Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 27 april 2026, nr. WJZ/ 105253431, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies in verband met de invoeging van de subsidiemodule ‘Praktijkontwikkeling van regeneratieve landbouwmethoden’

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op de artikelen 2, 4, 5, eerste en tweede lid, 16, 17, eerste lid, onderdeel a en vierde lid, 19, 23, onderdeel b, 25, 27, 34, 44, tweede lid, en 50, achtste lid van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV- subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Titel 2.6. komt te luiden:

Titel 2.6 Praktijkontwikkeling van regeneratieve landbouwmethoden

Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

bedrijfsgegevens:

gegevens ten aanzien van bodembeheer, gewassen, veehouderij, gebruik van inputs, management, verbredingsactiviteiten, financiën, boekhouding, economische strategie en arbeid;

bedrijfsontwikkelplan:

een door een grondgebonden landbouwonderneming in samenwerking met een onderzoeksorganisatie opgesteld plan met maatregelen voor de omschakeling van de grondgebonden landbouwonderneming naar een regeneratieve landbouwonderneming;

grondgebonden landbouwonderneming:

een landbouwonderneming waarvan de productie afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond van het bedrijf. Het betreft de volgende grondgebonden landbouwondernemingen: akkerbouwer, melkveehouder, vollegronds tuinbouwbedrijf, gemengd bedrijf, agroforestry of permacultuur.

Artikel 2.6.2 Subsidieverstrekking

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een grondgebonden landbouwonderneming voor het op basis van een met een onderzoeksorganisatie gesloten uitvoeringsovereenkomst uitvoeren van een bedrijfsontwikkelplan: het betreft het voor een periode van vier jaar verzamelen van bedrijfsgegevens door middel van het uitvoeren van de in het bedrijfsontwikkelplan beschreven maatregelen en het delen van deze bedrijfsgegevens met de onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.6.3 Subsidiabele kosten

Voor de subsidie als bedoeld in art. 2.6.2 komen uitsluitend personeelskosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking.

Artikel 2.6.4 Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt € 2.400,– per jaar tot een maximum van € 9.600,– per subsidieontvanger.

Artikel 2.6.5 Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 2.6.6 Start- en realisatietermijn
  • 1. Met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten wordt uiterlijk gestart binnen vier weken na de subsidieverlening.

  • 2. De termijn bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is vier jaar na de subsidieverlening.

Artikel 2.6.7 Informatieverplichtingen
  • 1. Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.6.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2. Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens, het bedrijfstype en het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;

    • b. gegevens over de onderzoeksorganisatie waar de aanvrager gegevens mee deelt, waaronder de naam en de vestigingsplaats van de onderzoeksorganisatie;

    • c. een bedrijfsontwikkelplan, waarin ten minste is opgenomen welke bedrijfsgegevens de aanvrager met de onderzoeksorganisatie deelt en met welke frequentie deze gegevens worden gedeeld; en

    • d. een uitvoeringsovereenkomst tussen de aanvrager en een onderzoeksorganisatie, waarin ten minste de uitvoering van het bedrijfsontwikkelplan en de verwerking van bedrijfsgegevens door de onderzoeksorganisatie is geregeld;

Artikel 2.6.8 Ambtshalve vaststelling

De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld.

Artikel 2.6.9 Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.6.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.6.10 Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

B

In artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 5°, wordt ‘bijlage 2.23.1, onderdeel 4’ vervangen door ‘bijlage 2.23.1, onderdeel 3’.

ARTIKEL II

In de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt in de tabel in artikel 1 na de rij met titel 2.5 een rij ingevoegd, luidende:

Titel 2.6. Praktijkontwikkeling van regeneratieve landbouwmethoden

Artikel 2.6.2

   

1-7-2026 t/m 31-8-2026

€ 576.000,–

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 27 april 2026

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Met deze regeling is een subsidiemodule ingevoegd in de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (RNES) voor het subsidiëren van personeelskosten gerelateerd aan het voor een periode van vier jaar verzamelen en delen van bedrijfsgegevens (data) van een grondgebonden landbouwonderneming. Deze data worden gebruikt om inzicht te verkrijgen in de werking van regeneratieve landbouwpraktijken die gericht zijn op het omschakelen van een grondgebonden landbouwonderneming naar een regeneratieve grondgebonden landbouwonderneming. Voorts wordt in deze regeling een technische wijziging doorgevoerd in titel 2.23.

2. Aanleiding en doel

Aanleiding

Regeneratieve landbouw is een verzamelnaam van landbouwpraktijken die niet alleen de negatieve effecten van gangbare praktijken proberen te beperken maar ook een positieve bijdrage leveren aan natuur, milieu, klimaat, voedselzekerheid en sociale omstandigheden. Het startpunt van regeneratieve landbouw is om te werken aan een gezonde, levende bodem en daarmee aan een volhoudbaar ecosysteem waarin alle bodemfuncties zijn geoptimaliseerd: primaire productie, koolstofregulatie, waterhuishouding, nutriëntenkringlopen en biodiversiteit.

Regeneratieve landbouw draagt bij aan het realiseren van de beleidsdoelstellingen van LVVN: Een toekomstbestendige en duurzame voedselproductie, robuuste natuur, vitaal landelijk gebied, en het ondersteunen van de economie van boeren, tuinders en vissers, met nadruk op innovatie, duurzaamheid en de afweging tussen voedselproductie en milieu en natuur.

Het huidig landbouwsysteem werpt barrières op voor de boeren om de transitie te maken naar regeneratieve landbouw. Voor de gemiddelde boer is de overstap naar een regeneratieve manier van werken vaak onhaalbaar door gebrek aan kennis, economisch perspectief of toegang tot werkende voorbeelden.

Vanuit de publiek private samenwerking (PPS) Regeneratieve Landbouw (2018–2022) is in dat kader eerder gestart met een situatieschets van een regeneratief landbouwsysteem in Nederland en zijn er praktijk- en leernetwerken gevormd om regeneratieve landbouwpraktijken in de praktijk toe te passen. Voortbouwend op deze PPS is het Nationaal Groeifondsproject (NGF) Re-Ge-NL opgezet waarbij de lessen en aanbevelingen uit deze PPS meegenomen zijn in de opzet ervan. Het NGF-project Re-Ge-NL beoogt regeneratieve landbouwpraktijken en -producten te ontwikkelen en 1.000 boeren te laten omschakelen om daarmee het omslagpunt in de transitie naar een duurzaam landbouw- en voedselsysteem te versnellen. Hiervoor worden nieuwe regeneratieve bedrijfsmodellen en landbouwpraktijken ontwikkeld en in de praktijk gevalideerd.

Doel van de regeling

Het beschikbaar komen van regeneratieve bedrijfsgegevens (data) is essentieel voor de omschakeling van grondgebonden landbouwondernemingen naar regeneratieve landbouwondernemingen. Boeren die willen omschakelen krijgen hierdoor meer inzicht in de potentiële effecten van hun nieuwe bedrijfsvoering (w.o. opbrengst en kwaliteit van de productie en de bedrijfseconomische gevolgen). Deze data zijn bedrijfsgevoelig en het kost de ondernemer veel tijd om die voor een onderzoeksorganisatie in een geschikte vorm beschikbaar te maken.

Het doel van de subsidiemodule is om de beschikbaarheid van deze data te stimuleren door het financieel ondersteunen van grondgebonden landbouwondernemingen bij het verzamelen en delen van data over hun bedrijfsvoering met een onderzoeksorganisatie in de fase dat zij omschakelen naar een regeneratieve grondgebonden landbouwonderneming. Door het delen en analyseren van deze data wordt meer inzicht verkregen in de feitelijke werking van regeneratieve landbouw. Het delen van het verkregen inzicht leidt ertoe dat de omschakeling naar regeneratieve landbouwpraktijken makkelijker en sneller kan plaatsvinden.

3. Hoofdlijnen subsidiemodule

Subsidiabele activiteiten

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (hierna: minister) verleent op grond van deze subsidiemodule subsidie aan een grondgebonden landbouwonderneming voor het delen van data over zijn bedrijfsvoering op basis van een met een onderzoeksorganisatie ontwikkeld bedrijfsontwikkelplan (hierna: BOP). Het BOP is gericht op het omschakelen van de grondgebonden landbouwonderneming naar een regeneratieve grondgebonden landbouwonderneming.

Er is sprake van een voor subsidie in aanmerking komende grondgebonden landbouwonderneming wanneer de grondgebonden landbouwonderneming samen met een onderzoeksorganisatie een BOP heeft opgesteld en de onderneming een uitvoeringsovereenkomst van het BOP met de onderzoeksorganisatie heeft ondertekend.

De uitvoeringsovereenkomst heeft betrekking op het opstellen, uitvoeren en evalueren van het BOP door de aanvrager, de onderzoeksorganisatie en de door de onderzoeksorganisatie in te schakelen agrarisch begeleider. Hierin zijn minimaal afspraken vastgelegd tussen de aanvrager en de onderzoeksorganisatie over het verzamelen en delen van gegevens van de maatregelen in het bedrijfsontwikkelplan.

Regeneratieve praktijken, die worden opgenomen in het BOP, richten zich op het verbeteren van de uitkomsten op de volgende negen thema’s:

  • 1. Bodemgezondheid: Bodemstructuur, organische stof, biodiversiteit, nutriëntenkringloop, beschikbaarheid en balans van macro, micro en spoorelementen, en het vermogen om water vast te houden/door te laten en ziektes te onderdrukken.

  • 2. Gewas: Een teeltsysteem dat opbrengst en kwaliteit levert (voedingswaarde, uiterlijk, verwerkbaarheid), met voldoende diversiteit in rotatie (door de tijd) en op het perceel (in het seizoen), passend bij de context.

  • 3. Dier (indien veehouderij): Diergezondheid, welzijn en ruimte voor natuurlijk gedrag, productiviteit en kwaliteit.

  • 4. Water en lucht: De kwaliteit en beschikbaarheid van water, en de luchtkwaliteit rondom het bedrijf. Denk aan evenwichtig watergebruik, voorkomen van vervuiling (zoals ammoniak, geur, fijnstof) en bescherming van lokale waterbronnen.

  • 5. Biodiversiteit: De aanwezigheid en kwaliteit van leefgebieden voor planten en dieren op het bedrijf. Er is aandacht voor gezonde populaties van bestuivers en natuurlijke vijanden, zodat plagen ecologisch beheerst worden. Het landschap draagt bij aan biodiversiteit en streekeigen karakter, met nadruk op landschapselementen die lokale soorten ondersteunen.

  • 6. Voetafdruk: De impact van het bedrijf op het milieu, via het gebruik van nutriënten, materialen en energie, en de uitstoot van broeikasgassen. Aandacht voor efficiënt nutriënten gebruik, het vermijden van verspilling en vervuiling, inzet van hernieuwbare energie en het beperken van emissies.

  • 7. Economie: Het vermogen van het bedrijf om een goed en stabiel inkomen te genereren en invloed uit te oefenen in de keten. Denk aan marktpositie, toegevoegde waarde en economische veerkracht.

  • 8. Sociaal: Aantrekkelijk en veilig werk, betrokkenheid van burgers bij voedsel en landbouw, en ruimte voor leren, ontwikkelen en samenwerken.

  • 9. Gezond en voedzaam dieet: De bijdrage van het bedrijf aan gezonde, voedzame en toegankelijke voeding. Gericht op het leveren van producten die bijdragen aan een evenwichtig en duurzaam dieet.

Gedurende een periode van vier jaar voert de subsidieontvanger de in het BOP geïdentificeerde maatregelen door in zijn grondgebonden landbouwonderneming en verzamelt bedrijfsgegevens om de effectiviteit van de genomen maatregelen te meten en te evalueren. Deze gegevens worden in geschikte vorm gedeeld met de onderzoeksorganisatie.

Gegevens worden in samenwerking met de onderzoeksorganisatie verzameld door middel van bijvoorbeeld foto’s, drones, geluidsopnames, satellietgegevens, radarapparatuur, bodemmonsters, veldobservaties en uit bedrijfsmanagementsystemen en systemen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

De te verzamelen gegevens bevatten bijvoorbeeld:

  • Op perceelsniveau:

    • Bodemgegevens zoals infiltratie, watervasthoudend vermogen, nutriënten leverend vermogen, bodemvruchtbaarheid, bodemleven, weerbaarheid m.b.t. ziekten en plagen;

    • Gebruik (hoeveelheden en typen) inputs zoals kunstmest, vaste mest, drijfmest, compost, gewasbeschermingsmiddelen en veevoer;

    • Gewasgegevens zoals: cultivars, productiviteit, ziekten en plagen;

    • Managementgegevens, zoals: gewas rotatieplan, methoden van grondbewerking, methode van onkruidbeheersing.

  • Op bedrijfsniveau:

    • Veehouderijgegevens zoals: dieraantallen en productiviteit, stalsystemen, weidegang diergezondheid;

    • Gegevens over verbredingsactiviteiten zoals: zorg, toerisme, eigen verwerking, eigen distributie;

    • Financiële en bedrijfseconomische gegevens zoals: omzet, kasstroom, kostprijsopbouw, investeringen, arbeidsinzet, ziekte, arbeidstevredenheid.

De uitvoering van de in het BOP opgenomen maatregelen wordt gemonitord door een onderzoeksorganisatie. Hierdoor krijgt de onderzoeksorganisatie inzicht in de werking van de maatregelen en kan beter worden bepaald wat de korte en lange termijn resultaten zijn van verschillende (combinaties van) maatregelen.

Doelgroep

De specifieke doelgroep voor deze subsidiemodule bestaat uit grondgebonden landbouwondernemingen, te weten: akkerbouwer, melkveehouder, vollegronds tuinbouwbedrijf, gemengd boerenbedrijf, agroforestry of permacultuur. Een grondgebonden landbouwonderneming is een landbouwonderneming waarvan de productie afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond van het bedrijf.

Voor deze doelgroep is gekozen omdat regeneratieve landbouw zich met name richt op de gezondheid en kwaliteit van de bodem. Daarom komen alleen grondgebonden landbouwondernemingen voor subsidie in aanmerking. Voor deze subsidiemodule geldt dat de grondgebonden landbouwonderneming samenwerkt met een onderzoeksorganisatie bij het uitvoeren van het BOP en daartoe met de onderzoeksorganisatie een uitvoeringsovereenkomst sluit. Het aangaan van een uitvoeringsovereenkomst biedt extra vertrouwen in de mate van betrokkenheid van de grondgebonden landbouwonderneming in het uitvoeren van het BOP en het beschikbaar komen van de data voor de onderzoeksorganisatie.

Hoogte subsidie en subsidiabele kosten

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten gemaakt door de grondgebonden landbouwonderneming. De maximale subsidie per deelnemer is € 9.600,– voor de gehele looptijd van maximaal vier jaar (€ 2.400,– per jaar). Binnen deze subsidiemodule zijn de kosten die genoemd staan in artikel 25, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening subsidiabel. Hierbij gaat het om een vergoeding voor het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen maken ten behoeve van het uitvoeren van de in het BOP genoemde maatregelen, het verzamelen van bedrijfsgegevens en het delen van deze gegevens met de onderzoeksorganisatie waarmee de subsidieontvanger samenwerkt. Het subsidiebedrag is gebaseerd op een tijdsinvestering van 80 uur per jaar en € 60,– per uur, tegen een steunintensiteit van maximaal 50%.

Het gehele subsidiebedrag van € 9.600,– wordt als voorschot verstrekt. Als een subsidieontvanger gedurende de looptijd van het project besluit om te stoppen met het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten, dan is een deel van het voorschot onverschuldigd betaald en kan de subsidie lager worden vastgesteld en een deel van het voorschot, naar rato, worden teruggevorderd. Het bedrag dat kan worden teruggevorderd is daarmee afhankelijk van de resterende looptijd van de subsidiabele activiteiten.

Gegevensgebruik

Informatie over de groei van regeneratieve landbouw in Nederland is noodzakelijk om de beleidsdoelstellingen van de Minister van LVVN te bereiken. Daarnaast is er een monitorings- en evaluatieverplichting voor het NGF-project Re-Ge-NL naar de fondsbeheerders, ook hiervoor zijn deze gegevens noodzakelijk. Het zal steeds gaan om de verwerking en uitwisseling van geaggregeerde gegevens zonder vermelding van persoonsgegevens.

4. Staatssteun

Er is sprake van staatssteun aan de landbouwonderneming. De steun is op grond van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (hierna: AGVV) verenigbaar met de interne markt en is vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van art. 108, derde lid VWEU.

De steun valt onder de categorie experimentele ontwikkeling. Onder experimentele ontwikkeling wordt verstaan het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten.

Het doel van deze subsidieregeling is om data te vergaren zodat nieuwe en verbeterde regeneratieve praktijken en bedrijfsmodellen kunnen worden ontwikkeld. De landbouwonderneming past bepaalde regeneratieve praktijken toe op het erf, test daarmee de ontwikkelde praktijken en bedrijfsmodellen op het erf en genereert daarmee data. Vervolgens deelt de landbouwonderneming deze data met een onderzoeksorganisatie. De subsidieregeling ziet dus op de uitvoerende fase van het onderzoek. Op grond van artikel 25 AGVV kunnen personeelskosten worden vergoed voor ondersteunend personeel. De boeren kunnen gerekend worden tot ondersteunend personeel om dit onderzoek voor de betrokken onderzoeksorganisatie uit te voeren om data te verzamelen die gebruikt kan worden om de bedrijfsmodellen te verbeteren en aan te bieden aan de markt.

De steunintensiteit is in beginsel 25% voor experimentele ontwikkeling, maar kan worden verhoogd met 15% (lid 6, sub b) vanwege daadwerkelijke samenwerking én met 10% (lid 6, sub a) voor middelgrote ondernemingen of met 20% (lid 6, sub a) voor kleine ondernemingen. Hierdoor is de steunintensiteit maximaal 50-60%, afhankelijk van de omvang van de onderneming. In deze regeling wordt een subsidiepercentage van 50% gehanteerd, waardoor de steun niet boven de toegestane steunintensiteit uitkomt. Mocht de subsidie in een bepaald geval toch tot overschrijding van de steunintensiteit leiden, dan wordt de subsidie op grond van de artikelen 6 en 8 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies verlaagd. Binnen twintig werkdagen na de inwerkingtreding van deze regeling zal een kennisgeving aan de Europese Commissie worden gedaan, volgens artikel 11, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

5. Regeldruk

Deze regeling heeft regeldrukeffecten. De regeldrukkosten voor onderhavige subsidiemodule bedragen in totaal € 25.200,– voor de gehele subsidieperiode. Dit is 0,3 procent van het totale subsidiebudget van € 8.044.800,–. De berekening is gebaseerd op:

Administratieve lasten

Gezien de hoogte van de subsidie is gepoogd de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden. Er is door de RVO een zo eenvoudig mogelijk aanvraagformulier ontwikkeld wat minimaal invulwerk voor de aanvrager vergt. Het aanvraagformulier is ook beschikbaar voor een intermediaire partij. Zo kunnen bijvoorbeeld onderzoeksorganisaties de subsidie aanvragen voor de deelnemende landbouwondernemingen. Dit ontlast die ondernemingen aanmerkelijk.

De RVO werkt zoveel als mogelijk met al beschikbare gegevens. Bedrijfs- en contactgegevens die al bij de RVO bekend zijn zoals het vestigingsadres, contactgegevens en het rekeningnummer zijn al ingevuld in het aanvraagformulier.

Alle projecten worden na 4 jaar (zonder tegenbericht, tussentijds beëindigen/wijzigingen) ambtshalve vastgesteld zonder handelingen van de aanvrager. De RVO vraagt géén voortgangsverslagen op over hoe de samenwerking tussen de onderzoekinstantie verloopt, hoe het delen van kennis gaat en hoever de aanvrager is gevorderd om met zijn bedrijf regeneratief te worden. Dit zou ook niet proportioneel zijn voor een subsidieaanvraag van dit kaliber.

De eenmalige uitbetaling na verlening van de subsidie verloopt volautomatisch zonder verdere vereiste handelingen van de aanvrager.

Kosteninschatting opstellen subsidieaanvraag

Er wordt door de RVO geschat dat de aanvragers van de subsidie de aanvraag binnen een halfuur hebben opgesteld.

Daarbij wordt uitgegaan van een standaarduurtarief van € 60,–. In totaal bedraagt de verwachte administratieve last voor de aanvragers maximaal € 25.200,–. Dit bedrag komt tot stand door het standaarduurtarief van € 60,– te vermenigvuldigen met de verwachte tijdsbesteding van een halfuur, vermenigvuldigd met het totaal aan verwachte aantal aanvragen van maximaal 838.

Kosten voor het opstellen van een bedrijfsontwikkelplan en het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst met een onderzoeksorganisatie

Er wordt geschat dat de aanvrager in totaal 20 uur besteedt aan het onder begeleiding van een agrarisch adviseur opstellen van een BOP en het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst met een onderzoeksorganisatie. Uitgaande van het standaarduurtarief van € 60,– bedragen de maximale kosten hiervoor € 1.200,– per aanvrager en maximaal € 1.005.600,– voor het totaal aan verwachte aanvragen van maximaal 838.

In overleg met het Adviescollege Toetsing Regeldruk is vastgesteld dat de kosten voor het opstellen van een BOP en het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst niet dienen te worden betrokken bij de regeldrukeffecten, omdat de onderneming deze kosten in eerste instantie niet heeft gemaakt voor het aanvragen van de subsidie maar voor het omschakelen van zijn grondgebonden landbouwonderneming naar een regeneratieve landbouwonderneming. Dit betekent dat de regeldrukeffecten zich beperken tot het opstellen van de subsidieaanvraag.

6. Uitvoering

De uitvoering van deze subsidiemodule is in handen van RVO, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. RVO heeft een uitvoeringstoets gedaan op een concept van deze regeling. Deze regeling wordt uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.

7. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026. Hiermee wordt vastgehouden aan de systematiek van vaste verandermomenten van regelgeving.

II Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen

De algemene bepalingen van artikel 1 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies zijn ook van toepassing op deze subsidiemodule. Het begrip onderzoeksorganisatie moet onder deze subsidiemodule gelezen worden als een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.6.5 Verdeling subsidieplafond

De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op basis van volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Dit betekent dat de aanvraag die het eerst is binnengekomen, het eerst voor subsidie in aanmerking komt, uiteraard met inachtneming van de instapvoorwaarden van de subsidiemodule en het maximale subsidiebedrag. Wanneer de ingediende aanvraag onvolledig is, krijgt de aanvrager de mogelijkheid de ontbrekende stukken alsnog aan te leveren. De datum waarop de aanvraag volledig is, is de datum van binnenkomst. Er vindt loting plaats om de volgorde te bepalen als er meerdere aanvragen worden ingediend op de dag dat het subsidieplafond wordt overschreden.

Artikel 2.6.6. Start- en realisatietermijn

Met de uitvoering van het BOP kan op eigen risico worden begonnen na het indienen van de aanvraag om subsidie, maar dient uiterlijk binnen vier weken na de verleningsbeschikking te worden begonnen. Dit is om te waarborgen dat de subsidieontvangers tijdig beginnen met het project, zodat het eerst volgende groeiseizoen zo veel mogelijk kan worden benut. De subsidiabele activiteiten duren vervolgens maximaal vier jaar.

De realisatietermijn kwalificeert zowel als afwijzingsgrond als subsidieverplichting. Wanneer bij de aanvraag blijkt dat het project niet binnen vier jaar kan worden afgerond, dan wordt de aanvraag afgewezen. Daarnaast is de subsidieontvanger verplicht de subsidiabele activiteiten binnen een periode van vier jaar uit te voeren. Als blijkt dat de subsidieontvanger de activiteiten niet binnen vier jaar kan uitvoeren, dan kan deze uitstel aanvragen bij RVO.

Artikel 2.6.7. Informatieverplichtingen

Bij het doen van een aanvraag dienen aanvragers aan een aantal verplichtingen te voldoen. Uit artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening volgt dat in ieder geval de volgende gegevens uit de aanvraag moeten blijken: de naam en grootte van de onderneming, een beschrijving van het project, inclusief aanvangs- en einddatum, de locatie van het project (vestigingslocatie van het bedrijf inclusief al de percelen), de kosten en het soort steun, in dit geval subsidie.

Daarnaast geldt een aantal andere verplichtingen. Voor het ontwikkelen en testen van de werking en schaalbaarheid regeneratieve praktijken is het van belang dat de subsidieontvanger samenwerkt met een onderzoeksorganisatie. Door het samen met een onderzoeksorganisatie opstellen van een BOP en op basis daarvan een uitvoeringsovereenkomst te sluiten met een onderzoeksorganisatie, wordt gewaarborgd dat de daarvoor gewenste bedrijfsgegevens beschikbaar komen voor onderzoek door de onderzoeksorganisatie.

Verder dient de subsidieontvanger tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling te beschikken over die gegevens die nodig zijn om desgevraagd aan te tonen dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht (artikel 38, derde lid, van het besluit). Deze gegevens kunnen steekproefsgewijs door de subsidieverstrekker worden opgevraagd. De administratieplicht (artikel 38, eerste lid, van het besluit) blijft onverkort van kracht.

Artikel 2.6.8. Vaststelling

De op grond van de aanvraag verleende subsidie wordt na afronding van de activiteiten ambtshalve vastgesteld. Er behoeft geen verzoek tot subsidievaststelling te worden ingediend (artikel 50, negende lid, van het besluit). De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de datum waarop de activiteiten uiterlijk zijn verricht en de datum waarop de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld (artikel 50, achtste lid, van het besluit).

Wel is de subsidieontvanger verplicht om het de minister onverwijld te melden wanneer het aannemelijk is dat de subsidiabele activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of wanneer niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan (artikel 36a van het besluit).

Artikel I, onderdeel B

Op grond van artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 5°, van de Regeling nationale EZ-, LVVN -en KGG-subsidies moet bij de aanvraag voor subsidie in het projectplan een planning van het project inclusief mijlpalen worden opgenomen. De wijze waarop deze mijlpalen moeten worden opgenomen is uitgewerkt in bijlage 2.23.1, onderdeel 3. Met dit artikel is een foutieve verwijzing naar bijlage 2.23.1, onderdeel 4, gecorrigeerd.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen

Naar boven