Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 13351 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 13351 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
Gelet op artikelen 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;
Besluit:
De nieuwe tekst van het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 januari 2009, nr. DRZO 2008-007, houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone, het Vogelrichtlijngebied Noordzeekustzone en het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (Stcrt. 2009, 38), wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Noordzeekustzone” bij dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Namens deze,
w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk
Plaats: ’s-Gravenhage
Datum: 27 maart 2026
Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.
Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en de gronden van bezwaar.
Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Noordzeekustzone.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG; (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje (*)):
H1110 | Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken |
H1140 | Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten |
H1310 | Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten |
H1330 | Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) |
H2110 | Embryonale wandelende duinen |
H2190 | Vochtige duinvalleien |
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire soorten aangeduid met een sterretje (*)):
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20) 1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Noordzeekustzone.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
De beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
A017 | Aalscholver (Phalacrocorax carbo) |
A048 | Bergeend (Tadorna tadorna) |
A062 | Topper (Aythya marila) |
A063 | Eider (Somateria mollissima) |
A065 | Zwarte zee-eend (Melanitta nigra) |
A130 | Scholekster (Haematopus ostralegus) |
A137 | Bontbekplevier (Charadrius hiaticula) |
A141 | Zilverplevier (Pluvialis squatarola) |
A143 | Kanoet (Calidris canutus) |
A144 | Drieteenstrandloper (Calidris alba) |
A149 | Bonte strandloper (Calidris alpina) |
A160 | Wulp (Numenius arquata) |
A169 | Steenloper (Arenaria interpres) |
Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.
De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone.
Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3. van de nota van toelichting.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;
gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;
tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;
verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).
De instandhoudingsdoelstellingen van de natuurlijke habitattypen, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.3 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.4 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.
Het gebied Noordzeekustzone is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.
Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.
Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.
Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.
In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen onder de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.
In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en (vogel)soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.
In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen genoemd in artikel 5 en 6 , nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen.
Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlage bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing. Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Noordzeekustzone als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Noordzeekustzone” en onder nummer NL2003062 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio.
Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Noordzeekustzone als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 7 april 2005 (DRR&R/2005/1065 II) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL9802001. Noordzeekustzone was al eerder bij besluit van 24 maart 2000 (N/2000/320) aangewezen als onderdeel van het Vogelrichtlijngebied “Waddeneilanden, Noordzeekustzone, Breebaart”, maar in beslissing op bezwaar van 7 april 2005 (DRR&R/2005/1065 II; Stcrt. 2005, nr. 69) is het in 2000 aangewezen gebied gesplitst in zes afzonderlijke Vogelrichtlijngebieden: Duinen Texel, Duinen Vlieland, Duinen Terschelling, Duinen Ameland, Duinen Schiermonnikoog en Noordzeekustzone.
Met betrekking tot het Vogelrichtlijngebied kan er in dit besluit naast mogelijke grenswijzigingen ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in hoofdstuk 4 en bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.
Sinds het Natura 2000-aanwijzingsbesluit van 30 januari 2009 zijn de beschermingszones samengevoegd tot één Natura 2000-gebied: Noordzeekustzone (landelijk gebiedsnummer 007).
Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen, habitats van soorten en de leefgebieden van vogels in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5 en 6) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)2. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en van de daarbij gehanteerde systematiek.
Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)3.
Het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone ligt in de provincies Fryslân, Groningen en Noord-Holland en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Ameland, Dongeradeel, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland, Eemsmond, Den Helder, Texel en Zijpe.
Het zandige kustgebied langs de Noordzee bestaat uit kustwateren, ondiepten, enkele zandbanken (o.a. Noorderhaaks) en de stranden van noordelijk Noord-Holland en de waddeneilanden. De kustwateren bestaan uit permanent met zeewater overstroomde zandbanken die maximaal 20 meter diep liggen. Op het land komen plaatselijk “groene stranden” voor. Op Schiermonnikoog zijn deze het beste ontwikkeld met een afwisseling van kwelders en vochtige duinvalleien.
Het gebied Noordzeekustzone behoort tot het Natura 2000-landschap “Noordzee, Waddenzee en Delta”.
De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die in kwaliteit zijn achteruitgegaan of gedegenereerd. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen (incl. nieuwe natuur) die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen4.
Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna5.
De grenzen van een Vogelrichtlijngebied worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I-soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten. Het gebied Noordzeekustzone is aangewezen onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van kustwater, zandstranden en platen die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert Noordzeekustzone als broed-, rui-, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat - in samenhang met het Vogelrichtlijngebied Waddenzee uit 1991 - voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/ of voortplanten van bedoelde vogelsoorten6.
De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone bestaat uit de kustwateren van de Noordzee tussen Bergen aan Zee en de Eems. De zeewaartse grens van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied is gelijkgetrokken en ligt op de doorgaande dieptelijn van NAP -20 meter. Op de (bewoonde) eilanden ligt de grens op de duinvoet. Langs de Noord-Hollandse kust ligt de grens op de laagwaterlijn. In de zeegaten tussen Noordzee en Waddenzee en ten oosten van Schiermonnikoog valt de grens samen met die van de Waddenzee (deze grens is gebaseerd op de Planologische Kernbeslissing Waddenzee).
Het Natura 2000-gebied heeft een oppervlakte van 144.474 ha. Dit cijfer betreft bruto-oppervlakte omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).
Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.
Met betrekking tot het grensverloop langs de duinvoet geldt het volgende voor zover van toepassing in het onderhavige gebied: De zeewaartse grens van duingebieden loopt langs de duinvoet van het buitenduin. Bij duinaangroei verplaatst de grens zich zeewaarts, bij duinafslag landinwaarts met de duinvoet mee.
Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:
24 maart 2000 en 7 april 2005 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied;
7 december 2004 voor de gebiedsdelen die geplaatst zijn op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio 7;
30 januari 2009 en 27 december 2010 voor de gebiedsdelen die met het Natura-2000 aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied is als volgt gewijzigd (2009):
De stranden Texel en Terschelling zijn overgeheveld van respectievelijk Duinen Texel en Duinen Terschelling naar de Noordzeekustzone (overeenkomstig de Vogelrichtlijnbegrenzing). Dit in analogie met de begrenzing van de Waddenzee (incl. kwelders, zandplaten en stranden). De stranden van Vlieland, Ameland en Schiermonnikoog maakten reeds deel uit van het Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone.
De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is als volgt gewijzigd (2009) (bijlage A):
De zeewaartse grens ter hoogte van Schiermonnikoog, Rottumerplaat en Rottumeroog is gelegd op de grens van het grensgebied tussen Nederland en Bondsrepubliek Duitsland in begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is als volgt gewijzigd (2009) (bijlage A):
De zeewaartse grens ter hoogte van Schiermonnikoog, Rottumerplaat en Rottumeroog is gelegd op de grens van het grensgebied tussen Nederland en Bondsrepubliek Duitsland in het Eems-Dollardgebied8. Dit betekent enerzijds een verkleining van het Vogelrichtlijngebied ten noorden van Rottumerplaat (overlap met het verdragsgebied, 122 ha) en anderzijds een uitbreiding ten noorden van Schiermonnikoog en Rottumeroog (166 ha, verbeelding A).
Een complex jonge duinen aan de noordzijde van de Boschplaat (ten westen Cupido’s Polder) is overgeheveld van Vogelrichtlijngebied Noordzeekustzone naar Duinen Terschelling (ca. 90 ha, verbeelding B). De aard van het gebied sluit beter aan bij het laatstgenoemde gebied dan bij de Noordzeekustzone.
Op Texel is het mondingsgebied van De Slufter (14 ha, verbeelding C) overgeheveld van Vogelrichtlijngebied Noordzeekustzone naar Vogelrichtlijngebied Duinen Texel zodat een meer logische en beter in het veld herkenbare grens ontstaat.
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone is als volgt gewijzigd (2010):
De zuidelijke grens is verlegd van Petten (Paal 22) naar Bergen aan Zee (Paal 34);
De zeewaartse grens van Bergen tot Schiermonnikoog ligt op de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn. Dit is tevens de grens van het voorkomen van het habitattype permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone (H1110B), dat voornamelijk voorkomt in mariene wateren tot een diepte van 20 meter.
De noordgrens wordt gevormd door de grens van het grensgebied tussen Nederland en Duitsland in het Eems-Dollardgebied9.
De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied Noordzeekustzone is als volgt gewijzigd (2010) (bijlage A):
De zeewaartse grens is gelegd op de doorgaande NAP –20 m dieptelijn, in plaats van 3 zeemijlen uit de kustlijn. Dit sluit beter aan op het leefgebied van de zwarte zee-eend, die tot maximaal 20 meter diep kan duiken. Deze zeewaartse grens omvat daarmee ook het overgrote deel van het leefgebied van roodkeelduiker en parelduiker tussen Bergen en de Eemsmonding. De wijziging betekent enerzijds een uitbreiding van 17.172 ha en anderzijds een verkleining van 4.225 ha (per saldo uitbreiding 12.947 ha).
De zuidgrens is verlegd van Petten (Paal 22) naar Bergen aan Zee (Paal 34). Dit is onderdeel van het leefgebied van de zwarte zee-eend, één van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Dit betekent een uitbreiding van 7.542 ha.
Met bovenstaande wijzigingen wordt invulling gegeven aan het voornemen tot een uitbreiding over te gaan zoals dat is omschreven in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (2009)10.
Het voornemen bestaat om in 2010 tot een uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied over te gaan op grond van het op 8 juli 2005 door de ministerraad vastgesteld Integraal Beheerplan Noordzee 2015. De zeewaartse grens wordt daarbij gelegd op de dieptelijn van 20 meter. Bij deze gelegenheid zal de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied worden gelijkgetrokken met die van het Habitatrichtlijngebied. Daaraan voorafgaand zal de beoogde uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied worden aangemeld bij de Europese Commissie (op grond van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn).
In artikel 1 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis ontleent als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen11. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde habitattypen en soorten is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, 6 en hoofdstuk 5).
Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elk habitattype en van elke soort waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Tenslotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing.
Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitattrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
H1110 | Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken Verkorte naam Permanent overstroomde zandbanken |
betreft het subtype: | |
H1110B | Permanent overstroomde zandbanken (Noordzee-kustzone) |
H1140 | Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten Verkorte naam Slik- en zandplaten |
betreft het subtype: | |
H1140B | Slik- en zandplaten (Noordzee-kustzone) |
H1310 | Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten Verkorte naam Zilte pionierbegroeiingen |
betreft de subtypen: | |
H1310A | Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) |
H1310B | Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur) |
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau.
Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:
A001 | Roodkeelduiker (Gavia stellata) |
A002 | Parelduiker (Gavia arctica) |
A132 | Kluut (Recurvirostra avosetta) |
A138 | Strandplevier (Charadrius alexandrinus) |
A157 | Rosse Grutto (Limosa lapponica) |
A177 | Dwergmeeuw (Larus minutus) |
A195 | Dwergstern (Sterna albifrons) |
Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):
A017 | Aalscholver (Phalacrocorax carbo) |
A048 | Bergeend (Tadorna tadorna) |
A062 | Topper (Aythya marila) |
A063 | Eider (Somateria mollissima) |
A065 | Zwarte Zee-eend (Melanitta nigra) |
A130 | Scholekster (Haematopus ostralegus) |
A137 | Bontbekplevier (Charadrius hiaticula) |
A141 | Zilverplevier (Pluvialis squatarola) |
A143 | Kanoet (Calidris canutus) |
A144 | Drieteenstrandloper (Calidris alba) |
A149 | Bonte strandloper (Calidris alpina) |
A160 | Wulp (Numenius arquata) |
A169 | Steenloper (Arenaria interpres) |
Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2005) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.
Voor niet-prioritaire habitattypen zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor enkele verspreid over het land voorkomende habitattypen, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd14. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding15. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitattypen waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).
Habitat-type | Xa | Yb | Landelijke oppervlaktec | Oppervlakte in Noordzeekustzoned | Oppervlakte in Yde gebiede | Selectie bij aanmelding |
H1110B | 3 | 4 | 590.000 | A1 (15-30%) | B2 (6-15%) | Ja |
H1140B | 3 | 2 | 5.000 | A3 (50-75%) | A1 (15-30%) | Nee |
H1310B | 3 | 3 | 300 | A1 (15-30%) | B2 (6-15%) | Nee |
H2110 | 5 | 5 | 500 | A2 (30-50%) | B1 (2-6%) | Nee |
Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot één van de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.
Aantal gebieden dat op grond van dit selectiecriterium voor het habitattype is geselecteerd (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).
Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.
Oppervlakte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte.
Oppervlakte van het habitattype in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied (niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, wanneer representativiteit in plaats van oppervlakte doorslaggevend was).
Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd16. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding. In de onderstaande tabel zijn de soorten vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de soorten waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).
Code | Soort | Xa | Yb | Landelijke populatiec | % in Noordzeekustzoned | % in Yde gebiede | Selectie bij aanmelding |
H1364 | Grijze zeehond | 5 | 3 | 1.800 – 2.000 | B1-B2 (2-15%) | B1 (2-6%) | Ja |
H1365 | Gewone zeehond | 5 | 5 | 4.200 – 5.500 | B1-B2 (2-15%) | C (< 2%) | Ja |
Aantal gebieden dat maximaal voor deze soort kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot één van de X belangrijkste gebieden” voor de betreffende soort.
Aantal gebieden dat op grond van het onder (a) genoemde selectiecriterium voor de soort is geselecteerd (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin deze soort is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).
Landelijke voortplantingspopulatie in exemplaren of aantal bezette kilometerhokken (km2).
Populatiegrootte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke populatie.
Populatiegrootte in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied.
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone is in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen (zie verder paragraaf 3.2). De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving. Gezien de in het gebied voorkomende erosie- en sedimentatieprocessen door water en wind wisselt voorkomen van de habitattypen in omvang, ruimte en tijd. De daarmee samenhangende vernieuwing, verjonging en veroudering van habitattypen (zoals H1310 en H2110) is een van de meest essentiële natuurlijke kenmerken van het gebied. Dit betekent ook dat de begroeiingen van het ene subtype in het andere of van het ene habitattype in het andere kunnen overgaan.
Het open zeegebied van Noordzeekustzone bestaat geheel uit subtype Noordzee- kustzone van habitattype permanent overstroomde zandbanken (H1110B).
Droogvallende platen (met name rond Noorderhaaks/Razende Bol) en de stranden tussen hoog- en laagwaterlijn betreffen subtype Noordzee-kustzone van habitattype slik- en zandplaten (H1140B). Beide subtypen van zilte pionierbegroeiingen (H1310A en H1310B) en schorren en zilte graslanden, zeekraal (H1330A) komen alleen voor op de zogenoemde “groene stranden” van Ameland en Schiermonnikoog. Embryonale duinen (H2110) komen verspreid voor op zandplaten en stranden van Texel tot en met Rottumerplaat. Vooral langs het Groene Strand van Schiermonnikoog is dit habitattype in uitgestrekte vorm aanwezig. Vochtige duinvalleien (H2190B) zijn thans, voor zover bekend, alleen aanwezig op het Groene Strand van Schiermonnikoog.
Bruinvissen (H1351) komen vooral in de wintermaanden in de gehele Noordzeekustzone voor. Grijze zeehond (H1364) en gewone zeehond (H1365) gebruiken het gebied om te foerageren, waarbij de grijze zeehond zich concentreert ten westen van Texel en Den Helder. In elk geval voor de populatie gewone zeehonden van de Waddenzee vormt de Noordzeekustzone ’s winters een belangrijk voedselgebied. De zeeprik (H1095), rivierprik (H1099) en fint (H1103) zijn verspreid over het zeegebied aangetroffen.
Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.
Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Tevens is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en soorten.
Niet alle instandhoudingsdoelstellingen zijn in dit aanwijzingsbesluit gekwantificeerd (daarvoor moet een habitatkaart of beheerplan worden geraadpleegd). In die gevallen is het voor het bepalen van wat in de instandhoudingsdoelstellingen onder “behoud' dan wel “uitbreiding” of “verbetering” moet worden verstaan belangrijk te weten wat de referentiesituatie (of “nulsituatie”) is waarmee deze termen moeten worden vergeleken. Dat is eveneens van belang voor het handhaven van het verslechteringsverbod. De situatie ten tijde van het publiceren van een Natura 2000-aanwijzingsbesluit is bepalend voor wat onder “behoud” moet worden verstaan en vanaf welk niveau “uitbreiding” en “verbetering” nagestreefd moet worden. De instandhoudingsdoelstellingen die niet geconcretiseerd zijn moeten dus zó begrepen worden, dat het behoudsniveau van de soorten betrekking heeft op omvang en kwaliteit leefgebied en omvang populatie, zoals aanwezig op de datum van aanwijzen als Natura 2000-gebied. Dit is tevens het niveau van waaraf “uitbreiding” en “verbetering” nagestreefd moet worden.
Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven.
Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied17. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort, waarvan het populatiedoel niet is geconcretiseerd met een getal, is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied voor “behoud” of “uitbreiding” van de populatie. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een vogelrichtlijnsoort waarbij het populatiedoel is geconcretiseerd met een getal is het doel in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een geconcretiseerde populatieomvang18. In deze formulering wordt er met de woorden “voor” of “met een draagkracht voor” een koppeling aangebracht tussen de doelcomponent leefgebied en de doelcomponent populatie. Dat heeft zijn oorzaak in het feit dat maatregelen in de regel aangrijpen op het leefgebied van de soort en niet op de soort zelf (het directe effect op het leefgebied werkt via het leefgebied indirect door op de soort). Dat laat echter onverlet dat ook de populatieomvang tot de instandhoudingsdoelstelling behoort en niet slechts van ondergeschikt of indicatief belang is.19
In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per habitattype en per (vogel)soort.
Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en soorten.
Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen20 op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, hun landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden, kernopgaven geformuleerd. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).
Behoud en indien van toepassing herstel van:
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijke niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
H1110 | Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken |
Doel | Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit permanent overstroomde zandbanken, Noordzee- kustzone (subtype B). |
Toelichting | Het subtype permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone (subtype B) komt voor in de buitendelta’s bij de zeegaten. Dit subtype verkeert landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding. |
H1140 | Slik- en zandplaten |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit slik- en zandplaten, Noordzee-kustzone (subtype B). |
Toelichting | Slik- en zandplaten Noordzee-kustzone (subtype B) komen in de zeegaten voor. Ze zijn over het algemeen tijdelijk, behalve ten zuidwesten van Texel, waar nu de Razende Bol ligt. Het betreft een zeer dynamisch habitattype waarvan de exacte locatie en de oppervlakte jaarlijks sterk kunnen wisselen ten gevolge van erosie- en sedimentatieprocessen. |
H1310 | Zilte pionierbegroeiingen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) en zeevetmuur (subtype B) komen voor op het Noordzeestrand van verschillende eilanden. Het gaat hier om een type dat door successie snel overgaat in andere habitattypen. |
H1330 | Schorren en zilte graslanden |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A). |
Toelichting | Het habitattype schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A) komt voor op het Noordzeestrand van verschillende eilanden. Het betreft een type dat door successie snel over kan gaan in andere habitattypen (onder andere H2190 vochtige duinvalleien). Binnen het gebied dient het habitattype ruim verspreid voor te komen. |
H2110 | Embryonale duinen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Het habitattype embryonale duinen komt voor op het Noordzeestrand van verschillende eilanden. Behoud van de oppervlakte geldt binnen de (sterke) natuurlijke fluctuaties, en kan gebeuren door behoud van het dynamische landschap met dit habitattype. |
H2190 | Vochtige duinvalleien |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B). |
Toelichting | Het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) komt voor op het Noordzeestrand. De begroeiingen op deze stranden zijn zeer jong. Verwacht wordt dat het habitattype zich lokaal zal uitbreiden door successie, waarbij de kwaliteit kan toenemen, maar op andere locaties kan het type door hoge dynamiek weer verdwijnen. |
H1095 | Zeeprik |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. |
Toelichting | De Noordzeekustzone is als leefgebied voor de zeeprik vermoedelijk van groot belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding niet in dit gebied ligt. Uitbreiding van de populatie kan tot stand komen door het elders verbeteren van de trekroute en verbeteren van zoet-zout overgangen. |
H1099 | Rivierprik |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. |
Toelichting | De Noordzeekustzone is als leefgebied voor de rivierprik van vermoedelijk groot belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding niet in dit gebied ligt. Uitbreiding van de populatie kan tot stand komen door het elders verbeteren van de trekroute en zoet-zout overgangen. |
H1103 | Fint |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. |
Toelichting | De Noordzeekustzone is als leefgebied voor de fint van groot belang. Het gaat waarschijnlijk vooral om finten die in het Duitse deel van de Eems paaien. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk. Uitbreiding van de populatie in deze regio is afhankelijk van maatregelen in Duitsland, omdat de soort voor zijn voortplanting afhankelijk is van de paaigebieden die voornamelijk in Duitsland liggen. |
H1351 | Bruinvis |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | De Noordzeekustzone is van belang voor de bruinvis. Hoewel de Nederlandse populatie nog steeds ver verwijderd is van de duurzame populatie die zich hier voortplant, herstelt de populatie in onze wateren zich sinds de jaren negentig sterk. Van een zeldzame wintergast is de bruinvis weer een vaste bewoner geworden. Ook worden sinds decennia opnieuw bruinvissen met jongen gezien. De toename in de Nederlandse wateren kan een gevolg zijn van een andere verdeling over de Noordzee als geheel. Vanwege de sterke verspreiding en mobiliteit van de soort in de gehele Noordzee is generieke bescherming meer geëigend dan bescherming in een specifiek gebied. |
H1364 | Grijze zeehond |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | Naast de Waddenzee is de Noordzeekustzone het belangrijkste gebied voor grijze zeehonden in Nederland. Het gebied heeft een belangrijke foerageerfunctie, met name in de winter. |
H1365 | Gewone zeehond |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | Het betreft één van de belangrijkste gebieden voor de gewone zeehond. Deze soort gebruikt ongestoorde, permanent of bijna altijd droogvallende zandplaten als rustgebied. Daarnaast heeft het gebied een belangrijke foerageerfunctie. |
H1903 | Groenknolorchis |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | De groenknolorchis komt alleen aan de randen van de Noordzeekustzone voor; het betreft populaties voorvan het grootste deel in vijf aangrenzende Natura 2000-gebieden voorkomt21. Gezien de vrij beperkte omvang, maar goede kwaliteit van de leefgebieden is behoud in dit gebied voldoende. |
A137 | Bontbekplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren. |
Toelichting | De bontbekplevier broedt verspreid in de Noordzeekustzone op zeer spaarzaam begroeide plaatsen langs kusten. De populatieomvang beweegt zich al enkele decennia tussen de 4 en 19 paren met een uitschieter in 2003 met 26 paren. Behoud van de verspreide en erratische populatie als link tussen de Delta en de Waddenzee is gewenst. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio westelijk Waddengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. |
A138 | Strandplevier |
Doel | Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 30 paren. |
Toelichting | Als broedvogel is de strandplevier vooral te vinden op zandige, schelpenrijke platen en in primaire duinen. De broedplaatsen bevinden zich vrijwel allen op de eilanden of eilandjes. Langs de kusten van het vaste land wordt maar sporadisch gebroed. De aantallen lopen al decennia lang terug met begin 80-er jaren nog maximaal 38 paren, halverwege de 90-er jaren maximaal 26 en vanaf 2000 maximaal 12. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is als doel uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd, vooral ook gezien de verbindingsfunctie tussen de Delta en de Waddenzee. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio westelijk Waddengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. |
A195 | Dwergstern |
Doel | Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren. |
Toelichting | De dwergstern is als broedvogel vrijwel verdwenen uit de Noordzeekustzone. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is als doel uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Westelijk Waddengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie onder meer op Razende Bol en in Duinen Texel. |
A001 | Roodkeelduiker |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | Aantallen roodkeelduikers zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De verspreiding van de roodkeelduiker in Nederland is grotendeels beperkt tot de kustgebieden van de Noordzee. In de Noordzeekustzone worden soms hoge dichtheden gezien in de buitendelta’s tussen de Waddeneilanden, waar gevist wordt op de scheiding tussen verschillende watermassa’s. In de reguliere tellingen is deze soort slecht vertegenwoordigd, maar recent lijken de aantallen landelijk te zijn toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A002 | Parelduiker |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting: | Aantallen parelduikers zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De verspreiding van de parelduiker in Nederland heeft zijn zwaartepunt in de kustgebieden van de Noordzee. De absolute aantallen en de trend zijn onbekend (en daardoor ook de staat van instandhouding) door een combinatie van lage aantallen en verwarring met de veel talrijkere roodkeelduiker. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A017 | Aalscholver |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.900 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Aantallen aalscholvers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De Noordzeekustzone is één van de gebieden die voor de aalscholvers in Nederland de grootste bijdrage leveren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A048 | Bergeend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 520 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de bergeend met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De slaapplaatsfunctie (strand) is van toepassing op bergeenden die elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A062 | Topper |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | Het gebied heeft voor de topper met name een functie als foerageergebied. Midden jaren negentig zijn relatief hoge aantallen geteld in de Noordzeekustzone, min of meer volgend op de afname in het IJsselmeer en de Waddenzee. Vergelijking met de situatie bij de eider suggereert een opvangfunctie voor de Noordzeekustzone in tijden van voedselschaarste in de andere twee genoemde gebieden, maar data uit de Noordzeekustzone zijn schaars. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. |
A063 | Eider |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 26.200 vogels (midwinter-aantallen). |
Toelichting | Aantallen eiders zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De Noordzeekustzone is belangrijk geworden in het begin van de jaren negentig, toen de aantallen hier toenamen, terwijl ze in de Waddenzee afnamen. Met name in jaren waarin een verlaagd voedselaanbod in de Waddenzee samen gaat met goede jaren voor andere schelpdieren (bijvoorbeeld Spisula) in de Noordzeekustzone foerageert hier een relatief hoog aantal. De recente afname in de Noordzeekustzone kan een teken zijn van een begin van herstel van de voedselsituatie in de Waddenzee, maar een dergelijk herstel is nog niet zichtbaar in de populatietrend. Omdat de aanwezigheid van eiders in de Noordzeekustzone waarschijnlijk is verbonden aan slechte omstandigheden in de Waddenzee, wordt daar de herstelopgave gelegd en wordt in de Noordzeekustzone volstaan met behoud van de opvangcapaciteit. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. |
A065 | Zwarte zee-eend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 51.900 vogels (midwinter-aantallen). |
Toelichting | Aantallen zwarte zee-eenden zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert verreweg de grootste bijdrage voor de zwarte zee-eend in Nederland. De soort is een wintergast. Er is geen duidelijke trend door grote fluctuaties, deels veroorzaakt doordat alleen tellingen uit januari beschikbaar zijn. De aantallen fluctueren mogelijk ook werkelijk van jaar op jaar door het wisselend aanbod aan schelpdieren (onder andere Spisula). De soort verkeert landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding. |
A130 | Scholekster |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.300 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de scholekster met name een functie als slaapplaats. Als zodanig levert de Noordzeekustzone één van de grootste bijdragen voor de soort binnen Nederland. De slaapplaatsfunctie/ hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op vogels die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. |
A132 | Kluut |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 120 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de kluut met name een functie als slaapplaats. De slaapplaatsfunctie/hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op kluten die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A137 | Bontbekplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 510 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Aantallen bontbekplevieren zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. De Noordzeekustzone voor de bontbekplevier het gebied dat na de Waddenzee de grootste bijdrage levert in Nederland. De functie slaapplaats/ hoogwatervluchtplaats is van toepassing op bontbekplevieren die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijke staat van instandhouding. |
A141 | Zilverplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.200 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Aantallen zilverplevieren zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Als zodanig levert de Noordzeekustzone voor de zilverplevier de grootste bijdrage binnen Nederland na de Waddenzee en de Oosterschelde. De slaapplaatsfunctie/hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op zilverplevieren die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A143 | Kanoet |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 560 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de kanoet met name een functie als slaapplaats. De slaapplaatsfunctie/hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op kanoeten die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. Strekdammen langs de Noord-Hollandse kust zijn bij dichtvriezen van de westelijke Waddenzee van belang als opvang. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. |
A144 | Drieteenstrandloper |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.000 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen drieteenstrandlopers zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Na de Waddenzee levert het gebied met ongeveer een kwart van de Nederlandse drieteenstrandlopers de grootste bijdrage. De soort is het hele jaar present, met lage aantallen in juni en juli. Sinds het midden van de jaren tachtig is de populatie fors toegenomen, net als in de Waddenzee. De landelijke staat van instandhouding is matig ongunstig omdat de hoge recreatiedruk effect heeft op de verspreiding. Desondanks nemen de aantallen toe. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A149 | Bonte strandloper |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 7.400 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Aantallen bonte strandlopers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Als zodanig is het één van de gebieden in Nederland die de grootste bijdrage leveren. De slaapplaatsfunctie/ hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op vogels die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A157 | Rosse grutto |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.800 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Het gebied heeft met name een functie als slaapplaats. Als zodanig is de Noordzeekustzone voor de rosse grutto het gebied in Nederland dat na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage levert. De slaapplaatsfunctie/ hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op vogels die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A160 | Wulp |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 640 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de wulp met name een functie als slaapplaats. De slaapplaatsfunctie/hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op vogels die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A169 | Steenloper |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 160 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen steenlopers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De Noordzeekustzone levert één van de grootste bijdragen voor de steenloper binnen Nederland (ondergeschikt aan de Waddenzee). Oudere trendgegevens ontbreken, maar beschikbare data vertonen een zelfde dip in de tweede helft van de jaren negentig als in de Waddenzee. Als dit te maken heeft met voedselbeschikbaarheid in de Waddenzee (mosselbanken en daaraan verbonden voedseltypen) biedt het Noordzeestrand blijkbaar geen uitwijkmogelijkheid, zoals bij enkele eendensoorten die naar de Noordzeekustzone uitweken. Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is geen herstelopgave geformuleerd voor de Noordzeekustzone, omdat de trend afgeleid is van die van de Waddenzee. |
A177 | Dwergmeeuw |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | Aantallen dwergmeeuwen zijn van (grote) nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het betreft één van de belangrijkste gebieden in Nederland. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. |
Grenswijzigingen Vogelrichtlijn 7. Noordzeekustzone

Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008

Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008

Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype slik- en zandplaten (H1140), dat voorkomt op de Noorderhaaks en langs de stranden van de eilanden (het betreft subtype B, Noordzeekustzone).
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype zilte pionierbegroeiingen (H1310), beide subtypen blijkens recente vegetatiekaarten voor te komen binnen de begrenzing van het gebied (zie ook paragraaf 4.4).
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype Schorren en zilte graslanden, buitendijks (H1330A). Op grond van de huidige kennis blijkt dat het subtype voor komt op het Noordzeestrand van verschillende eilanden.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor habitattype embryonale duinen (H2110), omdat dit habitattype blijkens recente vegetatiekaarten voorkomt binnen de begrenzing van het gebied (zie ook paragraaf 4.4).
In afwijking van het ontwerpbesluit (2007), maar conform de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), is het gebied niet aangewezen voor het habitattype witte duinen (H2120). Aangezien de grens met de Waddeneilanden meestal de duinvoet volgt, maakt dit habitattype alleen deel uit van de Waddeneilanden (en de Waddenzee).
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (H2190B). Het subtype is aanwezig op het Groene Strand van Schiermonnikoog.
In afwijking van de aanmelding van Noordzeekustzone II als Habitatrichtlijngebied (2008), zijnde de uitbreiding van Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone, maar conform het ontwerp-wijzigingsbesluit (2010), is het gebied niet aangewezen voor de elft (H1102). Bij aanmelding is, op basis van het onderliggende rapport van Bos et al. (2008)22, de relatieve bijdrage van de Noordzeekustzone aan de landelijke populatie als C (<2%) gemeld. De elft wordt echter slechts sporadisch aangetroffen bij bemonsteringen. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat deze bijdrage verwaarloosbaar (D) is. Voor natuurwaarden die “aanwezig maar verwaarloosbaar” in het gebied voorkomen, hoeft geen instandhoudingsdoelstelling in het aanwijzingsbesluit te worden opgenomen23. Ook is onbekend welke functie Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone II heeft voor de soort. Bovendien zal de soort kunnen profiteren van maatregelen voor andere vissoorten zoals de fint. Om deze reden is besloten de elft als soort te laten vervallen.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort groenknolorchis (H1903), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.
De vogelsoorten waarvoor het gebied in 2005 is aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)24. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)25. Een gebied wordt slechts aangewezen voor de soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien minstens 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie. Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2006)26 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen. Om ecologische redenen die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de vogellijst van dit gebied de volgende consequenties:
In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2005) maar conform het ontwerpbesluit (2007), zijn twee vogelsoorten van bijlage I aan het gebied toegevoegd: dwergmeeuw (A177) als niet-broedvogel en dwergstern (A195) als broedvogel. De dwergmeeuw was niet opgenomen door gebrek aan gegevens. Uit recente data (nieuwe (vliegtuig)telgegevens blijkt dat dit gebied van betekenis is voor de landelijke staat van instandhouding van deze soort als niet-broedvogel. De dwergstern is toegevoegd vanwege de bijdrage die het gebied kan gaan leveren aan het behalen van de landelijke instandhoudingsdoelstelling van deze soort, die vrijwel geheel is aangewezen op het Natura 2000-netwerk.
In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2005) maar conform het ontwerpbesluit (2007) is één vogelsoort van bijlage I niet meer opgenomen: slechtvalk (A103) als niet-broedvogel. Op grond van toegenomen kennis over aantallen, verspreiding en populatieomvang is voor deze soort alleen een instandhoudingsdoelstelling geformuleerd voor de vijf gebieden met de grootste bijdrage. Dit gebied valt daarbuiten en is overigens slechts van geringe betekenis voor de landelijke staat van instandhouding van deze soort als niet-broedvogel.
In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2005) maar conform het ontwerpbesluit (2007) zijn twee andere trekvogelsoort(en) zoals bedoeld in artikel 4.2 niet meer opgenomen: middelste zaagbek (A069) en grote zaagbek (A070), beide als niet- broedvogelsoorten. Opname van deze soorten in dit gebied was gebaseerd op een onvolledige dataset. Het gebied blijkt op grond van recente gegevens van marginale betekenis voor de landelijke staat van instandhouding van deze soort als niet-broedvogel, en er is geen landelijke verbeteropgave.
In dit onderdeel wordt voor elk habitattype en soort waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. Dit is de bijdrage van het gebied aan de landelijke instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype of de soort. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. In geval van soorten is dit het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen (vogels, grote zoogdieren, sommige planten) of aantal bezette plekken of kilometerhokken.
Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:
A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = > 75%
B1 = 2-6% en B2 = 6-15%
C < 2%
In de kolom Bronvermelding zijn de terreinbeherende organisaties, andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend onder vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd. Verklaring gebruikte afkortingen: AWD = Waternet, beheerder Amsterdamse Waterleidingduinen, DEF = Ministerie van Defensie, DSB = Dienst Stadsbeheer (Den Haag), DZH = Duinwaterbedrijf Zuid-Holland (beheerplan), LNH = Landschap Noord-Holland, NM = Natuurmonumenten, NPZK = Nationaal Park Zuid- Kennemerland, PWN = Provinciaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland, RWS = Rijkswaterstaat (kwelderkartering), SBB = Staatsbosbeheer, V&W = Ministerie Verkeer & Waterstaat, ZLD = provincie Zeeland, TOP10 = Topografische kaart 1:10.000 (* = aangevuld met andere bronnen).
H1110B - Permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone Landelijke oppervlakte ca. 590.000 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
007 | Noordzeekustzone | A1 (15-30%) | Topografische kaart |
113 | Voordelta | B2 (6-15%) | Aanwijzingsbesluit 2008 |
163 | Vlakte van de Raan | B1 (2-6%) | Topografische kaart |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | B1 (2-6%) | Aanwijzingsbesluit 2010 |
Bij de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden in 2003 zijn de drie volgende gebieden voor dit habitattype geselecteerd: Waddenzee (001), Voordelta (113) en Noordzeekustzone (007). In het Natura 2000 doelendocument (2006)27 is dit habitattype in twee subtypen verdeeld (respectievelijk getijdengebied en Noordzee-kustzone) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijk verschil in ecologische vereisten. Naast het voorkomen in het gebied Noordzeekustzone betreft ook het voorkomen in de Voordelta (naast subtype A) en Westerschelde & Saeftinghe (122) het subtype Noordzee-kustzone (H1110B).
Bij de aanmelding van de mariene Habitatrichtlijngebieden (2008) zijn in aanvulling op de eerste aanmelding in 2003 de drie volgende gebieden voor habitattype H1110 geselecteerd: Noordzeekustzone II28, Vlakte van de Raan (163) en Doggersbank (164). Aan Noordzeekustzone II en Vlakte van de Raan is het subtype Noordzee-kustzone toegekend.
De Noordzeekustzone (007)29 is het belangrijkste gebied voor subtype B in Nederland: ruim de helft van het aangewezen areaal van dit subtype ligt in de Noordzeekustzone. Op de tweede plaats komt de Voordelta en op de derde plaats de Vlakte van de Raan. Van de vier gebieden die voor habitattype H1110B zijn geselecteerd heeft gebied Westerschelde & Saeftinghe de kleinste relatieve bijdrage.
H1140B – Slik- en zandplaten, Noordzeekustzone Landelijke oppervlakte ca. 5.000 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
007 | Noordzeekustzone | A3 (50-75%) | TOP10 |
113 | Voordelta | A1 (15-30%) | Aanwijzingsbesluit 2008 |
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn de twee volgende gebieden voor dit habitattype geselecteerd: Waddenzee (001) en Voordelta (113). In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype inmiddels in twee subtypen verdeeld (respectievelijk getijdengebied en Noordzeekustzone) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De “belangrijkste gebieden” voor dit subtype zijn: Noordzeekustzone (007) en Voordelta (113). Dit zijn de enige twee gebieden waar het habitattype voorkomt. Met de huidige begrenzing van de Noordzeekustzone wordt momenteel circa driekwart van de landelijke oppervlakte door de twee gebieden afgedekt.
H1310B – Zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur Landelijke oppervlakte ca. 300 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
115 | Grevelingen | A3 (50-75%) | SBB 2003 |
007 | Noordzeekustzone | A1 (15-30%) | RWS 2004, SBB 1999, TOP10 |
002 | Duinen en Lage Land Texel | B2 (6-15%) | SBB 2005-06, DEF 2004 |
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden zijn voor dit habitattype de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002)30, Duinen Goeree 31(101), Grevelingen(115) en Zwin en Kievittepolder (123)32.
In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype inmiddels in twee subtypen verdeeld (resp. zeekraal en zeevetmuur) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De “belangrijkste gebieden” voor dit subtype zijn: Grevelingen (115), Noordzeekustzone (007) en Duinen Texel (002). Van deze gebieden herbergt de Grevelingen verreweg de grootste oppervlakte (ca. 65%). Op de tweede plaats staat Noordzeekustzone waar zich recent op het Groene Strand van Schiermonnikoog ook een forse oppervlakte heeft ontwikkeld. Duinen Texel staat op de derde plaats hoewel niet duidelijk is of dit subtype in de Waddenzee niet meer voorkomt dan de beschikbare karteringen aangeven. Op de 5de plaats staat Kwade Hoek dat onderdeel is van Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek (101). In de overige gebieden zijn slechts relatief kleine oppervlakten aanwezig.
H2110 – Embryonale duinen Landelijke oppervlakte ca. 500 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
007 | Noordzeekustzone | A2 (30-50%) | RWS 2004, SBB 1999 |
001 | Waddenzee | A1 (15-30%) | RWS 2002-06, SBB 1999 |
002 | Duinen en Lage Land Texel | B2 (6-15%) | SBB 2005-06, DEF 2004 |
004 | Duinen Terschelling | B2 (6-15%) | SBB 1999 |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | B1 (2-6%) | Aanwijzingsbesluit 2008 |
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor dit habitattype de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen Terschelling (004), Zwin & Kievittepolder (123)33, Duinen Schiermonnikoog (006) en Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)34. Tengevolge van herbegrenzing binnen het Waddengebied en het beschikbaar komen van meer kwantitatieve gegevens voldoen de volgende gebieden aan het criterium van “belangrijkste gebieden”: Noordzeekustzone (007), Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Terschelling (004) en Duinen Goeree & Kwade Hoek (101). Noordzeekustzone (007) blijkt na het beschikbaar komen van meer kwantitatieve gegevens het “belangrijkste gebied” voor het habitattype. Dit habitattype wordt vooral aangetroffen op de koppen van de waddeneilanden (onderdeel van de Natura 2000-gebieden 001 t/m 007) waar ruimte bestaat voor natuurlijke dynamiek. Ruim de helft van de landelijke oppervlakte van dit habitattype is daarom gelegen in het Waddengebied. In het Deltagebied is het belangrijkste gebied voor dit habitattype Kwade Hoek (101), waarmee het gebied landelijk op de vijfde plek staat.
H1351 – Bruinvis Landelijke populatie 11.200-22.200 individuen | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
007 | Noordzeekustzone | C (< 2%) | Ecomare, 1997-2002 |
H1351 Bruinvis
Bij de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden in 2003 is het gebied Noordzeekustzone (007) als enige gebied geselecteerd voor de bruinvis. Bij de aanmelding van de mariene gebieden in 2008 zijn geen gebieden meer geselecteerd voor de bruinvis wegens het sterk verspreid voorkomen op de Noordzee en omdat de betreffende Natura 2000-gebieden geen gebieden zijn die de fysische en ecologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Dit is in overeenstemming met de Marine Guidelines die door de Europese Commissie zijn opgesteld35. Gebaseerd op beschikbare informatie met betrekking tot de ecologische functie van het in 2003 aangemelde Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone kan ook hier geen onderscheid worden gemaakt ten aanzien van het essentiële belang van dit afzonderlijke gebied en de rest van de Noordzee. Wel is de bruinvis aangemeld voor de volgende gebieden: Noordzeekustzone (007)36, Vlakte van de Raan (163), Doggersbank (164) en Klaverbank (165).
In de periode oktober tot en met januari concentreren de dieren zich in het centrale deel van de Nederlandse Noordzee. Gedurende de maanden februari en maart komen de dieren tot dicht op de kust voor. Daarna vertrekken ze en bevinden ze zich verder op zee. In de laatste jaren lijkt de soort als wintergast toe te nemen in de Nederlandse kustwateren. De soort komt dan met name voor langs de Noord-Hollandse kust en ten noorden en noordwesten van de Waddeneilanden. Op basis van recente tellingen door IMARES in een brede strook tot ca. 100 km uit de kust37 wordt het Nederlandse deel van de bruinvispopulatie die in de zuidelijke Noordzee leeft, geschat op ca. 36.000 à 37.000 individuen.
H1364 – Grijze zeehond Landelijke populatie 1.800-2.000 individuen | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | A3 (50-75%) | Aanwijzingsbesluit 2009 |
007 | Noordzeekustzone | B1-B2 (2-15%) | Bos et al. (2008)a |
113 | Voordelta | B1 (2-6%) | Aanwijzingsbesluit 2008 |
Bos, O.G., E.M. Dijkman, J. Cremer, 2008. Gegevens voor aanmelding van mariene Habitatrichtlijngebieden: Doggersbank, Klaverbank, Noordzeekustzone, Vlakte van de Raan. IMARES rapport C081/08. Wageningen IMARES, Texel.
Bij de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden in 2003 zijn de volgende twee gebieden voor de grijze zeehond geselecteerd: Waddenzee (001) en Noordzeekustzone (007). Tevens is bij de aanmelding van de mariene Habitatrichtlijngebieden in 2008 de grijze zeehond voor de volgende vier gebieden aangemeld: Noordzeekustzone II38, Vlakte van de Raan (163), Doggersbank (164) en Klaverbank (165).
In de gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone39 bevindt zich ruim twee derde van de landelijke populatie, welke geschat wordt op 1.800-2.000 individuen. Daarmee voldoen deze twee gebieden aan het criterium “vijf belangrijkste gebieden van Nederland” dat op deze soort van toepassing is. Sinds de aanmelding van deze Habitatrichtlijngebieden in 2003 is het aantal grijze zeehonden toegenomen in de Voordelta (113) van 9 individuen in 2002 tot ruim 200 individuen in 2006.
H1365 – Gewone zeehond Landelijke populatie 4.200-5.500 individuen | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | A3 (50-75%) | Aanwijzingsbesluit 2009 |
007 | Noordzeekustzone | B1-B2 (2-15%) | Bos et al. (2008)a |
113 | Voordelta | C (<2%) | Aanwijzingsbesluit 2008 |
118 | Oosterschelde | C (<2%) | Aanwijzingsbesluit 2010 |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | C (<2%) | Aanwijzingsbesluit 2010 |
Bos, O.G., E.M. Dijkman, J. Cremer, 2008. Gegevens voor aanmelding van mariene Habitatrichtlijngebieden: Doggersbank, Klaverbank, Noordzeekustzone, Vlakte van de Raan. IMARES rapport C081/08. Wageningen IMARES, Texel.
Bij de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden in 2003 zijn de drie volgende gebieden voor de gewone zeehond geselecteerd: Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007) en Voordelta (113). Bij de aanmelding van mariene Habitatrichtlijngebieden in 2008 is deze soort aangemeld voor nog eens vier gebieden, te weten: Noordzeekustzone II40, Vlakte van de Raan (163), Doggersbank (164) en Klaverbank (165).
In de Waddenzee gaat het om gemiddeld 3.500 exemplaren (> 60% van de landelijke populatie) waarvan een deel ’s winters in de aangrenzende Noordzeekustzone leeft. In het Deltagebied gaat het recent om 110- 170 exemplaren waarvan het merendeel in de Voordelta. Daarmee vormen deze drie gebieden de drie belangrijkste gebieden voor deze soort. Uit recente gegevens blijkt dat het aantal individuen in Westerschelde & Saefthinge (122) en Oosterschelde (118) is toegenomen.
De hier vermelde gebiedsdoelen en vermeldingen van de relatieve bijdrage van de Natura 2000- gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen nog aan verandering onderhevig zijn.
In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding (SvI) van betreffende habitattype of (vogel)soort vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de SvI, is dit hier gemotiveerd. Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en soorten die zijn toegevoegd naar aanleiding van zienswijzen, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen.
De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudsopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Waar in de vogeltabellen wordt geschreven “A…b” betreft het een broedvogel en waar wordt geschreven “A…n" betreft het een niet-broedvogel. In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse-indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage. In de kolom “Populatie” wordt tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑).
H1110B – Permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | verbetering | A1 | conform ontwerp- wijzigingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
163 | Vlakte van de Raan | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
De Habitatrichtlijn heeft tot doel om landelijk een gunstige staat van instandhouding te bereiken voor elk habitattype van bijlage I, inclusief de ruimtelijke diversiteit en spreiding van het habitattype. De ruimtelijke variatie en spreiding van habitattype H1110 heeft in Nederland uitwerking gekregen in de subtyperingen van het habitattype. De landelijke staat van instandhouding van habitattype H1110B is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. In het Natura 2000 doelendocument (2006)41 is de landelijke doelstelling “behoud verspreiding, behoud oppervlakte en behoud kwaliteit” opgenomen. Deze landelijke doelstelling is voor het aspect kwaliteit gewijzigd in een verbeteropgave vanwege de landelijk voor dit aspect als “matig ongunstig” beoordeelde staat van instandhouding en het in internationaal verband “zeer grote” relatieve belang van dit habitattype. In het gebied Noordzeekustzone (007)42 is daarom verbetering van de kwaliteit van habitattype H1110B tot doel gesteld. Dit gebied beslaat meer dan de helft van het aangewezen areaal van dit habitattype. Gericht op het voorkomen van de achteruitgang is voor de gebieden Voordelta (113), Vlakte van de Raan (163) en Westerschelde & Saefthinge (122) behoud tot doel gesteld. Met deze benadering wordt een landelijk gunstige staat van instandhouding van het habitattype nagestreefd op een haalbare en betaalbare manier. Nu geldt dat voor alle subtyperingen van habitattype H1110 voor het gebied met de grootste relatieve bijdrage een verbeteropgave voor de kwaliteit van het habitattype wordt gehanteerd. Dit is afdoende voor het in gunstige staat van instandhouding brengen van het habitattype, inclusief de ruimtelijke diversiteit.
H1140B – Slik- en zandplaten, Noordzee-kustzone Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | A3 | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
Vrijwel het gehele landelijke areaal van dit subtype ligt in Natura 2000-gebieden. De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype slik- en zandplaten, Noordzee kustzone (subtype B) is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit op deze beoordeling aan. Beide gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.
H1310A – Zilte pionierbegroeiingen, zeekraal Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | A3 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | |||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
121 | Yerseke en Kapelse Moer | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | uitbreiding | behoud | A1 | ontwerpbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “gunstig”43. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect oppervlakte is met name gericht op de sterke achteruitgang in de Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) door erosie van de schorren. Uitbreiding oppervlakte wordt daarom alleen in deze twee gebieden beoogd. Voor de overige gebieden is behoud oppervlakte voldoende.
H1310B – Zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | doel vervallen | |||
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | |||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | A1 | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | B2 | Aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | C | Aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | A3 | Ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | C | Ontwerpbesluit |
Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur (subtype B) is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.
H1330A – Schorren en zilte graslanden, buitendijks Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | A3 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | |||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | behoud | C | Ontwerpbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | Aanwijzingsbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | C | Ontwerpbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | C | Aanwijzingsbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | B1 | Ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | uitbreiding | verbetering | A1 | Ontwerpbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | Ontwerpbesluit |
Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Waddenzee (001) en Westerschelde & Saeftinghe (122) herbergen tezamen meer dan 80% van de landelijke oppervlakte en kunnen daarmee ook de grootste bijdrage leveren aan de herstelopgave. In de andere gebieden is het habitattype reeds in goede kwaliteit aanwezig (dus behoud is voldoende) of is herstel waarschijnlijk niet mogelijk gegeven de getijdedemping ten gevolge van de aanleg van de stormvloedkering (Oosterschelde (118)).
Met deze gebiedsdoelen wordt de landelijke doelstelling voldoende afgedekt.
H2110 – Embryonale duinen Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | A1 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | doel vervallen | |||
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | doel vervallen | |||
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | |||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | A2 | conform ontwerp |
086 | Schoorlse Duinen | uitbreiding | behoud | C | Ontwerpbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | behoud | C | Ontwerpbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | B1 | Aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | B1 | Aanwijzingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | behoud | behoud | C | Ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | C | Ontwerpbesluit |
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype embryonale duinen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Met één uitzondering zijn de gebiedsdoelen in overeenstemming met de landelijke doelstelling. Het gebiedsdoel voor Schoorlse Duinen (086) wijkt af van het landelijk doel op het aspect oppervlakte. Het habitattype is langs de Hollandse kust betrekkelijk zeldzaam en door recente inrichtingsmaatregelen is er een situatie ontstaan met uitbreidingsmogelijkheden voor het habitattype in dit gebied. Met een uitbreidingsdoelstelling wordt beoogd optimaal gebruik te maken van de ecologische potenties van het gebied.
H2190B – Vochtige duinvalleien, kalkrijk Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | B2 | doel aangepast a |
003 | Duinen Vlieland | uitbreiding | behoud | C | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | behoud | B2 | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | uitbreiding | verbetering | C | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder – Callantsoog | uitbreiding | verbetering | B1 | Ontwerpbesluit |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | behoud | B1 | Ontwerpbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | B2 | Ontwerpbesluit |
097 | Meijendel & Berkheide | uitbreiding | verbetering | C | Ontwerpbesluit |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | behoud | behoud | C | Ontwerpbesluit |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | verbetering | B2 | Aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | uitbreiding | verbetering | B2 | Aanwijzingsbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | uitbreiding | behoud | C | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | A2 | Ontwerpbesluit |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | B1 | Ontwerpbesluit |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | C | Ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | C | Ontwerpbesluit |
Voor het gebied Duinen en Lage Land Texel (002) is het doel voor de oppervlakte aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit omdat het beheer reeds blijkt te zijn gericht op uitbreiding.
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (2190B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Wanneer er geen potentiële herstelmogelijkheden aanwezig zijn binnen de begrenzing van het gebied door bijvoorbeeld de mate van dynamiek, zoals in Waddenzee (001) en Noordzeekustzone (007), is er behoudsdoelstelling neergelegd. Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggend land.
H1095 – Zeeprik Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | conform ontwerp |
066 | Uiterwaarden Neder-Rijn | behoud | verbetering | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
067 | Gelderse Poort | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
068 | Uiterwaarden Waal | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
068 | Uiterwaarden Waal | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | concept-ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | uitbreiding | C1 | ontwerpbesluit |
150 | Roerdal | behoud | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de zeeprik is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”44. De doelstelling van de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Haringvliet (109), Hollands Diep (111), Biesbosch (112), Voordelta (113), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Roerdal (150) wijkt op het aspect omvang leefgebied af van de landelijke doelstelling, omdat het leefgebied voor de soort hier niet kan worden uitgebreid. De doelstelling van de gebieden Waddenzee, Noordzeekustzone, Hollands Diep, Biesbosch, Voordelta en Westerschelde & Saeftinghe wijkt op het aspect kwaliteit leefgebied af van de landelijke doelstelling, omdat de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op dit aspect niet wordt veroorzaakt door deze gebieden.
H1099 – Rivierprik Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | conform besluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | conform besluit |
025 | Drentsche Aa-gebied | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | concept-ontwerp |
066 | Uiterwaarden Neder-Rijn | behoud | verbetering | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
067 | Gelderse Poort | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
068 | Uiterwaarden Waal | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
068 | Uiterwaarden Waal | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | concept-ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | uitbreiding | C | ontwerpbesluit |
150 | Roerdal | behoud | verbetering | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
152 | Grensmaas | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de rivierprik is voor de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”. De doelstellingen van de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Drentsche Aa-gebied (025), Hollands Diep (111), Biesbosch (112), Voordelta (113), Westerschelde & Saefthinge (122) en Grensmaas (152) wijken op het aspect leefgebied af van de landelijke doelstelling. De landelijke matig ongunstige staat van instandhouding van de soort wordt niet veroorzaakt in deze gebieden. Door behoud van het leefgebied en het nemen van maatregelen elders wordt in deze gebieden uitbreiding van de populatie beoogd. In de Uiterwaarden Neder-Rijn (066), Haringvliet (109) en Roerdal (150) is uitbreiding van het leefgebied ook niet aan de orde, maar is wel kwaliteitsverbetering van het leefgebied ten doel gesteld. In het Roerdal en Haringvliet worden verbindingen met andere gebieden gelegd, in de uiterwaarden van de Neder-Rijn worden mogelijkheden voor de rivierprik als opgroeigebied verbeterd. De doelstelling van de gebieden Gelderse Poort (067) en Uiterwaarden Waal (068) sluit aan bij de landelijke doelstelling.
H1103 – Fint Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | conform ontwerp |
109 | Haringvliet | behoud | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | concept-ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | uitbreiding | C | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de fint is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. Landelijk is daarom uitbreiding van de populatie ten doel gesteld. Door behoud van doortrekgebieden en potentiële paaiplaatsen kan dit worden gerealiseerd. Alle gebiedsdoelen sluiten hierbij aan. Alleen voor het Haringvliet wijkt de doelstelling voor kwaliteit af van de landelijke doestelling. De verbetering van de kwaliteit heeft betrekking op onder andere de verbinding met het gebied Voordelta, zoals voorgesteld in de vorm van de “Kier”, waarbij de Haringvlietsluizen op een kier gezet zullen worden.
H1351 – Bruinvis Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | verbetering | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
163 | Vlakte van de Raan | behoud | verbetering | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
164 | Doggersbank | behoud | behoud | behoud | B1 | in voorbereiding |
165 | Klaverbank | behoud | behoud | behoud | B1 | in voorbereiding |
De landelijke staat van instandhouding van de bruinvis is beoordeeld als “matig ongunstig”45. In het Natura 2000 doelendocument (2006)46 is de landelijke doelstelling “behoud verspreiding, omvang en behoud kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie” opgenomen. Deze landelijke doelstelling is voor het aspect kwaliteit gewijzigd in een verbeteropgave vanwege de landelijk voor dit aspect als “matig ongunstig” beoordeelde staat van instandhouding. De oorzaken van de matig ongunstige staat van instandhouding kunnen op basis van de beschikbare informatie niet worden gekoppeld aan de afzonderlijke gebieden. De doelstelling voor de gebieden Noordzeekustzone (007) en Vlakte van de Raan (163) sluiten aan bij deze landelijke doelstelling. Gericht op het voorkomen van de achteruitgang is voor de gebieden Doggersbank (164) en Klaverbank (165) behoud tot doel gesteld. Met deze benadering wordt een landelijk gunstige staat van instandhouding van het leefgebied nagestreefd op een haalbare en betaalbare manier. Op basis van beschikbare informatie met betrekking tot de specifieke ecologische functie voor de bruinvis kan geen onderscheid gemaakt worden ten aanzien van het belang van de afzonderlijke gebieden enerzijds en de rest van de Noordzee anderzijds. Bescherming van de sterk mobiele soort in een specifiek gebied is daarom niet geëigend, maar moet aansluiten bij de relevante ecologische schaal van het voorkomen van de populatie bruinvissen (het zuidelijke deel van de Noordzee). Bescherming van de soort en realisatie van de doelstelling wordt bereikt door de uitvoering van het Bruinvisbeschermingsplan47.
H1364 – Grijze zeehond Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | behoud | A3 | aanwijzingsbesluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | behoud | B1-B2 | aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
163 | Vlakte van de Raan | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
164 | Doggersbank | behoud | behoud | behoud | C | in voorbereiding |
165 | Klaverbank | behoud | behoud | behoud | C | in voorbereiding |
De landelijke staat van instandhouding van de grijze zeehond is op het aspect populatie beoordeeld als “gunstig”. Op het aspect leefgebied is de staat van instandhouding beoordeeld als “matig ongunstig”, omdat veel ligplaatsen door verstoring ongeschikt zijn. Grijze zeehonden moeten daarom, voor het werpen van jongen, zandbanken opzoeken die regelmatig overspoeld worden. Hierdoor treedt frequent sterfte van jongen op. Het is onduidelijk of het huidige leefgebied geschikt genoeg is voor een duurzame populatie zonder immigratie. Recent neemt het aantal in de Nederlandse kustwateren geboren pups toe en neemt de immigratie vanuit het Verenigd Koninkrijk af. Uit tellingen van 2010 blijkt dat de grijze zeehond in grotere aantallen voorkomt dan als streefbeeld in het profiel is opgenomen. Dit lijkt te indiceren dat het ontbreken van voldoende permanent droge en onverstoorde ligplaatsen voor het werpen en zogen van jongen een minder groot probleem is dan verondersteld. Daarom kan worden volstaan met een landelijke behoudsopgave voor de kwaliteit van het leefgebied. De gebiedsdoelstellingen sluiten hierop aan. Naast de Waddenzee (001) is de Noordzeekustzone (007) het belangrijkste gebied voor de grijze zeehond in Nederland. Het gebied heeft, met name in de winter, een belangrijke foerageerfunctie. Gelet op de recente toename van de soort, wordt een behoudsdoelstelling voorlopig voldoende geacht. De gebiedsdoelstellingen sluiten hierop aan. Voor de gebieden in de Exclusieve Economische Zone (EEZ), Doggersbank (164) en Klaverbank (165), moet het volgende opgemerkt worden: op basis van beschikbare informatie over de ecologische functie van deze gebieden voor de grijze zeehond kan geen onderscheid gemaakt worden ten aanzien van het belang van de afzonderlijke gebieden enerzijds en de rest van de EEZ anderzijds. Hetzelfde is van toepassing voor de Vlakte van de Raan (163), dat mogelijk als foerageergebied dient voor dieren die zich in de nabije omgeving voortplanten of door het gebied trekken. In die Natura 2000-gebieden waar droogvallende zandplaten en of embryonale duinen (rust- en voortplantingsgebied) aanwezig zijn, kunnen gebiedsspecifieke maatregelen gericht op de verstoring een bijdrage leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling. Voor mariene gebieden waar deze ligplaatsen niet zijn, zijn generieke maatregelen met betrekking tot verstorende activiteiten meer geëigend.
H1365 – Gewone zeehond Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | uitbreiding | A3 | aanwijzingsbesluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | behoud | B1-B2 | aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
163 | Vlakte van de Raan | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
164 | Doggersbank | behoud | behoud | behoud | C | |
165 | Klaverbank | behoud | behoud | behoud | C | |
De gewone zeehond verkeert landelijk in een gunstige staat van instandhouding. De landelijke doelstelling wijkt hiervan af48, ten behoeve van herstel van de populatie na recente afname (door virussen), vooral in het Deltagebied. Zuid-West Nederland herbergt geen levensvatbare populatie. De oorzaak hiervan is een te laag geboortecijfer in het Deltagebied, waardoor de kleine populatie zichzelf niet in stand kan houden. In het Deltagebied wordt gestreefd naar een regionale populatie van ten minste 200 exemplaren, waarbij de Voordelta (113) de grootste bijdrage levert. Om dit doel te bereiken zal in de gebieden Voordelta, Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) het areaal aan onverstoord gebied moeten toenemen zodat deze gebieden meer geschikt worden voor voortplanting. Voor de voortplanting zijn ongestoorde, permanent of bijna altijd droogvallende platen noodzakelijk. In de Vlakte van de Raan (163), welke mogelijk als foerageergebied dient voor de dieren die elders in het Deltagebied van rustgebieden gebruik maken of door het gebied trekken, zijn droogvallende platen afwezig. In dit gebied wordt daarom afgeweken van de landelijke doelstelling en is behoud tot doel gesteld.
Ook in de Noordzeekustzone (007)49, Doggersbank (164) en Klaverbank (165) wordt van de landelijke doelstelling afgeweken en is geen verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en uitbreiding van de populatie ten doel gesteld. Het overgrote deel van de populatie bevindt zich in de Waddenzee (001). In de Waddenzee zijn de ligplaatsen goed beschermd, vooral tijdens zoog- en paringstijd. Met behoud van het huidige leefgebied wordt in dit gebied uitbreiding van de populatie ten doel gesteld. De populatie neemt de laatste decennia gestaag toe en het verspreidingsgebied is stabiel. De gestage groei van de populatie zal de komende jaren naar verwachting doorzetten, mits virussen uitblijven. Ook in de Noordzeekustzone, welke met name een foerageerfunctie voor de populatie uit de Waddenzee kent, gaat het goed met de soort.
Op basis van de meest recente gegevens kan geen onderscheid gemaakt worden tussen specifieke ecologische functies van de gebieden Doggersbank en Klaverbank enerzijds en de gehele Noordzee anderzijds. In deze gebieden wordt daarom behoud ten doel gesteld.
H1903 – Groenknolorchis Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit biotoop ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
006 | Duinen Schiermonnikoog | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
018 | Rottige Meenthe & Brandemeer | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
034 | Weerribben | behoud | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
094 | Naardermeer | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | behoud | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de habitatsoort groenknolorchis is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”50. De landelijke opgave sluit hierop aan. De kansen voor uitbreiding van populaties zijn in de meeste gebieden echter beperkt; er is daarom veelal voor een behoudopgave gekozen. In de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Vlieland (003), Duinen Terschelling (004), Duinen Schiermonnikoog (006) en Weerribben (034) is voor een behoudopgave gekozen, omdat de biotoop hier in voldoende mate en kwaliteit voorkomt. De behoudopgave in Waddenzee (001) en Noordzeekustzone (007) sluit hierop aan, omdat het dezelfde populaties betreft als die op de genoemde eilanden. In de Deltagebieden (Grevelingen (115) en Westerschelde & Saeftinghe (122)), hangen de ontwikkelingen van de populatie samen met de fluctuerende waterstanden en natuurlijke successie. In het IJsselmeer (072) worden de mogelijkheden voor herstel of uitbreiding zeer laag ingeschat. In de gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen (085), Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095) en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) gaat het om kleine populaties, waarvoor momenteel geen tot weinig uitbreidingsmogelijkheden worden gezien.
A137 – Bontbekplevier Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | 60 | A1 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | C | doel aangepast a |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | ||||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | 20 | B1 | conform ontwerp |
008 | Lauwersmeer | behoud | behoud | 4 | C | concept-ontwerp |
072 | Ijsselmeer | behoud | behoud | 10 | B1 | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 100R (↑) | C | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 100 R (↑) | B1 | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 100 R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | verbetering | 100 R (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | uitbreiding | verbetering | 100 R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
127 | Markiezaat | behoud | behoud | 100 R (↑) | C | ontwerpbesluit |
Het doel is aangepast van 5 naar 20 paar. In het ontwerpbesluit was geen rekening gehouden met de broedvogels in binnendijks gelegen terreinen langs de waddijk.
(R) Betreft een regionale doelstelling.
De landelijke staat van instandhouding van de bontbekplevier is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”51. De landelijke doelstelling voor de bontbekplevier luidt “Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 400 paren.” Dit is een wijziging ten opzichte van het Natura 2000 doelendocument, waar de doelstelling voor het leefgebied op behoud was gesteld. De landelijke doelstelling sluit met de wijziging aan op de staat van instandhouding voor het aspect leefgebied. De beoordeling “matig ongunstig” van het aspect populatie is gebaseerd op de recente aantalsafname.
In gebieden met de beste potenties dient leefgebied te worden hersteld voor uitbreiding van de lokale populatie om verdere afname van de landelijke populatie tegen te gaan. Dit herstel is voorzien voor Duinen Texel (002) en Duinen Terschelling (004). In vergelijking tot het ontwerpbesluit is de doelstelling voor Duinen en Lage Land Texel verhoogd van 5 naar 20 paar. In het ontwerpbesluit was geen rekening gehouden met de broedvogels in de diverse binnendijks gelegen terreinen langs de waddijk (Zandkes, Ottersaat, Petten, de Bol en Wagejot). Samen met de Waddenzee is een populatie van 110 broedparen ten doel gesteld voor het Waddengebied.
Ook in de Delta wordt een licht herstel van de populatie nagestreefd, om achteruitgang van de landelijke populatie buiten de Natura 2000-gebieden (veelal tijdelijke populaties) op te vangen. Voor Lauwersmeer en IJsselmeer is gekozen voor behoud leefgebied, omdat de potentie voor herstel er onvoldoende is.
Deze (trekvogel)soort is in 2000 als doelsoort voor Vogelrichtlijngebieden opgenomen op grond van de overweging: “de beschermde gebieden leveren een wezenlijke bijdrage aan de bescherming van de soort” (van wezenlijke bijdrage is sprake indien Vogelrichtlijngebieden minstens 25% van de landelijke populatie herbergen)52. De som van de gebiedsdoelen (224) bedraagt ruim 50% van het doelniveau waarmee Natura 2000 een “wezenlijke bijdrage” levert aan de instandhouding van de soort op landelijke schaal.
A138 – Strandplevier Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | uitbreiding | verbetering | 50 (↑) | B2 | doel aangepast a |
002 | Duinen en Lage Land Texel | doel vervallen a | ||||
003 | Duinen Vlieland | doel vervallen a | ||||
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | B1 | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen a | ||||
007 | Noordzeekustzone | uitbreiding | verbetering | 30 (↑) | B1 | doel aangepast a |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | 270 R (↑) | B1 | aanwijzingsbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 270 R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 270 R (↑) | B2 | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | uitbreiding | verbetering | 270 R (↑) | A1 | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | verbetering | 270 R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
120 | Zoommeer | behoud | behoud | 270 R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 270 R (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
127 | Markiezaat | behoud | behoud | 270 R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
In de gebieden Duinen en Lage Land Texel, Duinen Vlieland en Duinen Schiermonnikoog waren aantallen broedparen toegekend die behoren tot zowel de Noordzeekustzone en in grotere mate de Waddenzee. Daarnaast is uitbreiding van de populatie in deze gebieden beoogd. In vergelijking tot het ontwerpbesluit zijn de doelstellingen voor Waddenzee en Noordzeekustzone verhoogd van respectievelijk 15 en 20 broedparen naar 50 en 30 broedparen.
(R) Betreft een regionale doelstelling.
De landelijke staat van instandhouding van de strandplevier is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling omvat een herstelopgave voor het leefgebied voor herstel van de populatie van ten minste 400 paar verdeeld over ten minste 10 sleutelpopulaties van ten minste 20 paren. In het Waddengebied en de Noordzeekustzone (007) ligt een belangrijke opgave voor het bereiken van deze landelijke doelstelling, vanwege de aanwezige potentie, zoals op de Noordvaarder. Deze verhoging heeft voor beide gebieden deels betrekking op de aantallen van de vervallen gebieden (002, 003 en 006) en deels betrekking op de potenties voor uitbreiding in beide gebieden. In het Deltagebied wordt een toename van de populatie nagestreefd die onder andere door herstel van het leefgebied in de Oosterschelde gerealiseerd kan worden. Zo zal de natuurontwikkeling in de Oosterschelde nieuwe broedgelegenheid bieden in het noordelijke deel van de Prunje, waardoor uitbreiding van de populatie hier te verwachten is. Mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit van het leefgebied in de andere Deltagebieden zullen worden onderzocht. De som van de gebiedsdoelen (360 paren) bedraagt 90% van het doelniveau (400 paren).
A195 – Dwergstern Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | uitbreiding | verbetering | 210 (↑) | A2 | doel aangepast a |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | 40 (↑) | B1 | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | C | doel aangepast b |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 300 R (↑) | A1 | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 300 R (↑) | C | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 300 R (↑) | C | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 300 R (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 300 R (↑) | A1 | ontwerpbesluit |
Het gebied heeft potentie voor een broedpopulatie van 210 paren (dit aantal heeft er recent gebroed).
Het deelgebied Razende Bol heeft potentie voor uitbreiding van de populatie. Hoewel in de periode 1999-2003 gemiddeld slechts 1 paar tot broeden kwam, zijn recent aantallen vastgesteld van 14, 12 en 25 paren (respectievelijk 2004, 2005, 2007). De doelstelling is hierop aangepast.
(R) Betreft een regionale doelstelling.
De landelijke staat van instandhouding van de dwergstern is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied resp. als “zeer ongunstig” en “matig ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling zoals gepubliceerd in 2006, omvat geen herstelopgave voor het leefgebied maar wel een doelniveau dat ruim 30% hoger is dan de actuele populatie in topjaren (585 in 2006): “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 800 paren”.53 Vanwege de kwetsbaarheid van de nestplaatsen is de soort vrijwel volledig aangewezen op het Natura 2000-netwerk. Het landelijk doelniveau is nu vastgesteld op 600 broedparen54, hetgeen voldoende is voor het duurzaam voortbestaan op de lange termijn. Een hoger doelniveau wordt niet realistisch geacht, gelet op het verminderd aanbod aan natuurlijke broedplaatsen in vergelijking tot de situatie van een halve eeuw geleden (met name door de afname van natuurlijke dynamiek in het Deltagebied door de uitvoering van de Deltawerken).
Hierbij dient ook te worden opgemerkt dat rond 1990 in Zeebrugge (Vlaanderen) een nieuwe kolonie is ontstaan (recent 100-200, max. ruim 400 paren) hetgeen mogelijk ten koste is gegaan van de Zeeuwse broedpopulatie. De verlaging van het doelniveau heeft als consequentie dat de beoordeling van de staat van instandhouding voor wat betreft het aspect populatie wordt gewijzigd in “matig ongunstig”55.
De som van de gebiedsdoelen bedraagt bijna 600 broedparen, waarbij alleen in het Waddengebied een herstelopgave haalbaar wordt geacht. In vergelijking tot het ontwerpbesluit zijn de gebiedsdoelen in Waddenzee en Noordzeekustzone verhoogd van resp. 200 en 5 broedparen naar 210 en 20 broedparen. De aangepaste waarden betreffen de maximale aantallen die in recente jaren in de gebieden zijn vastgesteld (resp. 2003 en 2007). In het Waddengebied, waar de Natura 2000-gebieden op veel plekken op elkaar aansluiten, is het overigens vooral van belang dat de som van de gebiedsdoelen (290) wordt gehaald. De som van de gebiedsdoelen, met daarbij opgeteld het aantal dat buiten Natura 2000 broedt (1%), bereikt het genoemde doelniveau van 600.
A062 – Topper Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage* | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 3.100 | f, A1 | aanwijzingsbesluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | behoud | f, B1-B2 | conform ontwerp- wijzigingsbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | 15.800 | f, A4 | aanwijzingsbesluit |
073 | Markermeer & IJmeer | behoud | behoud | 70 | f, C | aanwijzingsbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 120 | f, C | ontwerpbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | 80 | f, C | aanwijzingsbesluit |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
De staat van instandhouding van de topper is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hier deels op aan; de zeer ongunstige staat van de populatie resulteert niet in een herstelopgave in de vorm van een draagkrachtschatting die hoger is dan de huidige aantallen, omdat de aantallen van voor 1988 ook relatief laag waren en omdat er geen aanwijzingen zijn voor potentiële duurzaamheid van de verhoogde aantallen rond 1990. Betreffende de omvang van het leefgebied is eveneens een behoudopgave gesteld omdat de matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied uitsluitend een kwaliteitsprobleem betreft56. Dit wordt veroorzaakt door de afname in de zoute wateren die mogelijk met aanbod van schelpdieren te maken heeft. Het aantal toppers in Nederland is in de periode 1988-1996 tijdelijk hoger geweest door de aanwezigheid van grote aantallen op het IJsselmeer (072). Deze toename betrof vooral vogels die normaal buiten Nederland overwinteren maar in deze periode uitweken naar met name het IJsselmeer. De oorzaak hiervoor was zeer waarschijnlijk buiten Nederland gelegen en niet zozeer door een (tijdelijk) verhoogde draagkracht van het IJsselmeer zelf. De ongunstige staat van instandhouding van de topper is gebaseerd op het feit dat landelijk gezien de aantallen na deze periode lager waren dan ervoor. In het IJsselmeer zelf was dit niet het geval, en in de afzonderlijke zoute gebieden (Noordzeekustzone (007), Haringvliet (109) en Voordelta (113)) was de negatieve tendens mede door het geringe aantal beschikbare tellingen niet significant. De oorzaak voor de zeer ongunstige staat van instandhouding van de topper is evenmin gelegen in het Markermeer & IJmeer (073). Daarom is voor de verbeteropgave volstaan met verbetering van de kwaliteit van het leefgebied in de Waddenzee (001).
A063 – Eider57 Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 90.000-115.000 (↑) | f, A4 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | 26.200 | f, A1 | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | 2.500 | f, C | aanwijzingsbesluit |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
De landelijke staat van instandhouding voor de eider is op het aspect leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”58. De huidige herstelopgave komt voort uit de verminderde kwaliteit leefgebied in de vorm van verlaagd voedselaanbod (met name schelpdieren). De landelijke doelstelling is daarom gewijzigd van “uitbreiding omvang leefgebied” in “behoud”, het leefgebied (H1110A of H1140A) is in voldoende mate aanwezig alleen in verminderde kwaliteit. Er is alleen een herstelopgave van toepassing in de Waddenzee waar het merendeel van de winterpopulatie verblijft. De Noordzeekustzone fungeert vooral in voedselarme jaren als “overloopgebied” door verschuiving van eiders vanuit de Waddenzee. In de Voordelta wordt behoud voldoende geacht omdat de landelijk ongunstige situatie niet in dit gebied is gelegen.
A130 – Scholekster Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied 59 | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Omvang leefgebied | Kwaliteit leefgebied | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 140.000 - 160.000 (↑) | sf, A4 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | 3.300 a | s, C | conform ontwerp |
038 | Uiterwaarden IJssel | behoud | behoud | 210 | sf, C | ontwerpbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade … | behoud | behoud | 790 | sf, C | aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | 2.500 | sf, C | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 560 | sf, C | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 24.000 | sf, A1 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 7.500 | sf, B1 | ontwerpbesluit |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
De populatieschatting is gebaseerd op gemiddelde seizoensmaxima over de periode 1999/2000-2003/2004. Ook de relatieve bijdrage is hierop gebaseerd.
De staat van instandhouding voor de scholekster is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig gunstig”. In Nederland is de populatie scholeksters fors afgenomen (bij een internationale toename) in relatie tot verminderd voedselaanbod in de intergetijdegebieden (schelpdieren). Alleen voor de Waddenzee (001) is een verbeteropgave geformuleerd voor de kwaliteit van het leefgebied, vanwege het relatief grote belang van dit gebied en omdat de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit in het Deltagebied beperkt zijn (met name zandhonger Oosterschelde). In de Natura 2000- gebieden Uiterwaarden IJssel (038), Duinen Goeree & Kwade Hoek (101), Voordelta (113) en Grevelingen (115) zijn bovendien geen aanwijzingen voor afname van de populaties of voor vermindering kwaliteit leefgebied (zelfs aantalstoename in gebieden Uiterwaarden IJssel en Duinen Goeree & Kwade Hoek sinds resp. 1980/81 en 1990/91).
A143 – Kanoet Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage * | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 44.400 (↑) | sf, A4 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | 560a | s, C | conform ontwerp |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 7.700 | sf, B2 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 600 | sf, C | ontwerpbesluit |
127 | Markiezaat | behoud | behoud | 1.600a | s, B1 | ontwerpbesluit |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
De populatieschatting is gebaseerd op gemiddelde seizoensmaxima over de periode 1999/2000-2003/2004.
De landelijke staat van instandhouding van de kanoet is op de aspecten leefgebied en toekomstperspectief beoordeeld als “matig ongunstig”. Het seizoensgemiddelde bedroeg over 1988-2000 circa 60.000, maar was daarvoor aanzienlijk lager (circa 40.000). De afname van rond 2001 heeft niet geleid tot lagere waarden dan in de periode van voor 1988. De trend is daardoor over de lange termijn neutraal en over kortere termijn onzeker. Daarom is de herstelopgave niet gericht op leefgebied voor hogere aantallen. Behoud van de huidige populatie (gemiddelde over de periode 1999-2003) vergt echter wel inspanningen, vandaar de verbeteropgave voor kwaliteit leefgebied. Omdat de Waddenzee ruim 80% van de Nederlandse populatie herbergt en de recente negatieve tendens hier is geconcentreerd terwijl in het Deltagebied sprake is geweest van toename, is alleen voor de Waddenzee een herstelopgave geformuleerd.
A169 – Steenloper Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en kwaliteit leefgebied. | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage * | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 2.300-3.300 (↑) | sf, A3 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | 160 | sf, B1 | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | 70 | sf, B1 | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 30 | sf, C | conform ontwerp |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 580 | sf, A1 | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & … | behoud | behoud | 230 | sf, B2 | conform ontwerp |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
De landelijke staat van instandhouding van de steenloper is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De algemene trend voor de steenloperaantallen in de Waddenzee is licht dalend, voor de Delta stabiel.
Oorzaak van de licht dalende trend kan in verband worden gebracht met het verdwijnen van droogvallende mosselbanken in de Waddenzee. De mosselbanken zijn in de Waddenzee in de laatste wel teruggekeerd in het oostelijk deel, maar nog niet in het westelijk deel. De herstelopgave is daarom alleen in de Waddenzee neergelegd. Mogelijk spelen de ontwikkelingen in de internationale “flyway”-populatie ook een rol in de daling van het populatieaantal in de Waddenzee.
Overige niet-broedvogelsoorten Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied | |||||
Vogelsoort | Aantal gebieden | Landelijke doelstelling populatie | Populatie Noordzee- kustzonea | Relatieve bijdrage * | Besluit |
A001 Roodkeelduiker i | 2 | behoud | behoud | f, onbekend h | conform ontwerp- wijzigingsbesluit |
A002 Parelduiker i | 1 | behoud | behoud | f, A2 h | conform ontwerp- wijzigingsbesluit |
A017 Aalscholver d | 26 | 24.500 | 1.900 | sf, B2b | conform ontwerp |
A048 Bergeend d | 14 | 48.900 | 520 | sf, Cb | conform ontwerp |
A065 Zwarte zee-eend f | 2 | 68.500 | 51.500 | f, A4b | conform ontwerp |
A132 Kluut c | 17 | 9.510 | 120 | s, Cb | conform ontwerp |
A137 Bontbekplevier d | 10 | 2.260 | 510 | s, C b | conform ontwerp |
A141 Zilverplevier d;e | 8 | 27.600 | 3.200 | s, B2b | conform ontwerp |
A144 Drieteenstrandloper g | 6 | 4.310 | 2.000 | sf, A2 | conform ontwerp |
A149 Bonte strandloper d | 8 | 187.300 | 7.400 | s, B1-B2b | conform ontwerp |
A157 Rosse grutto d | 7 | 39.500 | 1.800 | s, B1-B2b | conform ontwerp |
A160 Wulp d | 17 | 101.100 | 640 | s, Cb | conform ontwerp |
A177 Dwergmeeuw j | 4 | behoud | behoud | f, onbekend h | conform ontwerp- wijzigingsbesluit |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
De instandhoudingsdoelstelling heeft nu ook betrekking op het aspect populatie. Door het niet opnemen van een draagkrachtsindicatie vanwege het ontbreken van voldoende betrouwbare kwantitatieve gegevens was de doelstelling voor de populatie onbedoeld geheel weggevallen. Dit is in dit besluit gerepareerd.
Schatting huidige relatieve bijdrage is gebaseerd op gemiddeld seizoensmaximum 1999/2000-2003/2004 in het gebied. Voor de aalscholver, bergeend, kluut, bontbekplevier, zilverplevier, bonte strandloper en wulp is deze gespiegeld aan het landelijk gemiddeld seizoensgemiddelde, voor de zwarte zee-eend is deze gespiegeld aan het landelijke gemiddeld seizoensmaxima over dezelfde periode.
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor de roodkeelduiker en parelduiker geformuleerd, omdat de matig ongunstige staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).
De staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”.
Enige afname ten behoeve van herstel van het leefgebied voor schelpdiereters is aanvaardbaar.
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is voor de zwarte zee-eend landelijk een behoudsopgave geformuleerd, omdat de achteruitgang in het leefgebied vooralsnog niet heeft geleidt tot een zichtbare afname van de populatieomvang.
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is voor de drieteenstrandloper landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd, vanwege de internationaal vooralsnog stabiele en nationaal doorgaand toenemende populatie.
De relatieve bijdrage voor de roodkeelduiker is vanwege onvoldoende gegevens moeilijk vast te stellen. Naast de Noordzeekustzone komt de soort ook voor in de Voordelta (113). Van deze twee gebieden levert de Noordzeekustzone de grootste bijdrage (SOVON, 2000)60. De relatieve bijdrage voor de parelduiker gebaseerd op het gegeven dat 50% van de landelijke populatie binnen de Vogelrichtlijngebieden verblijft. In het geval van de parelduiker betreft dit alleen het gebied Noordzeekustzone. Voor de dwergmeeuw is de Noordzeekustzone één van de 4 gebieden waar de soort voorkomt.
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor de roodkeelduiker en parelduiker geformuleerd, omdat de matig ongunstige staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006)61. De landelijke behoudsdoelstelling voor beide soorten heeft ook betrekking op de populatie. In het doelendocument is dit ten onrechte onvermeld gebleven.
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor de dwergmeeuw geformuleerd. De soort is slecht te monitoren en laat daarbij grote fluctuaties in populatiegrootte zien. Oorzaken van de vermoedelijke populatieafname, waaronder mogelijk klimaatgerelateerde ontwikkelingen in het IJsselmeer en vermindering van de kwaliteit van de oostelijk gelegen broedgebieden, zijn slecht stuurbaar (Natura 2000 doelendocument, 2006)62. De landelijke behoudsdoelstelling voor de dwergmeeuw heeft ook betrekking op de populatie. In het doelendocument is dit ten onrechte onvermeld gebleven.
Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Noordzeekustzone gebruikt zijn.
Onderstaande paragrafen zijn opgenomen in de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.
Het gebied Noordzeekustzone is aangewezen als sbz vanwege de aanwezigheid van kustwater, zandstranden en platen die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een gebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert Noordzeekustzone als broed-, rui-, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de beschermingszone is zo gekozen dat een in landschapsecologisch opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat - in samenhang met de sbz Waddenzee uit 1991 - voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten.
Noordzeekustzone kwalificeert als speciale beschermingszone vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van Roodkeelduiker63, Toppereend, Eidereend, Zwarte zee- eend, Zilverplevier, Kanoetstrandloper, Drieteenstrandloper, Bonte strandloper en Rosse grutto die het gebied benutten als ruigebied, voedselgebied, overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied kwalificeert verder als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn omdat het gebied behoort tot één van de vijf belangrijkste gebieden voor Roodkeelduiker en Parelduiker in Nederland.
Soorten van Bijlage I waarvoor het gebied tot “een van de vijf belangrijkste” in Nederland behoort
Soort | Art. 4 | Brva | Totale populatieb | 1% in 5ec | % in sbzd | Telperiode |
Roodkeelduiker Gavia stellata | 1 | nee | 75 000 | —c | 4,0% | 1980-94 |
Parelduiker Gavia arctica | 1 | nee | 120 000 | —c | 0,1% | 1980-94 |
Soorten van Bijlage I en andere trekvogels waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet
Soort | Art. 4 | Brva | Biogeogr. Populatiee | 1% Biopopf | % in sbzg | Telperiode |
Roodkeelduiker Gavia stellata | 1 | nee | NW-Europa (win) | 750 | 4,0% | 1980-94 |
Toppereend Aythya marila | 2 | nee | Noord-/West-Europa | 3100 | 1,1% | 1993-97 |
Eidereend Somateria mollissima | 2 | nee | Oostzee - Nederland | 15000 | 1,8% | 1993-97 |
Zwarte zee-eend Melanitta nigra | 2 | nee | W-Siberië/W -Europa | 16000 | 4,1% | 1993-97 |
Zilverplevier Pluvialis squatarola | 2 | nee | Oost-Atlantisch | 1500 | 2,5% | 1993-97 |
Drieteenstrandloper Calidris alba | 2 | nee | Oost-Atlantisch/W-Afrika | 1000 | 2,9% | 1994-97 |
Bonte strandloper C. alpina | 2 | nee | N-Siberië/W-Afrika | 15 000 | 1,7% | 1995-97 |
Kanoet C. canutus islandica | 2 | nee | NO-Canada/NW-Europa | 3500 | 2,5% | 1995-97 |
Kanoet C. canutus canutus | 2 | nee | West-/Zuid-Afrika (win) | 5000 | 1,7% | 1994-97 |
Rosse grutto Limosa lapponica | 2 | nee | NW-Europa | 1000 | 1,0% | 1993-97 |
De kwalificatie betreft in het gebied niet-broedende vogels (indien ingevuld met “nee”)
Omvang van de biogeografische populatie (niet-broedvogels)
Aantal in het op vier na belangrijkste gebied (5e gebied) uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie (niet-broedvogels); voor Roodkeelduiker en Parelduiker zijn in totaal slechts resp. drie en één gebied(en) geselecteerd
Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie (niet- broedvogels)
Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend
Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarde ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen)
Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie
Andere soorten van Bijlage I waarvoor Noordzeekustzone van betekenis is, zijn Slechtvalk en Kluut (niet-broedende vogels). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats: Aalscholver, Bergeend, Middelste zaagbek, Grote zaagbek, Scholekster, Wulp, Bontbekplevier en Steenloper. De stranden van de eilanden zijn verder van belang als broedgebied voor Bontbekplevier en Strandplevier (trekvogels opgenomen in de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten). De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.
De bescherming ingevolge de Vogelrichtlijn heeft mede betrekking op deze vogelsoorten.
Zwarte zee-eend, Eidereend en Toppereend komen in verspreide concentraties in het gebied voor afhankelijk van het voedselaanbod (met name de in banken voorkomende Halfgeknotte strandschelp spisula subtruncata). Waarnemingen van grote aantallen Zwarte zee-eenden in de zomermaanden wijzen op een functie als ruiplaats. Roodkeelduiker en Parelduiker, doortrekkers en wintergasten in het gebied, worden verspreid op zee in de gehele kustzone waargenomen. Hun aantallen worden tijdens tellingen sterk onderschat door hun verspreide levenswijze. De Middelste zaagbek verblijft meestal vlak onder de kust (vooral bij Texel). Zowel tijdens het broedseizoen als daarbuiten is de Noordzeekustzone voedselgebied voor Aalscholver, Grote stern en Visdief. In het broedseizoen zijn beide sternsoorten vooral afkomstig uit de grote broedkolonies op het eiland Griend in de Waddenzee (verder op De Schorren, Schiermonnikoog, Rottumerplaat). De in het gebied gelegen zandplaten en stranden zijn rustplaats voor de beide sternsoorten en rustplaats en voedselgebied voor diverse soorten steltlopers die plaatselijk binnen het gebied maar vooral ook in het getijdengebied van de Waddenzee foerageren (Kluut, Scholekster, Zilverplevier, Rosse grutto, Wulp, Kanoetstrandloper, Bonte strandloper). Deze stranden en platen vormen soms ook een uitwijkplaats voor overtijende steltlopers uit de Waddenzee. De Slechtvalk wordt meestal vastgesteld in de omgeving van concentraties steltlopers. De Drieteenstrandloper, en op Vlieland ook de Steenloper, is aan de stranden gebonden. Strandvlakten en plekken met primaire duinvorming op Vlieland, Terschelling en Schiermonnikoog worden verder door Bontbekplevier en Strandplevier als nestplaats gebruikt.
LEGENDA: Artikel | Noemer |
Indicatief/exact | |
GIO-id64 | |
1, eerste lid | Noordzeekustzone – Habitatrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2023/N2000_Noordzeekustzone_HR/nld@2023‑10‑01 | |
2, eerste lid | Noordzeekustzone – Vogelrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2023/N2000_Noordzeekustzone_VR/nld@2023‑10‑01 | |
3, tweede lid | Natura 2000-gebied Noordzeekustzone |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2023/N2000_Noordzeekustzone_N2000/nld@2023‑10‑01 |
Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone, het Vogelrichtlijngebied Noorzeekustzone en het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.
Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.
Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.
Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 15 en 25. Terug naar link van noot.
De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord. Terug naar link van noot.
Beschikking van de Commissie 2004/813/EG van 7 december 2004 tot vaststelling op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (Pb 29‑12‑2004, L 387/1). Terug naar link van noot.
Zoals omschreven in artikel 1 van de Aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollard- verdrag (Trb. 1962, 54). In dit gebied wordt het natuurbeheer in samenwerking met Duitsland uitgevoerd. Terug naar link van noot.
Zoals omschreven in artikel 1 van de Aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, 54). In dit gebied wordt het natuurbeheer in samenwerking met Duitsland uitgevoerd, omdat er geen overeenstemming bestaan over het grensverloop tussen beide landen in de Eems-Dollard. Terug naar link van noot.
Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Noordzeekustzone is gepubliceerd in Stcrt. 2009, 38. Terug naar link van noot.
Prioritaire habitattypen en habitatrichtlijn-soorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje (*). Terug naar link van noot.
Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, Pb EG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PB EG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.
Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, Pb EG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PB EG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.
Habitattypen waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: slijkgrasvelden (H1320), ruigten en zomen, moerasspirea (H6430A) en ruigten en zomen, droge bosranden (H6430C). Terug naar link van noot.
De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.
Voor de volgende soorten zijn bij de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden (2003) geen gebieden geselecteerd: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd bijlage II. Terug naar link van noot.
Bij niet-broedvogels wordt daarbij (voor zover bekend) onderscheid gemaakt tussen het leefgebied voor een foeragerende populatie en voor een slapende populatie, omdat de aantallen van die populaties verschillend zijn en omdat het leefgebied voor foerageren en slapen verschillend kan zijn. Terug naar link van noot.
Voor het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor vogels is de volgende afrondingssystematiek gebruikt: 1-20 = niet afronden, 21-100 = afronden op vijftallen, 100-1.000 = afronden op tientallen, >1.000 = afronden op honderdtallen. Terug naar link van noot.
Uit jurisprudentie blijkt dat hierover misverstanden zijn gerezen. Aanleiding hiervoor was kennelijk de toelichting op pagina 63 van het Natura 2000 doelendocument (Ministerie van LNV, 2006), over de betekenis van de aantallen die voor vogels worden genoemd. Die toelichting wekte kennelijk (ten onrechte) de indruk dat de populatieomvang niet tot de instandhoudingsdoelstelling behoort. Terug naar link van noot.
Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft, staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting. Terug naar link van noot.
Na dit ontwerpbesluit zal een ontwerpbesluit worden opgesteld waarin de grenzen van de vijf aangrenzende Natura 2000-gebieden zeewaarts worden verruimd. Het is niet uitgesloten dat daarmee alle (deel)populaties van de groenknolorchis tot die vijf gebieden gaan behoren. Als dat het geval is, zal het doel in het gebied Noordzeekustzone vervallen in het definitieve 'Wijzigingsbesluit Aanwezige waarden'. Terug naar link van noot.
Bos, O.G., E.M. Dijkman, J. Cremer, 2008. Gegevens voor aanmelding van mariene Habitatrichtlijngebieden: Doggersbank, Klaverbank, Noordzeekustzone, Vlakte van de Raan. IMARES rapport C081/08. Wageningen IMARES, Texel. Terug naar link van noot.
Europese Commissie, 2000. Beheer van „Natura 2000”-gebieden - De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG). Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, Luxemburg. Terug naar link van noot.
Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.
Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.
Trends van vogels in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Noordzeekustzone II is het apart bij de Europese Commissie aangemelde Habitatrichtlijngebied en betreft de uitbreiding van Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone. Middels onderhavig wijzigingsbesluit voor Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007) wordt de uitbreiding onderdeel gemaakt van het in 2009 aangewezen deel van de Noordzeekustzone (007). Terug naar link van noot.
In de tabellen en toelichtende tekst van Bijlage B.3 en B.4 van deze nota van toelichting wordt steeds gerefereerd naar Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007). In die gevallen dat in de toelichtende tekst alleen “Noordzeekustzone (007)” of “Noordzeekustzone” vermeld wordt, dus zonder aparte vermelding van “Noordzeekustzone II”, betreft het telkens het uitgebreide Natura 2000-gebied. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Zwin. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Zwin. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.
European Commission, 2007. Guidelines for the establishment of the Natura 2000 network in the marine environment. Application of the Habitats and Birds Directives. Terug naar link van noot.
In de tabellen en toelichtende tekst van Bijlage B.3 en B.4 van deze nota van toelichting wordt steeds gerefereerd naar Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007). In die gevallen dat in de toelichtende tekst alleen “Noordzeekustzone (007)” of “Noordzeekustzone” vermeld wordt, dus zonder aparte vermelding van “Noordzeekustzone II”, betreft het telkens het uitgebreide Natura 2000-gebied. Terug naar link van noot.
Scheidat, M. & H. Verdaat, 2009. Distribution and density of harbour porpoises in Dutch North Sea waters. IMARES rapport C125/09. IMARES, Texel. Terug naar link van noot.
Noordzeekustzone II is het apart bij de Europese Commissie aangemelde Habitatrichtlijngebied en betreft de uitbreiding van Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone. Middels onderhavig wijzigingsbesluit voor Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007) wordt de uitbreiding onderdeel gemaakt van het in 2009 aangewezen deel van de Noordzeekustzone (007). Terug naar link van noot.
In de tabellen en toelichtende tekst van Bijlage B.3 en B.4 van deze nota van toelichting wordt steeds gerefereerd naar Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007). In die gevallen dat in de toelichtende tekst alleen “Noordzeekustzone (007)” of “Noordzeekustzone” vermeld wordt, dus zonder aparte vermelding van “Noordzeekustzone II”, betreft het telkens het uitgebreide Natura 2000-gebied. Terug naar link van noot.
Noordzeekustzone II is het apart bij de Europese Commissie aangemelde Habitatrichtlijngebied en betreft de uitbreiding van Habitatrichtlijngebied Noordzeekustzone. Middels onderhavig wijzigingsbesluit voor Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007) wordt de uitbreiding onderdeel gemaakt van het in 2009 aangewezen deel van de Noordzeekustzone (007). Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
In de tabellen en toelichtende tekst van Bijlage B.3 en B.4 van deze nota van toelichting wordt steeds gerefereerd naar Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007). In die gevallen dat in de toelichtende tekst alleen “Noordzeekustzone (007)” of “Noordzeekustzone” vermeld wordt, dus zonder aparte vermelding van “Noordzeekustzone II”, betreft het telkens het uitgebreide Natura 2000-gebied. Terug naar link van noot.
In het Natura 2000 doelendocument (2006) zijn deze twee beoordelingen abusievelijk verwisseld. Terug naar link van noot.
Staat van instandhouding van het aspect leefgebied gewijzigd van “gunstig” in “matig ongunstig” omdat er beletsels voor vrije migratie bestaan (zie ook Natura 2000 profielendocument, september 2008). Terug naar link van noot.
De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006) en Natura 2000 profielendocument (2008). Zie het profiel voor Habitatrichtlijnsoort bruinvis (2010) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Camphuysen, C.J. & M.L. Siemensma, 2011. Conservationplan for the Harbour Porpoise Phocoena phocoena in The Netherlands: towards a favourable conservation status. NIOZ Report 2011-07, Royal Netherlands Institute for Sea Research, Texel. Terug naar link van noot.
Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Voordelta (Stcrt. 2008, 41). Terug naar link van noot.
In de tabellen en toelichtende tekst van Bijlage B.3 en B.4 van deze nota van toelichting wordt steeds gerefereerd naar Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007). In die gevallen dat in de toelichtende tekst alleen “Noordzeekustzone (007)” of “Noordzeekustzone” vermeld wordt, dus zonder aparte vermelding van “Noordzeekustzone II”, betreft het telkens het uitgebreide Natura 2000-gebied. Terug naar link van noot.
De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.
De beoordeling “matig ongunstig” op het aspect populatie wijkt af van de beoordeling “zeer ongunstig”, zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), omdat de populatiegrootte niet onder het niveau zit van de referentiepopulatie, terwijl deze nog wel een meer dan gemiddelde afname laat zien (> 1% per jaar). Terug naar link van noot.
Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.
Het cijfer van 800 is gebaseerd op de historische referentie van ruim een halve eeuw geleden, waarvan de haalbaarheid laag wordt ingeschat door sterk veranderde omstandigheden (aanleg Deltawerken, toename recreatiedruk, vegetatiesuccessie door gebrek aan natuurlijke dynamiek). Terug naar link van noot.
Doelniveau ontleend aan Actieplan Dwergstern (Vogelbescherming Nederland, 1993). Terug naar link van noot.
In geval van een niet-afnemende populatietrend is “matig ongunstig” van toepassing indien de actuele populatie minder dan 25% afwijkt van de referentie (cq. doelniveau). Terug naar link van noot.
Landelijke doelstelling gewijzigd: Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.
De landelijke doelstelling voor “omvang leefgebied” is gewijzigd in “behoud” omdat het uitsluitend een kwaliteitsprobleem betreft. Leefgebied (H1110A of H1140A) is in voldoende mate aanwezig. Terug naar link van noot.
De staat van instandhouding wijkt op het aspect leefgebied af van die vermeld in het Natura 2000- doelendocument. Het criterium voor “zeer ongunstig” is niet van toepassing, omdat de slechtere omstandigheden voor de eidereend niet structureel van aard zijn. Daarnaast past de beoordeling nu ook beter op de beoordeling van de kwaliteit van H1110 (wat feitelijk het leefgebied van deze soort is). Terug naar link van noot.
De landelijke doelstelling voor “omvang leefgebied” is gewijzigd in “behoud” omdat het uitsluitend een kwaliteitsprobleem betreft. Leefgebied (H1110A of H1140A) is in voldoende mate aanwezig Terug naar link van noot.
SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Onderstreepte soorten zijn opgenomen in Bijlage I van de Richtlijn. Terug naar link van noot.
Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-13351.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.