Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Raden voor Rechtsbijstand (Cluster) | Staatscourant 2026, 14731 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Raden voor Rechtsbijstand (Cluster) | Staatscourant 2026, 14731 | beleidsregel |
Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand,
Gelet op artikel 39, eerste lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand in afwijking van hoofdstukken II en III van het Bvr de vergoeding kan bepalen met inachtneming van nader vast te stellen kwaliteitscriteria, mits de desbetreffende rechtsbijstandverlener of rechtsbijstandverleners daarmee instemmen,
BESLUIT
De volgende beleidsregel vast te stellen:
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
de advocaat als bedoeld in de artikelen 9a en 9j van de Advocatenwet, die algemeen is ingeschreven bij de Raad en voldoet aan de in artikel 2 van deze beleidsregel gestelde voorwaarden;
Vergoedingenarrangement in Wvggz en Wzd Cassatiezaken volgens artikel 39 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000;
Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr 2000);
Raad voor Rechtsbijstand;
degene die op grond van de bepalingen in dit arrangement aanspraak kan maken op rechtsbijstand;
De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;
De wet zorg en dwang;
De Raad sluit met het oog op het verrichten van rechtsbijstand als genoemd in artikel 5 van deze beleidsregel een arrangement met advocaten van wie uit de aantekening op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten blijkt dat zij de hoedanigheid van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ hebben voor het behandelen van civiele cassatiezaken zoals bedoeld in artikel 9j, eerste lid van de Advocatenwet. De advocaat dient daartoe een verzoek bij de Raad in.
De in artikel 2 genoemde advocaten dienen te voldoen aan de volgende voorwaarden:
1 De advocaat behandelt de eerste 12 Wvggz/Wzd cassatiezaken onder begeleiding van een advocaat met een onvoorwaardelijke aantekening op het tableau van de Hoge Raad zoals bedoeld in artikel 4.8, eerste lid van de Verordening op de Advocatuur die over de in lid 5 van dit artikel van dit arrangement genoemde specifieke kennis en ervaring beschikt. Van de eerste 12 Wvggz/Wzd zaken moeten tenminste 4 zaken tot een inhoudelijke behandeling bij de Hoge Raad leiden. Van dit laatste vereiste kan worden afgeweken indien de begeleidende cassatieadvocaat schriftelijk aan de Raad verklaart dat de advocaat die niet aan deze eisen voldoet, over de toereikende deskundigheid beschikt om rechtsbijstand in Wvggz en Wzd Cassatiezaken te verlenen;
2 De advocaat overlegt bij het aanvragen van het arrangement een verklaring van de ervaren cassatieadvocaat die hem of haar zal begeleiden als bedoeld in lid 1 van dit artikel;
3 De advocaat neemt vanaf het moment van het sluiten van het arrangement jaarlijks verplicht deel aan kwaliteitstoetsen in de vorm van gestructureerd intercollegiaal overleg op het terrein van de Wvggz en Wzd (art. 26 Advocatenwet) voor tenminste vier uur per jaar;
4 De advocaat die niet bij de Raad ingeschreven staat voor de specialisatie psychiatrisch patiëntenrecht behaalt tenminste 4 opleidingspunten per jaar op het gebied van het psychiatrische patiëntenrecht of volgt jaarlijks tenminste 2 bijeenkomsten van gespecialiseerde landelijke of regionale verenigingen c.q. werkgroepen op het terrein van het psychiatrische patiëntenrecht.
5 Het vereiste onder lid 1 geldt niet indien de advocaat ten tijde van het verzoek tot het sluiten van het arrangement gedurende drie jaren voorafgaande aan het inwerking treden van deze beleidsregel minimaal het in lid 1 van dit artikel genoemde aantal zaken reeds zelfstandig heeft behandeld.
1. De Raad kan besluiten het arrangement met een opzegtermijn van één maand te beëindigen indien:
a) de advocaat niet (meer) voldoet aan één of meerdere van de hierboven in artikel 2 en 3 genoemde voorwaarden of;
b) indien wijziging van het beleid daartoe aanleiding geeft;
c) indien wijziging van de aan deze overeenkomst ten grondslag liggende wettelijke bepalingen of wijziging van andere bepalingen daartoe aanleiding geeft.
2. In zwaarwegende en dringende omstandigheden kan het bestuur het arrangement met onmiddellijke ingang opzeggen. Dit geldt onder andere in het geval indien het bestuur tot het oordeel komt dat voortzetting van het arrangement niet langer verantwoord is.
3. De beëindiging van het arrangement geldt voor een periode van minimaal één jaar. Voor het sluiten van een nieuw arrangement gelden de voorwaarden zoals benoemd in artikelen 2 en 3 van deze beleidsregel. In zwaarwegende omstandigheden kan het bestuur weigeren een nieuw arrangement te sluiten. Dit geldt onder andere in het geval indien het bestuur tot oordeel komt dat het sluiten van een nieuw arrangement niet verantwoord is.
De werkzaamheden waarvoor op grond van dit arrangement een van het Bvr afwijkende vergoeding kan worden verstrekt, zijn strikt beperkt tot het verrichten van rechtsbijstand in civiele cassatiezaken op grond van de Wet Wvggz en de Wzd.
1. Aan in artikel 5 genoemde zaken waarbij de zaak in eerste aanleg enkelvoudig is behandeld en geen middelen zijn ingediend worden in afwijking van rij B1 van de bijlage bij het Bvr vijf punten toegekend.
2. Aan in artikel 5 genoemde zaken waarbij de zaak in eerste aanleg enkelvoudig is behandeld en wel middelen zijn ingediend worden in afwijking van rij B2 van de bijlage bij het Bvr elf punten toegekend
3. Voor de beoordeling van de toekenning van extra uren blijft het aantal punten zoals genoemd in Rij B1 en B2 jo. artikel 22 lid 2 Bvr leidend.
Deze beleidsregel wordt aangehaald als ‘Beleidsregel Vergoedingenarrangement in civiele cassatiezaken Wvggz en Wzd 2026-2028’. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
1. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2026.
2. Deze beleidsregel vervalt met ingang van 1 april 2028 of vanaf het moment van de inwerkingtreding van wet- en regelgeving waarin de in deze beleidsregel opgenomen vergoeding en kosteloze rechtsbijstand zijn vastgelegd.
’s-Hertogenbosch, 8 april 2026
Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, I.D. Nijboer Algemeen directeur/bestuurder.
In Nederland behandelt op dit moment een beperkt aantal gespecialiseerde en ervaren advocaten cassatiezaken op grond van de Wvggz en Wzd. Tegelijkertijd is het de Raad gebleken dat de gemiddeld opgegeven tijdsbesteding van advocaten in deze zaken structureel hoger is dan de voor deze zaken in het Bvr 2000 bepaalde vergoeding. Het risico bestaat daarmee dat er op termijn geen aanbod meer zal zijn van advocaten die rechtsbijstand op dit terrein verlenen.
Artikel 7 van de Wrb bepaalt dat het bestuur van de Raad onder meer de taak heeft om zorg te dragen voor de organisatie van alsmede de verlening van rechtsbijstand. Artikel 7a van de Wrb bepaalt onder meer dat het bestuur van de Raad zorg draagt voor een zo evenwichtig mogelijke spreiding van het aanbod van onder meer de rechtsbijstand. De Raad acht het tevens van belang dat rechtzoekenden in de genoemde cassatiezaken kunnen worden blijven bijgestaan door gespecialiseerde en op dit terrein ervaren advocaten.
Met het oog daarop heeft het bestuur van de Raad een beleidsregel opgesteld. Deze beleidsregel stelt het bestuur in staat om voor genoemde cassatiezaken een arrangement aan te gaan met advocaten die aan specifieke, in het arrangement bepaalde, kwaliteitseisen voldoen. Advocaten die met de Raad een arrangement zijn aangegaan, ontvangen op basis daarvan een van het Bvr afwijkende vergoeding voor het verrichten van rechtsbijstand in cassatiezaken op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet Zorg en Dwang.
Ongeacht de draagkracht is rechtsbijstand die op grond van artikel 5 van dit arrangement aan rechtzoekenden wordt verleend, kosteloos. Hierbij wordt aangesloten bij de overwegingen van de wetgever in de memorie van toelichting bij de Wet Verplichte GGZ waarin is overwogen dat betrokkene niet vanwege financiële drempels weerhouden mag worden van het instellen van rechtsmiddelen. Van betrokkene mag volgens het wetsvoorstel niet worden verwacht dat hij zelf de kosten draagt van de rechtsbijstand die hij nodig heeft om zijn vrijheid te behouden. Volgens het wetsvoorstel wordt daarom voorzien in het recht op gratis rechtsbijstand in procedures op grond van de Wvggz (Kamerstukken 2009–2010, 32 399, nr. 3, p. 28.)
De Raad zal dan ook de draagkracht van rechtzoekenden aan wie op grond van dit arrangement een toevoeging is afgegeven niet toetsen. Er zal aan deze rechtzoekenden door de Raad ook geen eigen bijdrage in mindering worden gebracht op de op grond van dit arrangement uitbetaalde vergoeding.
De beleidsregel is gebaseerd op artikel 39 lid 1 van het Bvr.
Deze beleidsregel is oorspronkelijk in werking getreden op 16 april 2021 en had een looptijd tot 1 april 2026 of tot het moment van de inwerkingtreding van wet- en regelgeving waarin de in deze beleidsregel opgenomen vergoeding en kosteloze rechtsbijstand zijn vastgelegd. De wet- en regelgeving waarin de in deze beleidsregel opgenomen vergoeding en kosteloze rechtsbijstand is vastgelegd, is nog niet in werking getreden. Om die reden heeft de Raad besloten de beleidsregel te verlengen voor een periode van twee jaar, tot 1 april 2028.
Artikel 1 bevat de voor deze beleidsregel noodzakelijke definities.
Dit artikel bepaalt dat de Raad een arrangement kan sluiten voor het verrichten van rechtsbijstand in cassatiezaken op grond van de Wet verplichte GGZ en de Wet Zorg en Dwang met advocaten die een aantekening hebben op het tableau van de Hoge Raad voor het behandelen van civiele cassatiezaken.
In dit artikel zijn de voorwaarden gesteld waaraan de in artikel 2 genoemde advocaten moeten voldoen. Advocaten moeten de eerste 12 Wvggz/Wzd cassatiezaken hebben behandeld onder begeleiding van een cassatie advocaat met een onvoorwaardelijke aantekening op het tableau van de Hoge Raad. Van de eerste 12 Wvggz/Wzd zaken zijn tenminste 4 zaken aanhangig gemaakt bij de Hoge Raad. Advocaten moeten bij het sluiten van het arrangement een verklaring overleggen van de advocaat die hem of haar zal begeleiden.
Advieszaken maken een relatief groot deel uit van de cassatiepraktijk in het psychiatrisch patiëntenrecht. Omdat het voor kan komen dat er lange tijd kan verstrijken voordat het vereiste aantal van 4 zaken wordt behaald, is voorzien in de mogelijkheid dat de begeleidende cassatie advocaat kan verklaren dat de advocaat die niet aan deze eis van 4 zaken voldoet desondanks over voldoende deskundigheid en ervaring beschikt. Ook dan geldt uiteraard dat in totaal 12 Wvggz/Wzd cassatiezaken moeten zijn behandeld.
Vanaf het moment van het sluiten van het arrangement dienen advocaten op grond van het derde lid van dit artikel deel te nemen aan kwaliteitstoetsen in de vorm van gestructureerd intercollegiaal overleg op het terrein van cassatie in wvggz/wzd zaken zoals omschreven in artikel 26 Advocatenwet voor tenminste vier uur per jaar. Dergelijke vormen van gestructureerd intercollegiaal overleg kunnen bijvoorbeeld opgezet worden door specialisatieverenigingen of werkgroepen op het terrein van het psychiatrisch patiëntenrecht en/of (civiele) cassatie.
Het is wenselijk dat advocaten die niet ingeschreven staan voor de specialisatie psychiatrisch patiëntenrecht bij de Raad voor Rechtsbijstand en een arrangement sluiten tevens hun vakbekwaamheid op het terrein van het psychiatrisch patiëntenrecht onderhouden. Daarom is in het arrangement in het vierde lid van dit artikel opgenomen dat deze advocaten tenminste 4 opleidingspunten per jaar op het gebied van het psychiatrische patiëntenrecht of jaarlijks tenminste 2 werkgroepbijeenkomsten van regionale werkgroepen of de landelijke werkgroep op het terrein van het psychiatrisch patiëntenrecht volgen.
In het vijfde lid is ten slotte bepaald dat advocaten die ten tijde van het verzoek tot het sluiten van het arrangement gedurende drie jaren voorafgaande aan het inwerking treden van deze beleidsregel in de afgelopen 3 jaar reeds 12 Wvggz/Wzd cassatiezaken hebben behandeld, waarvan tenminste 4 aanhangig zijn gemaakt bij de Hoge Raad, niet hoeven te voldoen aan de eisen met betrekking tot het onder begeleiding van een andere advocaat behandelen van zaken zoals omschreven in lid 1 en lid 2 van dit artikel.
De Raad kan besluiten het arrangement op te zeggen.
In lid 1 zijn limitatief de normale redenen van opzegging (met een opzeggingstermijn van één maand) vermeld. Deze redenen zien op het niet (meer) voldoen aan de deskundigheidseisen voor toelating. Ook wijziging in beleid en wettelijke bepalingen kunnen reden zijn voor opzegging.
In lid 2 is opgenomen dat de Raad de overeenkomst met onmiddellijke ingang kan opzeggen als het bestuur tot het oordeel komt dat voortzetting van de overeenkomst niet langer is verantwoord. Dit kan onder meer het geval zijn in het geval van een onherroepelijke tuchtrechtelijke uitspraak waarbij een maatregel is opgelegd.
Wordt de overeenkomst beëindigd, dan geldt hiervoor een duur van tenminste één jaar. Voor het sluiten van een nieuwe overeenkomst gelden de voorwaarden zoals benoemd in artikelen 2 en 3 van deze beleidsregel.
De Raad verstrekt op grond van dit arrangement enkel een van het Bvr afwijkende vergoeding voor het verrichten van rechtsbijstand in cassatiezaken op grond van de Wet Wvggz en de Wzd.
Hieronder vallen ook cassatiezaken die voortvloeien uit artikel 2.3 van de Wet forensische Zorg (Wfz), waarin de strafrechter bevoegd is verklaard om een civiele machtiging (zorgmachtiging of rechterlijke machtiging) af te geven op grond van de Wvggz en de Wzd.
Behoudens de in deze beleidsregel benoemde uitzonderingen, zijn op de afgifte van een toevoeging en de vergoeding daarvan, de geldende bij of krachtens de Wrb gestelde regels en het door de Raad terzake gehanteerde beleid van toepassing. Voor het beleid wordt onder meer verwezen naar de werkinstructie Cassatie Civiel.1
De vergoeding voor de rechtsbijstand van de advocaat van de in artikel 5 genoemde cassatiezaken is geregeld in dit artikel.
Lid 1 van dit artikel heeft betrekking op de vergoeding in zaken die in eerste aanleg enkelvoudig zijn behandeld en waarbij geen middelen zijn ingediend.
De vergoeding in dergelijke zaken bedraagt vijf punten. Daarmee wordt afgeweken van het bepaalde in rij B1 waarin aan deze zaken een vergoeding een vergoeding van vier punten wordt toegekend.
Lid 2 van dit artikel heeft betrekking op de vergoeding in zaken die in eerste aanleg enkelvoudig zijn behandeld en waarbij wel middelen zijn ingediend.
De vergoeding in dergelijke zaken bedraagt elf punten, ongeacht of de zaak in eerste aanleg door een enkelvoudige resp. een meervoudige kamer is behandeld. Daarmee wordt afgeweken van het bepaalde in rij B1 waarin aan deze zaken een vergoeding een vergoeding van negen punten wordt toegekend.
Wggd en Wzd zaken worden in eerste aanleg in vrijwel alle gevallen door een enkelvoudige kamer behandeld. De gemiddeld door advocaten opgegeven tijdsbesteding in zaken die in eerste aanleg door een meervoudige kamer worden behandeld is vergelijkbaar met zaken die in eerste aanleg door een enkelvoudige kamer worden behandeld, ongeacht of er middelen worden ingediend. Om die reden wordt er in dit arrangement geen afwijkende vergoeding opgenomen voor zaken die in eerste aanleg door een meervoudige kamer zijn behandeld.
Lid 3 van dit artikel bepaalt dat voor de beoordeling van de toekenning van extra uren het aantal punten en de extra urengrens zoals bepaald in de rijen B1 en B2 jo. artikel 22 Bvr leidend blijft. De extra uren grens blijft dus in zaken als genoemd in lid 1 van dit artikel gehandhaafd op 8 uren en in zaken als genoemd in lid 2 van dit artikel gehandhaafd op 18 uren.
Deze beleidsregel vervalt op 1 april 2028, of vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet- en regelgeving waarin de in deze beleidsregel opgenomen vergoeding en de kosteloze rechtsbijstand zijn vastgelegd. Indien op 1 april 2028 dergelijke wet- en regelgeving niet tot stand is gebracht, zal tot verlenging van deze beleidsregel worden overgegaan.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-14731.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.