Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2026, 14546 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2026, 14546 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Langdurige zorg, Jeugd en Sport,
Gelet op rtikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies;
Besluit:
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
begeleiding als omschreven in de Kwaliteitsstandaard – Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg zoals vastgesteld door het Zorginstituut en gepubliceerd op www.zorginzicht.nl/kwaliteitsstandaarden/ketenveldnorm-levensloopfunctie-en-beveiligde-intensieve-zorg;
natuurlijke persoon die de levensloopaanpak coördineert;
de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport;
regionaal samenwerkingsverband van gemeenten, Openbaar Ministerie, Raad voor de Kinderbescherming, politie, Bureau Halt, reclassering, Bureau Jeugdzorg, Maatschappelijk werk, Slachtofferhulp, zorginstellingen en woningcorporaties.
Op deze regeling is de kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing, met uitzondering van de artikelen 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4.
De minister kan op aanvraag een subsidie verstrekken voor het coördineren van de levensloopaanpak van een persoon als bedoeld in artikel 7, tweede lid, door een levensloopaanpakcoördinator.
1. De in artikel 3 omschreven activiteit wordt aangemerkt als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de aanvrager met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat hem belast met en hij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang.
De hoogte van de subsidie wordt berekend door het aantal dagen dat de activiteit bedoeld in artikel 3 wordt verricht te vermenigvuldigen met € 23,76.
1. Een aanvraag tot verlening van een subsidie kan voor het kalenderjaar 2026 worden ingediend gedurende de periode van 1 juni 2026 vanaf 09.00 uur tot 1 juli 2026 13.00 uur en voor het kalenderjaar 2027 gedurende de periode van 1 juni 2027 09.00 uur tot 1 juli 2027 13.00 uur.
2. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.
3. Het aan te vragen bedrag is gelijk aan het bedrag dat verkregen wordt door het aantal personen als bedoeld in artikel 7, tweede lid voor wie volgens een opgave van de zorg- en veiligheidshuizen de aanvrager de activiteit bedoeld in artikel 3 verrichtte op 1 januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft, te vermenigvuldigen met 365 en met het in artikel 5 genoemde bedrag.
1. Subsidie wordt enkel verstrekt aan instellingen, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling.
2. Subsidie wordt enkel verstrekt voor de coördinatie van de levensloopaanpak van natuurlijke personen:
a. die geen aanspraak op zorg hebben op grond van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 3.2.3, eerste lid, van de Wet langdurige zorg;
b. die door een Zorg- en Veiligheidshuis in de levensloopaanpak zijn geïncludeerd; en
c. aan wie een levensloopaanpakcoördinator is toegewezen.
1. De minister beslist binnen 13 weken na sluiting van een aanvraagtermijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, op een aanvraag tot verlening van een subsidie.
2. Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval het aantal personen, het bedrag van de subsidie, de periode waarvoor de subsidie wordt verleend en de wijze waarop de vaststelling plaatsvindt.
De minister verleent een voorschot van ten hoogste 70% van het verleende bedrag, dat in één keer wordt uitbetaald.
1. De subsidieontvanger meldt onverwijld schriftelijk aan de minister indien:
a. aannemelijk is geworden dat sprake zal zijn van onderbesteding van ten minste € 50.000;
b. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.
2. De melding wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden relevante stukken overgelegd.
1. De subsidie wordt op aanvraag vastgesteld.
2. Een aanvraag tot vaststelling van de subsidie kan worden ingediend gedurende de periode van 1 juni 2027 09.00 uur tot 1 juli 2027 13.00 uur voor het kalenderjaar 2026 en gedurende de periode van 1 juni 2028 09.00 uur tot 30 juni 2028 13.00 uur voor het kalenderjaar 2027.
3. Voor een aanvraag tot vaststelling van een subsidie wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.
4. Een aanvraag tot vaststelling van een subsidie van een bedrag van € 125.000 of hoger, gaat verzegeld van een assurancerapport.
5. De minister besluit uiterlijk 22 weken na afloop van een termijn genoemd in het tweede lid over de vaststelling van de subsidie.
6. Indien is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan de subsidie, wordt deze vastgesteld op het bedrag bedoeld in artikel 5.
7. Uitgangspunt bij de vaststelling is het door de zorg- en veiligheidshuizen opgegeven aantal dagen waarover de in artikel 3 bedoelde activiteiten door de aanvrager werden verricht gedurende de periode waarop de aanvraag betrekking heeft.
De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, werkt terug tot 1 januari 2026 en vervalt met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Antes Zorg B.V.
Fivoor B.V.
FPC De Oostvaarderskliniek
Pompestichting
Stichting Amarant
Stichting Arkin
Stichting De Forensische Zorgspecialisten
Stichting Dichterbij
Stichting Dimence Groep (Stichting Transfore)
Stichting Emergis
Stichting Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. S. van Mesdag
Stichting Forensische Psychiatrisch Centrum De Rooyse Wissel
Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Oost-Brabant
Stichting GGNet
Stichting GGz Centraal
Stichting GGZ Drenthe
Stichting GGZ Friesland
Stichting GGZ Noord-Holland-Noord
Stichting GGZ Westelijk Noord-Brabant
Stichting GGzE
Stichting Ipse de Bruggen
Stichting Mondriaan
Stichting Novadic-Kentron
Stichting Reinier van Arkel
Het doel van de levensloopaanpak is om regionaal een geïntegreerd en domeinoverstijgend zorgaanbod te organiseren en te leveren voor personen van 18 jaar en ouder die potentieel gevaarlijk gedrag vertonen als gevolg van een psychische aandoening, een verstandelijke beperking, een verslaving of hersenletsel. De levensloopaanpak kenmerkt zich door continuïteit van intensieve ondersteuning en zorg, professionals die bij de doelgroep en hun naasten betrokken blijven zo lang dat nodig is en het makkelijk opschalen en afschalen naar zwaardere of lichtere vormen van ondersteuning en zorg, ook in het sociaal domein.
De levensloopaanpak is beschreven en uitgewerkt in de Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg (hierna: Ketenveldnorm). De Ketenveldnorm bevat ook de criteria waaraan een persoon moet voldoen om in de levensloopaanpak te kunnen worden opgenomen (hierna: geïncludeerd). Of iemand voldoet aan deze criteria – en in de levensloopaanpak wordt geïncludeerd – wordt beoordeeld door professionals binnen een zogeheten zorg- en veiligheidshuis, de naam voor een samenwerkingsverband tussen gemeenten, Openbaar Ministerie, Raad voor de Kinderbescherming, politie, Bureau Halt, reclassering, Bureau Jeugdzorg, Maatschappelijk werk, Slachtofferhulp, zorginstellingen en woningcorporaties.1
Een belangrijk onderdeel van de levensloopaanpak is het koppelen van een levensloopaanpakcoördinator aan een in de levensloopaanpak geïncludeerde persoon. Deze coördinator is het eerste aanspreekpunt voor de cliënt, coördineert het op- en afschalen van behandelingen met daarbij betrokken professionele partijen, biedt langdurige begeleiding op allerlei (levens)gebieden en houdt zicht op de ondersteuningsbehoefte. Het zorg- en veiligheidshuis wijst de instelling aan die de coördinatie van de levensloopaanpak voor een cliënt verzorgt. De voortgang van de levensloopaanpak van een cliënt wordt binnen een zorg- en veiligheidshuis periodiek besproken in zogenoemde casusoverleggen.
In de periode tot en met 2025 vond de financiering van de coördinatieactiviteiten in het kader van de levensloopaanpak (zoals omschreven in de Ketenveldnorm) plaats via vier routes. De zogenoemde cliëntgebonden coördinatiekosten werden gedeclareerd bij de Dienst Justitiële Instellingen, de zorgverzekeraar of het zorgkantoor. Op basis van een beslisboom werd bepaald welke declaratieroute van toepassing was. Zogenoemde niet-cliëntgebonden coördinatiekosten werden gefinancierd via een subsidie van ZonMw.
Deze wijze van financiering – via vier routes – werd als complex en bewerkelijk ervaren. Daarom is besloten om de financiering te vereenvoudigen, door met ingang van 2026 te werken met twee in plaats van vier financieringsroutes en om voor het bepalen van de van toepassing zijnde route alleen doorslaggevend te laten zijn of een in de levensloopaanpak geïncludeerde cliënt een Wlz-indicatie heeft.
De financiering van de coördinatiekosten voor de levensloopaanpak voor cliënten die beschikken over een Wlz-indicatie zal plaatsvinden via de Wlz.2 Voor cliënten zonder een Wlz-indicatie vindt de financiering in 2026 en 2027 plaats via de onderhavige subsidieregeling. Parallel wordt de mogelijkheid verkend om de financiering vanaf 2028 te realiseren via gemeentelijke weg. Voor zowel de cliënten zonder als met Wlz-indicatie worden de cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden coördinatiekosten verwerkt in één dagtarief.
De hiervoor genoemde overgang van vier naar twee financieringsroutes heeft een vermindering van de regeldruk tot gevolg,3 doordat daarmee een einde is gekomen aan de complexe bekostiging van de coördinatiefunctie binnen de levensloopaanpak zoals beschreven in de ‘Toelichting tijdelijke financiering coördinatiefunctie levensloopaanpak 2025’.4
De regeldruk van de regeling zelf is beperkt, zoals hieronder wordt toegelicht. De hieronder genoemde bedragen tellen op tot een regeldruk van € 18.402 – dit betreft een totaal over de hele looptijd van de subsidie voor alle organisaties gezamenlijk. (Bij de berekening van deze bedragen is zo veel mogelijk aangesloten bij de standaardwaarden voor tijdsbesteding en kosten per uur zoals opgenomen in het Handboek Toetsing Regeldrukkosten 2023.)
Voor de aanvraag van de subsidie maken de instellingen gebruik van een door de minister vastgesteld aanvraagformulier. Het aan te vragen bedrag is op het aanvraagformulier vooraf al ingevuld door DUS-I, bepaald aan de hand van gegevens van zorg- en veiligheidshuizen die via het Landelijk Coördinatiepunt Levensloopaanpak (hierna: landelijk coördinatiepunt) geaggregeerd per instelling bij DUS-I zijn aangeleverd (zie hiervoor de toelichting bij artikel 6 van deze regeling).
Na afloop van het kalenderjaar waarover de subsidie is verleend wordt de subsidie op aanvraag door DUS-I vastgesteld. Ook dat gebeurt op basis van gegevens van de zorg- en veiligheidshuizen die via het landelijk coördinatiepunt geaggregeerd per instelling worden aangeleverd (zie hiervoor de toelichting bij artikel 11 van deze regeling).
Voor de subsidieaanvraag, -verlening, en -vaststelling, worden registraties gebruikt die zorg- en veiligheidshuizen en instellingen reeds nodig hebben voor de uitvoering van hun (kern)taken in het kader van de levensloopaanpak. Op basis van deze registraties verzamelt het landelijk coördinatiepunt reeds gegevens in het kader van haar monitoractiviteiten. De onderhavige subsidieregeling leidt wat deze punten betreft niet aanvullend tot regeldruk.5
De tijdsbesteding die het Landelijk Coördinatiepunt Levensloopaanpak vervolgens nodig heeft voor (1) het maken van een overzicht van geaggregeerde gegevens per instelling en (2) de aanlevering daarvan bij DUS-I, bedraagt – op basis van de standaardwaarden uit het Handboek Toetsing Regeldrukkosten – naar schatting circa 75 minuten in 2026, circa 150 minuten in 2027 en circa 75 minuten in 2028.6 De hiermee samenhangende regeldruk bedraagt in totaal € 270.
Voor (3) het controleren van de gegevens op het formulier voor aanvraag van de subsidie en/of voor het verzoek tot vaststelling, heeft een instelling gemiddeld ongeveer 20 minuten nodig in 2026, 40 minuten in 2027 en 20 minuten in 2028. Dit levert – voor de 24 instellingen samen – een totale regeldruk op van € 2.464.
Vanwege de betrouwbaarheid van de gegevens van de zorg- en veiligheidshuizen is het verantwoordingsregime voor instellingen licht: enkel voor subsidiebedragen van € 125.000 of meer in een kalenderjaar wordt voor de vaststelling een (4) assurancerapport gevraagd met betrekking tot het opgegeven aantal prestatie-eenheden. Uitgaande van een tijdbesteding van 24 uur per rapport en zes instellingen met een subsidie boven € 125.000 per kalenderjaar, bedraagt de regeldruk hiervan per kalenderjaar € 1.296 per rapport x 6 instellingen = € 7.776. Over de totale looptijd van de subsidie (2026 en 2027) gaat het dus om een regeldruk van € 15.552.
Er is een aantal verplichtingen opgenomen waaraan de subsidieaanvrager moet voldoen tijdens de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. Zo moet de subsidieaanvrager een gedegen administratie voeren die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de gerealiseerde prestatie-eenheden kunnen worden nagegaan. Zoals aangegeven gaat het hier in principe om registraties die ook nodig zijn voor de uitvoering van taken in het kader van de levensloopaanpak.7
Ook heeft de subsidieaanvrager de plicht om het te melden wanneer zich omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Hier wordt in de artikelsgewijze toelichting nader op ingegaan. Dit zijn verplichtingen die naar verwachting hooguit tot incidentele meldingen zullen leiden en geen hoge regeldruk met zich zullen brengen. (5) Uitgaande van zes meldingen per jaar met een tijdsbesteding van 15 minuten per melding, gaat het om een regeldruk van € 116.
Omdat sprake is van staatssteun (zie ook de volgende paragraaf), is een subsidievoorwaarde dat voor aanvang aan de subsidiabele activiteiten een DAEB-overeenkomst wordt ondertekend. Een dergelijke overeenkomst brengt in beginsel de plicht met zich mee tot het bijhouden van een afzonderlijke boekhouding om aantoonbaar overcompensatie te voorkomen. Zoals hierna in de paragraaf Staatssteun ook overwogen wordt, is dat in dit geval evenwel niet nodig, althans is het voldoende om een administratie bij te houden van de dagen waarover de subsidiabele activiteit werd uitgevoerd. Van extra regeldruk ten gevolge van de DAEB-overeenkomst voor de instellingen is daarom geen sprake.
De onderhavige regeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het slechts beperkt gevolgen voor de regeldruk heeft.
Er is sprake van staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) als aan de volgende vijf cumulatieve criteria is voldaan:
– de steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;
– de steun wordt met staatsmiddelen bekostigd;
– de staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen;
– de maatregel is selectief; en
– de maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de Europese Unie.
Het persoonlijk en op maat begeleiden van personen in de vorm van ambulante zorg en ondersteuning de coördinatie daarvan met andere partijen, is een economische activiteit, omdat in Nederland dergelijke zorg en ondersteuning plaatsvindt binnen een (gereguleerde) markt. Instellingen die deze zorg en ondersteuning aanbieden, kwalificeren daarom als ondernemingen die economische activiteiten verrichten. Omdat deze subsidie onmiskenbaar met overheidsmiddelen wordt bekostigd en daarmee een selectief voordeel wordt verstrekt dat niet via normale commerciële weg is verkregen, zijn de eerste vier genoemde criteria vervuld. Voor wat betreft het vijfde criterium geldt dat vervalsing van de mededinging wordt aangenomen zodra de overheid een financieel voordeel verleent aan een onderneming ‘in een geliberaliseerde sector waar er concurrentie is of zou kunnen zijn’, hetgeen hier het geval is. Omdat geen sprake is van het zuiver lokaal ontplooien van activiteiten, is ook het vijfde criterium vervuld en heeft de subsidie te gelden als staatssteun.
Mogelijkheden tot rechtvaardiging van de staatssteun
Een Dienst van Algemeen Economisch Belang (hierna: DAEB) wordt in het VWEU genoemd in de artikelen 14 en 106, maar daaruit volgt geen sluitende definitie. In de ‘Commissiegids DAEB’ staat dat volgens de Europese Commissie, DAEB's economische activiteiten zijn die het algemeen belang dienen en die de markt, zonder het overheidsoptreden, anders niet (of niet onder dezelfde voorwaarden inzake objectieve kwaliteit, veiligheid, betaalbaarheid, gelijke behandeling of algemene toegang) had verricht.
Van een dergelijk marktfalen is onder meer sprake wanneer een legitiem doel van algemeen belang wordt nagestreefd. De steun is dan gerechtvaardigd omdat de markt niet op gelijke (bevredigende) wijze voorziet in de dienst, passend bij het doel of principe (zoals de objectieve kwaliteit, veiligheid, betaalbaarheid gelijke behandeling of gelijke toegang van alle burgers).
In dit geval is er een marktfalen omdat het gaat om een betrekkelijk kleine doelgroep van circa 400 personen, terwijl het voor het goed uitvoeren van de DAEB van belang is dat de levensloopaanpakcoördinator en de instelling waarvoor hij werkzaam is, ervaring heeft met de levensloopaanpak. Bovendien is het voor het slagen van de levensloopaanpak van groot belang dat de continuïteit ervan in hoge mate gegarandeerd wordt, zodat de instelling van een zekere omvang moet zijn. Tot slot moet sprake zijn van een netwerk met landelijke dekking. Er is maar een beperkt aantal instellingen dat voldoet aan de beschreven voorwaarden en de DAEB kan uitvoeren.
Door toepassing te geven aan het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 (2012/21/EU) (DAEB Vrijstellingsbesluit), de compensatie (i) niet onder de verplichting tot voorafgaande aanmelding van artikel 108, derde lid, VWEU valt, en (ii) verenigbaar is met artikel 106, tweede lid, van het VWEU;
Omdat met de Dienstverlening wordt voldaan aan sociale behoeften wat betreft gezondheidszorg en langdurige zorg, kinderopvang, toegang tot de arbeidsmarkt en herintreding, sociale huisvesting en de zorg voor en sociale inclusie van kwetsbare groepen, valt de compensatie hiervoor onder artikel 2, eerste lid, onder c van het DAEB Vrijstellingsbesluit.
Een voorwaarde voor het vestigen van een DAEB is dat de compensatie niet hoger mag zijn dan nodig is om de kosten voor het uitvoeren van de openbare dienst te dekken, waarbij wel ruimte is voor de onderneming om een redelijke winst te maken.
Uit een kostenraming door de instelling die de levensloopaanpak van verreweg het grootste aantal cliënten coördineert, blijkt dat de gemiddelde kosten per cliënt per dag hoger liggen dan de vergoeding die met deze vergoeding ter beschikking wordt gesteld. Omdat de grootste instelling geacht mag worden het efficiëntst te werken en bovendien bij de raming de loonsom conservatief geschat werd, zal dat ook gelden voor de andere instellingen die van deze regeling gebruik maken. Bij deze stand van zaken kan van overcompensatie per definitie geen sprake zijn. De aanvragers houden zelf al bij voor hoeveel personen zij de levensloopaanpak coördineren en het aantal dagen waarop dat gebeurt, zodat voldaan wordt aan de eis dat een afzonderlijke boekhouding gevoerd wordt zonder dat dit extra inspanningen vereist.
Van de verplichting om een DAEB-overeenkomst te sluiten zijn uitgezonderd publiekrechtelijke rechtspersonen (en organen daarvan), omdat het sluiten van dergelijke overeenkomsten met hen niet mogelijk is.
De in bijlage 1 genoemde publiekrechtelijke rechtspersoon FPC De Oostvaarderskliniek maakt onderdeel uit van de Staat der Nederlanden, namelijk van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Het is niet mogelijk om subsidie te verstrekken binnen één publiekrechtelijke rechtspersoon zoals de Staat. De hoogte van de financiële aanspraak die de FPC De Oostvaarderskliniek heeft, zal daarom weliswaar volgens het stramien van artikel 5 worden bepaald, maar de uiteindelijke betaling zal plaatsvinden via een budgetoverheveling aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid en dus buiten deze regeling om. In overleg is bovendien besloten om de vergoeding jaarlijks achteraf te betalen. Omdat het niet mogelijk is een DAEB-overeenkomst te sluiten met partijen die alle deel uitmaken van de Staat der Nederlanden en de vergoeding zoals gezegd buiten deze regeling om plaatsvindt, is de in artikel 4, tweede lid opgenomen voorwaarde niet van toepassing, net zoals de andere in deze regeling opgenomen bijkomende voorwaarden en verplichtingen.
Het ontwerp van deze subsidieregeling is van 13 januari 2026 tot en met 2 februari 2026 opengesteld geweest voor internetconsultatie. Omdat aanbieders in een eerdere fase reeds over de contouren van de regeling waren geïnformeerd – en vanwege het belang van een spoedige publicatie van de regeling – is gekozen voor een relatief korte consultatietermijn van 3 weken.
In totaal zijn 13 reacties ontvangen: 2 van clientorganisaties, 4 van particulieren en 7 van (vertegenwoordigers van) aanbieders.
Cliëntorganisatie Ieder(in) vindt dat de menselijke maat centraal moet blijven staan, ook bij de begeleiding van mensen die een hoog maatschappelijk veiligheidsrisico vormen: daarom moet hun levensperspectief meegewogen worden in de levensloopaanpak en de coördinatie daarvan.
Het belang van de menselijke maat in de levensloopaanpak wordt onderschreven. De landelijke cliëntorganisatie MIND is betrokken geweest bij de totstandkoming van de Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg. KansPlus (een belangennetwerk voor mensen met een verstandelijke beperking) nam deel aan de klankbordgroep voor de totstandkoming van de Ketenveldnorm. De subsidiabele activiteit is omschreven in de Ketenveldnorm en MIND en KansPlus zijn inhoudelijk met de Ketenveldnorm akkoord.
Cliëntorganisatie MIND is positief over het feit dat met de onderhavige regeling op korte termijn een oplossing wordt geboden voor de financiering van de coördinatie van de levensloopaanpak voor cliënten zonder Wlz-indicatie. MIND wijst hierbij op het belang van borging van de continuïteit van deze intensieve, domeinoverstijgende aanpak. Wel maakt MIND – net als sommige aanbieders – zich zorgen over het tijdelijke karakter van de regeling.
Deze inbreng heeft niet tot aanpassing van de regeling geleid. Wel zal tijdens de looptijd van de subsidie met betrokkenen gewerkt worden aan de vormgeving van een structurele financiering.
Diverse aanbieders hebben bepleit om helder te vermelden dat:
– het in artikel 5 genoemde dagtarief per 2027 zal worden geïndexeerd.
– en/of het uitgangspunt wordt gehanteerd dat ook voor 2027 bij het dienovereenkomstige dagtarief voor cliënten met een Wlz-indicatie zal worden aangesloten, ook als de NZa dat tarief aanpast.
De toelichting op artikel 5 is dienovereenkomstig aangepast.
Uit de reacties op de internetconsultatie blijkt verder dat voor een aantal aanbieders de relatie onduidelijk is tussen het aangevraagde en verleende subsidiebedrag (artikelen 6 en 8), de bevoorschotting (artikel 7) en de subsidievaststelling (artikel 11). Naar aanleiding hiervan is de toelichting op artikel 11 aangepast.
Eén van de aanbieders vraagt verder of het mogelijk is om het aan te vragen subsidiebedrag voor 2027 op een andere manier te bepalen dan voor 2026: deze aanbieder doet de suggestie om het aan te vragen subsidiebedrag voor 2027 te baseren op het definitieve subsidiebedrag dat voor 2026 – na afloop van dat kalenderjaar – wordt vastgesteld.
Deze suggestie is niet overgenomen. Omwille van transparantie en eenvoud is ervoor gekozen om voor de subsidieaanvraag en de subsidievaststelling te werken met aparte processen en om de aan te vragen subsidiebedragen voor de kalenderjaren 2026 en 2027 op gelijke wijze te bepalen. Dit leidt – anders dan deze aanbieder suggereert – niet tot een trager proces van subsidieverlening.
Zoals in het algemene deel van de toelichting al werd beschreven, is deze regeling bedoeld voor de gecoördineerde begeleiding van personen die volgens de door zorg- en veiligheidshuizen gehanteerde criteria in aanmerking komen voor de zogeheten levensloopaanpak. Definities van begrippen die daarop betrekking hebben, zijn daarom hier opgenomen.
Op deze regeling is de Kaderregeling OCW, SZW en VWS niet van toepassing, behalve de artikelen 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4 waarin onderstaande verplichtingen zijn opgenomen.
De subsidieontvanger zorgt ervoor dat de activiteiten zodanig worden uitgevoerd dat de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verstrekt, en de voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten benodigde middelen op verantwoorde wijze worden beheerd.
Voorts is aan de subsidieontvanger opgedragen een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daarmee te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de gerealiseerde prestatie-eenheden eenvoudig kunnen worden aangetoond. De administratie wordt op overzichtelijke, controleerbare en doelmatige wijze ingericht en wordt, samen met de daartoe behorende bescheiden, gedurende tien jaren na de vaststelling bewaard.
Wanneer een aanvrager aan derden zaken ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt hij daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.
Van subsidieontvangers wordt verwacht dat ze meewerken aan onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor:
• a. het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie, of,
• b. de ontwikkeling van het beleid van de minister.
De meldingsplicht van artikel 5.7 van de kaderregeling, is in artikel 8 van de regeling gedeeltelijk overgenomen, maar met een bijzondere bepaling met betrekking tot de melding van verwachte onderbesteding.
Zoals al in het algemene deel van de toelichting werd verwoord, heeft deze regeling tot doel om de werkzaamheden van levensloopaanpakcoördinatoren te financieren, waartoe nadrukkelijk ook gerekend worden daarmee samenhangende taken die niet bestaan uit direct contact met de cliënt; de coördinatie behelst namelijk bijvoorbeeld ook het overleggen met andere bij de levensloopaanpak betrokken instanties en het uitvoeren van administratieve handelingen. Ook hier wordt nog eens benadrukt dat het gaat om een forfaitair bedrag, per dag per cliënt; niet vereist is dat er elke dag ook concreet een handeling per cliënt wordt verricht.
Teneinde de continuïteit van de begeleiding op eenvoudige wijze te waarborgen, duurt de aanspraak op de subsidie ook voort wanneer een cliënt verblijft in een zorg- of forensische instelling of penitentiaire inrichting, zo lang hij of zij geïncludeerd is in de levensloopaanpak en een levensloopaanpakcoördinator toegewezen is en geen aanspraak op zorg heeft op grond van de Wlz. Zie ook de toelichting bij artikel 7.
Zoals reeds werd overwogen in de paragraaf over staatssteun, wordt de te subsidiëren activiteit aangemerkt als een DAEB. De aanvrager moet met de Staat een overeenkomst sluiten waarbij de Staat hem belast met en hij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang.
Omwille van de eenvoud en omwille van consistentie met de systematiek voor cliënten die recht hebben op zorg op grond van een Wlz-indicatie, is er gekozen voor een systeem waarin aanspraak gemaakt wordt op een forfaitair bedrag per kalenderdag, per begeleide cliënt. Dat bedrag van € 23,76 is gelijk aan het tarief dat door de Nederlandse Zorgautoriteit voor het jaar 2026 wordt gehanteerd voor levensloopcliënten met een Wlz-indicatie. Uitgangspunt is dat de in deze regeling opgenomen vergoeding, gelijk is aan die voor de levensloopcliënten met een Wlz-indicatie wordt gehanteerd. Indien het Wlz-tarief wijzigt, zal de regeling ook worden aangepast; dit met inachtneming van het in het DAEB Vrijstellingsbesluit opgenomen verbod op overcompensatie.
De subsidie wordt op aanvraag verstrekt en voor een aanvraag dient gebruik te worden gemaakt van een door de minister vastgesteld formulier. Aanvragen worden gedaan via de website van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (DUS-I). Een link naar het aanvraagformulier zal door DUS-I per e-mail worden verstuurd.
Het aanvraagformulier dient volledig ingevuld, correct ondertekend gedurende de in artikel 6, tweede lid genoemde periode door de minister te zijn ontvangen. De aanvrager is verantwoordelijk voor het tijdig indienen van het aanvraagformulier.
Het aan te vragen bedrag is op het aanvraagformulier al ingevuld en wordt bepaald door per instelling het door de zorg- en veiligheidshuizen aan DUS-I opgegeven aantal cliënten waarvoor deze regeling bedoeld is op een bepaalde peildatum – 1 januari 2026 voor het kalenderjaar 2026 en 1 januari 2027 voor het kalenderjaar 2027 – te vermenigvuldigen met 365 en met het in artikel 5 genoemde bedrag. Het gaat telkens dus slechts over het totale aantal cliënten waarvoor de levensloopaanpak gecoördineerd wordt per instelling, wat geen tot personen herleidbare gegevens zijn.
Zoals ook werd overwogen in het algemene deel van de toelichting, is de subsidie bedoeld voor de financiering van de werkzaamheden van een levensloopaanpakcoördinator ten behoeve van personen die door een zorg- en veiligheidshuis in de levensloopaanpak geïncludeerd zijn. Omdat voor personen die aanspraak kunnen maken op grond van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 3.2.3., eerste lid, van de Wet langdurige zorg al een mogelijkheid tot vergoeding bestaat, is deze groep van deze subsidieregeling uitgesloten.
Na sluiting van de aanvraagtermijn beslist de minister binnen 13 weken over de verlening van de aangevraagde subsidie. Het verleningsbesluit vermeldt het aantal cliënten waarvoor de subsidie verleend wordt, het bedrag van de subsidie en de periode waarvoor deze wordt verleend en de wijze waarop de vaststelling plaatsvindt.
Er wordt een voorschot verleend van ten hoogste 70% van de jaarlijks verleende subsidie om tegemoet te komen aan de financieringsbehoefte van de instellingen, welk percentage in overleg met een vertegenwoordiging van hen werd vastgesteld. Volledige bevoorschotting is niet wenselijk omdat naar verwachting gedurende de periode waarbinnen de subsidiabele activiteiten plaatsvinden een aantal cliënten op grond van een indicatiebesluit recht zullen krijgen op Wlz-zorg, waarmee het recht op subsidie op grond van deze regeling komt te vervallen.
De meldingsplicht die in artikel 5.7 van de Kaderregeling is verwoord, is in dit artikel overgenomen, met dien verstande dat onderbesteding slechts gemeld moet worden wanneer die naar verwachting meer dan 50.000 euro bedraagt in plaats van een procentuele grens van bijvoorbeeld 20% van het verleende bedrag. Dit om te voorkomen dat wanneer een instelling die de levensloopaanpak van een klein aantal cliënten coördineert, al een melding moet doen wanneer één cliënt om wat voor reden dan ook buiten deze regeling komt te vallen.
Het financiële risico is beperkt omdat de bevoorschotting 70% van het verleende bedrag is en verwachte onderbesteding van meer dan 50.000 euro dus wel gemeld moet worden. Een melding wordt gedaan aan DUS-I. Dat kan vormvrij en hoeft niet met tot personen herleidbare gegevens te worden onderbouwd.
Naast onderbesteding, kan voor wat betreft de meldingsplicht gedacht worden aan fusies of overnames of andere gebeurtenissen die van invloed zijn op (de rechtspersoonlijkheid van) een instelling.
De subsidie wordt jaarlijks op aanvraag vastgesteld. Een aanvraag kan gedaan worden gedurende de in het tweede lid genoemde periodes. De aanvragers worden door DUS-I per e-mail uitgenodigd dat te doen en komen dan via een link terecht in een digitale omgeving.
Uitgangspunt bij de vaststelling van het subsidiebedrag zijn door de zorg- en veiligheidshuizen aan de DUS-I te verstrekken geaggregeerde gegevens op instellingsniveau. Het aantal dagen waarop de levensloopaanpak werd gecoördineerd, wordt voor alle cliënten bij een instelling bij elkaar opgeteld. De uitkomst van die som wordt onder tussenkomst van het Landelijk Coördinatiepunt Levensloopaanpak aan DUS-I verstrekt. Door vermenigvuldiging met het in artikel 5 genoemde bedrag kan dan de hoogte van de subsidie worden bepaald, terwijl er geen tot personen herleidbare informatie terecht komt bij DUS-I.
Indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, legt de subsidieontvanger tevens verantwoording af door een assurancerapport te overleggen (zie Accountantsprotocol behorend bij de Kaderregeling subsidies voor OCW, SZW en VWS, met name hoofdstuk 2 en Model A8).
Op een volledig verzoek tot vaststelling wordt uiterlijk 22 weken na afloop van de aanvraagtermijn beslist.
Indien het bedrag waarop de subsidie wordt vastgesteld lager is dan het verleende voorschot, zal het verschil worden terggevorderd. Indien het bedrag hoger is dan het verleende voorschot, ontvangt de subsidieontvanger aanvullend het verschil tussen het verleende voorschot en de vastgestelde subsidie.
In sommige gevallen kan het bedrag dat uit de hiervoor omschreven berekening komt, hoger zijn dan het aangevraagde en verleende bedrag. In dat geval zal DUS-I de aanvraag herzien tot het hogere bedrag en vervolgens op dat bedrag vaststellen. De aanvrager hoeft daarvoor dus zelf niets te doen.
Deze bepaling bevat een hardheidsclausule. Toepassing van de hardheidsclausule is aan strenge eisen gebonden en er zal met grote terughoudendheid gebruik van worden gemaakt. Het is evenwel niet op voorhand uit te sluiten dat zich omstandigheden zullen voordoen die noodzaken tot afwijken van deze regeling. Het dient dan te gaan om onbillijkheden van overwegende aard.
Vanwege en een aantal onvoorziene omstandigheden bij het opstellen, is het niet mogelijk gebleken deze regeling voor 1 januari 2026 te publiceren. Deze regeling treedt daarom in werking de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd en werkt terug tot 1 januari 2026.
De Subsidieregeling vervalt met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op subsidies die krachtens deze regeling zijn aangevraagd.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Zie ook de toelichting bij de ‘Regeling tot wijziging van de Regeling langdurige zorg in verband met meer zorg bij coördinatieactiviteiten in het kader van de levensloopaanpak’, Staatscourant 2025 nr. 30866.
Zie: https://levensloopaanpak.nl/wp-content/uploads/2024/12/Toelichting-tijdelijke-financiering.pdf.
In 2026 gaat het hierbij om een overzicht voor alleen de subsidieaanvraag 2026. In 2027 gaat het hierbij om een overzicht voor de subsidieaanvraag 2027 én om een overzicht voor de subsidievaststelling 2026. In 2028 gaat het alleen om een overzicht voor de subsidievaststelling 2027. Per overzicht wordt uitgegaan van een tijdsbeslag van 3 minuten per instelling (dit is de tijdbesteding cf het Handboek Meting Regeldrukkosten voor een eenvoudige berekening) plus 3 minuten voor het maken van een totaaltabel. In totaal gaat het dan om 25*3= 75 minuten.
Denk aan het registreren van de datum waarop de cliënt in de levensloopaanpak bij de betreffende aanbieder is geïncludeerd, de afsluitdatum en het al dan niet aanwezig zijn van een Wlz-indicatie op de dagen tijdens de inclusieperiode.
Zie ook de toelichting bij de ‘Regeling tot wijziging van de Regeling langdurige zorg in verband met meer zorg bij coördinatieactiviteiten in het kader van de levensloopaanpak’, Staatscourant 2025 nr. 30866.
Zie: https://levensloopaanpak.nl/wp-content/uploads/2024/12/Toelichting-tijdelijke-financiering.pdf.
In 2026 gaat het hierbij om een overzicht voor alleen de subsidieaanvraag 2026. In 2027 gaat het hierbij om een overzicht voor de subsidieaanvraag 2027 én om een overzicht voor de subsidievaststelling 2026. In 2028 gaat het alleen om een overzicht voor de subsidievaststelling 2027. Per overzicht wordt uitgegaan van een tijdsbeslag van 3 minuten per instelling (dit is de tijdbesteding cf het Handboek Meting Regeldrukkosten voor een eenvoudige berekening) plus 3 minuten voor het maken van een totaaltabel. In totaal gaat het dan om 25*3= 75 minuten.
Denk aan het registreren van de datum waarop de cliënt in de levensloopaanpak bij de betreffende aanbieder is geïncludeerd, de afsluitdatum en het al dan niet aanwezig zijn van een Wlz-indicatie op de dagen tijdens de inclusieperiode.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-14546.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.