Regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 10 mei 2026, nr. WJZ/ 105480994, houdende wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies in verband met de subsidiemodule Marktintroductie energie-innovaties

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, 5 16 en 19, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.10.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De definitie van kasenergiesysteem komt te luiden:

kasenergiesysteem:

alle apparatuur, installaties of machines ten behoeve van de energievoorziening van de kas of de beheersing van het kasklimaat en energiebesparende kasconstructies waaronder kasdekmaterialen;.

2. De definitie van kasteeltsysteem vervalt.

3. In de alfabetische volgorde worden de volgende definities ingevoegd:

kasteeltsysteem voor oogst en verwerking:

geheel van maatregelen, technieken en voorzieningen voor de oogst en verwerking van gewassen, niet zijnde een kasenergiesysteem;

kasteeltsysteem voor productie:

geheel van maatregelen, technieken en voorzieningen voor de productie van gewassen, waarbij het systeem onderdelen kan bevatten die een bijdrage kunnen leveren aan de energiebesparing van een kasenergiesysteem;.

B

In artikel 2.10.2, eerste lid, aanhef, vervalt ‘kas of een’.

C

Artikel 2.10.3, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen a tot en met c, komen te luiden:

  • a. voor investeringen in een kasenergiesysteem, indien:

    • 1°. de nieuwbouwkas geen glas heeft dat voldoet aan artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel i, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;

    • 2°. de kas niet is voorzien van:

      • minimaal 2 tegelijkertijd en onafhankelijk van elkaar te sluiten energieschermen;

      • teeltkundig vereiste verduisteringsschermen; en

      • wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen;

  • b. voor investeringen in een kasenergiesysteem, voor bestaande bouw en nieuwbouw, die niet ten minste leiden tot:

    • 1°. 25 procent reductie van CO2-emissie uit de glasopstanden ten opzichte van de bestaande situatie van het project; en

    • 2°. 15 procent primaire energiereductie ten opzichte van de bestaande situatie van het project;.

  • c. voor investeringen in een kasenergiesysteem, indien deze zich niet in de beginfase van de marktintroductie bevindt;

b. In onderdeel f, subonderdeel 2, wordt na ‘kasteeltsysteem’ toegevoegd ‘voor oogst en verwerking’.

c. Onderdeel k komt te luiden:

  • k. voor investeringen in een kasenergiesysteem:

    • 1°. bij bestaande bouw indien niet alle investeringen als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies zijn gedaan;

    • 2°. bij een nieuwbouwkas met lichtdoorlatend kasdek indien niet alle investeringen voor schermen en kasdek voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies zijn gedaan;

    • 3°. bij een nieuwbouwkas met een gedeeltelijk niet-lichtdoorlatend kasdek, indien:

      • het kasdek niet volgens een logisch en efficiënt plan zo volledig mogelijk is bedekt met zonnepanelen, en de opgewekte energie voor minder dan 70% op jaarbasis wordt gebruikt in het eigen bedrijf, en

      • een deel van het teeltproces plaatsvindt onder het niet- lichtdoorlatende kasdek met daarbij aantoonbare rendabele teelt in teelttechnische en financiële kaders;

    • 4°. als deze betrekking heeft op een kasteeltsysteem voor productie indien:

      • hiermee minder dan 5 m3 gas per m2 glasopstand per jaar wordt bespaard; of

      • niet is onderbouwd met een berekening en op basis van onderzoek samen met KWIN of praktijkgegevens welk deel van de investering in het kasteeltsysteem voor productie toegekend wordt aan het kasenergiesysteem.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Een kasenergiesysteem bevindt zich niet in de beginfase van de marktintroductie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, indien er al op grond van artikel 2.10.2, eerste lid, voor 10 aanvragen voor een gelijksoortig kasenergiesysteem subsidie is verleend.

D

Artikel 2.10.9, derde lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. informatie over het gemiddelde energieverbruik van de afgelopen jaren door middel van:

    • 1°. voor een bestaande kas: een overzicht van het energieverbruik over de afgelopen drie jaar waar de subsidie op grond van deze titel wordt uitgevoerd met een gemiddelde over deze drie jaar;

    • 2°. voor een nieuwbouwkas: een overzicht van het energieverbruik over de afgelopen drie jaar waar de subsidie op grond van deze titel wordt uitgevoerd met een gemiddelde over deze drie jaar van een bestaande gelijksoortige kas;

    • 3°. voor een bestaande of nieuwbouwkas kas waarbij energiebesparende of hernieuwbare energiemaatregelen zijn geïmplementeerd: teeltgemiddelden als bedoeld in de KWIN Glastuinbouw en een toelichting op het niet toe kunnen passen van subonderdeel 1° of 2° van dit onderdeel;.

ARTIKEL II

In artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt in de numerieke volgorde een rij ingevoegd, luidende:

Titel 2.10 Marktintroductie energie-innovaties

2.10.2

Glastuinbouwonderneming

Marktintroductie energie-innovaties

08-09-2026 t/m 24-09-2026

€ 8.500.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 10 mei 2026

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Doel en aanleiding

Met de onderhavige regeling wordt de subsidiemodule Marktintroductie energie-innovaties (hierna: subsidiemodule MEI) op een aantal onderdelen gewijzigd. De MEI-regeling heeft als doel innovatieve kasenergiesystemen te stimuleren die nog niet gangbaar zijn in de markt. Naar aanleiding van stakeholderoverleggen en interne evaluaties is besloten de regeling op enkele punten aan te scherpen en te verduidelijken om beter aan te sluiten bij de praktijk en de klimaatdoelstellingen.

De belangrijkste wijzigingen betreffen een verruiming van de definitie van een kasenergiesysteem, specifiekere eisen voor nieuwbouw met niet-lichtdoorlatende kasdekken en een aanpassing van de eisen voor teeltsystemen. Tevens wordt het maximum aantal aanvragen per type systeem te verlaagt, om het innovatieve karakter van de regeling te borgen.

2. Openstelling

De openstelling van de subsidiemodule MEI loopt vanaf 8 september 2026 tot en met 24 september 2026 met een subsidieplafond van € 8.500.000. Deze periode is gekozen om aanvragers voldoende gelegenheid te geven om een aanvraag in te dienen.

3. Staatssteun

De subsidiemodule MEI behelst investeringssteun die moet worden aangemerkt als staatssteun. De steun is gericht op investeringen ten behoeve van energie-efficiëntiemaatregelen en bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen als omschreven in respectievelijk artikel 38 en 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

4. Notificatie

In artikel I onderdeel c is een verwijzing opgenomen naar artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel i, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. Deze bepaling is als technisch voorschrift op grond van Richtlijn (EU) 2015/1535 genotificeerd onder nummer 2026/0162.

5. Consultatie

Bij de totstandkoming van deze wijzigingen is nauw samengewerkt met betrokkenen in de sector. Er heeft onder meer een stakeholderoverleg plaatsgevonden op 22 januari 2026 en een werkgroepsvergadering op 28 januari 2026. De inbreng vanuit deze sessies, waaronder de wens om KWIN-gegevens te mogen gebruiken als referentie en de nuancering van eisen rondom zonnepanelen bij indoor teelt, is reeds verwerkt in deze regeling.

6. Regeldruk

Regeldrukeffecten zijn alle investeringen en inspanningen die burgers, bedrijven en/of professionals moeten doen om zich aan verplichtingen in regelgeving te houden (definitie Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)). In onderstaande berekening wordt onderscheid gemaakt tussen de tijd die nodig is voor het indienen van een aanvraag, en de tijd die na verlening van de subsidie nodig is voor de uitvoering gedurende de looptijd van de subsidie en de vaststelling. Voor de berekening van de interne uren is uitgegaan van een gemiddeld uurtarief van € 150,–.

Bij het aanvragen van de subsidie is tijd nodig voor kennisname van de regeling en procedure, het invullen van het digitale aanvraagformulier, en eventueel het indienen van een vrijwillig projectidee of overleg via een vraaguurtje met RVO. In tegenstelling tot eenvoudigere investeringsregelingen, vereist de MEI het schrijven van een inhoudelijk projectplan CO2-besparing inclusief een begroting. Naar verwachting zal dit de meeste voorbereidingstijd van de aanvrager vragen. Tot slot dient RVO vast te stellen dat er geen sprake is van een onderneming in moeilijkheden. Hoewel dit een intensieve toets is waarbij stukken moeten worden aangeleverd, levert dit in de praktijk slechts een beperkte regeldruk op, omdat dit pas laat in het proces en steekproefsgewijs (ca. 1%) op de te beschikken aanvragen wordt gecontroleerd. De totale administratieve lasten voor de aanvraagfase worden zodoende geraamd op € 23.288,–.

Na verlening van de subsidie heeft de aanvrager tijd nodig voor het bijhouden van de project- en urenregistratie, wat verplicht is omdat MEI-projecten de grens van € 125.000,– subsidie doorgaans overschrijden. Voor projecten die langer dan een jaar duren is bovendien een jaarlijkse voortgangsrapportage verplicht. RVO faciliteert dit proces zo efficiënt mogelijk in haar systemen. Indien een project geheel volgens plan verloopt, kan dit digitaal worden bevestigd waardoor de urenlast beperkt blijft.

Daarnaast is er tijd ingecalculeerd voor wijzigingsverzoeken. Deze komen in de praktijk veel voor, bijvoorbeeld bij het wijzigen van een leverancier of het verzetten van de einddatum. Deze zijn systeemtechnisch noodzakelijk voordat de uiteindelijke vaststelling in gang kan worden gezet. De bevoorschotting verloopt automatisch en lineair per kwartaal (waarbij 10% wordt achtergehouden) en levert de aanvrager geen extra administratieve handelingen op. De totale administratieve lasten gedurende de uitvoering bedragen hiermee € 14.625,–.

Bij het passeren van de einddatum van het project dient de aanvrager een verzoek tot vaststelling inclusief financiële verantwoording in te dienen. Hiervoor moet tevens een eindrapport worden geschreven, waarin verantwoord wordt in hoeverre de in het projectplan beloofde resultaten daadwerkelijk zijn gerealiseerd. Als het subsidiebedrag hoger is dan € 125.000,–, is een controleverklaring van een accountant wettelijk verplicht. RVO hoeft hierdoor niet standaard facturen en betaalbewijzen op te vragen tenzij een project in een specifieke steekproef valt. Het inschakelen van de accountant vormt echter wel een aanzienlijke last in uren en externe kosten (geraamd op € 5.000,– per verklaring) en vergt extra interne afstemming en eventuele doorlooptijd. De totale administratieve lasten voor de eindverantwoording, inclusief externe accountantskosten, komen hiermee uit op € 253.625,–.

Daarnaast is er een kleine post voor overige en situatie-afhankelijke verplichtingen, zoals mogelijke bezwaarprocedures en het bijwonen van hoorzittingen, hetgeen uitkomt op € 450,–.

De totale administratieve lasten voor de MEI-subsidieregeling komen daarmee uit op € 292.438 per openstelling. Afgezet tegen het totale beschikbare subsidiebedrag van € 8.500.000,– resulteert dit in een totale regeldruk van 3,44%.

Deze berekening is gedeeld met het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). De regeldruk is voldoende in kaart gebracht, ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen significante gevolgen voorziet voor de regeldruk.

7. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026, een vast verandermoment. Hiermee wordt afgeweken van het uitgangspunt dat de bekendmaking uiterlijk twee maanden voor inwerkingtreding geschiedt. Deze afwijking is op grond van Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onderdeel a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving gerechtvaardigd omdat uitstel van inwerkingtreding tot aanmerkelijke ongewenste nadelen voor de doelgroep zal leiden. Indien de regeling later wordt gepubliceerd hebben aanvragers minder tijd om zich voor te bereiden omdat zij dan later duidelijkheid krijgen over de precieze voorwaarden. Bovendien zijn de gevolgen van deze regeling voor de sector en RVO relatief beperkt en is de sector geïnformeerd over de voorgenomen wijzigingen.

II. ARTIKELEN

Artikel I Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Onderdeel A (artikel 2.10.1)

De definitie van kasenergiesysteem in artikel 2.10.1 wordt gewijzigd. Voorheen was deze definitie beperkt tot apparatuur, installaties of machines. In de praktijk bleek dit te beperkt, omdat ook constructieve aanpassingen aan de kas significant kunnen bijdragen aan energiebesparing. Daarom is de definitie verruimd met energiebesparende constructies inclusief kasdekmaterialen. Hiermee vallen nu ook passieve energiebesparende maatregelen, zoals innovatieve kasdekken of isolerende constructies aan de binnen- of buitenzijde van de kas, expliciet onder de subsidiabele kosten. Het begrip kassysteem zal niet langer gelden in de regeling. Uit de praktijk bleek dat dit begrip te breed was, waardoor subsidie kon worden aangevraagd voor algemene kasconstructies die niet primair of onvoldoende gericht waren op energie-innovatie. De focus ligt nu volledig op het kasenergiesysteem dat kan worden toegepast bij zowel bestaande bouw als nieuwbouw (zowel met lichtdoorlatend als niet-lichtdoorlatend kasdek). Het verwachte gevolg hiervan is dat de regeling eenduidiger en technologieneutraal wordt en dat de beschikbare subsidiemiddelen gerichter worden ingezet voor daadwerkelijke innovatieve energie- en klimaatprestaties, ongeacht het type kas waarin deze worden gerealiseerd.

Daarnaast wordt de definitie kasteeltsystemen uitgesplitst in een twee functies, namelijk een systeem voor de oogst en verwerking en een systeem voor productie. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat productiesystemen direct invloed kunnen uitoefenen op het energieverbruik en het kasklimaat, terwijl systemen voor oogst en verwerking primair gericht zijn op logistiek of arbeidsbesparing en daarmee beperkt bijdragen aan de energiedoelstelling van deze regeling. Voorheen werd in artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel f, onderdeel twee, de aanvraag om een subsidie afgewezen als er investeringen werden aangevraagd voor kasteeltsystemen. Omdat de mogelijkheid is toegevoegd in artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel l, om subsidie aan te vragen voor investeringen in een kasenergiesysteem als deze betrekking heeft op een kasteeltsysteem voor productie onder bepaalde voorwaarden, was het noodzakelijk te verduidelijken om welke kasteeltsystemen het gaat in beide onderdelen. Artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel f, is geformuleerd overeenkomstig de gewijzigde, meer specifieke, begrippen.

Onderdeel B (artikel 2.10.2)

Uit de praktijk is gebleken dat er ook subsidie werd aangevraagd voor kassystemen omdat dit op grond van het eerste lid mogelijk was. Daarom is in de regeling bewust gekozen geen definitie op te nemen voor kassystemen. Op meerdere plekken is in de regeling dan ook het begrip kassystemen komen te vervallen.

Onderdeel C (artikel 2.10.3)

In navolging op de wijziging in artikel 2.10.2 waarbij de kas als zelfstandig subsidiabel object is geschrapt, stelt artikel 2.10.3 voorwaarden aan investeringen in een kasenergiesysteem. Hoewel de kas zelf niet meer subsidiabel is, is het innovatieve kasenergiesysteem in de praktijk onlosmakelijk verbonden met de fysieke kas waarin het wordt geïnstalleerd. Zodoende worden er via het kasenergiesysteem indirect randvoorwaarden gesteld aan de kas zelf. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen investeringen in kasenergiesystemen bij bestaande bouw en bij nieuwbouw. Dit onderscheid is noodzakelijk omdat het referentiekader voor energie- en klimaatprestaties bij nieuwbouw wezenlijk anders en veelal hoger ligt dan bij bestaande kassen. Van nieuwbouwkassen wordt standaard al een gevorderde mate van verduurzaming verwacht, wat zich bijvoorbeeld vertaalt in strenge eisen omtrent de toepassing van specifiek lichtdoorlatend glas en meervoudige schermen. Om te borgen dat deze subsidiemodule uitsluitend extra innovatieve stappen stimuleert die boven de marktstandaard uitstijgen en om te voorkomen dat reguliere (wettelijke) nieuwbouweisen worden gefinancierd, gelden er voor nieuwbouwkassen deels afwijkende en strengere voorwaarden dan voor bestaande bouw. Concreet betekent dit voor nieuwbouwkassen met een lichtdoorlatend kasdek dat de basisuitrusting aan de huidige marktstandaard moet voldoen. Alle reguliere investeringen in energiebesparende schermen en het kasdek (zoals de EG-glaseisen) moeten verplicht zijn gedaan. Hiermee wordt voorkomen dat een innovatief energiesysteem wordt gesubsidieerd in een kas die qua basisisolatie en lichtafscherming suboptimaal is.

De eisen ten aanzien van CO2-emissiereductie en primaire energiereductie zijn verduidelijkt. Investeringen in een kasenergiesysteem (zowel bestaande bouw als nieuwbouw) moeten leiden tot minimaal 25 procent reductie van CO2-emissie en 15 procent primaire energiereductie. Deze reductie wordt berekend ten opzichte van de glasopstanden van het specifieke MEI-project en niet langer ten opzichte van de gehele onderneming of op nationaal niveau, met als reden de impact van het specifieke innovatieproject zuiverder meetbaar te maken.

De geëiste reductie wordt bewust berekend ten opzichte van de glasopstanden van het specifieke MEI-project, en niet over de gehele kas of onderneming. Dit zorgt ervoor dat de energiebesparing en impact van het innovatieproject zuiver meetbaar zijn. Voor nieuwbouwkassen fungeren de glaseisen uit de EG-regeling als minimale ondergrens. Deze EG-eisen vertegenwoordigen de huidige marktstandaard voor duurzame nieuwbouw. Omdat de MEI-subsidie uitsluitend grensverleggende innovaties stimuleert, wordt de EG-standaard als basislijn gebruikt om te voorkomen dat reguliere, reeds gangbare investeringen worden gesubsidieerd.

Voor nieuwbouwkassen zonder lichtdoorlatend kasdek (bijvoorbeeld voor indoor farming/teelt zonder daglicht) zijn specifieke voorwaarden opgenomen:

  • Het project moet worden gerealiseerd op grond met een glastuinbouwbestemming. Realisatie op reguliere bedrijventerreinen is niet gewenst. De MEI-regeling is specifiek ingericht voor de energietransitie van de reguliere glastuinbouwsector. Door de eis van een glastuinbouwbestemming op te nemen, wordt vanuit het oogpunt van afbakening en ruimtelijke ordening voorkomen dat subsidiemiddelen onbedoeld worden aangewend voor de realisatie van grootschalige indoorteeltfabrieken op industrieterreinen of andere locaties buiten de agrarische sector.

  • Er dient een logisch en efficiënt plan te zijn om het kasdek zo volledig mogelijk te bedekken met zonnepanelen. De minimale eis is dat de opgewekte energie voor minimaal 70% op jaarbasis moet worden gebruikt in het eigen bedrijf. Dit percentage is vastgesteld op 70% om rekening te houden met fluctuaties tussen opwek en verbruik en de beperkingen van opslag. De investering in de zonnepanelen zelf komt overigens niet in aanmerking voor MEI-subsidie.

  • Er moet worden aangetoond dat een deel van het teeltproces onder het niet-lichtdoorlatende (het donkere) deel van het kasdek plaatsvindt en dat dit rendabel is. Omdat dit aspect gaat om kassen met een gedeeltelijk (gemengd) kasdek, dient de aanvrager in het projectplan expliciet een teelttechnische en financiële onderbouwing (bijvoorbeeld een businesscase) aan te leveren voor dit donkere gedeelte. De uitvoeringsorganisatie toetst deze onderbouwing aan de hand van gangbare praktijknormen in de sector. Zo wordt geborgd dat er uitsluitend subsidie wordt vrijgegeven voor projecten met een reëel en bewezen economisch perspectief.

  • Er moet worden aangetoond dat er onder het niet-lichtdoorlatende kasdek een teelttechnisch en financieel rendabele teelt mogelijk is.

De regeling maakt onderscheid tussen teeltsystemen gericht op productie en systemen voor oogst en verwerking. Hiertoe zijn in artikel 2.10.1 twee nieuwe afzonderlijke definities opgenomen voor 'kasteeltsysteem voor productie' en 'kasteeltsysteem voor oogst en verwerking', ter vervanging van de brede definitie van 'kasteeltsysteem'. Alleen 'kasteeltsystemen voor productie' komen in aanmerking als zij een substantiële bijdrage leveren aan energiebesparing. De voorgenomen eis voor energiebesparing van 6 m3 aardgas per m2 oppervlakte waar het project over gaat per jaar is bijgesteld naar 5 m3 per m2 per jaar. Deze verlaging volgt uit overleggen met experts en stakeholders uit de glastuinbouwsector. Uit de praktijk blijkt dat een grens van 5 m3 realistischer is voor een bredere groep gewassen. Hierdoor wordt de regeling toegankelijker en wordt bijvoorbeeld het innovatief uitfaseren van het energie-intensieve stomen met aardgas beter gefaciliteerd. Echter is en blijft het doel van de regeling om de energiebehoefte te verduurzamen of energie te besparen terwijl een teeltsysteem niet alleen bijdraagt aan energieverduurzaming, maar tevens kan bijdragen aan de verduurzaming van teelt, watergebruik, gewasgezondheid, bemesting en/ of arbeid. Bij een ‘kasteeltsysteem voor productie’ moet de aanvraag daarom een onderbouwing bevatten waaruit volgt welk deel van de investeringskosten toerekenbaar is aan het kasenergiesysteem (de energiecomponent). Alleen dit deel is immers subsidiabel, niet de kosten die teeltoptimalisatie of arbeidsbesparing beslaan. Deze onderbouwing moet zijn gebaseerd op onderzoek van KWIN of praktijkgegevens.

Om te waarborgen dat de MEI-regeling zich blijft richten op de introductie van innovaties en niet verwordt tot een algemene investeringssubsidie, zal het criterium voor marktverzadiging worden aangescherpt en vereenvoudigd. Allereerst zijn de voorwaarden geschrapt die stelden dat een systeem de marktintroductiefase was gepasseerd indien het op meer dan 5 procent van het potentiële areaal of bij meer dan 5 procent van de ondernemingen werd toegepast. In de praktijk bleken deze criteria moeilijk meetbaar en werden zij niet gebruikt. Daarnaast wordt het maximum aantal gehonoreerde aanvragen per type systeem verlaagd. Voorheen werd aangenomen dat een systeem de beginfase van marktintroductie was gepasseerd na 15 aanvragen. Dit aantal wordt verlaagd naar 10 aanvragen. Indien er reeds 10 aanvragen zijn gehonoreerd voor een gelijksoortig kasenergiesysteem, komt een nieuwe aanvraag niet meer in aanmerking voor subsidie. Om te beoordelen of een systeem daadwerkelijk 'gelijksoortig' is aan de reeds 10 gehonoreerde projecten, kijkt de uitvoeringsorganisatie naar de specifieke technische en teeltkundige toepassing. Van een gelijksoortig systeem is bijvoorbeeld geen sprake indien specifieke omstandigheden zoals de toepassing bij een wezenlijk ander gewas, een ander kastype of een fundamenteel afwijkend energiegebruik zorgen voor een geheel andere invalshoek en nieuwe innovatieve waarde. In dat geval wordt het beschouwd als een nieuwe innovatietoepassing.

Onderdeel D

Artikel 2.10.9 wordt aangepast om meer flexibiliteit te bieden bij het aantonen van het referentie-energieverbruik/de bestaande situatie. Het bepalen van deze bestaande situatie gebeurt op basis van een gemiddelde over de afgelopen drie jaar. Dit is noodzakelijk om een betrouwbare en representatieve referentie of nulmeting in kaart te brengen. Het energieverbruik in de glastuinbouw is namelijk sterk afhankelijk van jaarlijkse weersinvloeden en eventuele natuurlijke variaties in de teelt. Door het verbruik over meerdere jaren te middelen, worden deze jaarlijkse fluctuaties gecorrigeerd. Hierdoor kan de structurele energie- en CO2-besparing van het kasenergiesysteem eerlijker en objectiever worden vastgesteld.

  • Bij bestaande kassen kan worden uitgegaan van jaarafrekeningen van de afgelopen drie jaar van de specifieke locatie.

  • Bij nieuwbouw kan gebruik worden gemaakt van data van een gelijksoortige bestaande kas van de onderneming. Om als gelijksoortig en daarmee als geldige referentie te dienen, moet deze bestaande kas qua teelt (zoals gewas en belichtingsniveau) en klimaatbehoefte voldoende vergelijkbaar zijn met de geplande nieuwbouwkas, zodat een representatieve energiebesparing kan worden berekend.

  • Indien bovenstaande historische gegevens redelijkerwijs niet beschikbaar zijn (bijvoorbeeld bij de recente overname van een failliete locatie waarvan de administratie ontbreekt of bij een recente omschakeling naar een fundamenteel ander gewas waardoor data uit het verleden niet-relevant is) mag er gebruik worden gemaakt van teeltgemiddelden uit de Kwantitatieve Informatie Glastuinbouw (KWIN). De KWIN is een onafhankelijke jaarlijkse publicatie van Wageningen University & Research (WUR) die algemeen geaccepteerde, wetenschappelijk onderbouwde normgegevens per gewas bevat en daarmee als een objectieve referentie fungeert. Hoewel de KWIN objectief is, vereist de regeling primair het gebruik van eigen historische bedrijfsdata. Feitelijke data van de specifieke locatie vormt namelijk altijd de meest zuivere nulmeting voor de besparing van het project. KWIN betreft sectorgemiddelden. KWIN mag echter wel als alternatieve referentie worden gebruikt indien de data ontbreekt, of indien een bedrijf (als zogenaamde koploper) dusdanig veel energiebesparende maatregelen heeft getroffen dat historische data geen representatief beeld meer geeft van de reguliere marktstandaard. Dit voorkomt dat koplopers worden benadeeld door hun reeds gedane investeringen in verduurzaming.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

Naar boven