Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 13 april 2026, nr. IENW/BSK-2026/52378, tot wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen klimaat 2024–2026 in verband met wijziging van een definitie en vaststelling van subsidieplafonds en openstellingsmoment [KetenID WGK028851]

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, eerste lid, onder b, 8, eerste lid, en 10, tweede lid, van het Kaderbesluit I en M;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen klimaat 2024–2026 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt in de definitie van walstroomvoorziening, onder het toevoegen van een ‘komma’ na ‘haveninfrastructuur’ ingevoegd ‘inclusief, indien aanwezig, een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit ter plaatse dan wel opslageenheden voor de opslag van hernieuwbare elektriciteit als bedoeld in artikel 56 ter, lid 2 bis, van de Algemene vrijstellingsverordening,’.

B

Artikel 5, vierde lid, komt als volgt te luiden:

  • 4. Het subsidieplafond voor 2026 bedraagt voor activiteiten als bedoeld in:

    • a. artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, € 5.000.000,00.

    • b. artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, € 5.031.271,00.

C

Artikel 6, derde lid, komt als volgt te luiden:

  • 3. Voor 2026 kan de aanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland worden ingediend vanaf 19 mei 2026, 9.00 uur tot en met 1 oktober 2026, 17.00 uur.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans

TOELICHTING

Algemeen deel

Doel & aanleiding

Op 26 maart 2024 is de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen klimaat 2024–2026 (hierna: de regeling) in werking getreden. De regeling beoogt het stimuleren van de aanleg van walstoominstallaties voor zeeschepen in zeehavens om te voldoen aan de walstroomverplichtingen voor de zeevaart die zijn opgenomen in de Alternative Fuel Infrastructure Regulation1, en om bij te dragen aan reductie van CO2-emissies. Het gebruik van walstroom leidt daarnaast tot een lagere stikstofdepositie, een verbetering van de luchtkwaliteit door gedaalde uitstoot van onder andere stikstofoxiden, zwaveloxiden en fijnstof en verminderde geur- en geluidshinder.

Netcongestie

De sector heeft aangegeven dat er steeds meer last wordt ondervonden van netcongestie. Dit kan ertoe leiden dat walstroomprojecten worden uitgesteld of worden uitgevoerd zonder dat in de eerste periode na realisatie daadwerkelijk walstroom kan worden geleverd aan zeeschepen.

De onderhavige wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen maakt het mogelijk dat bij een aanvraag voor subsidiëring van een walstroomvoorziening óók opwekkingsinfrastructuur voor hernieuwbare elektriciteit en de opslag van deze elektriciteit in batterijen kan worden gesubsidieerd. Hiermee wordt een stimulans geboden om deze mitigerende maatregelen te nemen tegen netcongestie. Artikel 56 ter, lid 2 bis, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) biedt die mogelijkheid.

Artikel 56 ter, lid 2 bis, van de AGVV stelt hieraan de voorwaarde dat de nominale productiecapaciteit van de installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit ter plaatse (in de AGVV wordt de term ‘on-site’ gehanteerd) niet groter is dan het maximale nominale uitgangsvermogen van de oplaadinfrastructuur waarop zij is aangesloten.

De enkele wijziging van de definitie van ‘walstroomvoorziening’ is voldoende om ook de opwekking voor hernieuwbare elektriciteit en de opslag daarvan te kunnen subsidiëren.

Subsidieplafond en aanvraagperiode

Met dit besluit wordt ook het subsidieplafond en de aanvraagperiode voor 2026 vastgesteld. Daarvoor zijn de artikelen 5 en 6 gewijzigd.

In totaal was bij de inwerkingtreding van de subsidieregeling € 170.000.000,00 beschikbaar voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de regeling. In 2024 en 2025 is hiervan inmiddels € 165.000.000,00 besteed. Het subsidieplafond voor 2026 is daardoor voor dit segment relatief laag vastgesteld ten opzichte van de vorige jaren. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de regeling bedraagt het totaalbudget € 10.000.000,00. Hiervan is in 2024 en 2025 € 4.968.729,00 beschikt. Voor dit segment komt in 2026 het resterende budget van € 5.031.271,00 beschikbaar.

De aanvraagperiode voor 2026 wordt in vrijwel dezelfde periode opengesteld als in 2025.

Advisering en Consultatie

In aanloop van deze regeling heeft afstemming plaatsgevonden met de sector door middel van meerdere consultatierondes en met de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) als uitvoerder van de regeling. Daaruit is naar voren gekomen dat de behoefte groot is aan een uitbreiding van de subsidiemogelijkheden op korte termijn.

Gezien de geringe effecten is deze wijziging niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing en regeldruk. Ook heeft er geen internetconsultatie plaatsgevonden. Door de toekomstige openstelling van een nieuwe subsidieronde (per 19 mei) is deze route gekozen en zal consultatie dan ook niet in betekenende mate kunnen leiden tot aanpassing van het voorstel.

Inwerkingtreding

Op grond van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten treden ministeriële regelingen in werking met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober. Uitgangspunt daarbij is dat bekendmaking uiterlijk twee maanden voor inwerkingtreding geschiedt.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de publicatie in de Staatscourant in verband met de openstelling van de aanvraagperiode van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen klimaat 2024–2026 op 19 mei 2026. Er wordt op grond van aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving afgeweken van de vaste verandermomenten en er wordt tevens een kortere invoeringstermijn dan twee maanden aangehouden. Een latere inwerkingtreding zal, gezien de komende openstelling, tot aanmerkelijke ongewenste private en publieke nadelen leiden. De desbetreffende sector en uitvoeringsinstantie zijn betrokken geweest bij de voorbereiding en nadere invulling van deze regeling, zodat zij zich al op de uitbreiding van de definitie hebben kunnen voorbereiden.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans


X Noot
1

Verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU


X Noot
1

Verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU

Naar boven