Besluit van het College van procureurs-generaal houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging ten aanzien van aangelegenheden van het Openbaar Ministerie die niet het beheer van het Openbaar Ministerie betreffen (Ondermandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden van het College van procureurs-generaal 2017)

Het College van procureurs-generaal,

Gelet op de artikelen 10:3, 10:9, eerste lid, en 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht en het Mandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden Openbaar Ministerie 2017 (Stcrt. 2025, nr. 26092);

Besluit:

Artikel 1 (de hoofdofficier van justitie en de hoofdadvocaat-generaal)

  • 1. Aan de hoofden van de parketten wordt ondermandaat verleend ten aanzien van:

    • a. het nemen van besluiten op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • b. het nemen van besluiten op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • c. het beslissen op klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van onder hen ressorterende medewerkers.

  • 2. Aan de hoofden van de parketten wordt volmacht verleend voor het toekennen van schadevergoeding ter hoogte van maximaal € 10.000,– naar aanleiding van buitengerechtelijke verzoeken om schadevergoeding in verband met strafvorderlijk optreden dat aan het Openbaar Ministerie kan worden toegerekend.

  • 3. Het ondermandaat en de volmacht ten aanzien van de in het eerste lid, onder a en b, en het tweede lid genoemde aangelegenheden kan slechts één hiërarchisch niveau worden doorgegeven.

Artikel 2 (de hoofdofficier van justitie van het parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie)

  • 1. In aanvulling op artikel 1 wordt aan het hoofd van het parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie ondermandaat verleend ten aanzien van:

    • a. het beslissen op bezwaarschriften voor zover het gaat om zaken die zijn parket betreffen en die betrekking hebben op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • b. het beslissen op bezwaarschriften voor zover het gaat om zaken die zijn parket betreffen en die betrekking hebben op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • c. het behandelen van beroepschriften naar aanleiding van beslissingen op bezwaar voor zover het gaat om zaken die zijn parket betreffen, evenals het optreden ter zitting en het aanwenden van rechtsmiddelen naar aanleiding van deze beroepschriften.

  • 2. Het hoofd van het parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie kan:

    • a. in afwijking van artikel 1, derde lid, het in artikel 1, eerste lid, onder a en b gegeven ondermandaat maximaal twee hiërarchische niveaus doorgeven.

    • b. het in artikel 2, eerste lid, onder a en b gegeven ondermandaat één hiërarchisch niveau doorgeven.

    • c. het in artikel 2, eerste lid, onder c gegeven ondermandaat doorgeven aan onder hem ressorterende medewerkers die met die taak zijn belast.

Artikel 3 (de directeur Landelijke Bedrijfsvoering Openbaar Ministerie)

  • 1. Aan de directeur van de Landelijke Bedrijfsvoering Openbaar Ministerie wordt ondermandaat verleend ten aanzien van:

    • a. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • b. het beslissen op bezwaarschriften die betrekking hebben op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • c. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • d. het beslissen op bezwaarschriften die betrekking hebben op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • e. het behandelen van beroepschriften naar aanleiding van beslissingen op bezwaar, evenals het optreden ter zitting en het aanwenden van rechtsmiddelen naar aanleiding van deze beroepschriften;

    • f. het beslissen op klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van onder hen ressorterende medewerkers.

  • 2. De directeur van de Landelijke Bedrijfsvoering Openbaar Ministerie kan:

    • a. het in artikel 6, eerste lid, onder a en c gegeven ondermandaat maximaal twee hiërarchische niveaus doorgeven;

    • b. het in artikel 6, eerste lid, onder b en d gegeven ondermandaat één hiërarchisch niveau doorgeven;

    • c. het in artikel 6, eerste lid, onder e gegeven ondermandaat doorgeven aan onder hem ressorterende medewerkers die met die taak zijn belast.

Artikel 4 (de directeur Rijksrecherche en de directeur Informatievoorziening Openbaar Ministerie)

  • 1. Aan de directeur van de Rijksrecherche en de directeur van de Informatievoorziening Openbaar Ministerie wordt ondermandaat verleend ten aanzien van:

    • a. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • b. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • c. het beslissen op klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van onder hen ressorterende medewerkers.

  • 2. Het ondermandaat ten aanzien van de in het eerste lid, onder a en b, genoemde aangelegenheden kan slechts één hiërarchisch niveau worden doorgegeven.

Artikel 5 (de directeur van het Parket-Generaal)

Aan de directeur van het Parket-Generaal wordt ondermandaat verleend ten aanzien van het beslissen op klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van onder hem ressorterende medewerkers.

Artikel 6 (het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal)

  • 1. Aan het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal wordt ondermandaat verleend ten aanzien van:

    • a. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • b. het beslissen op bezwaarschriften die betrekking hebben op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • c. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • d. het beslissen op bezwaarschriften die betrekking hebben op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;

    • e. het behandelen van beroepschriften naar aanleiding van beslissingen op bezwaar, evenals het optreden ter zitting en het aanwenden van rechtsmiddelen naar aanleiding van deze beroepschriften;

    • f. het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 4:7, eerste lid, onder a van het Besluit politiegegevens.

  • 2. Aan het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal wordt volmacht verleend om in en buiten rechte op te treden naar aanleiding van verzoeken om schadevergoeding in verband met strafvorderlijk optreden dat aan het Openbaar Ministerie kan worden toegerekend.

  • 3. Het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal wordt gemachtigd om bij aangelegenheden die de Nationale ombudsman betreffen alle handelingen te verrichten, behoudens het geven van een verbod als bedoeld in artikel 14 Wet Nationale ombudsman.

  • 4. Het ondermandaat, de volmacht en de machtiging ten aanzien van de in het eerste, tweede en derde lid genoemde aangelegenheden kan slechts één hiërarchisch niveau worden doorgegeven.

Artikel 7

  • 1. Verleend ondermandaat dient steeds per hiërarchisch niveau verder te worden doorgegeven, voor zover in deze regeling niet anders is bepaald.

  • 2. De bevoegdheden die in dit besluit worden gemandateerd, komen ook toe aan de plaatsvervangers en/of waarnemers van de hiervoor genoemde functionarissen, indien en voor zover zij als zodanig optreden.

Artikel 8

De hiervoor genoemde functionarissen brengen in de ondertekening van de besluiten tot uitdrukking dat de besluiten zijn genomen namens de Minister van Justitie en Veiligheid. De ondertekening luidt:

De Minister van Justitie en Veiligheid,

namens deze,

het College van procureurs-generaal,

namens deze,

[handtekening en vermelding van naam en functie van de ondertekenaar]

Artikel 9

Indien een krachtens mandaat te nemen besluit belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben, dragen de hiervoor genoemde functionarissen zorg voor voorafgaande afstemming met het College van procureurs-generaal.

Artikel 10

Met inwerkingtreding van dit besluit wordt ingetrokken het Ondermandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden van het College van procureurs-generaal 2017 van 21 augustus 2017.

Artikel 11

Dit besluit treedt in werking de dag na bekendmaking in de Staatscourant.

Artikel 12

Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden van het College van procureurs-generaal 2026.

Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Aldus ondertekend op 24 maart 2026

Het College van procureurs-generaal M. Otte, voorzitter

TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit vloeit voort uit het Mandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie 2017 (Stcrt. 2025, 26092). Dit Ondermandaatbesluit voorziet in de nodige ondermandaten aan de hoofden van de verschillende OM-onderdelen en het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal. Naast dit besluit blijft de hoofdregel uit artikel 10:12 van de Awb gelden, namelijk dat met mandaat gelijkgesteld wordt de verlening, onderscheidenlijk doorgifte van volmacht om privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en machtiging om handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Artikelsgewijs

Artikel 1, eerste lid

In dit artikel worden de hoofden van de parketten gemandateerd om namens de minister te beslissen op verzoeken op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) en de Wet hergebruik overheidsinformatie (hierna: Who), met die verzoeken samenhangende beslissingen, evenals het beslissen op klachten.

Artikel 1, tweede lid

In dit artikellid is opgenomen dat de hoofden van de parketten volmacht krijgen om schadevergoedingen toe te kennen tot een bedrag van € 10.000,–. In principe worden verzoeken om schadevergoeding behandeld door het parket dat de schade veroorzaakt zou hebben of onder wiens verantwoordelijkheid dat is gebeurd. De volmacht beperkt de hoofden van de parketten slechts in het bedrag dat ze kunnen toekennen. Als er een verzoek om schadevergoeding van meer dan € 10.000,– wordt ingediend en het hoofd van het parket komt tot de conclusie dat dat verzoek moet worden afgewezen of slechts kan worden toegewezen tot een bedrag onder de € 10.000,–, dan kan het hoofd van het parket zelf beslissen op dat schadevergoedingsverzoek. Indien het hoofd van het parket tot het oordeel komt dat er meer dan € 10.000,– moet worden toegekend, dan moet hij de zaak overdragen aan het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal (zie artikel 5).

Artikel 1, derde lid

Hiermee wordt het de hoofden van de parketten toegestaan het toegekende mandaat door te geven binnen het eigen parket. Het mandaat voor het beslissen op klachten, kan niet worden doorgegeven, omdat de beslissing door het hoofd van het parket het lerend effect voor de organisatie vergroot en voorkomen moet worden dat er telkens ‘hoger beroep’ wordt aangetekend tegen beslissingen van lagere leidinggevenden.

Artikel 2, eerste lid

In de vorige Ondermandaatbesluiten is het hoofd van het parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: parket CVOM) gemandateerd om – naast het nemen van beslissingen op verzoeken op grond van de Woo – ook te beslissen op bezwaarschriften tegen die beslissingen en de minister te vertegenwoordigen in (hoger) beroepsprocedures. Dit is gedaan in verband met de grote hoeveelheid Woo-verzoeken en de daaraan gerelateerde procedures, zoals bezwaar en beroep, die bij het parket CVOM aanhangig waren en de daarmee opgebouwde deskundigheid. Om deze reden wordt deze bevoegdheid ook in het onderhavige mandaatbesluit toegekend aan het hoofd van het parket CVOM, met de mogelijkheid van ondermandaat.

Artikel 2, tweede lid

Hiermee wordt het hoofd van het parket CVOM in staat gesteld de bevoegdheid om te beslissen op Woo-verzoeken, respectievelijk bezwaarschriften te beleggen bij het hoofd van de sectie Woo, dan wel de directeur bedrijfsvoering. Dit mede gelet op de grote hoeveelheden en de deskundigheid die is opgebouwd bij de sectie. Het hoofd van het parket CVOM kan de zittingsvertegenwoordigers van de sectie Woo aanwijzen om op te treden tijdens zittingen en alle handelingen te verrichten die nodig zijn in het kader van (hoger) beroep.

Artikel 3, eerste lid

Met de invoering van dit artikel is aan de directeur Landelijke Bedrijfsvoering Openbaar Ministerie (hierna: LBOM) de bevoegdheid gegeven om namens de minister te beslissen op Woo-verzoeken en Who-verzoeken en met die verzoeken samenhangende beslissingen. Daarnaast heeft de directeur LBOM de bevoegdheid om te beslissen op klachten die het LBOM aangaan. Tevens is de directeur LBOM gemandateerd om – naast het nemen van beslissingen op verzoeken op grond van de Woo en de Who – ook te beslissen op bezwaarschriften tegen die beslissingen en de minister te vertegenwoordigen in (hoger) beroepsprocedures. Bij het LBOM is namelijk een team opgericht dat zich specialiseert op het gebied van het behandelen van Woo-verzoeken. De directeur LBOM is bevoegd om op alle Woo-verzoeken te beslissen die het Openbaar Ministerie aangaan, ongeacht het onderwerp of het dienstonderdeel waar de informatie berust. Hetzelfde geldt voor Who-verzoeken. Tevens wordt de directeur LBOM gemandateerd om op bezwaarschriften te beslissen naar aanleiding van beslissingen van de hoofden van de parketten, de directeur Rijksrecherche, de directeur Informatievoorziening Openbaar Ministerie (hierna: IVOM) en het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal. Overigens zij hierbij opgemerkt dat bezwaarschriften tegen beslissingen van het parket CVOM voornamelijk door dat parket zelf afgehandeld zullen worden (zie de toelichting bij artikel 2).

Artikel 3, tweede lid

Hiermee wordt de directeur LBOM in staat gesteld de bevoegdheid om te beslissen op Woo- en Who-verzoeken, respectievelijk bezwaarschriften tegen die beslissingen, te beleggen bij de teamleider van het Woo-team. Dit mede gelet op de grote hoeveelheid procedures op grond van de Woo en de deskundigheid die is opgebouwd bij dat team. De directeur LBOM kan de zittingsvertegenwoordigers van het Woo-team aanwijzen om op te treden tijdens zittingen en alle handelingen te verrichten die nodig zijn in het kader van (hoger) beroep.

Artikel 4

Ook voor de onderdelen die geen parket zijn, wil het College onveranderd laten dat zij zelfstandig kunnen beslissen op Woo-verzoeken, Who-verzoeken en klachten. Net als bij de hoofden van de parketten kan dit mandaat één niveau worden doorgegeven voor wat betreft de Woo-verzoeken en Who-verzoeken. Vergeleken met het vorige Ondermandaatbesluit is de directeur IVOM toegevoegd aan dit artikel en is de directeur van de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie weg gehaald, nu dit onderdeel als zodanig niet meer bestaat, maar is opgegaan in de LBOM (zie hiervoor artikel 3).

Artikel 5

Ingevolge artikel 135, vijfde lid van de Wet op de rechterlijke organisatie is het College het hoofd van het Parket-Generaal. De dagelijkse leiding van het Parket-Generaal is door het College echter belegd bij de directeur van het Parket-Generaal. Daarom is ervoor gekozen de behandeling van klachten over onder hem ressorterende medewerkers aan hem op te dragen.

Artikel 6, eerste lid

In dit artikel wordt het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal gemandateerd om namens de minister te beslissen op Woo-verzoeken en Who-verzoeken en met die verzoeken samenhangende beslissingen.

Het mandaat van de hoofden van de parketten en de directeuren (behoudens dat van de directeur LBOM) strekt zich uit tot beslissen op Woo-verzoeken en Who-verzoeken over informatie die bij het eigen parket/onderdeel/portefeuille berust. Dit is anders bij het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken. Die is bevoegd om op alle verzoeken te beslissen die het Openbaar Ministerie aangaan, ongeacht het onderwerp of het dienstonderdeel waar de informatie berust. Hetzelfde geldt voor Who-verzoeken. Tevens wordt het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken gemandateerd om op bezwaarschriften te beslissen naar aanleiding van beslissingen van de hoofden van de parketten, de directeur Rijksrecherche, de directeur IVOM en de directeur LBOM. Overigens zij hierbij opgemerkt dat bezwaarschriften tegen beslissingen van het parket CVOM voornamelijk door dat parket zelf afgehandeld zullen worden (zie de toelichting bij artikel 2).

Artikel 6, tweede lid

Het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken krijgt volmacht om beslissingen te nemen over alle schadevergoedingsverzoeken die aan het Openbaar Ministerie worden gericht in verband met strafvorderlijk optreden dat aan het Openbaar Ministerie is toe te rekenen, ongeacht bij welk onderdeel de schadeveroorzakende handeling heeft plaatsgevonden en/of de hoogte van het toe te kennen bedrag. Het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken kan daartoe alle handelingen verrichten die hij noodzakelijk acht en ook de Staat vertegenwoordigen in civiele procedures en op zittingen.

Artikel 6, derde lid

Het voeren van correspondentie houdt geen besluit of rechtshandeling in. Desalniettemin wordt in dit besluit expliciet tot uitdrukking gebracht dat het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken daartoe bevoegd is, behoudens het geval waarin het de ombudsman in het belang van de veiligheid van de Staat verboden wordt bepaalde plaatsen te betreden. Het gaat bijvoorbeeld om reacties op klachten en/of rapporten, de behandeling van interventies en tussenberichten in deze procedures. Onder tussenberichten worden onder andere ontvangstbevestigingen en uitstelberichten verstaan.

Artikel 7, eerste lid

Met deze bepaling wordt tot uitdrukking gebracht dat het mandaat steeds per hiërarchisch niveau doorgegeven dient te worden, met uitzondering van de machtiging van het hoofd van het parket CVOM en de directeur LBOM aan zijn medewerkers die ter zitting optreden.

Artikel 7, tweede lid

De gemandateerde bevoegdheden kunnen – ook op basis van het voorgaande mandaatbesluit – worden uitgeoefend door degene die als plaatsvervanger, waarnemer of fungerend functionaris is aangewezen. Er is voor gekozen dit expliciet in het besluit tot uitdrukking te brengen, zodat daarover geen enkel misverstand kan bestaan.

Artikel 8

Vergeleken met het vorige Ondermandaatbesluit is de ondertekening gewijzigd, in die zin dat de naam van het Ministerie is veranderd naar ‘de Minister van Justitie en Veiligheid’.

Naar boven