Regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 28 april 2026, nr. WJZ/105480302, houdende wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies in verband met de subsidiemodule Energie-efficiëntie glastuinbouw en wijziging van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op de artikelen 4, aanhef en onderdeel a, 5, en 16 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.3.2. wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen c, d en f komen te luiden:

  • c. de fysieke aansluiting op een biogas- of kooldioxide-netwerk of -cluster door middel van:

    • 1°. de fysieke aansluiting op een externe productielocatie of netwerk voor gasvormig biogas;

    • 2°. de fysieke aansluiting op een externe productielocatie of netwerk voor gasvormig kooldioxide; of

    • 3°. de fysieke aanleg van een kooldioxide ontvangstinstallatie voor vloeibare kooldioxide;

  • d. kaswarmteterugwinning door ontvochtiging en luchtbehandeling door middel van:

    • 1°. aanzuiging van droge (buiten)lucht of lucht uit het bovenste deel van de kas;

    • 2°. aanzuiging van droge (buiten)lucht inclusief een lucht/lucht warmtewisselaar waarbij de buitenlucht wordt opgewarmd met de uitgaande lucht;

    • 3°. koelen, drogen en na verwarmen van de kaslucht door middel van een warmtepomp;

    • 4°. koelen, drogen en verwarmen van de kaslucht door middel van een warmtepomp, met dag/week buffer ten bate van de opslag van de overtollige warmte; of

    • 5°. koelen, drogen en na verwarmen van de kaslucht door middel van een warmtepomp, met seizoen buffer (WKO) ten bate van de opslag van de overtollige warmte;

  • f. ophogen bestaande kas in combinatie met twee energiebesparende maatregelen;.

b. Onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel g worden de volgende onderdelen toegevoegd:

  • h. vervanging van alle aanwezige gloeilampen door LED-belichting specifiek voor verlenging van de daglengte in bestaande kassen;

  • i. nieuwbouw met of vervanging van glas op het kasdek door:

    • 1°. glas met voorgeschreven hemispherische lichttransmissie of voorgeschreven Hortiscatter-waarde;

    • 2°. dubbelglas; of

    • 3°. low e-glas;

  • j. uitbreiding van het verwarmend oppervlak door de kas geschikt te maken voor lage temperatuurwarmte eventueel in combinatie met koude door:

    • 1°. uitbreiding van het interne verwarmingssysteem in de kas met een laag temperatuurnet;

    • 2°. investeringen om het laagtemperatuurnet aan te sluiten; of

    • 3°. het beschikbaar maken van lage temperaturen binnen de glastuinbouwonderneming voor het laagtemperatuurnet in de kas;

  • k. fysieke aansluiting door middel van koppeling van een elektriciteitskabel met toebehoren aan een duurzame productielocatie van elektriciteit buiten de eigen erfgrens met het interne elektranetwerk van de glastuinbouwonderneming, waarvoor toestemming door de netwerkbeheerder of Autoriteit Consument en Markt is gegeven.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel f vervalt.

b. Onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel m worden de volgende onderdelen toegevoegd:

  • n. gloeilampen vervangen door LED-belichting bij cyclische belichting voor daglengte verlenging:

    • 1°. waarvan de specifieke lichtstroom minder is dan 2,50 micromol fotonen per seconde per Watt;

    • 2°. waarvan het opgenomen vermogen per lamp hoger is dan 50 Watt;

    • 3°. waarbij de installatie aangepast dient te worden voor de LED-belichting;

    • 4°. wanneer de LED-belichting geen CE verklaring heeft, afgegeven door een erkend instituut voor het doen van een CE keuring en afgifte van een CE verklaring;

  • o. een luchtbehandelingssysteem als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d:

    • 1°. voor de onderdelen 2° tot en met 5°, als er geen tweede energiescherm aanwezig is of gelijktijdig wordt aangelegd dat meer dan 35% energiebesparing tot gevolg heeft;

    • 2°. voor de onderdelen 1° tot en met 5° bij het niet aanwezig zijn van omkasting/ luchtmengunit, kleppensectie, ventilatoren (toerengeregeld);

    • 3°. voor onderdeel 2° bij het niet aanwezig zijn van een kruisstroomwisselaar;

    • 4°. voor de onderdelen 3° tot en met 5° bij het niet aanwezig zijn van een warmtepomp en warmtewisselaars voor de in- en uitgaande stroom;

    • 5°. voor de onderdelen 4° en 5° bij het niet aanwezig zijn van een ontkoppelingsnet als aanvulling op de hiervoor genoemde teruggewonnen koude (of warmte) en een buffertank tot maximaal 55,1 °C die volledig wordt gevoed door de warmtepomp;

    • 6°. voor onderdeel 5° bij het niet aanwezig zijn van warmte-koude opslag in de ondergrond (WKO) of bij het niet aanwezig zijn van een vergunning van het bevoegd gezag hiervoor;

  • p. glas:

    • 1°. zonder certificaat NEN 2675, verstrekt door een erkend meetinstituut voor NEN 2675;

    • 2°. glas waarvan de hemispherische lichttransmissie minder dan 85 procent is of de Hortiscatter-waarde minder dan 30% is;

    • 3°. bij een nieuwbouwkas waarvan de zijgevels niet worden voorzien van materiaal dat even energiebesparend is als of meer energiebesparend is dan de aangevraagde bedekking van het kasdek;

  • q. low-e glas waarbij de emissiviteit boven de 30% ligt;

  • r. investeringen in het interne verwarmingssysteem met temperaturen van 55,1 °C of hoger;

  • s. investeringen in nieuwe middelen om meer (fossiele) brandstoffen aan te wenden;

  • t. investeringen in E-boilers en batterij opslagsystemen voor elektra;

  • u. investeringen in duurzame opwekking van elektriciteit;

  • v. aansluiten op een elektranetwerk van een officiële netwerkbeheerder;

  • w. ophogen van een bestaande kas indien niet bij de aanvraag wordt aangetoond dat minimaal 10% aardgas wordt bespaard.

B

Na artikel 2.3.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.3.5a. Starttermijn

  • 1. Met de uitvoering van een investering in bestaande bouw wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening.

  • 2. Met de uitvoering van een nieuwbouwinvestering wordt gestart binnen 12 maanden na subsidieverlening.

C

Artikel 2.3.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zesde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdelen a en b komen te luiden:

  • a. een tweede energiescherm bij bestaande bouw of een derde energiescherm als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a:

    • 1°. € 7;

    • 2°. € 8, voor zover het totaal aantal vierkante meters geïnstalleerd kasoppervlak minder dan 2 hectare bedraagt;

  • b. een luchtbehandelingssysteem als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel d:

    € 16,50 voor onderdeel 1°;

    € 35,00 voor onderdeel 2°;

    € 15,00 voor onderdeel 3°;

    € 40,00 voor onderdeel 4°;

    € 65,00 voor onderdeel 5°;

b. Onderdeel d komt te luiden:

  • d. het ophogen van een bestaande kas € 30.

c. Onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel d worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

  • e. vervanging van alle aanwezige gloeilampen door LED-belichting als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel h, € 2,50;

  • f. nieuwbouw met of vervanging van glas op het kasdek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel i, € 20 meerkosten ten opzichte van standaard glas;

  • g. uitbreiding van het verwarmend oppervlak als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel j, € 10.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. De maximale subsidiabele kosten voor een fysieke aansluiting op een extern warmtenet als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel b, bedragen € 285 per kW.

D

Artikel 2.3.7. komt te luiden:

Artikel 2.3.7. Hoogte subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt 20% van de subsidiabele kosten.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor apparatuur, installaties of machines als bedoel in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdelen d, f, i, j en k, 30% van de subsidiabele kosten.

  • 3. De subsidie bedraagt per glastuinbouwonderneming of per glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband ten minste € 2.500 per aanvraag en voor de apparatuur, installaties of machines, bedoeld in:

    • a. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a, ten hoogste € 35.000 bij 0,1 tot en met 2,0 hectare en ten hoogste € 210.000 vanaf 2,0 hectare;

    • b. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel b, ten hoogste € 250.000 voor een fysieke aansluiting op een extern warmtenet en ten hoogste € 150.000 voor een fysieke aansluiting op een doorkoppeling van warmte tussen twee verwarmingsinstallaties van een of meerdere kassen;

    • c. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel c, ten hoogste:

      € 100.000 voor onderdeel 1°;

      € 75.000 voor onderdeel 2°;

      € 50.000 voor onderdeel 3°;

    • d. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel d, ten hoogste:

      € 250.000 voor onderdeel 1°;

      € 525.000 voor onderdeel 2°;

      € 225.000 voor onderdeel 3°;

      € 600.000 voor onderdeel 4°;

      € 600.000 voor onderdeel 5°;

    • e. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel e, ten hoogste € 100.000;

    • f. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel f, ten hoogste € 600.000;

    • g. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel g, ten hoogste € 500.000;

    • h. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel h, ten hoogste € 75.000;

    • i. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel i, ten hoogste € 600.000;

    • j. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel j, ten hoogste € 350.000;

    • k. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel k, ten hoogste € 450.000.

E

In artikel 2.3.8. wordt ‘en SA.106646 (2023/N)’ vervangen door ‘, SA.106646 (2023/N), SA.118496 (2025/N), en SA.120764 (2025/N)’.

ARTIKEL II

In de tabel van artikel 1, tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt voor de rij betreffende Titel 2.4: Subsidieregeling emissieloos landbouwmaterieel, een rij ingevoegd, luidende:

Titel 2.3: Energie-efficiëntie glastuinbouw

2.3.2

Glastuinbouw-

onderneming

Energie-efficiëntie glastuinbouw

08-09-2026 t/m 24-09-2026

€ 30.000.000

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 28 april 2026

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Doel en aanleiding

Met de onderhavige regeling wordt de subsidiemodule Energie-efficiëntie glastuinbouw (hierna: subsidiemodule EG), die is opgenomen in titel 2.3 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna: RNES), gewijzigd en opnieuw opengesteld.

Voor een nadere toelichting op de wijzigingen wordt verwezen naar het artikelsgewijs deel van deze toelichting.

2. Openstelling

De openstelling van de subsidiemodule EG loopt vanaf 8 september 2026 tot en met 24 september 2026 met een subsidieplafond van € 30.000.000. Deze periode is gekozen om aanvragers voldoende gelegenheid te geven om een aanvraag in te dienen. Met het budget dat aan de openstelling is gekoppeld kan een bijdrage worden geleverd aan de verduurzaming van de glastuinbouwsector.

3. Staatssteun

De subsidiemodule EG bevat investeringssteun voor energiebesparende technieken die moet worden aangemerkt als staatssteun en wordt gerechtvaardigd doordat deze voldoet aan paragraaf 1.1.1.1. van het landbouwsteunkader (Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485)), dat met ingang van 1 januari 2023 van kracht is. Aan de gewijzigde subsidiemodule en bijbehorende openstelling is door de Europese Commissie aangegeven goedkeuring te gaan verlenen middels goedkeuringsbeschikking SA.120764 (2025/N).

Daarnaast is de regeling als technisch voorschrift op grond van Richtlijn (EU) 2015/1535 genotificeerd onder nummer 2026/0162.

4. Regeldruk

Regeldrukeffecten zijn alle investeringen en inspanningen die burgers, bedrijven en/of professionals moeten doen om zich aan verplichtingen in regelgeving te houden (definitie Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). In onderstaande berekening maken we onderscheid tussen de tijd die nodig is voor het indienen van een aanvraag, en de tijd die – na verlening van de subsidie – nodig is voor de uitvoering gedurende de looptijd van de subsidie en de vaststelling. Voor de berekening van de interne uren is, conform de rekenmethodiek in het model, uitgegaan van een gemiddeld uurtarief van € 150,–. Bij deze openstelling wordt uitgegaan van een subsidiebudget van € 43.000.000,– en naar schatting 350 in te dienen aanvragen.

Bij het aanvragen van de subsidie is tijd nodig voor kennisname van de regeling, het invullen van het digitale aanvraagformulier en het toevoegen van verplichte bijlagen. In tegenstelling tot andere innovatieregelingen is het aanvraagproces voor de EG relatief eenvoudig omdat er geen uitgebreid projectplan geschreven hoeft te worden. De aanvrager vult het formulier in en voegt documenten toe zoals de opdrachtbevestiging, de gecombineerde opgave en (indien van toepassing) jaarrekeningen voor de beoordeling van de financiële draagkracht. Ook voert de RVO steekproefsgewijs (ca. 1%) een controle uit op onderneming in moeilijkheden (OIM). Deze toets vindt laat in het proces plaats en vormt voor de totale groep een minimale regeldruk. De totale administratieve lasten voor de aanvraagfase bedragen hiermee € 197.050,–.

Na verlening van de subsidie is de aanvrager tijd kwijt aan eventuele urenregistraties en (voor projecten die langer dan een jaar duren) een voortgangsrapportage. De voortgangsrapportage is efficiënt ingediend. Indien alles volgens plan verloopt, kan dit snel worden doorgegeven. Daarentegen is er voor de EG-regeling in de praktijk veel tijd gemoeid met wijzigingsverzoeken. Doordat projecten vaak te maken krijgen met een wijziging van leverancier of het verzetten van een einddatum, wordt hiervoor veel tijd ingecalculeerd. De totale administratieve lasten gedurende de uitvoering bedragen € 367.500,–.

Zodra de einddatum is gepasseerd, dient de aanvrager een verzoek tot vaststelling in, samen met een eindrapportage en een financiële verantwoording. Voor een groot deel van de aanvragen is hiervoor een accountantsverklaring vereist. Het verkrijgen van deze verklaring vormt de grootste administratieve last, waarbij is gerekend met € 5.000,– aan externe kosten per benodigde verklaring. De totale administratieve lasten voor de eindverantwoording komen hierdoor uit op € 1.154.025,–.

Tot slot is er een post voor verplichtingen na de vaststelling (zoals medewerking aan evaluaties of publiciteit) van € 5.400,– en een post voor situatie-afhankelijke verplichtingen (zoals bezwaarschriften) van € 12.000,–.

De totale administratieve lasten voor de EG-subsidieregeling komen hiermee uit op € 1.735.975,–. Afgezet tegen het totale beschikbare subsidiebudget van € 43.000.000,– resulteert dit in een regeldruk van 4,04%.

Deze berekening is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). De regeldruk is voldoende in kaart gebracht, ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen significante gevolgen voorziet voor de regeldruk.

5. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026. Dit is in overeenstemming met de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat regelingen met ingang van de eerste dag van elk kwartaal in werking treden en dat een regeling minimaal twee maanden voordien wordt bekendgemaakt.

II. ARTIKELEN

Artikel I Regeling nationale EZ, LVVN- en KGG-subsidies

Onderdeel A (artikel 2.3.2, eerste lid)

In artikel 2.3.2, eerste lid, staan de apparatuur, installaties of machines waarvoor subsidie kan worden aangevraagd. De bestaande onderdelen c en d zijn uitgebreid, onderdeel f is algemener gemaakt. Daarnaast zijn in de onderdelen h, i, j en k nieuwe subsidiemogelijkheden opgenomen. Hieronder volgt een beschrijving van de gewijzigde en nieuwe subsidiemogelijkheden. In artikel 2.3.6, de leden 6 tot en met 8, zijn specifieke bepalingen over de subsidiabele kosten opgenomen. Deze worden eveneens toegelicht bij de beschrijving van de subsidiemogelijkheden.

c. de fysieke aansluiting op een biogas- of kooldioxide-netwerk of -cluster

In artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel c, is onderscheid gemaakt tussen verschillende sub-maatregelen ten aanzien van de voorgaande openstelling, te weten: (1) de fysieke aansluiting op een externe productielocatie/netwerk voor gasvormig biogas, (2) de fysieke aansluiting op een externe productielocatie/netwerk voor gasvormig kooldioxide, of (3) de fysieke aanleg van een kooldioxide ontvangst installatie voor vloeibare CO2. Door de drie onderdelen apart te zetten, die in één maatregel staan, kan het maximale subsidiabele bedrag worden opgenomen per onderdeel en wordt hierin investeren aantrekkelijker. Middels een buizennetwerk kan een bedrijf aangesloten worden op een productielocatie van gasvormige CO2. Als een buizennetwerk afwezig is dan kan de vloeibare CO2 per vrachtauto aangeleverd worden en opgeslagen in de kas middels een installatie voor opslag van vloeibare CO2. Dit is veel voorkomend bij de solitaire bedrijven of kleinere glastuinbouwbedrijven. Daarom is deze subsidiemogelijkheid toegevoegd.

d. kaswarmteterugwinning door ontvochtiging en luchtbehandeling

De beschrijving van deze techniek zoals deze van toepassing was bij voorgaande openstellingen van de EG regeling was breed en bood de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor diverse systemen, variërend van simpel tot zeer geavanceerd. Naar aanleiding van signalen uit de sector en op basis van adviezen van experts1 is de regeling aangepast, zodat deze meer ruimte biedt om subsidie te verstrekken voor luchtbehandelingssystemen met relatief hoge investeringskosten en grote besparingsmogelijkheden, die op korte termijn implementeerbaar zijn en een besparing opleveren voor energiezuinige ontvochtiging van kaslucht. Op basis van de genoemde adviezen is de techniek ten behoeve van effectief gebruik van subsidies verdeeld in vijf categorieën, waarvoor verschillende terugverdientijden en technische eisen zijn vastgesteld.

Om meer inzicht te krijgen in de potentiële besparing door de investering en de daaraan gekoppelde subsidie wordt bij de subsidieaanvraag door de aanvrager een berekening bijgevoegd die aantoont dat door deze investering de CO2-uitstoot en primair energieverbruik daalt in vergelijking met de huidige situatie.

f. ophogen bestaande kas in combinatie met twee energiebesparende maatregelen

Het ophogen van de kas was al subsidiabel, maar dit was aanvankelijk in combinatie met een energiescherm en verdekken met diffuus glas met tweezijdige AR-coating. Dit laatste bleek niet standaard gebruikt te worden bij het vernieuwen van het kasdek en in de praktijk een investering die zelden of nooit tezamen met het ophogen van de kas werd gedaan. Door de wijziging van deze maatregel blijft er een combinatie met twee andere energiebesparende maatregelen voorgeschreven, maar de keuze hierin wordt nu vrijgelaten. Dit mogen technieken zijn die subsidiabel zijn vanuit dit artikel, maar het kunnen ook energiebesparende maatregelen buiten de EG zijn waarbij moet worden onderbouwd dat er energiebesparende effecten zijn in samenhang met de ophoging van de kas.

In de eisen met betrekking tot het ophogen van de kas in samenhang met een investering in twee energiebesparende maatregelen subsidiabel wordt benadrukt dat er een goede omschrijving moet zijn van het ophogen van de kas in de opdracht. Wat betreft de twee additionele energiebesparende maatregelen moet bij de subsidieaanvraag met een berekening worden aangetoond dat met het ophogen van de kas en de twee energiebesparende maatregelen meer dan 10% energie wordt bespaard ten opzichte van de situatie vóór het ophogen van de kas en van het nemen van de energiebesparende maatregelen zonder ophogen van de kas.

h. vervanging van alle aanwezige (gloei)lampen door LED-belichting specifiek voor verlenging van de daglengte in bestaande kassen

Veel glastuinbouwbedrijven maken gebruik van gloeilampen voor cyclische belichting of belichting voor daglengteverlenging. De gewassen waar dit met name voor wordt gebruikt zijn zachtfruit (aardbei) en chrysant. Deze subsidie is niet bedoeld om over te schakelen naar LED-belichting als groeilicht, maar specifiek bedoeld voor verlenging van de daglengte in bestaande kassen. Voor de LED-belichting mag geen aanpassing van de installatie worden gesubsidieerd.

De LED belichting die wordt toegepast kent een lagere efficiency, waardoor de eis met betrekking tot het minimum van de specifieke lichtstroom is bepaald op 2,5 µmol/watt en het maximale vermogen per lamp op 50 watt per LED lamp. De LED lamp dient een CE verklaring te hebben die is afgegeven door een erkend instituut. Veel producten moeten van een CE-markering zijn voorzien om in de EU te mogen worden verkocht. De CE-markering geeft aan dat een product volgens de fabrikant aan alle EU-eisen voldoet qua veiligheid, gezondheid en milieubescherming.

i. nieuwbouw met of vervanging van glas op het kasdek door glas met voorgeschreven hemispherische lichttransmissie of voorgeschreven Hortiscatter-waarde, dubbelglas of low e-glas

Deze nieuwe subsidie stimuleert ander glas dan standaard glas dat meer isolerend is en warmte binnen houdt om zo energie te kunnen besparen. Tegelijkertijd blijft er voor de teelt voldoende buitenlicht beschikbaar om te kunnen telen. In de praktijk beslaat deze maatregel drie aparte vormen kasbedekking: (1) glas met een voorgeschreven hemispherische lichttransmissie, (2) dubbelglass, (3) low e-glass. Met name low e-glass is in eerdere onderzoeken door de WUR/Delphy meegenomen als besparingsoptie. Hierbij werden besparingen behaald tot 20%. Gezien de variëteit aan glassoorten zijn in overleg met de WUR de technische eisen in kaart gebracht. Het hemisferische transmissieglas moet binnen de kaders van deze regeling een significante meerwaarde hebben ten opzichte van het standaardglas. De NEN norm eis is er om de cijfers te borgen, die worden opgegeven in de rapportages. Voor dubbelglas zijn er geen aanvullende eisen, omdat deze besparing een voldongen feit is. De forfaitaire prijs voor standaardglas is vastgesteld op € 9,50 om de meerwaarde te bepalen van de gekozen duurzame glas variant. Bij deze maatregel geldt voor nieuwbouwkassen de eis dat de zijgevel vergelijkbaar of beter glas bevat dan het kasdek. Door de zijgevels en het kasdek een soortgelijke isolatie toe te kennen in de regeling, wordt de isolatiewaarde in de gehele kas geborgd. Voor de zijgevels zal geen subsidie worden verstrekt. De verschillen in energiebesparing tussen standaardglas en de genoemde glassoorten is groot. Onderzoek naar low e-glass laat ten opzichte van de referentie een stijging in opbrengst en een flinke energiebesparing zien. Proeven laten zien dat er een energiebesparing tot 20% realiseerbaar is. Toch is de terugverdientijd voor ondernemers nog te hoog om te investeren in duurzame vormen van kasdek, vandaar dat deze investering als subsidiemaatregel is opgenomen.

j. uitbreiding van het verwarmend oppervlak door de kas geschikt te maken voor lage temperatuurwarmte eventueel in combinatie met koude door:
  • 1°. uitbreiding van het interne verwarmingssysteem in de kas met een laag temperatuurnet;

  • 2°. investeringen om het laagtemperatuurnet aan te sluiten; of

  • 3°. het beschikbaar maken van lage temperaturen binnen de glastuinbouwonderneming voor het laagtemperatuurnet in de kas;

Met deze subsidie wordt het verwarmend oppervlak in de kas vergroot, bijvoorbeeld door meer verwarmingsbuizen te installeren of buizen met een grotere diameter. Hierdoor kan worden verwarmd met lagere temperaturen en wordt verder uitgekoeld. Vooral bij het gebruik van aardwarmte, warmtepompsystemen of restwarmte leidt dit tot veel efficiënter gebruik van de beschikbare warmte. Indien een bedrijf wordt aangesloten op aardwarmte is er veel interesse om in deze techniek te investeren. De techniek wordt nog beperkt toegepast omdat de kosten hoog zijn.

Subsidiabel zijn investeringen voor aanleg van een laag temperatuurnetwerk van 55,1 °C of lager in de kas, installaties om laagwaardige warmte in te voeren om het laag tempartuurnetwerk en apparatuur zoals warmtewisselaars, warmtepompen om lage temperaturen beschikbaar te maken. Beschikbaar stellen van laagwaardige temperaturen wordt voorzien in warmtestromen, die nu niet worden gebruikt door de te lage temperatuur voor het bestaande hoge temperatuurnet, zoals verder uitkoelen aard- en/ of restwarmte, extra winning van temperaturen bij de WKK of een ketelinstallatie op rookgassen. Het is niet de bedoeling extra fossiele brandstoffen te gebruiken en daarom is het alleen mogelijk laagwaardige warmte uit temperatuurstromen te winnen, die anders niet zouden worden benut. Men zal de WKK of ketel niet extra laten draaien voor laagwaardige temperatuur winning als de gemaakte hoge temperatuur warmte ‘nutteloos’ is. Dit past in de Trias Energetica in het derde doel: als je fossiele brandstof gebruikt, wend deze dan zo volledig mogelijk aan. De winning van de laagwaardige warmte in de toekomst zal met name moeten komen uit retour warmte aard- en restwarmte plus de maatregel, kaswarmteterugwinning door ontvochtiging en luchtbehandeling. Uitgesloten van onderhavige subsidie zijn het inwinnen van laagwaardige temperaturen warmte uit nieuwe bronnen, (groene) brandstof of elektriciteit. Niet-duurzame bronnen worden niet ondersteund, evenals flexibele elektriciteitsoplossingen zoals e-boilers of batterijen. Met de maatregel kan de aanvrager ook een extra koud netwerk in de kas aanleggen, die bij een aantal teelten nodig is. Dit koude netwerk kan zowel waterzijdig als luchtzijdig uitgevoerd worden. Deze maatregel kan zowel in nieuwbouw als bestaande bouw worden toegepast, waarbij voorzien wordt dat het in bestaande bouw met aanpassingen meer investering per m² zal vergen voor een goed werkend laag temperatuur systeem.

k. fysieke aansluiting door middel van koppeling van een elektriciteitskabel met toebehoren aan een duurzame productielocatie van elektriciteit buiten de eigen erfgrens met het interne elektranetwerk van de glastuinbouwonderneming

Deze nieuwe maatregel stimuleert elektrificatie van de glastuinbouwsector door middel van duurzame elektriciteit binnen de context van netcongestie. De knelpunten voor de afname en levering van elektriciteit remmen bedrijven in groei qua elektrificatie en duurzame producenten van elektriciteit om meer te produceren. De problemen qua netcongestie en terug levering zijn voor producenten van duurzame energie een steeds groter probleem en leiden geregeld tot het afschakelen van de productie van elektriciteit uit onder andere zonnepanelen of wind. Dit zet het produceren en verder uitbreiden op slot. De glastuinbouw wil meer elektriciteit afnemen, vooral doordat de eigen productiemogelijkheden van elektriciteit afnemen door het minder aantrekkelijk worden van de productie middels de warmte kracht koppeling (WKK).

Deze maatregel stimuleert bedrijven met duurzame elektriciteitsproductie en glastuinbouwbedrijven met een elektriciteitsvraag aan elkaar te koppelen door middel van een fysieke rechtstreekse koppeling. Op momenten van congestie in het elektranetwerk voor levering van elektriciteit of zeer lage elektriciteitsprijzen door (over)productie van duurzame elektriciteit kan het glastuinbouwbedrijf de elektriciteit afnemen. Glastuinbouwbedrijven kunnen deze duurzame elektriciteit gebruiken voor de belichting, de aansturing van een warmtepomp of een e-boiler of kaswarmteterugwinning door ontvochtiging en luchtbehandeling. De terugverdientijd zonder subsidie ligt tussen de 8 en 16 jaar, afhankelijk van veel factoren. De verwachting is dat het aanleggen van een eigen privé netwerk beperkt zal blijven omdat het niet heel gemakkelijk is en de toestemming van de ACM een zware procedure vereist.

Onderdeel A (artikel 2.3.2, tweede lid)

In het tweede lid van dit artikel zijn de uitsluitingsgronden voor subsidie opgenomen. De onderdelen n tot en met w zijn toegevoegd.

De uitsluitingsgronden bij onderdeel n voor de maatregel m.b.t. cyclische belichting borgen dat de lampen een voldoende hoge efficiëntie hebben van minimaal 2,50 micromol fotonen per seconde per Watt en met niet meer dan 50 Watt vermogen per lamp. Dit is geschikt voor cyclische belichting. Daarnaast zorgt onderdeel n ervoor dat er een één op één vervanging van gloeilampen in dezelfde fitting is. Aanpassing van de installatie voor LED-belichting is uitgesloten. Daarnaast wordt de degelijkheid van de LED-belichting geborgd door een CE-verklaring van een erkend instituut.

De uitsluitingsgronden bij onderdeel o geven een verdere specificatie van de verschillende sub-categorieën voor de maatregel m.b.t. warmterugwinning. Voor sub-categorieën 2 tot en met 5 moet er een tweede energiescherm aanwezig zijn of gelijktijdig worden aangelegd met meer dan 35% energiebesparing tot gevolg. Hierdoor wordt meer energie bespaard. Per sub-categorie is daarnaast expliciet gemaakt welke technieken aanwezig moeten zijn. Dit borgt het goed functioneren van het systeem per sub-categorie. Daarnaast geeft dit aanvragers beter inzage in welk systeem in welke sub-categorie valt. Ook wordt geborgd dat de aanvrager voor sub-categorie 5 al een vergunning heeft voor de Warmte-Koude-Opslag.

De uitsluitingsgronden bij onderdelen p en q voor de maatregel m.b.t. nieuwbouw of vervanging van glas op het kasdek zorgen ervoor dat de degelijkheid wordt geborgd door een certificaat met NEN 2675, verstrekt door een erkend meetinstituut, en dat het glas voldoende efficiënt werkt door glas met minder dan 85% hemisferische lichttransmissie of minder dan 30% hortiscatter waarde uit te sluiten, net als low-E glas met emissiviteit boven de 30%. Daarnaast wordt hogere energiebesparing gerealiseerd door energiebesparingseisen aan de zijgevels van een nieuwbouwkas.

De uitsluitingsgronden bij onderdelen r, s, t voor de maatregel m.b.t. het geschikt maken van de kas voor lage temperatuur, eventueel in combinatie met koude, zorgt ervoor dat investeringen in het interne verwarmingssysteem met temperaturen van 55,1 °C of hoger, investeringen in nieuwe middelen om meer (fossiele) brandstoffen aan te wenden en investeringen in E-boilers en batterij opslagsystemen voor elektra zijn uitgesloten. De reden hierachter is dat duurzame warmte veelal een lagere temperatuur heeft, zoals geothermie of restwarmte. Hoewel beter benutten van fossiele warmte gewenst is vanuit de trias energetica is het niet wenselijk om de aanwending van fossiele brandstoffen in nieuwe middelen aan te wenden. Investeringen in E-boilers en batterij-opslagsystemen zijn uitgesloten, omdat deze worden gestimuleerd via de SDE++.

De uitsluitingsgronden bij de onderdelen u en v voor de maatregel m.b.t. het fysiek aansluiten met een elektriciteitskabel aan een duurzame productielocatie zorgen ervoor dat investeringen in duurzame opwekking van elektriciteit en aansluiting op een elektranetwerk van een officiële netwerkbeheerder worden uitgesloten. De reden hierbij is dat de interne elektriciteitsnetwerken van de duurzame producent en het glastuinbouwbedrijf worden gekoppeld aan elkaar. Op momenten van congestie in het elektranetwerk voor levering elektriciteit en/ of zeer lage elektriciteitsprijzen door (over) productie duurzame elektriciteit kan het glastuinbouwbedrijf de elektriciteit afnemen.

De uitsluitingsgrond bij onderdeel w voor de maatregel m.b.t. het ophogen van een bestaande kas zorgt ervoor dat aangetoond wordt dat tenminste minimaal 10% aardgas wordt bespaard ten opzichte van de situatie voor ophoging. Dit borgt dat het energieverbruik uit aardgas wordt verminderd.

Onderdeel A (artikel 2.3.2, tweede lid, onderdeel f)

Wegens een wijziging van de Regeling kostenverevening reductie CO2-emissies glastuinbouw waarmee de verplichting tot indienen van een emissieaangifte is vervallen, kan niet meer voldaan worden door de glastuinondernemer aan de verplichting in het tweede lid, onderdeel f.

Onderdeel B (artikel 2.3.5a)

Uit de praktijk blijkt dat bij afgelopen openstellingen investeringen ver in de tijd vooruit schuiven. Dit levert extra uitvoeringslasten op, daarnaast is het van groot belang dat bij een investeringssubsidie de daadwerkelijke subsidiabele activiteit spoedig wordt uitgevoerd. Daarom is gekozen voor een startdatum, waarbij rekening wordt gehouden dat bij nieuwbouwinvesteringen meer tijd nodig is voor het realiseren van de investering dan bij bestaande bouw.

Onderdeel C (artikel 2.3.6, zesde lid)

In dit artikellid staan de subsidiabele kosten per vierkante meter geïnstalleerd kasoppervlak. De wijzigingen in dit artikellid sluiten aan op de wijzingen van artikel 2.3.2, eerste lid. Zo wordt het derde energiescherm subsidiabel (a), worden vijf subsidiecategorieën voor een luchtbehandelingssysteem opgenomen (d), en worden voor de nieuwe onderdelen h, i, j en k van artikel 2.3.2, eerste lid, de subsidiabele kosten toegevoegd.

Bij het tweede en derde energiescherm is de hogere subsidie van € 8 voor maximaal 4 hectare geïnstalleerd kasoppervlak verminderd naar maximaal 2 hectare. Dit omdat de kassen de afgelopen jaren groter zijn geworden en de maatregel in één keer kan worden gedaan. Er zijn daarom al schaalvoordelen bij de installatie van een energiescherm vanaf 2 hectare.

Voor het ophogen van een bestaande kas wordt de subsidie € 30 per vierkante meter geïnstalleerd kasoppervlak (d). De verwachting is dat dit bedrag de maatregel voldoende dekt nadat het tweede scherm en het verdekken met diffuus glas met tweezijdige AR coating niet meer worden meegenomen.

Voor een fysieke aansluiting op een extern warmtenet bedraagt de subsidie conform de AAB rapportage € 285 per kW (b).

Onderdeel D (artikel 2.3.7)

De subsidie bedraagt per onderneming ten minste € 2.500 per aanvraag en 20% van de subsidiabele kosten.

Maatregelen met 20% subsidie:

  • a. Een tweede of derde energiescherm:

    Maximaal € 35.000 voor een kasoppervlak van 0,1 tot 2,0 hectare en maximaal € 210.000 voor een kasoppervlak vanaf 2,01 hectare.

    De grens voor de hogere forfaitaire kosten is verlaagd van 4 naar 2 hectare, omdat kassen groter zijn geworden en er al schaalvoordelen vanaf 2 hectare zijn.

  • b. Fysieke aansluiting op een extern warmtenet of doorkoppeling:

    Maximaal € 250.000 voor een aansluiting op een extern warmtenet en maximaal € 150.000 voor een doorkoppeling tussen kassen.

    Het maximumbedrag voor de externe aansluiting is verhoogd. Het percentage is op 20% gehouden omdat de bereidheid van ondernemers om aan te sluiten op een warmtenet al aanzienlijk is.

  • c. Fysieke aansluiting op een biogas- of kooldioxide-netwerk:

    Maximaal € 100.000 voor biogas, € 75.000 voor gasvormig CO2 en € 50.000 voor een installatie voor vloeibare CO2.

    De maatregel is opgesplitst om investeringen aantrekkelijker te maken. De optie voor vloeibare CO2 is toegevoegd voor solitaire of kleinere bedrijven. Het maximum voor biogas is hoger omdat de infrastructuur een hogere investering vereist.

  • e. Hogedrukvernevelingsinstallatie:

    Maximaal € 100.000.

    Er zijn geen wijzigingen in de maximale subsidie voorgesteld voor deze maatregel.

  • g. LED-belichting ter vervanging van SON-T:

    Maximaal € 500.000.

    Er zijn geen wijzigingen voorgesteld; de huidige waarden worden nog steeds passend geacht.

  • h. Vervanging van gloeilampen door LED voor daglengteverlenging:

    Maximaal € 75.000.

    Dit is een nieuwe maatregel specifiek bedoeld om de overstap van energie-onzuinige gloeilampen naar LED-belichting voor verlenging van de daglengte in bestaande kassen te stimuleren in bestaande kassen.

In afwijking hiervan bedraagt de subsidie 30% van de subsidiabele kosten voor de onderstaande maatregelen. De verhoging van het subsidiepercentage is bedoeld om investeringen in kapitaalintensieve maatregelen met een lange terugverdientijd en/of een significant energiebesparingspotentieel te stimuleren:

  • d. Kaswarmteterugwinning door ontvochtiging en luchtbehandeling:

    De maximale subsidie is per specifieke techniek vastgesteld:

    • Aanzuiging van droge (buiten)lucht of lucht uit het bovenste deel van de kas: maximaal € 250.000.

    • Aanzuiging van droge (buiten)lucht met een lucht/lucht warmtewisselaar: maximaal € 525.000.

    • Koelen, drogen en naverwarmen van kaslucht met een warmtepomp: maximaal € 225.000.

    • Koelen, drogen en verwarmen van kaslucht met een warmtepomp en dag/week buffer: maximaal € 600.000.

    • Koelen, drogen en naverwarmen van kaslucht met een warmtepomp en seizoenbuffer (WKO): maximaal € 600.000.

    Het percentage is verhoogd gezien de zeer lange terugverdientijden en het aanzienlijke energiebesparingspotentieel. De verhoging moet toepassingen van geavanceerdere systemen met hogere kosten, die eerder zelden werden aangevraagd, stimuleren.

  • f. Ophogen van een bestaande kas:

    Maximaal € 600.000.

    Het percentage is verhoogd omdat de maatregel onder de oude, strikte voorwaarden zelden werd toegepast. Ondanks deze aanpassingen in de voorwaarden blijft de terugverdientijd lang, waardoor een hogere subsidie-intensiteit passend is.

  • i. Nieuwbouw met of vervanging van glas op het kasdek:

    Maximaal € 600.000.

    Een hoger percentage is vastgesteld omdat dit een nieuwe maatregel betreft. De aanzienlijke meerkosten ten aanzien van standaardglas vormen een drempel voor deze investering.

  • j. Uitbreiding van het verwarmend oppervlak voor lage temperatuurwarmte:

    Maximaal € 350.000.

    Een hoger percentage is vastgesteld omdat dit een nieuwe, kapitaalintensieve maatregel is. De opname van deze maatregel is van belang voor de overstap op duurzame warmtebronnen met een lagere temperatuur zoals geothermie en restwarmte.

  • k. Fysieke aansluiting op een duurzame elektriciteitslocatie:

    Maximaal € 450.000.

    Een hoger percentage is vastgesteld omdat dit een nieuwe maatregel betreft met een lange terugverdientijd die elektrificatie en het gebruik van duurzame stroom stimuleert. Daarnaast vermindert de fysieke rechtstreekse koppeling problemen met netcongestie.

Artikel II Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026

In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 is aangegeven in welke periode de subsidiemodule is opengesteld en wat het subsidieplafond bedraagt.

De subsidiemodule Energie-efficiëntie glastuinbouw wordt opengesteld vanaf 8 september 2026 t/m 24 september 2026. Het subsidieplafond is vastgesteld op € 30.000.000.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens


X Noot
1

AAB Nederland. Analyse onrendabele top en potentiële technieken EG regeling (Rapport, Maasdijk, 9 februari 2024).


X Noot
1

AAB Nederland. Analyse onrendabele top en potentiële technieken EG regeling (Rapport, Maasdijk, 9 februari 2024).

Naar boven