Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 13740 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 13740 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3, 2.1 en 3.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
Besluit:
De Subsidieregeling Maatschappelijke Diensttijd (MDT) wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de alfabetische volgorde wordt een begripsbepaling toegevoegd, luidende:
economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
2. In de begripsomschrijving van ‘MDT-project’ wordt ‘MDT-basis-trajecten, MDT-plus-trajecten en MDT-extra-trajecten’ vervangen door ‘MDT-basis-trajecten, MDT-plus-trajecten, MDT-extra-trajecten, en MDT-intensief-trajecten’.
3. In de begripsomschrijving van ‘penvoerder’ wordt na ‘de subsidie’, ingevoegd ‘als bedoeld in artikel 5’.
B
Voor artikel 10 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op de verstrekking van subsidie voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 4, naar aanleiding van aanvragen die zijn ingediend in de in artikel 9j, eerste lid, bedoelde aanvraagperiode.
1. Een aanvraag voor subsidie wordt voorafgegaan door indiening van een vooraanmelding binnen de periode, genoemd in het vierde lid. Indien de penvoerder van een aanvraag geen onderdeel is van een beoogd partnerschap waarvoor een vooraanmelding is gedaan, wordt de aanvraag afgewezen.
2. Voor de vooraanmelding wordt gebruikgemaakt van het formulier dat bekend is gemaakt op de website van DUS-I.
3. De vooraanmelding bestaat uit:
a. een vermelding van de beoogde penvoerder; en
b. een vermelding van ten minste één beoogde samenwerkingspartner.
4. De vooraanmelding wordt ingediend in de periode van 9 april 2026, 9.00 uur tot en met 30 april 2026, 13.00 uur. Indien de vooraanmelding na 30 april 2026, 13.00 uur, is ingediend wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 9j afgewezen.
1. In 2026 kan een aanvraag voor subsidie worden ingediend in de periode van 7 mei 2026, 9.00 uur tot en met 2 juli 2026, 13.00 uur. Aanvragen die buiten de aanvraagperiode zijn ingediend, worden afgewezen.
2. De penvoerder verklaart in het aanvraagformulier of zij op 1 januari 2026 aan haar gelieerde organisaties heeft. De penvoerder verklaart tevens of de aan haar gelieerde organisaties MDT-subsidie aanvragen of reeds ontvangen.
3. Een penvoerder kan namens de aan haar gelieerde organisaties maximaal één subsidieaanvraag indienen in 2026.
4. Een subsidieaanvraag bevat in ieder geval:
a. het aanvraagformulier;
b. een activiteitenplan;
c. een begroting;
d. een samenwerkingsovereenkomst, ondertekend door alle partijen die onderdeel zijn van het partnerschap;
e. een cofinancieringsverklaring, ondertekend door de cofinancierder en de penvoerder.
5. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van de door de minister vastgestelde formats, bekendgemaakt op de website van DUS-I.
6. De penvoerder verklaart in het aanvraagformulier dat een MDT-traject niet leidt tot stage- of werkverdringing.
7. De penvoerder verstrekt bij de subsidieaanvraag de twee meest recente jaarrekeningen:
a. Indien de penvoerder controleplichtig is als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dienen de twee meest recente jaarrekeningen voorzien te zijn van een controleverklaring door een accountant;
b. Indien de penvoerder niet controleplichtig is als bedoeld in onderdeel a, dient de meest recente jaarrekening voorzien te zijn van een beoordelingsverklaring door een accountant.
8. Het zevende lid is niet van toepassing indien de penvoerder een onderwijsinstelling is als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.
9. Een subsidieaanvraag wordt beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader, bedoeld in bijlage 2.
1. De penvoerder sluit met elke samenwerkingspartner een Data Sharing Agreement om gegevensuitwisseling mogelijk te maken. Deze overeenkomst wordt bij de eerste tussentijdse rapportage aan de minister overgelegd.
2. De penvoerder draagt er zorg voor dat deelname aan een MDT-traject vrijwillig is. De mate van vrijwillige deelname wordt beoordeeld aan de hand van de beschrijving van deelcriterium 1d in het beoordelingskader in bijlage 2. Indien dit deelcriterium als ‘voldoet niet’ wordt beoordeeld, wordt de aanvraag afgewezen.
1. Voor subsidieverstrekking is in 2026 een bedrag van ten hoogste € 115.000.000 beschikbaar.
2. De subsidie voor het uitvoeren van MDT-projecten bedraagt ten minste € 360.000 en ten hoogste € 4.500.000 voor een subsidieperiode van drie jaar.
3. Het aan te vragen subsidiebedrag per MDT-traject, per trajectvariant, is:
a. maximaal € 1.378 per MDT-basis-traject;
b. maximaal € 1.969 per MDT-extra-traject;
c. maximaal € 2.205 per MDT-plus-traject;
d. maximaal € 3.702 per MDT-intensief-traject.
4. De subsidie voor het uitvoeren van een MDT-project bedraagt ten hoogste 70% van de totale kosten van het desbetreffende MDT-project.
5. Voor de inzet van intern personeel of extern personeel geldt een maximumuurtarief van € 130,– inclusief BTW en overheadkosten. In bijzondere gevallen kan van dit tarief onderbouwd worden afgeweken.
1. De penvoerder realiseert minimaal 30% cofinanciering van de totale kosten van het desbetreffende MDT-project waarbij de cofinanciering in geld is, of wordt gewaardeerd in geld.
2. De penvoerder kan bij de aanvraag tot verlening van subsidie voor maximaal 5% van de totale kosten van het desbetreffende MDT-project garant staan voor de cofinanciering, bedoeld in het eerste lid.
3. Voor de cofinanciering, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend cofinanciering in aanmerking genomen die afkomstig is van een instelling of van instellingen die op 1 juni 2026 ten minste een jaar stonden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
1. Indien het subsidieplafond, bedoeld in artikel 9l, eerste lid, ontoereikend is om alle aanvragen met een voldoende beoordeling als bedoeld in artikel 10, zevende lid, toe te wijzen, wordt het beschikbare bedrag verdeeld op basis van de rangschikking in gewogen eindscore, bedoeld in artikel 10, achtste lid, totdat het budget is uitgeput.
2. Indien bij een verdeling als bedoeld in het eerste lid twee of meer gelijk gewaardeerde aanvragen in concurrentie met elkaar komen voor het laatste voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag, bepaalt de minister op basis van loting de voorrang tussen deze aanvragen op de resterende middelen.
3. Indien het subsidieplafond niet volledig is uitgeput, maar het resterende voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag onvoldoende is om een aanvraag volledig te kunnen honoreren, kan aan de desbetreffende subsidieaanvrager gevraagd worden om projectaanpassingen door te voeren. Indien deze aanvrager hiermee niet akkoord gaat, wordt zijn aanvraag afgewezen.
1. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt subsidieverlening in ieder geval geweigerd, indien het resultaat van de som werkkapitaal minus bestemmingsfondsen van de penvoerder minder dan 10% bedraagt van het totaal aangevraagde subsidiebedrag, op basis van de meest recente jaarrekening, bedoeld in artikel 9j, zevende lid.
2. In afwijking van het eerste lid kan een partij binnen het partnerschap garant staan voor het werkkapitaal van ten minste 10% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag, indien:
a. de garantstellingsverklaring wordt aangeleverd in het door DUS-I daarvoor beschikbaar gestelde format;
b. uit de meest recente jaarrekening van de garantsteller blijkt dat de garantsteller beschikt over voldoende middelen om al zijn garantstellingsverplichtingen in voorkomend geval te kunnen nakomen;
c. de meest recente jaarrekening van de garantsteller is voorzien van een controleverklaring als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Indien de garantsteller niet controleplichtig is dient een beoordelingsverklaring van de accountant verstrekt te worden;
d. de garantsteller bij maximaal twee andere penvoerders garant staat;
e. de garantsteller op 1 juni 2026 minimaal een jaar ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel.
3. Een aanvraag komt uitsluitend voor toekenning in aanmerking, indien de penvoerder op 1 juni 2026 minimaal twee jaar ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel.
4. Indien de penvoerder een onderwijsinstelling is als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, is dit artikel niet van toepassing.
Aan de subsidie zijn de volgende verplichtingen verbonden:
a. De penvoerder heeft de verplichting om ervoor te zorgen dat in de periode na de datum van het besluit tot subsidieverlening tot uiterlijk 31 maart 2027 met de projectactiviteiten wordt gestart;
b. De penvoerder levert eenmaal per 12 maanden na de startdatum van het MDT-project een tussentijdse rapportage aan over de algemene voortgang van het project en de realisatie van de MDT-trajecten, inclusief verwerving van cofinanciering, conform het door de minister vastgestelde formulier;
c. De penvoerder en de deelnemende partijen binnen het samenwerkingsverband voeren een gescheiden boekhouding met betrekking tot de financiering van het MDT-project;
d. De penvoerder heeft de verplichting om ervoor te zorgen dat per trajectvariant ten minste 85% van het aantal bij de aanvraag voorgenomen MDT-trajecten volledig uit wordt uitgevoerd;
e. De penvoerder gebruikt in de benaming van het project de afkorting ‘MDT’, en heeft een inspanningsverplichting om bij te dragen aan de naamsbekendheid van MDT en om het MDT-logo te gebruiken in alle uitingen van het partnerschap;
f. De penvoerder zorgt ervoor dat voor de uit te voeren MDT-trajecten alleen aanmeldingen worden geaccepteerd van jongeren die, bij aanvang van het MDT-traject in de leeftijd van 12 tot 30 jaar oud, woonachtig zijn in Nederland;
g. De penvoerder zorg ervoor dat aan alle deelnemende jongeren een MDT-certificaat na afronding van het MDT-traject wordt verstrekt;
h. De penvoerder houdt een deelnemersregistratie bij ten behoeve van de verantwoording van de verstrekte subsidie;
i. De penvoerder is verplicht deel te nemen aan onderzoek ten behoeve van de doorontwikkeling van het MDT-programma. Het onderzoek omvat:
1° een gegevensregistratie: het invullen van een geanonimiseerde en doorlopende registratie van deelnemers bij het onafhankelijke onderzoeksbureau ten behoeve van onderzoek naar MDT;
2° jongerenvragenlijsten: de penvoerder draagt zorg voor een minimum respons van 70% van de deelnemende jongeren op de jongerenvragenlijsten;
3° projectleidersvragenlijsten: het invullen van aanvullende vragenlijsten door de penvoerder eenmaal per kwartaal;
4° impactonderzoek: deelname aan het centrale onderzoek naar de maatschappelijke impact van MDT;
5° beleidsevaluaties: deelname aan door de minister nader te bepalen overige beleidsevaluaties; en
6° een vragenlijst na verlening: de penvoerder overlegt binnen twee maanden na de datum van het besluit tot subsidieverlening een ingevulde vragenlijst ten behoeve van de registratie van het MDT-project en startmeting van onderzoek.
j. De penvoerder draagt er zorg voor dat medewerkers en vrijwilligers binnen het partnerschap die met jongeren werkzaam zijn, in het bezit zijn van een geldige Verklaring Omtrent Gedrag;
k. De penvoerder draagt er zorg voor dat samenwerkingspartners die € 125.000 of meer van de subsidie hebben besteed een controleverklaring van een bevoegde accountant verstrekken bij de eindverantwoording.
C
Aan artikel 10 worden negen leden toegevoegd, luidende:
3. In afwijking van het eerste lid adviseert de beoordelingscommissie de minister over de volledige subsidieaanvragen, bedoeld in hoofdstuk 3a, op basis van het beoordelingskader in bijlage 2, met uitzondering van aanvragen die worden geweigerd op grond van artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 9m of artikel 9o.
4. Bij de toepassing van het beoordelingskader in bijlage 2 wordt aan elke volledige subsidieaanvraag per deelcriterium, met uitzondering van de deelcriteria die als ‘voldoet wel/voldoet niet’ worden beoordeeld, een score toegekend op een schaal van 4 tot en met 8, waarbij geldt:
4 = ruim onvoldoende
5 = onvoldoende
6 = voldoende
7 = ruim voldoende
8 = goed
5. De score, bedoeld in het vierde lid, wordt bepaald op basis van de kwaliteit van het ingevulde aanvraagformulier, het activiteitenplan, de begroting. Naarmate de deelcriteria deugdelijker onderbouwd zijn, wordt een hogere score toegekend. De scores per deelcriterium worden, met inachtneming van de vastgestelde weging per deelcriterium, samengevoegd tot een gewogen score per hoofdcriterium.
6. De beoordelingscommissie beoordeelt ontvankelijke subsidieaanvragen, bedoeld in het derde lid, eerst op de deelcriteria 7a, 7b en 7c, bedoeld in bijlage 2. Aanvragen die op:
a. een of meer van de deelcriteria 7a, 7b en 7c niet voldoen, worden afgewezen zonder verdere beoordeling;
b. alle deelcriteria 7a, 7b en 7c voldoen, worden verder beoordeeld op de overige criteria in bijlage 2.
7. Aanvragen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, komen uitsluitend voor subsidieverlening in aanmerking, indien deze:
a. minimaal een score 6 behalen op de hoofdcriteria 1 tot en met 6, en op de deelcriteria 5a, en 6b in bijlage 2; en
b. vallen binnen de categorie ‘voldoet’, voor wat betreft het deelcriterium 1d in bijlage 2.
8. De volledige subsidieaanvragen die resteren na toepassing van het derde, zesde en zevende lid, worden gerangschikt op basis van een gewogen eindscore, die wordt gevormd door de som van de scores op alle zeven gewogen hoofdcriteria, telkens met inachtneming van de weging per hoofdcriterium, waarbij een hogere gewogen eindscore leidt tot een hogere rangschikking.
9. Indien na toepassing van het zesde lid het aantal resterende subsidieaanvragen groter is dan 150, kan de minister bepalen dat het totaalaantal aanvragen dat in aanmerking komt voor verdere beoordeling op hoofdcriteria 1 tot en met 6, bedoeld in bijlage 2, wordt gemaximeerd op 150, waarbij aanvragen met een hoger cofinancieringspercentage voorrang krijgen boven aanvragen met een lager cofinancieringspercentage.
10. Voor zover bij toepassing van het negende lid meerdere aanvragen een gelijk cofinancieringspercentage hebben, wordt indien nodig door middel van loting bepaald welke van die aanvragen voorrang krijgt.
11. Aanvragen die ingevolge het negende en het tiende lid niet in aanmerking komen voor verdere beoordeling op de criteria 1 tot en met 6 als bedoeld in bijlage 2, worden afgewezen.
D
In artikel 11 wordt ‘bedoeld in artikel 8, tweede lid, of artikel 9b, eerste lid’ vervangen door ‘bedoeld in artikel 8, tweede lid, artikel 9b, eerste lid, of artikel 9j, eerste lid’.
E
Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt 'bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel d, in samenhang met artikel 9g' vervangen door 'bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, in samenhang met artikel 9g of artikel 9p, onderdeel b'.
2. Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
4. Onverminderd het tweede lid, onderdeel b, wordt het daar bedoelde voorschot niet eerder uitbetaald dan in 2028, voor zover het subsidies betreft die zijn verleend naar aanleiding van aanvragen die zijn ingediend in de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 9j, eerste lid.
F
Na artikel 12 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De minister kan op verzoek van de penvoerder eenmalig de looptijd van het MDT-project met ten hoogste drie maanden verlengen. Verlenging kan worden verleend indien dit noodzakelijk is voor de afronding van MDT-trajecten.
2. Indien een aanvraag tot budgetneutrale verlenging is ingediend in de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 9j, eerste lid, dient subsidievaststelling in 2030 plaats te vinden.
G
Aan artikel 13 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. In afwijking van artikel 7.2 van de Kaderregeling OCW, SZW en VWS wordt een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend binnen 17 weken nadat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, zijn verricht.
H
Na artikel 15a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
I
Er wordt een bijlage toegevoegd, luidende:
|
Hoofdcriterium |
Deelcriterium |
Toelichting |
|---|---|---|
|
1. Visie, doelgroep en impact Weging: 10% |
a. Visie en onderbouwing Weging: 30% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – een heldere en inspirerende visie op wat het project voor jongeren en de samenleving betekent; – een onderbouwde motivatie waarom MDT en de bijbehorende drie pijlers aansluiten bij de visie van de penvoerderorganisatie. |
|
b. Doelgroep Weging: 25% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – per trajectvariant een beschrijving van de doelgroep(en) waarop de trajecten zich richten; – waarom de voorgestelde activiteiten per trajectvariant passen bij de doelgroep. |
|
|
c. Impactdoelen Weging: 45% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – een heldere visie op de impact die het project op jongeren en de samenleving heeft. Impact verwijst naar het extra effect dat het MDT-project teweegbrengt – een verandering (bij persoon, groep of zelfs de samenleving) die zonder het project niet of in mindere mate zou optreden; – welke veranderingen/effecten op korte en lange termijn de penvoerder verwacht bij de doelgroep(en) en hoe deze samen leiden tot de beoogde impact; – waarom deze aanpak werkt (onderbouwd met ervaringen uit eerdere projecten of bewezen werkwijzen); – waarom de gestelde impactdoelen realistisch en haalbaar zijn. |
|
|
d. Vrijwilligheid Weging: voldoet/voldoet niet |
Uit de aanvraag blijkt welke variant van vrijwillige deelname van toepassing is per trajectvariant. De varianten zijn: 1.) MDT op eigen initiatief van de jongere. Bij deze variant kiest een jongere zelf om een MDT te volgen. Deze MDT vindt plaats in vrije tijd. Bij deze variant gaan we er vanuit dat jongeren zich vanuit intrinsieke motivatie hebben aangemeld. Er is geen extra onderbouwing nodig waarom voor deze variant is gekozen. 2.) MDT aangeboden als één van de opties. Bij deze variant wordt MDT als één van de (keuze)opties aangeboden (bijvoorbeeld als keuzevak), waarbij jongeren ook kunnen kiezen voor andere opties dan MDT. In de aanvraag is voldoende onderbouwd: – dat jongeren keuzevrijheid hebben, waarbij MDT één van meerdere gelijkwaardige opties is, en waar jongeren zelf bewust kiezen voor MDT. 3.) MDT aangeboden als standaard optie en/of vast onderdeel. Bij deze variant worden jongeren gestimuleerd om een MDT te doen en wordt MDT als standaard optie of als vast onderdeel aangeboden. In de aanvraag is voldoende onderbouwd: – waarom deze variant passend/gewenst is voor de betreffende doelgroep; – dat er een reëel alternatief geboden wordt als jongeren niet (meer) willen deelnemen; – dat er voldoende keuzemogelijkheden zijn tussen MDT-projecten of binnen het MDT-traject. |
|
|
2. Drie MDT-pijlers Weging: 25% |
a. Talentontwikkeling Weging: 30% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – hoe het partnerschap ervoor zorgt dat jongeren werken aan persoonlijke ontwikkeldoelen; – hoe de MDT-trajecten een brede ontwikkeling stimuleren, waarbij zowel persoonlijke als professionele vaardigheden aan bod komen; – hoe er aandacht is voor reflectie, zodat jongeren bewust zijn van de ontwikkeling die ze doormaken; – hoe jongeren erkenning krijgen en gewaardeerd worden voor hun ontwikkeling. Uit het activiteitenplan blijkt dat concrete invulling zal worden gegeven aan deze elementen. |
|
b. Betekenisvolle ontmoetingen Weging: 30% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – hoe jongeren tijdens het traject in contact komen met mensen buiten hun eigen leefwereld, of mensen binnen hun eigen leefwereld op een nieuwe manier en beter leren kennen; – dat de ontmoetingen een (maatschappelijk) doel dienen; – dat de ontmoetingen betekenisvol zijn, doordat ze zowel bijdragen aan de persoonlijke ontwikkeling van jongeren als waardevol zijn voor de ander; – hoe de ontmoetingen goed voorbereid worden, zodat ze een positieve ervaring vormen voor jongeren en voor de ander; – hoe er aandacht is voor reflectie, zodat jongeren beseffen wat deze ervaringen voor henzelf en voor de ander betekenen. Uit het activiteitenplan blijkt dat concrete invulling zal worden gegeven aan deze elementen. |
|
|
c. Iets doen voor een ander en/of de samenleving Weging: 40% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – dat jongeren activiteiten uitvoeren die iets betekenen voor anderen en/of de samenleving; – hoe jongeren worden begeleid om het effect van hun inzet te zien; – dat de activiteiten aansluiten bij hun talenten en/of interesses, of nieuwe ontdekkingen stimuleren; – hoe jongeren worden gestimuleerd om na afloop maatschappelijk betrokken te blijven. Uit het activiteitenplan blijkt dat concrete invulling zal worden gegeven aan deze elementen. |
|
|
3. Begeleiding van jongeren Weging: 20% |
a. Inrichting van de begeleiding Weging: 35% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – hoe de begeleiding zodanig is ingericht en georganiseerd, dat jongeren gedurende het traject passende begeleiding ontvangen, waarbij er minimaal sprake is van een intake- en eindgesprek; – hoe de begeleiding aansluit bij de gekozen trajectvariant(en); – een goede onderbouwing voor de verhouding tussen individuele begeleiding, groepsbegeleiding en begeleiding bij de activiteiten bij partnerorganisaties. Uit het activiteitenplan blijkt dat concrete invulling zal worden gegeven aan deze elementen. |
|
b. Afstemming op behoeften en maatwerk Weging: 40% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – hoe de begeleiding wordt afgestemd op de behoeften van jongeren; – hoe er maatwerk wordt geleverd in de begeleiding. |
|
|
c. Ondersteuning en ontwikkeling begeleiders Weging: 25% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – hoe begeleiders worden ondersteund en gecoacht om hun vaardigheden te versterken, zodat zij jongeren optimaal kunnen begeleiden. Uit het activiteitenplan blijkt dat concrete invulling zal worden gegeven aan dit elementen. |
|
|
4. Jongerenparticipatie Weging:20% |
a. Jongerenparticipatie op projectniveau Weging: 60% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – hoe het partnerschap jongerenparticipatie op project- en/of organisatieniveau actief stimuleert en faciliteert; – dat het partnerschap streeft naar een zo hoog mogelijke mate van jongerenparticipatie, passend bij de doelgroep; – op welke manier en met welke frequentie jongeren participeren. Hierbij wordt een onderbouwing gegeven over de mate van participatie, denk aan: meedenken, meepraten, (mee-)beslissen en/of jongeren in de lead. |
|
b. Jongerenparticipatie op trajectniveau Weging: 40% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – dat jongeren inspraak en invloed hebben op trajectniveau; – op welke manier en met welke frequentie jongeren participeren. Hierbij wordt een onderbouwing gegeven over de mate van participatie, denk aan: meedenken, meepraten, (mee-)beslissen en/of jongeren in de lead; – dat het partnerschap streeft naar een zo hoog mogelijke mate van jongerenparticipatie, passend bij de doelgroep; Uit het activiteitenplan blijkt dat concrete invulling zal worden gegeven aan deze elementen. |
|
|
5. Expertise en monitoring Weging: 15% |
a. Passende expertise en ervaring partnerschap Weging: 40% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – dat er voldoende kennis, ervaring en expertise aanwezig is bij de penvoerder en de samenwerkingspartners binnen het partnerschap om de voorgestelde activiteiten succesvol uit te voeren. Dit is onderbouwd met voorbeelden waaruit relevante ervaring blijkt; – dat de beoogde realisatie passend, haalbaar en realistisch is; – dat de penvoerder beschikt over de ervaring en vaardigheden om een (groot) gesubsidieerd project te leiden en te verantwoorden; – in welke mate en op welke manier partners, zoals de gemeente, betrokken zijn bij doelgroepen waarin partners een regietaak hebben, zoals bij de intensieve variant. |
|
b. Monitoring en bijsturing Weging: 30% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – hoe resultaten/effecten tussentijds worden gemonitord om de voortgang te waarborgen; – hoe deze resultaten/effecten worden gebruikt om van te leren en de kwaliteit van het project te verbeteren. |
|
|
c. Risico’s en beheersmaatregelen Weging: 30% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – welke risico's het partnerschap voorziet voor het MDT-project en voor de uitvoering van de MDT-trajecten; – welke maatregelen het partnerschap zal nemen als deze risico's zich voordoen gedurende de subsidieduur. |
|
|
6. Samenwerking en toekomstgericht werken Weging: 10% |
a. Rolverdeling en samenwerking binnen het partnerschap Weging: 30% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – dat rollen, verantwoordelijkheden en taken binnen het partnerschap helder zijn vastgelegd; – dat er een gestructureerde aanpak is voor de organisatie van samenwerking tussen penvoerder en partners binnen het partnerschap. |
|
b. Wervingsstrategie Weging: 30% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – een passende wervingsstrategie, inclusief een concrete beschrijving van de werkwijze en een onderbouwing waaruit blijkt dat deze aansluit bij de beoogde doelgroep; – duidelijkheid over de betrokken partij(en) bij de werving en de rolverdeling binnen de uitvoering. |
|
|
c. Samenwerking en kennisdeling buiten het partnerschap Weging: 20% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – hoe het partnerschap kennis deelt en samenwerking opzoekt met andere MDT-partnerschappen, bijvoorbeeld binnen een regionaal samenwerkingsverband; – welke activiteiten opgezet worden in het kader van kennisdeling en samenwerking, en welk doel of welke meerwaarde deze activiteiten hebben. |
|
|
d. Verduurzaming Weging: 20% |
Uit de aanvraag blijkt in ieder geval: – welke stappen al zijn gezet en/of welke plannen er zijn om de voorgestelde MDT-activiteiten toekomstbestendig en duurzaam te maken. Denk aan aansluiting op bestaande initiatieven en infrastructuur van onderwijs, gemeenten en andere lokale overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en fondsen; – welke stappen al zijn gezet en/of welke plannen er zijn om het financiële eigenaarschap (cofinanciering) uit te breiden en het inhoudelijk eigenaarschap te verbreden via relevante samenwerkingen die bijdragen aan projectdoelen en toekomstbestendigheid van activiteiten. |
|
|
7. Begroting en activiteitenplan Weging: voldoet/voldoet niet |
a. Cofinanciering Weging: voldoet/voldoet niet (+ 0,1 of +0,2 op eindscore) |
Uit de begroting en cofinancieringsverklaringen blijkt: – dat de minimale cofinanciering van 30% is begroot en voldoet aan de eisen van de regeling. – Indien de totale cofinanciering meer dan 35% betreft, wordt 0,1 punt extra toegekend aan de gewogen totaalscore. – Indien meer dan 5% van de totale projectkosten wordt gedekt door cofinanciering in geld of op geld waardeerbaar wordt 0,1 punt extra toegekend aan de gewogen totaalscore. |
|
b. Sluitende meerjarenbegroting Weging: voldoet/voldoet niet |
– De aangeleverde begroting voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.5 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. – De aangeleverde begroting is meerjarig, sluitend en geeft inzicht in de loonkosten, materiële kosten en overige kosten. Daarnaast maakt de begroting inzichtelijk hoe de middelen binnen het partnerschap worden verdeeld. |
|
|
c. Activiteitenplan Weging: voldoet/voldoet niet |
Uit het activiteitenplan blijkt dat de voorgestelde activiteiten subsidiabel zijn op basis van artikel 4 van deze subsidieregeling. |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen
Deze wijzigingsregeling wijzigt de Subsidieregeling Maatschappelijke Diensttijd (MDT), met als doel het openstellen van een nieuw aanvraagtijdvak in 2026.
In lijn met het programmaplan MDT 2026–2030 wordt met deze wijzigingsregeling ingezet op het verder versterken van de kwaliteit en impact van MDT-projecten, evenals het vergroten van het inhoudelijk en financieel draagvlak voor maatschappelijke diensttijd. In het kader van deze ambities wordt met deze wijzigingsregeling het minimale cofinancieringspercentage voor subsidieaanvragen in 2026 verhoogd van 25% naar 30%. Daarnaast wordt er een nieuw beoordelingskader geïntroduceerd, met een aangepaste beoordelingssystematiek. Hierbij ligt de nadruk op de kwaliteitselementen van MDT, en worden aanvragen die het hoogste scoren op kwaliteit als eerste in aanmerking gebracht voor subsidieverlening.
MDT-trajecten bevatten altijd activiteiten die bijdragen aan talentontwikkeling, betekenisvolle ontmoetingen en het doen voor anderen en/of de samenleving. In het beoordelingskader (bijlage 2) wordt bewust een zwaardere weging gegeven aan de pijler ‘iets doen voor een ander en/of de samenleving’, aangezien aanvragen zich op deze pijler doorgaans het meest onderscheiden. Desondanks worden de drie pijlers van MDT in de praktijk als gelijkwaardig beschouwd.
ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Aan artikel 1 van de Subsidieregeling MDT is een definitie toegevoegd van gelieerde organisatie. Deze definitie is bedoeld om te voorkomen dat meerdere aan elkaar verbonden organisaties afzonderlijk subsidieaanvragen indienen.
Kenmerkend voor een groep is dat er sprake is van een samenstel van rechtspersonen en vennootschappen die onder centrale leiding staan, zodanig dat zij een economische eenheid vormen. Tussen moeder- en een dochtermaatschappij bestaat veelal een groepsrelatie.
Of er sprake is van een gelieerde organisatie zal telkens aan de hand van de jaarrekening, op basis van het geheel van feitelijke (economische) omstandigheden en contractuele juridische relaties vastgesteld moeten worden.
De volgende factoren kunnen duiden op een groepsrelatie: formele zeggenschap (bijvoorbeeld via stemrechten of benoemingsrechten), zoals het uitoefenen van een meerderheid van de stemrechten in de algemene ledenvergadering; en feitelijke zeggenschap (bijvoorbeeld via financiële afhankelijkheid of gezamenlijke aansturing).
Een indicatie dat er sprake is van een groepsmaatschappij is tevens dat alle activiteiten van een maatschappij in wezen uitgevoerd worden ten behoeve van de rechtspersoon (moedermaatschappij), conform diens specifieke wens. De rechtspersoon verkrijgt daardoor economische voordelen in verband met de activiteiten van die maatschappij. De rechtspersoon (moedermaatschappij) loopt in wezen voor meer dan de helft het economische risico met betrekking tot die maatschappij of de activa van die maatschappij.
De definitie van MDT-project is aangevuld met MDT-intensief-trajecten. Deze wijziging betreft een technische reparatie. MDT-intensief trajecten zijn namelijk ook trajectvarianten die men aan kan bieden aan jongeren en behoren daarom ook tot MDT-projecten.
In de begripsomschrijving van penvoerder is door te verwijzen naar de artikelen 5 en 9k verduidelijkt dat de penvoerder verantwoordelijk is voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij binnen het partnerschap feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
Deze wijziging voegt een nieuw hoofdstuk 3a toe aan de Subsidieregeling MDT. Dit nieuwe hoofdstuk bevat de nieuwe artikelen 9h tot en met 9p, die betrekking hebben op de uitbreiding van de subsidieregeling met een nieuwe aanvraagronde in 2026.
In dit artikel wordt een verplichte vooraanmelding ingevoerd. Deze vooraanmelding fungeert als administratief voorportaal voor de subsidieaanvraag. Door de vooraanmelding worden organisaties gestimuleerd om tijdig een partnerschap te vormen en kan gerichte ondersteuning geboden worden bij het indienen van kwalitatieve aanvragen. Daarnaast biedt de vooraanmelding de mogelijkheid om een inventarisatie te maken van het verwachte aantal aanvragen, waardoor DUS-I in staat is om de capaciteitsplanning aan te passen, indien nodig.
De vooraanmelding is een verplichte voorwaarde voor het indienen van een subsidieaanvraag. Indien geen vooraanmelding is ingediend, wordt de subsidieaanvraag afgewezen.
Bij de vooraanmelding worden de volgende gegevens verstrekt: een vermelding van de beoogde penvoerder, en een vermelding van ten minste één beoogde samenwerkingspartner. Hierbij worden de KVK-nummers en contactgegevens vermeld.
Er wordt een nieuwe aanvraagronde toegevoegd. De subsidieaanvragen voor de nieuwe aanvraagronde voor activiteiten als bedoeld in artikel 4 van de subsidieregeling kunnen worden ingediend in de periode van 7 mei 2026, 9.00 uur tot en met 2 juli 2026, 13.00 uur.
Voor elke groep aan elkaar gelieerde organisaties geldt dat zij in 2026 maximaal één subsidieaanvraag kunnen indienen.
In dit artikel staat beschreven uit welke onderdelen een volledige subsidieaanvraag bestaat. Voor een volledige subsidieaanvraag dient men gebruik te maken van de vastgestelde modelformats die beschikbaar zijn op de website van DUS-I. De penvoerder is verantwoordelijk voor de correcte ondertekening door de partnerorganisaties.
De penvoerder verstrekt bij de subsidieaanvraag een begroting voor de activiteiten, genoemd in artikel 4, eerste lid. De begroting dient te voldoen aan artikel 3.5 van de Kaderregeling en geeft inzicht in de loonkosten, materiële kosten en overige kosten.
Indien bij een MDT-project vrijwilligers worden ingezet, kan de vrijwilligersvergoeding worden vastgesteld conform de regeling die de Belastingdienst hanteert op basis van de Wet op de loonbelasting 1964. Ook deelnemende jongeren kunnen voor hun uren van vrijwillige inzet een vrijwilligersvergoeding ontvangen.
DUS-I beoordeelt de begroting op de formele vereisten en informeert de beoordelingscommissie over eventuele opvallende of afwijkende begrotingsposten. Om de beoordeling van dergelijke afwijkingen te ondersteunen wordt gebruikgemaakt van onderstaande richtlijnen voor zogenoemde excessieve begrotingsposten.
Een begrotingspost kan als excessief worden beschouwd wanneer één of meer van de volgende situaties zich voordoen:
– Afwijking van marktconformiteit: het opgevoerde bedrag voor een activiteit, product of dienst wijkt substantieel af van gangbare marktprijzen (bijvoorbeeld circa 25% of meer), zonder dat hierbij een overtuigende toelichting is gegeven.
– Proportionaliteit binnen de totale begroting: het aandeel van een post staat niet in verhouding tot de aard of omvang van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij overheadkosten die relatief hoog uitvallen ten opzichte van de totale projectbegroting.
– Concentratie van middelen: er is sprake van een opvallende of ongebruikelijke concentratie van middelen bij één partij binnen het partnerschap, zonder dat dit inhoudelijk kan worden verklaard.
– Kosten zonder directe relatie met activiteiten: er zijn kosten opgenomen die niet direct bijdragen aan de uitvoering van de subsidiabele activiteiten of de beoogde resultaten.
– Dubbele of meervoudige opname van kosten: dezelfde kosten worden onder verschillende posten of via meerdere betrokken partijen opgevoerd, of er is geen duidelijk onderscheid tussen interne en externe personeelskosten, waardoor het risico op dubbelfinanciering ontstaat.
Wanneer DUS-I of de beoordelingscommissie op basis van deze richtlijnen vermoedt dat sprake is van excessieve begrotingsposten, kan de aanvrager om een nadere toelichting of aanpassing van de begroting worden gevraagd. Indien de desgevraagde toelichting onvoldoende aannemelijk wordt geacht, kunnen de betreffende kosten (geheel of gedeeltelijk) buiten aanmerking worden gelaten bij de bepaling van de subsidiabele kosten, of kan de aanvraag worden afgewezen.
Daarnaast stelt dit artikel dat de penvoerder bij de aanvraag de twee meest recente jaarrekeningen moet overleggen. Indien de penvoerder controleplichtig is, dienen de jaarrekeningen van de jaren waarin de penvoerder controleplichtig was, voorzien te zijn van een controleverklaring. Indien de penvoerder niet controleplichtig is, dient de meest recente jaarrekening te worden voorzien van een beoordelingsverklaring. De controleverklaring dient te zijn afgegeven door een RA (Registeraccountant) of AA (Accountant-Administratieconsulent). De beoordelingsverklaring kan worden afgegeven door een bevoegde accountant, maar hoeft niet noodzakelijk door een RA of AA te komen. Bij de beoordeling wordt de gepubliceerde jaarrekening in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als leidend beschouwd, tenzij er gegronde redenen zijn om van deze jaarrekening af te wijken.
Onderwijsinstellingen zijn niet gebonden aan deze eis van het overleggen van jaarrekeningen voorzien van een controle- of beoordelingsverklaring bij de aanvraag.
De subsidie wordt verleend aan de penvoerder. De penvoerder dient een aanvraag in namens het partnerschap. Het partnerschap is gevormd ten behoeve van de uitvoering van een MDT-project en bestaat uit ten minste een penvoerder en één of meer andere partijen. De penvoerder is verantwoordelijk voor de samenwerking binnen het partnerschap en de uitvoering van het MDT-project volgens de voorwaarden en verplichtingen van de subsidieregeling. De penvoerder dient als enige aanspreekpunt voor de subsidieverstrekker.
In een partnerschap zit in ieder geval een MDT-aanbieder die MDT-trajecten voor jongeren faciliteert, toegang heeft tot een jongerennetwerk en begeleiding aan jongeren kan bieden. De andere instellingen in een partnerschap ondersteunen de MDT-aanbieder(s).
De penvoerder draagt zorg voor een Data Sharing Agreement (DSA). Deze overeenkomst wordt opgesteld met gebruikmaking van het door de minister vastgestelde modelformat, bekendgemaakt op de website van DUS-I.
De subsidie wordt in het aanvraagtijdvak 2026 verleend voor een subsidieperiode van drie jaar. Voor de nieuwe aanvraagronde is een totaalbedrag van € 115 miljoen beschikbaar.
De maximale subsidiebedragen per MDT-traject, per trajectvariant, zijn voor de aanvraagperiode 2026 naar beneden bijgesteld als gevolg van de verhoging van het minimale cofinancieringspercentage: van een 75%–25% verhouding tussen subsidie en cofinanciering naar een 70%–30% verhouding.
Het maximale uurtarief voor de inzet van intern en extern personeel is vastgesteld op € 130,–. Dit vaste uurtarief voor de inzet van intern en extern personeel was al leidend in de Subsidieregeling Maatschappelijke Diensttijd 2023. In bijzondere gevallen kan van dit tarief onderbouwd worden afgeweken. Dit betreft bijvoorbeeld de inhuur van specifieke expertise, zoals de inhuur van een accountant, of juridische expertise.
In lijn met de verduurzamingsambitie is het minimale cofinancieringspercentage verhoogd van 25% procent naar 30%. Deze verhoging vergroot het financieel eigenaarschap voor MDT-projecten. Er is bewust gekozen voor een stapsgewijze verhoging van 5%, om de haalbaarheid voor het veld te waarborgen. De totale kosten van een MDT-project (100%) worden gefinancierd met maximaal 70% subsidie en minimaal 30% cofinanciering. Eventuele cofinanciering die meer dan 30% van de totale kosten bedraagt, wordt in mindering gebracht op de subsidie.
Cofinanciering kan onder meer worden ingebracht door de penvoerder, partners in het partnerschap, of derden zoals gemeenten, bedrijven en/of fondsen. Een bijdrage mag zowel in de vorm van een financiële vergoeding (in cash) als in de vorm van goederen of diensten (in kind), waarbij de waarde wordt omgezet in bedragen. Ten tijde van de aanvraag tot verlening van subsidie dient minimaal 25% cofinanciering te zijn toegezegd in cofinancieringsverklaringen. De organisatie(s) die cofinanciering inbrengen dienen op 1 juni 2026 minimaal een jaar ingeschreven te staan in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
De penvoerder mag in de aanvraag tot verlening voor maximaal 5% cofinanciering garant staan. De penvoerder is dan gedurende de subsidieperiode verantwoordelijk voor het alsnog vinden van cofinanciers die dekking kunnen geven. Bij de vaststelling van de subsidie mag er geen sprake meer zijn van de garantstelling. De garantstelling moet bij vaststelling omgezet zijn in gerealiseerde cofinanciering. Om het risico dat de garantstelling niet volledig wordt omgezet in cofinanciering te mitigeren is het verplicht dat in de tussentijdse rapportage een beeld wordt geschetst van de voortgang van het verwerven van de cofinanciering.
De subsidieaanvragen voor het aanvraagtijdvak 2026 worden beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader en de beoordelingssystematiek in bijlage 2. De beoordelingscommissie adviseert de minister over de toewijzing van de aanvragen. Aanvragen worden na beoordeling gerangschikt op basis van hun score, zodanig dat een hoger toegekende puntenscore leidt tot een hogere rangschikking. Aanvragen die hoger gerangschikt worden komen eerder voor subsidieverlening in aanmerking in het geval van budgettaire overschrijding. Bij gelijke puntenscore zal loting plaatsvinden.
Deze wijziging in de beoordelingssystematiek heeft plaatsgevonden om sturing en toekenning op basis van kwaliteit van de aanvragen beter mogelijk te maken en past binnen de beoogde doorontwikkeling van het MDT-programma.
Dit artikel beoogt de financiële stabiliteit van de penvoerder en continuïteit van het MDT-project te borgen. Onverminderd artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht, kan subsidieverlening geweigerd worden wanneer het werkkapitaal van de penvoerder niet ten minste 10 procent van het aangevraagde subsidiebedrag bedraagt.
Garantstelling door samenwerkingspartner(s) binnen het partnerschap wordt onder voorwaarden toegestaan:
a. de garantstellingsverklaring wordt aangeleverd in het door DUS-I daarvoor beschikbaar gestelde modelformat;
b. uit de meest recente jaarrekening van de garantsteller blijkt dat de garantsteller beschikt over voldoende middelen ter dekking van het bedrag waarvoor garant wordt gestaan;
c. de meest recente jaarrekening van de garantsteller dient voorzien te zijn van een controleverklaring of een beoordelingsverklaring;
d. de garantsteller staat bij maximaal twee andere penvoerders garant.
e. de garantsteller staat op 1 juni 2026 minimaal een jaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
De penvoerder dient op 1 juni 2026 minimaal twee jaar ingeschreven te staan bij de Kamer van Koophandel.
Voor de beoordeling van de financiële stabiliteit van de penvoerder en garantsteller zijn de meest recente jaarrekeningen leidend.
In vergelijking met artikel 9f uit de regeling is de eis van een minimale solvabiliteit van 25% in artikel 9o niet langer als enkelvoudig uitsluitingscriterium opgenomen. Deze solvabiliteitseis is op de in 2025 toegepaste wijze niet passend gebleken voor een deel van het MDT-netwerk, zoals voor ANBI-stichtingen en -verenigingen. Solvabiliteit blijft in 2026 onderdeel van de integrale financiële toetsing, maar wordt niet meer als enkelvoudig uitsluitingscriterium gehanteerd.
Onderwijsinstellingen zijn uitgesloten van de afwijzingsgronden in dit artikel.
In dit artikel staan de verschillende subsidieverplichtingen die voor aanvraagtijdvak 2026 gelden voor de penvoerder beschreven.
De penvoerder is verplicht om te starten met de projectactiviteiten vanaf de datum van de subsidieverleningsbeschikking tot en met uiterlijk 31 maart 2027. Vanaf de startdatum kunnen subsidiabele kosten gemaakt worden.
De penvoerder levert na start van het MDT-project, eenmaal per 12 maanden een tussentijdse rapportage aan. In de tussentijdse rapportage wordt inzichtelijk gemaakt: de algemene voortgang van het project, de realisatie van het aantal MDT-trajecten en de voortgang van de verwerving en realisatie van de cofinanciering.
De penvoerder voert per variant tenminste 85% van het aantal bij de aanvraag voorgenomen MDT-trajecten, per trajectvariant, volledig uit. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan wordt de subsidie lager vastgesteld, conform artikel 13, derde lid, van de regeling.
De penvoerder draagt bij aan het vergroten van de herkenbaarheid en naamsbekendheid van MDT. Het gebruik van de afkorting 'MDT', in de naam van het project is verplicht bij alle online en offline communicatie-uitingen. Op de website is de penvoerder verplicht gebruik te maken van het MDT-logo. Verder maakt de penvoerder in alle communicatie-activiteiten van het partnerschap waar mogelijk gebruik van de huisstijl van MDT.
Het project heeft daarnaast een eigen website of een aparte projectpagina. De informatie hierop dient actueel te zijn met aanbod van MDT-plekken, aanmeldmogelijkheden, contactgegevens en informatie over MDT. Om als project goed vindbaar te zijn, is op www.doemeemetmdt.nl een zoekfunctionaliteit ontwikkeld. Vanuit de zoekfunctionaliteit wordt doorgelinkt naar het MDT-aanbod op de websites of aparte pagina’s van MDT-projecten.
Jongeren die MDT-trajecten volgen moeten bij aanvang van het MDT-traject tussen de 12 en 30 jaar oud zijn, en woonachtig zijn in Nederland. Dit betekent dat alle in Nederland geregistreerde jongeren kunnen deelnemen. Dat betreft ook doelgroepen als statushouders, (Oekraïense) vluchtelingen, EU-studenten en dak- en thuisloze jongeren, al dan niet met een briefadres. Ook niet-EU studenten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven kunnen deelnemen.
De penvoerder is verplicht jongeren die een MDT-traject afronden een ondertekend MDT-certificaat te verstrekken. Na verlening van de subsidie ontvangt de penvoerder meer informatie over de wijze waarop MDT-certificaten aangemaakt kunnen worden. Een MDT-certificaat is een document waarin wordt vermeld dat het MDT-traject volledig is afgerond en omvat minimaal de naam en geboortedatum van de deelnemer, het aantal uren dat door de deelnemer is doorlopen, en de start- en einddatum van het traject.
De penvoerder is verplicht tot het bijhouden van een gescheiden, projectspecifieke deelnemersregistratie, ten behoeve van de verantwoording zoals beschreven in artikel 13. Daarbij is de penvoerder, als verwerkingsverantwoordelijke, verplicht persoonsgegevens te verwerken van de deelnemende jongeren. De deelnemersregistratie bevat gegevens over de jongeren en het MDT-traject dat zij volgen en bevat minimaal de NAW-gegevens, geboortedatum, start- en einddatum van het traject, het aantal uren dat de jongere heeft doorlopen in het traject en het aantal uren begeleiding dat de jongere ontvangt. Daarnaast houdt de penvoerder een corresponderende administratie bij. Meer informatie is hierover te vinden in het accountantsprotocol. De deelnemersregistratie wordt gedeeld met de accountant.
De penvoerder is verplicht tot deelname aan meerdere onderdelen van onderzoek ten behoeve van de doorontwikkeling van het MDT-programma.
De penvoerder draagt er zorg voor dat medewerkers en vrijwilligers binnen het partnerschap die met jongeren werkzaam zijn, in het bezit zijn van een geldige Verklaring omrent gedrag (VOG).
Voor samenwerkingspartners die € 125.000 of meer van de subsidie hebben besteed, dient de penvoerder ervoor te zorgen dat een controleverklaring van een bevoegde accountant wordt verstrekt voor de eindverantwoording. De penvoerder is verantwoordelijk voor het tijdig ontvangen van deze verklaringen, het waarborgen van de compleetheid ervan en de tijdige aanlevering bij OCW via DUS-I.
De beoordelingscommissie adviseert de minister over subsidieverstrekking in 2026 op basis van de beoordelingscriteria en beoordelingssystematiek, zoals beschreven in bijlage 2, voor de ontvankelijke subsidieaanvragen. Subsidieaanvragen worden als ontvankelijk beschouwd wanneer zij volledig zijn en niet worden afgewezen op grond van artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 9m of artikel 9o.
In het zesde lid is bepaald dat een subsidieaanvraag moet voldoen aan de minimale eisen voor zowel de hoofdcriteria als de specifieke deelcriteria om voor subsidieverlening in aanmerking te komen.
De aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld, worden gerangschikt op basis van hun score. Hogere scores leiden tot een hogere rangschikking, wat betekent dat aanvragen met een hogere score voorrang krijgen bij subsidieverlening, binnen het beschikbare subsidieplafond.
Ontvankelijke aanvragen worden eerst beoordeeld op de deelcriteria van criterium 7, zoals beschreven in het zesde lid. Indien een aanvraag op basis van deze criteria wordt afgewezen, wordt de aanvraag niet verder beoordeeld op de overige criteria 1 tot en met 6 in bijlage 2. De deelcriteria van criterium 7 worden bewust als hard knock-out criterium gehanteerd, omdat voldoen aan het minimale cofinancieringspercentage een harde eis is uit de regeling, en omdat een sluitende meerjarenbegroting en een subsidiabel activiteitenplan essentieel zijn voor toekenning van de aanvraag.
Indien het aantal ontvankelijke aanvragen na de toets op de minimumeisen van criterium 7 (zesde lid) groter is dan 150, kan de minister besluiten aanvragen met een hoger cofinancieringspercentage voorrang te verlenen bij de selectie voor verder inhoudelijke beoordeling door de commissie. Dit besluit hangt af van de mate waarin het aantal aanvragen de drempel van 150 overschrijdt. Bij een geringe overschrijding wordt gekeken naar de uitvoerbaarheid van het extra aantal aanvragen.
De keuze voor de drempel van 150 ontvankelijke aanvragen is gebaseerd op de capaciteit van de beoordelingscommissie om alle aanvragen zorgvuldig te beoordelen binnen de beschikbare tijd en vergaderdagen. Deze drempel waarborgt een grondige en eerlijke beoordeling, zonder dat de kwaliteit van de beoordeling in het gedrang komt.
Het cofinancieringspercentage wordt berekend als het percentage van de totale cofinanciering ten opzichte van de totale projectkosten. De cofinanciering kan zowel in cash (in geld) als in kind (gewaardeerd in geld) bijdragen omvatten, zoals vastgelegd in de cofinancieringsverklaringen bij de aanvraag. De garantstelling van de penvoerder (maximaal 5%) telt mee in de berekening.
Bij gelijke cofinancieringspercentages, na controle door DUS-I, wordt door middel van een onafhankelijke loting bepaald welke aanvragen voorrang krijgen voor verdere inhoudelijke beoordeling door de commissie.
Dit betreft een technische wijziging, het aanvraagtijdvak 2026 is toegevoegd. De minister neemt binnen uiterlijk 22 weken na afloop van de periode waarbinnen subsidieaanvragen kunnen worden ingediend een besluit tot subsidieverlening. De beslistermijn loopt vanaf het moment dat de aanvraag volledig is.
Dit betreft een technische wijziging. Bij tussentijdse rapportage dient men aan de subsidieverplichtingen te voldoen. Pas na goedkeuring van de eerste tussentijdse rapportage kan overgegaan worden tot uitbetaling van het tweede voorschot.
De minister kan op verzoek van de penvoerder eenmalig de looptijd van het MDT-project met ten hoogste drie maanden verlengen, mits subsidievaststelling uiterlijk in 2030 plaatsvindt. Het verzoek tot verlenging kan ingewilligd worden indien dit noodzakelijk is voor de afronding van het MDT-project.
Deze wijziging maakt afwijking van de standaardtermijn uit de Kaderregeling OCW,SZW en VWS subsidies mogelijk. De aanvraagtermijn voor subsidievaststelling is bijgesteld naar 17 weken, nadat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, zijn verricht. Het is noodzakelijk om af te wijken van de Kaderregeling OCW,SZW en VWS subsidies, gelet op het feit dat aansluiting bij het kasritme en het lopende boekjaar wenselijk is, uitbetaling van het laatste voorschot bij subsidievaststelling dient namelijk in 2030 te geschieden.
Deze regeling is uitsluitend van toepassing op het Europese deel van Nederland. Voor MDT in Caribisch Nederland is een apart bedrag gereserveerd. Hiervoor wordt de reeds gehanteerde aanpak voortgezet, die aansluit bij de specifieke context in Caribisch Nederland.
In bijlage 2 is het nieuwe beoordelingskader, behorende bij artikel 10, derde lid, van de Subsidieregeling MDT toegevoegd. Dit beoordelingskader is ingegeven door de wens bij subsidieverlening meer te sturen op kwaliteit.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt ten aanzien van artikel I, onderdeel E terug tot en met 1 december 2023.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-13740.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.