Vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Veluwerandmeren

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

Artikel 1

De nieuwe tekst van het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 23 december 2009, nr. PDN 2010-076, houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Veluwerandmeren, het Vogelrichtlijngebied Veluwerandmeren en het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren (Stcrt. 2010, 2212), wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Veluwerandmeren” bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 27 maart 2026

Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en de gronden van bezwaar.

Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).

Bijlage bij artikel 1

Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Veluwerandmeren

Artikel 1 Aanwijzing Veluwerandmeren - Habitatrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het Habitatrichtlijngebied Veluwerandmeren.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG:

    H3140

    Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties

    H3150

    Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition

    H6430

    Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG:

    H1149

    Kleine modderkruiper (Cobitis taenia)

    H1163

    Rivierdonderpad (Cottus gobio)

    H1318

    Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Artikel 2 Aanwijzing Veluwerandmeren - Vogelrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het Vogelrichtlijngebied Veluwerandmeren.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A021

    Roerdomp (Botaurus stellaris)

    A027

    Grote zilverreiger (Egretta alba)

    A034

    Lepelaar (Platalea leucorodia)

    A037

    Kleine zwaan (Cygnus columbianus)

    A068

    Nonnetje (Mergus albellus)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A005

    Fuut (Podiceps cristatus)

    A017

    Aalscholver (Phalacrocorax carbo)

    A050

    Smient (Anas Penelope)

    A051

    Krakeend (Anas strepera)

    A054

    Pijlstaart (Anas acuta)

    A056

    Slobeend (Anas clypeata)

    A058

    Krooneend (Netta rufina)

    A059

    Tafeleend (Aythya ferina)

    A061

    Kuifeend (Aythya fuligula)

    A067

    Brilduiker (Bucephala clangula)

    A070

    Grote zaagbek (Mergus merganser)

    A125

    Meerkoet (Fulica atra)

    A298

    Grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus)

Artikel 3 Aanwijzing Natura 2000-gebied Veluwerandmeren

Artikel 4 Exclaveringsformule

  • 1.

    Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;

    • c.

      gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

    • d.

      erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;

    • e.

      tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;

    • f.

      verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

    • g.

      hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).

Artikel 5 Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijn: habitattypen en soorten

Artikel 6 Instandhoudingsdoelstellingen Vogelrichtlijn: broedvogels en niet-broedvogels

  • 1.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

  • 2.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.

Bijlage Nota van toelichting

1. INLEIDING

Het gebied Veluwerandmeren is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.

Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.

Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.

In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen onder de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.

Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.

In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.

In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen , genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen.

Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlage bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing. bijlage B omvat een nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

Er is een appendix toegevoegd aan dit besluit waarin een toelichting wordt gegeven op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Veluwerandmeren gebruikt zijn. Deze paragrafen komen uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

2. AANWIJZINGEN HABITAT- EN VOGELRICHTLIJN

Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Veluwerandmeren als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Veluwemeer en Wolderwijd” en onder nummer NL2003048 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio.

Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Veluwerandmeren als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 24 maart 2000 onder de namen “Drontermeer” (N/2000/327), “Veluwemeer” (N/2000/344), gewijzigd op 16 oktober 2002 (TRCJZ/2002/5717 II) en “Wolderwijd en Nuldernauw” (N/2000/345) aangewezen. Bij de Europese Commissie zijn de gebieden bekend onder nummers NL9802032 (Drontermeer), NL9802033 (Veluwemeer) en NL9802034 (Wolderwijd en Nuldernauw).

Met betrekking tot het Vogelrichtlijngebied kan er in dit besluit naast mogelijke grenswijzigingen ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.

Sinds het Natura 2000-aanwijzingsbesluit van 23 december 2009 zijn de speciale beschermingszones samengevoegd tot één Natura 2000-gebied: Veluwerandmeren (landelijkgebiedsnummer 76).

Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)2. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en de daarbij gehanteerde systematiek.

Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)3.

Het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren ligt in de provincies Flevoland, Gelderland en Overijssel en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Dronten, Zeewolde, Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nijkerk, Nunspeet, Oldebroek, Putten en Kampen.

3. GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEGRENZING

3.1 Gebiedsbeschrijving

De Veluwerandmeren ontstonden bij de drooglegging van de polders van Flevoland vanaf 1957. Ze betreffen de ondiepe zoetwatermeren Drontermeer, Veluwemeer en Wolderwijd/Nuldernauw die gemiddeld ruim een meter en op sommige plekken tot 5 meter diep zijn. Ze ontvangen hun water vanuit de Flevopolders en een aantal Veluwse beken en wateren aan de noordoostzijde via de Roggebotsluis af op het Vossemeer en in het zuidwesten via de Nijkerkersluis op het Nijkerkernauw/Eemmeer.

Het gebied heeft een slecht ontwikkelde land-water overgang in verband met een gefixeerd, tegennatuurlijk waterpeil. Langs het Drontermeer, het smalle randmeer tussen Roggebotsluis en Elburg, en het Veluwemeer is de voormalige Zuiderzeeoever nog te herkennen en zijn gevarieerde zandstranden langs Oostelijk Flevoland aanwezig. De Gelderse oever is grotendeels begroeid met een smalle rietkraag; alleen bij Elburg ligt een rietmoeras (Korte Waarden) dat relatief groot is voor de randmeren. In de jaren negentig is op de Gelderse oevers een aantal nieuwe moerasgebieden aangelegd. In 2000 is gestart met de aanleg van een aantal eilanden tussen het Harderbroek in Flevoland en de Hierdense beek in Gelderland. Ter hoogte van Horst bij Harderwijk is in het Wolderwijd met behulp van enige dammen kunstmatige luwte gecreëerd voor watervogels en ter bevordering van de groei van waterplanten.

De oostzijde van het Drontermeer wordt uitgebreid met een natuurontwikkelingsgebied van ca. 42 ha voor Roerdomp en Grote Karekiet. Dit terrein bestaat uit rietmoeras in ontwikkeling en open water dat in open verbinding staat met het Drontermeer. De aanleg van het gebied maakt deel uit van de integrale gebiedsontwikkeling IJsseldelta-Zuid dat onder andere voorziet in de uitbreiding van het recreatiegebied Roggebot ten noorden van het gebied, de aanleg van recreatieve voorzieningen langs het gebied, en de aanleg van een nieuwe -bevaarbare- IJsselarm (Reevediep) waarmee de IJssel en het Drontermeer met elkaar worden verbonden. Deze hoogwatergeul is bedoeld om in extreme omstandigheden hoogwater van de IJssel doeltreffend te kunnen afvoeren via het Drontermeer en het Vossemeer naar het IJsselmeer. De hoogwatergeul is opgenomen in het basispakket van de Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier (Stcrt. 2013, 506).

3.2 Landschappelijke context en kenmerken begrenzing

Veluwerandmeren behoort tot het Natura 2000-landschap “Meren en Moerassen”.

De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die van mindere kwaliteit zijn. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen4.

Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna5.

De grenzen van Vogelrichtlijngebieden worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I-soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten.

Het Drontermeer en Veluwemeer zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van een uitgestrekt zoetwatermeer met moeraszones die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten.

Het Wolderwijd-Nuldernauw is aangewezen als Vogelrichtlijngebied onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van een uitgestrekt zoetwatermeer dat als geheel het leefgebied vormt van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten.

Het zijn watergebieden die het leefgebied vormen van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeren als overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de Vogelrichtlijngebieden is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat in samenhang met Ketelmeer-Vossemeer en Arkemheen is voorzien in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan van bedoelde vogelsoorten6.

3.3 Geometrische begrenzing en oppervlakte

De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Voor zover van toepassing is daarbij onderscheid gemaakt tussen de begrenzingen van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Op hoofdlijnen bestaat het gebied uit de volgende deelgebieden: Drontermeer, Veluwemeer, Wolderwijd en Nuldernauw.

Het Habitatrichtlijngebied omvat de volgende deelgebieden van het Natura 2000-gebied: Drontermeer, Veluwemeer en het oostelijke deel van het Wolderwijd.

Het Natura 2000-gebied wordt in het noorden begrensd door de Roggebotsluis en in het zuiden door de Nijkerkersluis. In het westen door de stranden en voorlanden van het Drontermeer, Veluwemeer, Wolderwijd en Nuldernauw, of (waar die afwezig zijn) door de polderdijken van Flevoland. In het oosten door de overgang van moeraszone naar hoger gelegen delen (bossages, struiken of cultuurgronden), harde oevers en stranden van de hiervoor genoemde meren.

Water, moeras, moerasoevers, rietkragen en ruigten vallen binnen de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied.

Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van 6166 ha, dat zowel het Vogelrichtlijngebied als het Habitatrichtlijngebied betreft. Dit cijfer betreft de bruto-oppervlakte omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).

Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.

Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:

  • 24 maart 2000 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied;

  • 23 december 2009 en 30 maart 2017 voor de gebiedsdelen die met het Natura-2000 aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.

De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is op technische punten verbeterd (2009):

  • Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen buiten de begrenzing gebracht.

  • Aan de Flevozijde, langs de Nijkerkersluis en langs de Zeedijk is de grens gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals dijken, verhardingen en oeverlijnen van stranden.

  • Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen, is gelet op de kadastrale inschrijving7, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.

Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea’s toegelicht.

Aan de Gelderse kant van het Drontermeer en het Veluwemeer is waar mogelijk de grens van zowel het Vogelrichtlijngebied (bijlage A) als het Habitatrichtlijngebied gelegd op de overgang van rietmoeras naar hoger gelegen gronden langs de kustlijn (2009). Waar de rietzone grenst aan recreatieve voorzieningen (ter hoogte van Doornspijk) is de kadastrale grens van het staatseigendom aangehouden. Ter hoogte van de recreatieve voorzieningen (onder andere jachthaven) bij Polsmaten is de kadastrale grens door het water gevolgd (deel was reeds uitgezonderd). Dit betekent plaatselijk uitbreiding met rietzoom (in totaal 33 ha) en elders terugleggen van de grens (in totaal 25 ha). Laatstbedoelde inkrimping betreft, naast bebouwing en dijkverhardingen, voornamelijk cultuurgronden (Vogelrichtlijn 3,4 ha, één meer dan 1 ha, zie bijlage A) en de genoemde jachthaven (7,7 ha).

Langs het toegevoegde natuurontwikkelingsgebied ten westen van Kampen volgt de grens aan de landzijde de buitenteen van de nieuw aangelegde waterkering, aan de zuidzijde de noordkant van de spoorlijn (tunnel Hanzelijn) en aan de noordzijde de zuidoever van het Nieuwe Reeve (de watergang langs de zuidzijde van Jachthaven Roggebotsluis) (2017).

De grens van het Habitatrichtlijngebied is ten opzichte van de aanmelding aangepast (2009):

  • Het Drontermeer is toegevoegd volgens de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied (578 ha) wegens het voorkomen van met name het habitattype kranswierwateren (H3140). Ook de drie soorten waarvoor het Habitatrichtlijngebied is aangemeld, zijn er aanwezig.

  • In het Veluwemeer is de grens gelijkgetrokken met die van het Vogelrichtlijngebied (uitbreiding circa 1.800 ha) omdat zowel de habitattypen (met name kranswierwateren (H3140)) als kleine modderkruiper (H1149), rivierdonderpad (H1163) en meervleermuis (H1318) over het gehele meer voorkomen. Bovendien zijn de hier aanwezige kranswiervelden onmisbaar voor de instandhouding van het habitattype c.q. helderheid van het water.

  • Ook in het Wolderwijd & Nuldernauw is de grens gelijkgetrokken met die van het Vogelrichtlijngebied (uitbreiding circa 1.900 ha). De ecologische argumentatie is gelijk aan die voor de uitbreiding van het Veluwemeer.

In vergelijking tot het ontwerpbesluit zijn verder de volgende wijzigingen in de begrenzing aangebracht (2009):

  • De uitbreiding in een reeks “recreatielandjes” (0,8 ha) ten noordwesten van Doornspijk is ongedaan gemaakt omdat dit geen oeverzone betreft of geen bijdrage kan leveren aan herstel van rietoevervegetatie.

  • De verwijdering van een terrein met oevervegetatie aan de monding van de Bijsselse Beek is ongedaan gemaakt (2 ha).

  • De begrenzing rond de Lorentzhaven is beter afgestemd op het voorkomen van het habitattype kranswierwateren (H3140) dat tevens een belangrijke voedselbron vormt voor watervogels (per saldo uitbreiding 6 ha).

Het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren wordt ter hoogte van Kampen tussen het recreatiegebied Roggebot (nabij de huidige Roggebotsluis) en de tunnel van de Hanzelijn uitgebreid met een recent aangelegd water- en rietmoerasgebied (42,7 ha), waarvan 8 ha compensatiegebied (ADC-toets) (2017). Door de aanwijzing wordt nieuw leefgebied voor soorten van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren geïntegreerd in Natura 2000. Dit gebied aan de oostzijde van de bestaande oeverwal is ontstaan door ontgraving van voormalige landbouwgronden (ook de bestaande oeverwal is opgenomen in de uitbreiding). In het oosten, noorden en zuiden wordt het omgeven door water dat in open verbinding staat met het Drontermeer. Door deze verbinding is het in hydrologisch en ecologisch opzicht een onderdeel geworden van het Drontermeer, het noordelijkste meer van de Veluwerandmeren. In de uitbreiding wordt ca. 20 ha waterriet ontwikkeld ten behoeve van grote karekiet (A298) en roerdomp (A021), waarvoor instandhoudingsdoelstellingen van toepassing zijn. Inrichting en beheer van het terrein zijn erop gericht zo snel mogelijk geschikt leefgebied voor beide soorten in de vorm van rietmoeras te creëren. Binnen het compensatiegebied is het aanbod van geschikt habitat voor de beide broedvogels inmiddels groter dan het verlies waarvoor de compensatie is bedoeld.8 De verwachting is dat de draagkracht voor beide soorten in het gehele gebied van 42,7 ha de komende jaren zal toenemen; deze is voor het peiljaar 2020 geschat op 1-3 Roerdompen en 2- 4 Grote Karekieten.9 De voor deze vogelsoorten noodzakelijke vegetatiestructuur wordt bereikt en in stand gehouden door passend beheer (zeer extensief cyclisch maaibeheer) op de gehele oppervlakte. Het ingerichte gebied zal door de aanwezigheid van open water en drassige oevers snel geschikt worden als leefgebied voor diverse pleisterende watervogels waarvoor het gebied is aangewezen (o.a. grote zilverreiger (A027), krakeend (A051), slobeend (A056) en meerkoet (A125)). Ook is het gebied geschikt als voedselgebied voor de meervleermuis (H1318), een van de soorten van bijlage II van de Habitatrichtlijn waarvoor het gebied is aangewezen.

4. NATURA 2000-WAARDEN

4.1 Inleiding

In artikel 1 en 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied ontleent. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen10. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde habitattypen en (vogel)soorten is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5).

Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elk habitattype en van elke soort waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Tenslotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing.

4.2 Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen
4.2.1 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I11)

Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H3140

Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. Vegetaties

Verkorte naam Kranswierwateren

H3150

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition

Verkorte naam Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

H6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

Verkorte naam Ruigten en zomen

betreft de subtypen:

H6430A

Ruigten en zomen (moerasspirea)

H6430B

Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

4.2.2 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II12)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau.

Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1149

Kleine modderkruiper (Cobitis taenia)

H1163

Rivierdonderpad (Cottus gobio)

H1318

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

4.2.3 Vogelrichtlijn: vogelsoorten (bijlage I en artikel 4.2)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:

A021

Roerdomp (Botaurus stellaris)

A027

Grote zilverreiger (Egretta alba)

A034

Lepelaar (Platalea leucorodia)

A037

Kleine zwaan (Cygnus columbianus)

A068

Nonnetje (Mergus albellus)

Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):

A005

Fuut (Podiceps cristatus)

A017

Aalscholver (Phalacrocorax carbo)

A050

Smient (Anas penelope)

A051

Krakeend (Anas strepera)

A054

Pijlstaart (Anas acuta)

A056

Slobeend (Anas clypeata)

A058

Krooneend (Netta rufina)

A059

Tafeleend (Aythya ferina)

A061

Kuifeend (Aythya fuligula)

A067

Brilduiker (Bucephala clangula)

A070

Grote zaagbek (Mergus merganser)

A125

Meerkoet (Fulica atra)

A298

Grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus)

Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzingen als Vogelrichtlijngebied (2000) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.

4.3 Habitatrichtlijn: waarden waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet
4.3.1 Habitattypen (bijlage I)

Voor niet-prioritaire habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen13 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor enkele verspreid over het land voorkomende habitattypen, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd14. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding15. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitattypen waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).

Habitat- type

Xa

Yb

Landelijke

oppervlakte c

Oppervlakte in

Veluwerandmeren d

Oppervlakte in

Yde gebied e

Selectie bij aanmelding

H3140

5

5

ca. 5.000

A3 (50-75%)

C (<2%)

ja

  • a.

    Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.

  • b.

    Aantal gebieden dat op grond van het onder (a) genoemde selectiecriterium voor het habitattype is geselecteerd (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • c.

    Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.

  • d.

    Oppervlakte in het onderhavige gebied, uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)

  • e.

    Oppervlakte van het habitattype in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied. (Niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, wanneer representativiteit in plaats van oppervlakte doorslaggevend was.)

4.3.2 Soorten (bijlage II)

Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten16 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd17. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding18. Er zijn geen soorten waarvoor Veluwerandmeren aan de selectiecriteria voldoet.

4.4 Verspreiding habitattypen en soorten in het Habitatrichtlijngebied

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Veluwerandmeren is bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en de leefgebieden van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving.

Kranswierwateren (H3140) komen nagenoeg vlakdekkend voor in de alle delen van het gebied die onder de Habitatrichtlijn zijn aangewezen langs de Gelderse en Flevolandse oevers van het Wolderwijd en het Nuldernauw. Het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) komt deels gemengd met habitattype kranswierwateren (H3140) voor, maar is in de loop der tijd grotendeels naar de randen van de kranswiervelden verdrongen.

De kleine modderkruiper (H1149) komt binnen de begrenzing algemeen voor, vooral in de ondiepe, met kranswieren begroeide delen van de meren. De rivierdonderpad (H1163) komt in de Veluwerandmeren voornamelijk voor langs de oevers van de meren, tussen de stenen van polderdijken, waar voldoende driehoeksmosselen, riet en takken als schuilmogelijkheid aanwezig zijn. Daarnaast fungeert het gebied als foerageergebied van meervleermuizen (H1318) die overdag in gebouwen in de wijde omgeving verblijven (zie ook paragraaf 5.4) en ‘s nachts via kanalen en beken naar de randmeren komen om boven het water te foerageren.

5. INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN

5.1 Inleiding

Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.

Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau.

Niet alle instandhoudingsdoelstellingen zijn in dit aanwijzingsbesluit gekwantificeerd (daarvoor moet een habitatkaart of beheerplan worden geraadpleegd). In die gevallen is het voor het bepalen van wat in de instandhoudingsdoelstellingen onder “behoud' dan wel “uitbreiding” of “verbetering” moet worden verstaan belangrijk te weten wat de referentiesituatie (of “nulsituatie”) is waarmee deze termen moeten worden vergeleken. Dat is eveneens van belang voor het handhaven van het verslechteringsverbod. De situatie ten tijde van het publiceren van een Natura 2000-aanwijzingsbesluit is bepalend voor wat onder “behoud” moet worden verstaan en vanaf welk niveau “uitbreiding” en “verbetering” nagestreefd moet worden. De instandhoudingsdoelstellingen die niet geconcretiseerd zijn moeten dus zó begrepen worden, dat het behoudsniveau van de habitattypen en soorten betrekking heeft op oppervlakte en kwaliteit, respectievelijk omvang en kwaliteit leefgebied en omvang populatie, zoals aanwezig op de datum van aanwijzen als Natura 2000-gebied. Dit is tevens het niveau van waaraf “uitbreiding” en “verbetering” nagestreefd moet worden. 

Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven.

Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied19. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort, waarvan het populatiedoel niet is geconcretiseerd met een getal, is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied voor “behoud” of “uitbreiding” van de populatie. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een vogelrichtlijnsoort waarbij het populatiedoel is geconcretiseerd met een getal is het doel in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een geconcretiseerde populatieomvang20. In deze formulering wordt er met de woorden “voor” of “met een draagkracht voor” een koppeling aangebracht tussen de doelcomponent leefgebied en de doelcomponent populatie. Dat heeft zijn oorzaak in het feit dat maatregelen in de regel aangrijpen op het leefgebied van de soort en niet op de soort zelf (het directe effect op het leefgebied werkt via het leefgebied indirect door op de soort). Dat laat echter onverlet dat ook de populatieomvang tot de instandhoudingsdoelstelling behoort en niet slechts van ondergeschikt of indicatief belang is.21

Voor zover van toepassing is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.

In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per habitattype en per (vogel)soort.

Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.

Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen22 kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).

5.2 Algemene doelen

Behoud en indien van toepassing herstel van:

  • 1.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie.

  • 2.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

  • 3.

    de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

  • 4.

    de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

5.3 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I)

H3140

Kranswierwateren

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het betreft hier het gebied met de grootste aaneengesloten oppervlakten van dit habitattype in ons land. De vegetatie is nog steeds gevoelig voor veranderingen in de nutriëntengehaltes. Door de zuiverende werking van de kranswiervegetatie kan het habitattype het water voldoende helder houden om te kunnen voortbestaan.

H3150

Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden komt deels gemengd met habitattype kranswierwateren (H3140) voor, en is in de loop der tijd grotendeels naar de randen van de kranswiervelden verdrongen.

H6430

Ruigten en zomen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) en harig wilgenroosje (subtype B).

Toelichting

Het habitattype komt, met matige kwaliteit, verspreid voor in de oeverlanden, in beperkte mate als subtype moerasspirea, maar vaker in de vorm van subtype harig wilgenroosje. Omdat het gebied niet tot de belangrijkste gebieden behoort en evenmin potenties heeft voor de brakke variant, is behoud van de huidige oppervlakte en kwaliteit voldoende.

5.4 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II)

H1149

Kleine modderkruiper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

Binnen de begrenzing komt de kleine modderkruiper algemeen voor. Vooral de ondiepe plantenrijke oeverzones vormen geschikt habitat.

H1163

Rivierdonderpad

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Enige achteruitgang in oppervlakte leefgebied ten gunste van of grote karekiet (A298) is toegestaan23. Broedvogelsoorten roerdomp (A021).

Toelichting

De rivierdonderpad komt in de randmeren voornamelijk voor langs de oevers van de meren. Hier vindt de soort geschikt habitat in de vorm van driehoeksmosselen, riet en voldoende takken als schuilmogelijkheid. Enige achteruitgang van het kunstmatige leefgebied is acceptabel mits dit ten gunste komt van genoemde vogelsoorten.

H1318

Meervleermuis

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

Het gebied fungeert als foerageergebied van meervleermuizen die overdag in gebouwen in de wijde omgeving verblijven (actieradius 10 km). Dit betreffen verblijfplaatsen in onder andere Hierden, Hulshorst, Hoef, Kampen, Harderwijk, Elburg, Oostendorp, Dronten, Nijkerk, Watergoor en Oldebroek met tientallen dieren. Een belangrijke vliegroute naar Veluwerandmeren loopt onder meer via de Hierdensche Beek.

5.5 Vogelrichtlijn: broedvogels

A021

Roerdomp

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5 paren (territoria).

Toelichting

In dit deel van de randmeren is de roerdomp een schaarse broedvogel. Met name het Drontermeer herbergt jaarlijks enkele territoria. In de periode 1987-1997 fluctueerde het aantal hier tussen 1 en 8. In de periode 2001- 2003 werden jaarlijks 3 territoria geteld. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie gewenst. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio randmeren ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A298

Grote karekiet

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren.

Toelichting

De grote karekiet is van oudsher broedvogel van de uitgestrekte rietkragen. Een telling in 1982 leverde 56 broedparen op en in 1989 en 1990 bedroeg het aantal broedparen 29. In de perioden 1999-2003 en 2007-2008 bedroegen de aantallen respectievelijk 15-20 en 30-35. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is herstel van de populatie op een relatief hoog niveau gewenst. Het doelniveau is gesteld op 40 omdat de uitgestrekte rietkragen (inclusief waterriet en oud riet) daarvoor op grond van de situatie in de jaren tachtig èn recente ontwikkelingen voldoende draagkracht moeten kunnen leveren. Dit is voldoende voor een sleutelpopulatie.

5.6 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

A005

Fuut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 400 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen futen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De Veluwerandmeren leveren één van de grootste bijdragen in Nederland. De soort is het hele jaar present, met pieken in oktober/november en maart/april. Midden jaren tachtig is de populatie toegenomen in samenhang met verbetering van de visstand (doorbreken dominantie grote brasem, meer kleine vis). Daarna was de populatiegrootte min of meer stabiel, met wel een zeer sterke toename in het Dronter- en Veluwemeer in 2002. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.

A017

Aalscholver

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 420 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de aalscholver met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De soort is het hele jaar present, met een piek in september/oktober en soms in juni. Er zijn relatief lage populatiedichtheden in Drontermeer en Nuldernauw. Midden jaren tachtig is de populatie toegenomen in samenhang met verbetering van de visstand. Er trad een tijdelijke afname op in 1998-2000 met daarna herstel. Aantallen fluctueren door het groepsgewijs voorkomen, in relatie tot de windrichting en de ligging van de kolonies (met name Oostvaardersplassen). Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A027

Grote zilverreiger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 40 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen grote zilverreigers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Het gebied Veluwerandmeren levert één van de grootste bijdragen in Nederland. Foeragerende vogels kwamen aanvankelijk alleen in het Drontermeer voor en dan vooral in het voorjaar. Recent treed een verschuiving op naar het najaar, met een sterke piek in november en in het Drontermeer al in augustus. Aantallen zijn sterk toegenomen. Er bestaat een relatie met de groeiende kolonie in de Oostvaardersplassen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A034

Lepelaar

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de lepelaar met name een functie als foerageergebied. Er treedt een piek in aantallen op omstreeks augustus. Sinds 2002 zijn de aantallen plotseling sterk toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A037

Kleine zwaan

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 120 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kleine zwanen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. Tot voor kort leverde het gebied Veluwerandmeren de grootste bijdrage in Nederland, en het levert nu nog één van de grootste bijdragen, met Arkemheen en Lauwersmeer. De kleine zwaan was de enige aquatisch foeragerende soort die in de jaren zeventig en tachtig in aantallen van betekenis voorkwam. De soort was in de jaren 1995-1998 in verhoogde aantallen aanwezig in samenhang met een sterke toename van het aantal waterplanten, maar is daarna teruggevallen tot het niveau van daarvoor, in samenhang met een afname van de internationale populatie- omvang, en mogelijk als gevolg van concurrentie met knobbelzwanen. Vooral later in het seizoen wordt op het omliggende grasland (met name oude landzijde) gefoerageerd. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.

A050

Smient

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.500 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de smient met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De soort is een wintergast, vooral aanwezig van november-maart en sterk geconcentreerd in het Nuldernauw, vooral sinds de aanleg van de geleidingsdam voor de monding van de schuitenbeek en het daarbijbehorende natuurontwikkelingsgebied (aantallen van internationale betekenis, maar voorlopig eenmalig). Er wordt enigszins gefoerageerd op waterplanten in zeer ondiepe gebieden, maar er is ook een relatie met natte graslanden in de omgeving, met name Nuldernauw-Arkemheen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A051

Krakeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 280 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen krakeenden zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De soort is het hele jaar present, maar vooral in september-februari, waarbij de periode september-november steeds belangrijker wordt. Aanvankelijk was de krakeend relatief schaars in het Drontermeer, maar dat is recent ingelopen. Er is sprake van een doorgaande toename, zoals overal in Nederland. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A054

Pijlstaart

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 140 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen pijlstaarten zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De soort is vooral aanwezig van september-december, met meestal een piek in oktober, en een kleine voorjaarspiek in maart. De pijlstaart was in de jaren zestig zeer talrijk, maar verdween toen de aangrenzende polder in cultuur werd gebracht en keerde terug in de jaren negentig in veel kleinere aantallen, om te foerageren op de herstelde kranswiervegetatie. Tot voor kort was de soort sterk geconcentreerd in het Veluwemeer, recent (sinds 2000) komt deze in vergelijkbare dichtheden voor in het Drontermeer. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A056

Slobeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 50 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de slobeend met name een functie als foerageergebied. De soort is vooral aanwezig van september-december, waarbij de piek is verschoven van november naar september. Recent is er ook weer een kleinere voorjaarspiek in april. De slobeend is relatief talrijk in het Veluwemeer, heeft minder sterk gereageerd op het ecologisch herstel dan andere soorten. Er is sprake van een licht doorgaande toename, maar met vrij grote fluctuaties. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A058

Krooneend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 30 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen krooneenden zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert één van de grootste bijdragen in Nederland (met Markermeer & IJmeer (deelgebied Gouwzee) en Vechtplassen). Vanaf de laatste jaren van de vorige eeuw is de populatie sterk toegenomen, in reactie op ecologisch herstel (toename kranswieren), en is de soort tegenwoordig jaarrond aanwezig, met de hoogste aantallen in maart-juni en november. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A059

Tafeleend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 6.600 vogels (seizoensgemiddelde). Enige achteruitgang in omvang foerageergebied ten gunste van kranswierwateren (H3140) is toegestaan24.

Toelichting.

Aantallen tafeleenden zijn van internationale en grote nationale betekenis Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert de grootste bijdrage in Nederland. De soort is vooral aanwezig in oktober-februari, met een sterke piek in november. De populatie is sterk toegenomen tussen 1992 en 1998 als reactie op het ecologisch herstel en het groeiende voedselaanbod van kranswieren en driehoeksmosselen. Aanvankelijk kwamen relatief lage dichtheden voor in het Drontermeer en Nuldernauw, later zijn aantallen toegenomen en sinds 1998 fluctuerend. De toename in de Veluwerandmeren ging samen met een forse afname in het Markermeer en IJsselmeer, terwijl de totale aantallen in het IJsselmeergebied constant bleven (bij een landelijk dalende trend). Afname van huidige aantallen is toegestaan wanneer verdere verbetering van de waterkwaliteit via uitbreiding van kranswier op grotere diepte ten koste gaat van de beschikbaarheid van driehoeksmosselen. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. Mogelijkheden voor verbetering kwaliteit leefgebied worden nader onderzocht alvorens het doel op herstel wordt gesteld.

A061

Kuifeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 5.700 vogels (seizoensgemiddelde). Enige achteruitgang in omvang foerageergebied ten gunste van kranswierwateren (H3140) is toegestaan25.

Toelichting

Aantallen kuifeenden zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De soort is aanwezig van september-maart, met een sterke piek in november. Het gebied Veluwerandmeren levert in Nederland de grootste bijdrage na het Markermeer & IJmeer en IJsselmeer. Er komen relatief hoge dichtheden voor in Wolderwijd en Nuldernauw. Omdat ’s nachts gefoerageerd wordt leveren deze gebieden als foerageergebieden niet noodzakelijkerwijs ook de grootste bijdragen (uitwisseling met Veluwemeer). Overdag wordt afhankelijk van de wind ook gerust in het Harderbroek. In de jaren negentig is de populatie sterk toegenomen in respons op ecologisch herstel, vooral toen midden jaren negentig de driehoeksmosselen terugkeerden. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. Als verdere verbetering van de waterkwaliteit via uitbreiding van kranswier op grotere diepte ten koste gaat van de beschikbaarheid van driehoeksmosselen, is afname die daarmee verband houdt aanvaardbaar.

A067

Brilduiker

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 220 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen brilduikers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De soort is wintergast van oktober-april. De populatie is sterk toegenomen sinds midden jaren negentig. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A068

Nonnetje

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 60 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen nonnetjes zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied Veluwerandmeren levert de grootste bijdrage in Nederland, na het IJsselmeer en het Markermeer & IJmeer. De soort is sterk geconcentreerd aanwezig in de wintermaanden december-maart, min of meer evenredig verdeeld over het gebied. In de jaren negentig was er sprake van een sterke doorgaande toename, mogelijk in relatie tot de bredere voedselkeus dan alleen vis, en veranderingen in bodemfauna (korfmosselen). De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is gebaseerd op de verslechterde voedselsituatie voor viseters in het IJsselmeer. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.

A070

Grote zaagbek

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 50 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen grote zaagbekken zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied Veluwerandmeren levert één van de grootste bijdragen in Nederland. De soort is sterk geconcentreerd aanwezig in de wintermaanden december- maart, lange tijd met relatief hoge dichtheden in het Drontermeer. Midden jaren tachtig zijn de aantallen toegenomen in samenhang met verbetering van de visstand, met daarna fluctuerende aantallen. De landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is gebaseerd op de afname en verslechterde voedselsituatie voor viseters in het IJsselmeer. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.

A125

Meerkoet

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 11.000 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen meerkoeten zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert de grootste bijdrage in Nederland. Hoogste aantallen zijn aanwezig in september-januari, waarbij eerst op kranswieren gefoerageerd kan worden en daarna op driehoeksmosselen. De populatie is sterk toegenomen in respons op ecologisch herstel en toenemend aanbod van deze twee voedselbronnen. Aanvankelijk kwam de soort sterk geconcentreerd voor in het Veluwemeer, waar het herstel voorop liep, later ook in de andere delen van het gebied. Anders dan bij kuifeend en tafeleend gaat de toename niet zozeer samen met toename elders in het IJsselmeergebied, zodat het totaal in het hele gebied evenzeer is toegenomen. Wel is in de overige zoete rijkswateren (rivierengebied) sprake van een duidelijke afname in de jaren negentig. Sinds 1998 zijn aantallen stabiel tot fluctuerend. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

Bijlage A

076. Veluwerandmeren: Veluwemeer

afbeelding binnen de regeling

076. Veluwerandmeren: Veluwemeer

afbeelding binnen de regeling

076. Veluwerandmeren: Veluwemeer

afbeelding binnen de regeling

076. Veluwerandmeren: Veluwemeer

afbeelding binnen de regeling

076. Veluwerandmeren: Veluwemeer

afbeelding binnen de regeling

076. Veluwerandmeren: Veluwemeer

afbeelding binnen de regeling

076. Veluwerandmeren: Drontermeer

afbeelding binnen de regeling

Kaartondergrond ©Topografische Dienst Kadaster, Emmen 2009

076. Veluwerandmeren: Drontermeer

afbeelding binnen de regeling

Kaartondergrond ©Topografische Dienst Kadaster, Emmen 2009

076. Veluwerandmeren: Veluwemeer

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Bijlage B

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

B.1 Wijzigingen in habitattypen en soorten ten opzichte van aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) (paragraaf 4.2.1 en 4.2.2)

In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) en harig wilgenroosje (subtype B), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.

In afwijking van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied niet aangewezen voor de habitatsoort bittervoorn (H1134). In het gebied is geen bestendige populatie bittervoorns aanwezig.

B.2 Wijzigingen in vogelsoorten ten opzichte van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000) en/of het ontwerpbesluit (2007) (paragraaf 4.2.3)

Het Natura 2000-gebied omvat drie Vogelrichtlijngebieden: Wolderwijd en Nulderdauw, Drontermeer en Veluwemeer. De vogelsoorten waarvoor het gebied in 2000 is aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)26. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)27. Een gebied wordt slechts aangewezen voor soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.

Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2005)28 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen. Om ecologische redenen die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing (2000) als Vogelrichtlijngebied maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de volgende trekvogelsoorten zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: krooneend (A058) en brilduiker (A067) als niet-broedvogels. De relatieve bijdrage van dit gebied door samenvoeging van de drie deelgebieden is voor de brilduiker dermate hoog dat dit gebied volgens recente gegevens (1999-2003) van betekenis is voor de landelijke staat van instandhouding van deze soorten. Voor de krooneend zijn de Veluwerandmeren één van de belangrijkste pleisterplaatsen in Nederland. Het gebied is daardoor van grote betekenis voor de instandhouding van de krooneend in Nederland.

B.3 Toepassing selectiecriteria Habitatrichtlijngebieden (paragraaf 4.3)

In dit onderdeel wordt voor elk habitattype en elke soort waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Indien kwaliteit een rol heeft gespeeld in de bepaling van de gebiedenselectie voor habitattypen is dit tekstueel toegelicht. In het geval van soorten betreft de relatieve bijdrage het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.

Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:

A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%

B1 = 2-6% en B2 = 6-15%

C = <2%

In de kolom “Bronvermelding” zijn de terreinbeherende organisaties, andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend, met vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd.

  • Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor het volgende habitattype:

Habitattype H3140 - Kranswierwateren

Landelijke oppervlakte ca. 5.000 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

076

Veluwerandmeren

A3 (50-75%)

Rijkswaterstaat 2007

073

Markermeer & IJmeer

A1 (15-30%)

Rijkswaterstaat 2005

094

Naardermeer

B1 (2-6%)

Landschap Noord-Holland 2009

083

Botshol

C (<2%)

Provincie Utrecht 2009

130

Langstraat

C (<2%)

Provincie Noord-Brabant 2009

146

Sarsven en De Banen

C (R, <2%) a

Provincie Limburg 2009

  • (a)

    De letter “R” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd teneinde een voldoende regionale spreiding te verkrijgen binnen het landelijke verspreidingsgebied van het subtype.

Ten tijde van de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden (2003) werden voor dit habitattype twee subtypen onderscheiden waarvoor voor elk drie gebieden zijn geselecteerd. Voor het eerste subtype van het “Verbond van Stekelharig kranswier (Charion fragilis)” zijn de volgende gebieden geselecteerd: Markermeer & IJmeer (073)29, Veluwerandmeren (076)30 en Naardermeer (094). Voor het tweede subtype, “Glanswier-verbond (Nitellion flexilis)”, zijn de volgende drie gebieden geselecteerd: Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (132), Langstraat (130)31 en Sarsven en De Banen (146).

In de huidige interpretatie van het habitattype kranswierwateren worden geen subtypen onderscheiden. Op basis van nieuwe informatie kunnen de volgende gebieden als belangrijkste worden geduid: Veluwerandmeren heeft verreweg de grootste oppervlakte met kranswierbedekking (vooral bestaande uit brokkelig kransblad en ruw kransblad): enkele duizenden hectaren. Op de tweede plaats komt het gebied Markermeer & IJmeer met ruim 1.000 ha kranswierwateren (sterkranswier en brokkelig kransblad).

Van de laagveenplassen komen Naardermeer en Botshol (083) op de derde en vierde plaats. Beide gebieden kenmerken zich door een grote rijkdom van kranswieren: Naardermeer tien (waaronder veel zeldzame soorten) en Botshol acht. Genoemde vier gebieden zijn de gebieden die voor het subtype “Verbond van Stekelharig kranswier (Charion fragilis)” zoals dat bij de aanmelding werd onderscheiden. Het vijfde belangrijkste gebied is het gebied Langstraat, vanwege het voorkomen van soortenrijke begroeiingen met zeldzame soorten als doorschijnend en puntdragend glanswier en kraaltjesglanswier. Ten behoeve van voldoende geografische spreiding kan hieraan Sarsven en De Banen worden toegevoegd.

B.4 Toewijzing instandhoudingsdoelstellingen aan Natura 2000-gebieden (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5)

De hier vermelde gebiedsdoelen en vermeldingen van de relatieve bijdrage van de Natura 2000-gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen nog aan verandering onderhevig zijn.

In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000 netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van betreffende habitattype of (vogel)soort vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd. Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en (vogel)soorten die zijn toegevoegd naar aanleiding van zienswijzen, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor het betreffende habitattype of de betreffende soort, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x.

De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Bij broedvogels en niet-broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse-indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage.

B.4.1 Habitatrichtlijn: habitattypen

Habitattype H3140 – Kranswierwateren

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

 
 
 

doel vervallen

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

A1

conform ontwerp

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

A3

conform ontwerp

083

Botshol

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & …

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

94

Naardermeer

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

146

Sarsven en De Banen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

Het overgrote deel van de landelijke oppervlakte van het habitattype kranswierwateren is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De twee gebieden met verreweg de grootste oppervlakten uitgestrekte kranswiervelden zijn de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer (073) en Veluwerandmeren (076). De staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. Op het aspect kwaliteit sluit de landelijke doelstellig hierop aan. Op het aspect oppervlakte is de landelijke doelstelling in lijn gebracht met de staat van instandhouding. In het Natura 2000 doelendocument (2006) werd behoud van de oppervlakte ten doel gesteld. Aangezien het habitattype landelijk in een gunstige staat van instandhouding gebracht moet worden en hiervoor goede potenties zijn in een groot deel van de gebieden waar dit habitattype voorkomt, is de landelijke doelstelling gewijzigd naar uitbreiding van de oppervlakte. Echter, niet alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan bij de landelijke doelstelling. In de gebieden Markermeer & IJmeer (073), Veluwerandmeren (076), Botshol (083) en Naardermeer (094) zijn zodanige oppervlaktes, van goede kwaliteit, van dit habitattype aanwezig, dat behoud voldoende is. In Sarsven en De Banen (146) en Langstraat (130) zijn behoudsdoelstellingen geformuleerd omdat in beide gebieden de geschikte plekken reeds door het habitattype worden bezet. In het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092) is de kwaliteit van het habitattype reeds goed. Daarom is er hier op het aspect kwaliteit een behoudsdoelstelling geformuleerd.

H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

013

Alde Feanen

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

A1

doel toegevoegd x

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

B2

conform ontwerp

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

083

Botshol

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

Ongeveer de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden wordt binnen de Natura 2000-gebieden beschermd (gebaseerd op een schatting van de oppervlakten van zowel begroeide als onbegroeide waterdelen van eutrofe meren en plassen). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als ”matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan.

In verscheidene gebieden wordt afgeweken van de landelijke doelstelling. In Olde Maten & Veerslootslanden (037) zijn behoudsdoelstellingen geformuleerd, omdat uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit al in voldoende mate in andere gebieden in Noordwest-Overijssel (De Wieden en Weerribben) kan worden gerealiseerd. In andere gebieden wordt er van de landelijke doelstelling afgeweken, omdat er geen mogelijkheid (ruimte) is om het habitattype uit te breiden en/of potentie om de kwaliteit ervan te verbeteren, bijvoorbeeld in Alde Feanen (013), Gelderse Poort (067) en Botshol (083). In het Naardermeer (094) is door recent herstel een aanzienlijk areaal van het habitattype aanwezig. Behoud is derhalve voldoende.

H6430A – Ruigten en zomen, moerasspirea

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage a

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

038/

066-068

Rijntakken

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

069

De Bruuk

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

097

Meijendel & Berkheide

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

112

Biesbosch

behoud

behoud

A2

aanwijzingsbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

145

Maasduinen

behoud b

behoud

C

wijzigingsbesluit

148

Swalmdal

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

154

Geleenbeekdal

behoud c

behoud

C

wijzigingsbesluit

167

Maas bij Eijsden

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    De relatieve bijdragen betreffen een inschatting, omdat de landelijke oppervlakte van dit subtype slechts globaal bekend is.

  • (b)

    Enige achteruitgang in oppervlakte is toegestaan ten gunste van behoud oppervlakte van habitattype stroomdalgraslanden (H6120)32.

  • (c)

    Enige achteruitgang in oppervlakte is toegestaan ten gunste van uitbreiding oppervlakte van habitattype kalkmoerassen (H7230).

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De landelijk opgave is gericht op het behoud van de huidige verspreiding van deze ruigten die meestal lintvormige begroeiingen vormen over het gehele rivierengebied. Bijzondere soorten van dit subtype zijn onder meer te verwachten in ruigten en zomen in extensief beheerde beekdalen die incidenteel overstromen met beekwater en in laagveenmoerassen. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling.

H6430B – Ruigten en zomen, harig wilgenroosje

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage b

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte water en Vecht

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

038/

066-068

Rijntakken

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit x

072

IJsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

091

Polder Westzaan

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

100

Voornes Duin

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

108

Oude Maas

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

uitbreiding

behoud

B

aanwijzingsbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

behoud

A

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

124

Groote Gat

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Verbetering kwaliteit geldt voor de brakke varianten.

  • (b)

    De weergegeven relatieve bijdragen betreffen een voorlopige inschatting, omdat er nog onduidelijkheid is over de landelijke oppervlakte van dit subtype. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) omdat kwantitatieve gegevens over het voorkomen van deze zoomvegetaties beperkt beschikbaar zijn. Oppervlakten zijn moeilijk te bepalen omdat het meestal slechts smalle stroken of kleine plekken betreft.

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan de landelijke doelstelling worden nagestreefd. De doelstelling voor uitbreiding van de oppervlakte wordt enkel nagestreefd in de belangrijkste gebieden voor dit habitattype, zoals Oude Maas (108), Haringvliet (109) en Biesbosch (112).

De landelijke doelstelling voor verbetering van de kwaliteit is alleen neergelegd in gebieden die potentie bieden voor verbetering van de kwaliteit van de brakke variant van dit habitattype.

B.4.2 Habitatrichtlijn: soorten

H1149 – Kleine modderkruiper

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Besluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

015

Van Oordt’s Mersken

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

016

Wijnjeterper Schar

 
 
 

doel vervallen

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

045

Springendal & Dal van de Mosbeek

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

conform ontwerp

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

behoud

conform ontwerp

083

Botshol

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud a

behoud

behoud

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & …

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

104

Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

behoud b

behoud

behoud

ontwerpbesluit

135

Kempenland-West

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

141

Oeffelter Meent

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

  • a.

    Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattypen schorren en zilte graslanden (H1330) of ruigten en zomen (H6430) is toegestaan33.

  • b.

    Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattype blauwgraslanden (H6410) is toegestaan34.

De landelijke staat van instandhouding voor de kleine modderkruiper is op het aspect leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke opgave. Inventarisatiegegevens over de soort zijn slechts in beperkte mate aanwezig, derhalve worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. Gezien de ruime verspreiding en het algemene voorkomen van de soort, voldoet de kwaliteit van het leefgebied op het merendeel van de vindplaatsen. Het streven is om het algemeen voorkomen van de kleine modderkruiper in Nederland te consolideren. Het is met name van belang om de soort in de kern van zijn verspreidingsgebied in hoge aantallen en wijdverspreid te behouden. Net als de grote modderkruiper kan de kleine modderkruiper daarnaast profiteren van de ingeslagen beleidswegen van de Kaderrichtlijn Water en het meer ecologisch beheren van wateren door waterschappen.

H1163 – Rivierdonderpad

Landelijke doelstelling: behoud/uitbreiding omvang en behoud/verbetering kwaliteit leefgebied a

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Doel

populatie

Besluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

049

Dinkelland

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

057

Veluwe

uitbreiding

behoud

uitbreiding

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

behoud

doel aangepast b

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

behoud

doel aangepast b

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

doel aangepast b

076

Veluwerandmeren

behoud c

behoud

behoud

conform ontwerp

083

Botshol

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & …

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

148

Swalmdal

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

157

Geuldal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

ontwerpbesluit

  • (a)

    Behoud omvang en kwaliteit leefgebied in de grote wateren en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied in de beken.

  • (b)

    In de doelstelling van IJsselmeer, Markermeer & IJmeer en Zwarte Meer is “behoud verspreiding” verwijderd, omdat alleen op landelijke schaal doelen voor verspreiding worden gesteld. Bovendien voegt deze verspreidingsdoelstelling weinig toe aan gebiedsdoelen, omdat vermindering van de lokale verspreiding (binnen het gebied) al snel ten koste gaat van de omvang van het leefgebied waarvoor altijd minstens een behoudsdoelstelling geldt.

  • (c)

    Enige achteruitgang in oppervlakte leefgebied ten gunste van broedvogelsoorten roerdomp (A021) of grote karekiet (A298) is toegestaan35.

De landelijke staat van instandhouding van de rivierdonderpad is op het aspect leefgebied beoordeeld “matig ongunstig”36. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In de beekdalgebieden is een landelijke hersteldoelstelling neergelegd. Er is alleen een hersteldoelstelling neergelegd in de gebieden Veluwe en Geuldal waar het leefgebied het meest onder druk staat en er mogelijkheden zijn voor herstel van het leefgebied en van de populatie.

H1318 – Meervleermuis (zomer)

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Doel

populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en …

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

behoud

B1a

conform ontwerp

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

behoud

B1a

conform ontwerp

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp

083

Botshol

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    De relatieve bijdrage geldt voor het Natura 2000-gebied als geheel, dus voor het Habitatrichtlijngedeelte en het Vogelrichtlijngedeelte gecombineerd.

De landelijke staat van instandhouding van de meervleermuis is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”37. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke opgave, die gericht is op behoud van foerageergebieden die gebruikt worden door meervleermuizen uit kraamkolonies en verblijfplaatsen in de omgeving van de betreffende Natura 2000-gebieden.

B.4.3 Vogelrichtlijn: broedvogels

A021 – Roerdomp

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

5

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

2

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

3 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

10

B1

ontwerpbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

4

C

ontwerpbesluit

014

Deelen

behoud

behoud

5 (↑)

C

conform ontwerp

020

Zuidlaardermeergebied

behoud

behoud

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

30 (↑)

B2

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

uitbreiding

verbetering

1

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

7 (↑)

B1

conform ontwerp

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

6 (↑)

C

conform ontwerp

075

Ketelmeer & Vossemeer

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

conform ontwerp

076

Veluwerandmeren

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

conform ontwerp

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B2

conform ontwerp

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

2 (↑)

C

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

10

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

15

B2

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

6 (↑)

C

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

137

Strabrechtse Heide & Beuven

behoud

behoud

5

C

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de roerdomp is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied als “zeer ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling omvat een herstelopgave voor zowel leefgebied als populatie: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding tot een populatie van ten minste 400 paren (territoria)”. De doelstelling is conform het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000).

Bij de roerdomp is het streven tenminste de gewenste minimumpopulatie voor Nederland te herstellen38. Dit betekent dat het beoogde herstel deels zal moeten worden bereikt in gebieden buiten het Natura 2000-netwerk. De Waddeneilanden bieden geen verdere ruimte voor uitbreiding gelet op de beperkte beschikbaarheid van rietmoerassen in de duingebieden, hier is dan ook voor een behoudopgave gekozen. In het gebied Duinen Schiermonnikoog (006) wordt met het huidige leefgebied herstel van de populatie beoogd. Het gebied Lauwersmeer (008) wijkt af omdat uit tellingen blijkt dat het gemiddeld voorkomen van de soort in dit gebied in het (recente) verleden niet groter is geweest dan het gemiddelde voorkomen waarop de doelstelling is gebaseerd. Het is dus onzeker of het gebied meer broedvogels kan herbergen dan nu het geval is. In het gebied Deelen (014) is er recent sprake van een toename van het aantal territoria in een bestaand leefgebied. Daarom wordt hier met behoud van het leefgebied uitbreiding van de populatie nagestreefd. In het gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (036) wordt met uitbreiding en verbetering van het leefgebied gestreefd om het huidige gemiddelde aantal territoria te behouden. Voor de gebieden Oostvaardersplassen (078), Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090) en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092) is voor behoud van de populatie en het leefgebied gekozen, omdat de populatie de laatste jaren reeds sterk toegenomen is. In de gebieden Zuidlaardermeergebied (020), De Wieden (035) en Zwanenwater & Pettemerduinen (085) wordt met het huidige leefgebied een kleine uitbreiding of herstel van de populatie beoogd.

A298 – Grote karekiet

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

014

Deelen

 
 
 
 

doel vervallen

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

uitbreiding

verbetering

2 (↑)

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B1

ontwerpbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B2

conform ontwerp

075

Ketelmeer & Vossemeer

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B2

conform ontwerp

076

Veluwerandmeren

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B2

doel aangepast a

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

3 (↑)

C

conform ontwerp

094

Naardermeer

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

50

A1

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    De doelstelling voor Veluwerandmeren is aangepast, omdat gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding herstel van de betreffende broedpopulatie gewenst is. Het doelniveau is verhoogd omdat de uitgestrekte rietkragen (inclusief waterriet en oud riet) daarvoor op grond van de situatie in de jaren tachtig èn recente ontwikkelingen voldoende draagkracht moeten kunnen leveren.

De landelijke staat van instandhouding van de grote karekiet is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. Landelijk is een herstelopgave geformuleerd: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 500 paren”. Naast de Oostelijke Vechtplassen (095) wordt ook in de Oostvaardersplassen (078) van de landelijke doelstelling afgeweken. In de Oostvaardersplassen wordt met behoud van het leefgebied een kleine uitbreiding van de populatie verwacht. De overige gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke instandhoudingsdoelstelling. De som van de gebiedsdoelen (300 paren) bedraagt 60% van het doelniveau. Dit impliceert dat een relatief groot gedeelte van de landelijke doelstelling, van deze van oudsher verspreid voorkomende broedvogel, moet worden bereikt in gebieden buiten het Natura 2000-netwerk.

B.4.4 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend39:

Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000-2003/2004).

Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004).

Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum.

Niet-broedvogelsoorten

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied

Vogelsoort

Aantal gebieden

Landelijke doelstelling

Populatie Veluwerand- meren

Relatieve bijdrage*

Besluit

A005 Fuut a;g

24

10.900

400

f, B1

conform ontwerp

A017 Aalscholver e

26

24.500

420

sf, C

conform ontwerp

A027 Grote zilverreiger e

5

80

40 (max)

s

conform ontwerp

A034 Lepelaar e

22

1.225

3

f, C

conform ontwerp

A037 Kleine zwaan b

29

4.820

120

sf, B1

conform ontwerp

A050 Smient e;f

45

258.200

3.500

sf, C

conform ontwerp

A051 Krakeend e;f

35

10.200

280

f, B1

conform ontwerp

A054 Pijlstaart c

25

7.850

140

f, C

conform ontwerp

A056 Slobeend e;g

38

5.750

50

f, C

conform ontwerp

A058 Krooneend c

2

40

30

f, A4

conform ontwerp

A059 Tafeleend d

18

20.900

6.600

f, A2

conform ontwerp

A061 Kuifeend c;g

21

75.700

5.700

f, B2

conform ontwerp

A067 Brilduiker e;g

10

4.380

220

f, B1

conform ontwerp

A068 Nonnetje a

18

690

60

f, B2

conform ontwerp

A070 Grote zaagbek d

7

1.800

50

f, B1

conform ontwerp

A125 Meerkoet e;g

23

89.700

11.000

f, B2

conform ontwerp

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (òf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).

  • a.

    Fuut en nonnetje: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd voor deze soorten vanwege slechte stuurbaarheid van vermoedelijke oorzaken (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • b.

    Kleine zwaan: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd. De recente afname is verbonden aan een afname op internationaal niveau en mogelijk aan enkele andere slecht stuurbare factoren (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • c.

    Pijlstaart, krooneend en kuifeend: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soorten geformuleerd, omdat deze staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • d.

    Tafeleend en grote zaagbek: ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soorten geformuleerd, vanwege slecht stuurbare oorzaken en enige compensatie door toename in de randmeren (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • e.

    Aalscholver, grote zilverreiger, lepelaar, smient, krakeend, slobeend, brilduiker en meerkoet: de staat van instandhouding van deze soorten is beoordeeld als “gunstig”40.

  • f.

    Smient en krakeend: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.

  • g.

    Fuut, slobeend, kuifeend, brilduiker en meerkoet: enige afname landelijk als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar.

Appendix

Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Drontermeer gebruikt zijn (2000).

Onderstaande paragrafen zijn afkomstig uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

3. Gebiedsbeschrijving, aanduiding leefgebied en begrenzing
3.2 Aanduiding leefgebied

Het Drontermeer is aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van een zoetwatermeer met moeraszones, dat als geheel het leefgebied vormt van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van een soort van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van deze trekvogelsoort (art. 4.2). De begrenzing van de beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat in samenhang met sbz Ketelmeer-Vossemeer, sbz Veluwemeer en sbz Wolderwijd-Nuldernauw voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan van bedoelde vogelsoorten.

Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 6).

4. Vogelkundige waarden
4.1 Kwalificerende vogelsoorten

Het Drontermeer kwalificeert als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van de Kleine Zwaan41 die het gebied benut als overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied kan hierdoor tevens worden aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands- Conventie (criterium 6).

Soort van Bijlage I waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet

Soort

Art. 4

Brva

Biogeogr. Populatieb

1% Biopopc

% in sbzd

Telperiode

Kleine Zwaan Cygnus columbianus

1

nee

W-Siberië/NW-Europa

170

2,1%

1993-97

  • a.

    De kwalificatie betreft niet-broedende vogels (indien ingevuld met "nee");

  • b.

    Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend

  • c.

    Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarde ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen)

  • d.

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie

4.2 Andere relevante vogelsoorten

Andere soorten van Bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, zijn Roerdomp (broedvogels); Lepelaar, Nonnetje (niet-broedvogels). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats: Aalscholver, Smient, Slobeend, Tafeleend. De oeverlanden zijn verder van belang als broedgebied voor de Grote Karekiet (trekvogel opgenomen in de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten). De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.

4.3 Plaatselijke omstandigheden

De aantrekkingskracht van het gebied voor Kleine Zwaan is vooral gelegen in het voorkomen van ondergedoken waterplanten (fonteinkruiden, kranswieren) die in het gebied over een uitgestrekte oppervlakte voorkomen en als voedselbron dient voor deze en andere in het gebied voorkomende watervogels (met name Tafeleend). Viseters als Aalscholver en Nonnetje komen verspreid over het gehele meer voor. De Slobeend is gebonden aan ondiepten langs het oude land. Lepelaars worden vooral aangetroffen op ondiepe en tijdelijk drooggevallen plekken langs het oude land. Daarnaast dient het gebied overdag ook als rustplaats voor Smienten, die elders foerageren. Roerdomp en Grote Karekiet nestelen in de rietkragen langs de oevers van het oude land.

Appendix

Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Veluwemeer gebruikt zijn (2000).

Onderstaande paragrafen zijn afkomstig uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

3. Gebiedsbeschrijving, aanduiding leefgebied en begrenzing
3.2 Aanduiding leefgebied

Het Veluwemeer is aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van een uitgestrekt zoetwatermeer met moeraszones die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert het als overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de Beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat in samenhang met sbz Ketelmeer-Vossemeer, sbz Drontermeer en sbz Wolderwijd-Nuldernauw, voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan van bedoelde vogelsoorten.

Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege de aanwezigheid van een bijzonder wetlandtype (criterium 1), het voorkomen van kwetsbare of bedreigde soorten of gemeenschappen (criterium 2) en het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 5,6).

4. Vogelkundige- en wetlandwaarden
4.1 Kwalificerende vogelsoorten

Het Veluwemeer kwalificeert als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn omdat het gebied behoort tot één van de vijf belangrijkste pleisterplaatsen van de Kleine Zwaan42 in Nederland. Het gebied kwalificeert tevens vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van Kleine Zwaan, Pijlstaart, Tafeleend en Meerkoet die het gebied benutten als overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied wordt ook aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands-Conventie, omdat er geregeld minstens 1% van de biogeografische populatie van een soort of ondersoort van een watervogel voorkomt (criterium 6) en vanwege het geregeld voorkomen van minstens 20.000 watervogels (criterium 5).

Soort van Bijlage I waarvoor het gebied tot "een van de vijf belangrijkste" in Nederland behoort

Soort

Art. 4

Brva

Totale populatieb

% in 5e c

% in sbz d

Telperiode

Kleine Zwaan Cygnus columbianus

1

nee

17 000

7,9%

11,0%

1993-97

Soort van Bijlage I en trekkende watervogelsoorten waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet

Soort

Art. 4

Brva

Biogeogr. populatiee

1% Biopopf

% in sbzg

Telperiode

Kleine Zwaan Cygnus columbianus

1

nee

W-Siberië/NW-Europa

170

11,0%

1993-97

Pijlstaart Anas acuta

2

nee

NW-Europa

600

1,0%

1993-97

Tafeleend Aythya ferina

2

nee

NW-Europa

3 500

4,2%

1993-97

Meerkoet Fulica atra

2

nee

NW-Europa (win)

15 000

1,4%

1993-97

  • a.

    De kwalificatie betreft niet-broedende vogels (indien ingevuld met "nee")

  • b.

    Omvang van de betreffende biogeografische populatie

  • c.

    Aantal in het op vier na belangrijkste gebied (5e gebied) uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie

  • d.

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie

  • e.

    Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend.

  • f.

    Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarde ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen)

  • g.

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie

4.2 Andere relevante soorten

Een andere soort van bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, is het Nonnetje (niet- broedvogel). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats: Aalscholver, Fuut, Smient, Krakeend, Slobeend, Kuifeend, Grote Zaagbek. De rietkragen zijn van belang als broedgebied voor de Grote Karekiet (trekvogel opgenomen in de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten). De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.

4.3 Plaatselijke omstandigheden

De aantrekkingskracht van het gebied voor Kleine Zwaan, Pijlstaart, Tafeleend en Meerkoet is vooral gelegen in het voorkomen van ondergedoken waterplanten (fonteinkruiden, kranswieren) die in een brede strook langs het oude land over een uitgestrekte oppervlakte voorkomen en als voedselbron dienen voor deze en andere in het gebied voorkomende watervogels. Ook de Slobeend is gebonden aan de ondiepe delen van het meer (langs het oude land). Visetende watervogels (Fuut, Aalscholver, Nonnetje, Grote Zaagbek) foerageren verspreid over de diepere delen van het meer. Kuifeend, Tafeleend en Meerkoet foerageren in de diepere delen aan de Flevozijde op driehoeksmossels. Kuif- en Tafeleend van het Veluwemeer rusten overdag veelvuldig op het aangrenzende Wolderwijd. In de zuidwesthoek van het meer bevindt zich een slaapplaats43 van Aalscholvers (in bomen op het eiland de Krooneend of in een hoogspanningsmast). Daarnaast dient het gebied ook als slaap- en drinkplaats voor zwanen, ganzen en Smienten die op het meer zelf en in de wijde omgeving voedsel zoeken. De oeverlanden langs het oude land zijn van belang als broedgebied voor de Grote Karekiet en andere moerasvogels.

Appendix

Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Wolderwijd en Nuldernauw gebruikt zijn (2000).

Onderstaande paragrafen zijn afkomstig uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

3. Gebiedsbeschrijving, aanduiding leefgebied en begrenzing
3.2 Aanduiding leefgebied

Het Wolderwijd-Nuldernauw is aangewezen als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van een uitgestrekt zoetwatermeer dat als geheel het leefgebied vormt van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de Beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat in samenhang met de sbz Arkemheen en sbz Veluwemeer, voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan van bedoelde vogelsoorten.

Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 6).

4. Vogelkundige waarden
4.1 Kwalificerende vogelsoorten

Het Wolderwijd en Nuldernauw kwalificeert als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van de Kleine Zwaan44en de Tafeleend die het gebied benutten als overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied kan hierdoor tevens worden aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands-Conventie (criterium 6).

Soort van Bijlage I en een trekkende watervogelsoort waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet

Soort

Art. 4

Brva

Biogeogr. populatieb

1% Biopopc

% in sbzd

Telperiode

Kleine Zwaan Cygnus columbianus

1

nee

W-Siberië/NW-Europa

170

1,6%

1993-97

Tafeleend Aythya ferina

2

nee

NW/NO-Europa

3500

2,1%

1993-97

  • a.

    De kwalificatie betreft niet-broedende vogels (indien ingevuld met "nee");

  • b.

    Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend

  • c.

    Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarde ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen)

  • d.

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie

4.2 Andere relevante soorten

Andere soorten van Bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, zijn Grote Zilverreiger en Nonnetje (niet-broedvogel). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats: Fuut, Aalscholver, Smient, Krakeend, Slobeend, Pijlstaart, Kuifeend en Meerkoet. De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.

4.3 Plaatselijke omstandigheden

De aantrekkingskracht van het gebied voor de Kleine Zwaan is vooral gelegen in het voorkomen van ondergedoken waterplanten (fonteinkruiden, kranswieren) die in het gebied over een uitgestrekte oppervlakte voorkomen en als voedselbron dienen voor Kleine Zwaan en andere in het gebied voorkomende watervogels (o.a. Tafeleend, Meerkoet). Daarnaast is het gebied in gebruik als slaap-, drink- en rustplaats voor Kleine Zwanen die overdag in sbz Arkemheen voedsel zoeken. Ook de aanwezigheid van driehoeksmosselen trekt watervogels aan, vooral Tafeleend en Kuifeend. Laatstgenoemde soorten foerageren ook veelvuldig op het Veluwemeer, terwijl overdag op het Wolderwijd wordt gerust. Daarnaast dient het gebied overdag ook als rustplaats voor de Smient. Visetende watervogels zoals Aalscholver, Fuut en Nonnetje worden verspreid over het gehele meer aangetroffen. De Aalscholvers die op het Wolderwijd vissen, gebruiken in het winterhalfjaar een slaapplaats in de zuidwesthoek van het aangrenzende sbz Veluwemeer. De overige zwemeenden (Pijlstaart, Slobeend, Krakeend) pleisteren met name langs de oevers van het oude land; de Krakeend ook langs de dijken van Flevoland. De Grote Zilverreiger wordt vooral in het noordelijk deel van het gebied aangetroffen.

Bijlage Gebiedsbegrenzingen

LEGENDA:

Artikel

Noemer

Indicatief/exact

GIO-id45

1, eerste lid

Habitatrichtlijngebied Veluwerandmeren

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2026/N2000_Veluwerandmeren_HR/nld@2026‑02‑12

2, eerste lid

Vogelrichtlijngebied Veluwerandmeren

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2026/N2000_Veluwerandmeren_VR/nld@2026‑02‑12

3, tweede lid

Natura 2000-gebied Veluwerandmeren

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2026/N2000_Veluwerandmeren_N2000/nld@2026‑02‑12

Toelichting bij vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Veluwerandmeren

1. Vaststelling nieuwe tekst

Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Veluwerandmeren, het Vogelrichtlijngebied Veluwerandmeren en het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.

2. Procedure

Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.

3. Inwerkingtreding

Omdat met dit besluit de inhoud ongewijzigd blijft, kan het meteen de dag na publicatie inwerking treden.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 27 maart 2026

  • 1

    Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.

  • 2

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 3

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 4

    De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.

  • 5

    Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 16 en 25. Terug naar link van noot.

  • 6

    De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 7

    Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.

  • 8

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 9

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 10

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 11

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 12

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15).rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 13

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 14

    Habitattypen waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: slijkgrasvelden (H1320) en ruigten en zomen, moerasspirea (H6430A) en ruigten en zomen, droge bosranden (H6430C). Terug naar link van noot.

  • 15

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 16

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 17

    Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd aan bijlage II. Terug naar link van noot.

  • 18

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 19

    Bij niet-broedvogels wordt daarbij (voor zover bekend) onderscheid gemaakt tussen het leefgebied voor een foeragerende populatie en voor een slapende populatie, omdat de aantallen van die populaties verschillend zijn en omdat het leefgebied voor foerageren en slapen verschillend kan zijn. Terug naar link van noot.

  • 20

    Voor het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor vogels is de volgende afrondingssystematiek gebruikt: 1-20 = niet afronden, 21-100 = afronden op vijftallen, 100-1.000 = afronden op tientallen, >1.000 = afronden op honderdtallen. Terug naar link van noot.

  • 21

    Uit jurisprudentie blijkt dat hierover misverstanden zijn gerezen. Aanleiding hiervoor was kennelijk de toelichting op pagina 63 van het Natura 2000 doelendocument (Ministerie van LNV, 2006), over de betekenis van de aantallen die voor vogels worden genoemd. Die toelichting wekte kennelijk (ten onrechte) de indruk dat de populatieomvang niet tot de instandhoudingsdoelstelling behoort. Terug naar link van noot.

  • 22

    Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting. Terug naar link van noot.

  • 23

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 24

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 25

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 26

    SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON- informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 27

    Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, selectiecriteria en methode van begrenzing. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 28

    SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON- informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 29

    Destijds bekend als Gouwzee en kustzone Muiden. Terug naar link van noot.

  • 30

    Destijds bekend als Veluwemeer en Wolderwijd. Terug naar link van noot.

  • 31

    Destijds bekend als Langstraat bij Sprang-Capelle. Terug naar link van noot.

  • 32

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 33

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 34

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 35

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 36

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 37

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 38

    Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1. Landelijke doelen broedvogels. Terug naar link van noot.

  • 39

    Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoenmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoengemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.

  • 40

    De beschreven staat van instandhouding van de meerkoet wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Op basis van de stabiele trend in de afgelopen 3 decennia is er geen sprake van een ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie. Zie het Natura 2000 profielendocument (2008). Terug naar link van noot.

  • 41

    Onderstreepte soort is opgenomen in Bijlage I van de richtlijn (artikel 4.1). Terug naar link van noot.

  • 42

    Onderstreepte soorten zijn opgenomen in Bijlage I van de richtlijn (art. 4.1). Terug naar link van noot.

  • 43

    De nachtelijke slaapplaatsfunctie van het gebied komt niet tot uiting in de opgegeven aantallen omdat deze berusten op overdag verrichte tellingen (vgl. Ardea 83: 172). Terug naar link van noot.

  • 44

    Onderstreepte soort is opgenomen in Bijlage I van de richtlijn (art. 4.1). Terug naar link van noot.

  • 45

    Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.

Naar boven