Tijdelijke Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 23 april 2026, nr. IENW/BSK-2026/68755, houdende regels voor het verstrekken van een specifieke uitkering ter stimulering van de realisatie van Clean Energy Hubs (Tijdelijke regeling specifieke uitkering Clean Energy Hubs 2026–2030) [KetenID WGK028222]

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 4, eerste en tweede lid, en 5, onderdelen a tot en met h, van de Kaderwet subsidies I en M en artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Clean Energy Hub:

een openbaar toegankelijke tank-, laad- of bunkerfaciliteit voor de weg of binnenvaart die minimaal één hernieuwbare brandstof en minimaal één zero-emissie energiedrager aanbiedt;

compensabele btw:

verschuldigde omzetbelasting die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds in aanmerking komt voor compensatie;

goederenvervoer corridorprovincie:

Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Zuid-Holland, Noord-Holland en Gelderland;

learning community:

samenwerkingsverband waarin het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de goederenvervoer corridorprovincies en de niet-goederenvervoer corridorprovincies samenwerken aan de uitrol van Clean Energy Hubs;

niet-goederenvervoer corridorprovincie:

Utrecht, Flevoland, Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland;

minister:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

verrekenbare btw:

verschuldigde omzetbelasting die op grond van de Wet op de Omzetbelasting 1968 in aanmerking komt voor verrekening;

voertuigcategorie:

voertuigcategorie als bedoeld in Verordening (EU) 2018/858;

zwaar wegtransport:

voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, die vallen onder de voertuigcategorieën M2, M3, N2 en N3.

Artikel 2 Toepasselijkheid Kaderbesluit subsidies I en M

De artikelen 6, eerste en vierde lid, 8, eerste en derde lid, aanhef en onderdelen a, b en e, 10, 11, 12, aanhef en onderdelen b tot en met i en k, 14, eerste en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, e en f, en tweede lid, 18, 21, 22, 23, eerste lid, en 24, eerste lid van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing op een uitkering die op grond van deze regeling wordt verstrekt.

Artikel 3 Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel provincies te stimuleren de realisatie van Clean Energy Hubs te versnellen, en daarmee bij te dragen aan de verduurzaming van zwaar wegtransport en de binnenvaart.

Artikel 4 Activiteiten

  • 1. De minister kan op aanvraag van een goederenvervoer corridorprovincie of een niet-goederenvervoer corridorprovincie een uitkering verstrekken voor het uitvoeren van een subsidieregeling voor:

    • a. de realisatie van openbaar toegankelijke Clean Energy Hubs; en

    • b. de uitvoering van haalbaarheidsonderzoeken ten behoeve van de realisatie van Clean Energy Hubs.

  • 2. De minister kan op aanvraag van de provincie Gelderland een uitkering verstrekken voor:

    • a. de organisatie van de learning community;

    • b. het coördineren van de uitrol van Clean Energy Hubs in een vooroverleg.

Artikel 5 Kosten die in aanmerking komen voor een uitkering

  • 1. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, komen voor een uitkering in aanmerking de uitgaven op grond van de subsidieregeling en de uitvoeringskosten van de subsidieregeling, waarbij geldt dat een ontvanger maximaal 5 procent van het toegekende bedrag kan benutten voor de uitvoeringskosten van de subsidieregeling.

  • 2. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4, tweede lid, komen voor een uitkering in aanmerking de uitgaven die direct verbonden zijn met de uitvoering van die activiteiten en de uitgaven ten behoeve van de inzet van een projectleider en een business developer voor de looptijd van de regeling;

  • 3. Kosten die niet in aanmerking komen voor uitkering zijn verrekenbare btw en compensabele btw.

Artikel 6 Uitkeringsplafond, hoogte en wijze van verdeling

  • 1. Het uitkeringsplafond bedraagt € 20.790.000, inclusief compensabele btw.

  • 2. De minister verdeelt het bedrag tussen de goederenvervoer corridorprovincies en de niet-goederenvervoer corridorprovincies, waarbij maximaal € 2.000.000 per goederenvervoer corridorprovincie beschikbaar is en maximaal € 1.361.050 per niet-goederenvervoer corridorprovincie voor de gehele looptijd van deze regeling.

  • 3. Met betrekking tot de uitvoering van de in artikel 4, eerste lid, genoemde activiteiten is sprake van een cofinanciering door de provincies van 50%.

  • 4. In aanvulling op het tweede lid bedraagt de uitkering voor de goederenvervoer corridorprovincie Gelderland naast het maximale bedrag, genoemd in het tweede lid, een bedrag van € 623.700 voor de activiteiten, genoemd in artikel 4, tweede lid, en de kosten, genoemd in artikel 5, tweede lid.

Artikel 7 Aanvraag

  • 1. De minister kan op aanvraag een uitkering verstrekken.

  • 2. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 1 mei 2026, 9:00 uur, tot en met 31 december 2026, 12:00 uur.

  • 3. Een aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a. de gegevens van de aanvrager;

    • b. het bedrag van de aangevraagde uitkering;

    • c. het bankrekeningnummer waarop het bedrag kan worden overgemaakt, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat;

    • d. de onderbouwing van de cofinanciering voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4, eerste lid;

    • e. een opgave van de bedragen aan verrekenbare btw en compensabele btw die samenhangen met de besteding van de uitkering;

    • f. de tijdplanning van de activiteit;

    • g. een provinciale subsidieregeling, of concept daarvan dat aansluit bij de doelstelling van deze specifieke uitkering conform artikel 3 en de activiteiten, bedoeld in artikel 4, eerste lid.

Artikel 8 Verlening

  • 1. Een besluit tot verlening vermeldt in elk geval:

    • a. de activiteiten waarvoor de uitkering wordt verleend;

    • b. het bedrag van de uitkering;

    • c. de periode waarvoor de uitkering wordt verleend; en

    • d. het bedrag dat betrekking heeft op de compensabele btw-component en dat is toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds.

  • 2. Het bedrag van de uitkering wordt niet geïndexeerd.

Artikel 9 Verplichtingen ontvanger

  • 1. Ontvangers met hoofdvaarwegen, te weten alle provincies met uitzondering van Drenthe, dienen ten minste 50% van het uitkeringsplafond in te zetten voor de realisatie van openbaar toegankelijke Clean Energy Hubs ten behoeve van verduurzaming van de binnenvaart.

  • 2. Indien de uitkering op 1 juni 2028 nog niet volledig is benut, kan een ontvanger dit gedeelte van de uitkering, in afwijking van het eerste lid, alsnog ook inzetten voor de realisatie van openbaar toegankelijke Clean Energy Hubs ten behoeve van de verduurzaming van zwaar wegtransport.

Artikel 10 Bevoorschotting en betaling

Gelijktijdig met de beschikking tot verlening van de uitkering verleent de minister een voorschot van 100% van de uitkering.

Artikel 11 Verantwoording

  • 1. De ontvanger legt verantwoording af over de besteding van de uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

  • 2. De verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval het bedrag aan subsidies dat de ontvanger heeft verleend.

Artikel 12 Vaststelling

  • 1. De minister stelt de uitkering vast op 31 december van het jaar waarin de laatste verantwoording, bedoeld in artikel 11, heeft plaatsgevonden.

  • 2. De uitkering kan op een lager bedrag worden vastgesteld, indien:

    • a. de werkelijke kosten lager zijn dan het verleende bedrag;

    • b. de uitkering anderszins niet of niet volledig overeenkomstig het doel van deze regeling is besteed; of

    • c. niet of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, of de verantwoording, bedoeld in artikel 11.

  • 3. De minister kan onverschuldigd betaalde uitkeringen en voorschotten terugvorderen, voor zover na de dag waarop de uitkering is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken.

Artikel 13 Inwerkingtreding en horizonbepaling

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2026.

  • 2. Deze regeling vervalt op 1 mei 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op uitkeringen die voor die datum zijn aangevraagd, verleend of vastgesteld.

Artikel 14 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling specifieke uitkering Clean Energy Hubs 2026–2030.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans

TOELICHTING

Algemeen

1. Aanleiding, noodzaak en doel van de specifieke uitkering

Nederland werkt toe naar een klimaatneutraal mobiliteitssysteem in 2050. Daarbij wordt ingezet op ‘emissievrij aan de uitlaat’ voor personenvervoer, goederenvervoer en mobiliteit in de bouw. Zo wordt niet alleen klimaatverandering aangepakt op de meest energie-efficiënte manier, maar wordt ook milieuschade op andere vlakken significant teruggedrongen en wordt de leefbaarheid verbeterd. Emissievrije mobiliteit vraagt om een dekkende laad- en tankinfrastructuur voor emissievrije voertuigen. Daar waar verbrandingsmotoren nog onvermijdelijk zijn, wordt er ingezet op hernieuwbare brandstoffen (zoals biobrandstoffen) ter vervanging van fossiele brandstoffen.

Om deze verduurzamingsslag te ondersteunen, werken provincies samen in een learning community Clean Energy Hubs. De learning community is een samenwerkingsverband van de twaalf provincies en het Rijk (Rijkswaterstaat/IenW) met als doel het ontwikkelen van kansrijke locaties voor duurzame laad- en tankinfrastructuur op de weg en aan het water. De partijen van de learning community delen informatie, werken gezamenlijk aan ondersteunende documenten en tools om deze locaties kostenefficiënt in te richten en af te stemmen op de behoeften vanuit de markt. Zo is er gezamenlijk een locatietool ontwikkeld om kansrijke locaties voor duurzame laad- en tankinfrastructuur voor weg/water te identificeren en zijn haalbaarheidsonderzoeken uitgevoerd naar specifieke locaties. De learning community komt ongeveer 10 keer per jaar bij elkaar.

In verschillende bestuurlijke overleggen MIRT1 zijn door provincies en Rijksoverheid afspraken gemaakt over de uitrol van Clean Energy Hubs. Uitgangspunt daarbij is cofinanciering van 50% vanuit de betrokken provincies. In het directieoverleg van de goederenvervoercorridors van 8 oktober 2024 werd het besluit genomen hiervoor een regeling op te stellen om de provincies een specifieke uitkering (hierna: SPUK) te kunnen verstrekken en daarmee enkele uitgangspunten aan hen mee te kunnen geven. Deze voorwaarden zien op de prioritaire uitrol van projecten ten behoeve van het realiseren van een dekkend netwerk van zero-emissie laad- en tankinfrastructuur langs het netwerk met de grootste vervoersstromen. Middelen kunnen echter in alle provincies ingezet worden. Daarmee draagt de uitrol van Clean Energy Hubs bij aan de doelstellingen (bindende streefcijfers) zoals opgenomen in de Verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU (hierna: AFIR).

De Ministerraad is op 14 november 2025 akkoord gegaan met het toekennen van de onderhavige SPUK.2

De specifieke uitkering ter stimulering van de realisatie van Clean Energy Hubs wordt verstrekt vanuit een begrotingsfonds (Mobiliteitsfonds) waardoor het juridisch (nog) niet mogelijk is om deze middelen op een andere manier te verstrekken dan via een specifieke uitkering. Uitgaven uit een begrotingsfonds zijn conform de Comptabiliteitswet wettelijk gebonden aan een vastgelegd bestedingsdoel.

2. Verhouding tot bestaande regelgeving

Op grond van deze ministeriële regeling kunnen specifieke uitkeringen aan provincies worden verstrekt. Op specifieke uitkeringen is de Financiële-verhoudingswet van toepassing. In artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet staat dat specifieke uitkeringen worden geregeld bij of krachtens de wet. Deze wettelijke grondslag wordt geboden in de Kaderwet subsidies I en M. Op grond van artikel 2 van die wet is ook titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing op deze regeling, omdat sprake is van financiële middelen die worden verstrekt aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld, zoals de ontvangers van deze regeling. In titel 4.2 van de Awb zijn bepalingen opgenomen die relevant zijn of kunnen zijn op het gebied van bijvoorbeeld de vaststelling (artikel 4:46 Awb) en terugvordering (4:57 Awb). Verder is een aantal artikelen uit het Kaderbesluit subsidies IenM (hierna: Kaderbesluit) van overeenkomstige toepassing verklaard.

Per 1 juli 2021 is de Wet Mobiliteitsfonds in werking getreden. De uitkering die op grond van deze regeling kan worden toegekend, valt onder artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van die wet. In artikel 7, eerste lid, van de Wet Mobiliteitsfonds, is bepaald dat hoofdstuk 3 van de Financiële verhoudingswet onverminderd van toepassing blijft op een uitkering aan provincies en gemeenten.

Europeesrechtelijke aspecten

De provincies krijgen een SPUK voor het uitvoeren van een subsidieregeling voor de realisatie van Clean Energy Hubs en de uitvoering van haalbaarheidsonderzoeken ten behoeve van realisatie van Clean Energy Hubs. De SPUK draagt daarmee bij aan de realisatie van de doelstellingen zoals opgenomen in de AFIR. De provinciale subsidieregelingen worden door provincies apart getoetst op mogelijke staatssteunelementen.

3. Bestuurlijke lasten

De verantwoording over de besteding van de specifieke uitkering op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet verloopt via de jaarrekening van de provincie en de systematiek van ‘single information, single audit’ (SiSa-systematiek). Dit leidt tot de laagste uitvoeringslasten voor zowel de ontvangers als voor de Rijksoverheid.

4. Financiële gevolgen Rijksoverheid

Vanuit het Mobiliteitsfonds is een bedrag van € 20.790.000 beschikbaar gesteld voor het realiseren van Clean Energy Hubs. Er is sprake van een 50/50 cofinanciering vanuit het Rijk en de provincies. Hierbij komt het totale beschikbaar gestelde bedrag uit op € 41.580.000. Er is een prioritaire uitrol in de corridorprovincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg in de vorm van een hogere uitkering om daarmee bij te dragen aan de overkoepelende doelstelling van de goederenvervoercorridors die de basis vormen voor de logistieke toppositie van Nederland.

5. Consultatie

De regeling is voor consultatie voorgelegd aan de betrokken provincies in het directeurenoverleg van het programma van de goederenvervoercorridors (GVC).

De onderhavige regeling brengt geen significante verandering in de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen met zich mee en heeft ook geen grote gevolgen voor de uitvoeringspraktijk. Overeenkomstig het kabinetsstandpunt inzake internetconsultatie (Kamerstukken II 2009/10, 29 279, nr. 114 en Kamerstukken II 2012/13, 29 362, nr. 224) is internetconsultatie daarom achterwege gebleven.

6. Uitvoeringslasten

Het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) toetst regeldrukeffecten.

Regeldrukeffecten zien op investeringen en inspanningen die bedrijven, instellingen zonder winstoogmerk, burgers, vrijwilligers, en beroepsbeoefenaren in onder meer de sectoren zorg, onderwijs, veiligheid en sociale zekerheid, moeten doen respectievelijk verrichten om zich aan wet- en regelgeving te houden, bestaande uit regeldrukkosten en ervaren regeldruk.

Omdat geen sprake is van regeldrukeffecten als bedoeld in artikel 1 van de Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk (de onderhavige regeling ziet op provincies) is deze regeling niet voorgelegd aan het ATR. De regeling is gericht op een financiële relatie tussen overheden, heeft geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven en daarmee ook geen gevolgen voor de regeldruk.

Het indienen van een aanvraag en de verantwoording over een verstrekte uitkering brengen wel uitvoeringslasten voor de provincies met zich mee. Die lasten zijn zo laag mogelijk gehouden. De bij de aanvraag over te leggen gegevens zijn de minimaal benodigde gegevens om de aanvraag te kunnen beoordelen en de uitkering te kunnen verstrekken. De gevraagde subsidieregeling wordt door de provincies primair voor eigen gebruik opgesteld. De verantwoording vloeit volledig voort uit de van toepassing zijnde Financiële-verhoudingswet en de vaststelling van de subsidie vindt ambtshalve plaats.

7. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2026. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en de minimum invoeringstermijn, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep (provincies) gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding. De provincies zijn tijdens het opstellen van deze regeling betrokken. De regeling vervalt op 1 mei 2031.

Artikelsgewijs

Artikel 2 Toepasselijkheid Kaderbesluit subsidies I en M

Op grond van artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit worden artikelen van dat besluit van overeenkomstige toepassing verklaard op de onderhavige regeling voor het verlenen van rijksbijdragen aan rechtspersonen die krachtens publiek recht zijn ingesteld. Op deze manier kan het reguliere stramien voor de verlening van subsidies voor alle ontvangers worden aangehouden.

In dit artikel is geregeld welke artikelen van het Kaderbesluit van overeenkomstige toepassing zijn. Het betreft de artikelen met betrekking tot de subsidiabele kosten (artikel 6, eerste en vierde lid, Kaderbesluit), het subsidieplafond en de wijze van verdelen (artikel 8, derde lid, aanhef en onderdelen a, b en e, Kaderbesluit), de aanvraag (artikel 10 Kaderbesluit), de afwijzingsgronden (artikelen 11 en 12, aanhef en onderdelen b tot en met i en k, Kaderbesluit), subsidieverstrekking (artikel 14, eerste en vierde lid, Kaderbesluit), de verplichtingen van de ontvanger (artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, e en f, en tweede lid, Kaderbesluit), de verplichtingen van de ontvanger (artikelen 18, 21 en 22, Kaderbesluit), de bevoorschotting (artikel 23, eerste lid, Kaderbesluit), en de vaststelling (artikel 24, eerste lid, Kaderbesluit.

Artikel 4 Activiteiten

eerste lid

De goederenvervoer corridorprovincies en niet-goederenvervoer corridorprovincies kunnen op basis van dit lid een aanvraag indienen bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor een bijdrage om vervolgens zelf op basis van een subsidieregeling subsidie te verstrekken voor de realisatie van Clean Energy Hubs en de uitvoering van haalbaarheidsonderzoeken ten behoeve van de realisatie van Clean Energy Hubs. Bij de aanvraag tot verstrekking van het gereserveerde budget dient de provinciale subsidieregeling bijgevoegd te worden.

tweede lid

In vervolg op haar rol als trekker van de werkgroep Clean Energy Hubs zal de provincie Gelderland ook tijdens de looptijd van de onderhavige regeling de in het tweede lid genoemde, overkoepelende, coördinerende activiteiten op zich nemen.

Artikel 5 Kosten die in aanmerking komen voor een uitkering

eerste lid

Gelet op artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit komen voor de uitkering in aanmerking de gemaakte kosten die direct verbonden zijn met de activiteiten ter uitwerking en realisatie van activiteiten zoals beschreven in artikel 4, eerste lid. Het gaat daarbij zowel om kosten voor het uitvoeren van de subsidieregeling als om de budgetten die de ontvanger in de regeling beschikbaar stelt.

tweede lid

Gelet op artikel 6, eerste en zesde lid, van het Kaderbesluit komen voor de uitkering in aanmerking de gemaakte kosten die direct verbonden zijn met de activiteiten ter uitwerking en realisatie van activiteiten zoals beschreven in artikel 4, tweede lid en de kosten die zijn verbonden aan het inzetten van een projectleider en een business developer.

derde lid

Btw die de ontvanger terug kan krijgen via de btw-aangifte (verrekenbare btw) of kan declareren bij het BTW-compensatiefonds (compensabele btw) komt niet voor een specifieke uitkering in aanmerking.

Artikel 6 Uitkeringsplafond, hoogte en wijze van verdeling

eerste lid

De plafonds genoemd in dit lid zijn de maximale bedragen die beschikbaar worden gesteld voor het verstrekken van uitkeringen op basis van deze regeling. Deze bedragen zijn inclusief de compensabele btw die de minister na honorering van een aanvraag naar het BTW-compensatiefonds overmaakt. Het uitkeringsplafond is dus inclusief compensabele btw: dat bedrag correspondeert daardoor met het totale beschikbare budget voor de regeling. Verrekenbare btw blijft bij dit budget buiten beschouwing, aangezien deze kosten niet tot het budget voor deze regeling behoren.

Btw komt niet voor uitkering in aanmerking. Zie ook artikel 6, tweede lid: de uitkering is altijd exclusief btw.

tweede lid

Op grond van het eerste lid is de uitkering altijd exclusief btw. Voor compensabele btw geldt dat de ontvanger deze kan declareren bij het BTW-compensatiefonds. Daarmee is het totale bedrag van de hoogte van de uitkering, bedoeld in deze leden, de uitkering vermeerderd met compensabele btw. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, wordt in de verlening het bedrag vermeld dat betrekking heeft op de compensabele btw-component en dat is toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds. Daarmee is dit voor de ontvanger van de uitkering inzichtelijk. Verrekenbare btw is in de beschikking niet apart opgenomen. Dit, omdat deze kosten niet alleen niet voor subsidie in aanmerking komen, maar ook niet tot het budget voor de regeling behoren.

Artikel 7 Aanvraag

In dit artikel worden enkele zaken rondom de aanvraag om uitkering geregeld.

derde lid

Met de gegevens van de aanvrager wordt gedoeld op gegevens die de aanvraag op grond van artikel 4:2, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht in ieder geval dient te bevatten, zijnde de naam en het adres van de aanvrager. Deze gegevens zijn noodzakelijk om de subsidie te kunnen verstrekken en ook proportioneel. De gegevens worden alleen gebruikt voor het behandelen van de aanvraag. De grondslag voor het verwerken van deze gegevens is gelegen in de Algemene wet bestuursrecht. Ten aanzien van deze regeling is dan ook geen DPIA opgesteld en de Regeling is niet voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens.

Het budget dat een ontvanger met de subsidieregeling openstelt, bestaat deels uit de middelen uit deze uitkering en deels uit een eigen bijdrage (cofinanciering). Gelet op onderdeel d geeft de aanvrager door welk bedrag aan cofinanciering zij beschikbaar stelt met de subsidieregeling die zij gaat uitvoeren.

Onderdeel g bepaalt dat de aanvrager de subsidieregeling meestuurt met de stukken. Dit kan ook het concept voor de regeling zijn.

Artikel 9 Verplichtingen ontvanger

Artikel 2 van deze regeling verklaart de artikelen 17, eerste lid, onder a, b, e en f, en 18 van het Kaderbesluit van toepassing. Gelet op artikel 17 van het Kaderbesluit is de ontvanger naast de verplichtingen, genoemd in artikel 11, verplicht: (a) de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteiten in de beschikking tot verlening van de uitkering of vaststelling van de uitkering; (b) te voldoen aan de verplichtingen die aan de uitkering zijn verbonden; (e) op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking te verlenen aan een ter zake van de toepassing en de effecten van dit besluit of op grond van een ministeriële regeling ingesteld evaluatieonderzoek, die de minister redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoering van dat evaluatieonderzoek; (f) medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de activiteit, tenzij openbaarmaking daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Op grond van het tweede lid van artikel 17 van het Kaderbesluit kan de minister voor het vertragen, essentieel wijzigen of het stopzetten van activiteiten op voorafgaand verzoek ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit. Aan die ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Gelet op artikel 18 van het Kaderbesluit is de ontvanger gehouden om de minister onverwijld mededeling te doen, zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht. Een dergelijke mededelingsverplichting geldt ook als niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

eerste lid

Voor provincies met hoofdvaarwegen geldt dat de helft van de totale middelen bestemd moet zijn voor verduurzaming van de binnenvaart. Door Drenthe lopen geen hoofdvaarwegen, daarom geldt deze verplichting niet voor deze provincie.

Artikel 11 Verantwoording

eerste lid

De ontvanger legt jaarlijks verantwoording af over de besteding van de uitkering conform artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. In artikel 17a van die wet staat een aantal verantwoordingsregels. De belangrijkste is dat gedeputeerde staten de betreffende verantwoordingsinformatie uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar toezendt aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de vorm van een jaarrekening, een jaarverslag, een accountantsverklaring en een verslag van bevindingen.

tweede lid

In de verantwoordingsinformatie die nodig is voor de vaststelling van de uitkering wordt in ieder geval vermeld welk bedrag aan subsidies de ontvanger heeft verleend.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans


X Noot
1

Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT).

X Noot
2

Besluitenlijst van de vergadering gehouden op 14 november 2025, punt 9.


X Noot
1

Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT).

X Noot
2

Besluitenlijst van de vergadering gehouden op 14 november 2025, punt 9.

Naar boven