Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 20 april 2026, nummer WBV 2026/5, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Minister van Asiel en Migratie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C2/3.2.2.1 Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden:

3.2.2.1. Artikel 1D Vluchtelingenverdrag

De IND verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, Vw, als hij onder de reikwijdte van artikel 1D Vluchtelingenverdrag valt. Wel toetst de IND door aan artikel 29, eerste lid aanhef en onder b, Vw.

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is in de huidige praktijk van toepassing op de (staatloze) Palestijnse vluchteling die onder het mandaat van de United Nations Relief and Works Agency (verder: UNRWA) valt. Het mandaat van de UNRWA is van toepassing op vijf gebieden: Libanon, Jordanië, Syrië, de Westelijke Jordaanoever (de Westbank) en de Gazastrook.

Om in aanmerking te komen voor hulp van UNRWA moet een persoon:

  • voldoen aan de definitie van een Palestijnse vluchteling onder het mandaat van UNRWA; en

  • in één van deze vijf gebieden aanwezig zijn.

Voor de vreemdeling die niet onder het mandaat van UNRWA valt is het reguliere asielbeleid van toepassing.

In twee opeenvolgende stappen beoordeelt de IND of een Palestijnse vluchteling, afkomstig uit één van de vijf UNRWA-mandaatgebieden, wordt uitgesloten van vluchtelingschap. Deze stappen zijn:

  • 1. de Palestijnse vluchteling heeft direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp ingeroepen (of genoten); en

  • 2. de hulp is opgehouden door redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling.

Ad 1

Artikel 1D moet zodanig strikt worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op personen die enkel voor bescherming of bijstand van de UNRWA in aanmerking kwamen of komen, maar die niet hebben ingeroepen.

Ook is het van belang te beoordelen of de vreemdeling daadwerkelijk kort voor het indienen van de asielaanvraag de bescherming of bijstand van de UNRWA heeft ingeroepen of genoten. Enkel deze vreemdelingen vallen namelijk onder de reikwijdte van artikel 1D.

De beoordeling of en in hoeverre de vreemdeling bijstand heeft genoten van de UNRWA, is een individuele beoordeling, waarbij relevant is waaruit de bescherming of bijstand van de UNRWA in het individuele geval van de vreemdeling bestond.

Voor het aannemen van eerder genoten (of ingeroepen) bescherming of bijstand, is een registratie bij UNRWA geen vereiste. Het is echter wel een sterke indicatie dat de vreemdeling onder de reikwijdte van dat artikel valt.

Ad 2

Van belang is of de vreemdeling het mandaatgebied vrijwillig of gedwongen heeft verlaten, maar ook of de omstandigheden inmiddels zijn veranderd.

Er zijn twee situaties denkbaar waarin de bescherming of bijstand beschouwd wordt als opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling:

  • a. UNRWA kan niet aan het mandaat voldoen: indien er sprake is van de opheffing van het orgaan dat de bescherming of de bijstand verleent, dan wel sprake is van een situatie waarin het betreffende orgaan in de onmogelijkheid verkeert zijn opdracht te volbrengen; en

  • b. de vreemdeling is genoodzaakt het mandaatgebied te verlaten: indien er sprake is van omstandigheden buiten de wil van de betrokken persoon, die hem ertoe dwingen het gebied waarin het UNRWA werkzaam is, te verlaten.

De beoordeling betreft een ex-nunc onderzoek. Er kan dus niet volstaan worden met een beoordeling van de situatie bij vertrek uit het land van gebruikelijk verblijf.

Ad a

De beoordeling of UNRWA aan het mandaat kan voldoen, is in beginsel een individuele. De bescherming of bijstand moet met name worden geacht te zijn opgehouden wanneer de UNRWA niet in staat is een specifieke verzoeker waardige levensomstandigheden en een minimum aan veiligheid te waarborgen, rekening houdend met eventuele kwetsbaarheden. Daarbij moet worden gedacht aan levensomstandigheden die de vreemdeling niet garanderen dat, overeenkomstig de opdracht van de UNRWA, wordt voldaan aan basisbehoeften op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en levensonderhoud.

Daarnaast is de situatie denkbaar dat de UNRWA aan geen enkele (staatloze) Palestijnse menswaardige levensomstandigheden of minimale veiligheid kan garanderen. Dit is aan de orde als in het betreffende werkgebied elke staatloze Palestijn terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte.

Het is in beginsel aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij de door hem ontvangen bescherming of bijstand die hij eerder heeft ontvangen, niet opnieuw kan inroepen.

Ad b

Het gaat hier primair om de vraag of de vreemdeling het gebied vrijwillig heeft verlaten. Als de vreemdeling niet buiten zijn wil gedwongen is geweest het gebied te verlaten, is niet aannemelijk dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling.

Van gedwongen vertrek kan onder andere sprake zijn als de vreemdeling:

  • op basis van individuele omstandigheden heeft te vrezen voor vervolging;

  • vreest voor ernstige schade, bijvoorbeeld vanwege een situatie als bedoeld in artikel 15c Kwalificatierichtlijn

Ook als er na vertrek uit het land van herkomst omstandigheden zijn ontstaan waardoor de vreemdeling zich niet naar het mandaatgebied kan begeven, kan aangenomen worden dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling. In het geval van vrijwillig vertrek is het aan de vreemdeling om dat aannemelijk te maken.

Als sprake is van onvrijwillig vertrek maar nadien zijn de levensomstandigheden in het betreffende mandaatgebied verbeterd, dan kan dat ook bij de beoordeling worden betrokken. Dat kan (alsnog) leiden tot uitsluiting op grond van artikel 1D van het Verdrag. De bewijslast ligt bij de IND.

Feitelijke toegankelijkheid

In het kader van de toepassing van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag hoeft de IND, bij de beoordeling van de asielaanvraag, niet te beoordelen of de vreemdeling toegang kan krijgen tot het UNRWA-gebied waar hij eerder heeft verbleven.

Bij de vraag of de vreemdeling bescherming of bijstand van UNRWA kan krijgen in een ander mandaatgebied dan het mandaatgebied waar hij zijn werkelijke verblijfplaats had, speelt de feitelijke toegankelijkheid wel een rol. Als de vreemdeling niet wordt toegelaten tot het andere mandaatgebied, kan hem niet tegengeworpen worden dat hij daar de bescherming of bijstand van UNRWA kan inroepen.

Verblijfsvergunning asiel

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw als de vreemdeling:

  • kort voor het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp heeft ingeroepen (of genoten); en

  • de hulp is opgehouden door redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling, zoals hierboven vermeld.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel, als de vreemdeling:

  • beschikt over een nationaliteit; en

  • de bescherming van de eigen autoriteiten in kan roepen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de (staatloze) Palestijnse vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in de uitsluitingsgrond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 20 april 2026

De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst

TOELICHTING

A

De tekst van paragraaf C2/3.2.2.1 Vc is verduidelijkt voor wat betreft het toetsingskader en het stappenplan met betrekking tot de toepassing van artikel 1D Vluchtelingenverdrag, waarin de arresten Bolbol (C-31/09, 17 juni 2010) en El Kott (C-364/11, 19 december 2012) van het Hof van Justitie mede zijn verwerkt.

De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst

Naar boven