders in de wijkverpleging om te investeren in het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers ten behoeve van de instroom van personeel in de wijkverpleging.

Artikel 4. Subsidiabele activiteiten

De minister kan op aanvraag van een zorgaanbieder in de wijkverpleging subsidie verstrekken aan de zorgaanbieder als tegemoetkoming in de kosten voor het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers ten behoeve van de instroom van personeel in de wijkverpleging.

Artikel 5. Subsidieplafond en verdeling

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt voor de kalenderjaren 2025 en 2026 € 59 miljoen per jaar.

  • 2. Indien het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies het vastgestelde subsidieplafond te boven gaat, verdeelt de minister het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag evenredig over de ingediende volledige aanvragen.

  • 3. Indien het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies het vastgestelde subsidieplafond niet te boven gaat, kan de minister het bedrag dat resteert naar rato verdelen over het aantal maanden waarover subsidie is toegekend.

Artikel 6. Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt per leerling-werknemer:

    • a. het in bijlage I en II voor de desbetreffende categorie leerling-werknemer genoemde tarief per maand, per opleiding, vermenigvuldigd met het aantal maanden dat de leerling-werknemer voor de opleiding was ingeschreven;

    • b. het in bijlage III bij het niveau van de desbetreffende opleiding genoemde tarief per maand, vermenigvuldigd met het aantal maanden dat de leerling-werknemer voor de opleiding was ingeschreven.

Artikel 7. Subsidieaanvraag

  • 1. Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend:

    • a. voor het kalenderjaar 2025: in de periode van 1 juni 2026 9:00 uur tot en met 30 juni 2026 13:00 uur.

    • b. voor het kalenderjaar 2026: in de periode van 1 juni 2027 9:00 uur tot en met 30 juni 2027 13:00 uur.

  • 2. Voor een aanvraag van de vaststelling van een subsidie wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 3. De zorgaanbieder in de wijkverpleging verstrekt bij de aanvraag de volgende gegevens betreffende het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd:

    • a. een opgave per opleiding van de instroom van het aantal leerling-werknemers;

    • b. een opgave in een door de minister vastgesteld format per leerling-werknemer: de leeftijd, welke opleiding deze heeft gevolgd, het aantal maanden dat deze is opgeleid en waar mogelijk aangevuld met behaalde certificaten en diploma’s;

    • c. een schriftelijke en ondertekende verklaring van het bestuur of de directie van de subsidieaanvrager waarin wordt verklaard dat de aanvrager in het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd een zorgaanbieder is in de wijkverpleging waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet; en

    • d. een verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de de-minimisverordening indien de aanvraag betrekking heeft op een leerling-werknemer die een opleiding in de derde leerweg volgt.

Artikel 8. Weigeringsgronden

  • 1. De minister weigert de subsidieaanvraag in ieder geval indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen van deze subsidieregeling en aan de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

  • 2. Indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een leerling-werknemer die een opleiding volgt in de derde leerweg, weigert de minister de subsidieaanvraag als niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de de-minimisverordening.

Artikel 9. Vaststelling zonder voorafgaande subsidieverlening

  • 1. De minister stelt de subsidie zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening direct vast.

  • 2. De minister besluit binnen 22 weken na afloop van de in artikel 7, eerste lid, onder a en b, genoemde perioden waarin een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend.

Artikel 10. Onderzoek

  • 1. De aanvrager verstrekt aan de door de minister aangewezen personen op hun verzoek alle bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie.

  • 2. De minister voert onder de subsidieaanvragers, die geen verantwoording afleggen door het overleggen van een assurancerapport, voorafgaand aan de vaststelling van subsidies een steekproef uit.

Artikel 11. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 12. Vervaldatum

  • 1. Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2027.

  • 2. Op subsidies die op grond van deze regeling zijn verstrekt blijft deze regeling van toepassing.

Artikel 13. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 14. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Werkgeverskosten Opleiden Wijkverpleging.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk

BIJLAGE I. BEHORENDE BIJ ARTIKEL 6, EERSTE LID, ONDER A

 

Maandtarief per categorie leerling-werknemer 2025

Opleiding voor initiële instromers en zij-instromers

Initiële instromer

(leerling-werknemer onder 21 jaar die instroomt vanaf de middelbare school)

Zij-instromer

(leerling-werknemer vanaf 21 jaar die instroomt vanuit een sector, niet zijnde de zorgsector)

Mbo 2 (Helpende) 1e jaar

€ 749

€ 1.141

Mbo 2 (Helpende) 2e jaar

€ 554

€ 813

Mbo 3 (Verzorgende) 1e jaar

€ 832

€ 1.318

Mbo 3 (Verzorgende) 2e jaar

€ 685

€ 1.053

Mbo 3 (Verzorgende) 3e jaar

€ 649

€ 920

Mbo 4 (Verpleegkundige) 1e jaar

€ 961

€ 1.540

Mbo 4 (Verpleegkundige) 2e jaar

€ 967

€ 1.535

Mbo 4 (Verpleegkundige) 3e jaar

€ 769

€ 1.152

Mbo 4 (Verpleegkundige) 4e jaar

€ 835

€ 1.087

Hbo (Verpleegkundige) 1e jaar

€ 1.318

€ 1.949

Hbo (Verpleegkundige) 2e jaar

€ 1.292

€ 1.935

Hbo (Verpleegkundige) 3e jaar

€ 1.165

€ 1.541

Hbo (Verpleegkundige) 4e jaar

€ 1.185

€ 1.447

 

Maandtarief per categorie leerling-werknemer 2026

Opleiding voor initiële instromers en zij-instromers

Initiële instromer

(leerling-werknemer onder 21 jaar die instroomt vanaf de middelbare school)

Zij-instromer

(leerling-werknemer vanaf 21 jaar die instroomt vanuit een sector, niet zijnde de zorgsector)

Mbo 2 (Helpende) 1e jaar

€ 1.141

€ 1.141

Mbo 2 (Helpende) 2e jaar

€ 813

€ 813

Mbo 3 (Verzorgende) 1e jaar

€ 1.318

€ 1.318

Mbo 3 (Verzorgende) 2e jaar

€ 1.053

€ 1.053

Mbo 3 (Verzorgende) 3e jaar

€ 920

€ 920

Mbo 4 (Verpleegkundige) 1e jaar

€ 1.540

€ 1.540

Mbo 4 (Verpleegkundige) 2e jaar

€ 1.535

€ 1.535

Mbo 4 (Verpleegkundige) 3e jaar

€ 1.152

€ 1.152

Mbo 4 (Verpleegkundige) 4e jaar

€ 1.087

€ 1.087

Hbo (Verpleegkundige) 1e jaar

€ 1.949

€ 1.949

Hbo (Verpleegkundige) 2e jaar

€ 1.935

€ 1.935

Hbo (Verpleegkundige) 3e jaar

€ 1.541

€ 1.541

Hbo (Verpleegkundige) 4e jaar

€ 1.447

€ 1.447

BIJLAGE II. BEHORENDE BIJ ARTIKEL 6, EERSTE LID, ONDER A

 

Maandtarief

Opleiding voor doorstromers

(doorstromer: leerling-werknemer vanaf 21 jaar die een vervolgopleiding volgt na een opleiding helpende, verzorgende Individuele Gezondheidszorg of verpleegkunde)

Mbo 3 (Verzorgende)

€ 920

Mbo 4 (Verpleegkundige)

€ 1.087

Hbo (Verpleegkundige)

€ 1.447

BIJLAGE III. BEHORENDE BIJ ARTIKEL 6, EERSTE LID, ONDER B

Mbo-certificaten niveau 2

Certificaat-

code

Opleidings-

code

Naam opleiding voluit

Naam mbo-certificaat

Maandtarief

C0163

25960

Helpende Zorg en Welzijn

Individuele basiszorg verlenen

€ 560

C0160

25960

Helpende Zorg en Welzijn

Assisteren bij activiteiten in zorg en welzijn

C0166

25960

Helpende Zorg en Welzijn

Planmatig werken in zorg en welzijn

K1296

n.v.t.

n.v.t.

Helpende plus

Mbo-certificaten niveau 3 en niveau 4

Certificaat-

code

Opleidings-

code

Naam opleiding voluit

Naam mbo-certificaat

Maandtarief

C0053

25656

Verzorgende IG

Individuele zorg verlenen

€ 788

C0054

25656

Verzorgende IG

Basis voor deskundige zorg

C0055

25656

Verzorgende IG

Regievoering en vakontwikkeling in de zorg

C0106

25656

Verzorgende IG

Verpleegtechnisch handelen

C0109

25656

Verzorgende IG

Zorgplan ontwikkelen

TOELICHTING

Algemeen

Doel en context

De wijkverpleging heeft te kampen met een toename van de zorgvraag. Dit komt door een vergrijzende bevolking, de verplaatsing van zorg naar de wijk en een steeds complexer wordende zorgvraag. Tegelijkertijd heeft de zorgsector te maken met een hoge uitstroom (omdat de werknemers een hoge gemiddelde leeftijd hebben en met pensioen gaan) en een lage instroom van jonge medewerkers. De sector is grotendeels afhankelijk van zij-instromers. De verwachting is dat bij ongewijzigd beleid er in 2027 een tekort van circa 10.500 werknemers in de wijkverpleging ontstaat.

Het doel van deze regeling, de Subsidieregeling Werkgeverskosten Opleiden Wijkverpleging (verder: de Regeling), is om zorgaanbieders in de wijkverpleging te stimuleren om te investeren in het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers (veelal zij-instromers) door een tegemoetkoming in de werkgeverskosten.

Het opleiden van leerling-werknemers in de wijkverpleging is voor werkgevers tijd- en kostenintensief, omdat er sprake is van een één op één werk- en begeleidingssituatie. In tegenstelling tot andere zorgsectoren kan er vaak maar één leerling-werknemer mee naar cliënten. Werkbegeleiders die een leerling-werknemer begeleiden maken geen productieve (en daarmee geen declarabele) uren. Daarnaast ontvangen leerling-werknemers wel een salaris, maar zijn zij niet of beperkt inzetbaar. De uitdaging rond opleiden in de wijkverpleging ligt dus met name in het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers, waarbij maatwerk belangrijk is.

Via verschillende subsidies (Subsidieregeling Inrichten Opleidingsstructuur helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen (IOHVV), SectorplanPlus 2024–2025, Subsidieregeling praktijkleren en de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II) wordt gestimuleerd om het opleiden en begeleiden in de wijkverpleging verder te ontwikkelen. Genoemde subsidies vertonen dus enige gelijkenis met deze Regeling. Maar er zijn ook duidelijke verschillen. Een duidelijk verschil tussen de IOHVV en deze Regeling is dat de IOHVV gericht is op het vernieuwen van de opleidingsstructuur, terwijl deze Regeling in een tegemoetkoming voorziet voor het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers.

Een duidelijk verschil tussen SectorplanPlus 2024–2025, Subsidieregeling praktijkleren en Subsidieregeling stageplaatsen zorg II en deze Regeling is het toepassingsbereik. SectorplanPlus 2024–2025 ziet op de hele sector zorg en welzijn. De Subsidieregeling praktijkleren ziet op tal van sectoren (de horeca, landbouw, recreatie etc.). De Subsidieregeling stageplaatsen zorg II ziet op de zorgsector. Deze Regeling ziet daarentegen enkel op leerling-werknemers in de wijkverpleging.

Een tweede verschil tussen de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II en deze Regeling is dat de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II enkel voorziet in een tegemoetkoming bij het volgen van gekwalificeerde beroepsopleidingen. Deze Regeling voorziet ook in een tegemoetkoming bij het behalen van certificaten.

Er is bewust voor gekozen om met een nieuwe Regeling te voorzien in een tegemoetkoming voor enkel het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers in de wijkverpleging. Het voorzien in een tegemoetkoming via een nieuwe Regeling is beter uitvoerbaar dan voorzien in een tegemoetkoming via de al bestaande subsidies.

De Regeling richt zich op het subsidiëren van de werkgeverskosten van opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers. Hiermee wordt bijgedragen aan het algemene doel voor reguliere (zij-)instroom van personeel in de wijkverpleging. Voor deze subsidie komen in aanmerking: zorgaanbieders in de wijkverpleging die leerling-werknemers opleiden om zorg in de wijk te verlenen, exclusief verpleeghuizen. De Regeling voorziet in een bekostiging van activiteiten die worden uitgevoerd vanaf 1 januari 2025 tot 1 januari 2027, waarbij er in totaal € 118.000.000 beschikbaar is.

De voorloper van de Regeling betreft het Opleidingsfonds Wijkverpleging 2024. Het Opleidingsfonds Wijkverpleging 2024 is tot stand gekomen naar aanleiding van het Investeringsakkoord Opleiden Wijkverpleging (verder: het IOW). Actiz, Zorgthuisnl, V&VN, ZN en de Minister van VWS hebben samen op 17 maart 2023 het IOW ondertekend met als doel om helpenden, verzorgenden IG, verpleegkundigen en verpleegkundige specialisten voor de wijkverpleging meer, samen én anders op te leiden. Op basis van afspraken in het IOW en het daaruit voortvloeiende onderzoeksrapport ‘Zorg voor de leerling’ (april 2024) is geconstateerd dat structurele middelen nodig zijn voor het opleiden van personeel in de wijkverpleging. Voor het jaar 2024 heeft deze doelgroep via het Opleidingsfonds Wijkverpleging middelen ontvangen. Op basis van bestuurlijke afspraken met de IOW-partijen wordt de bekostiging van werkgeverskosten voor het opleiden in de wijkverpleging voor de jaren 2025 en 2026 gecontinueerd via deze Regeling. Tegelijkertijd wordt voor 2027 en verder verkend op welke wijze de bekostiging van opleiden in zorg en welzijn structureel binnen het stelsel kan worden geborgd.

Staatssteun

De subsidie aan de zorgaanbieder in de wijkverpleging ten behoeve van het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers is getoetst aan de Europese staatssteunregels. Er is sprake van staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) als aan de volgende vijf cumulatieve criteria is voldaan:

  • 1. de steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;

  • 2. de steun wordt met staatsmiddelen gefinancierd;

  • 3. de staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen;

  • 4. de steunmaatregel is selectief;

  • 5. de steunmaatregel vervalst (potentieel) de mededinging en leidt of dreigt te leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de Europese Unie.

De subsidie die op grond van deze Regeling wordt verstrekt voor het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers die een zorgopleiding bij een mbo-instelling of een hbo-instelling volgen, kwalificeert niet als staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU. Deze zorgopleidingen vallen onder het openbaar onderwijs dat deel uitmaakt van het nationaal onderwijsstelsel en worden hoofdzakelijk met publieke middelen gefinancierd. Tevens staan deze zorgopleidingen onder toezicht van de Staat. Aangezien het opdoen van praktijkervaring een verplicht onderdeel is van de betreffende zorgopleidingen, is het opleiden en begeleiden van de leerling-werknemers onlosmakelijk verbonden met het openbaar onderwijs. De Europese Commissie heeft in haar Mededeling betreffende het begrip staatssteun verduidelijkt dat openbaar onderwijs dat binnen het nationale onderwijsstelsel wordt gefinancierd door de Staat en onder staatstoezicht staat, als een niet-economische activiteit kan worden aangemerkt. In de Mededeling wordt tevens verwezen naar rechtspraak van het Hof van Justitie waarin de Europese rechter heeft verklaard dat de Staat ‘bij de organisatie en de handhaving van een dergelijk openbaar onderwijsstelsel, dat volledig of hoofdzakelijk uit de staatskas wordt gefinancierd en niet door de leerlingen of hun ouders, niet de bedoeling heeft werkzaamheden tegen vergoeding te verrichten, maar zijn sociale, culturele en opvoedkundige taak jegens zijn bevolking vervult’.

Op grond van deze Regeling kan ook subsidie worden verstrekt ten behoeve van het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers die een zorgopleiding in de derde leerweg volgen. Deze opleidingen zijn weliswaar door OCW erkend en staan onder toezicht van de Staat, maar worden niet altijd door de Staat bekostigd. De Europese Commissie heeft in haar Mededeling betreffende het begrip staatssteun erop gewezen dat publieke onderwijsdiensten moeten worden onderscheiden van diensten die overwegend door ouders of leerlingen of uit commerciële inkomsten worden bekostigd. Laatstgenoemde diensten kunnen als een economische activiteit worden aangemerkt. Dit betekent voor de onderhavige Regeling dat niet kan worden uitgesloten dat de zorgopleidingen in de derde leerweg onder de reikwijdte van de staatssteunregels vallen wanneer deze zorgopleidingen overwegend met private middelen worden gefinancierd. Derhalve wordt de subsidie ten behoeve van het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers die een zorgopleiding in de derde leerweg volgen, verleend onder toepassing van Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (hierna: de-minimisverordening). Op grond van de de-minimisverordening kunnen overheden over een periode van drie jaar maximaal € 300.000 steun verlenen aan een onderneming. Er dient een de-minimisverklaring door de onderneming te worden overlegd waaruit blijkt of de onderneming ruimte heeft om steun op basis van de de-minimisverordening te ontvangen. Als het de-minimisplafond is bereikt, dan mag aan de onderneming in het betreffende jaar geen de-minimissteun worden verleend.

Steun die op basis van de de-minimisverordening wordt verleend, heeft volgens de Europese Commissie een beperkt effect op het handelsverkeer tussen de lidstaten en wordt geacht niet aan alle criteria van artikel 107, eerste lid, van het VWEU te voldoen. Bijgevolg valt deze steun niet onder de aanmeldingsprocedure van artikel 108, derde lid, van het VWEU.

Regeldruk

In deze paragraaf wordt de regeldruk in kaart gebracht als gevolg van de administratieve lasten uit de Regeling. Daarbij worden, voor wat betreft het aantal te verwachten aanvragen, de gegevens hierover zoals die gedocumenteerd staan voor het Opleidingsfonds Wijkverpleging 2024 als uitgangspunt genomen.

In 2024 zijn bij het Opleidingsfonds Wijkverpleging circa 350 aanvragen door werkgevers ingediend voor circa 5.000 leerlingen. De verwachting is dat op grond van de Regeling hetzelfde aantal aanvragen voor de jaren 2025 en 2026 worden ingediend.

De Regeling heeft tot gevolg dat verschillende handelingen moeten worden verricht. Zorgaanbieders in de wijkverpleging dienen in de eerste plaats kennis te nemen van de Regeling (1). Voor een inschatting van het aantal zorgaanbieders dat kennisneemt van de Regeling, zijn cijfers uit 2024 van de Nederlandse Zorgautoriteit als uitgangspunt genomen.1 Dit aantal bedraagt 2.434.

De Regeling is nieuw. Het betreft geen wijziging van een al bestaande regeling en zal dus in zijn geheel moeten worden doorgenomen door de bestuurder (met een uurtarief van € 91,00), hoge manager (met een uurtarief van € 91,00), hoogopgeleide kenniswerker (met een uurtarief van € 60,00) en administratief personeel (met een uurtarief van € 60,00) van de zorgaanbieder.2 Bij een tijdsbesteding van 5 minuten bedragen de kosten voor kennisneming van een bestuurder en hoge manager (1/12) * € 91,00 = € 7,58. De kosten voor kennisneming van een hoogopgeleide kenniswerker en administratief personeel bedragen (1/12) * € 60,00 = € 5,00. De totale kosten per zorgaanbieder bedragen (2 * € 7,58 =) € 15,16 + (2 * € 5,00 =) € 10,00 = € 25,16.

De kosten voor kennisneming voor alle 2.434 zorgaanbieders in de wijkverpleging bedragen € 25,16 * 2.434 = € 61.239,44.

Als de zorgaanbieder, na kennis te hebben genomen van de Regeling, besluit een aanvraag in te dienen, dan moeten verschillende gegevens worden aangeleverd (2).

De last voor het aanvragen van de subsidie wordt geschat op ongeveer € 8,00 per leerling-werknemer. Dit is berekend op basis van de tijd, 10 minuten per gerealiseerde opleiding, die de werkgever kwijt is aan het aanvragen. Dit betekent dat de administratieve lasten voor de subsidieaanvragen, uitgaande van aanvragen voor circa 5.000 leerlingen (net zoals bij het Opleidingsfonds Wijkverpleging 2024) neerkomen op 5.000 * € 8,00 = € 40.000,00.

Bij de subsidieaanvraag dient de aanvrager te beschikken over een administratie die in elk geval bestaat uit:

  • een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek per leerling-werknemer;

  • gegevens waaruit blijkt dat de leerling-werknemer deel heeft genomen aan de beroepspraktijkvorming of aan de beroepsuitoefening binnen een duale opleiding;

  • een afschrift van een overeenkomst met een zorgverzekeraar betreffende wijkverpleging met factuur en bijbehorend betaalbewijs in de vorm van een bankafschrift.

Over de overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dient de aanvrager, voor de verzorging van het onderricht in de praktijk, al te beschikken. Datzelfde geldt voor de gegevens waaruit blijkt dat de leerling-werknemer deel heeft genomen aan de beroepspraktijkvorming of aan de beroepsuitoefening binnen een duale opleiding. Die gegevens zijn onder meer van belang voor de beoordeling door een onderwijsinstelling of de leerling of student het praktijkdeel heeft gehaald.

Over een overeenkomst met een zorgverzekeraar met factuur dient de aanvrager eveneens te beschikken.

De aanvrager hoeft bovengenoemde gegevens niet aan te leveren, maar hoeft er enkel over te beschikken. De informatie is namelijk van belang om de aanvraag naar waarheid in te vullen. De last van het bijhouden van bovenstaande gegevens maakt al onderdeel uit van de bedrijfsadministratie en levert dus geen extra werk op.

Als de aanvraag betrekking heeft op een leerling-werknemer die een opleiding in de derde leerweg volgt, dan dient de aanvrager een ondertekende de-minimisverklaring aan te leveren. De tijd die hiermee gemoeid gaat is naar verwachting 1,0 uur voor administratief personeel (met een uurtarief van € 60,00) en 0,5 uur voor een hoge manager (met een uurtarief van € 91,00). De kosten per aanvrager bedragen (1,0 * € 60,00 =) € 60,00 + (0,5 * € 91,00 =) € 45,50 = € 105,50.

Een aanvrager wiens aanvraag de grens van € 125.000,00 overschrijdt, is verplicht om een assurancerapport aan te leveren. De accountantskosten voor het opstellen van zo een rapport bedragen € 5.000,00 per aanvrager. Het aantal aanvragers wiens aanvraag de grens van € 125.000,00 overschrijdt, wordt geschat op 216. De kosten voor alle aanvragers bedragen € 5.000,00 * 216 = € 1.080.000,00.

Een aanvrager die niet verplicht is om een assurancerapport te overleggen kan, voorafgaand aan de vaststelling van de subsidie, worden geselecteerd voor een steekproef door DUS-I. Dat zijn aanvragers wiens aanvraag de grens van € 125.000,00 niet overschrijdt. Het aantal aanvragers wiens aanvraag die grens niet zal overschrijden wordt geschat op 134.

De tijd die gemoeid gaat met de steekproef is afgerond een uur. Bij een uurtarief van € 60,00 bedragen de kosten per aanvrager € 60,00 * 1,0 = € 60,00.

Naar schatting wordt 25% van de aanvragers (afgerond 34 aanvragers) ook daadwerkelijk onderworpen aan een steekproef. De kosten die daarmee gepaard gaan bedragen € 60,00 * 34 = € 2.040,00.

Subsidie

Taak

Uitvoerder

Tarief p/u in €

Eenheid (uren)

Kosten (€)

> € 125.000

 

Bestuurder

91

   
 

3

Hoge managers

91

5

455,00

   

Hoog opgeleide kenniswerker

60

   
 

2

Administratief personeel

60

1

60,00

 

3

Accountant

 

5.000,00

 

1

 

 

25,16

Totaal per aanvrager

   

 

5.540,16

Totaal van 216 aanvragers

       

1.196.674,56

< € 125.000

4

Bestuurder

91

2

182,00

   

Hoge manager

91

   
   

Hoog opgeleid kenniswerker

60

   
 

4,2

Administratief personeel

60

1

120,00

   

Accountant

   
 

1

     

25,16

Totaal per aanvrager

       

327,16

Totaal van 134 aanvragers

       

43.839,44

Internetconsultatie

Van 8 januari 2026 tot en met 22 januari 2026 hebben veldpartijen middels een internetconsultatie kunnen reageren op de Regeling. De reacties waren overwegend positief. Het doel van de Regeling om zorgaanbieders in de wijkverpleging te stimuleren om te investeren in het opleiden en begeleiden van leerling-werknemers wordt onderschreven.

In een aantal reacties is bezwaar geuit tegen de verplichting om een de-minimisverklaring te overleggen als een aanvraag betrekking heeft op een leerling-werknemer die een opleiding in de derde leerweg volgt.

Zoals hierboven is toegelicht kan op grond van deze Regeling subsidie worden verstrekt ten behoeve van het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers die een zorgopleiding volgen die niet door de Staat wordt bekostigd. In één van de reacties wordt onder verwijzing naar het ‘Eindrapport – Onderzoek Verbreding wettelijke taak LLO’3 twijfel geuit over de kwalificatie staatssteun voor opleidingen in de derde leerweg. In dit rapport staat duidelijk vermeld dat opleidingen in de derde leerweg buiten de wettelijke bekostigingsstructuur vallen.

Als deze zorgopleidingen overwegend met private middelen worden gefinancierd, dan kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van staatssteun. Om de subsidie ten behoeve van de leerling-werknemers die een opleiding in de derde leerweg volgen in overeenstemming met de staatssteunregels te verlenen, is ervoor gekozen om de subsidie voor deze categorie als de-minimissteun te kwalificeren. Om aan de voorwaarden voor het verlenen van de-minimissteun te voldoen, is de verplichting opgenomen om een de-minimisverklaring te overleggen als de aanvraag betrekking heeft op een leerling-werknemer in de derde leerweg.

Er is verder bezwaar geuit tegen het aan te leveren assurancerapport door aanvragers wiens aanvraag de grens van € 125.000,00 overschrijdt. Zoals hieronder is toegelicht (artikelsgewijze toelichting op artikel 2) volgt dit vereiste uit de Kaderregeling. Hier kan niet van worden afgeweken.

Er is tot slot een vraag gesteld over de mogelijkheid om subsidie uit hoofde van deze Regeling te stapelen met andere subsidies. In zijn algemeenheid geldt dat stapeling van subsidie uit hoofde van deze Regeling met subsidie uit hoofde van de subsidie Strategisch Opleiden in Zorg en Welzijn (activiteit 1), Subsidieregeling stageplaatsen zorg II en Subsidieregeling praktijkleren is toegestaan.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Definitiebepaling

In artikel 1 worden de begrippen gedefinieerd. De begrippen die nadere uitleg behoeven worden hieronder toegelicht.

AGB-code

Met een AGB-code kan worden gecontroleerd of de aanvrager daadwerkelijk een zorgaanbieder in de wijkverpleging is die in aanmerking komt voor subsidie krachtens de Regeling. Op basis van het nummer waarmee de zorgaanbieder is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK-nummer) controleert de minister de AGB-registratie en SBI-code.

Voor de wijkverpleging gelden vooralsnog de volgende AGB-codes: AGB-code 41 PGB-aanbieders/beheerstichtingen en AGB-code 75 thuiszorginstellingen. Voor wat betreft de SBI-code wordt gekeken naar de betreffende code voor thuiszorg, SBI-code 88101. Als in de toekomst ook andere AGB-codes en SBI-codes van toepassing zullen zijn op zorgaanbieders in de wijkverpleging, dan worden deze codes tijdig gepubliceerd op de website van de uitvoerder van de Regeling, de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (hierna: DUS-I).

Beroepspraktijkvorming

Artikel 7.2.8, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bepaalt dat onderricht in de praktijk van het beroep deel uitmaakt van elke beroepsopleiding. De beroepspraktijkvorming kan voor een deel plaatsvinden in de periode waarin de student is ingeschreven voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier of tijdens het onderwijsprogramma op basis van een of meer keuzedelen.

Leerling-werknemer

Zowel de beroepsopleidingen als de duale opleidingen worden gevolgd op basis van een overeenkomst tussen de onderwijsinstelling, de student en het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming of beroepsuitoefening verzorgt. Ingevolge artikel 7,2.8, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs omvat de overeenkomst ten minste bepalingen over de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming alsmede het totale aantal te volgen praktijkuren en de verdeling daarvan over de studiejaren. Tevens omvat de overeenkomst bepalingen over de begeleiding van de student, het deel van de kwalificatie dan wel het keuzedeel, de keuzedelen of het deel daarvan dat de beroepspraktijkvorming omvat alsmede de wijze van beoordeling van de beroepspraktijkvorming en de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.

Voor de duale opleidingen omvat de overeenkomst ingevolge artikel 7.7, vijfde lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ten minste bepalingen over de duur van de overeenkomst en de tijdsduur van de periode of perioden van de beroepsuitoefening, de begeleiding van de student, dat deel van de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden dat de studenten tijdens de periode(n) van beroepsuitoefening dient te realiseren en de beoordeling daarvan. Daarnaast zijn in de overeenkomst bepalingen opgenomen over de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.

Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling

Dit artikel verklaart de artikelen 1.5, onder b, 4.1, eerste lid, 7.3, 7.5, zesde lid, en artikel 10.1 van de Kaderregeling niet van toepassing.

Artikel 1.5, onder b, is uitgezonderd omdat de subsidie per gerealiseerde prestatie-eenheid zonder voorafgaande verlening wordt vastgesteld.

Uit artikel 4.1, eerste lid, volgt dat de minister besluit binnen 13 weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend. Deze termijn past niet bij de Regeling, omdat vanwege de steekproeven in elk geval bij een deel van de aanvragen meer tijd nodig is om een beslissing te nemen.

Artikel 7.3 is uitgezonderd, omdat de Regeling niet vereist dat aan de hand van een activiteitenverslag en een opgave van de totale kosten wordt aangetoond dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht.

Van artikel 7.5, zesde lid, wordt afgeweken in verband met een langere beslistermijn die nodig is in verband met de hiervoor genoemde steekproeven (zie ook de toelichting bij artikel 10).

Uitzonderen van artikel 10.1 maakt het mogelijk om ook subsidies onder € 125.000 te verlenen voor de subsidiabele activiteiten genoemd in de Regeling.

Het tweede lid van dit artikel verklaart artikel 7.5, tweede lid en vierde lid, van de Kaderregeling van overeenkomstige toepassing vanwege het vereiste van het overleggen van een assurancerapport indien de subsidieaanvraag voor meetbare prestatie-eenheden € 125.000 of meer bedraagt. Ingevolge artikel 7.5, vierde lid is het assurancerapport opgesteld door een accountant overeenkomstig het door de minister vastgesteld accountantsprotocol dat te vinden is op https://www.dus-i.nl/.

Artikel 3. Doel van de Regeling

De Regeling heeft als doel het stimuleren van zorgaanbieders in de wijkverpleging om te investeren in het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers ten behoeve van de instroom van personeel in de wijkverpleging. Het opleiden van leerling-werknemers in de wijkverpleging is voor werkgevers tijd- en kostenintensief, omdat er sprake is van een één op één werk- en begeleidingssituatie. Werkbegeleiders die een leerling-werknemer begeleiden maken geen productieve (en daarmee geen declarabele) uren. Daarnaast ontvangen leerling-werknemers wel een salaris, maar zijn zij niet of beperkt inzetbaar. De tegemoetkoming in de werkgeverskosten waar deze Regeling in voorziet, vormt een stimulans voor de zorgaanbieders om te investeren in het opleiden en begeleiden van leerling-werknemers.

Artikel 4. Subsidiabele activiteiten

Op grond van de Regeling verstrekt de minister op aanvraag van de zorgaanbieder in de wijkverpleging subsidie aan de zorgaanbieder als tegemoetkoming in de kosten voor het opleiden inclusief begeleiding van leerling-werknemers. Om voor subsidie in aanmerking te komen moet een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, zijn gesloten tussen de leerling-werknemer en de aanvrager. De subsidiabele periode is vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2026.

De Regeling ziet op de volgende categorieën leerling-werknemers die een zorgopleiding volgen bij een onderwijsinstelling in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek:

Categorie

Leeftijd

Achtergrond

Initiële instromer

onder 21 jaar

instroom vanaf de middelbare school

Zij-instromer

vanaf 21 jaar

instroom vanuit een andere sector, niet zijnde de zorg

Doorstromer

vanaf 21 jaar

leerlingen die een helpende, verzorgende Individuele Gezondheidszorg (IG) of opleiding verpleegkunde hebben en een vervolgopleiding volgen. Bijvoorbeeld een verzorgende IG die een Beroepsbegeleidende leerweg tot verpleegkundige mbo-niveau 4 gaat volgen

Een aanvrager die mbo-leerlingen begeleidt komt alleen in aanmerking voor subsidie als hij een door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) erkend leerbedrijf is. De wettelijke erkenning van leerbedrijven voor het mbo is opgedragen aan de SBB.

Subsidiabele maanden

Een maand komt voor subsidie in aanmerking indien de leerling-werknemer op de eerste dag van die maand feitelijk deelneemt aan de activiteit waarvoor subsidie wordt verstrekt. Indien de deelname aanvangt na de eerste dag van de maand, komt die maand niet voor subsidie in aanmerking. Indien de deelname eindigt na de eerste dag van de maand, blijft de betreffende maand wel subsidiabel.

Artikel 5. Subsidieplafond

Voor verstrekking van subsidies is een subsidieplafond vastgesteld voor de looptijd van de Regeling. Dit plafond bedraagt € 118.000.000 waarvan € 59.000.000 voor kalenderjaar 2025 en hetzelfde bedrag in kalenderjaar 2026. Indien het subsidieplafond niet wordt uitgeput, verdeelt de minister het beschikbare bedrag gelijkmatig over het aantal subsidiabele gerealiseerde opleidingsmaanden.

Artikel 6. Hoogte van de subsidie

De subsidie bestaat uit een bedrag per maand per leerling-werknemer voor de periode dat de leerling-werknemer is ingeschreven bij een opleiding die is genoemd in bijlage I, II of III. De hoogte van het maandelijkse bedrag is afhankelijk van het opleidingsniveau, het leerjaar en de leeftijd van de leerling-werknemer. Het opleidingsniveau varieert van helpende, verzorgende en verpleegkundige op mbo-niveau 2 tot en met mbo-niveau 4 en verpleegkundige op hbo-niveau. Voor doorstromers in de opleidingen tot verzorgende, mbo-verpleegkundige en hbo-verpleegkundige en voor mbo-certificaten betreffende de opleidingen die zijn genoemd in bijlage III, geldt eveneens een bedrag per maand.

In de hoogte van het maandelijkse bedrag is rekening gehouden met loonkosten, inclusief benodigde begeleidingskosten en overige studiekosten. Tevens zijn in de berekening van het maandelijkse bedrag de declarabele uren van de leerling-werknemer meegenomen alsmede de subsidiebaten uit andere regelingen, die ook genoemd zijn in de algemene toelichting (SectorplanPlus 2024–2025, Subsidieregeling praktijkleren en Subsidieregeling stageplaatsen zorg II).

Artikel 7. Subsidieaanvraag

De aanvraag voor subsidie voor kalenderjaar 2025 kan worden ingediend van 1 juni 2026 9:00 uur tot en met 30 juni 2026 13:00 uur en voor kalenderjaar 2026 van 1 juni 2027 9:00 uur tot en met 30 juni 2027 13:00 uur (eerste lid). Indien een subsidieaanvraag te laat wordt ingediend, wordt de aanvraag afgewezen.

Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt, dat te vinden is op het Subsidieplatform via https://www.dus-i.nl/. In dit formulier staat vermeld welke gegevens de aanvrager dient aan te leveren. De aanvrager levert bij de aanvraag een opgave per opleiding, instroom van het aantal leerling-werknemers en de totale maanden die betrekking hebben op het kalenderjaar (tweede lid) aan. De aanvrager moet ook het aantal leerling-werknemers per kalenderjaar, welke opleiding is gevolgd, de leeftijd van de leerling-werknemer en waar mogelijk het aantal behaalde mbo-certificaten of diploma’s vermelden in een door de minister vastgesteld format, dat te vinden is op https://www.dus-i.nl/.

Daarnaast levert de aanvrager een afschrift van een overeenkomst met een zorgverzekeraar betreffende wijkverpleging aan, in combinatie met factuur en bijbehorend betaalbewijs in de vorm van een bankafschrift. Uit deze documenten blijkt dat in het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd wijkverpleging daadwerkelijk is verleend. Het format ten behoeve van de bestuursverklaring is te vinden op https://www.dus-i.nl/.

Indien de subsidieaanvraag € 125.000 of meer bedraagt, overlegt de aanvrager conform artikel 7.5, tweede lid, van de Kaderregeling een assurancerapport dat opgesteld is door een accountant overeenkomstig het door de minister vastgesteld accountantsprotocol dat te vinden is op https://www.dus-i.nl/.

Indien de aanvraag betrekking heeft op een leerling-werknemer die een opleiding in de derde leerweg volgt, dient de aanvrager een ondertekende de-minimisverklaring in waaruit blijkt dat de subsidie het totale bedrag aan de-minimissteun dat de aanvrager onder de de-minimisverordening reeds heeft ontvangen, niet zodanig doet toenemen dat het plafond van € 300.000 over een periode van drie jaar wordt overschreden. Als het de-minimisplafond is bereikt, mag aan de onderneming in het betreffende jaar geen de-minimissteun worden verleend. Het model voor de de-minimisverklaring is te vinden op https://www.dus-i.nl.

Artikel 8. Weigeringsgronden

In dit artikel is bepaald dat de minister een subsidieaanvraag kan weigeren als niet wordt voldaan aan het bepaalde in deze subsidieregeling en in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Een subsidieaanvraag kan ook worden geweigerd als een maatregel door de IGJ is getroffen, zoals het onder verscherpt toezicht stellen van de zorgaanbieder. Indien blijkt dat de subsidiabele activiteiten niet of slechts deels zijn uitgevoerd, wordt de subsidie met inachtneming van artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht lager vastgesteld.

Artikel 9. Vaststelling zonder voorafgaande subsidieverlening

Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de wijze van bekostiging vanuit het Opleidingsfonds Wijkverpleging, wordt de subsidie zonder voorafgaande verlening vastgesteld. De zorgaanbieder in de wijkverpleging, die aan de voorwaarden van de Regeling voldoet, ontvangt de subsidie als tegemoetkoming in de kosten over kalenderjaar 2025 in kalenderjaar 2026. De subsidie voor de kosten die in kalenderjaar 2026 worden gemaakt, wordt in kalenderjaar 2027 verstrekt.

De minister besluit, in afwijking van artikel 7.5, zesde lid, binnen 22 weken na afloop van de in artikel 7, eerste lid, onder a en b, genoemde perioden waarin een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend.

Artikel 10. Onderzoek

Voorafgaand aan de vaststelling van de subsidie zal DUS-I als uitvoerder van de Regeling aan de hand van steekproeven controleren of de aanvrager, die niet verplicht is om een assurancerapport te overleggen, aan de voorwaarden en verplichtingen van deze Regeling voldoet. De subsidieaanvrager zal op verzoek gegevens overleggen waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is aangevraagd zijn verricht. In artikel 5.4 van de Kaderregeling is deze bevoegdheid geregeld ten aanzien van subsidieontvangers.

Bij de subsidieaanvrager kunnen documenten zoals bewijzen van inschrijving, de overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waar mogelijk afschriften van behaalde mbo-certificaten en tevens bankafschriften of salarisstroken van de eerste en laatste maand worden opgevraagd. Indien de door de aanvrager aangeleverde documenten naar het oordeel van DUS-I niet toereikend zijn voor controle op de naleving van de subsidievoorwaarden kunnen aanvullende documenten worden opgevraagd.

Artikel 11. Hardheidsclausule

Deze bepaling bevat een hardheidsclausule. Toepassing van de hardheidsclausule is aan strenge eisen gebonden en er zal met grote terughoudendheid gebruik van worden gemaakt. Het is evenwel niet op voorhand uit te sluiten dat zich omstandigheden zullen voordoen die noodzaken tot afwijken van deze Regeling.

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk


X Noot
1

‘Kerncijfers wijkverpleging’, www.nza.nl.

X Noot
2

Bron CVBS: Bruto uurloon plus gemiddelde opslag voor werkgeverslasten.

X Noot
3

S. Broek e.a., Eindrapport – Onderzoek Verbreding wettelijke taak LLO, Den Haag: 2015, www.rijksoverheid.nl.


X Noot
1

‘Kerncijfers wijkverpleging’, www.nza.nl.

X Noot
2

Bron CVBS: Bruto uurloon plus gemiddelde opslag voor werkgeverslasten.

X Noot
3

S. Broek e.a., Eindrapport – Onderzoek Verbreding wettelijke taak LLO, Den Haag: 2015, www.rijksoverheid.nl.

Naar boven