Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek | Staatscourant 2026, 14672 | overige overheidsinformatie |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek | Staatscourant 2026, 14672 | overige overheidsinformatie |
Sociale en Geesteswetenschappen
Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA
2026
|
1 |
Inleiding |
|
|
1.1 |
Achtergrond |
|
|
1.2 |
Beschikbaar budget |
|
|
1.3 |
Indieningsdeadline(s) |
|
|
2 |
Doel |
|
|
2.1 |
Doelstelling van het programma |
|
|
2.2 |
Maatschappelijke impact |
|
|
3 |
Voorwaarden voor aanvragers |
|
|
3.1 |
Wie kan aanvragen |
|
|
3.2 |
Wat kan worden aangevraagd |
|
|
3.3 |
Het opstellen en indienen van de aanvraag |
|
|
3.4 |
Indieningsvoorwaarden |
|
|
3.5 |
Subsidievoorwaarden |
|
|
4 |
Beoordelingsprocedure |
|
|
4.1 |
De San Francisco Declaration (DORA) |
|
|
4.2 |
Procedure |
|
|
4.3 |
Criteria |
|
|
5 |
Subsidieverplichtingen |
|
|
5.1 |
Startdatum |
|
|
6 |
Contact en overige informatie |
|
|
6.1 |
Contact |
|
|
6.2 |
Overige informatie |
|
|
7 |
Bijlagen |
|
|
7.1 |
Budgetmodules en tarieven voor onderzoeksactiviteiten door onderzoeksorganisaties |
|
|
7.2 |
In aanmerking komende kosten voor ondernemingen en maatschappelijke organisaties en voor onderzoeksactiviteiten door onderzoeksorganisaties |
|
|
7.3 |
In aanmerking komende kosten voor de opbouw en exploitatie van het innovatiecluster/de learning community |
|
|
7.4 |
De integrale kostensystematiek (IKS) en het vaste uurtarief |
|
|
7.5 |
Reservering van UNL, UMCNL en HOT loonkosten |
|
|
7.6 |
Relatie van deze Call for proposals tot de andere onderdelen van NGF-CIIIC |
|
|
7.7 |
Andere bijlagen |
|
In deze Call for proposals leest u hoe de aanvraagprocedure is ingericht voor de subsidieronde ‘NGF CIIIC Learning Communities for IX-talent and Skills’, die onderdeel is van het National Groeifondsprogramma Creative Industries Immersive Impact Coalition (CIIIC). Het voorstel CIIIC is door de Nederlandse overheid gehonoreerd in het kader van het Nationaal Groeifonds. Deze Call for proposals valt onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), met Regieorgaan SIA als penvoerder. Omdat deze Call for proposals in het teken staat van het Nationaal Groeifonds, kunnen er andere voorwaarden van toepassing zijn dan in reguliere Calls for proposals van NWO en Regieorgaan SIA.
U vindt in deze Call for proposals achtereenvolgens informatie over het doel van dit programma (hoofdstuk 2), de voorwaarden voor de subsidieaanvraag (hoofdstuk 3) en hoe uw aanvraag wordt beoordeeld (hoofdstuk 4). Deze informatie heeft u nodig om een aanvraag voor subsidie te kunnen indienen. In hoofdstuk 5 vindt u de subsidieverplichtingen die van toepassing zijn in geval van toewijzing, in hoofdstuk 6 staan de contactgegevens en in hoofdstuk 7 de bijlagen.
NWO en het Nationaal Groeifonds
Via het Nationaal Groeifonds investeert de overheid in de periode 2021–2025 in projecten die economische groei op lange termijn waarborgen. Het Nationaal Groeifonds investeert onder andere in onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieprojecten. In sommige van deze projecten is NWO betrokken als 1 van de uitvoerende organisaties, bijvoorbeeld voor het organiseren van subsidieprogramma’s voor wetenschappelijk onderzoek of wetenschappelijk talent.
Het subsidieplafond voor deze Call for proposals bedraagt € 10.800.000. De Call kent 6 onderzoeksthema’s zoals beschreven in hoofdstuk 2.1. Binnen deze Call for proposals worden naar verwachting tussen 6 en 12 aanvragen toegewezen.
Op basis van de beoordelingscriteria in paragraaf 4.3.1 stelt de beoordelingscommissie 1 integrale rangorde op van alle aanvragen die in aanmerking komen voor toewijzing, ongeacht het thema. Vervolgens draagt de beoordelingscommissie de volgende van deze aanvragen voor toewijzing voor:
1. als eerste de hoogst geprioriteerde aanvraag;
2. vervolgens de overige 5 onderzoeksthema’s met de hoogste prioritering;
3. als na stap 2 het subsidieplafond nog niet is uitgeput, draagt de commissie de eerstvolgende hoogst geprioriteerde aanvragen voor. Dit kan ertoe leiden dat er voor sommige thema’s geen aanvraag wordt toegekend en voor andere thema’s meer dan 1 aanvraag.
Bij het indienen van uw aanvraag in ISAAC dient u online nog gegevens in te voeren. Begin daarom ten minste 1 dag vóór de deadline van deze Call for proposals met het indienen van uw aanvraag. Aanvragen die na de deadline worden ingediend, worden niet in behandeling genomen.
De deadline voor het indienen van aanvragen is 3 november 2026, voor 14:00:00 CET.
De deadline voor het indienen van een verzoek tot toetsing van in Nederland gevestigde organisaties (zie paragraaf 3.1.2 is 20 werkdagen voor de indieningsdeadline, voor 6 oktober 2026 14:00:00 CEST.
De deadline voor het indienen van een verzoek tot toetsing van buitenlandse organisaties (zie paragraaf 3.1.2) is 20 werkdagen voor de indieningsdeadline, voor 6 oktober 2026 14:00:00 CEST.
Dit hoofdstuk beschrijft de doelstelling van het programma en de maatschappelijke impact.
Op 15 maart 2024 gaf de overheid groen licht voor de eerste fase (2025–2027) van het Nationaal Groeifondsprogramma Creative Industry Immersive Impact Coalition (CIIIC), dat loopt tot 2029. Het programma wordt gefinancierd vanuit het Nationaal Groeifonds, en valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van OCW en organisatorisch onder CLICKNL, het kennis- en innovatienetwerk van de creatieve industrie.
CIIIC is het stimuleringsprogramma voor Immersive Experiences (IX). Dit programma is inhoudelijk ontwikkeld in nauwe samenwerking met de creatieve industrie en de toepassingsdomeinen. De Innovatie Agenda (zie paragraaf 7.6.1) vormt het kompas van dit stimuleringsprogramma.
IX zorgen voor een meeslepende gebruikerservaring waarin digitale en fysieke elementen samenkomen. Het draait niet enkel om de technologie zelf, maar ook om de ervaring en de impact ervan. IX gaan dus verder dan de hardware zoals VR- en AR-brillen. Zij kunnen beschouwd worden als een extra digitale laag die wordt toegevoegd aan de realiteit en diepere en rijkere ervaringen mogelijk maken.
Het doel van het stimuleringsprogramma CIIIC is de kansen op het gebied van IX in Nederland te verzilveren. Want investeren in de ontwikkeling van kennis, onderzoek en innovatie op het gebied van verantwoorde en effectieve IX vergroot de duurzame verdiencapaciteit van Nederland op de middellange tot lange termijn. De ontwikkelingen op dit innovatieve gebied bieden met name economische kansen voor:
– het versterken van sectoren als de creative industrie, ICT en de kunsten waar IX als vakgebied de kern vormen;
– andere sectoren en toepassingsgebieden waar IX kan bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken;
– makers, aanbieders en toepassers van hoogwaardige IX-applicaties en -content.
Naar verwachting zullen IX de komende decennia ook grote maatschappelijke impact hebben als aanjager van de derde digitale transitie.
Om mogelijke negatieve maatschappelijke effecten van deze digitale transitie af te zwakken, vormt het borgen van publieke waarden, zoals privacy, zelfbeschikking, gezondheid en veiligheid, een belangrijk onderdeel van het stimuleringsprogramma CIIIC. Daartoe is een richtlijn en een zelftoets Publieke Waarden opgesteld.
Om met IX de gewenste economische en maatschappelijke impact te creëren, nodigen wij onderzoekers, (semi)overheden, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven uit om in co-creatie met IX-makers en -toepassers samen te werken aan praktijkgericht onderzoek naar IX.
Het stimuleringsprogramma CIIIC kent 5 actielijnen. NWO is betrokken bij 3 daarvan:
– Actielijn 1: Kennis en Methodes
– Actielijn 2: Human Capital
– Actielijn 3: Ecosysteem en Faciliteiten
Regieorgaan SIA treedt op als penvoerder van het programma en is verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van diverse Calls for proposals voor de genoemde actielijnen. Daarbij ligt de nadruk op praktijkgericht onderzoek door onderzoekers van kennisinstellingen in samenwerking met het mkb en/of de publieke sector. Meer informatie over de andere Calls for proposals die SIA ontwikkelt en uitvoert binnen het stimuleringsprogramma CIIIC is beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.
Meer informatie over het gehele stimuleringsprogramma CIIIC is beschikbaar op www.ciiic.nl.
Deze Call for proposals is onderdeel van programmalijn 2 van het CIIIC-programma: Human Capital voor CIIIC. Doel van deze lijn is de talentpool voor IX te vergroten, zodat de ambities voor het versnellen en opschalen van IX kunnen worden waargemaakt. Voldoende en goed opgeleide mensen zijn hierbij essentieel. Dat geldt voor de volledige IX-keten: van de makers tot de toepassingsgebieden en alle schakels daartussen. En voor alle opleidingsniveaus van mbo tot en met wo.
Een uitgebreidere toelichting op de human capital aanpak van CIIIC is omschreven in paragraaf 7.7.
Vanwege de enorme dynamiek binnen het IX domein en de snelle ontwikkelingen in markt en technologie wil CIIIC innoveren, werken en leren dichtbij elkaar brengen. Kennisontwikkeling en -toepassing gaan hand in hand met de ontwikkeling van kennis, vaardigheden en competenties van zowel jong talent als reeds werkende professionals.
Deze Call for proposals richt zich daarom op de realisatie van learning communities. Learning communities dragen bij aan het vergroten van de pool van kennis en talent voor CIIIC en het verrijken van kennis, vaardigheden en competenties van de reeds werkende professionals. Daarnaast kunnen zij via praktijkgericht onderzoek en evaluatie in de praktijk zorgdragen voor het ontwikkelen van kennis die nodig is voor het versnellen en opschalen van deze processen.
Centraal in deze Call for proposals staat de vraag hoe we kunnen komen tot werkzame concepten voor leren, werken en innoveren. Het gaat daarbij om urgente onderzoeksthema’s uit de praktijk. Alle partners ontwikkelen en onderzoeken nieuwe leer- en ontwikkelmodellen. Zij doen dit in interactie en via co-creatie, met het oog op mogelijke opschaling. Het gaat hierbij om de volgende onderzoeksthema’s en voorbeeldvragen:
1. Vergroten van kennis en inzicht over IX bij toepassers. Welke leermodellen kunnen we ontwikkelen om IX als alternatief te bieden voor traditionele vormen van educatie en communicatie en zo het begrip en de toepassing van IX bij toepassers te vergroten?
2. Gezamenlijke ontwikkeling binnen de volledige proces- en ontwikkelcyclus van IX content tot gereed product en toepassing. Welke leermodellen kunnen we ontwikkelen om toepassingsgericht samen te werken in het gehele IX-traject van onboarding, UX tot marktklaar maken van IX-producten?
3. Vertalen van de praktijkvraag naar IX-concepten. Welke leermodellen kunnen we ontwikkelen om maatschappelijke vraagstukken (klimaat, discriminatie, zorg) te vertalen naar IX-concepten?
4. Distributie & infrastructuur. Welke leermodellen kunnen we ontwikkelen die ondersteunen bij het opschaalbaar maken van IX-concepten?
5. Hergebruik, Doorontwikkeling & Opschaling. Welke leermodellen kunnen we ontwikkelen die ondersteunend zijn bij het modulair ontwikkelen en meervoudig toepasbaar maken van IX-concepten, van (serious) game naar maatschappelijke toepassing?
6. Publieke waarden. Welke leermodellen kunnen we ontwikkelen die makers, onderzoekers en toepassers ondersteunen bij het realiseren van veilige, verantwoorde en voor iedereen toegankelijke IX?
De aanvrager bepaalt zelf binnen welk onderzoeksthema de aanvraag valt en geeft dit aan op het aanvraagformulier. Een aanvraag kan ook meerdere onderzoeksthema’s combineren. In dat geval dient de aanvrager te kiezen voor 1 hoofdthema en een gemotiveerde toelichting te geven van de relevantie voor een of meer thema’s. Vervolgens wordt de aanvrager geacht om aan te geven in welk(e) gebied(en) ze hun ontwikkel- en onderzoeksthema willen gaan toepassen door in het aanvraagformulier minimaal 1 van deze toepassingsgebieden te kiezen:
1. Kunst & Cultuur
2. Media & Entertainment
3. Creatieve zakelijke dienstverlening
Learning communities zijn publiek-private samenwerkingsverbanden tussen organisaties op het gebied van onderzoek en onderwijs (mbo, hbo en wo), bedrijven en/of publieke organisaties. Het gaat daarbij onder meer om de creatieve makers, de creatieve dienstverleners en de professionals die nodig zijn om de brug te slaan naar de toepassingsgebieden. Hun gezamenlijke doelstelling is om relevante kennis snel te vertalen naar nieuwe leeroplossingen en deze in de praktijk uit te proberen en door te ontwikkelen. Dit zowel voor de markt van leven lang ontwikkelen (up- en reskilling van werkende professionals en zij-instromers) als voor de doorstroom van jong talent uit het toeleidend onderwijs naar de praktijk. De leeroplossingen zijn geïntegreerd in het dagelijks werk en gedreven door innovatie.
Het begrip learning community wordt qua visie, werkwijze en concept gebaseerd op het begrippenkader en de uitgangspunten die in de Roadmap Human Capital Topsectoren zijn geformuleerd, zoals weergegeven in figuur 1. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de kennis en instrumenten uit het Landelijk Netwerk Learning Communities.

Figuur 1 Definitie en kenmerken van learning community uit Roadmap Human Capital Topsectoren
De learning communities die worden beoogd in deze Call for proposals hebben de volgende kenmerken:
1. Duidelijke structuur en governance
De learning communities beschikken over een duidelijke structuur, governance en plannen voor de borging op de lange termijn. Functieprofielen worden gekoppeld aan de learning communities (zoals o.a. community managers, coördinatoren en facilitatoren) die zich actief zullen bezighouden met de organisatie, communicatie, kennisuitwisseling en contacten tussen alle bij de learning community betrokken partijen.
2. Samenwerking over onderwijs, onderzoek en praktijk heen
De learning communities bevorderen de samenwerking tussen (mkb)ondernemingen, onderwijsinstellingen (mbo, hbo en wo), onderzoeksorganisaties (hbo, wo, TO2 en andere onderzoeksorganisaties) en (private) partijen die om- en bijscholing aanbieden op het gebied van IX competenties. Ze versterken de aansluiting tussen onderwijs, onderzoek en arbeidsmarkt door innovatieve leertrajecten te ontwikkelen en uit te voeren, faciliteiten te delen, uitwisseling van kennis en deskundigheid te bevorderen en door bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerken, informatieverspreiding en samenwerking tussen de deelnemers van de learning community.
3. Een leer- en onderzoeksprogramma met concrete output.
De beoogde output van de learning communities is beschreven in hun leer- en onderzoekprogramma:
a. Het leerprogramma bevat leeractiviteiten/aanbod/pakketten om kennisuitstroom vanuit het onderzoek sneller te verbinden met het onderwijs en de praktijk, en hoe dit permanente ontwikkelingsproces wordt aangestuurd, uitgevoerd en geborgd. Voorbeelden van deze leeractiviteiten zijn use cases, practica, trainingen, leerstages of leerplekken (of een vorm van practice based learning), certificering en experimenten voor innovatieve onderwijsvormen en leermethodes/praktijken voor het opleiden van IX professionals.
b. Het onderzoeksprogramma bevat thema-/focusgebieden en praktijkgerichte onderzoeksactiviteiten die zijn gericht op meerjarige uitdagingen, waarbinnen concrete vraagstukken rondom human capital van praktijkpartners (mkb) worden opgepakt binnen gekozen thema en toepassingssector(en), zoals beschreven in 2.1.2.2.
De randvoorwaarden voor de aanvraag voor learning communities worden verder beschreven in paragraaf 3.2 en 3.5.
Learning Communities ten behoeve van IX-professionals opereren in een landelijk ecosysteem van IX en vervullen daarbinnen ook landelijke rollen en functies. Tegelijkertijd kunnen learning communities ook voortkomen uit krachtige regionale ecosystemen, bijvoorbeeld vanwege een zekere regionale concentratie van bedrijvigheid. De meerwaarde voor het IX ecosysteem, zoals die nu wordt gezien, zal ontstaan door een combinatie van enkele regionaal ingebedde learning communities die een landelijk netwerk vormen van IX-Learning Communities.
Daarbij wordt ook nauwkeurig gekeken naar synergie met de IX-labs (en wordt overlap voorkomen).
Nieuwe kennis en inzichten vanuit wetenschappelijk onderzoek kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken van vandaag én morgen. Denk aan de energietransitie, gezondheid en zorg, of klimaatverandering. Door interactie en afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers, neemt de kans op het toepassen van kennis toe en daarmee ook de kans op maatschappelijke impact. Maatschappelijke impact staat hier voor veranderingen die (mede) het gevolg zijn van door onderzoek gegenereerde kennis en kunde. Deze veranderingen dragen bij aan het welzijn van mens, planeet en maatschappij voor deze en toekomstige generaties. Via haar beleid op impact bevordert NWO de mogelijke bijdrage vanuit onderzoek aan maatschappelijke vraagstukken door het stimuleren van productieve interacties met maatschappelijke belanghebbenden. Zowel tijdens de ontwikkeling als in de uitvoering van het onderzoek. Dit doet zij op een manier die past bij het doel van het financieringsinstrument. NWO stimuleert onderzoekers om met een brede blik te kijken naar de mogelijke gewenste en ongewenste impact van hun onderzoek.
Afhankelijk van het doel van het financieringsinstrument kiest NWO een bijbehorende benadering die de kans op maatschappelijke impact optimaal ondersteunt. Het primaire doel van het financieringsinstrument bepaalt de keuze voor de benadering die NWO inzet om kennisbenutting in verschillende fases van het project (aanvraag, uitvoering, na afloop) te bevorderen en de inspanning die van aanvrager(s) en partners gevraagd wordt.
In dit programma wordt de maatschappelijke impact afgestemd met het NGF-CIIIC programma. Hiermee dragen NWO en het CIIIC-stimuleringsprogramma bij aan de impactdoelen conform de doelstelling van het Nationaal Groeifonds. De maatschappelijke impact in dit programma moet aansluiten op de volgende doelstellingen:
– Kennis en methodieken voor het ontwerpen en ontwikkelen van verantwoorde IX;
– Voldoende ontwerpers en ontwikkelaars die IX kunnen creëren en toepassen;
– Een sterk IX-ecosysteem dat samen innoveert, ontwerpt, ontwikkelt, toepast, vermarkt en
– opschaalt. Ondersteund met hoogwaardige faciliteiten en opleidingen;
– Beleid dat ontwikkeling en gebruik van veilige, ethische, duurzame en inclusieve toepassing van IX
– faciliteert en stimuleert.
In de aanvraag wordt beschreven wat de beoogde doorwerking van het NGF-CIIIC Learning Communities project in onderzoek, onderwijs en praktijk is en hoe deze beoogde doorwerking bijdraagt aan het behalen van welke van de bovenstaande impactdoelen.
Dit hoofdstuk bevat de voorwaarden die gelden voor uw subsidieaanvraag. Eerst wordt beschreven wie subsidie kan aanvragen (paragraaf 3.1) en waarvoor u subsidie kunt aanvragen (paragraaf 3.2). Vervolgens vindt u de voorwaarden voor het opstellen en indienen van de aanvraag (paragrafen 3.3 en 3.4) en specifieke subsidievoorwaarden (paragraaf 3.5).
Aanvragen worden ingediend door een hoofdaanvrager en 1 of meerdere medeaanvragers. Een aanvraag wordt opgesteld door een consortium, waarin naast de aanvragers ook andere deelnemers betrokken kunnen zijn.
Er worden 4 categorieën van deelnemers aan een consortium onderscheiden:
1. Hoofdaanvrager
2. Medeaanvrager(s)
3. Samenwerkingspartners
4. Cofinanciers
Een consortium bestaat minimaal uit:
– 1 onderzoeksorganisatie als hoofdaanvrager;
– ten minste 3 praktijkpartners bestaande uit mkb-bedrijven en/of organisaties met een publieke taak, zoals publieke organisaties en overheidsinstellingen;
– Eventueel kan het consortium aangevuld worden met middelgroot/groot bedrijven zolang aan de voorwaarden a en b wordt voldaan.
De eigenaar van de learning community is onderdeel van het aanvragende consortium, als hoofdaanvrager of medeaanvrager.
De voorwaarden per deelnemer worden in de volgende paragrafen nader toegelicht. Alleen de hoofd- en medeaanvragers kunnen binnen deze Call for proposals subsidie ontvangen.
Onderzoekers mogen als hoofdaanvrager optreden als zij in vaste dienst zijn (en derhalve een bezoldigd dienstverband voor onbepaalde tijd hebben1) of een tenure track overeenkomst hebben bij 1 van de onderstaande onderzoeksorganisaties:
– Universiteiten en hogescholen zoals bedoeld in artikel 1.8 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de universiteiten genoemd in de Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden;
– Universitair medische centra, waarmee wordt bedoeld de academische ziekenhuizen zoals bedoeld in artikel 1.13 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
– TO2-instituten;
– KNAW- en NWO-instituten;
– het Nederlands Kanker Instituut;
– het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen;
– NCB Naturalis;
– Prinses Máxima Centrum.
Personen met een nuluren-arbeidsovereenkomst of met een dienstverband voor bepaalde tijd (anders dan een tenure track en de hierboven genoemde uitzondering voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instelling) zijn uitgesloten van indiening.
Het kan voorkomen dat de tenure track overeenkomst van de aanvrager eindigt vóór de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of dat vóór die datum het vaste dienstverband van de aanvrager eindigt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In dat geval voegt de aanvrager een verklaring van diens werkgever bij, waarin de betreffende organisatie garandeert dat het project en alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd adequaat zullen worden begeleid voor de volledige duur van het project. Ook de aanvrager in dienst van een hogeschool of TO2-instelling wiens dienstverband eindigt voor de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, moet een dergelijke verklaring bijvoegen.
Aanvragers met een deeltijd dienstverband dienen garant te staan voor adequate begeleiding van het project en van alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd.
Aanvullende voorwaarden hoofdaanvrager
Een hoofdaanvrager mag slechts 1 aanvraag binnen deze Call for proposals indienen in de hoedanigheid van hoofdaanvrager. Een hoofdaanvrager mag daarnaast binnen deze Call for proposals maximaal 1 keer als medeaanvrager deelnemen aan een ander consortium.
Als medeaanvragers kunnen optreden medewerkers van:
1. de onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in paragraaf 3.1.1;
2. ondernemingen en overige publieke en private organisaties (hierna: ondernemingen en maatschappelijke organisaties) anders dan de onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in paragraaf 3.1.1;
3. in Nederland gevestigde onderzoeksorganisaties die voldoen aan de voorwaarden genoemd in deze paragraaf 3.1.2;
4. buitenlandse onderzoeksorganisaties die voldoen aan de voorwaarden genoemd in deze paragraaf 3.1.2.
Ad 1
Voor de medewerkers van de onderzoeksorganisaties onder 1 gelden dezelfde voorwaarden als genoemd onder 3.1.1.
Ad 2
Voor medewerkers van organisaties genoemd onder 2 geldt dat zij kunnen deelnemen als medeaanvrager in het consortium mits:
– zij een vast dienstverband hebben voor minimaal 0,6 fte of zelfstandig ondernemer (zzp’er) zijn;
– hun organisatie aantoonbare Research&Development (R&D) activiteiten heeft in Nederland of gevestigd is in Nederland;
Aanvullende voorwaarden medeaanvragers van mkb-ondernemeingen en publieke organisaties:
Een mkb-onderneming, waaronder zzp’ers, kan uitsluitend als mede-aanvrager optreden indien zij voldoet aan de onderstaande criteria:
– Er is sprake van een onderneming, te weten: een eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die een
– economische activiteit uitvoert.
– De onderneming staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
– Er is sprake van een onderneming met minder dan 250 werknemers en ófwel een jaarlijkse omzet
– Van minder dan € 50 miljoen ófwel een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen.
Een publieke organisatie kan uitsluitend als mede-aanvrager optreden indien zij voldoet aan de onderstaande criteria:
– organisaties die als doel hebben een publieke en/of wettelijke taak uit te voeren
– geen winstoogmerk of commercieel belang hebben
– (gedeeltelijk) worden bekostigd en/of gesubsidieerd met publieke middelen
– Naast de publieke partijen die voldoen aan de bovenstaande criteria, worden ook de volgende organisaties gerekend tot de publieke organisaties:
– decentrale overheden (gemeenten, provincies, waterschappen), semi-overheidsorganisaties en zelfstandige bestuursorganen. Deze partijen komen onder meer uit de volgende sectoren: zorg en welzijn, kunst en cultuur, veiligheid en leefomgeving, volkshuisvesting, onderwijs
– non-profitorganisaties die publieke taken uitvoeren, zoals natuur- en milieuorganisaties
– zorgaanbieders met een winstoogmerk of commercieel belang, zoals fysiotherapeuten of commerciële ziekenhuizen, mits het onderzoek zich richt op praktijkprofessionals die hier werkzaam zijn
– onderwijsorganisaties, zoals mbo-instellingen, mits het onderzoek zich richt op praktijkprofessionals die hier werkzaam zijn
Ad 3 en 4
Nederlandse en buitenlandse onderzoeksorganisaties dienen aan de volgende cumulatieve voorwaarden te voldoen:
– de organisatie dient een stichting, vereniging of publiekrechtelijke rechtspersoon te zijn, of in geval van een buitenlandse organisatie het equivalent daarvan in het land van vestiging (alle andere rechtsvormen, waaronder besloten en naamloze vennootschappen – althans het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie – zijn uitgesloten);
– de organisatie dient zich in de hoofdzaak zelf bezig te houden met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of met het met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht;
– de organisatie dient te kunnen verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.
Let op: Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag wordt door NWO aan de hand van bovengenoemde voorwaarden getoetst of een organisatie aan artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet en dus als medeaanvrager mag deelnemen. NWO voert deze toets mede uit om te controleren of er geen sprake is van het verlenen van verboden staatssteun.
De organisatie van de beoogde medeaanvrager levert ten behoeve van deze toetsing uiterlijk 20 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail aan ngf-ciiic@regieorgaan-sia.nl (dus uiterlijk 6 oktober 2026 voor 14:00:00 CEST) de volgende documenten aan:
– een recent uittreksel van de kamer van koophandel, of in het geval van een buitenlandse onderzoeksorganisatie het equivalent daarvan in het land van vestiging
– de oprichtingsakte en/of actuele statuten
– de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring2
– de ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals
De documenten worden in het Engels of Nederlands aangeleverd. Het is toegestaan om andere relevante documentatie toe te voegen. Tevens kan NWO om aanvullende informatie vragen als bovenstaande documenten niet voldoende uitsluitsel bieden om te bepalen of de organisatie mag optreden als medeaanvrager.
Als de organisatie van de beoogde medeaanvrager binnen een ander NWO programma is getoetst aan deze voorwaarden, neem dan tijdig voor de genoemde deadline contact op met NWO via het bovengenoemde e-mailadres om af te stemmen of deze organisatie opnieuw moet worden getoetst.
Indien de organisatie van de beoogde medeaanvrager de voor de toets op de voorwaarden benodigde stukken niet op tijd aanlevert, kan NWO de betreffende organisatie niet als medeaanvrager accepteren.
De hoofdaanvrager dient de aanvraag in via ISAAC, het elektronische indiensysteem van NWO. Tijdens het beoordelingsproces communiceert NWO met de hoofdaanvrager.
Na toewijzing van een aanvraag wordt de hoofdaanvrager projectleider en aanspreekpunt voor NWO. De onderzoeksorganisatie van de hoofdaanvrager is hoofdbegunstigde en wordt penvoerder.
Medeaanvragers hebben een actieve rol bij de uitvoering van het project. De (deel)projectleider(s) en begunstigde(n) zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele project.
Een samenwerkingspartner is een partij die geen subsidie ontvangt en geen cofinanciering bijdraagt aan de aanvraag, maar wel nauw betrokken is bij de uitvoering van het onderzoek en/of de kennisbenutting. Een samenwerkingspartner kan ook betrokken zijn bij de uitvoering van de opbouw en exploitatie van de learning community. Een samenwerkingspartner is dus geen hoofd- of medeaanvrager of cofinancier.
Let op: voor personeel van organisaties die als samenwerkingspartner deelnemen aan het consortium kan geen subsidie voor salaris- of onderzoekskosten als medeaanvrager worden aangevraagd. Wel is het mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via de modules ‘materiële kosten’, ‘kennisbenutting’ of ‘projectmanagement (zie paragraaf 3.2 en bijlage 7.1).
Een cofinancier is een organisatie die deelneemt aan het consortium en cash en/of in kind bijdraagt aan het project. Voor de verdere specifieke cofinancieringsvoorwaarden die gelden in deze Call for proposals, zie paragraaf 3.5.7. De rol die deze organisaties spelen bij de voorbereiding, uitvoering en vertaling van het onderzoek naar de maatschappij dient in de aanvraag beschreven te worden.
Een cash cofinancier ontvangt geen subsidie van NWO op basis van deze Call for proposals. Ook is het niet mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via de budgetmodule Materieel.
Per project is minimaal € 900.000 en maximaal € 1.800.000 subsidie aan te vragen. De maximale looptijd van het voorgestelde project is 48 maanden. De aanvrager en medeaanvragers kunnen kosten opvoeren voor personeel, materieel, investeringen, en kennisbenutting.
NWO financiert hiermee maximaal 75% van de totale projectomvang van de subsidiabele kosten zoals hieronder beschreven en uit tabel 2 en 3. Een aanvraag vereist daarmee minimaal 25% van de totale projectomvang als Financiering anders dan door NWO. Van de aangevraagde subsidiemiddelen dient minimaal 50% te gaan naar onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in 3.1.1. Verder geldt dat van de aangevraagde subsidiemiddelen maximaal 25% besteed kan worden voor de opbouw en exploitatie van een learning community (verder beschreven in 3.2.9).
Financiering anders dan door NWO bestaat uit:
i. de eigen bijdrage, i.e. het niet-gesubsidieerde deel van de ingebrachte in aanmerking komende kosten van ondernemingen en maatschappelijke organisaties (zie verderop in deze paragraaf;
ii. de eigen bijdrage, i.e. het niet-gesubsidieerde deel van de ingebrachte in aanmerking komende kosten van de learning community;
iii. cash (exclusief btw) of in kind cofinanciering (zie paragraaf 3.5.7).
Onderzoeksorganisaties in paragraaf 3.1. genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ of bij ‘medeaanvrager’ onder 1. kunnen geen eigen bijdrage als Financiering anders dan door NWO opvoeren of als cofinancier optreden.
In deze Call for proposals kan per aanvraag subsidie worden aangevraagd voor de bekostiging van 1 learning community.
De hoofd en medeaanvragers kunnen kosten opvoeren volgens de beschikbare budgetmodules (inclusief de maximale bedragen) hieronder vermeld. Vraag alleen datgene aan wat essentieel is om het project uit te voeren. De tarieven en een toelichting op deze budgetmodules staan in bijlage 7.1.
Deze Call for proposals maakt onderscheid tussen de budgetmodules voor de onderzoeksorganisaties (zoals benoemd in paragraaf 3.1.1 onder ‘hoofdaanvrager’ en in 3.1.2 ‘medeaanvrager’ onder 1.), de maximaal in aanmerking komende kosten voor ‘ondernemingen en maatschappelijke organisaties’ (zoals benoemd in paragraaf 3.1.2 bij ‘medeaanvrager’ onder 2) en de maximale in aanmerking komende kosten voor de opbouw en exploitatie van de learning community.
|
Type organisatie |
Subsidiepercentage |
|---|---|
|
Onderzoeksorganisatie (zie paragraaf 3.1.2 onder 1) |
100% van de subsidiabele kosten voor niet-economische activiteiten. |
|
Ondernemingen en maatschappelijke organisaties (zie paragraaf 3.1.2 onder 2) |
Maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten. |
|
De eigenaar van de learning community. Deze eigenaar kan een onderzoeksorganisatie zijn (zie paragraaf 3.1.2 onder 1) of een onderneming of maatschappelijke organisatie (zie paragraaf 3.1.2 onder 2) |
Maximaal 50% van de aanmerking komende kosten. |
Voor personeel dat een bijdrage levert aan het project, kan subsidie voor de loonkosten worden aangevraagd. Het bedrag hiervoor is afhankelijk van het type aanstelling en de organisatie waar het personeel werkt.
Er kan in deze Call for proposals gebruik worden gemaakt van de volgende tariefsystemen:
– UNL-salaristabellen + 50% opslag (zie bijlage 7.1)
– UMCNL-salaristabellen + 50% opslag (zie bijlage 7.1)
– tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag (zie bijlage 7.1)
– integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd3 bij RVO voor de betreffende organisatie (zie bijlage 7.5)4
– vast uurtarief van € 60 (zie bijlage 7.5)
Bijlage 7 geeft per type aanvrager aan welk tariefsysteem ter beschikking staat. De verschillende tariefsystemen zijn verwerkt in het begrotingsformat dat NWO beschikbaar stelt.
Voor de onderzoeksorganisaties zoals bedoeld in paragraaf 3.1.1, zowel bij ‘hoofdaanvrager’ als bij ‘medeaanvrager’, gelden de budgetmodules (inclusief de maximum bedragen) zoals hieronder vermeld. Vraag alleen datgene aan wat essentieel is om het project uit te voeren. Een nadere toelichting op de budgetmodules vindt u in de bijlage bij deze Call for proposals (zie bijlage 7.1). Activiteiten waarvoor een onderzoeksorganisatie subsidie aanvraagt dienen te kwalificeren als niet-economische activiteiten, zoals bedoeld in paragraaf 20 van de Europese Kaderregeling betreffende staatssteun voor Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (2022/C 414/01)5 . Onderzoeksorganisaties die subsidie aanvragen in deze Call for proposals dienen te verklaren dat deze activiteiten niet-economisch van aard zijn. De kwalificatie als niet-economische activiteit betreft een drempelcriterium om voor subsidie in aanmerking te komen. De beoordelingscommissie zal daarom de voorgestelde activiteiten van onderzoeksorganisaties beoordelen op de mate van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, gericht op meer kennis en beter inzicht (zie paragraaf 4.3.1).
Voor de verschillende tariefsystemen die gebruikt kunnen worden, zie paragraaf 3.2.1 en paragraaf 7.1.
Let op: het is niet mogelijk om subsidie aan te vragen voor de inzet van de hoofd- of medeaanvragers zelf anders dan via de budgetmodules Vervanging van aanvragers en Personeel hogescholen en TO2-instituten.
Voor personeel dat werkzaam is bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, universitair medisch centrum (umc) of een andere onderzoeksorganisatie, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, sub c tot en met h van de NWO Subsidieregeling 2024 kunnen loonkosten worden opgevoerd voor de volgende functies: postdoc, niet-wetenschappelijk personeel (NWP) en voor de vervanging van de aanvrager.
Let op: subsidie aanvragen voor de inzet van de hoofd- of medeaanvragers zelf kan alleen middels de vervangingssubsidie, tot maximaal 10% van het bij NWO aangevraagde budget.
Het is mogelijk om loonkosten op te voeren van personeel van hogescholen, TO2-instituten, en/of overige onderzoeksorganisaties. Er kan een onbeperkt aantal posities worden aangevraagd volgens;
– de op het moment van subsidieverlening geldende tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven (HOT) + 50% opslag, of
– Tarief conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers.
Het is mogelijk om studenten in te zetten voor het project als ze studeren aan een onderzoeksorganisatie genoemd in paragraaf 3.1. De kosten hiervan kunt u binnen het project opvoeren als materiële kosten. Er is geen maximum aan het aantal studenten dat kan meewerken in het project.
Het is mogelijk om loonkosten van buitenlandse onderzoeksorganisaties op te voeren voor wetenschappelijk personeel.
Let op: voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt door NWO getoetst of de buitenlandse organisatie aan artikel 1.1, leden 4 en 5 van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet (zie paragraaf 1.3 en paragraaf 7.1.1).
Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke materiële kosten. Voor deze kosten geldt een maximum van 25% van het NWO subsidiebedrag.
Van het materiële budget aangevraagd bij NWO mag maximaal 50% worden ingezet voor werk door derden. Er kan maximaal 50% van het subsidiebedrag voor materieel worden aangevraagd voor onderzoeksorganisaties in het buitenland.
Financiering kan worden aangevraagd voor investeringen in apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen die na afloop van het project economische waarde hebben of kunnen worden hergebruikt. Loonkosten van personeel dat de apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen in staat van gereedheid brengt, kan worden opgevoerd als onderdeel van de investering. De tarieven en voorwaarden van Personeel zijn hierbij van toepassing en de kosten moeten worden opgevoerd als Investering. Investeringen door onderzoeksorganisaties kunnen alleen worden gedaan door onderzoeksorganisaties genoemd in paragraaf 3.1.
Er kan maximaal 25% van het subsidiebedrag voor investeringen worden aangevraagd.
Financiering kan worden aangevraagd voor activiteiten die bevorderen dat kennis uit het onderzoek wordt benut,6 om zo de maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten.
Het is mogelijk om een bedrag op te voeren voor kennisbenutting. Deze kosten zijn ten hoogste 10% van het subsidiebedrag.
Er kan maximaal 50% van het subsidiebedrag voor kennisbenutting worden aangevraagd voor onderzoeksorganisaties in het buitenland.
Het is mogelijk om maximaal 5% van het totale subsidiebedrag in te zetten voor projectmanagement. Het is niet verplicht om hiervan gebruik te maken.
Onder deze Call for proposals wordt subsidie verstrekt aan ondernemingen en maatschappelijke organisaties op grond van artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) Nr. 651/2014 van 17 juni 2014, hierna: “AGVV”). Voor ondernemingen en maatschappelijke organisaties staan in Tabel 3 de maximaal in aanmerking komende kosten genoemd. Voor deze organisaties wordt maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten vergoed. Een nadere toelichting op deze in aanmerking komende kosten vindt u tevens in de bijlage bij deze Call for proposals (zie paragraaf 7.2).
Uit de AGVV volgt dat per individuele onderneming of maatschappelijke organisatie maximaal € 15.000.000 per project kan worden toegewezen.
|
In aanmerking komende kosten |
Maximaal bedrag |
|---|---|
|
Personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoek bezighouden, zoals bedoeld in artikel 25 lid 3 sub a AGVV |
Onbeperkt aantal posities volgens: – de op het moment van subsidieverlening geldende HOT tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag, of – een vast uurtarief van € 60, of – een tarief conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. |
|
Kosten van apparatuur en uitrusting, zoals bedoeld in artikel 25 lid 3 sub b AGVV |
Maximaal 25% van de in aanmerking komende kosten /per aanvragende organisatie |
|
Contractonderzoekskosten, zoals bedoeld in artikel 25 lid 3 sub d AGVV |
Maximaal 25% van de in aanmerking komende kosten /per aanvragende organisatie |
|
Operationele kosten, zoals bedoeld in artikel 25 lid 3 sub e AGVV |
Maximaal 25% van de in aanmerking komende kosten /per aanvragende organisatie |
Onder deze Call for proposals wordt subsidie verstrekt aan de learning community. Deze subsidie wordt daarom verstrekt op grond van artikel 27 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) Nr. 651/2014 van 17 juni 2014, hierna: “AGVV”). NWO vergoed maximaal 50% van de in aanmerking komende kosten voor de opbouw en exploitatie van de learning community. De aanvrager mag maximaal 25% van het aangevraagde subsidiebedrag besteden aan opbouw en exploitatie van de learning community.
De voor de subsidiering van de opbouw en exploitatie van de learning community beschikbare budgetmodules staan vermeld in tabel 3 hieronder (zie paragraaf 7.3 voor een toelichting op deze modules).
|
Budgetmodule |
Aan te vragen bedrag (50% van de in aanmerking komende kosten) |
|---|---|
|
Investeringskosten |
Kosten voor materiële en immateriële activa (waaronder personele kosten) voor activiteiten gericht op de bouw en het upgraden van de learning community. |
|
Exploitatiekosten |
Personele kosten en administratieve kosten voor de exploitatie van de learning community. |
Voor het opstellen van uw aanvraag doorloopt u de volgende stappen:
– Download het aanvraagformulier vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument).
– Vul het aanvraagformulier in.
– Sla het formulier op als pdf en dien het met de eventueel verplichte bijlage(n) in ISAAC in.
– Vul online in ISAAC de gevraagde gegevens in.
Verplichte bijlage(n):
– begroting
– ingevulde en ondertekende verklaring Voorwaarden van de AGVV (zie paragraaf 3.5.1: voor alle organisaties die hier gebruik van maken, samengevoegd in 1 formulier)
– formulier ‘Statements and signatures’
– formulier projectbetrokkenen
– verklaring eigen bijdrage en cofinanciering (indien van toepassing: per medeaanvrager uit de categorie ondernemingen en maatschappelijke organisaties en per cofinancier, samengevoegd in 1 pdf)
– steunverklaring (indien van toepassing: per samenwerkingspartner, samengevoegd in 1 pdf)
– verklaring IKS-tarieven (indien van toepassing: voor alle organisaties die hier gebruik van maken, samengevoegd in 1 formulier)
– verklaring aanstelling en projectbegeleiding (indien van toepassing)
De aanvraag en bijlage(n) dienen conform het door NWO aangeboden template opgesteld te worden. Bijlagen dienen los van de aanvraag in ISAAC geüpload te worden. De begroting en het formulierprojectbetrokkenen moeten als Excel-bestand worden ingediend in ISAAC. Alle andere bijlagen dienen als pdf-bestand (zonder beveiliging) te worden ingediend. Andere bijlagen dan hierboven vermelde bijlagen zijn niet toegestaan.
Het is verplicht uw aanvraag in het Nederlands of Engels op te stellen.
Het gebruik van generatieve AI is niet uitgesloten bij het opstellen van uw aanvraag, mits dit verantwoord gebeurt. De richtlijnen vindt u op de website (NWO-beleid op het gebruik van generatieve artificial intelligence (GAI) | NWO).
Het indienen van een aanvraag kan alleen via het online aanvraagsysteem ISAAC. Aanvragen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen.
U bent als hoofdaanvrager verplicht een aanvraag via het eigen persoonlijke ISAAC-account in te dienen.
Het is belangrijk om tijdig te beginnen met uw aanvraag in ISAAC:
– indien u nog geen ISAAC-account heeft, dient deze op tijd te worden aangemaakt om eventuele aanmeldproblemen te voorkomen;
– nieuwe organisaties moeten eventueel nog door NWO toegevoegd worden aan ISAAC;
– u moet ook online nog gegevens invoeren.
Aanvragen die na de deadline worden ingediend, neemt NWO niet in behandeling.
Voor vragen van technische aard verzoeken wij u contact op te nemen met de ISAAC-helpdesk, zie contact (hoofdstuk 6).
Werkt een hoofd- en/of medeaanvrager bij een organisatie die niet is opgenomen in de database van ISAAC? U kunt dit dan melden via relatiebeheer@nwo.nl zodat de organisatie kan worden toegevoegd. Hier zijn enige dagen voor nodig. Daarom is het van belang dit uiterlijk een week voor de deadline te melden.
NWO gaat er vanuit dat de aanvrager de organisatie waar zij/hij werkzaam is heeft geïnformeerd over het indienen van de aanvraag en dat de organisatie de subsidievoorwaarden van deze Call for proposals aanvaardt
NWO toetst uw aanvraag op alle in deze Call for proposals gestelde voorwaarden, inclusief onderstaande voorwaarden. Alleen als uw aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt deze toegelaten tot de beoordelingsprocedure. U wordt gevraagd om na indiening van een aanvraag beschikbaar te zijn om eventuele administratieve correcties door te voeren en zo (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening.
Deze voorwaarden zijn:
– De hoofdaanvrager en medeaanvrager(s) voldoen aan de in paragraaf 3.1 en paragraaf 7.1.1 gestelde voorwaarden
– De aanvraag voldoet aan de DORA-richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.1.
– De aanvraag is ingediend via het ISAAC-account van de hoofdaanvrager.
– De aanvraag is ontvangen voor de gestelde deadline.
– De aanvraag is in het Nederlands of Engels opgesteld.
– De begroting in de aanvraag is volgens de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld (gebruikmakend van het beschikbaar gestelde format dat de meest recente tarieven bevat).
– Het voorgestelde project heeft een looptijd van maximaal 4 jaar.
– De aanvraag voldoet aan de vereisten ten aanzien van Financiering anders dan door NWO.
– Aanvragers die het IKS-tariefsysteem gebruiken hebben NWO toestemming gegeven om hun IKS-tarieven op te vragen bij RVO.
Alle vereiste bijlagen zijn, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld en conform de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld en ingediend.
Op alle aanvragen zijn de NWO Subsidieregeling 2024 en het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek van toepassing met uitzondering van;
– artikel 1.4 lid 1, lid 5 en lid 6 van de NWO Subsidieregeling 2024 en artikel 2.1 van het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek; in de zin dat onder projectkosten in deze Call for proposals ook overhead vergoed wordt en dat aanvragers per (mede)aanvrager een keuze moeten maken tussen: 1) integrale kostensystematiek (IKS) mits hun IKS-boekhoudmethode is goedgekeurd door RVO of 2) de reguliere NWO-tarieven (UNL, UMCNL, HOT) + een opslag voor 50% van de overhead of vast uurtarief (€ 60);
– artikel 1.1. van de NWO Subsidieregeling 2024; in de zin dat ondernemingen en maatschappelijke organisaties financiering mogen aanvragen. Daarbij dient het staatssteunkader in acht te worden genomen;
– artikel 4.1.1 lid 4 van de NWO Subsidieregeling 2024;
– artikel 1.3, lid 1, van de NWO Subsidieregeling 2024; in de zin dat deze kwalificatie-eisen niet van toepassing zijn op onderzoekers en/of vertegenwoordigers van ondernemingen en maatschappelijke organisaties die subsidie aanvragen;
– de zinsnede “zonder hoofdaanvrager of medeaanvrager te zijn” in artikel 5.1, aanhef en sub f van de NWO Subsidieregeling 2024, indien door een aanvragende onderneming of maatschappelijke organisatie in kind cofinanciering wordt geleverd.
NWO verleent geen subsidie dan wel trekt de subsidie in, wanneer blijkt dat er sprake is van ongeoorloofde staatsteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
NWO financiert de aanvragen in deze Call for proposals met toepassing van artikel 25 en artikel 27 van de AGVV. NWO verleent geen subsidie als het onvoldoende aannemelijk is dat de aanvraag past binnen de definities en voorwaarden van de AGVV.
NWO verstrekt geen subsidie aan ondernemingen waartegen een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij door Nederland toegekende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen. Daarnaast verstrekt NWO geen subsidie aan ondernemingen in moeilijkheden zoals bedoeld in artikel 2, lid 18, van de AGVV.
Cumuleren van subsidies (of andere vormen van staatssteun) voor dezelfde – geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten, mag er niet toe leiden dat de aanmeldingsdrempels voor onderzoek- en ontwikkelingsprojecten en innovatieclusters die krachtens artikel 4 lid 1 onder aanhef onder i en k, van de AGVV geldt, worden overschreden.
Onderzoeksactiviteiten
Ondernemingen en maatschappelijke organisaties zoals bedoeld in paragraaf 3.1.2 onder 2, die subsidie aanvragen voor onderzoeksactiviteiten zoals bedoeld in Tabel 3 van paragraaf 3.2 van deze Call for proposals, dienen de verklaring AGVV ingevuld en ondertekend als bijlage bij de aanvraag te uploaden in ISAAC.
Opbouw en exploitatie van de learning community
De eigenaar van de learning community dient een afzonderlijke boekhouding te voeren voor de kosten en opbrengsten van elke activiteit, eigendom, exploitatie en gebruik van de learning community volgens de toepasselijke boekhoudkundige normen.
Toegang tot de panden, faciliteiten en activiteiten van de learning community staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend.
Ondernemingen die ten minste 10% van de investeringskosten van het innovatiecluster hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld.
De vergoedingen die voor het gebruik van de faciliteiten van de learning community en voor deelname aan de activiteiten van het cluster worden berekend, stemmen overeen met de marktprijs of weerspiegelen de kosten ervan, plus een redelijke marge.
Let op: In verband met de toegestane maximale steunintensiteit voor een innovatiecluster is het niet mogelijk om onder deze Call for proposals financiering van investerings- en exploitatiekosten aan te vragen die (ook) toegeschreven kunnen worden aan een IX Lab dat reeds is gefinancierd onder de door TNO uitgezette Call for proposals CIIIC IX-Labs: https://www.ciiic.nl/en/calls/ix-labs
Alle hoofd- en medeaanvragers (zie paragraaf 3.1) die subsidie aanvragen voor de opbouw en exploitatie van de learning community zoals bedoeld in tabel 3 van paragraaf 3.2 dienen de verklaring AGVV ingevuld en ondertekend als bijlage bij de aanvraag te uploaden in ISAAC.
In de Nationale leidraad kennisveiligheid hebben de Nederlandse kennissector (waaronder NWO) en verschillende onderdelen van de Rijksoverheid handvatten vastgelegd voor wie binnen onderzoeksorganisaties te maken heeft met internationale samenwerking en daarbij kansen en (veiligheids-)risico’s tegen elkaar moet afwegen. Bij de aanpak van kennisveiligheid binnen Nederland staat zelfregulering door de kennissector centraal.
NWO verwacht van aanvragers dat zij zich conformeren aan het kennisveiligheidsbeleid van de onderzoeksorganisatie. Indien NWO signalen ontvangt dat een aanvraag of toegewezen project kennisveiligheidsrisico’s met zich meebrengt, kan NWO de aanvrager of projectleider verzoeken inzicht te geven in de risico mitigerende maatregelen. Daarnaast kan NWO besluiten om in de toewijzingsbrief nadere voorwaarden op te nemen ter bescherming van de kennisveiligheid.
De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de Rijksoverheid: Home | Loket Kennisveiligheid.
Resultaten van wetenschappelijk onderzoek moeten kunnen worden gerepliceerd, geverifieerd en gefalsifieerd. In het digitale tijdperk betekent dit dat behalve publicaties ook onderzoeksdata zo veel mogelijk vrij toegankelijk moeten zijn. NWO verwacht dat de onderzoeksdata die voortkomen uit projecten die door NWO zijn gefinancierd zo veel mogelijk vrij beschikbaar komen voor hergebruik door andere onderzoekers. NWO hanteert daarbij het principe: “zo open als mogelijk, beschermd indien nodig”. Van onderzoekers wordt verwacht dat zij ten minste die data waaronder niet-numerieke resultaten die ten grondslag liggen aan de conclusies van binnen het project gepubliceerde werken openbaar maken, gelijktijdig met de publicatie zelf. Eventuele kosten die hiervoor worden gemaakt, kunnen worden meegenomen in de projectbegroting. Onderzoekers maken kenbaar hoe met data voortkomend uit het project wordt omgegaan aan de hand van de datamanagementparagraaf in de aanvraag, en het datamanagementplan na toewijzing van subsidie.
Datamanagementparagraaf
De datamanagementparagraaf maakt deel uit van de aanvraag. Onderzoekers wordt gevraagd reeds voor aanvang van het onderzoek te bedenken hoe de verzamelde data geordend en gecategoriseerd moeten worden zodat zij vrij beschikbaar kunnen worden gesteld. Vaak zullen al vóór het tot stand komen van de data en de analyse daarvan maatregelen getroffen moeten worden om opslag en deling later mogelijk te maken. Indien niet alle data voortkomende uit het project openbaar gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld om redenen van privacy, ethiek of valorisatie, dient de aanvrager dit beargumenteerd kenbaar te maken in de datamanagementparagraaf.
De datamanagementparagraaf wordt niet beoordeeld en daarom ook niet meegewogen in de beslissing om een aanvraag al dan niet toe te wijzen. De commissie kan wel advies geven met betrekking tot de datamanagementparagraaf.
Het project dat NWO financiert moet, conform de NWO Subsidieregeling 2024, uitgevoerd worden in overeenstemming met de nationaal en internationaal aanvaarde normen van wetenschappelijk handelen zoals neergelegd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (2018). Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan deze code. In geval van (mogelijke) schending van deze normen bij een door NWO gefinancierd project, dient de aanvrager NWO hiervan onverwijld op de hoogte te stellen en dient deze alle ter zake relevante documenten aan NWO te overleggen. Meer informatie over de gedragscode en het beleid op het gebied van wetenschappelijke integriteit vindt u op de website: Wetenschappelijke integriteit | NWO.
Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. De aanvrager dient er voor te zorgen dat deze tijdig wordt verkregen bij de relevante instelling of ethische commissie. Het wel of niet hebben van een ethische verklaring of vergunning op het moment van het aanvraagproces heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag. Als er een ethische verklaring of vergunning nodig is voor (een deel van) het onderzoek dan moet de projectleider een kopie van deze verklaring of vergunning aan NWO verstrekken nadat het project is toegewezen, en in ieder geval uiterlijk voordat de uitvoering van het onderdeel van het project waarvoor de verklaring nodig is van start gaat. Het deel van het project waarvoor de verklaring en/of vergunning vereist is, kan uiteraard (nog) niet worden uitgevoerd zolang er geen verklaring of vergunning is verstrekt.
Het Nagoya Protocol zorgt voor een eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit het gebruik van genetische rijkdommen (Access and Benefit Sharing; ABS). Onderzoekers die voor hun onderzoek gebruikmaken van genetische bronnen uit het buitenland dienen zich op de hoogte te stellen van het Nagoya Protocol (Home – ABS Focal Point). NWO gaat er vanuit dat zij de noodzakelijke acties ten aanzien van het Nagoya Protocol nemen.
Op alle aanvragen is de Regeling Cofinanciering | NWO van toepassing.
Aanvullende definities:
– Cofinanciering in kind: gekapitaliseerde personele en/of materiële bijdragen van gebruikers,
– Cash cofinanciering wordt gebruikt ter dekking van een deel van de totale projectkosten en vormt samen met de door NWO verstrekte subsidie de benodigde financiële middelen.
Het is mogelijk cofinanciers toe te voegen in de aanvraag om te voldoen aan de eis voor financiering anders dan door NWO (zie paragraaf 3.2). Cofinanciering kan tevens worden geleverd door ondernemingen en maatschappelijke organisaties (zoals bedoeld in paragraaf 3.1.2 onder 2) die als medeaanvrager op grond van deze Call for proposals subsidie aanvragen, doch uitsluitend in de vorm van in kind, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project. Onderscheid wordt gemaakt tussen cash cofinanciering (te innen door de aanvrager), die dient als dekking voor de begroting van de projectactiviteiten beschreven in de aanvraag, en cofinanciering in kind, die kan bestaan uit personele en/of materiële inbreng van de betrokken organisatie.
Onderzoeksorganisaties, hetzij als ‘hoofdaanvrager’ of als ‘medeaanvrager’, kunnen geen eigen bijdrage als cofinanciering dan wel als Financiering anders dan door NWO opvoeren en kunnen dus niet als cofinancier optreden.
De cofinanciering dient via een verklaring cofinanciering aan de hoofdaanvrager te worden toegezegd. De toegezegde cofinanciering betreft het netto bedrag. Als voor toegezegde cofinanciering btw van toepassing is, komt deze bovenop het toegezegde bedrag.
Voor cofinanciering gelden de volgende uitgangspunten:
– NWO is hoofdfinancier van een aanvraag. Aanvragen waarbij de cofinanciering van de cofinanciers meer dan 49% van de totale projectkosten bedraagt, worden niet in behandeling genomen.
– In kind bijdragen worden alleen geaccepteerd indien dat het gedeelte dat door de cofinancier wordt ingebracht integraal onderdeel is van de projectactiviteiten en als identificeerbare inspanning kan worden gevolgd of aangemerkt. Bij vragen kan NWO verzoeken om nadere motivering en bewijsstukken van de gehanteerde tarieven en eveneens om aanpassing. Daarnaast mogen eventuele in kind bijdragen in de vorm van diensten en know how niet reeds bij de onderzoeksorganisatie(s) van de aanvrager(s) beschikbaar zijn.
– Voor het kapitaliseren van de personele inbreng (mensuren) aan een project worden vaste integrale uurtarieven gebruikt. Voor de tarieven, zie de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. Hierbij dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert.
– Cash cofinanciering is het netto bedrag dat een cofinancier betaalt aan de aanvrager. De aanvrager factureert cash cofinanciering en eventuele btw aan de cofinancier.
Niet toelaatbaar als cash/in kind cofinanciering zijn7 :
– Alle bijdragen uit publieke middelen (waaronder door NWO verstrekte subsidie, PPS-toeslag en andere bijdragen van overheidswege).
– Cofinanciering mag niet afkomstig zijn van onderzoeksorganisaties zoals bedoeld in paragraaf 3.1.1. en 3.1.2 onder 1.
Verklaring cofinanciering deelnemende cofinanciers
In een verklaring cofinanciering spreekt de cofinancier financiële steun uit aan het project en bevestigt deze de toegezegde cofinanciering. Verklaringen cofinanciering van cofinanciers, welke genoemd worden in de aanvraag, zijn verplicht als bijlagen bij het indienen van de aanvraag. De verklaring cofinanciering waarin cofinanciering wordt toegezegd is onvoorwaardelijk, mag geen ontbindende bepalingen bevatten en moet zijn ondertekend door een tekenbevoegd persoon van de cofinancier. NWO stelt een verplicht format voor de verklaring cofinanciering beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website en in ISAAC.
In geval van toewijzing van de aanvraag dient de cofinancier zijn bijdrage(n) te bevestigen in de consortiumovereenkomst. In deze overeenkomst worden ook verdere afspraken gemaakt tussen de cofinancier(s) en de aanvrager(s). (zie paragraaf 5.1.3).
Verantwoording cash cofinanciering en cofinanciering in kind
De verhouding tussen cofinanciering (zowel cash als in kind) en de door NWO verstrekte subsidie in deze Call for proposals is van toepassing vanaf het indienen van een aanvraag tot en met de vaststelling van de subsidie. Cash cofinanciering heeft invloed op het subsidiebedrag dat NWO verstrekt omdat zowel de bijdrage van NWO als cash cofinanciering voor dezelfde project specifieke kosten gebruikt worden (in tegenstelling tot cofinanciering in kind).
Ambtshalve indexeren als gevolg van andere geldende tarieven na indiening heeft geen invloed op de verhouding en cofinancieringseis voor de NWO bijdrage. NWO gaat daarvoor uit van de verhouding in de door NWO geaccepteerde aanvraagbegrotingen.
Na afsluiting van een project, wordt het definitieve subsidiebedrag vastgesteld aan hand van de eindverantwoording, de financiële voorwaarden en de verhouding cofinanciering zoals aanwezig in de aanvraagbegroting.
In geval van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering (door onvoorziene omstandigheden, zoals faillissementen) gaat NWO voor haar bijdrage uit van de oorspronkelijke subsidieverlening, rekening houdend met de wel geleverde cash cofinanciering en de geldende minimale cofinancieringseis, indien deze van toepassing is.
Cash cofinanciering boven de cofinancieringseis heeft invloed op de gehanteerde verhouding tussen cofinanciering en door NWO verstrekte subsidie. Indien een project cash cofinanciering kent boven de cofinancieringseis en er bij vaststelling sprake is van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering, is de NWO bijdrage nooit meer dan de oorspronkelijke bijdrage uit de subsidieverlening. De verhouding van de NWO bijdrage is dan maximaal de bijdrage die volgt uit de cofinancieringseis.
Te allen tijde dient NWO op de hoogte gesteld worden van problemen in verwachte cofinanciering (cash en/of in kind). Naast financiële gevolgen voor een project, kan NWO ook adequate wijzigingen in een project verlangen als wijzigingsverzoek, zodat het onderzoek naar beste vermogen vervolgd kan worden.
Dit hoofdstuk beschrijft allereerst de beoordeling volgens de DORA-principes (paragraaf 4.1) en hoe de beoordelingsprocedure verloopt (paragraaf 4.2). Vervolgens somt het de criteria op waaraan de beoordelingscommissie uw aanvraag toetst (paragraaf 4.3).
Voor alle bij de beoordeling en besluitvorming betrokken personen en betrokken NWO-medewerkers is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing (Code persoonlijke belangen | NWO).
Het gebruik van generatieve AI is volledig uitgesloten bij de beoordeling van een aanvraag. Meer informatie over het beleid op generatieve AI vindt u op de website (NWO-beleid op het gebruik van generatieve artificial intelligence (GAI) | NWO).
NWO streeft naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). NWO stimuleert leden van een beoordelingscommissie actief om zich bewust te worden van impliciete associaties en te proberen deze te minimaliseren. NWO voorziet hen van informatie over concrete manieren om de beoordeling van een aanvraag te verbeteren.
NWO is ondertekenaar van de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA). DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld te verbeteren. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksorganisaties, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen.
DORA richt zich op het terugdringen van het onkritisch gebruik van bibliometrische indicatoren en het wegnemen van onbewuste vooringenomenheid (unconscious bias) bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. Overkoepelende filosofie van DORA is dat onderzoek moet worden beoordeeld op zijn eigen kwaliteiten en verdiensten in plaats van op basis van afgeleide indicatoren, zoals het tijdschrift waarin het onderzoek wordt gepubliceerd.
NWO gaat bij het beoordelen van het wetenschappelijk track record van aanvragers uit van een brede definitie van wetenschappelijke output.
NWO verzoekt commissieleden bij de beoordeling van aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de h-index. U mag deze niet vermelden in uw aanvraag. Wel mag u naast publicaties ook andere wetenschappelijk producten te vermelden, zoals datasets, patenten, software en code enzovoort.
Voor meer informatie over wat NWO doet om de principes van DORA te implementeren zie: DORA | NWO.
De aanvraagprocedure bestaat uit de volgende stappen:
– indiening van de aanvraag
– in behandeling nemen van de aanvraag
– preadvisering beoordelingscommissie
– interviewselectie
– interview
– vergadering van de beoordelingscommissie
– besluitvorming
Voor deze Call for proposals wordt een externe, onafhankelijke beoordelingscommissie ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers uit de wetenschap en de praktijk met kennis van het vakgebied. De taak van de beoordelingscommissie is om de ingediende aanvragen en de daarop betrekking hebbende stukken in onderlinge samenhang en op eigen merites te beoordelen op basis van de gegeven beoordelingscriteria in deze Call for proposals.
Voor indiening van de aanvraag is een standaardformulier beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website. In uw aanvraag moet u zich houden aan de vragen die in dit formulier staan en aan de werkwijze die in de toelichting staat. Ook moet u zich houden aan de voorwaarden voor het maximale aantal woorden en pagina’s.
Uw volledig ingevulde aanvraagformulier moet voor de deadline via ISAAC zijn ontvangen (zie paragraaf 1.3). Na dit tijdstip kunt u geen aanvraag meer indienen. De hoofdaanvrager ontvangt na indiening van de aanvraag een ontvangstbevestiging.
Zo snel mogelijk nadat u uw aanvraag heeft ingediend, hoort u of NWO uw aanvraag in behandeling neemt. NWO bepaalt dit aan de hand van een aantal administratief-technische criteria (zie de formele voorwaarden voor indiening, paragraaf 3.4). Alleen als uw aanvraag hieraan voldoet, kan NWO deze in behandeling nemen.
Houdt er rekening mee dat NWO u binnen 2 weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. U krijgt 1 keer de gelegenheid om de correcties door te voeren, hiervoor krijgt u tien werkdagen de tijd.
Hierna wordt uw aanvraag voor commentaar voorgelegd aan enkele leden van de beoordelingscommissie (de preadviseurs). De preadviseurs geven schriftelijk een inhoudelijk en beargumenteerd commentaar op de aanvraag. Zij formuleren dit commentaar aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.3.1) en geven de aanvraag per beoordelingscriterium een cijfermatige score. De leden van de beoordelingscommissie beoordelen criterium 1 met een voldoende of onvoldoende, en de criteria 2 tot en met 4 met een score in gehele getallen, oplopend van 1 tot en met 6, waarbij 6 de hoogste score vertegenwoordigt.
De aanvragen worden aan de beoordelingscommissie voorgelegd. De beoordelingscommissie maakt op basis hiervan een eigen afweging die resulteert in een ranglijst. Vervolgens ontvangen de hoogst geprioriteerde 15 aanvragers een uitnodiging voor een interview. Als na de interviewselectie blijkt dat 2 of meer aanvragen op basis van hun gewogen totaalscore niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan is er sprake van een ex aequo-situatie (zie paragraaf 4.2.7). Aanvragers die geen uitnodiging voor het interview ontvangen, komen niet voor toewijzing in aanmerking.
Tijdens het interview heeft de beoordelingscommissie de gelegenheid om vragen te stellen. De aanvrager kan hier tijdens het interview in de discussie met de commissie op reageren. Op deze wijze wordt hoor- en wederhoor toegepast. Het interview is een belangrijk onderdeel van de beoordeling en kan leiden tot bijstelling van de beoordeling en de score van de aanvraag tot dan toe.
De beoordelingscommissie maakt op basis van het beschikbare materiaal een eigen afweging. Hierbij geldt dat de preadviezen in belangrijke mate richtinggevend zijn voor de uiteindelijke beoordeling, maar niet per se onverkort worden overgenomen door de beoordelingscommissie. De commissie weegt de argumenten van de pre-adviseurs (ook onderling) en bekijkt of in het interview een goede reactie is geformuleerd op de kritische opmerkingen uit de preadviezen.
De commissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op aan het bestuur van Regieorgaan SIA over de kwaliteit en prioritering van de aanvragen. Dit advies baseert zij op de beoordelingscriteria.
De aanvraag moet op criterium 1 met een voldoende worden beoordeeld en op elk van de 3 andere beoordelingscriteria afzonderlijk tenminste een 4.00 scoren om in aanmerking te komen voor de subsidie (zie paragraaf 4.3.1).
Als na de bespreking van de aanvragen blijkt dat 2 of meer aanvragen op basis van hun gewogen totaalscore niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan is er sprake van een ex aequo-situatie (zie paragraaf 4.2.7).
Of er sprake is van een ex aequo situatie wordt als volgt bepaald. Het uitgangspunt is de door de beoordelingscommissie opgestelde prioritering, met eindscores afgerond op 2 decimalen. De referentiescore is de score van de laagst geprioriteerde aanvraag binnen de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Alle aanvragen met een score die 0,05 of minder van de referentiescore afliggen, worden in overweging genomen. Zo worden de aanvragen geselecteerd die binnen 0,1 gelijk zijn. Indien een ex aequo situatie zich voordoet op de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens, dan zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium kwaliteit plan van aanpak als hoogste eindigen. Als de ex aequo situatie daarmee niet wordt doorbroken, zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium kwaliteit consortium als hoogste eindigen. Als ook dan aanvragen gelijk eindigen bepaalt de beoordelingscommissie met behulp van een (anonieme) meerderheidsstemming de prioritering (conform artikel 2.2.6, lid 5 van de NWO Subsidieregeling 2024). Als ook stemming geen uitsluitsel biedt, of niet gewenst is, wordt de ex aequo situatie doorgestuurd naar het besluitnemend orgaan.
Tot slot toetst het bestuur van Regieorgaan SIA de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. Vervolgens stelt het de definitieve kwalificaties vast en besluit over toe- en afwijzing van de aanvragen.
Hieronder treft u het tijdpad aan voor deze Call for proposals. Het kan zijn dat NWO het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure nog aanpassingen in het tijdpad van deze Call for proposals aan te brengen. Uiteraard ontvangt u hierover op tijd bericht.
|
6 oktober 2026 |
Deadline verzoek toetsing onderzoeksorganisatie |
|
3 november 2026 |
Deadline aanvragen |
|
November 2026 |
Beschikbaarheid aanvragers voor eventuele administratieve correcties van de aanvraag |
|
December 2026 – januari 2027 |
Raadplegen preadviseurs |
|
Februari 2027 |
Interviewselectie en interviews |
|
Maart 2027 |
Vergadering beoordelingscommissie |
|
April 2027 |
Besluit bestuur |
|
Mei 2027 |
Bekendmaking besluit |
De aanvragen die binnen deze Call for proposals worden ingediend worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
Criterium 1: Voldoen aan kaderregeling O&O&I
Voor onderzoeksorganisaties: de beoordelingscommissie beoordeelt in hoeverre of de onderzoeksactiviteiten die in de aanvraag zijn aangemerkt als niet-economisch van aard kwalificeren als onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek door de onderzoeksorganisatie in het samenwerkingsverband, gericht op meer kennis en beter inzicht. Dit criterium wordt door de commissie beoordeeld met een voldoende/ onvoldoende.
Criterium 2: Probleemstelling en -analyse (20%)
De aanvraag wordt beoordeeld op de mate waarin:
– de probleemstelling helder is geformuleerd en resulterende kennis- en ontwikkelvragen, origineel en vernieuwend, voldoende afgebakend en logisch gerelateerd en bijdragend aan de doelstelling van de Call for proposals en het daarbinnen geformuleerde thema en toepassingsgebied (en) waarop de aanvraag betrekking heeft;
– de probleemstelling urgent en relevant is: houdt de probleemstelling direct verband met vraagstukken uit de praktijk van werken, leren en innoveren voor de IX? In welke mate en op welke wijze is het onderzoek en ontwikkeling theoretisch en/of methodologisch van belang?
– de aanpak en themakeuze passend zijn binnen de ambities en thema’s van CIIIC zoals beschreven in hoofdstuk 2;
– de verwachte projectopbrengsten input zullen leveren aan het human capital programma van CIIIC zoals beschreven in hoofdstuk 2.
Criterium 3: Kwaliteit van het consortium (40%)
De aanvraag wordt beoordeeld op de mate waarin:
– de samenstelling van het consortium logisch aansluit bij het beoogde project;
– relevante maatschappelijke stakeholders en/of (mkb) ondernemingen zijn betrokken;
– de consortiumpartners complementair zijn voor wat betreft benodigde kennis, vaardigheden en expertise voor de uitvoering van het project;
– (praktijk)partners actief betrokken zijn bij de ontwikkeling van het project, vanaf de articulatie van de probleemstelling en de kennisvragen tot bij de uitvoering;
– de governance structuur en onderlinge samenhang van en inzet op verbinding tussen de onderdelen/werkpakketten binnen het plan helder zijn;
– de gekozen governance de learning community vooruit helpt; de learning community beschikt over voldoende mensen, middelen en tijd; de rol- en taakverdeling op passende wijze wordt ingericht, met aandacht voor specifieke eisen aan noodzakelijke expertise van facilitatoren van learning communities; de functieprofielen van deze facilitatoren (zoals onder andere community managers en coördinatoren) helder en overtuigend zijn beschreven;
– de aanvragers, specifiek op het gevraagde thema’s van deze Call for proposals, expertise hebben.
Criterium 4: Kwaliteit van plan van aanpak van de learning community (40%)
De aanvraag wordt beoordeeld op de mate waarin:
1 Doelen, visie en strategie
– er een duidelijke richting/focus en ‘waarom’ van de learning community is, gerelateerd aan de probleemstelling;
– de uitwerking en helderheid van het plan van aanpak voor de learning community inclusief stappenplan; fasering daarin (inclusief de borging strategie na afloop van het project) en haalbaarheid, aansluitend op kenmerken van de learning community zoals beschreven in paragraaf 2.1.
– er voldoende wordt aangesloten bij de (internationale) kennisbasis over learning communities.
Hierbij wordt gekeken naar:
– de wijze van aansluiten bij bestaande kennis/evidence-based werken;
– de wijze van gebruik maken van en aangesloten blijven op doorlopende recente ontwikkelingen/up-to-date blijven;
2 Leerprogramma
– Het leerprogramma duidelijk beschrijft welke vernieuwende leeractiviteiten/aanbod/pakketten worden ontwikkeld via usecases en andersoortige activiteiten;
– het leerprogramma duidelijk en overtuigend beschrijft hoe het wordt georganiseerd, aangestuurd, uitgevoerd en geborgd; met een logische opbouw van wie wat wanneer doet, waarom en wat het oplevert met meetbare (tussen)doelstellingen en te verwachten (tussen)resultaten;
– In hoeverre staat in het activiteitenplan helder beschreven welke rol praktijk-, onderzoeks- en onderwijs- en overige partners op zich nemen in het leerprogramma?
– de strategie en de wijze waarop het leerprogramma samenhangt met het onderzoeksprogramma van de learning community helder is beschreven en passend is; de doorwerking (inclusief kennisdisseminatie en -adoptie) van de onderzoeksresultaten naar de beroepspraktijk, de onderzoeksgemeenschap en het onderwijs wordt gerealiseerd;
– het voorgestelde leerprogramma helder beschreven en uitvoerbaar is; verschillende onderdelen logisch samenhangend zijn met een passende, goed gemotiveerde begroting; er een helder beschreven en passende risicoanalyse en eventueel een back-up plan is;
3 Onderzoeksprogramma
– het onderzoeksprogramma zorgvuldig geformuleerd en onderbouwd is, een vertaling vormt van de praktijkvraag, passend is bij de geformuleerde thema waarop de aanvraag betrekking heeft en aansluit bij de state-of-the-art-kennis;
– De onderzoeksmethoden en analysetechnieken verlopen volgens een bepaalde systematiek en zijn daardoor inzichtelijk, reproduceerbaar en overdraagbaar;
– In hoeverre staat in het activiteitenplan helder beschreven welke rol praktijk-, onderzoeks-, onderwijs- en overige partners op zich nemen tijdens het onderzoek?
– het onderzoeksprogramma haalbaar en uitvoerbaar is. Hierbij wordt gekeken naar:
– de mate waarin de gevraagde financiële middelen in een redelijke verhouding staan tot de aard, omvang en verwachte impact van het projectvoorstel;
– de mate van personele bezetting en kwaliteit als ook de mate van beschikbare middelen en tijdsinvestering;
– de mate waarin sprake is van duidelijk belegd en gekwalificeerd projectmanagement;
In dit hoofdstuk worden de verschillende subsidieverplichtingen toegelicht die – in aanvulling op de in paragraaf 3.5 genoemde subsidievoorwaarden – van toepassing zijn na toewijzing.
De startdatum van het project dient uiterlijk binnen 6 maanden na de datum van het formele toekenningsbesluit te liggen. Het project heeft een duur van maximaal 4 jaar.
Inhoudelijke monitoring kan op verschillende manieren plaatsvinden.
Programmabijeenkomsten
Jaarlijks organiseert het programmateam van het stimuleringsprogramma CIIIC een event waarvoor de (deel)projectleider(s) van de toegewezen aanvragen worden uitgenodigd. Ten behoeve van het versturen van deze uitnodigingen kan het noodzakelijk zijn om het e-mailadres van de projectleider te delen met het programmateam van CIIIC.
Kennisdelingscommissie
Het programmateam van CIIIC bij CLICKNL interacteert met de projecten die volgen uit deze Call for proposals via een kennisdelingscommissie. In deze commissie worden de projecten vertegenwoordigd door de projectleiders. De projectleiders voorzien het programmateam van relevante informatie (o.a. kennis en projectresultaten) voor het stimuleringsprogramma CIIIC. Daarnaast worden kennis en inzichten uit de verschillende projecten met elkaar uitgewisseld. Ten behoeve van het versturen van deze uitnodigingen kan het noodzakelijk zijn om het e-mailadres van de projectleider te delen met het programmateam van CIIIC.
Rapportageverplichtingen
NWO zal met het oog op monitoring van de voortgang van het project tussentijds inhoudelijke en financiële rapportages opvragen bij de projectleider. Gelet op de rapportageverplichtingen in het kader van het Nationaal Groeifonds kan NWO rapportages opvragen bij de projectleider en (onderdelen van) deze rapportages delen met OCW en het CIIIC programmateam/CLICKNL. Voor deze rapportageverplichtingen wordt door NWO, naast de reguliere tussentijdse rapportages, een extra vragenlijst uitgezet.
Afsluiting van een project
Bij afronding van een project zullen inhoudelijke en financiële eindrapportages worden opgevraagd. Als de organisatie van de hoofdaanvrager als begunstigde van de NWO subsidie niet onder het OCW-accountantsprotocol valt, dan is deze als penvoerder verplicht een accountantsverklaring over het gehele project aan te leveren. Daarna wordt de hoogte van de subsidie vastgesteld door NWO.
Na toewijzing van een aanvraag dient de aanvrager de datamanagementparagraaf uit te werken tot een datamanagementplan. Aanvragers kunnen hierbij gebruik maken van het advies van de commissie. De aanvrager beschrijft in het plan of gebruik gemaakt wordt van bestaande data of dat het om een nieuwe dataverzameling gaat en hoe de dataverzameling dan FAIR: vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar gemaakt wordt. Het datamanagementplan dient voor indiening te zijn afgestemd met een data steward of vergelijkbare functionaris van de onderzoeksorganisatie waar het project wordt uitgevoerd.
Goedkeuring van het datamanagementplan door NWO is voorwaarde voor de subsidieverlening. Het plan kan tijdens het onderzoek worden bijgesteld.
Meer informatie over het datamanagementprotocol van NWO staat op: Research datamanagement | NWO
Met betrekking tot de intellectuele eigendom (IE) geldt het NWO IE-beleid. Het NWO IE-beleid is te vinden in hoofdstuk 4 van de NWO Subsidieregeling 2024,waarbij artikel 4.1.1. lid 4 van de NWO Subsidieregeling 2024 niet van toepassing is op deze Call for proposals.
Gesubsidieerde activiteiten dienen te worden uitgevoerd in de tijd dat de projectdeelnemer in dienst is van de organisatie van de aanvrager. Indien een projectdeelnemer is aangesteld bij meerdere werkgevers, dient ervoor te worden gezorgd dat eventuele auteursrechten en IE-rechten van deze personen geen belemmering vormen voor publicatie van de projectresultaten.
Aanvragers moeten een door NWO gefinancierd project uitvoeren in de tijd dat ze voor de organisatie werken. Indien een aanvrager of een door NWO gefinancierde onderzoeker bij meerdere werkgevers is aangesteld, dient de andere werkgever ten behoeve van de aanvrager afstand te doen van eventuele IE-rechten die uit het project voortvloeien.
NWO streeft na dat onderzoeksresultaten toepassing kunnen vinden bij de partners die bij het project zijn betrokken. NWO beoogt enerzijds dat de onderzoeksresultaten van door haar gefinancierde projecten publiek toegankelijk zijn, en anderzijds dat de verdere ontwikkeling van de onderzoeksresultaten wordt gestimuleerd door partijen de mogelijkheid te bieden om deze te exploiteren. Daarbij kan het wenselijk zijn om intellectuele eigendomsrechten over te dragen of een licentie te verlenen aan (een van) de bij het project betrokken private partijen. Het uitgangspunt is dat alle onderzoeksresultaten kunnen worden gepubliceerd met inachtneming van afspraken over publicatieprocedures.
Het afsluiten van een consortiumovereenkomst na toewijzing van de aanvraag is 1 van de voorwaarden voor de start van het project. In deze overeenkomst worden afspraken gemaakt over intellectueel eigendom en publicatie, kennisoverdracht, geheimhouding, betalingen van cofinanciering en voortgangs- en eindverslagen. Uploaden in ISAAC is noodzakelijk voordat een project kan starten.
De verantwoordelijkheid voor het regelen van de consortiumovereenkomst ligt bij de aanvrager.
De (model) consortiumovereenkomst die NWO beschikbaar stelt op de financieringspagina voor deze Call for proposals mag hiervoor gebruikt te worden. Deze modelovereenkomst is opgesteld conform de NWO Subsidieregeling 2024.
Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licentie- en/of overdracht van onder deze Call for proposals ontwikkelde onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de tien principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren, zoals opgenomen in het UMCNL rapport “Maatschappelijk Verantwoord Licentiëren”.
NWO heeft de Berlin Declaration (2003) ondertekend en is lid van cOAlitie S (2018) en zet zich in om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat door NWO gefinancierd wordt vrij toegankelijk te maken via internet (Open Access). Daarmee geeft NWO invulling aan het beleid van de Nederlandse regering om al het publiek gefinancierde onderzoek Open Access beschikbaar te maken. Wetenschappelijke publicaties van onderzoek dat is gefinancierd op basis van toewijzingen voortvloeiend uit deze Call for proposals dienen daarom Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access.
Wetenschappelijke artikelen
Voor wetenschappelijke artikelen geldt dat zij direct op het moment van publicatie (zonder embargo) Open Access beschikbaar gesteld moeten worden via 1 van de volgende routes:
– publicatie in een volledig open access tijdschrift of platform dat is gedeponeerd in de DOAJ;
– publicatie in een abonnementstijdschrift en het deponeren van tenminste de auteursversie van het artikel in een Open Access repository die is gedeponeerd in OpenDOAR;
– publicatie in een tijdschrift waarvoor een transformatieve Open Access overeenkomst beschikbaar is tussen de UNL en een uitgever. Zie daarover: Open Access |.
Boeken
Voor boeken, boekhoofdstukken en bundels gelden afwijkende voorwaarden. Zie daarover de Beleidsregel Open Access op Open Science | NWO.
CC BY licentie
Met het oog op een optimale verspreiding van publicaties moet tenminste een Creative Commons (CC BY) licentie worden toegepast. Bij de aanwezigheid van zwaarwegende belangen kan de auteur verzoeken om te publiceren onder toepassing van een CC BY-ND licentie. Voor boeken, bundels en boekhoofdstukken staat de keuze van een CC BY licentie vrij.
Kosten
Eventuele kosten voor publiceren in volledig Open Access tijdschriften kunnen worden begroot in de projectbegroting door gebruikmaking van de budgetmodule ‘materieel’. Kosten voor publicaties in hybride tijdschriften komen niet in aanmerking voor vergoeding door NWO. Voor Open Access boeken kan een beroep gedaan worden op het aparte NWO Open Access boekenfonds.
Voor een nadere toelichting op het Open Access beleid van NWO zie: Open Science | NWO.
Voor inhoudelijke vragen over deze Call for proposals neemt u contact op met: ngf-ciiic@nwo.nl.
Bij technische vragen over het gebruik van ISAAC kunt u contact opnemen met de ISAAC-helpdesk. Raadpleeg eerst de handleiding voordat u de helpdesk om advies vraagt. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen 2 werkdagen een reactie.
NWO verwerkt persoonsgegevens die zij in het kader van deze ronde ontvangt conform de NWO privacyverklaring, Privacyverklaring | NWO.
NWO kan aanvragers mogelijk benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.
Voor personeel dat een substantiële bijdrage levert aan het onderzoek kan subsidie voor de salariskosten worden aangevraagd. Subsidiëring van deze salariskosten is afhankelijk van het type aanstelling en de onderzoeksorganisatie waar het personeel is/wordt aangesteld.
– Voor universitaire instellingen worden salariskosten gefinancierd conform:
– de op het moment van subsidieverlening geldende UNL-salaristabellen + 50% opslag (Salaristabellen | NWO), of
– de tarieven conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. Zie ook paragraaf 7.3.
– Voor universitair medisch centra worden salariskosten gefinancierd conform:
– de op het moment van subsidieverlening geldende UMCNL-salaristabellen + 50% opslag (Salaristabellen | NWO), of
– de tarieven conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. Zie ook paragraaf 7.3.
– Voor personeel van hogescholen, TO2-instituten en overige onderzoeksorganisaties worden salariskosten gefinancierd op basis van:
– de cao-inschaling van de betreffende medewerker conform de op het moment van subsidieverlening geldende tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag (Salaristabellen | NWO), of
– de tarieven conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. Zie ook paragraaf 7.3.
– Voor de Nederlandse Cariben geldt dat de Rijksoverheid in Caribisch Nederland ambtenaren op de BES-eilanden onder andere voorwaarden in dienst neemt dan in Europees Nederland. https://www.rijksdienstcn.com/werken-bij-rijksdienst-caribisch-nederland/arbeidsvoorwaarden.
ALLE aanvragers (onderzoeksorganisaties, ondernemingen, maatschappelijke organisaties) MOETEN reserveren (zie paragraaf 7.4).
De tarieven voor alle budgetmodules, met uitzondering van de IKS-tarieven (zie paragraaf 7.5), zijn verwerkt in het begrotingsformat bij het aanvraagformulier. Voor de budgetmodule ‘Postdoc’ komt bovenop de salariskosten een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 (niet van toepassing bij gebruik van IKS), ter stimulering van de wetenschappelijke carrière van de door NWO gefinancierde projectmedewerker. Behalve bij het gebruik van IKS-tarieven. De IKS-tarieven zijn al integraal dus hierin is benchfee opgenomen. Vergoedingen voor promotiestudenten/beursalen aan een Nederlandse universiteit komen niet in aanmerking voor subsidie van NWO.
Hieronder volgt een toelichting op de beschikbare budgetmodules.
Voor genoemde salaristabellen en tarieven: zie Salaristabellen | NWO.
Postdoc
Een postdoc wordt aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in paragraaf 3.1.
Gebruik de tarieven van een senior wetenschappelijk medewerker in de salaristabellen van UNL plus een opslag van 50%, en de tarieven van een postdoc bij een umc in de salaristabellen van UMCNL plus een opslag van 50% of de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO.
Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een postdoc die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.
Alleen een postdoc positie met een aanstelling van ten minste 12 maanden voor 0,5 fte kwalificeert als een aanstelling waarvoor een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar staat (niet van toepassing bij gebruik van IKS) ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.
Niet-wetenschappelijk personeel (NWP)
Financiering kan worden aangevraagd voor niet-wetenschappelijk personeel (NWP) dat nodig is voor de uitvoering van het project. Het kan bijvoorbeeld gaan om programmeurs, technisch assistenten, analisten of projectmanagers. De inzet van NWP moet worden beschreven in de aanvraag.
De duur van de aanstelling is niet langer dan de looptijd van het door NWO gefinancierde project. Afhankelijk van het functieniveau wordt gekozen uit de salaristabellen van het UNL of UMCNL plus een opslag van 50% voor NWP-mbo, NWP-hbo en NWP-academisch of gebruik de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO. Voor NWP is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.
Vervanging van de aanvrager
Met deze budgetmodule kan financiering worden aangevraagd voor de kosten van de te vervangen hoofd- en/of medeaanvrager(s). Hiermee kan de werkgever van de betreffende aanvrager de kosten dekken om hem/haar vrij te stellen van onderwijs-, begeleidings-, bestuurs- of beheertaken (geen onderzoekstaken). De door de vervanging vrijgekomen tijd mag/mogen de aanvrager(s) alleen inzetten voor werkzaamheden in het kader van het project. In de aanvraag moet beschreven worden welke werkzaamheden in het kader van het project de aanvrager(s) in de vrijgestelde tijd zullen verrichten.
Er kan voor maximaal het equivalent van 5 voltijdsmaanden vervanging worden aangevraagd.
NWO financiert de vervanging op basis van de op de besluitdatum geldende salaristabellen + 50% opslag voor een senior wetenschappelijk medewerker (schaal 11.0) of op basis van het IKS-tarief zoals gedeponeerd bij RVO voor maximaal het tarief wat is gebruikt in de aanvraagbegroting. (Salaristabellen | NWO)
Personeel hogescholen, TO2-instituten en overige onderzoeksorganisaties
Financiering kan worden aangevraagd voor personeel van hogescholen, TO2-instituten en overige (onderzoeks)organisaties. De tarieven worden bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.1, ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ plus 50% opslag. De salarisschaal van de aangevraagde functie bepaalt het tarief uit de HOT-tabel. Of gebruik de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO. Voor personeel van hogescholen, TO2-instituten, en overige (onderzoeks)organisaties is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.
Voor organisaties die niet de cao Rijksoverheid of vergelijkbaar gebruiken (zoals de cao’s van hbo, mbo, vo en lagere overheden), dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert.
Studenten
In het onderzoek kunnen studenten worden ingezet. Indien de studenten bijdragen als onderdeel van hun curriculum, geldt het tarief volgens de gebruikelijke stagevergoeding van de universiteit of hogeschool.
Indien de studenten als bijbaan naast hun studie als student-assistent bijdragen, geldt het tarief volgens Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.1 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, exclusief btw’, schaal 1 plus 50% opslag. Of gebruik de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO.
Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland
Financiering kan worden aangevraagd voor loonkosten van personeel aan een buitenlandse onderzoeksorganisatie dat een bijdrage levert aan het project. De buitenlandse onderzoeksorganisatie moet voldoen aan de definitie van onderzoeksorganisatie zoals bedoeld in artikel 1.1, leden 4 en 5 van de NWO Subsidieregeling 2024 en aan de onder ‘voorwaarden buitenlandse onderzoeksorganisatie’ genoemde cumulatieve voorwaarden.
Onderbouw overtuigend hoe de onderzoeker van de buitenlandse onderzoeksorganisatie specifieke expertise aan het project bijdraagt die in Nederland niet beschikbaar is op het niveau dat voor het project noodzakelijk is. De beoordelingscommissie beoordeelt deze onderbouwing als onderdeel van het criterium kwaliteit van het consortium. Deze onderbouwing is niet nodig wanneer NWO een bilaterale overeenkomst omtrent Money follows cooperation heeft gesloten met de nationale onderzoeksfinancier van het land waar de buitenlandse onderzoeksorganisatie zich bevindt. Op de NWO-website staat met welke onderzoeksfinanciers NWO een dergelijke overeenkomst heeft gesloten. NWO verstrekt geen subsidie aan medeaanvragers in het buitenland die vallen onder toepasselijke sanctiewetgeving.
De hoofdaanvrager ontvangt de subsidie en is verantwoordelijk voor het overmaken van subsidiemiddelen aan de buitenlandse onderzoeksorganisatie van de medeaanvrager en voor de financiële verantwoording van de besteding van het buitenlandse deel van de subsidie. Het wisselkoersrisico ligt bij de aanvrager.
Baten of lasten door wisselkoersen zijn niet subsidiabel.
Gebruik de UNL-tarieven gecorrigeerd voor de landencorrectiecoëfficiënten. Deze tarieven zijn maxima. Er is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.
Als binnen deze budgetmodule meer dan € 125.000 per organisatie wordt aangevraagd, dan is een controleverklaring nodig bij de financiële eindverantwoording.
Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke kosten met betrekking tot onder meer verbruiksgoederen, inkoop van diensten, materialen, kleine instrumenten, toegang tot (inter)nationale faciliteiten, software en onderzoeksmiddelen die na gebruik geen economische waarde meer hebben. Reis- en verblijfkosten (nationaal en internationaal) voor alle mensen die aan het project werken incl. buitenlandse gastonderzoekers, kosten voor de organisatie van (internationale) workshops en symposia, kosten voor datamanagement, publicaties, en kosten in het kader van Citizen Science vallen eveneens onder deze module. Maximaal 50% van het bij NWO aangevraagde materiele budget kan ingezet worden voor werk door derden (bijvoorbeeld laboratoriumananalyses, dataverzameling enz.).
Reiskosten (nationaal en internationaal) worden alleen vergoed op basis van 2e klasse/economy class tarieven. Voor publicaties gelden de bepalingen in de paragraaf 5.1.5 Open access. Kosten voor een controleverklaring kunnen alleen worden opgevoerd voor instellingen die niet onderworpen zijn aan het onderwijsaccountantsprotocol van OCW voor maximaal € 5.000 per controleverklaring.
Het is niet toegestaan om kosten op te voeren voor:
– organisatie-infrastructuur en overhead, waaronder een volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening en thuiswerkvergoeding;
– het gebruik en onderhoud van in eigen beheer ontwikkelde wetenschappelijke infrastructuur;
– reguliere onderwijsactiviteiten;
Let op: Indien financiering wordt aangevraagd voor bovenstaande project-specifieke kosten van buitenlandse organisaties horen deze organisaties voor indiening getoetst te worden op de wijze omschreven in paragraaf 7.1.1 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland.
Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke middelen ten behoeve van onderzoek of kosten met betrekking tot bouw of doorontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur die na afronding van het project economische waarde behouden, dan wel kunnen worden hergebruikt. De begunstigde verwerft na afloop van het project het eigendom over deze onderzoeksmiddelen. Indien de begunstigde winst realiseert uit het economisch eigendom van deze onderzoeksmiddelen, dan moeten deze winsten worden geïnvesteerd in onderzoeksactiviteiten. Het gaat om de aanschaf van apparatuur met restwaarde voor de uitvoering van onderzoek en om investeringen in de opbouw of (verdere) ontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur. Loonkosten als onderdeel van de investering zijn op te voeren als personele kosten.
De kosten voor investeringen dienen in de aanvraag adequaat gespecificeerd en gemotiveerd te worden.
Subsidiabel zijn:
– kosten voor investeringen in wetenschappelijke apparatuur;
– kosten voor investeringen in datasets;
– loonkosten voor medewerkers met essentiële technische expertise noodzakelijk voor de ontwikkeling of bouw van een investering.
Niet-subsidiabel zijn:
– kosten voor infrastructurele voorzieningen die tot de gebruikelijke infrastructuur gerekend kunnen worden volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening, thuiswerkvergoeding);
– dataverzamelingen en eventuele bijbehorende software en bibliografieën die reeds op andere wijze beschikbaar zijn;
– overige personeelskosten, waaronder personeelskosten voor de exploitatie en het uitvoeren van onderzoek met de faciliteit;
– kosten voor onderhoud en gebruik van de apparatuur op een project. De kosten voor het gebruik van apparatuur op een project kunnen via het materieel budget aangevraagd worden.
Het aangevraagde budget dient in de aanvraag adequaat gespecificeerd te worden. Gebruik voor de bepaling van de tarieven de bepalingen van Personeel (7.1.1) en Materieel (7.1.2).
Deze Call for proposal vraagt om praktijkgericht onderzoek, waarin kennisbenutting middels doorwerking via vraagarticulatie en samenwerking in een consortium deels al geïntegreerd is in de projectactiviteiten. De aanvrager dient duidelijk aan te geven waar deze doorwerking uit bestaat en hoe de beoogde te ontwikkelen kennis wordt benut en bijdraagt aan de impactdoelen.
Het aangevraagde budget voor kennisbenutting dient in de aanvraag adequaat gespecificeerd te worden.
Let op: Indien financiering wordt aangevraagd voor bovenstaande project-specifieke kosten van buitenlandse organisaties dienen deze organisaties voor indiening getoetst te worden op de wijze omschreven in paragraaf 7.1.1 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland.
De module Projectmanagement geeft de mogelijkheid om een post voor projectmanagement aan te vragen tot maximaal 5% van het totale bij NWO aangevraagde budget. Deze post kan uitsluitend activiteiten betreffen die zuiver ondersteunend zijn aan het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De aanvrager moet deze post adequaat motiveren.
Onder projectmanagement wordt onder andere verstaan het optimaal vormgeven van de organisatiestructuur van het consortium, ondersteuning van het consortium en de hoofdaanvrager, het bewaken van de samenhang, voortgang en eenheid van het project, en de afstemming tussen de deelprojecten binnen het project. Deze taken mogen ook door externe organisaties worden uitgevoerd voor zover niet beschikbaar op de onderzoeksorganisatie van de hoofd- en/of medeaanvrager(s).
Onderzoeksorganisaties dienen bij de offerteprocedure tot het selecteren van een derde partij rekening te houden met de inkoopregels van de overheid en waar nodig een Europese aanbestedingsprocedure te volgen. De werkzaamheden van de hoofdaanvrager en medeaanvragers zelf in het kader van het project(management) mogen niet bekostigd worden uit deze budgetmodule.
Het voor projectmanagement aan te vragen budget kan bestaan uit materiële- of uitvoeringskosten en personele kosten. Voor personele kosten kan een maximaal tarief van € 121 per uur worden opgevoerd. Het uurtarief van het aan te stellen personeel dient te zijn gebaseerd op een kostendekkend tarief en wordt berekend op basis van het gehanteerde standaard productief aantal uur van de organisatie. Het kostendekkend tarief omvat:
– (gemiddeld) brutoloon behorende bij de functie van de medewerker die zal bijdragen aan het project (op basis van de cao-inschaling van de betreffende medewerker)
– vakantiegeld en 13e maand (indien van toepassing in de geldende cao) naar rato van de inzet in fte
– sociale lasten
– pensioenlasten
– overhead
Het is toegestaan om taken in het kader van projectmanagement door externe organisaties te laten uitvoeren, maar het deel van (commerciële) uurtarieven dat voornoemde tarieven overschrijdt, is niet subsidiabel en kan derhalve niet worden opgenomen in de begroting.
Kosten voor de financiering van personeel werkzaam bij een onderneming en maatschappelijke organisaties worden tot maximaal 40% vergoed volgens:
1. de op het moment van subsidieverlening geldende HOT tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag (Salaristabellen | NWO). Het werkelijke uurtarief van de medewerker op basis van de cao van diens organisatie dient als uitgangspunt voor de tariefkeuze. Voor organisaties die niet de cao Rijksoverheid of vergelijkbaar gebruiken (zoals de cao’s van hbo, mbo, vo en lagere overheden) en of ondernemingen en overige maatschappelijke organisaties die niet onder een cao vallen, kan het HOT-tarief worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert. Bij berekening moet worden uitgegaan van het aantal productieve uren genoemd in de geldende jaargang van de Handleiding Overheidstarieven, of
2. een vast uurtarief van € 60, of
3. een tarief conform integrale kostensystematiek zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende medeaanvrager. Zie ook paragraaf 7.4.
Dit kunnen personeelskosten zijn voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden.
Onder artikel 25 van de AGVV vergoedt NWO maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten voor personeel. Om die reden moet, indien na indiening van de aanvraag en voor toewijzing van de aanvraag de HOT-tarieven stijgen, een aanvrager die gebruikt maak van de HOT-tarieven in de aanvraagbegroting middelen reserveren om de stijging van personeelstarieven eenmalig te financieren. NWO zal daartoe in het begrotingsformat een percentage voorschrijven op basis van een inschatting van historische, meerjarige cijfers. De aanvrager kan geen rechten ontlenen aan het voorgeschreven percentage ten aanzien van de daadwerkelijke stijging van tarieven.
Indien de reservering onvoldoende blijkt om stijging van de personeelstarieven te financieren, compenseert de aanvrager de stijging uit andere begrotingsposten waarbij het substantieel inhoudelijk wijzigen van de aanvraag niet is toegestaan.
Indien blijkt dat niet alle gereserveerde middelen nodig zijn, stelt NWO de aanvraagbegroting naar beneden bij en worden uitsluitend de kosten verbonden aan de daadwerkelijke stijging toegewezen.
Voor zover de in aanmerking komende kosten van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten andere kosten dan de personeelskosten betreffen komen hiervoor in deze Call for proposals de volgende kosten in aanmerking voor financiering:
– Kosten van apparatuur en uitrusting: kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Maximaal 25% van de in aanmerking komende kosten per aanvragende organisatie;
– Contractonderzoekskosten: kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt. Maximaal 25% van de in aanmerking komende kosten /per aanvragende organisatie;
– Operationele kosten: bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. Maximaal 25% van de in aanmerking komende kosten /per aanvragende organisatie.
Maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten wordt als subsidie verleend. De overige minimaal 60% van de in aanmerking komende kosten betreft de eigen bijdrage van de organisatie en wordt meegerekend bij de Financiering anders dan door NWO (zie ook paragraaf 3.2).
Module Investeringskosten
Onder deze module kan budget worden aangevraagd voor de kosten van de investeringen in materiële en immateriële activa die betrekking hebben op de bouw en het upgraden van de learning community.
Materiële activa omvatten gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting, apparatuur, software en dataverzamelingen. Immateriële activa omvatten fysieke en/of financieel niet tastbare activa, zoals octrooien, licenties, knowhow of andere intellectuele eigendomsrechten.
Daarnaast kunnen onder deze module personeelskosten worden aangevraagd voor de bekostiging van personeel dat een bijdrage levert aan het bouwen of upgraden van de learning community. De kosten voor investeringen dienen in de aanvraag adequaat gespecificeerd en gemotiveerd te worden.
Kosten die niet aangevraagd kunnen worden zijn onderhouds- en verzekeringskosten.
Module Exploitatiekosten
Onder deze module kunnen personeelskosten en administratieve kosten worden aangevraagd voor de exploitatie van de learning community.
De personeelskosten en de administratieve kosten ten behoeve van de exploitatie van de learning community hebben betrekking op:
a. het aansturen van een cluster ter bevordering van samenwerking, informatiedeling en het verschaffen van gespecialiseerde en op maat gemaakte zakelijke ondersteuningsdiensten;
b. de marketing van het cluster om nieuwe ondernemingen of organisaties aan te trekken en de zichtbaarheid te verhogen en;
c. het beheer van de faciliteiten van het cluster, de organisatie van opleidingsprogramma’s, workshops en conferenties ter ondersteuning van kennisdeling, netwerken en transnationale samenwerking.
Onder deze module kunnen geen personeelskosten voor onderzoeksactiviteiten gesubsidieerd worden. Deze kosten dienen begroot te worden onder de budgetmodules voor personele kosten uit Tabel 2 en 3, paragraaf 3.2.
Voor het bekostigen van personele kosten ten behoeve van de learning community dient voor beide modules gebruik te worden gemaakt van 1 van de volgende tariefsystemen:
– UNL-salaristabellen + 50% opslag (zie paragraaf 7.1);
– UMCNL-salaristabellen + 50% opslag (zie paragraaf 7.1);
– tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. Btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag (zie paragraaf 7.2);
– integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd8 bij RVO voor de betreffende organisatie (zie paragraaf 7.5)9 ;
– vast uurtarief van € 60 (zie paragraaf 7.5).
Bij het aanvragen van financiering voor personeelskosten moet worden onderbouwd waarom deze personeelskosten noodzakelijk zijn.
Onder artikel 27 van de AGVV vergoedt NWO maximaal 50% van de in aanmerking komende kosten voor de opbouw en exploitatie een learning community. Indien na indiening van de aanvraag en voor toewijzing van de aanvraag de UNL-, en/of UMCNL- en/of HOT-tarieven stijgen, dient de aanvrager in de aanvraagbegroting middelen te reserveren om de stijging van personeelstarieven eenmalig te financieren. NWO zal daartoe in het begrotingsformat een percentage voorschrijven op basis van een inschatting van historische, meerjarige cijfers. De aanvrager kan geen rechten ontlenen aan het voorgeschreven percentage ten aanzien van de daadwerkelijke stijging van tarieven.
Indien de reservering onvoldoende blijkt om stijging van de personeelstarieven te financieren, compenseert de aanvrager de stijging uit andere begrotingsposten waarbij het substantieel inhoudelijk wijzigen van de aanvraag niet is toegestaan.
Indien blijkt dat niet alle gereserveerde middelen nodig zijn, stelt NWO de aanvraagbegroting naar beneden bij en worden uitsluitend de kosten verbonden aan de daadwerkelijke stijging toegewezen.
Specifiek en uitsluitend voor Calls for proposals die NWO uitvoert in het kader van het Nationaal Groeifonds kunnen hoofd- en medeaanvragers voor de financiering van personeelskosten gebruikmaken van de Integrale kostensystematiek zoals deze door RVO wordt gehanteerd.
Alleen onderzoeksorganisaties, ondernemingen en maatschappelijke organisaties waarvan de IKS-tarieven zijn gedeponeerd en goedgekeurd door RVO mogen deze tarieven toepassen in de aanvraagbegroting.
Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming geeft de IKS-tarieven op te vragen bij RVO ten behoeve van de formele toets op indieningsvoorwaarden door NWO. Tevens houdt de keuze in dat men de IKS-tarieven deelt met de consortiumpartners van het voorstel op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.
NWO zal als onderdeel van de toets op formele voorwaarden voor indiening de IKS-tarieven in de aanvraagbegroting vergelijken met de bij RVO gedeponeerde en goedgekeurde tarieven. NWO hanteert hierbij de laatst gedeponeerde tarieven ten tijde van indiening. Indien er een afwijking geconstateerd wordt in de IKS-tarieven van de aanvraagbegroting en de IKS-tarieven bij RVO zal door NWO contact gezocht worden met de hoofdaanvrager, die de verantwoordelijkheid heeft om de aanvraag (incl. begroting) binnen de daartoe gestelde termijn in overeenstemming te brengen met de voorwaarden (zie ook de paragraaf 4.2 met onderdeel ‘in behandeling nemen van de aanvraag’).
De opgevoerde functies in de aanvraagbegroting moeten overeenkomen met de benoemde functies in de IKS-tabel zoals deze is gedeponeerd bij RVO. De bijbehorende uurtarieven dienen verder zonder indexatie te worden opgevoerd in de aanvraagbegroting. Er is géén mogelijkheid tot indexatie van tarieven gedurende de looptijd van het project. Als gebruik is gemaakt van IKS-tarieven is benchfee niet van toepassing omdat deze integrale kosten al in het IKS-tarief zijn opgenomen.
In de financiële eindverantwoording moet de aanvrager de gemaakte personeelskosten van alle jaren afzonderlijk opnemen.
Vast uurtarief
(Bron: Vaste uurtarief systematiek (rvo.nl)) De vaste-uurtarief-systematiek is een standaardmethode om de hoogte van subsidie voor in aanmerking komende kosten te berekenen. Onderzoeksorganisaties kunnen geen gebruik maken van dit tarief.
Het vaste uurtarief is een vergoeding voor de loonkosten/arbeidskosten en de indirecte-, of overheadkosten van uw organisatie, bijvoorbeeld huisvestingskosten, kosten van kantoorapparatuur en kosten van binnenlandse reizen voor werkoverleg. De hoogte van het vaste uurtarief bedraagt in deze Call for proposals € 60.
Indien u gebruik maakt van deze systematiek moet in uw administratie het aantal gewerkte uren door uw projectmedewerkers en de kosten van apparatuur, materialen en derden (facturen) duidelijk terug te vinden zijn. Een verantwoording over de werkelijke loonkosten van de medewerkers die aan het project werken is niet nodig.
Indien na indiening van het voorstel en voordat het voorstel wordt toegekend de UNL- en/of UMCNL- en/of HOT-tarieven stijgen, dient de aanvrager in de begroting van het voorstel middelen te reserveren om een eenmalige stijging van de personeelstarieven te financieren. NWO zal in het begrotingsformat een percentage voorschrijven op basis van een inschatting van historische meerjarencijfers. Aan het voorgeschreven percentage kan de aanvrager geen rechten ontlenen ten aanzien van de daadwerkelijke tariefstijging.
Als het gereserveerde bedrag onvoldoende blijkt om de stijging van de personele tarieven te financieren, compenseert de aanvrager de stijging uit andere begrotingscategorieën. Inhoudelijke wijzigingen in de aanvraag zijn niet toegestaan.
Als blijkt dat niet alle gereserveerde middelen nodig zijn, dan past NWO het aanvraagbudget naar beneden aan en worden alleen de kosten vergoed die samenhangen met de daadwerkelijke tariefsverhoging.
Over de governance van het stimuleringsprogramma CIIIC en de relatie van deze Call for proposals tot de andere actielijnen en activiteiten die deel uitmaken van dit NGF-project is meer informatie beschikbaar op www.ciiic.nl.
NWO adviseert aanvragers om kennis te nemen van de CIIIC Innovatie Agenda en waar mogelijk mee te nemen in de uitvoering van het project. De Innovatie Agenda is beschikbaar via de financieringspagina van deze regeling.
NWO adviseert aanvragers om kennis te nemen van de Publieke Waarden Richtlijn en Zelftoets voor Immersive Experiences (IX) en waar mogelijk mee te nemen in de uitvoering van het project. Deze richtlijn en zelftoets Publieke Waarden is beschikbaar via de financieringspagina van deze regeling. Meer gedetailleerde achtergrondinformatie over Publieke Waarden kunt u lezen op de CIIIC-website.
Waarom de inzet op human capital bij CIIIC?
De geambieerde versnelling en schaalsprong voor IX is beslist niet alleen een kwestie van nieuwe technologie, innovatie en markt. Zonder mensen geen innovatie, toepassing en vernieuwing. De ontwikkeling, het gebruik en de acceptatie van IX vraagt dat mensen weten en snappen wat het inhoudt, hoe het werkt en wat er mee kan, kansen en mogelijkheden zien en kritisch blijven ten aanzienvan het borgen van de maatschappelijke en publieke waarden. Dat vraagt een brede range aan (nieuw) talent, vanaf ontwikkelaars en makers met veel kennis en ervaring van technologie, IX, AI en design tot toepassers in toepassingsgebieden als zorg en veiligheid, die de kansen van IX in hun gebied zien en kunnen vertalen en overdragen aan de professionals die er vervolgens mee aan de slag gaan. En alle schakels daartussen in de gehele keten. En het vraagt om alle soorten van talent van praktische tot wetenschappelijk, van technisch tot sociaal, van design tot communicatie.
De overkoepelende doelstelling van de human capital aanpak van CIIIC is het tijdig voorzien in voldoende en goed opgeleide professionals in het IX-domein, op cruciale functies en vakgebieden in de gehele keten en in de prioritaire toepassingsdomeinen.
Human capital voor IX houdt de volgende elementen in:
– uitstroom van jong talent uit de relevante toeleidende opleidingen en het bieden van een baan en loopbaan in IX
– opleiden en trainen van professionals die al werkzaam zijn in IX en die zich verder willen/moeten doorontwikkelen
– opleiden en trainen van professionals, werkzaam in toepassingsgebieden waar steeds meer gewerkt zal gaan worden met IX en van wie een ‘basaal’ inzicht en kennisniveau wordt gevraagd (ook als onderdeel van de aanjaagfunctie van IX: early adopters)
– opleiden en trainen van professionals die werkzaam zijn in de overige schakels van de IX-keten (zie paragraaf 3.4)
– opleiden en trainen van zij-instromers die vanuit een andere sector actief (willen) worden op het domein van IX
– Nederlands talent in het internationale ecosysteem ervaring laten opdoen, de sterke internationale positie van de Nederlandse IX-sector gebruiken voor internationale samenwerking en Nederland aantrekkelijk positioneren voor internationaal IX-talent.
– opleiden en trainen van docenten en trainers op voor IX relevante domeinen bij publieke en private instellingen en bedrijven
De waardeketen voor IX kennisdomeinen en beroepen
IX is een jong domein. Er bestaat weinig tot geen specifiek arbeidsmarktonderzoek. Ook zijn de verschillende onderdelen van het IX-domein (nog) niet eenduidig geformuleerd. Om effectieve interventies te kunnen ontwikkelen voor human capital is het belangrijk om een goed beeld te hebben van de relevante kennisgebieden, en om welk soort bedrijven en beroepen het gaat. Welke kennis en skills worden gevraagd en welke worden in de toekomst belangrijk? Om de human capital aanpak inhoudelijk te kunnen ‘laden’, is het belangrijk om hierin een zekere ordening aan te brengen. Dit heeft geresulteerd in een eerste overzicht.
In de eerste fase van de aanpak is daarom op basis van interviews en documenten een waardeketen geformuleerd, waarbij sterk wordt geleund op de indeling zoals die binnen de gehele creatieve Industrie wordt gebruikt (niet uitputtend):
– IX-makers met subdomeinen als Creative design, User experience (UX), Graphix, Gamedevelopment, Social Intercation, Creative Storytelling etc.
– De toepassingsgebieden voor IX:
– Media en Entertainement met subdomeinen als Media, Festivals, Bioscopen.
– Kunst & Cultuur met subdomeinen als Bioscopen, Theaters en Cultureel erfgoed
– Creatieve Zakelijke Dienstverlening met subdomeinen als Openbare orde en Veiligheid, educatie & training, Zorg & Welzijn, Gebouwde Omgeving, Industrie.
– Distributeurs, waaronder ook de verschillende platforms.
– Creatieve en zakelijke verbinders tussen IX en de toepassingsdomeinen.
De bouwstenen van de human capital aanpak CIIIC
Om haar doelstelling ten aanzien van voldoende en goed opgeleide professionals in het IX-domein te realiseren, werkt CIIIC met de volgende bouwstenen:
1 Krachtige Learning Communities (6-12 in de eerste fase) die via publiek private samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven/maatschappelijke organisaties de duurzame basis (ecosysteem) leggen voor het opleiden en innoveren in IX.
2 Marktgerichte Skills- en Competentieontwikkeling, waarin het aanjagen van specifieke skills en expertise bij makers en professionals in toepassingsgebieden centraal staat. Hier gaat het om het ontwikkelen van trainingsmodules (ca 15 in de eerste fase en uiteindelijk 30 nieuwe modules aan het eind van het programma).
3 Daadwerkelijk opleiden van professionals in nieuwe kennis en ontwikkelingen in het IX-domein over de gehele waardeketen (3.000 in de eerste fase en uiteindelijk 10.000 opgeleide professionals aan het eind van het programma).
4 Bevorderen van instroom van talent (jong talent, professionals uit andere sectoren en kennisgebieden en internationale mobiliteit).
5 Systematische professionalisering van de arbeidsmarkt voor IX waarbij wordt toegewerkt naar 1 plek voor het ontsluiten van kennis, systematisch wordt gewerkt aan kennis over de arbeidsmarkt (monitor) en een set aan afspraken wordt gemaakt over hoe modulair onderwijs kan worden georganiseerd (skillsbased arbeidsmarkt op basis van een gedragen skills-framework). We denken daarbij aan vergelijkbare onderzoek en monitorrapportages als de Nationale Games Monitor 2024, de monitor over de Creatieve Industrie en de recent uitgebrachte ‘Creative Industries Employers’ Perspectives on Skills Initiatives 2025’.
6 Permanente aandacht voor de verbinding tussen human capital aanpak en de andere pijlers van CIIIC, zoals faciliteiten en ecosystemen, kennis en methoden, innovatie en demo’s en de borging van publieke waarden (zie 3.6).
Synergie tussen de Human Capital Actielijnen en het gehele programma CIIIC
Synergie binnen de human capital activiteiten:
– Op dit moment wordt nog uitwerking gegeven aan de andere bouwstenen van de human capital aanpak van CIIIC zoals het Ontwikkelingstraject Marktgerichte Opleidings- en Trainingsmodules en de Stimuleringsimpuls voor Opleiden en trainen van IX-professionals.
– Op basis van bovenstaande informatie wordt de aanvragers in de call voor Learning Communities gevraagd om zo goed mogelijk aan te geven hoe zij de relatie willen leggen met de andere bouwstenen van de human capital aanpak, bijvoorbeeld waar het gaat om marktgerichte opleidings- en trainingsmodules, de opleidingsimpuls (‘vouchers’) of het stimuleren van zij-instroom en het opleiden en trainen van professionals.
Synergie met de andere programma-activiteiten binnen CIIIC:
– De kracht van CIIIC is de synergie tussen alle deelactiviteiten (zie bouwsteen 6). Zo vindt op vele plaatsen ecosysteemontwikkeling plaats, wordt gewerkt aan methodiekontwikkeling, wordt ingezet op innovatie en is er zorg voor ethiek en publieke waarden. Dat vereist een sterke ‘centrale’ regie, visie en afstemming vanuit het gele CIIIC-programma.
– Noodzakelijke synergie moet er ook zijn tussen human capital en ‘ecosysteem en faciliteiten (facilitysharing)’ en ‘innovatie- en demonstratieprojecten’ (opleiden van professionals in deze projecten). Daarom is het goed denkbaar om Learning Communities ook te realiseren vanuit de initiatieven en ecosystemen die hierin worden opgezet.
– Ook is het nodig om een sterke relatie te leggen met het onderdeel methodiek-ontwikkeling van het CIIIC-programma (binnen programmalijn 5 van CIIIC).
Synergie met andere (NGF-)programma’s:
– Ook andere NGF-programma’s zijn actief met Learning Communities op aanverwante gebieden, zoals DUTCH (opleidingen voor ziekenhuis) en AIC4NL (gericht op AI). Deze richten zich op vergelijkbare doelgroepen met een vergelijkbare inhoud. De aanvragers worden uiteraard gevraagd om hier de samenhang mee te zoeken als de aanvraag daar aanleiding toe geeft.
– Andere NGF-programma’s zoals NPULS en LLO-katalysator richten zich sterk op het professionaliseren van de publieke opleidingsinfrastructuur voor Leven Lang Ontwikkelen (onder meer met microcredentials, individuele loopbaanpaden etc.).
Belangrijke uitgangspunten voor de human capital activiteiten
1. Ruimte voor de creatieve professionals:
– In de human capital aanpak staan creatieve professionals en bedrijven centraal: zij realiseren de IX-ambitie voor de toekomst. De creatieve sector bestaat uit vele kleine bedrijven en voor het IX domein geldt dat in het bijzonder.
– Bovendien is het verdienvermogen van deze kleine bedrijven beperkt, wat maakt dat er weinig ruimte is voor grote eigen investeringen en bijdragen.
– Bij de uitwerking van de human capital aanpak is deze uitgangspositie bepalend voor de randvoorwaarden die aan de uitvoering zullen worden meegegeven.
2. Dynamische ‘doe’-aanpak:
– Het gaat zowel om méér mensen die beschikbaar komen voor de IX-arbeidsmarkt (kwantitatief) als om het opleiden en trainen van reeds werkende professionals in nieuwe kennis en vaardigheden (kwalitatief).
– De ontwikkelingen in het IX-veld gaan snel: een jong veld waarin kennis snel veroudert. Exacte onderbouwing van aantallen en precieze duiding van de aandachtsgebieden is daardoor lastig. Er is vrijwel geen geschikte arbeidsmarktinformatie beschikbaar.
– Daarom kiezen we voor een aanpak waarbij het accent ligt op: ‘van de kant komen’, starten, laten zien dat het werkt, beweging op gang brengen, onderweg bijsturen, nieuwe dingen in gang zetten als dat nodig is en stoppen met dingen die in de praktijk niet blijken te werken. Deze aanpak past in de dynamische wereld van IX en bij het profiel van de mensen die daarin werkzaam zijn. Alleen dan zijn we succesvol.
– Parallel hieraan werken we aan de verdere professionalisering van de human capital aanpak met een arbeidsmarktmonitor, een dynamisch kennisplatform als 1 plek waar informatie en producten ontsloten wordt en aan een ‘skillsframework’ waarin helder wordt gemaakt om welke beroepen en vaardigheden het gaat in de IX-wereld.
3. Bieden van een basis en meebewegen met de ontwikkelingen:
– Eerder is al aangegeven dat het human capital programma wil meebewegen met de ontwikkelingen in de markt en tegelijkertijd een stevige duurzame human capital basis wil leggen onder IX.
– Dat betekent dat het programma wil inspelen op trends en nieuwe ontwikkelingen, maar niet als een ‘speedboot’ zal reageren op tal van veranderende prioriteiten en inzichten. Het legt een duurzame basis voor IX in de overtuiging dat er basale kennis en vaardigheden zijn te identificeren en dat het belangrijk is te investeren in een duurzame en responsieve infrastructuur die zelf flexibel kan reageren op nieuwe ontwikkelingen.
– Dat geldt evenzeer voor de kwantitatieve doelstelling. De economische ontwikkelingen zijn – zeker in deze tijd – grillig en onvoorspelbaar. Het groeipad kan op sommige momenten wellicht iets minder steil zijn dan voorzien; toch werkt het programma in de vaste overtuiging dat IX en haar toepassingen een veelbelovende toekomst hebben en dat het tempo van de opschaling kan variëren, maar niet het eindperspectief.
– Tot slot geldt veelal dat de (basis-)vaardigheden voor IX ook op andere domeinen als digitalisering en AI relevant zijn. In de praktijk zal blijken (net als in veel andere innovatie programma’s) dat het human capital deel van het programma voor een breder palet van domeinen zal opleiden, waardoor de conjuncturele gevoeligheid beperkt zal zijn.
4. Voortbouwen op wat al werkt:
– We beginnen niet op een blanco veld. Er zijn al vele krachtige ecosystemen voor IX:
– Zoals OASIS, het Center of Expertise Creative Innovation in Amsterdam, BUAS in Breda, HKU in Utrecht en Artez in Arnhem en het SHINE netwerk in Rotterdam.
– Private ecosystemen rond bijvoorbeeld EYE Filmmuseum, het Instituut voor Beeld en Geluid en het Nieuwe Instituut.
– Marktgerichte initiatieven met potentie om te ontwikkelen naar trainingsmodellen.
– Ook zal er in opdracht van CIIIC nog een inventarisatie plaatsvinden van de puur private initiatieven die bijvoorbeeld via branches (zoals BNO) en festivals zijn te identificeren.
5. Internationaal
– IX is een sterk internationale markt, waarbij nieuwe technologieën en toepassingen worldwide worden ontwikkeld en om snelle toepassing en inpassing vragen.
– Nederland heeft internationaal een vooraanstaande positie, vanwege haar hoogwaardige expertise en bedrijvigheid en haar sterke internationale oriëntatie.
– Daarom wil CIIIC daar op voortbouwen door het internationaal positioneren van Nederlands talent, door het aanjagen van internationale samenwerkingsverbanden en door de nationale IX-expertise internationaal te laten renderen.
– En door het stimuleren van instroom van internationaal talent dat zich aangetrokken voelt door de (te realiseren) excellente condities voor opleiden en IX en de hoogwaardige IX Communities en bedrijven die hier actief (gaan) zijn met internationale naam en faam.
Meer informatie over het gehele Human Capital Programma van CIIIC is beschikbaar op https://www.ciiic.nl/human-capital
Voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instelling geldt dat zij ook als hoofdaanvrager mogen indienen indien zij een bezoldigd dienstverband voor bepaalde tijd hebben.
Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.
NWO sluit zich aan bij de RVO terminologie: gedeponeerd houdt ook in dat de tarieven door RVO goedgekeurd zijn.
Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming geeft de IKS-tarieven op te vragen bij RVO en te delen met de consortiumpartners van de aanvraag op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.
Alle activiteiten die worden aangevraagd onder deze budgetmodule moeten passen binnen de definitie van “Activiteiten inzake kennisoverdracht” die door de Europese Commissie wordt gehanteerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2022, C 414).
NWO sluit zich aan bij de RVO terminologie: gedeponeerd houdt ook in dat de tarieven door RVO goedgekeurd zijn.
Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming geeft de IKS-tarieven op te vragen bij RVO en te delen met de consortiumpartners van de aanvraag op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.
Voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instelling geldt dat zij ook als hoofdaanvrager mogen indienen indien zij een bezoldigd dienstverband voor bepaalde tijd hebben.
Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.
NWO sluit zich aan bij de RVO terminologie: gedeponeerd houdt ook in dat de tarieven door RVO goedgekeurd zijn.
Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming geeft de IKS-tarieven op te vragen bij RVO en te delen met de consortiumpartners van de aanvraag op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.
Alle activiteiten die worden aangevraagd onder deze budgetmodule moeten passen binnen de definitie van “Activiteiten inzake kennisoverdracht” die door de Europese Commissie wordt gehanteerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2022, C 414).
NWO sluit zich aan bij de RVO terminologie: gedeponeerd houdt ook in dat de tarieven door RVO goedgekeurd zijn.
Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming geeft de IKS-tarieven op te vragen bij RVO en te delen met de consortiumpartners van de aanvraag op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-14672.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.