Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Raden voor Rechtsbijstand (Cluster) | Staatscourant 2026, 14401 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Raden voor Rechtsbijstand (Cluster) | Staatscourant 2026, 14401 | beleidsregel |
Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand,
Gelet op de artikelen 7, eerste lid onder a en b, artikel 37, vierde lid van de Wet op de rechtsbijstand, artikel 35, eerste lid en artikel 36 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, juncto 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
De volgende beleidsregel vast te stellen:
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
de advocaat als bedoeld in de artikelen 9a en 9j van de Advocatenwet, die is ingeschreven bij de Raad als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de rechtsbijstand;
het bestuur van de Raad als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wrb;
het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000;
kantoor van de advocaat als bedoeld in artikel 12 van de Advocatenwet;
de Raad voor Rechtsbijstand als bedoeld in Hoofdstuk II van de Wrb;
de toevoeging als bedoeld in artikel 1 van de Wrb;
het kwartaalvoorschot als bedoeld in artikel 35, eerste lid Bvr;
Wet op de rechtsbijstand.
Deze beleidsregel heeft tot doel om in uitzonderlijke gevallen in afwijking van het Bvr een tijdelijk hoger voorschot te kunnen verlenen aan advocaten die als gevolg van vertragingen in de afhandeling van aanvragen of procedures door een bestuursorgaan of een gerechtelijke instantie in liquiditeitsproblemen zijn gekomen.
1. Het bestuur kan in afwijking van artikel 35, eerste lid Bvr in de eerste maand van elk kwartaal een voorschot verlenen aan de advocaat die voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. op minimaal tien van de aan de advocaat afgegeven toevoegingen in de periode genoemd in artikel, 5 eerste lid is sprake van een vertraging van minimaal een half jaar in de afhandeling van aanvragen of procedures door een bestuursorgaan of een gerechtelijke instantie;
b. de vertraging is veroorzaakt door een verstoring in de werkprocessen bij de onder a. genoemde instanties;
c. de vertraging is minder dan één jaar voorafgaand aan de aanvraag genoemd in artikel 4 ontstaan;
d. als gevolg van de vertraging kan de advocaat deze toevoegingen niet ter declaratie bij de Raad indienen omdat niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 28, eerste lid Bvr en;
e. de advocaat beschikt als gevolg van de omstandigheden genoemd onder a. tot en met d. over onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen om aan de financiële verplichtingen verbonden aan diens kantoor te kunnen voldoen.
2. Geen voorschot kan worden aangevraagd indien de advocaat of het kantoor:
a. getroffen is door een conservatoir of executoriaal beslag;
b. in staat van faillissement verkeert;
c. surséance van betaling is verleend; of
d. toevoegingsvergoedingen heeft gecedeerd aan een derde.
1. De advocaat dient de aanvraag tot verlening van een voorschot bedoeld in artikel 3 per e-mail in bij de Raad.
2. De aanvraag bevat een verklaring van de advocaat dat de in artikel 3 genoemde omstandigheden op hem van toepassing zijn alsmede een motivering waarbij de advocaat aannemelijk maakt dat die omstandigheden op hem van toepassing zijn.
3. Indien de aanvraag niet volledig is, stelt het bestuur de advocaat in de gelegenheid om de aanvraag binnen vier weken aan te vullen. De beslistermijn op de aanvraag wordt gedurende deze periode opgeschort.
1. In afwijking van artikel 35, tweede lid Bvr is de hoogte van het kwartaalvoorschot gelijk aan 75 procent van het door de minister vast te stellen normbedrag vermenigvuldigd met een vierde deel van het aantal toevoegingen dat aan de advocaat is afgegeven in de periode van de eerste dag van de maand van het jaar voorafgaand aan de maand waarin het verzoek wordt gedaan tot de eerste dag van de maand in de maand waarin het verzoek wordt gedaan.
2. In afwijking van artikel 35, vierde lid, eerste volzin Bvr bedraagt het voorschot ten hoogste 75 procent van het door de minister te bepalen bedrag.
1. Het voorschot wordt toegekend voor een periode van één jaar (vier kwartalen).
2. De toekenning van het voorschot kan jaarlijks op verzoek van de advocaat na afloop van de periode genoemd in het eerste lid worden verlengd met één jaar indien de omstandigheden, genoemd in artikel 3, eerste lid nog steeds van toepassing zijn. Artikel 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing voor de verlenging van het voorschot.
3. Indien gedurende de periode genoemd in het eerste lid blijkt dat de omstandigheden, genoemd in artikel 3, eerste lid, niet meer van toepassing zijn, meldt de advocaat dit onverwijld aan de Raad. De Raad beëindigt dan de toekenning van het voorschot met ingang van het eerstvolgende kwartaal.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Hertogenbosch, 11 december 2025
I.D. Nijboer Algemeen directeur/bestuurder Raad voor Rechtsbijstand
De Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de RvR) ontvangt incidenteel signalen van ingeschreven advocaten die in liquiditeitsproblemen komen door een verstoring in werkprocessen bij een overheidsorganisatie. Het gaat in dergelijke gevallen om een vertraging in de afhandeling van een substantieel aantal aanvragen of procedures door een bestuursorgaan of de rechtbank waardoor de advocaat gedurende langere tijd geen rechtsbijstand kan verrichten op die toevoegingen en de toevoegingen niet bij de Raad kan declareren. Een advocaat mag immers de toevoeging pas indienen ter declaratie bij de RvR nadat de rechtsbijstand is beëindigd. (Artikel 28, eerste lid Bvr).
In het bijzonder vallen te noemen plotseling ontstane achterstanden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en bij de Belastingdienst in het kader van de herstelregelingen toeslagen. Het gaat in dergelijke gevallen om externe oorzaken, gelegen buiten de beïnvloedingssfeer van de advocaat.
De RvR heeft de wens om in deze gevallen maatwerk te kunnen leveren door een hoger, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna Bvr) afwijkend, voorschot te kunnen verstrekken aan deze advocaten. Gelet op het dalend aanbod aan sociaal advocaten is het van belang om de advocaten binnen het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand te behouden.
In artikel 35 van het Bvr is opgenomen dat de RvR aan de ingeschreven advocaat een kwartaalvoorschot kan toekennen.1 De hoogte van dat kwartaalvoorschot is gelijk aan 10% van een jaarlijks door de minister te bepalen normbedrag vermenigvuldigd met een kwart van het aantal aan de advocaat over een referteperiode van het voorafgaande jaar afgegeven toevoegingen.2 Dit voorschot wordt dan vervolgens ieder kwartaal verrekend met de toegekende vergoedingen binnen de rekening-courant verhouding tussen de RvR en de advocaat.
Op dit moment kan de RvR enkel in negatieve zin afwijken van het voorschotbedrag.3 Gelet op de hierboven genoemde signalen is het echter wenselijk dat de RvR in uitzonderlijke gevallen ook in positieve zin kan afwijken van het voorschotbedrag.
Om die reden heeft de RvR na afstemming met de NOvA aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming voorgesteld om artikel 36 van het Bvr te wijzigen zodat de RvR in uitzonderlijke gevallen in positieve zin kan afwijken van de voorschotregeling zoals deze in artikel 35 van het Bvr is bepaald. De staatssecretaris heeft dit voorstel overgenomen. In een nieuw derde lid van artikel 36 Bvr is met ingang van 1 februari 2026 opgenomen dat de RvR beleidsregels opstelt omtrent het toekennen van een ander voorschot in uitzonderlijke gevallen in afwijking van artikel 35 Bvr waarbij de RvR deze beleidsregels vermeldt in het jaarverslag.4 Met deze beleidsregel geeft de RvR hieraan vorm. In de toelichting bij de wijziging van het Bvr is verder bepaald dat de RvR maximaal een kwartaalvoorschot kan toekennen tot 75% van het door de minister vast te stellen normbedrag.
Het afwijken van de voorschotregeling op grond van deze beleidsregel is voorbehouden voor situaties waarin advocaten binnen het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand als gevolg van vertraging in de afhandeling van aanvragen of procedures bij een bestuursorgaan of een gerechtelijke instantie toevoegingen niet kunnen declareren en daardoor in liquiditeitsproblemen verkeren. Het gaat hier om uitzonderlijke gevallen waarbij advocaten door externe omstandigheden gelegen buiten hun invloedssfeer geen rechtsbijstand kunnen verlenen,
Er moet daarbij sprake zijn van een vertraging van minimaal een half jaar in de afhandeling van aanvragen of procedures door een bestuursorgaan of een gerechtelijke instantie op minimaal 10 aan de advocaat afgegeven toevoegingen in de referteperiode genoemd in artikel 5, eerste lid. De vertraging moet het gevolg zijn van een verstoring in de werkprocessen van het bestuursorgaan of de gerechtelijke instantie.
De RvR zal als richtlijn bij de vertraging hanteren de wettelijke beslistermijnen in de afhandeling van aanvragen of procedures door een bestuursorgaan of een gerechtelijke instantie, de redelijke beslistermijnen (die bij de rechtbanken kunnen verschillen per arrondissement) en de gemiddelde feitelijke beslistermijnen, voor zover deze bekend zijn.
Een dergelijke vertraging zal aannemelijk zijn als de feitelijke gemiddelde beslistermijnen als gevolg van de verstoring in de werkprocessen een half jaar langer zal zijn dan de van toepassing zijnde wettelijke beslistermijnen. Daarbij wordt uitgegaan van de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijnen, of indien deze niet zijn vastgesteld, de beslistermijnen in de Algemene wet bestuursrecht.
De vertraging moet verder niet langer dan één jaar voorafgaand aan de aanvraag tot verlening van het voorschot zijn ontstaan. Als de vertraging langer geleden is ontstaan, is te verwachten dat de advocaat in de bedrijfsvoering van diens kantoor hier reeds zelf maatregelen op heeft kunnen nemen en ook dat de in de voorgaande jaren afgegeven toevoegingen als gevolg van de vertraging inmiddels wel ter declaratie kunnen worden ingediend. Dergelijke omstandigheden vallen onder het ondernemersrisico.
Het moet verder bij de advocaat gaan om een substantieel aantal toevoegingen.
Als het slechts om een gering aantal toevoegingen gaat, is immers niet aannemelijk dat de advocaat daardoor in liquiditeitsproblemen is gekomen. Ook is het voor toepassing van de beleidsregel van belang dat de advocaat in zekere mate actief is binnen de gesubsidieerde rechtsbijstand. Aan de advocaat moeten daarom in het jaar voorafgaand aan de aanvraag minimaal tien toevoegingen zijn afgegeven waarop door deze omstandigheden geen rechtsbijstand verricht kan worden. Tien toevoegingen staan -uitgaande van een gemiddelde vergoeding van circa € 1.200 exc. btw per toevoeging- grofweg voor een financieel belang van € 12.000 exc. btw.
De advocaat moet verder als gevolg van deze externe omstandigheden de zaak niet kunnen afronden waardoor niet voldaan wordt aan de eis in artikel 28, eerste lid Bvr en de waardoor de declaratie niet bij de RvR kan worden ingediend.
De advocaat is tot slot als gevolg van deze omstandigheden in liquiditeitsproblemen gekomen: de advocaat beschikt daarbij over onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen om aan de financiële verplichtingen verbonden aan diens kantoor te kunnen voldoen.
Het voorschot wordt verleend voor de periode van één jaar (vier kwartalen). Na afloop van deze periode moet de advocaat, als de omstandigheden op grond waarvan het voorschot was verleend nog steeds van toepassing zijn, gemotiveerd om verlenging van het voorschot verzoeken. Als de advocaat niet verzoekt om verlenging, stopt het voorschot en vinden weer wekelijks betalingen voor verleende rechtsbijstand plaats of wordt het reguliere voorschot op grond van artikel 35 Bvr toegekend.
Deze beleidsregel beoogt uitsluitend af te wijken van het bepaalde in artikel 35, tweede en vierde lid Bvr ten behoeve van de advocaten zoals omschreven in deze regeling. De overige bepalingen uit het Bvr met betrekking tot bevoorschotting (artikel 35 tot en met 38 Bvr, paragraaf 3) voor zover daarvan in deze beleidsregel niet wordt afgeweken zijn onverminderd van toepassing. Daarnaast zijn de bepalingen in artikel 4:95 en 4:96 Algemene Wet bestuursrecht van toepassing.
In het geval er in een verzoek sprake is van zeer uitzonderlijke andere omstandigheden buiten de invloedssfeer van de advocaat, waarvan niet gevergd kan worden dat deze onder het ondernemersrisico zouden moeten vallen en die niet genoemd zijn in deze beleidsregel, maar wel vergelijkbaar zijn met de omstandigheden in deze beleidsregel, dan kan de RvR besluiten om deze beleidsregel voor dat concrete geval analoog toe te passen.
De RvR is voornemens om op korte termijn een beleidsregel op te stellen over het verstrekken van een van artikel 35 Bvr afwijkend voorschot aan startende advocaten. Het is niet mogelijk om zowel een beroep te doen op die beleidsregel als op de tijdelijke beleidsregel voorschot advocaten in liquiditeitsproblemen.
De RvR en de dekens van de orde hebben een convenant gesloten op grond waarvan in een zo vroeg mogelijk stadium informatie wordt uitgewisseld over gedragingen van advocaten die van belang zijn in het kader van het toezicht.5 Zo is in het convenant bepaald dat er informatie uitgewisseld wordt indien er sprake is van zorg over mogelijke financiële problemen bij een kantoor. De RvR zal dan in die gevallen ook de naam en het barkenmerk van advocaten die verzoeken om een voorschot op grond van deze beleidsregel delen met de deken van de orde in het arrondissement waarin de advocaat gevestigd is.
In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die in de beleidsregel worden gehanteerd.
In dit artikel is het doel van de beleidsregel nader omschreven.
In dit artikel staan de voorwaarden omschreven waaraan de advocaat die een voorschot wil ontvangen op grond van deze beleidsregel moet voldoen.
Op het eerste lid van dit artikel is in het algemene deel van de toelichting al in gegaan.
Wanneer het om een advocaat in loondienst gaat, zal de advocaat een verklaring van diens werkgever moeten overleggen waarin de werkgever gemotiveerd aangeeft dat de omstandigheden genoemd in het eerste lid van dit artikel van toepassing zijn.
De RvR kan ter beoordeling van een verzoek via de eigen administratie nagaan hoeveel toevoegingen aan de advocaat in de afgelopen jaren zijn afgegeven en hoeveel daarvan al dan niet ter declaratie zijn ingediend.
Het voorschot op grond van deze beleidsregel treedt in de plaats van het voorschot uit artikel 35 Bvr. Het is dus niet mogelijk om zowel te verzoeken om een voorschot op grond van artikel 35 Bvr als om een voorschot op grond van deze beleidsregel.
In het tweede lid is bepaald dat een voorschot op grond van deze beleidsregel niet kan worden aangevraagd in het geval van conservatoir of executoriaal beslag, faillissement, surséance van betaling of cessie van toevoegingsvergoedingen.
In het laatste geval ontvangt de advocaat al een voorschot via de cessionaris en moet de RvR de toevoegingsvergoeding aan de cessionaris voldoen, zodat verrekening daarvan met het voorschot van de RvR niet mogelijk is.
Dit artikel regelt de wijze waarop de advocaat het voorschot kan aanvragen en de termijn die gesteld wordt om de aanvraag aan te vullen. De advocaat dient het verzoek in bij de afdeling Financiën van de RvR.
Dit artikel bepaalt op welke wijze afgeweken wordt van het bepaalde in artikel 35, tweede en vierde lid Bvr 2000. In afwijking van die artikelen bedraagt allereerst het kwartaalvoorschot op grond van deze beleidsregel 75% van het normbedrag van Onze Minister, zoals ieder jaar opnieuw bepaald in een ministeriele regeling.6 Voor 2026 is het normbedrag per kwartaal bepaald op € 1.093 en het normbedrag voor het maximum voorschot op € 67.200. Op grond van deze beleidsregel bedraagt het normbedrag per kwartaal dus 75% van € 1.093 = € 819,75. Het maximum normbedrag op grond van deze beleidsregel is dus 75% van € 67.200 = € 50.400.
In afwijking van artikel 35, tweede lid Bvr wordt verder de hoogte van dit kwartaalvoorschot vermenigvuldigd met een vierde deel van het aantal toevoegingen dat aan de advocaat is afgegeven in de periode van de eerste dag van de maand van het jaar voorafgaand aan de maand waarin het verzoek wordt gedaan tot de eerste dag van de maand in de maand waarin het verzoek wordt gedaan. Er is hierbij gekozen voor een referteperiode die dicht ligt op het moment waarop de aanvraag tot verlening van het voorschot wordt gedaan om zo flexibel in te kunnen spelen op de liquiditeitsproblemen die spelen.
Als het verzoek bijvoorbeeld wordt gedaan op 15 februari 2026, dan gaat de RvR uit van het aantal aan de advocaat afgegeven toevoegingen van 1 februari 2025 tot 1 februari 2026.
De omstandigheden op grond waarvan het voorschot is verleend, zullen in veel gevallen van tijdelijke aard zijn. Het is immers goed denkbaar dat de achterstanden in de afhandeling van aanvragen en procedures bij bestuursorganen en gerechtelijke instanties kunnen afnemen. Het uitgangspunt van deze beleidsregel is verder zoals in het algemene deel van de toelichting reeds aangegeven, dat het moet gaan om een vertraging die minder dan één jaar geleden is ontstaan. Om die reden wordt het hogere voorschot, tijdelijk, voor de duur van één jaar (vier kwartalen) toegekend. Na afloop van deze periode moet de advocaat bij de RvR om verlenging van het voorschot verzoeken en daarbij gemotiveerd aangeven dat alle omstandigheden op grond waarvan het voorgaande hogere voorschot is verleend, nog steeds van toepassing zijn. Dit zal in beginsel slechts het geval kunnen zijn indien de hiervoor genoemde achterstanden verder zijn toegenomen sinds de aanvraag van het voorgaande voorschot.
De omstandigheden op grond waarvan het voorschot is verleend, kunnen zich ook gedurende de periode van 1 jaar dat het voorschot wordt toegekend, reeds niet meer voordoen. De advocaat is gehouden hiervan melding te maken bij de RvR, waarna de RvR het voorschot op grond van deze beleidsregel beëindigt met ingang van het eerstvolgende kwartaal.
Tot 2008 was de hoogte van het kwartaalvoorschot nog 100% van dit bedrag. In 2008 is het verlaagd naar 75% en in 2010 verder verlaagd naar 10%. De hoogte van het kwartaalvoorschot is destijds verlaagd in verband met de gestegen frequentie van uitbetaling van vergoedingen aan advocaten.
Tot 2008 was de hoogte van het kwartaalvoorschot nog 100% van dit bedrag. In 2008 is het verlaagd naar 75% en in 2010 verder verlaagd naar 10%. De hoogte van het kwartaalvoorschot is destijds verlaagd in verband met de gestegen frequentie van uitbetaling van vergoedingen aan advocaten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-14401.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.