Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 121 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 121 | beleidsregel |
Het Onderzoekskader 2026 (hierna: onderzoekskader) van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) beschrijft hoe het toezicht op de kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: BES of Caribisch Nederland) er 1 januari 2026 uit ziet. Vanaf dat moment treedt de Wet kinderopvang BES (hierna: Wko BES) in werking.
Het onderzoekskader gaat over de werkwijze van de inspectie en het openbaar lichaam1. Daarnaast staat ook het waarderingskader daarin. Kort gezegd: in het onderzoekskader staat hoe we toezicht houden en in het waarderingskader staat wat we onderzoeken.
In de Wko BES staat dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een toezichthouder aanwijst (artikel 5.1). In het aanwijzingsbesluit staat dat ambtenaren van de inspectie en het openbaar lichaam zijn aangewezen als toezichthouder op de kwaliteit van de kinderopvang. De inspectie is hier eindverantwoordelijke voor. De inspectie en het openbaar lichaam van Bonaire, Sint Eustatius en Saba maakten samen afspraken over het toezicht op de kinderopvang. De afspraken legden zij vast in samenwerkingsovereenkomsten tussen de inspectie en de openbare lichamen. In de samenwerkingsovereenkomsten staan ook de onderlinge taakverdelingen (zie: Caribisch Nederland | Onderwijssectoren | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl)).
In de inleiding leggen we eerst uit welke wet belangrijk is voor het toezicht. Daarna gaan we in op de reikwijdte en werking van het onderzoekskader.
De Wko BES is de basis voor het toezicht op de kinderopvang in Caribisch Nederland. De ambtenaren van de inspectie en van het openbaar lichaam hebben als toezichthouder de taak om de kwaliteit van de kinderopvang te beoordelen en te helpen verbeteren. Daaronder valt ook de kwaliteit van het kinderopvangpersoneel.
De inspectie en het openbaar lichaam houden samen toezicht op de kindercentra en de gastouderopvang. De definities zoals deze in de wet staan, beschrijven we hieronder (artikel 1.1 van de Wko BES).
Kinderopvang
• Kinderopvang: bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.
Kindercentra
• Kindercentrum: voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, niet zijnde gastouderopvang. Onder kindercentra vallen: dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang2.
• Dagopvang: kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang overdag wordt geboden.
• Buitenschoolse opvang: kinderopvang voor kinderen in de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd evenals gedurende vrije dagen of middagen en in schoolvakanties.
• Flexibele opvang: Kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met de leeftijd dat ze naar het voortgezet onderwijs kunnen gaan die in de avond, de nacht of het weekeinde plaatsvindt.
Ook houden de inspectie en het openbaar lichaam toezicht op de gastouderopvang.
Gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie die betrekking heeft op gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder begrepen de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de gastouder of zijn partner die de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt, waarbij de opvang plaatsvindt:
a. Op het adres van de gastouder, dan wel
b. Op het woonadres van een van de ouders van de kinderen voor wie de gastouder opvang biedt.
In het toezicht maakt de inspectie onderscheid tussen de verplichte eisen uit de wet en de eigen ambities van de kinderopvang.
Basiskwaliteit gaat over de algemene normen voor de kwaliteit van de kinderopvang die staan in de wet- en regelgeving.
Als een kindercentrum of gastouderopvang voldoet aan de basiskwaliteit, biedt deze kinderopvang van voldoende kwaliteit.
Onvoldoende kwaliteit van kinderopvang leidt tot herstelafspraken en kan leiden tot boetes of andere consequenties door de minister van SZW en/of tot tijdelijke sluiting door de inspectie. Het kan ook leiden tot schorsen of intrekken van de vergunning door het bestuurscollege van het openbaar lichaam.
Als we het hebben over eigen ambities dan bedoelen we de ambities en doelen die het kindercentrum of de gastouderopvang zichzelf stelt en die verder reiken dan de basiskwaliteit. Vanuit het stimulerende toezicht onderzoekt de inspectie hoe deze elementen bijdragen aan de continue en duurzame verbetering van de kinderopvangkwaliteit. De inspectie voert hier het gesprek over met kindercentra en gastouderopvang. In rapporten maakt de inspectie helder onderscheid tussen oordelen die we baseren op wet- en regelgeving en bevindingen die gaan over eigen ambities.
De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de kinderopvang ligt bij de houder van het kindercentrum en de gastouder. De houder is een natuurlijk persoon van achttien jaar of ouder of rechtspersoon die een kindercentrum exploiteert. De gastouder is degene van achttien jaar of ouder die gastouderopvang biedt. De houder en de gastouder zijn eindverantwoordelijk voor het bieden van verantwoorde kinderopvang, de veiligheid en gezondheid van de kinderen en de kwaliteit van de kinderopvang. De meeste houders hebben 1 kindercentrum en gastouders hebben 1 gastouderopvang. Hier krijgen zij een exploitatievergunning voor.
Het toezicht vindt plaats op locatieniveau. Dat betekent dat de locatie de focus van het toezicht is, en niet de houder of de overkoepelende organisatie. De kwaliteitseisen toetsen we op locatieniveau. Per locatie stellen we vast of de houder volgens de regels in de wet- en regelgeving handelt.
Dit Onderzoekskader 2026 is geldig vanaf de datum dat de Wko BES ingaat en is in principe voor 5 jaar geldig.
De inspectie voerde volgens de Memorie van Toelichting bij de Wko BES3 overleg met betrokkenen in Europees en Caribisch Nederland over het onderzoekskader. In Europees Nederland is gesproken met de betrokken departementen Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). In Caribisch Nederland is gesproken met de openbare lichamen van Bonaire, Saba en Sint Eustatius, houders van kindercentra en gastouders. Ook nemen we de inzichten en ervaringen mee die in het programma BES(t) 4 kids zijn opgedaan.
De evaluatie van de werking en de effecten van het onderzoekskader vindt plaats vóór 1 juli 2030, zodat we de uitkomsten mee kunnen nemen in de bijstelling van het onderzoekskader per 1 januari 2031. Overleg met de betrokken partijen is hier onderdeel van. Op basis van een evaluatie van de werking van de effecten van het kader, kunnen we besluiten tot een vervroegde bijstelling van het kader, als dat nodig is.
In dit hoofdstuk staat wat de uitgangspunten zijn van het toezicht op de kinderopvang in Caribisch Nederland en wat de hoofdlijnen zijn van het toezicht: waarborgen en stimuleren.
Vanuit onze waarborgfunctie en stimuleringsfunctie maken we in ons waarderingskader een onderscheid in de basiskwaliteit en de eigen kwaliteitsambities. Basiskwaliteit is wat een opvang moet doen volgens de wet. Eigen kwaliteitsambities zijn wat een opvang zelf wil bereiken. Bij de waarborgfunctie vormen de wettelijke eisen in de Wko BES, het Besluit kinderopvang BES, de verschillende Eilandsverordeningen (en eventueel onderhangende besluiten) en de Regeling kinderopvang BES de basis. Voor de eigen ambities vormt het pedagogisch en educatief beleidsplan het vertrekpunt. We werken transparant en alle kwaliteitsinformatie is openbaar. Met behulp van het onderzoekskader kunnen de houders werken aan basiskwaliteit en de eigen ambities.
Het onderzoekskader bestaat uit de onderdelen ‘waarborgen van de basiskwaliteit’ en ‘stimuleren tot beter’.
De inwoners van Bonaire, Saba en Sint Eustatius moeten erop kunnen vertrouwen dat kinderen van nul tot en met de leeftijd dat ze naar het voortgezet onderwijs gaan, kinderopvang krijgen van voldoende kwaliteit. De norm voor de basiskwaliteit is dat het kindercentrum of de gastouderopvang voldoet aan de eisen van de kinderopvangkwaliteit zoals die in de wet staan.
We spreken van het oordeel ‘Voldoende’ als het kindercentrum of de gastouderopvang voldoet aan de betreffende wet- en regelgeving. Als het kindercentrum of de gastouderopvang hier niet aan voldoet als het gaat over veiligheid en gezondheid geven we het oordeel ‘Onvoldoende’.
We gaan ervan uit dat de kinderopvang een veilige en gezonde plek is voor kinderen. Daarom verstaan we onder veiligheid en gezondheid alle eisen die van invloed kunnen zijn op de veiligheid en gezondheid van kinderen. Dus bijvoorbeeld ook (een veilige) accommodatie en (voldoende) personeel. In hoofdstuk 3 werken we uit welke eisen onder de thema’s veiligheid en gezondheid vallen.
Op alle andere wettelijke eisen spreken we tenminste tot 5 jaar na inwerkingtreding van dit kader over ‘Verbeterpunt’ als de locatie niet voldoet aan de wet- en regelgeving.
We voeren jaarlijks tenminste 1 onderzoek uit op elk kindercentrum en elke gastouderopvang4. We doen dit zowel onaangekondigd als aangekondigd. Blijkt uit ons onderzoek dat het kindercentrum of de gastouderopvang niet voldoet aan de basiskwaliteit? Dan richten we onze interventies op de betreffende houder of gastouder die ervoor moet zorgen dat hij binnen een aanvaardbare hersteltermijn aan de betreffende eisen voldoet.
Ons toezicht is ook stimulerend: gericht op het verbeteren van de kwaliteit. In onze werkwijze blijkt dit op verschillende manieren.
In de eerste plaats is onze stimulerende rol merkbaar in de inhoud en stijl van onze gesprekken met kindercentra en gastouderopvang. We geven ruimte aan kindercentra en gastouderopvang om hun visie en ambities en de manier waarop zij deze vertalen in hun kinderopvangpraktijk, te presenteren. We voeren het gesprek aan de hand van de ambities, zoals die beschreven zijn in het pedagogisch beleidsplan. Aan het eind van de onderzoeksdag organiseren we zogenoemde eindgesprekken. Daarmee krijgen de houder van het kindercentrum en de gastouder aan de hand van eigen casuïstiek meer inzicht in onze (voorlopige) oordelen. Dit biedt de houders en gastouders concrete aanknopingspunten voor activiteiten om te kunnen verbeteren.
In de tweede plaats is onze stimuleringsfunctie te zien in de rapporten. We vermelden op welke punten de opvang voldoet aan de eisen. Ook beschrijven we de goede praktijken als we die tegenkomen, zodat deze als voorbeeld kunnen dienen. Op deze manier geven we een eerlijk beeld van de kwaliteit zoals we die aantroffen tijdens het onderzoek.
Tot slot hanteren we naast het oordeel Voldoende ook de waardering Goed. Bij de waardering Goed bekijken we naast de eisen in de wet- en regelgeving ook de eigen ambities. We laten zien in welke mate de kindercentra en gastouderopvang hun eigen doelen realiseren. Dit stimuleert houders en gastouders om verbeteringen op eigen wijze en binnen eigen kaders doelgericht vorm te geven. We vragen de houder en gastouder om toestemming voor het geven van de waardering Goed op de eigen ambities. Als een houder of gastouder niet mee wil werken aan dit stimulerende onderdeel van het onderzoek, dan hoeft dit niet. In hoofdstuk 4 staat op welke kwaliteitsaspecten de waardering Goed gegeven kan worden.
Bij kindercentra en gastouderopvang die aan de basiskwaliteit voldoen, kijken we vooral of er sprake is van een verbetercultuur. Hiermee bedoelen we een gezamenlijk streven om de kinderopvangkwaliteit niet alleen op voldoende niveau te houden, maar ook verder te verbeteren. Als deze verbetercultuur aanwezig is, ontstaat er ruimte om de kinderopvangkwaliteit als geheel op een hoger plan te brengen.
In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader. Eerst geven we een samenvatting van de wettelijke taken van de kinderopvang in Caribisch Nederland en de kwaliteitseisen (paragraaf 3.1). Daarna beschrijven we de opbouw van het kader in paragraaf 3.2. In paragraaf 3.3 is vervolgens het volledige waarderingskader voor de kinderopvang in Caribisch Nederland opgenomen. Daarbij maken we een onderscheid tussen de verschillende kindercentra (dagopvang en buitenschoolse opvang) en de gastouderopvang. In de laatste paragraaf (3.4) gaan we in op de overige wettelijke vereisten.
In de Wko BES staat in artikel 2.3 wat verantwoorde kinderopvang precies is:
– het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen;
– het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen;
– de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen;
– het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voor kinderen.
Ook moet de houder van een kindercentrum of gastouder ervoor zorgen dat hij de uitvoering van het pedagogische beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, schriftelijk vastlegt, evalueert en waar nodig bijstelt. Hieronder staan de kwaliteitseisen waar het kindercentrum en de gastouder aan moeten voldoen om verantwoorde kinderopvang te realiseren.
Kwaliteitseisen kindercentrum
In artikel 2.4 van de Wko BES staan de kwaliteitseisen die de wet aan een kindercentrum stelt. Een houder van een kindercentrum:
– organiseert de kinderopvang op zodanige wijze;
– voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel;
– draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; en
– voert een zodanig pedagogisch-, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid;
– dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang.
In het Besluit kinderopvang BES (hierna: Bko BES) staan nadere regels over de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum (op grond van artikel 2.3, derde lid van de Wko BES). We maken onderscheid tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang. In artikel 2.4, vierde lid van de Wko BES staat op welke voorwaarden dit betrekking kan hebben.
In de Regeling kinderopvang BES (hierna: Rko BES) staan op grond van artikel 2.2, vierde lid van de Wko BES nadere regels over de inhoud van de kinderopvangovereenkomst. Op grond van artikel 2.11, tweede lid van de Bko BES staan in de Rko BES nadere regels over de vaardigheden voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen.
In artikel 2.4, vijfde lid van de Wko BES staan de nadere regels die aan een kindercentrum kunnen worden gesteld bij of krachtens de Eilandsverordening en het Eilandsbesluit.
Tot slot zijn er overige wettelijke vereisten waar kindercentra aan moeten voldoen.
Kwaliteitseisen gastouderopvang
In artikel 2.6 van de Wko BES staan de kwaliteitseisen die de wet aan een gastouder stelt. Een gastouder:
– organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze;
– voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel;
– voert een zodanig pedagogisch-, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid;
– dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang.
In de Bko BES staan nadere regels gesteld over de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een gastouder. In artikel 2.6, vierde lid van de Wko BES staat op welke voorwaarden dit betrekking kan hebben.
In de Rko BES staan op grond van artikel 2.2, vierde lid van de Wko BES nadere regels over de inhoud van de kinderopvangovereenkomst. Op grond van artikel 2.11, tweede lid van de Bko BES zijn in de Rko BES nadere regels gesteld over de vaardigheden voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen.
In de Eilandsverordeningen staan op grond van artikel 2.6, lid 5 van de Wko BES nadere eisen aan de gastouderopvang door het openbaar lichaam. In het Eilandsbesluit kunnen nadere regels en voorwaarden worden gesteld aan de gastouderopvang.
Tot slot zijn er overige wettelijke vereisten waar gastouderopvang aan moet voldoen.
Het waarderingskader is opgebouwd uit 4 kwaliteitsgebieden. Deze geven een antwoord op 4 vragen over de kwaliteit van de kinderopvang en 32 kwaliteitsaspecten (kindercentra).
In het waarderingskader onderscheiden we 4 kwaliteitsgebieden:
I. Administratie, Personeel en Huisvesting (APH)
II. Veiligheid, Gezondheid en Pedagogisch klimaat (VGP)
III. Kinderopvang en Spelend leren (KS)
IV. Kwaliteitszorg, Kwaliteitscultuur en Verantwoording (KKV)
Met de uitwerking van deze 4 kwaliteitsgebieden in het waarderingskader krijgen we antwoord op 4 vragen:
1. Voldoet het kindercentrum/de gastouderopvang aan de eisen op het gebied van administratie, personeel en huisvesting?
2. Is het veilig en gezond voor de kinderen?
3. Worden kinderen op het kindercentrum/de gastouderopvang voldoende gestimuleerd in hun ontwikkeling?
4. Stuurt de leiding van het kindercentrum/de gastouderopvang op het verbeteren van de kwaliteit?
Elk kwaliteitsgebied bestaat uit kwaliteitsaspecten. In totaal zijn er 32 kwaliteitsaspecten. De kwaliteitsaspecten zijn ingedeeld per onderwerp. Een kwaliteitsaspect bevat 1 of meer eisen uit de wet- en regelgeving. De kwaliteitsaspecten bevatten allemaal een korte toelichting die aangeeft welke eisen eronder vallen. Bij een deel van de kwaliteitsaspecten onder de kwaliteitsgebieden KS en KKV is ook ruimte voor een dialoog over de eigen kwaliteitsaspecten die het kindercentrum of de gastouderopvang laat zien of ambieert. We betrekken eigen ambities bij onze oordeelsvorming voor de waardering Goed. Daarbij onderzoeken we of het kindercentrum of de gastouderopvang haar eigen ambities realiseert en of de instelling daarmee goede kinderopvang realiseert.
De wet stelt verschillende eisen aan een kindercentrum en de gastouderopvang. Daardoor zijn niet alle kwaliteitsaspecten ook van toepassing op de gastouderopvang. De gastouderopvang heeft in totaal 26 kwaliteitsaspecten. In hoofdstuk 6 verduidelijken we dit verschil.
Niet alle vereisten zoals die in de Wko BES en onderliggende regelgeving staan, nemen we op in het onderzoekskader. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bewaartermijnen van documenten zoals het veiligheids- en gezondheidsplan, voor het verlenen van bedrijfsmatige opvang zonder vergunning en bij weigering van het verlenen van opvang aan kinderen. Op grond van meldingen en signalen kunnen we houders en gastouders bevragen op het mogelijk niet-naleven van de overige wettelijke vereisten. Niet-naleving van (een of meer van) de overige wettelijke vereisten kan leiden tot het instellen van een onderzoek, een herstelafspraak of mogelijke handhaving.
Het waarderingskader kinderopvang BES kent voor de kindercentra de volgende opbouw:
|
KWALITEITSGEBIEDEN EN KWALITEITSASPECTEN KINDEROPVANG BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA |
|
|---|---|
|
I. |
Kwaliteitsgebied Administratie, Personeel en Huisvesting (APH) |
|
Administratie |
|
|
1. Kwaliteitsaspect Exploitatievergunning |
|
|
Personeel en groepen |
|
|
2. Kwaliteitsaspect Opleiding, scholing en ervaring |
|
|
3. Kwaliteitsaspect Verklaring omtrent het gedrag |
|
|
4. Kwaliteitsaspect Voertaal |
|
|
5. Kwaliteitsaspect Aantal beroepskrachten en groepsgrootte |
|
|
6. Kwaliteitsaspect Herkenbare ruimtes en personen (stabiliteit) |
|
|
Huisvesting |
|
|
7. Kwaliteitsaspect Huisvesting en ruimtes |
|
|
II. |
Kwaliteitsgebied Veiligheid, Gezondheid en Pedagogisch klimaat (VGP) |
|
Veiligheid en gezondheid |
|
|
8. Kwaliteitsaspect Veiligheids- en gezondheidsbeleid |
|
|
9. Kwaliteitsaspect Gezonde voeding |
|
|
10. Kwaliteitsaspect Meld-, overleg- en aangifteplicht1 |
|
|
Pedagogisch- en educatief beleid en pedagogisch handelen |
|
|
11. Kwaliteitsaspect Pedagogisch- en educatief beleid |
|
|
12. Kwaliteitsaspect Emotionele veiligheid |
|
|
13. Kwaliteitsaspect Persoonlijke vaardigheden |
|
|
14. Kwaliteitsaspect Sociale vaardigheden |
|
|
15. Kwaliteitsaspect Overdracht van waarden en normen |
|
|
III. |
Kwaliteitsgebied Kinderopvang en Spelend leren (KS) |
|
Aanbod |
|
|
16. Kwaliteitsaspect Dagritme en activiteitenprogramma |
|
|
17. A. Kwaliteitsaspect Programma voorschoolse educatie (dagopvang)/ B. Kwaliteitsaspect Aanbod gericht op ontwikkeling kind (buitenschoolse opvang) |
|
|
18. Kwaliteitsaspect Inrichting van de ruimte |
|
|
Zicht op ontwikkeling |
|
|
19. Kwaliteitsaspect Volgen van de ontwikkeling |
|
|
20. Kwaliteitsaspect Signaleren van bijzonderheden en reflecteren |
|
|
21. Kwaliteitsaspect Overdracht gegevens kind naar de basisschool (dagopvang) |
|
|
Spelend leren |
|
|
22. Kwaliteitsaspect Spelenderwijs en doelgericht stimuleren van de ontwikkeling |
|
|
23. Kwaliteitsaspect Interactie |
|
|
24. Kwaliteitsaspect Actieve betrokkenheid |
|
|
Samenwerking |
|
|
25. Kwaliteitsaspect Samenwerking met ouders |
|
|
26. Kwaliteitsaspect Samenwerking met lokale partners |
|
|
IV. |
Kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg, Kwaliteitscultuur en Verantwoording (KKV) |
|
Kwaliteitszorg |
|
|
27. Kwaliteitsaspect Planmatig werken aan kwaliteitsverbetering |
|
|
28. Kwaliteitsaspect Evalueren van de kwaliteit |
|
|
Kwaliteitscultuur |
|
|
29. Kwaliteitsaspect Professionele kwaliteitscultuur |
|
|
Verantwoording en dialoog |
|
|
30. Kwaliteitsaspect Informatie verstrekken |
|
|
31. Kwaliteitsaspect Klachtenprocedure |
|
|
32. Kwaliteitsaspect Oudercommissie |
|
|
Overige wettelijke vereisten |
|
De meld-, overleg- en aangifteplicht voor de houders van kindercentra en de overlegplicht voor de gastouderopvang treedt in werking op 1 januari 2027.
Het waarderingskader kinderopvang Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft 4 kwaliteitsgebieden en telt per gebied een aantal kwaliteitsaspecten. Bij elk van de 32 kwaliteitsaspecten is eerst aangegeven wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat moet het kindercentrum/de gastouderopvang). Daarna is in het waarderingskader bij elk kwaliteitsaspect onder de kwaliteitsgebieden III en IV ruimte voor de eigen ambities en doelen van het kindercentrum/de gastouderopvang (wat wil het kindercentrum/de gastouderopvang). Ook geven we aan welke nadere regels zijn opgenomen in de lagere regelgeving (het Besluit kinderopvang BES, de Regeling kinderopvang BES, de Eilandsverordening en het daaronder hangende besluit).
In de bijlagen staan de waarderingskaders voor de kindercentra (dagopvang en buitenschoolse opvang) en gastouderopvang. De bijlage met de juridische uitwerking van de waarderingskader is te vinden op onze website (zie: Caribisch Nederland | Onderwijssectoren | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl)).
In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we met behulp van het waarderingskader uit hoofdstuk 3 en de uitwerkingen in de bijlagen tot oordelen komen over de kwaliteit van de kinderopvang.
We beoordelen de kwaliteit van de kinderopvang per kwaliteitsaspect. In paragraaf 4.2 beschrijven we de normering op basis van de wet- en regelgeving en in paragraaf 4.3 beschrijven we de richtlijn voor de waardering van de eigen ambities.
Het oordeel op de afzonderlijke kwaliteitsaspecten leidt niet tot een oordeel over een kwaliteitsgebied en ook niet over de kinderopvang als geheel (paragraaf 4.4). Door alleen te oordelen op een kwaliteitsaspect wordt voor de houder duidelijk aan welke wettelijke kwaliteitseisen wel of niet wordt voldaan. Alle wettelijke eisen wegen even zwaar en leiden niet tot een oordeel op het bovenliggende kwaliteitsgebied. Aangezien we niet oordelen per kwaliteitsgebied geven we ook geen eindoordeel per kindercentrum of gastouderopvang.
Kwaliteitsaspecten omvatten 1 of meerdere eisen uit de Wko BES. Of we een kwaliteitsaspect als Voldoende of Onvoldoende/Verbeterpunt beoordelen, baseren we alleen op de vraag of het kindercentrum/de gastouderopvang voldoet aan de wet- en regelgeving.
De eerste 5 jaar na de inwerkingtreding van de wet geven we alleen het oordeel Voldoende/Onvoldoende op de kwaliteitsaspecten die vallen onder de kwaliteitsgebieden I. Administratie, Personeel en Huisvesting (APH) of II. Veiligheid, gezondheid en pedagogisch klimaat (VGP). We zullen hier direct handhavend optreden in de vorm van herstelopdrachten met redelijke termijnen. De veiligheid en gezondheid van kinderen mag niet in gevaar komen.
De eerste 5 jaar na de inwerkingtreding van de wet geven we alleen het oordeel Voldoende/Verbeterpunt op de kwaliteitsaspecten die vallen onder de kwaliteitsgebieden Kinderopvang en Spelend leren of Kwaliteitszorg, kwaliteitscultuur en verantwoording. We geven hier ook herstelopdrachten, maar dan met langere termijnen.
|
Oordeel kwaliteitsaspect |
Norm voor kwaliteitsaspecten |
|---|---|
|
Voldoende (basiskwaliteit) |
De kinderopvang voldoet aan de wet- en regelgeving op het kwaliteitsaspect. |
|
Onvoldoende |
De kinderopvang voldoet niet aan de wet- en regelgeving op het kwaliteitsaspect dat valt onder het kwaliteitsgebied I. Administratie, Personeel en Huisvesting (APH)/ I. Administratie, Gastouder en Huisvesting (AGH) of kwaliteitsgebied II. Veiligheid, Gezondheid en Pedagogisch klimaat (VGP). |
|
Verbeterpunt |
De kinderopvang voldoet niet aan de wet- en regelgeving op het kwaliteitsaspect dat valt onder het kwaliteitsgebied III. Kinderopvang en Spelend leren (KS) of Kwaliteitsgebied IV. Kwaliteitszorg, Kwaliteitscultuur en Verantwoording (KKV). |
Voor de waardering Goed op een kwaliteitsaspect voldoet het kindercentrum/de gastouderopvang in ieder geval aan de wet- en regelgeving.
De waardering van de eigen ambities vindt op 2 manieren plaats:
1. Bij de oordeelsvorming op het kwaliteitsaspect zijn de eigen ambities doorslaggevend voor de waardering Goed.
2. Alle kwaliteitsaspecten in de kinderopvang in Caribisch Nederland kennen een wettelijke basis. Als het kindercentrum of de gastouderopvang op de kwaliteitsaspecten in de kwaliteitsgebieden III. Kinderopvang en Spelend leren of IV. Kwaliteitszorg, Kwaliteitscultuur en Verantwoording eigen ambities en doelen stelt in het pedagogisch beleidsplan kan dit leiden tot de waardering Goed. Dit kan het geval zijn als het kindercentrum de eigen ambities op het kwaliteitsaspect op overtuigende wijze laat zien (zowel in ambitie als realisatie). Als we dit zien, verbinden we daar de waardering Goed aan. We doen dit alleen als de houder toestemming geeft.
|
Waardering kwaliteitsaspect |
Richtlijn voor waardering eigen ambities |
|---|---|
|
Goed |
De kinderopvang voldoet aan de wettelijke eisen én realiseert de eigen ambities op overtuigende wijze en is daarmee een voorbeeld voor anderen. |
Bij onze oordeelsvorming hanteren we normering uit paragraaf 4.2 en 4.3 als richtlijn. De mate waarin de kinderopvangpraktijk de essentie en de bedoeling van vooral de wet- en regelgeving laat zien, is bepalend voor ons oordeel. Daarbij hanteren we het uitgangspunt dat voor een oordeel Voldoende op een kwaliteitsaspect de kinderopvang moet voldoen aan de wet- en regelgeving die hoort bij het kwaliteitsaspect. We beoordelen alleen niet de naleving van elke wettelijke eis per kwaliteitsaspect op zichzelf, maar in relatie tot de kwaliteit die we met het kwaliteitsaspect beogen. Ter illustratie: het kan zijn dat het kindercentrum of de gastouderopvang op een kwaliteitsaspect een positief beeld laat zien, maar dat de opvang aan een bepaald element van het kwaliteitsaspect (nog) niet voldoet. Als het niet naleven van die wettelijke eis beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit én als de opvang het punt eenvoudig en op korte termijn kan herstellen (of al heeft hersteld voordat het rapport definitief is), dan geven we het oordeel Voldoende op het kwaliteitsaspect. De houder van het kindercentrum of gastouderopvang krijgt voor het onderdeel dat niet voldoet een opdracht tot herstel, en ziet zelf toe op herstel van de naleving. Wij zien daar ook op toe bij een volgend jaarlijks onderzoek, gezien onze wettelijke taak.
Naast het zichtbaar voldoen aan alle wet- en regelgeving bij het kwaliteitsaspect, kijken we voor een waardering Goed naar de eigen ambities: laat het kindercentrum/de gastouderopvang op overtuigende wijze zien hoe zij haar eigen kwaliteitsbeleid op het kwaliteitsaspect vormgeeft en realiseert en hoe zij daarmee goede kinderopvang tot stand brengt? Is het kindercentrum/de gastouderopvang daarmee een voorbeeld voor anderen? Het pedagogisch beleidsplan van de houder/de gastouderopvang en de observaties van de inspecteur in de praktijk zijn daarbij belangrijke bronnen. We baseren ons daarbij primair op de ambities van de houder en de keuzes die het kindercentrum/de gastouderopvang daarin maakt.
Omgevingsfactoren bepalen de context waarbinnen het kindercentrum of de gastouderopvang opereert. Deze kunnen in positieve of negatieve zin van invloed zijn op de kinderopvangkwaliteit. Omgevingsfactoren zijn onder meer: de ontwikkeling van de kindpopulatie, de huisvesting en de beschikbaarheid van bevoegd personeel. Onze oordelen betreffen altijd de kwaliteit van de kinderopvang die kinderen ontvangen, ongeacht de omgevingsfactoren.
Hoewel omgevingsfactoren dus niet van invloed zijn op het oordeel, spelen zij wel een rol bij het bepalen van passende interventies in het kader van vervolgtoezicht. Het effect van het niet naleven van wet- en regelgeving kan verschillen per doelgroep. Dit wegen we mee in het bepalen van de herstelopdracht, de hersteltermijn en bij het advies tot eventueel opleggen van een sanctie.
Onze oordelen hebben een wettelijke basis en komen tot stand door meerdere bronnen te gebruiken, zoals documenten van het kindercentrum of de gastouderopvang en observaties. En via gesprekken met de houder en leiding van het kindercentrum/de gastouderopvang, met beroepskrachten, met kinderen, met ouders en met de oudercommissie (als dit van toepassing is). Met deze werkwijze komen we tot een afgewogen oordeel. We passen hoor en wederhoor toe.
Voor de waardering van de eigen ambities hanteren we een vergelijkbare werkwijze. We hebben hier de rol van de critical friend. Het kindercentrum of de gastouderopvang is hier zelf aan zet en we passen onze toezichtstijl daarop aan.
Het karakter van het waarderingskader met enerzijds een stevige wettelijke basis en anderzijds ruimte voor eigen ambities, stelt hoge eisen aan onze expertise. Met het waarderingskader als instrument en de richtlijnen voor de oordeelsvorming beoordelen we de feitelijke realisatie van de kinderopvang zoals de kinderen dit ontvangen.
Onze focus gedurende het gehele proces van oordelen en waarderen is dat we recht doen aan de kinderopvangkwaliteit die we aantreffen en daarmee aan de kansen van kinderen op de BES-eilanden om zich optimaal te kunnen ontwikkelen.
In dit hoofdstuk beschrijven we onze werkwijze. Deze baseren we op het jaarlijkse onderzoek. Het jaarlijks onderzoek voeren we uit op basis van de uitgangspunten zoals beschreven in hoofdstuk 2 en met behulp van het waarderingskader en de normering zoals beschreven in hoofdstuk 3 en 4.
We starten met de onderzoeksvragen en gaan daarna in op de 3 fasen van het jaarlijks onderzoek: de voorbereiding (paragraaf 5.1.1.), de uitvoering (paragraaf 5.1.2.) en de afronding (paragraaf 5.1.3.).
Naast het jaarlijkse onderzoek bestaat ook het incidenteel onderzoek (paragraaf 5.2) en het nader onderzoek (paragraaf 5.3).
Bij elke locatie onderzoeken we jaarlijks de kwaliteit van de kinderopvang aan de hand van alle kwaliteitsaspecten uit het waarderingskader. We gaan na of de houder van een kindercentrum/de gastouderopvang met een exploitatievergunning voldoet aan de wettelijke eisen.
Voorbereiding onderzoek kindercentrum of gastouderopvang
Ter voorbereiding op de uitvoering van het onderzoek vormt de inspectie een eerste beeld van de kwaliteit van de locatie door al beschikbare informatie door te nemen en te analyseren. Ieder onderzoek start met een expertanalyse van de informatie die de inspectie beschikbaar heeft of vooraf opvroeg bij de te onderzoeken locatie. We analyseren het pedagogisch beleidsplan (voldoet het aan de wettelijke voorschriften en welke ambities bevat het plan?), en andere relevante documenten zoals beleidsplannen en documenten die de evaluatie en beoordeling van de kwaliteit betreffen. Deze documenten vormen de basis van de expertanalyse. Daarnaast kijken we terug naar eerder toezicht (toezichthistorie) en betrekken we andere (algemeen toegankelijke) gegevens.
We nemen als voorbereiding op het onderzoek in ieder geval de volgende documenten door: de exploitatievergunning, het pedagogisch beleidsplan en het veiligheids- en gezondheidsbeleid. Eventueel binnengekomen signalen onderzoeken we ook.
We bekijken of de informatie van het kindercentrum/de gastouderopvang in onze systemen actueel is en of de informatie betrekking heeft op onze onderzoeksvragen en daarmee ook de kwaliteitsgebieden van het waarderingskader dekt.
De uitvoering van het onderzoek heeft als doel om tot een oordeel per kwaliteitsaspect te komen. Tijdens het jaarlijks onderzoek observeren we het handelen van de beroepskrachten of de gastouder in de groep. We voeren gesprekken met beroepskrachten of gastouder, de leiding van de organisatie en locatie en, waar mogelijk, met kinderen en ouders. We nemen daarnaast ook tijdens het onderzoek beschikbare documenten door (documentenanalyse).
Bij de oordeelsvorming hanteren we het waarderingskader. We vragen de houder/de gastouder naar de eigen ambities en we vragen of de houder/de gastouder akkoord gaat met het doen van onderzoek naar goede kwaliteit, zodat dit kan leiden tot de waardering Goed op de eigen ambities.
Terugkoppeling bevindingen en oordelen
Het bezoek sluiten we af met een eindgesprek waarin we de bevindingen en voorlopige oordelen delen en aangeven wat goed gaat, wat beter kan en wat beter moet. We willen dat onze oordelen en waarderingen betekenis hebben voor het kindercentrum/de gastouderopvang en de houder/de gastouder, zodat deze niet alleen worden herkend en erkend, maar ook aanzetten tot verbetering.
We geven een toelichting op onze oordelen op basis van wat we hebben gezien, gehoord en gelezen. Daarbij kunnen we meer informatie teruggeven aan de leidinggevenden dan in de rapporten. Als het over de eigen ambities gaat, leggen we nadrukkelijk de relatie met het pedagogisch beleidsplan.
Rapport
In het rapport geven we onze bevindingen weer en onderbouwen we onze oordelen. We doen dit op een wijze dat het kindercentrum of de gastouderopvang zich in de oordelen kan herkennen en wij hen daarmee stimuleren noodzakelijke en wenselijke verbeteringen door te voeren.
De houder krijgt eerst een conceptrapport en daarna een definitief rapport. De oordelen en waarderingen over het kindercentrum of de gastouderopvang, de eventuele herstelopdrachten en aanbevelingen zijn opgenomen in het rapport. Het rapport is gericht aan de houder van het kindercentrum of de gastouder.
In het rapport beschrijven en onderbouwen we de oordelen en waarderingen over de locatie. Daarnaast geeft het rapport een beeld van de ontwikkeling van de locatie. Daarbij gaan we in op de omgevingsfactoren die ook van invloed zijn op de kinderopvangkwaliteit zoals we die aantroffen.
De houder van het kindercentrum/de gastouder kan in reactie op het conceptrapport eventuele feitelijke onjuistheden en opmerkingen schriftelijk aan de inspectie melden. Ook kan de houder een mondelinge toelichting geven. De reactie kan leiden tot wijzigingen in het rapport. Daarna stellen we het rapport vast.
Naast de al gegeven reactie heeft de houder van het kindercentrum of de gastouder de kans om een zienswijze aan het rapport te hechten (zie hoofdstuk 8). De houder van het kindercentrum/de gastouder heeft daarbij de mogelijkheid om aan te geven op welke wijze de bevindingen uit het onderzoek worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van de kinderopvangkwaliteit. Vervolgens maken we het rapport openbaar op de website van de Inspectie van het Onderwijs.
Naast het jaarlijks onderzoek is er het incidenteel onderzoek.
We volgen door het jaar heen voortdurend de prestaties van kindercentra/gastouderopvang, zoals ontwikkelingen in het personeelsbestand, bijstellingen van het pedagogisch beleidsplan, signalen of het aantal kinderen op het kindercentrum/de gastouderopvang. Door het jaar heen ontvangt de inspectie meldingen en signalen over de kindercentra en gastouderopvang, van bijvoorbeeld de ouders. We hanteren hierbij een interne signalenroute. Op basis hiervan wegen we af welke stappen we zetten richting de houder. Signaleren we daarbij risico’s? Dan kan dit leiden tot een incidenteel onderzoek. Dat onderzoek voeren we ook uit aan de hand van het waarderingskader.
We stellen in dat onderzoek vast of het kindercentrum/de gastouderopvang voldoet aan de basiskwaliteit ten aanzien van enkele of meerdere kwaliteitsaspecten. Deze continue monitoring van ontwikkelingen en risico’s ondersteunt ons in de uitvoering van onze waarborgfunctie.
Het incidenteel onderzoek moet antwoord geven op de vraag of er sprake is van wettelijke tekortkomingen en of het kindercentrum/de gastouderopvang dus wel of niet voldoet aan de basiskwaliteit. De omvang van het onderzoek is afhankelijk van de informatie die het kindercentrum/de gastouderopvang over de kinderopvangkwaliteit kan geven. De selectie van te onderzoeken kwaliteitsaspecten stemmen we daarop af.
Constateren we tijdens een onderzoek (jaarlijks onderzoek of incidenteel onderzoek) tekortkomingen? Dan kunnen we daarna 1 of meer nadere onderzoeken uitvoeren. Doel is om na te gaan of de gemaakte herstelafspraken zijn nagekomen en de tekortkomingen zijn opgeheven. We onderzoeken alleen datgene wat de houder of gastouder moest herstellen.
Bij een jaarlijks onderzoek geven we de kwaliteitsaspecten die door ons zijn beoordeeld in een tabel weer. We noemen dit het kwaliteitsprofiel. We vermelden in het overzicht onze oordelen en waarderingen op de kwaliteitsaspecten.
|
KWALITEITSPROFIEL KINDERCENTRUM |
||
|---|---|---|
|
I. Kwaliteitsgebied Administratie, Personeel en Huisvesting (APH) |
||
|
Administratie |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
|
|
1. Exploitatievergunning |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
Personeel en groepen |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
|
|
2. Opleiding, scholing en ervaring |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
3. Verklaring omtrent het gedrag |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
4. Voertaal |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
5. Aantal beroepskrachten en groepsgrootte |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
6. Herkenbare ruimtes en personen (stabiliteit) |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
Huisvesting |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
|
|
7. Huisvesting en ruimtes |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
II. Kwaliteitsgebied Veiligheid, Gezondheid en Pedagogisch klimaat (VGP) |
||
|
Veiligheid en Gezondheid |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
|
|
8. Veiligheids- en gezondheidsbeleid |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
9. Gezonde voeding |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
10. Meld-, overleg- en aangifteplicht |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
Pedagogisch- en educatief beleid en pedagogisch handelen |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
|
|
11. Pedagogisch- en educatief beleid |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
12. Emotionele veiligheid |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
13. Persoonlijke vaardigheden |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
14. Sociale vaardigheden |
||
|
15. Overdracht van waarden en normen |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
III. Kwaliteitsgebied Kinderopvang en Spelend leren (KS) |
||
|
Aanbod |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
16. Dagritme en activiteitenprogramma |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
17. A. Programma voorschoolse educatie (dagopvang)/ B. Aanbod gericht op ontwikkeling kind (buitenschoolse opvang) |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
18. Inrichting van de ruimte |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
Zicht op ontwikkeling |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
19. Volgen van de ontwikkeling |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
20. Signaleren van bijzonderheden en reflecteren |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
21. Overdracht gegevens kind naar de basisschool (dagopvang) |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
Spelend leren |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
22. Spelenderwijs en doelgericht stimuleren van de ontwikkeling |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
23. Interactie |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
24. Actieve betrokkenheid |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
Samenwerking |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
25. Samenwerking met ouders |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
26. Samenwerking met lokale partners |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
IV. Kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg, Kwaliteitscultuur en Verantwoording (KKV) |
||
|
Kwaliteitszorg |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
27. Planmatig werken aan kwaliteitsverbetering |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
28. Evalueren van de kwaliteit |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
Kwaliteitscultuur |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
29. Professionele kwaliteitscultuur |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
Verantwoording en dialoog |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
30. Informatie verstrekken |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
31. Klachtenprocedure |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
32. Oudercommissie |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
KWALITEITSPROFIEL GASTOUDEROPVANG |
||
|---|---|---|
|
I. Kwaliteitsgebied Administratie, Gastouder en Huisvesting (AGH) |
||
|
Administratie |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
|
|
GOO 1. Exploitatievergunning |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
Eisen aan de gastouder en groepsgrootte |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
|
|
GOO 2. Opleiding, scholing en ervaring |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
GOO 3. Verklaring omtrent het gedrag |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
GOO 4. Voertaal |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
GOO 5. Groepsgrootte |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
Huisvesting |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
|
|
GOO 6. Huisvesting en ruimtes |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
II. Kwaliteitsgebied Veiligheid, Gezondheid en Pedagogisch klimaat (VGP) |
||
|
Veiligheid en Gezondheid |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
|
|
GOO 7. Veiligheids- en gezondheidsbeleid |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
GOO 8. Gezonde voeding |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
GOO 9. Overlegplicht |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
Pedagogisch- en educatief beleid en pedagogisch handelen |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
|
|
GOO 10. Pedagogisch- en educatief beleid |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
GOO 11. Emotionele veiligheid |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
GOO 12. Persoonlijke vaardigheden |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
GOO 13. Sociale vaardigheden |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
GOO 14. Overdracht van waarden en normen |
Voldoende/ Onvoldoende |
|
|
III. Kwaliteitsgebied Kinderopvang en Spelend leren (KS) |
||
|
Aanbod |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
GOO 15. Dagritme en activiteitenprogramma |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
GOO 16. Inrichting van de ruimte |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
Zicht op ontwikkeling |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
GOO 17. Volgen van de ontwikkeling |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
GOO 18. Signaleren van bijzonderheden |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
GOO 19. Overdracht gegevens kind naar de basisschool |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
Spelend leren |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
GOO 20. Spelenderwijs en doelgericht stimuleren van de ontwikkeling |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
GOO 21. Interactie |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
GOO 22. Actieve betrokkenheid |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
Samenwerking |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
GOO 23. Samenwerking met lokale partners |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
IV. Kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg, Kwaliteitscultuur en Verantwoording (KKV) |
||
|
Kwaliteitszorg |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
GOO 24. Planmatig werken aan kwaliteitsverbetering |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
Kwaliteitscultuur |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
GOO 25. Professionele kwaliteitscultuur |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
|
Verantwoording |
||
|
Kwaliteitsaspect |
Oordeel |
Waardering eigen ambities |
|
GOO 26. Informatie verstrekken |
Voldoende/ Verbeterpunt |
Goed |
Tot slot leggen we in het rapport de eventuele herstelopdrachten vast die betrekking hebben op het herstel van niet-naleving van wet- en regelgeving. We geven aan of en wanneer we een nader onderzoek gaan doen. Ook leggen we de termijnen vast waarbinnen de houder/gastouder de tekortkoming(en) moet herstellen.
Het rapport van het kindercentrum of de gastouderopvang plaatsen we op onze website. Onze rapporten zijn openbaar. We plaatsen een rapport in de derde week na vaststelling op onze website (artikel 5.4 van de Wko BES). Als het kindercentrum op basis van het definitieve rapport een eigen zienswijze opstelde, voegen we die toe aan het rapport. Wij toetsen voorafgaand aan openbaarmaking ook aan de uitzonderingsgronden van artikelen 5.1 en 5.2 van de Wet open overheid en artikelen 8 en 11 van de wet openbaarheid van bestuur BES. Wij maken dit besluit kenbaar in de aanbiedingsbrief bij het definitieve rapport.
We hebben een publieke taak en dat betekent dat we ouders en samenleving informeren over onze bevindingen. We doen dit met onze rapporten, via onze website, sociale media en nieuwsbrieven. In principe zijn alle rapporten via onze website beschikbaar, inclusief het kwaliteitsprofiel. Van alle door ons onderzochte kindercentra/gastouderopvang plaatsen we het rapport op onze website.
Ook kunnen ouders of anderen (anoniem) meldingen doen of signalen geven. Deze hebben voor ons een belangrijke functie. Ze kunnen leiden tot een incidenteel onderzoek (paragraaf 5.2) en we nemen deze mee in de voorbereiding van het jaarlijkse onderzoek en het nader onderzoek.
We rapporteren periodiek over de kwaliteit van de kinderopvang in Caribisch Nederland. We benutten de onderzoeksgegevens uit onze jaarlijkse onderzoeken op de kindercentra en gastouderopvang in Caribisch Nederland om regelmatig een actueel beeld te geven van de prestaties van de kinderopvang in Caribisch Nederland. We doen dit bijvoorbeeld via de Staat van het Onderwijs en periodieke rapportages over de kwaliteit van de kinderopvang.
Herstel van naleving is gericht op kindercentra of gastouderopvang die niet voldoen aan de wet- en regelgeving. Voor het kindercentrum of gastouderopvang heeft dit betrekking op de kinderopvangkwaliteit. Schieten kindercentra of gastouderopvang dusdanig tekort in wat zij kinderen bieden en voldoen zij niet aan de vereisten? Dan is herstel van die tekorten vereist.
Is een kwaliteitsaspect Onvoldoende en is er niet aan de wettelijke eisen voldaan? Dan benoemen we de tekortkoming in het rapport. We maken 1 of meerdere afspraken over het herstel met de houder van het kindercentrum/de gastouderopvang en leggen dit als herstelopdracht vast in het rapport. We voeren een nader onderzoek uit binnen de afgesproken hersteltermijn.
De herstelopdracht omvat de formulering van de wettelijke tekortkoming en de termijn waarbinnen de houder/gastouder het herstel moet realiseren. De mate waarin wij directief optreden bij het bepalen van de herstelopdracht is ook afhankelijk van de ernst en omvang van de tekortkomingen en de omgevingsfactoren die op het niet naleven van invloed zijn.
Het nader onderzoek is een onderzoek dat zich richt op de kwaliteitsaspecten die onvoldoende waren, of een verificatie van de informatie die we van het de houder/gastouder kregen. We leggen onze bevindingen vast in een rapport volgens artikel 5.4 lid 1 van de Wko BES.
Als een kwaliteitsaspect een Verbeterpunt is en er niet aan de wettelijke eisen is voldaan, dan benoemen we de tekortkoming in het rapport. We geven, net als bij een Onvoldoende, een herstelopdracht aan de houder van het kindercentrum/de gastouderopvang en nemen dit op in het rapport. We controleren de herstelopdrachten tijdens het jaarlijkse onderzoek. De hersteltermijn voor een Verbeterpunt is in principe 1 jaar.
Als een houder van een kindercentrum/de gastouderopvang niet aan de wettelijke eisen voldoet, hanteren we een escalatieroute.5
De escalatieroute ziet er als volgt uit:
– Bij het niet naleven van een wettelijke eis (oordeel Onvoldoende of Verbeterpunt) volgt een herstelopdracht.
– Na herhaaldelijk niet nakomen van de herstelopdrachten kan de inspectie de minister de volgende bestuurlijke maatregelen adviseren: last onder dwangsom of bestuurlijke boete (5.6 t/m 5.8 van de Wko BES).
– Tijdelijke sluiting van het kindercentrum of de gastouderopvang (5.10 van de Wko BES) door de inspectie indien de houder van het kindercentrum/de gastouder niet aan de wettelijke eisen voldoet en daardoor sprake is van een direct en ernstig gevaar voor de fysieke of sociale veiligheid of de gezondheid van personen.
– Na herhaaldelijk niet nakomen van de herstelopdracht kan het bestuurscollege van het openbaar lichaam, ook op advies van de inspectie, de volgende bestuurlijke maatregelen inzetten: schorsen of intrekken van de vergunning (5.11 van de Wko BES).
Als het kindercentrum/de gastouderopvang voldoet aan de basiskwaliteit, houdt onze rol niet op. Naast onze waarborgfunctie willen we kindercentra en de gastouderopvang stimuleren hun kwaliteitsdoelen hoger te formuleren dan de basiskwaliteit. In onze onderzoeken voeren we daarom de dialoog over de eigen doelen en ambities die het kindercentrum/de gastouderopvang zichzelf stelt en hoe zij deze realiseren. We nemen dit ook op in het rapport. Op deze wijze werken inspectie en kindercentra/de gastouderopvang aan de verdere ontwikkeling van de kwaliteit.
Hieronder staat het waarderingskader voor de kindercentra (dagopvang en buitenschoolse opvang). De bijlage met de juridische uitwerking van dit waarderingskader is te vinden op onze website (zie: Caribisch Nederland | Onderwijssectoren | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl)).
De gebruikte afkortingen zijn:
BES: Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Wko BES: Wet kinderopvang BES
Bko BES: Besluit kinderopvang BES
Rko BES: Regeling kinderopvang BES
EV: Eilandsverordening
EB: Eilandsbesluit
|
WAARDERINGSKADER KINDERCENTRUM |
|
|---|---|
|
I. |
Kwaliteitsgebied Administratie, Personeel en Huisvesting (APH) |
|
Administratie |
|
|
1. Exploitatievergunning (Wko BES artikel 2.1, eerste, tweede en zesde lid, onderdeel a, EV Kinderopvang Bonaire 2026 artikel 7 en 8, EV kinderopvang Saba, artikel 4 en 5 en EV Sint Eustatius PM) De houder van het kindercentrum heeft een exploitatievergunning. Dit is toestemming van het bestuurscollege om een kindercentrum te mogen runnen. Het voorblad van de vergunning is zichtbaar in het kindercentrum. De houder geeft wijzigingen op de juiste wijze door aan het bestuurscollege. |
|
|
Personeel en groepen |
|
|
2. Opleiding, scholing en ervaring (Wko BES artikel 2.4, eerste lid, onderdelen b en d, artikel 2.4, tweede lid, onderdeel e, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel b, artikel 2.4, vijfde lid, onderdeel b en Bko BES artikel 2.7., artikel 2.8., artikel 2.11., artikel 2.15. en artikel 5.1.a en artikel 5.2., Rko BES artikel 4, tweede lid, onder j. en k., artikel 5, artikel 6 en 7 en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 15, EV Sint Eustatius PM en EB Bonaire 2026 PM) De houder van het kindercentrum zorgt ervoor dat de beroepskrachten voldoen aan de eisen voor opleiding, scholing en ervaring. De houder levert hiervoor de diploma’s en aanvullende bewijsstukken aan. Een beroepskracht beschikt ten minste over een opleiding op mbo-niveau 3 tot pedagogisch medewerker of met een pedagogische component. Indien er meerdere beroepskrachten op de locatie aanwezig zijn, moet de houder op locatieniveau voldoen aan de eisen voor teamkwalificatie. Elke dag is er een volwassene op de locatie aanwezig die eerste hulp kan verlenen aan kinderen. |
|
|
3. Verklaring omtrent het gedrag (Wko BES artikel 2.8, met uitzondering van onderdeel e) De houder van het kindercentrum zorgt ervoor dat iedereen die werkzaam of structureel aanwezig is op het kindercentrum beschikt over een geldige en actuele verklaring omtrent het gedrag. |
|
|
4. Voertaal (Wko BES artikel 2.4, vijfde lid, onderdeel a en artikel 2.7 en EV) Bij kinderopvang in een kindercentrum op Bonaire is de voertaal Nederlands of Papiaments. Op Sint Eustatius en Saba is dit Engels of Nederlands. Er kan in specifieke omstandigheden ook een andere voertaal worden gesproken vanwege de herkomst van de kinderen. |
|
|
5. Aantal beroepskrachten en groepsgrootte (Wko BES artikel 2.1, zesde lid, onderdeel a, 2.4 lid, eerste lid onderdelen b en c, artikel 2.4, tweede lid, onderdelen a en f, artikel 2.4, vierde lid, onderdelen c en d, Bko BES artikel 2.12., vierde en negende lid, artikel 2.13., artikel 2.14., artikel 2.15. en artikelen 5.1.a en 5.2., EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 7, derde lid, onder e, EV Sint Eustatius PM.) Het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie moet voldoen aan de eisen. De juiste verhouding is te zien in de tabellen over de beroepskracht-kindratio. Een beroepskracht in opleiding of een stagiair in een mbo-3 opleiding mag alleen op de groep staan, mits deze medewerker al een mbo-2 of CVQ-2 diploma heeft. De houder van het kindercentrum zorgt ervoor dat beroepskrachten in opleiding en stagiairs alleen taken doen die passen bij wat zij al kunnen en mogen vanuit hun opleiding. Bij het inzetten van minder beroepskrachten (een afwijkende bezetting) voldoet de houder aan de voorwaarden. De houder houdt in presentielijsten bij hoeveel beroepskrachten zorgen voor het aantal kinderen. |
|
|
6. Herkenbare ruimtes en personen (stabiliteit) (Wko BES artikel 2.4 eerste lid, onderdeel b, artikel 2.4, tweede lid, onderdelen b en d, artikel 2.4 vierde lid, onderdelen d en e en Bko BES artikel 2.12., eerste tot en met negende lid en artikel 2.16.) De houder van het kindercentrum zorgt voor een stabiele omgeving voor de kinderen binnen de opvang. Dit doet de houder door te werken met stamgroepen (dagopvang) of basisgroepen (buitenschoolse opvang), vaste beroepskrachten en een mentor. Ouders worden hiervan op de hoogte gesteld. |
|
|
Huisvesting |
|
|
7. Huisvesting en ruimtes (Wko BES artikel 2.4, eerste lid onderdeel b, artikel 2.4 vierde lid onderdelen h en i en Bko BES artikel 2.26. en artikel 2.27., artikel 5.1. onder b en artikel 5.2. en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 11, eerste en tweede lid en EV Sint Eustatius PM) Het gebouw waarin de kinderopvang zit, heeft zowel binnen als buiten voldoende ruimte (vierkante meters). Een houder kan de porch mee rekenen als binnenspeelruimte indien die voldoet aan de voorwaarden. Het kindercentrum is veilig, toegankelijk en passend ingericht en past bij het aantal kinderen en hun leeftijden. Er is binnen voldoende ventilatie. Voor de baby’s is er een afzonderlijke slaapruimte. De buitenspeelruimte heeft veel schaduw en grenst aan het kindercentrum. |
|
|
II. |
Kwaliteitsgebied Veiligheid, Gezondheid en Pedagogisch klimaat (VGP) |
|
Veiligheid en gezondheid |
|
|
8. Veiligheids- en gezondheidsbeleid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, artikel 2.3, tweede en derde lid, artikel 2.4, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.4, vierde lid onderdeel a en Bko BES artikel 2.4. en artikel 2.5.) De houder van het kindercentrum zorgt voor een veilige en gezonde omgeving voor kinderen. De houder stelt veiligheids- en gezondheidsbeleid op dat voldoet aan de criteria en handelt hiernaar. De houder evalueert het veiligheids- en gezondheidsbeleid en stelt het bij waar dit nodig is. De houder van de dagopvang zorgt ervoor dat een medewerker altijd gezien en gehoord kan worden door een andere volwassene. Dit noemen we het vierogenprincipe. De houder zorgt ervoor dat er iemand klaarstaat te helpen als er maar één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is. Dit noemen we een achterwacht. |
|
|
9. Gezonde voeding (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en artikel 2.3, tweede en derde lid, artikel 2.4, eerste lid onderdeel d, artikel 2.4, vierde lid onderdeel a en artikel 2.4, vijfde lid onderdeel c, EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 10, EV kinderopvang Saba, artikel 8, EV Sint Eustatius PM, EB Bonaire PM, EB Saba PM en EB Sint Eustatius PM. De houder van het kindercentrum zorgt voor gezonde voeding en sluit aan bij de richtlijnen van het openbaar lichaam. |
|
|
10. Meld-, overleg- en aangifteplicht (Wko BES artikel 2.11 en artikel 2.12) Dit artikel treedt naar verwachting op 1 januari 2027 in werking en wordt vanaf dat moment onderzocht. De houder van het kindercentrum volgt de wettelijke regels rond het melden, overleggen en aangifte doen van strafbare feiten. Dan gaat het over een zedenmisdrijf en/of mishandeling. De houder neemt direct contact op met de deskundige als de houder kennis heeft van een mogelijk misdrijf (tegen de zeden en/of mishandeling) tegen een kind door iemand die werkt in het kindercentrum. Personeel moet het melden bij de houder als ze weten van een mogelijk misdrijf (tegen de zeden en/of mishandeling). De houder zorgt ervoor dat alle medewerkers kennis hebben over de meld-, overleg- en aangifteplicht en weten wat zij moeten doen. |
|
|
Pedagogisch en educatief beleid en pedagogisch handelen |
|
|
11. Pedagogisch en educatief beleid (Wko BES artikel 2.3, tweede lid, artikel 2.4, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel f, en Bko BES artikel 2.23. en artikel 2.24. en EV Kinderopvang Bonaire 2026 artikel 16, tweede lid) De houder van het kindercentrum beschikt over een pedagogisch- en educatief beleidsplan dat de vereiste onderdelen bevat. De houder zorgt ervoor dat medewerkers volgens dit plan handelen. De houder evalueert het plan regelmatig en stelt het waar nodig bij. |
|
|
12. Emotionele veiligheid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en derde lid, artikel 2.4 vierde lid, onderdeel f en Bko BES artikel 2.2., onderdeel a) De houder van het kindercentrum zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan de emotionele veiligheid van kinderen. De beroepskrachten gaan op een sensitieve en responsieve manier met de kinderen om. Zij stellen duidelijke grenzen en zorgen voor een vaste structuur. |
|
|
13. Persoonlijke vaardigheden (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdelen a en b en derde lid, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel f en Bko BES artikel 2.2., onderdelen a, b en c) De houder van het kindercentrum zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van de persoonlijke vaardigheden van kinderen. De beroepskrachten ondersteunen en begeleiden de kinderen in hun ontwikkeling. Ze stimuleren de autonomie en de zelfstandigheid van de kinderen. Zo leren kinderen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving. |
|
|
14. Sociale vaardigheden (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en derde lid, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel f en Bko BES artikel 2.2., onderdelen b en c) De houder van het kindercentrum zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van de sociale vaardigheden van kinderen. De beroepskrachten brengen de kinderen spelenderwijs kennis en sociale vaardigheden bij. Zo leren kinderen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden. De beroepskrachten begeleiden kinderen in hun interacties. |
|
|
15. Overdracht van waarden en normen (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en derde lid, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel f en Bko BES artikel 2.2., onderdeel d) De houder van het kindercentrum zorgt voor een pedagogisch klimaat waarin kinderen leren omgaan met de waarden en normen die belangrijk zijn in de samenleving. De beroepskrachten stimuleren kinderen om op een open manier kennis te maken met deze waarden en normen in de samenleving. Zo leren de kinderen respectvol om te gaan met anderen en een actief onderdeel te zijn van de maatschappij. |
|
|
III. |
Kwaliteitsgebied Kinderopvang en Spelend leren (KS) |
|
Aanbod |
|
|
16. Dagritme en activiteitenprogramma (Wko BES artikel 2.4 eerste lid, artikel 2.4, tweede lid, onderdelen c en h, artikel 2.4, vierde lid, onderdelen g en k en Bko BES artikel 2.19.) De houder van het kindercentrum zorgt voor een dagritme en heeft een afwisselend activiteitenprogramma voor de kinderen. Het programma bestaat uit activiteiten die zich richten op de ontspanning van de kinderen en uit activiteiten die de ontwikkeling van kinderen stimuleren. Het programma past bij de leeftijden en de ontwikkelingsniveaus van de kinderen. |
|
|
17. A. Programma voorschoolse educatie (dagopvang) (Wko BES artikel 2.3, artikel 2.4 eerste lid, tweede lid onderdeel h, derde lid en vierde lid onderdeel g en Bko BES artikel 2.25.) De houder van de dagopvang gebruikt een programma voor voorschoolse educatie. Hiermee wordt gestructureerd, samenhangend en spelenderwijs gewerkt aan ten minste de taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden, creatieve vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden. Het programma past bij de Caribische context en de ontwikkelfase van de kinderen. Het draagt bij aan een soepele overgang tussen de kinderopvang en het basisonderwijs. B. Aanbod gericht op ontwikkeling kind (buitenschoolse opvang) (Wko BES artikel 2.3 en 2.4 eerste lid en tweede lid onderdeel h. en Bko BES artikel 2.2.) De houder van de buitenschoolse opvang zorgt voor een aanbod waarmee spelenderwijs en doelgericht de taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden, creatieve vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden worden gestimuleerd. |
|
|
18. Inrichting van de ruimte (Wko BES artikel 2.4, eerste lid onderdeel b, artikel 2.4, vierde lid onderdelen h en i, Bko BES artikel 2.2. onderdeel e en artikel 2.26., eerste lid) De houder van het kindercentrum richt de speelleeromgeving aantrekkelijk, uitdagend en taalrijk in. De inrichting van de ruimte past bij het aantal en de leeftijd van de kinderen. |
|
|
Zicht op ontwikkeling |
|
|
19. Volgen van de ontwikkeling (Wko BES artikel 2.4, eerste lid, artikel 2.4, tweede lid onderdeel g, artikel 2.4, vierde lid onderdeel l en Bko BES, artikel 2.16., derde lid) De houder van het kindercentrum volgt de ontwikkeling van de kinderen. De mentor bespreekt de uitkomsten hiervan regelmatig met de ouders en is aanspreekpunt bij vragen van ouders over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind. |
|
|
20. Signaleren van bijzonderheden en reflecteren (Wko BES, artikel 2.4, eerste en tweede lid, onderdeel g, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel l en Bko BES artikel 2.21. en artikel 2.22.) De houder van het kindercentrum merkt bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen op. De houder stelt voor deze kinderen een begeleidingsplan op. De houder en de betrokken beroepskrachten overleggen vervolgens met de verlener van pedagogische ondersteuning en advies, indien ouders hiermee instemmen. Zij leggen de uitkomst hiervan vast in het dossier van het kind. De houder reflecteert regelmatig op de ontwikkeling van het kind met de betrokken beroepskrachten. |
|
|
21. Overdracht gegevens kind naar de basisschool (dagopvang) (Wko BES artikel 2.15 en Bko BES artikel 2.24., eerste lid, onderdeel k en artikel 4.1.) De houder van de dagopvang zorgt, met instemming van de ouders, voor een warme overdracht van informatie over het ontwikkelproces van een kind naar de basisschool. Dit is bedoeld om te helpen met een goede doorstroom van het kind. Het gaat om gegevens over taalvaardigheid, rekenvaardigheid, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden. Er vindt dan een gesprek plaats tussen de beroepskracht van de kinderopvang en de leerkracht van de basisschool. Ouders krijgen de mogelijkheid bij het gesprek met de basisschool aanwezig te zijn. De houder bewaart deze gegevens maximaal twee jaar nadat het kind aan de basisschool begon. |
|
|
Spelend leren |
|
|
22. Spelenderwijs en doelgericht stimuleren van de ontwikkeling (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.3, derde lid en Bko BES artikel 2.2., onderdeel b) De beroepskrachten dagen kinderen spelenderwijs en doelgericht uit in hun ontwikkeling (taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden, creatieve vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden). |
|
|
23. Interactie (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.3, derde lid en Bko BES artikel 2.2. onderdelen c en e) De beroepskrachten stimuleren en begeleiden de interacties met en tussen kinderen. De interacties zijn positief en dragen bij aan de (taal)ontwikkeling. De beroepskrachten zorgen voor een taalrijke speelleeromgeving. |
|
|
24. Actieve betrokkenheid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.3, derde lid en Bko BES artikel 2.2. onderdelen a, b en c) De beroepskrachten en kinderen zijn actief en betrokken. Dit betekent dat de pedagogisch medewerkers de kinderen uitdagen door hen zelf te laten doen en ervaren. Ze geven positieve begeleiding en doelgerichte uitleg in kleine stapjes. |
|
|
Samenwerking |
|
|
25. Samenwerking met ouders (Wko BES artikel 2.4, eerste lid, artikel 2.4, tweede lid, onderdeel h en vierde lid, Bko BES artikel 2.24., eerste lid, onderdeel j en EV Sint Eustatius PM) De houder en de beroepskrachten van het kindercentrum werken samen met ouders om de ontwikkeling van het kind te stimuleren. De houder doet wat in het pedagogisch-educatief beleidsplan staat over de samenwerking met ouders. |
|
|
26. Samenwerking met lokale partners (Wko BES artikel 2.4, vijfde lid, onderdeel d, artikel 2.16 en EV Sint Eustatius PM) De houder van het kindercentrum werkt samen met lokale partners om een doorlopende ontwikkellijn te realiseren. De houder van het kindercentrum neemt deel aan de eilandelijke overleggen over zo groot mogelijke deelname van kinderen en de doorlopende ontwikkel- en leerlijn van kinderopvang naar het basisonderwijs. |
|
|
IV. |
Kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg, Kwaliteitscultuur en Verantwoording (KKV) |
|
Kwaliteitszorg |
|
|
27. Planmatig werken aan kwaliteitsverbetering (Wko BES artikel 2.3, eerste, tweede en derde lid, artikel 2.4, eerste lid en artikel 2.4, vierde lid onderdeel j en Bko BES artikel 2.2. en artikel 2.24., eerste lid, onderdeel h.) De houder van het kindercentrum stelt kwaliteitsdoelen op voor het pedagogisch-, educatief, veiligheids-, gezondheids- en organisatiebeleid. De houder maakt voor deze doelen een plan van aanpak en een planning en werkt aan de uitvoering hiervan. |
|
|
28. Evalueren van de kwaliteit (Wko BES artikel 2.3, eerste, tweede en derde lid, artikel 2.4, eerste lid en artikel 2.4, vierde lid onderdeel j en Bko BES artikel 2.2. en artikel 2.24., eerste lid, onderdeel h) De houder van het kindercentrum evalueert regelmatig of de kwaliteitsdoelen van het beleid op het gebied van pedagogie, educatie, veiligheid, gezondheid en organisatie behaald zijn. |
|
|
Kwaliteitscultuur |
|
|
29. Professionele kwaliteitscultuur (Wko BES artikel 2.4, eerste lid en artikel 2.4, vierde lid, onderdeel j en Bko BES artikel 2.4., tweede lid, artikel 2.5., artikel 2.24., eerste lid, onderdelen h en i) De houder van het kindercentrum zorgt voor een professionele leer- en verbetercultuur. Binnen deze cultuur werken de leiding van het kindercentrum en het personeel aan de eigen bekwaamheid en ze werken samen aan het continu verbeteren van de kwaliteit van het kindercentrum. De houder zorgt voor een duidelijke verdeling van taken, rollen en verantwoordelijkheden binnen het kindercentrum. |
|
|
Verantwoording en dialoog |
|
|
30. Informatie verstrekken (Wko BES artikel 2.14, Bko BES artikel 2.5., eerste lid onder e en Bko BES artikel 2.23., derde lid) De houder van het kindercentrum informeert de ouders over het pedagogisch en educatief beleid. De houder zorgt ervoor dat het actuele veiligheids- en gezondheidsbeleid en de evaluaties daarvan duidelijk zijn voor het personeel en ouders. De houder informeert de ouders en het personeel over de inspectierapporten. |
|
|
31. Klachtenprocedure (Wko BES artikel 2.9 en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 16, EV kinderopvang Saba, artikel 11, tweede lid en vierde tot en met negende lid en EV Sint Eustatius PM) De houder van het kindercentrum stelt een klachtenprocedure voor ouders op. Dit gaat over het afhandelen van klachten over gedrag richting een ouder of een kind, en over de overeenkomst van de houder met de ouders. De klachtenprocedure voldoet aan de gestelde eisen. De houder voert het onderzoek naar een klacht zorgvuldig volgens de eisen uit. |
|
|
32. Oudercommissie (Wko BES artikel 2.10 en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 12, 13 en 14, EV kinderopvang Saba, artikel 12, 13 en 14 en EV Sint Eustatius PM) De houder van het kindercentrum stelt een oudercommissie in als het kindercentrum meer dan 50 kinderen opvangt. De houder stelt een reglement op dat voldoet aan de gestelde eisen. De oudercommissie krijgt de mogelijkheid om advies uit te brengen over de onderwerpen in de Eilandsverordening. Als de houder het advies van de oudercommissie niet overneemt, onderbouwt hij dit schriftelijk. De houder en de oudercommissie overleggen ten minste één keer per jaar. De houder verstrekt de oudercommissie op tijd en op aanvraag alle benodigde informatie. |
|
Hieronder staat het waarderingskader voor de gastouderopvang. De bijlage met de juridische uitwerking van dit waarderingskader is te vinden op onze website (zie: Caribisch Nederland | Onderwijssectoren | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl)).
De gebruikte afkortingen zijn:
BES: Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Wko BES: Wet kinderopvang BES
Bko BES: Besluit kinderopvang BES
Rko BES: Regeling kinderopvang BES
EV: Eilandsverordening
EB: Eilandsbesluit
|
WAARDERINGSKADER GASTOUDEROPVANG |
|
|---|---|
|
I. |
Kwaliteitsgebied Administratie, Gastouder en Huisvesting (AGH) |
|
Administratie |
|
|
GOO 1. Exploitatievergunning (Wko BES artikel 2.1, eerste lid onderdeel a, tweede en zesde lid, onderdeel a en artikel 2.5 onderdelen a en b en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 7 en 8 en EV kinderopvang Saba, artikel 4 en 5) De gastouder heeft een exploitatievergunning. Dit is toestemming van het bestuurscollege om een gastouderopvang te mogen runnen. Het voorblad van de vergunning is zichtbaar bij de gastouder. De gastouder geeft wijzigingen op de juiste wijze door aan het bestuurscollege. De gastouder voldoet aan de eisen en beperkingen die aan de exploitatievergunning zijn gesteld. |
|
|
Eisen gastouder en groepsgrootte |
|
|
GOO 2. Opleiding, scholing en ervaring (Wko BES artikel 2.6, eerste, tweede en vijfde lid, en Bko BES artikel 2.7., artikel 2.10. en artikel 2.11. Rko BES artikel 4, derde lid, onderdeel d., artikel 5., artikel 7., eerste lid en EV kinderopvang Saba, artikel 10 onderdeel a en b) De gastouder voldoet aan de eisen voor opleiding, scholing en ervaring. De gastouder levert hiervoor de diploma’s en aanvullende bewijsstukken aan. De gastouder beschikt ten minste over een opleiding op mbo-2 niveau tot pedagogisch medewerker of met een pedagogische component. Elke dag is er een volwassene op de locatie aanwezig die eerste hulp kan verlenen aan kinderen. |
|
|
GOO 3. Verklaring omtrent het gedrag (Wko BES artikel 2.8 eerste lid, onderdelen a, e en f, tweede tot en met vijfde lid) De gastouder zorgt ervoor dat iedereen die werkzaam is of structureel aanwezig is bij de gastouder beschikt over een geldige en actuele verklaring omtrent het gedrag. |
|
|
GOO 4. Voertaal (Wko BES artikel 2.6, vijfde lid, onderdeel d en artikel 2.7) Bij gastouderopvang op Bonaire is de voertaal Nederlands of Papiaments. Op Sint Eustatius en Saba is dit Engels of Nederlands. Er kan in specifieke omstandigheden ook een andere voertaal worden gesproken vanwege de herkomst van de kinderen. |
|
|
GOO 5. Groepsgrootte (Wko BES artikel 2.1, zesde lid, onderdeel a, 2.6, vierde lid, onderdeel e, Bko BES artikel 2.17, EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 7, derde lid, onder e) Het aantal kinderen per leeftijdscategorie voldoet aan de eisen (gastouder-kindratio). |
|
|
Huisvesting |
|
|
GOO 6. Huisvesting en ruimtes (Wko BES artikel 2.6, vierde lid, onderdeel a en vijfde lid, onderdeel a en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 11, EV kinderopvang Saba, artikel 9, EB Bonaire PM en EB Saba PM) De gastouderopvang heeft voldoende speel- en slaapruimte. De gastouderopvang is veilig, toegankelijk en passend ingericht. De inrichting past bij het aantal kinderen en hun leeftijden. Er is binnen voldoende ventilatie. Voor de baby’s is er een afzonderlijke slaapruimte. |
|
|
II. |
Kwaliteitsgebied Veiligheid, Gezondheid en Pedagogisch klimaat (VGP) |
|
Veiligheid en gezondheid |
|
|
GOO 7. Veiligheids- en gezondheidsbeleid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, artikel 2.6, eerste en vierde lid, onderdeel a, en Bko BES artikel 2.4., artikel 2.6. en artikel 2.18.) De gastouder zorgt voor een veilige en gezonde omgeving voor kinderen. De gastouder stelt daarom veiligheids- en gezondheidsbeleid op dat voldoet aan de criteria en handelt hiernaar. De gastouder evalueert het veiligheids- en gezondheidsbeleid en stelt het bij waar dit nodig is. De gastouder zorgt ervoor dat er iemand klaarstaat om te helpen als dat nodig is. We noemen dit een achterwacht. |
|
|
GOO 8. Gezonde voeding (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, artikel 2.6, eerste en vijfde lid, onderdeel c en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 10, EV kinderopvang Saba artikel 8, EB Kinderopvang Bonaire 2026 PM en EB Saba PM) De gastouder zorgt voor gezonde voeding en sluit aan bij de richtlijnen van het openbaar lichaam. |
|
|
GOO 9. Overlegplicht (Wko BES artikel 2.13) Dit artikel treedt naar verwachting op 1 januari 2027 in werking en wordt vanaf dat moment onderzocht. De gastouder overlegt met de deskundige in geval van mogelijke zedenmisdrijven of mishandeling. |
|
|
Pedagogisch en educatief beleid en pedagogisch handelen |
|
|
GOO 10. Pedagogisch en educatief beleid (Wko BES artikel 2.3, eerste en derde lid, artikel 2.6, eerste lid en vijfde lid, onderdeel f, Bko BES artikel 2.2.) De gastouder beschikt over pedagogisch- en educatief beleid op papier. Het beleid bevat de vereiste onderdelen en de gastouder doet wat er op papier staat. De gastouder evalueert het beleid regelmatig en stelt het bij als dit nodig is. |
|
|
GOO 11. Emotionele veiligheid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en derde lid, artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c en Bko BES artikel 2.2. onderdeel a) De gastouder zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan de emotionele veiligheid van kinderen. De gastouder gaat op een sensitieve en responsieve manier met kinderen om. De gastouder stelt duidelijke grenzen en zorgt voor een vaste structuur. |
|
|
GOO 12. Persoonlijke vaardigheden (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, derde lid, artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c en Bko BES artikel 2.2. onderdelen a, b en c) De gastouder zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van de persoonlijke vaardigheden van kinderen. De gastouder ondersteunt en begeleidt de kinderen in hun ontwikkeling. De gastouder stimuleert de autonomie en de zelfstandigheid van de kinderen. Zo leren de kinderen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving. |
|
|
GOO 13. Sociale vaardigheden (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b en derde lid, artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c en Bko BES artikel 2.2. onderdeel c) De gastouder zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van de sociale vaardigheden van kinderen. De gastouder brengt de kinderen spelenderwijs kennis en sociale vaardigheden bij. Zo leren kinderen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden. De gastouder begeleidt kinderen in hun interacties. |
|
|
GOO 14. Overdracht van waarden en normen (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c en derde lid, artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c en Bko BES artikel 2.2. onderdelen a en d) De gastouder zorgt voor een pedagogisch klimaat waarin kinderen leren omgaan met waarden en normen die belangrijk zijn in de samenleving. De gastouder stimuleert kinderen om op een open manier kennis te maken met deze waarden en normen in de samenleving. Zo leren kinderen respectvol om te gaan met anderen en een actief onderdeel te zijn van de maatschappij. |
|
|
III. |
Kwaliteitsgebied Kinderopvang en Spelend leren (KS) |
|
Aanbod |
|
|
GOO 15. Dagritme en activiteitenprogramma (Wko BES artikel 2.6, eerste en tweede lid, vierde, onderdeel d en vijfde lid, onderdeel g en Bko BES artikel 2.19. en EV) De gastouder zorgt voor een dagritme en heeft een afwisselend activiteitenprogramma voor de kinderen. Het programma bestaat uit activiteiten die zich richten op de ontspanning en uit activiteiten die de ontwikkeling van kinderen stimuleren. Het activiteitenprogramma past bij de leeftijden en het ontwikkelingsniveau van de kinderen. |
|
|
GOO 16. Inrichting van de ruimte (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.6, eerste lid, onderdeel b en vijfde lid, onderdeel a en Bko BES artikel 2.2., onderdeel e, en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 11, eerste lid) De gastouder richt de speelleeromgeving aantrekkelijk, uitdagend en taalrijk in. De inrichting van de ruimte past bij het aantal en de leeftijd van de kinderen. |
|
|
Zicht op ontwikkeling |
|
|
GOO 17. Volgen van de ontwikkeling (Wko BES artikel 2.6 eerste lid, tweede lid, onderdeel c, vierde lid, onderdeel c) De gastouder volgt de ontwikkeling van de kinderen. |
|
|
GOO 18. Signaleren van bijzonderheden (Wko BES artikel 2.6 eerste lid, tweede lid, onderdeel c, vierde lid, onderdeel c, Bko BES artikel 2.21.) De gastouder merkt bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen op. De gastouder overlegt vervolgens met de verlener van pedagogische ondersteuning en advies, als ouders hiermee instemmen. De gastouder legt de uitkomst hiervan vast in het dossier van het kind. |
|
|
GOO 19. Overdracht gegevens kind naar de basisschool (Wko BES artikel 2.15 en Bko BES artikel 4.1.) De gastouder zorgt, met instemming van de ouders, voor een warme overdracht van informatie over het ontwikkelproces van een kind (0-4 jaar) naar de basisschool. Dit is bedoeld om te helpen met een goede doorstroom van het kind. Het gaat om gegevens over taalvaardigheid, rekenvaardigheid, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden. Er vindt dan een gesprek plaats tussen de gastouder en de leerkracht van de basisschool. De ouders krijgen de mogelijkheid bij het gesprek met de basisschool aanwezig te zijn. De gastouder bewaart deze gegevens maximaal twee jaar nadat het kind aan de basisschool begon. |
|
|
Spelend leren |
|
|
GOO 20. Spelenderwijs en doelgericht stimuleren van de ontwikkeling (Wko BES artikel 2.3, eerste en derde lid, artikel 2.6 en Bko BES artikel 2.2.) De gastouder daagt kinderen spelenderwijs en doelgericht uit in hun ontwikkeling (taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden, creatieve vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden). |
|
|
GOO 21. Interactie (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d en derde lid en Bko BES artikel 2.2., onderdelen c en e) De gastouder stimuleert en begeleidt de interacties met en tussen kinderen. De interacties zijn positief en dragen bij aan de (taal)ontwikkeling. De gastouder zorgt voor een taalrijke speelleeromgeving. |
|
|
GOO 22. Actieve betrokkenheid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d en derde lid en Bko BES artikel 2.2. onderdelen c en e) De gastouder en de kinderen zijn actief en betrokken. De betekent dat de gastouder de kinderen uitdaagt door hen zelf dingen te laten doen en ervaren. De gastouder geeft positieve begeleiding en doelgerichte uitleg in kleine stapjes. |
|
|
Samenwerking |
|
|
GOO 23. Samenwerking met lokale partners (Wko BES artikel 2.6, vijfde lid, onderdeel b, artikel 2.16 en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 17 en EB Bonaire PM) De gastouder werkt samen met lokale partners om een doorlopende ontwikkellijn te realiseren. De gastouder neemt deel aan de eilandelijke overleggen over zo groot mogelijke deelname van kinderen en de doorlopende ontwikkel- en leerlijn van kinderopvang naar het basisonderwijs. |
|
|
IV. |
Kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg, Kwaliteitscultuur en Verantwoording (KKV) |
|
Kwaliteitszorg |
|
|
GOO 24. Planmatig werken aan kwaliteitsverbetering (Wko BES artikel 2.3 eerste lid en tweede lid, artikel 2.6 eerste lid en vijfde lid, onderdeel f en Bko BES artikel 2.2. en EV) De gastouder werkt aan de uitvoering en verbetering van het beleid gericht op pedagogie, gezondheid, veiligheid en educatie. |
|
|
Professionele kwaliteitscultuur |
|
|
GOO 25. Professionele kwaliteitscultuur (Wko BES artikel 2.6 eerste lid, tweede lid onderdeel b, derde lid en vijfde lid, onderdeel e en EV) De gastouder werkt aan het verbeteren van de kwaliteit van de gastouderopvang, aan de eigen bekwaamheid en maakt gebruik van de begeleiding en ondersteuning van het openbaar lichaam. |
|
|
Verantwoording |
|
|
GOO 26. Informatie verstrekken (Wko BES artikel 2.14 eerste lid, tweede lid, onderdeel a, derde lid, onderdeel a en vierde lid en Bko BES) De gastouder informeert de ouders over het te voeren beleid. De gastouder informeert de ouders over de inspectierapporten. |
|
Deze juridische uitwerking hoort bij het ONDERZOEKSKADER KINDEROPVANG BES 2026 voor het toezicht op de kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (1/1/2026 – 1/1/2031). Dit document bevat de juridische uitwerking van de waarderingskaders voor het kindercentrum (dagopvang en buitenschoolse opvang) en gastouderopvang.
Allereerst is in deze bijlage de juridische onderbouwing van het waarderingskader voor het toezicht op het kindercentrum (dagopvang en buitenschoolse opvang) BES te vinden. Daarna volgt de juridische onderbouwing van het waarderingskader voor het toezicht op de gastouderopvang BES.
De gebruikte afkortingen zijn:
BES: Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Wko BES: Wet kinderopvang BES
Bko BES: Besluit kinderopvang BES
Rko BES: Regeling kinderopvang BES
EV: Eilandsverordening
EB: Eilandsbesluit
De verwijzingen naar de onderliggende documenten zijn te vinden op onze website (zie: Caribisch Nederland | Onderwijssectoren | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl)).
|
I. Kwaliteitsgebied Administratie, Personeel en Huisvesting (APH) |
|||||
|---|---|---|---|---|---|
|
Administratie |
|||||
|
1. Exploitatievergunning (Wko BES artikel 2.1, eerste, tweede en zesde lid, onderdeel a, EV Kinderopvang Bonaire 2026 artikel 7 en 8, EV kinderopvang Saba, artikel 4 en 5 en EV Sint Eustatius PM) De houder van het kindercentrum heeft een exploitatievergunning. Dit is toestemming van het bestuurscollege om een kindercentrum te mogen runnen. Het voorblad van de vergunning is zichtbaar in het kindercentrum. De houder geeft wijzigingen op de juiste wijze door aan het bestuurscollege. |
|||||
|
• Wko BES: Artikel 2.1 Exploitatievergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van het bestuurscollege: a. een kindercentrum of een gastouderopvang te exploiteren. 2. Een aanvraag voor een vergunning of een verlenging of wijziging daarvan wordt door de houder van een kindercentrum of gastouder ingediend bij het bestuurscollege. 6. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld met betrekking tot: a. de aanvraag en registratie van een vergunning, verlenging of wijziging daarvan. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 7 1. De exploitatievergunning staat op naam van een natuurlijke persoon of van een rechtspersoon, is niet overdraagbaar en wordt slechts verleend voor de in de exploitatievergunning vermelde lokaliteit. 2. Wijzigingen die raken aan de op naamstelling van de exploitatievergunning moeten worden doorgegeven aan het openbaar lichaam. 3. Een exploitatievergunning vermeldt in ieder geval: a. de naam en het adres van de exploitant; b. de namen en de adressen van de leden van de directie; c. het adres van het kindercentrum of gastouderopvang; d. welke vorm van opvang het kindercentrum of gastouderopvang aanbiedt, zijnde dagopvang of buitenschoolse opvang; en e. het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen waaraan maximaal kinderopvang kan worden geboden. 4. Het voorblad van de exploitatievergunning voor het houden van een kindercentrum of gastouderopvang wordt op een voor ieder zichtbare plaats in het kindercentrum of gastouderopvang aangebracht, waarop in elk geval de in het derde lid genoemde gegevens staan. Artikel 8 1. Een verzoek tot wijziging van een exploitatievergunning door de exploitant wordt schriftelijk bij het bestuurscollege ingediend onder vermelding van de redenen voor de wijziging en de gevolgen hiervan voor de kinderopvang. 2. Artikel 4, tweede tot en met zevende lid, artikel 5, artikel 6 en artikel 7 zijn van overeenkomstige toepassing bij de behandeling van een verzoek tot wijziging van een exploitatievergunning. • EV kinderopvang Saba: Artikel 4. Exploitatievergunning 1. De exploitatievergunning kan worden verleend onder voorwaarden. 2. De exploitatievergunning staat op naam van een natuurlijke persoon of van een rechtspersoon, is niet overdraagbaar en wordt slechts verleend voor de in de exploitatievergunning vermelde lokaliteit. 3. Wijzigingen die raken aan de op naamstelling van de exploitatievergunning moeten worden doorgegeven aan het openbaar lichaam. 4. Een exploitatievergunning vermeldt in ieder geval: a. de naam en het adres van de exploitant; b. het adres van het kindercentrum of gastouderopvang; c. welke vorm van opvang het kindercentrum of gastouderopvang aanbiedt, zijnde dagopvang of buitenschoolse opvang; en d. het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen waaraan maximaal kinderopvang kan worden geboden. 5. De exploitatievergunning voor het houden van een kindercentrum of gastouderopvang wordt op een voor ieder zichtbare plaats in het kindercentrum of gastouderopvang aangebracht. Artikel 5. Wijziging exploitatievergunning 1. Een verzoek voor wijziging van een exploitatievergunning door de houder of gastouder wordt schriftelijk bij het bestuurscollege ingediend onder vermelding van de redenen voor de wijziging en de gevolgen hiervan voor de kinderopvang. 2. Het bestuurscollege vraagt binnen twee weken na ontvangst van het verzoek tot wijziging advies aan de kwaliteitscommissie als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. 3. Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van een wijziging van een exploitatievergunning. 4. In geval van wijziging zal onder intrekking van de exploitatievergunning een nieuwe exploitatievergunning worden verstrekt. • EV Sint Eustatius: PM. |
|||||
|
Personeel en groepen |
|||||
|
2. Opleiding, scholing en ervaring (Wko BES artikel 2.4, eerste lid, onderdelen b en d, artikel 2.4, tweede lid, onderdeel e, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel b, artikel 2.4, vijfde lid, onderdeel b en Bko BES artikel 2.7., artikel 2.8., artikel 2.11., artikel 2.15. en artikel 5.1.a en artikel 5.2., Rko BES artikel 4, tweede lid, onder j. en k., artikel 5, artikel 6, artikel 7 en EV Kinderopvang Bonaire 2026 artikel 19, EV Sint Eustatius PM en EB Bonaire 2026 PM) De houder van het kindercentrum zorgt ervoor dat de beroepskrachten voldoen aan de eisen voor opleiding, scholing en ervaring. De houder levert hiervoor de diploma’s en aanvullende bewijsstukken aan. Een beroepskracht beschikt ten minste over een opleiding op mbo-niveau 3 tot pedagogisch medewerker of met een pedagogische component. Indien er meerdere beroepskrachten op de locatie aanwezig zijn, moet de houder op locatieniveau voldoen aan de eisen voor teamkwalificatie. Elke dag is er een volwassene op de locatie aanwezig die eerste hulp kan verlenen aan kinderen. |
|||||
|
• Wko BES: Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: e. de opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen waaraan beroepskrachten voldoen; 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: b. de minimale opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen voor beroepskrachten; 5. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor kinderopvang, die betrekking kunnen hebben op: b. aanvullende opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen voor een beroepskracht; • Bko BES: Artikel 2.7. Bewijsstukken met betrekking tot opleidings- en ervaringseisen 1. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden en bewijsstukken worden aangewezen met betrekking tot de opleidings- en ervaringseisen voor beroepskrachten of gastouders. Artikel 2.8. Opleidings- en ervaringseisen voor beroepskrachten bij een kindercentrum 1. Een beroepskracht beschikt over een opleiding tot pedagogisch medewerker of een opleiding met een pedagogische component, op ten minste het niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. 2. In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan dat een beroepskracht met aanvullende bewijsstukken met betrekking tot opleidings- en ervaringseisen aantoont dat deze handelt op het niveau, bedoeld in dat lid, mits de beroepskracht beschikt over een opleiding tot pedagogisch medewerker of een opleiding met een pedagogische component, op ten minste het niveau: a. bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES; of b. 2 van de Caribbean Vocational Qualification. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid en onverminderd artikel 2.15, eerste en tweede lid, is het toegestaan dat een beroepskracht beschikt over een opleiding tot pedagogisch medewerker of een opleiding met een pedagogische component, op ten minste het niveau: a. bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES; of b. 2 van de Caribbean Vocational Qualification. 4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid is het toegestaan dat een beroepskracht niet beschikt over een opleiding tot pedagogisch medewerker of een opleiding met een pedagogische component op ten minste het niveau, bedoeld in die leden, als die beroepskracht: a. geboren is voor of in het jaar 1975; b. reeds voor 1 januari 2026 werkzaam was in de kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius of Saba; en c. ten minste vijftien jaren ervaring heeft in de kinderopvang. Artikel 2.11. Scholingseisen eerste hulp 1. De houder of gastouder draagt er zorg voor dat er gedurende de kinderopvang te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig is die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen. 2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de kwalificatie, bedoeld in het eerste lid. Artikel 2.15. Teamkwalificatie 1. Het totaal minimum aantal in te zetten beroepskrachten op de locatie waar de houder een kindercentrum exploiteert, dat wordt gevormd door de optelsom van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op de afzonderlijke stamgroepen of basisgroepen binnen die locatie, bestaat gedurende de opvang: a. voor minimaal twee derde uit beroepskrachten als bedoeld in artikel 2.8, eerste of tweede lid; en b. voor maximaal een derde uit: 1°. beroepskrachten als bedoeld in artikel 2.8, derde lid; 2°. beroepskrachten in opleiding; of 3°. stagiairs. 2. Bij de inzet van beroepskrachten als bedoeld in artikel 2.8, derde lid: a. draagt de houder zorg voor begeleiding; en b. houdt de houder rekening met de ervaring en expertise waarover zij op dat moment beschikken. 3. Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding of stagiairs: a. wordt te allen tijde binnen de betreffende stamgroep, basisgroep of gecombineerde stamgroep en basisgroep ook ten minste een beroepskracht ingezet als bedoeld in artikel 2.8; b. draagt de houder zorg voor begeleiding; en c. houdt de houder rekening met de opleidingsfase waarin zij zich op dat moment bevinden. Artikel 5.1. Overgangsrecht met betrekking tot de teamkwalificatie bij kindercentra en de binnenspeelruimte bij de buitenschoolse opvang Tot en met 31 december 2030 geldt in afwijking van: a. artikel 2.15, eerste lid: 1°. onderdeel a, dat het totaal minimum aantal in te zetten beroepskrachten voor minimaal de helft uit beroepskrachten als bedoeld in dat onderdeel bestaat; 2°. onderdeel b, dat het totaal minimum aantal in te zetten beroepskrachten voor maximaal de helft uit beroepskrachten als bedoeld in dat onderdeel bestaat. Artikel 5.2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. • Rko BES: Artikel 4. Administratie en bewaartermijnen 2. De administratie van een houder van een kindercentrum bevat de volgende gegevens: j. afschriften van de bewijsstukken met betrekking tot de opleidingseisen van de beroepskrachten in het kindercentrum, bedoeld in artikel 2.8 van het besluit. k. afschriften van bewijsstukken met betrekking tot ervaringseisen van de beroepskrachten in het kindercentrum, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van het besluit en artikel 6 van deze regeling. Artikel 5. EHBO 1. Voor de kwalificatie, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van het besluit, beschikt de in dat artikel bedoelde volwassene over de volgende vaardigheden: a. de veiligheid van situaties beoordelen; b. zo veel als mogelijk zorgen voor een veilige situatie; c. in een onveilige situatie de eigen veiligheid waarborgen en indien mogelijk kinderen en andere personen in veiligheid brengen; d. professionele hulp inschakelen; e. een stoornis in het bewustzijn, de ademhaling en de circulatie van het kind herkennen en daarbij op juiste wijze handelen; f. reanimatie bij kinderen toepassen; en g. eerste hulp verlenen bij: 1°. verbranding; 2°. vergiftiging; 3°. verstikking; 4°. wonden en bloedingen; en 5°. letsels aan hoofd, spieren, botten of gewrichten. 2. De volwassene toont aan te beschikken over de vaardigheden, bedoeld in het eerste lid, door middel van een certificaat waaruit dit blijkt. 3. Het certificaat, bedoeld in het tweede lid, vermeldt de naam van de gekwalificeerde, de naam van de kwalificerende organisatie, de datum van afgifte en de naam van de gevolgde cursus. 4. Het certificaat, bedoeld in het tweede lid, is niet meer dan twee jaar geleden afgegeven. Artikel 6. Bewijsstukken met betrekking tot ervaringseisen 1. De houder van een kindercentrum beschikt over een afschrift van bewijsstukken met betrekking tot ervaringseisen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van het besluit, waaruit blijkt dat de in dat lid bedoelde beroepskracht de volgende taken kan uitvoeren op het niveau, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit: a. het begeleiden van kinderen bij hun ontwikkeling; b. het werken aan kwaliteit en deskundigheid; en c. het opvoeden en ontwikkelen van kinderen in de kinderopvang. 2. De bewijsstukken, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit documenten, gegevens of ander bewijsmateriaal die aantonen dat de beroepskracht bij de uitvoering van de taken handelt op het vereiste niveau en een schriftelijke toelichting waarin wordt uitgelegd waarom die bewijsstukken dat aantonen. Artikel 7. Overgangsrecht voor EHBO-kwalificaties en bewijsstukken met betrekking tot ervaringseisen 1. Een kwalificatie, afgegeven op grond van artikel 13, tweede lid, van de Eilandsverordening Kinderopvang Bonaire 2020, artikel 14, tweede lid, van de Basis Eilandsverordening Kinderopvang of artikel 14, tweede lid, van de Basis Eilandsverordening Kinderopvang Sint Eustatius, wordt aangemerkt als certificaat als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onverminderd het vierde lid van dat artikel. 2. Een ervaringscertificaat dat aantoont dat de beroepskracht handelt op het niveau, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit, en is afgegeven voor 31 december 2025, wordt aangemerkt als bewijs van de eisen, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, mits deze de ervaring aantoont van een beroepskracht die: a. ten minste sinds 31 december 2025 werkzaam is bij een kindercentrum op Bonaire, Sint Eustatius of Saba; en b. beschikt over een opleiding tot pedagogisch medewerker of een opleiding met een pedagogische component op ten minste het niveau: 1°. bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES; of 2°. 2 van de Caribbean Vocational Qualification. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 15 Bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels gesteld worden met betrekking tot de pedagogische opleiding van de beroepskracht. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. • EV Sint Eustatius: PM. • EB Bonaire: PM. |
|||||
|
3. Verklaring omtrent het gedrag (Wko BES artikel 2.8, met uitzondering van onderdeel e) De houder van het kindercentrum zorgt ervoor dat iedereen die werkzaam of structureel aanwezig is op het kindercentrum beschikt over een geldige en actuele verklaring omtrent het gedrag. |
|||||
|
• Wko BES: Artikel 2.8 Verklaring omtrent gedrag 1. In het bezit van een verklaring omtrent het gedrag zijn: a. de houder of voorgenomen houder van een kindercentrum, zijnde de directeur en bestuurders, en de gastouder of voorgenomen gastouder; b. de personen die in dienst zijn van de houder of met een uitzendorganisatie tijdens opvanguren werkzaam zijn, dan wel zullen zijn, op de locatie waar de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; c. de personen die op basis van een andere overeenkomst met de houder structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie waar de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; d. de personen die op vrijwillige basis structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie van waar de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; en f. de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen. 2. De verklaring omtrent het gedrag is op het tijdstip van overlegging aan de houder van het kindercentrum of de gastouder niet ouder dan drie maanden en wordt tweejaarlijks geactualiseerd. 3. Het tijdstip van overlegging van een verklaring omtrent het gedrag ligt voor de aanvang van de werkzaamheden of het structureel aanwezig zijn op een locatie van een kindercentrum dan wel een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt. 4. Indien een toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon van twaalf jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is in het kindercentrum of aanwezig is op het adres waar opvang door de gastouder plaatsvindt niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat de houder van het kindercentrum of gastouder een verklaring omtrent het gedrag overlegt met betrekking tot die persoon binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Binnen die termijn is die persoon in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en legt de houder of gastouder die verklaring omtrent het gedrag over aan de toezichthouder. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan drie maanden. 5. Een houder van een kindercentrum of gastouder bewaart de verklaringen omtrent gedrag gedurende drie jaar. |
|||||
|
4. Voertaal (Wko BES artikel 2.4, vijfde lid, onderdeel a en artikel 2.7 en EV) Bij kinderopvang in een kindercentrum op Bonaire is de voertaal Nederlands of Papiaments. Op Sint Eustatius en Saba is dit Engels of Nederlands. Er kan in specifieke omstandigheden ook een andere voertaal worden gesproken vanwege de herkomst van de kinderen. |
|||||
|
• Wko BES: Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 5. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor kinderopvang, die betrekking kunnen hebben op: a. het taalniveau van een beroepskracht. Artikel 2.7 Voertaal 1. Bij kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang wordt als voertaal gebruikt: a. op Bonaire: Nederlands of Papiaments; b. op Sint Eustatius en Saba: Engels of Nederlands. 2. In afwijking van het eerste lid kan mede een andere taal als voertaal worden gebruikt, indien de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: geen nadere regels. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. • EV Sint Eustatius: PM. |
|||||
|
5. Aantal beroepskrachten en groepsgrootte (Wko BES artikel 2.1, zesde lid, onderdeel a, artikel 2.4, eerste lid onderdelen b en c, artikel 2.4, tweede lid, onderdelen a en f, artikel 2.4, vierde lid, onderdelen c en d, Bko BES artikel 2.12., vierde en negende lid, artikel 2.13., artikel 2.14., artikel 2.15., artikel 5.1.a en artikel 5.2., EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 7, derde lid, onder e, EV Sint Eustatius PM.) Het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie moet voldoen aan de eisen. De juiste verhouding is te zien in de tabellen over de beroepskracht-kindratio. Een beroepskracht in opleiding of een stagiair in een mbo-3 opleiding mag alleen op de groep staan, mits deze medewerker al een mbo-2 of CVQ-2 diploma heeft. De houder van het kindercentrum zorgt ervoor dat beroepskrachten in opleiding en stagiairs alleen taken doen die passen bij wat zij al kunnen en mogen vanuit hun opleiding. Bij het inzetten van minder beroepskrachten (een afwijkende bezetting) voldoet de houder aan de voorwaarden. De houder houdt in presentielijsten bij hoeveel beroepskrachten zorgen voor het aantal kinderen. |
|||||
|
• Wko BES: Artikel 2.1 Exploitatievergunning 6. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld met betrekking tot: a. de aanvraag en registratie van een vergunning, verlenging of wijziging daarvan. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; c. draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: a. het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie; f. de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden belast met de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: c. de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs; d. het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie. • Bko BES: Artikel 2.12. Stabiliteit van de kinderopvang in een kindercentrum 4. Onverminderd het derde lid, volgt de maximale grootte van: a. stamgroepen uit bijlage 1 bij dit besluit; en b. basisgroepen uit bijlage 2 bij dit besluit. 9. Indien een stamgroep wordt gecombineerd met een basisgroep volgt de maximale grootte van de gecombineerde groep uit bijlage 3 bij dit besluit. Artikel 2.13. Aantal beroepskrachten in een kindercentrum en beroepskracht-kindratio 1. Het aantal in te zetten beroepskrachten op een stamgroep of basisgroep wordt afgestemd op het aantal daarin aanwezige kinderen, waarbij naarmate de kinderen ouder zijn, minder beroepskrachten hoeven te worden ingezet. 2. Onverminderd het eerste lid volgt de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen: a. voor stamgroepen uit bijlage 1 bij dit besluit; b. voor basisgroepen uit bijlage 2 bij dit besluit; en c. voor gecombineerde groepen uit bijlage 3 bij dit besluit. 3. In afwijking van het tweede lid kunnen voor ten hoogste drie uren per dag minder beroepskrachten worden ingezet, indien: a. per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden; b. de kaders, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel a, in acht worden genomen; c. gedurende die tijd ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het tweede lid, wordt ingezet; en d. indien het buitenschoolse opvang betreft, dit gebeurt op vrije dagen van de basisschool of tijdens de schoolvakanties. 4. In afwijking van het tweede lid kunnen bij buitenschoolse opvang voor en na de dagelijkse schooltijd en gedurende vrije middagen van de basisschool voor ten hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten worden ingezet, indien gedurende die tijd ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het tweede lid, wordt ingezet. 5. Indien kinderen bij een activiteit als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, de stamgroep of basisgroep verlaten, leidt dit niet tot een verlaging van het totaal aantal minimaal in te zetten beroepskrachten op of vanuit het kindercentrum ten opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit. 6. In de dagopvang kan de afwijkende inzet, bedoeld in het derde lid, op de dagen van de week verschillen, met dien verstande dat de afwijkende inzet niet per week verschilt. 7. Indien op grond van het tweede lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, is tevens een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. De houder informeert de bij het kindercentrum werkzame personen over de naam en het telefoonnummer van deze persoon. 8. Indien op grond van het derde of vierde lid slechts één beroepskracht op het kindercentrum wordt ingezet, is ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig. Bijlage 1 als bedoeld in de artikelen 2.12, vierde lid, onderdeel a, en 2.13, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit kinderopvang BES Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op basis van tabel 1 (op grond van artikel 2.13, tweede lid, onderdeel a, van dit besluit). De tabel wordt toegepast in de volgorde waarin zij onderstaand zijn opgenomen. De maximale grootte van een stamgroep volgt uit tabel 1 (op grond van artikel 2.12, vierde lid, onderdeel a, van dit besluit). Tabel 1. Berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en de maximale grootte van stamgroepen |
|||||
|
Leeftijd kinderen |
Minimaal aantal beroepskrachten |
Maximaal aantal kinderen |
Minimaal aantal beroepskrachten |
Maximaal aantal kinderen |
|
|
Horizontale stamgroepen (zelfde leeftijd) |
0 tot 1 |
1 |
4 |
2 |
8 |
|
1 tot 2 |
1 |
6 |
2 |
12 |
|
|
2 tot 4 |
1 |
8 |
2 |
16 |
|
|
Verticale stamgroepen (gemengde leeftijden) |
0 tot 2 |
1 |
51 |
2 |
102 |
|
0 tot 4 |
1 |
63 |
2 |
124 |
|
|
2 tot 4 |
1 |
8 |
2 |
16 |
|
|
Bijlage 2 als bedoeld in de artikelen 2.12, vierde lid, onderdeel b, en 2.13, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit kinderopvang BES Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een basisgroep wordt bepaald op basis van tabel 2 (op grond van artikel 2.13, tweede lid, onderdeel b, van dit besluit). De maximale grootte van een basisgroep volgt uit tabel 2 (op grond van artikel 2.12, vierde lid, onderdeel b, van dit besluit). Tabel 2. Berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en de maximale grootte van basisgroepen |
|||||
|
Leeftijd kinderen |
Minimaal aantal beroepskrachten |
Maximaal aantal kinderen |
Minimaal aantal beroepskrachten |
Maximaal aantal kinderen |
|
|
4 tot 7 |
1 |
10 |
2 |
20 |
|
|
7 tot leeftijd waarop basisschool eindigt |
1 |
12 |
2 |
24 |
|
|
4 tot leeftijd waarop basisschool eindigt |
1 |
115 |
2 |
226 |
|
|
Bijlage 3 als bedoeld in de artikelen 2.12, negende lid, en 2.13, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit kinderopvang BES Op het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een combinatiegroep met dagopvang en buitenschoolse opvang is Bijlage 1, Tabel 1, onderdelen “verticale stamgroepen”, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor “2 tot 4” gelezen moet worden: “2 tot de leeftijd waarop het basisonderwijs eindigt”. Dit is op grond van artikel 2.13, tweede lid, onderdeel c, van dit besluit. Op de maximale grootte van een combinatiegroep is Bijlage 1, Tabel 1, onderdelen “verticale stamgroepen”, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor “2 tot 4” gelezen moet worden: “2 tot de leeftijd waarop het basisonderwijs eindigt”. Dit is op grond van artikel 2.12, negende lid, van dit besluit. Artikel 2.14. Overzicht van ingezette beroepskrachten en presentielijsten De houder toont aan, door middel van een overzicht van de ingezette beroepskrachten en presentielijsten van kinderen, inclusief een indicatie van aankomst- en vertrektijden: a. de verhouding tussen het minimaal in te zetten aantal beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep of basisgroep, bedoeld in artikel 2.13, tweede lid; en b. indien van toepassing, de toepassing van artikel 2.13, derde of vierde lid. Artikel 2.15. Teamkwalificatie 1. Het totaal minimum aantal in te zetten beroepskrachten op de locatie waar de houder een kindercentrum exploiteert, dat wordt gevormd door de optelsom van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op de afzonderlijke stamgroepen of basisgroepen binnen die locatie, bestaat gedurende de opvang: a. voor minimaal twee derde uit beroepskrachten als bedoeld in artikel 2.8, eerste of tweede lid; en b. voor maximaal een derde uit: 1°. beroepskrachten als bedoeld in artikel 2.8, derde lid; 2°. beroepskrachten in opleiding; of 3°. stagiairs. 2. Bij de inzet van beroepskrachten als bedoeld in artikel 2.8, derde lid: a. draagt de houder zorg voor begeleiding; en b. houdt de houder rekening met de ervaring en expertise waarover zij op dat moment beschikken. 3. Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding of stagiairs: a. wordt te allen tijde binnen de betreffende stamgroep, basisgroep of gecombineerde stamgroep en basisgroep ook ten minste een beroepskracht ingezet als bedoeld in artikel 2.8; b. draagt de houder zorg voor begeleiding; en c. houdt de houder rekening met de opleidingsfase waarin zij zich op dat moment bevinden. Artikel 5.1. Overgangsrecht met betrekking tot de teamkwalificatie bij kindercentra en de binnenspeelruimte bij de buitenschoolse opvang Tot en met 31 december 2030 geldt in afwijking van: a. artikel 2.15, eerste lid: 1°. onderdeel a, dat het totaal minimum aantal in te zetten beroepskrachten voor minimaal de helft uit beroepskrachten als bedoeld in dat onderdeel bestaat; 2°. onderdeel b, dat het totaal minimum aantal in te zetten beroepskrachten voor maximaal de helft uit beroepskrachten als bedoeld in dat onderdeel bestaat. Artikel 5.2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 7 3. Een exploitatievergunning vermeldt in ieder geval: e. het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen waaraan maximaal kinderopvang kan worden geboden. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. • EV Sint Eustatius: PM. |
|||||
|
6. Herkenbare ruimtes en personen (stabiliteit) (Wko BES artikel 2.4 eerste lid, onderdeel b, 2.4, tweede lid, onderdelen b en d, artikel 2.4 vierde lid, onderdelen d en e en Bko BES artikel 2.12, eerste tot en met negende lid en artikel 2.16) De houder van het kindercentrum zorgt voor een stabiele omgeving voor de kinderen binnen de opvang. Dit doet de houder door te werken met stamgroepen (dagopvang) of basisgroepen (buitenschoolse opvang), vaste beroepskrachten en een mentor. Ouders worden hiervan op de hoogte gesteld. |
|||||
|
• Wko BES: Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: b. de groepsgrootte; d. de herkenbaarheid van ruimtes en personen. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: d. het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie; e. de groepsgrootte, en de herkenbaarheid van ruimtes en personen; • Bko BES: Artikel 2.12. Stabiliteit van de kinderopvang in een kindercentrum 1. In een kindercentrum vindt de kinderopvang plaats in stamgroepen of basisgroepen. 2. Een kind wordt opgevangen in één stamgroep of basisgroep. 3. De grootte van de stamgroep of basisgroep wordt afgestemd op de leeftijd van de kinderen daarin, waarbij naarmate de kinderen daarin ouder zijn, deze uit meer kinderen mag bestaan. 4. Onverminderd het derde lid, volgt de maximale grootte van: a. stamgroepen uit bijlage 1 bij dit besluit; en b. basisgroepen uit bijlage 2 bij dit besluit. 5. De houder deelt de ouders en het kind mee tot welke stamgroep het kind behoort en welke beroepskracht dan wel beroepskrachten op welke dag aan de desbetreffende stamgroep zijn toegewezen. 6. Binnen een stamgroep of basisgroep wordt zo veel mogelijk gewerkt met vaste beroepskrachten. 7. In de dagopvang wordt een kind gedurende de week in ten hoogste twee verschillende stamgroepruimtes opgevangen. 8. Indien kinderen bij activiteiten als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b: a. de stamgroep of basisgroep verlaten, zijn het eerste, tweede en vierde lid niet van toepassing; b. de stamgroepruimte verlaten, is het zevende lid niet van toepassing. 9. Indien een stamgroep wordt gecombineerd met een basisgroep volgt de maximale grootte van de gecombineerde groep uit bijlage 3 bij dit besluit. Artikel 2.16. Mentor 1. Aan ieder kind wordt een mentor toegewezen. 2. De mentor is een beroepskracht op de stamgroep of basisgroep van het kind. 3. De mentor: a. bespreekt de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders; en b. is aanspreekpunt voor de ouders bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind. |
|||||
|
Huisvesting |
|||||
|
7. Huisvesting en ruimtes (Wko BES artikel 2.4, eerste lid onderdeel b, 2.4 vierde lid onderdelen h en i en Bko BES artikel 2.26 en artikel 2.27, artikel 5.1. onder b. en artikel 5.2. en EV Kinderopvang Bonaire 2026 artikel 11, eerste en tweede lid, en EV Sint Eustatius PM) Het gebouw waarin de kinderopvang zit, heeft zowel binnen als buiten voldoende ruimte (vierkante meters). Een houder kan de porch meerekenen als binnenspeelruimte indien die voldoet aan de voorwaarden. Het kindercentrum is veilig, toegankelijk en passend ingericht en past bij het aantal kinderen en hun leeftijden. Er is binnen voldoende ventilatie. Voor de baby’s is er een afzonderlijke slaapruimte. De buitenspeelruimte heeft veel schaduw en grenst aan het kindercentrum. |
|||||
|
• Wko BES: Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: h. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang; i. de beschikbare ruimte voor kinderen. • Bko BES: Artikel 2.26. Eisen aan ruimtes bij een kindercentrum 1. De binnen- en buitenruimtes waar kinderen verblijven gedurende de tijd dat zij in een kindercentrum worden opgevangen, zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. 2. Een kindercentrum beschikt per in het kindercentrum aanwezig kind over ten minste 3 m2 binnenspeelruimte: 3. Een kindercentrum beschikt per in het kindercentrum aanwezig kind over ten minste 3 m2 vaste buitenspeelruimte. 4. De binnenspeelruimte is zodanig geventileerd dat sprake is van een gezond binnenmilieu. 5. Elke stamgroep beschikt over een afzonderlijke vaste stamgroepruimte. 6. Passend voor spelactiviteiten ingerichte binnenruimtes buiten de stamgroepruimte worden naar evenredigheid aan de groepen van het kindercentrum toebedeeld. 7. Een kindercentrum beschikt voor kinderen tot de leeftijd van anderhalf jaar over een op het aantal aanwezige kinderen afgestemde afzonderlijke slaapruimte. 8. De buitenspeelruimte: a. is schaduwrijk; en b. grenst aan het gebouw waarin het kindercentrum is gevestigd. Artikel 2.27. Gebruik van porches bij een kindercentrum 1. Een porch kan tot maximaal 18 m2 worden meegerekend voor het minimale aantal vierkante meters binnenspeelruimte, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, indien de porch: 1°. direct grenst aan het kindercentrum; 2°. beschikt over een permanente en stevige constructie; 3°. is gebouwd op een vaste ondergrond; 4°. is voorzien van een omheining; en 5°. overdekt is. 2. Porches worden niet ingezet als afzonderlijke stamgroepruimte. 3. Indien een porch niet voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, kan deze worden meegerekend als buitenspeelruimte, indien de porch voldoet aan artikel 2.26, eerste, derde en achtste lid. Artikel 5.1. Overgangsrecht met betrekking tot de teamkwalificatie bij kindercentra en de binnenspeelruimte bij de buitenschoolse opvang Tot en met 31 december 2030 geldt in afwijking van: b. artikel 2.26, tweede lid, dat de binnenspeelruimte, bedoeld in dat lid, bij buitenschoolse opvang ten minste 2,5 m2 betreft. Artikel 5.2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 11 1. De binnen- en buitenruimtes waar kinderen verblijven gedurende de tijd dat zij worden opgevangen in een kindercentrum of gastouderopvang, zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. 2. Alle ruimtes in een kindercentrum of gastouderopvang dienen voor een gezond binnenmilieu voorzien te zijn van goede ventilatie. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. • EV kinderopvang Sint Eustatius: PM. |
|||||
|
II. Kwaliteitsgebied Veiligheid, Gezondheid en Pedagogisch klimaat (VGP) |
|---|
|
Veiligheid en gezondheid |
|
8. Veiligheids- en gezondheidsbeleid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, tweede en derde lid, artikel 2.4, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.4, vierde lid onderdeel a en artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, en Bko BES artikel 2.4. en artikel 2.5.) De houder van het kindercentrum zorgt voor een veilige en gezonde omgeving voor kinderen. De houder stelt veiligheids- en gezondheidsbeleid op dat voldoet aan de criteria en handelt hiernaar. De houder evalueert het veiligheids- en gezondheidsbeleid en stelt het bij waar dit nodig is. De houder van de dagopvang zorgt ervoor dat een medewerker altijd gezien en gehoord kan worden door een andere volwassene. Dit noemen we het vierogenprincipe. De houder zorgt ervoor dat er iemand klaarstaat te helpen als er maar één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is. Dit noemen we een achterwacht. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen. 2. De houder van een kindercentrum of gastouder draagt er zorg voordat de uitvoering van het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk is vastgelegd en wordt geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: a. de veiligheid en de gezondheid. • Bko BES: Artikel 2.4. Veiligheids- en gezondheidsbeleid 1. De houder of gastouder stelt voor elk kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang een veiligheids- en gezondheidsbeleid vast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet. 2. De houder of gastouder draagt er zorg voor dat er bij de kinderopvang conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld. Artikel 2.5. Inhoud van het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een kindercentrum 1. Het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een kindercentrum bevat: a. een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder samen met de beroepskrachten ervoor zorgdraagt dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid een continu proces is van het vormen van beleid, implementeren, evalueren en actualiseren; b. een concrete beschrijving van de risico’s die de opvang van kinderen bij het desbetreffende kindercentrum met zich brengt, waarbij wordt ingegaan op: 1°. de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de veiligheid of gezondheid van kinderen; en 2°. het risico op grensoverschrijdend gedrag door beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers, overige aanwezige volwassenen en kinderen; c. een actueel en concreet omschreven plan van aanpak over de maatregelen om de risico’s, bedoeld in onderdeel b, in te perken, waaronder de termijn waarbinnen maatregelen worden genomen, en de handelwijze indien deze risico’s zich verwezenlijken, onverminderd de werkwijze, bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.12 van de wet; d. een beschrijving in algemene zin van de wijze waarop kinderen wordt geleerd om te gaan met risico’s waarvan de gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van kinderen beperkt zijn en welke derhalve geen risico’s vormen als bedoeld in onderdeel b; e. een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder ervoor zorgdraagt dat het actuele veiligheids- en gezondheidsbeleid en de evaluaties daarvan inzichtelijk zijn voor de beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers en ouders; en f. een concrete beschrijving van de wijze waarop achterwacht is geregeld, indien op grond van artikel 2.13, zevende of achtste lid, slechts een beroepskracht in het centrum aanwezig is. 2. In het plan van aanpak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, beschrijft de houder hoe deze de dagopvang zodanig organiseert dat een beroepskracht, beroepskracht in opleiding of stagiair de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl deze gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene. Artikel 2.13. Aantal beroepskrachten in een kindercentrum en beroepskracht-kindratio 7. Indien op grond van het tweede lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, is tevens een volwassene aanwezig die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. De houder informeert de bij het kindercentrum werkzame personen over de naam en het telefoonnummer van deze persoon. |
|
9. Gezonde voeding (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en artikel 2.3, tweede en derde lid, artikel 2.4, eerste lid onderdeel d, artikel 2.4, vierde lid onderdeel a en artikel 2.4, vijfde lid onderdeel c, EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 10, EV kinderopvang Saba, artikel 8, EV Sint Eustatius PM, EB Bonaire PM, EB Saba PM en EB Sint Eustatius PM) De houder van het kindercentrum zorgt voor gezonde voeding en sluit aan bij de richtlijnen van het openbaar lichaam. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen. 2. De houder van een kindercentrum of gastouder draagt er zorg voordat de uitvoering van het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk is vastgelegd en wordt geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: a. de veiligheid en de gezondheid. 5. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor kinderopvang, die betrekking kunnen hebben op: c. gezonde voeding. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 10. 1. De exploitant van een kinderopvangcentrum en een gastouderopvang draagt zorg voor gezonde voeding en sluit bij de verstrekking daarvan aan bij de richtlijnen over gezondheid, veiligheid, opleiding, voeding, binnen- en buitenruimte van het openbaar lichaam, zoals uitgewerkt krachtens het tweede lid. 2. Bij eilandbesluit, houdende algemene maatregelen worden nadere regels gesteld ten aanzien van voeding. • EV kinderopvang Saba: Artikel 8. Kwaliteitseisen voeding 1. De houder van kindercentrum of gastouder draagt zorg voor (gezonde) voeding. 2. Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van voeding. • EV kinderopvang Sint Eustatius: PM. • EB Kinderopvang Bonaire 2026: PM. • EB kinderopvang Saba: PM. • EB kinderopvang Sint Eustatius: PM. |
|
10. Meld-, overleg- en aangifteplicht (Wko BES artikel 2.11 en artikel 2.12) Dit artikel treedt naar verwachting op 1 januari 20227 in werking en wordt vanaf dat moment onderzocht. De houder van het kindercentrum volgt de wettelijke regels rond het melden, overleggen en aangifte doen van strafbare feiten. Dan gaat het over een zedenmisdrijf en/of mishandeling). De houder neemt direct contact op met de deskundige als de houder kennis heeft van een mogelijk misdrijf (tegen de zeden en/of mishandeling) tegen een kind door iemand die werkt in het kindercentrum. Personeel moet het melden bij de houder als ze weten van een mogelijk misdrijf (tegen de zeden en/of mishandeling). De houder zorgt ervoor dat alle medewerkers kennis hebben over de meld-, overleg- en aangifteplicht en weten wat zij moeten doen. |
|
• Wko BES: Artikel 2.11 Werkwijze houder bij strafbare feiten in kindercentrum 1. Indien de houder van een kindercentrum op enigerlei wijze bekend is geworden dat een bij zijn rechtspersoon werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door hem geboden kinderopvang, treedt de houder onverwijld in overleg met een deskundige als bedoeld in artikel 2.10a, eerste lid. 2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de houder van een kindercentrum onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES, en stelt de houder een deskundige als bedoeld in artikel 2.10a, eerste lid, hiervan onverwijld in kennis. 3. Indien een bij de rechtspersoon van de houder van een kindercentrum werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de rechtspersoon van die houder werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruikmaakt van de door de houder van een kindercentrum geboden kinderopvang, stelt hij de houder van dat kindercentrum daarvan onverwijld in kennis. 4. Indien toepassing van het derde lid ertoe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.12, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. 5. De houder van een kindercentrum bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel. Artikel 2.12 Werkwijze bij strafbare feiten door houder kindercentrum 1. Indien een bij de rechtspersoon van de houder van een kindercentrum werkzame persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is van een kindercentrum zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door die houdergeboden kinderopvang kan degene in overleg treden met een deskundige als bedoeld in artikel 2.10a, eerste lid. 2. Indien sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij rechtspersoon van de houder van een kindercentrum onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES. 3. De houder van een kindercentrum bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel. |
|
Pedagogisch en educatief beleid en pedagogisch handelen |
|
11. Pedagogisch en educatief beleid (Wko BES artikel 2.3, tweede lid, artikel 2.4, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel f, en Bko BES artikel 2.23. en 2.24.) De houder van het kindercentrum beschikt over een pedagogisch- en educatief beleidsplan dat de vereiste onderdelen bevat. De houders zorgt ervoor dat medewerkers volgens dit plan handelen. De houder evalueert het plan regelmatig en stelt het waar nodig bij. |
|
• Wet ko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 2. De houder van een kindercentrum of gastouder draagt er zorg voordat de uitvoering van het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk is vastgelegd en wordt geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: f. het pedagogisch beleid en de pedagogisch handelen. • Bko BES: Artikel 2.23. Pedagogisch en educatief beleid 1. Elk kindercentrum beschikt over een pedagogisch en educatief beleidsplan. 2. De houder draagt er zorg voor dat er bij het aanbieden van kinderopvang conform het pedagogisch en educatief beleidsplan wordt gehandeld. 3. De houder maakt het pedagogisch en educatief beleid schriftelijk bekend aan de ouders die gebruikmaken van kinderopvang in het kindercentrum, met uitzondering van het plan van aanpak, de planning en de periodieke evaluatie van de kwaliteitsdoelen, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel h. Artikel 2.24. Inhoud van het pedagogisch en educatief beleid 1. Een pedagogisch en educatief beleidsplan in een kindercentrum bevat ten minste een concrete beschrijving van: a. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan verantwoorde kinderopvang als bedoeld in artikel 2.2; b. de wijze waarop bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning; c. de wijze waarop de mentor, bedoeld in artikel 2.16, de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind; d. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen of basisgroepen en de wijze waarop wordt voldaan aan artikel 2.13, tweede lid; e. de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe stamgroep of basisgroep waarin zij zullen worden opgevangen; f. het activiteitenprogramma en het dagritme; g. de voertaal in het kindercentrum; h. de kwaliteitsdoelen die de houder wil behalen en een plan van aanpak, planning en periodieke evaluatie daarvan; i. de verdeling van taken, rollen en verantwoordelijkheden binnen het kindercentrum; j. de wijze waarop de houder samenwerkt met ouders om de ontwikkeling van het kind te stimuleren; en k. indien het dagopvang betreft, de wijze waarop: 1°. ontwikkel- en leerachterstanden worden voorkomen en bestreden; 2°. de ontwikkeling van het kind wordt gevolgd en gestimuleerd en daarbij naar een doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs wordt gestreefd; en 3°. met instemming van de ouders kennis over de ontwikkeling van het kind wordt overgedragen aan de school bij de overgang van het kind naar het basisonderwijs. 2. Indien van toepassing bevat het pedagogisch en educatief beleidsplan, in aanvulling op het eerste lid, tevens een concrete beschrijving van: a. de kaders waarbinnen met inachtneming van artikel 2.13, derde of vierde lid, verantwoord afgeweken kan worden van de personele inzet, bedoeld in artikel 2.13, tweede lid; b. de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de stamgroep, stamgroepruimte of basisgroep kunnen verlaten; c. het beleid ten aanzien van flexibele opvang; d. de taken die beroepskrachten in opleiding, beroepskrachten als bedoeld in artikel 2.8, derde lid, stagiairs en vrijwilligers kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid en ingezet; e. indien het dagopvang betreft, de wijze waarop bij toepassing van artikel 2.12, zesde lid, de emotionele veiligheid van en stabiliteit voor de betreffende kinderen wordt geborgd; en f. indien het buitenschoolse opvang betreft, de omgang met de basisgroep bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen. |
|
12. Emotionele veiligheid (artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en derde lid, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel f en Bko BES artikel 2.2., onderdeel a) De houder van het kindercentrum zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan de emotionele veiligheid van kinderen. De beroepskrachten gaan op een sensitieve en responsieve manier met kinderen om. Zij stellen duidelijke grenzen en zorgen voor een vaste structuur. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: f. de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden belast met de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen. |
|
13. Persoonlijke vaardigheden (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdelen a en b en derde lid, artikel 2.4 vierde lid, onderdeel f en Bko BES artikel 2.2., onderdelen a, b en c) De houder van het kindercentrum zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van de persoonlijke vaardigheden van kinderen. De beroepskrachten ondersteunen en begeleiden de kinderen in hun ontwikkeling. Ze stimuleren de autonomie en de zelfstandigheid van de kinderen. Zo leren kinderen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; b. het bevorderen van de persoonlijke en sociale competenties van kinderen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: f. de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden belast met de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen; • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden. |
|
14. Sociale vaardigheden (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en derde lid, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel f en Bko BES artikel 2.2., onderdelen b en c) De houder van het kindercentrum zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van de sociale vaardigheden van kinderen. De beroepskrachten brengen de kinderen spelenderwijs kennis en sociale vaardigheden bij. Zo leren kinderen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden. De beroepskrachten begeleiden kinderen in hun interacties. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: f. de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden belast met de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen; • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden. |
|
15. Overdracht van waarden en normen (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en derde lid, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel f en Bko BES artikel 2.2., onderdeel d) De houder van het kindercentrum zorgt voor een pedagogisch klimaat waarin kinderen leren omgaan met de waarden en normen die belangrijk zijn in de samenleving. De beroepskrachten stimuleren kinderen om op een open manier kennis te maken met deze waarden en normen in de samenleving. Zo leren de kinderen respectvol om te gaan met anderen en een actief onderdeel te zijn van de maatschappij. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: f. de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden belast met de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen; • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij. |
|
III. Kwaliteitsgebied Kinderopvang en Spelend leren (KS) |
|---|
|
Aanbod |
|
16. Dagritme en activiteitenprogramma (Wko BES artikel 2.4, eerste lid, artikel 2.4, tweede lid, onderdelen c en h, artikel 2.4, vierde lid, onderdelen g en k en Bko BES artikel 2.19.) De houder van het kindercentrum zorgt voor een dagritme en heeft een afwisselend activiteitenprogramma voor de kinderen. Het programma bestaat uit activiteiten gericht op de ontspanning van de kinderen en uit activiteiten die de ontwikkeling van kinderen stimuleren. Het programma past bij de leeftijden en de ontwikkelingsniveaus van de kinderen. |
|
• Wko BES: Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: a. organiseert de kinderopvang op zodanige wijze; b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; c. draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; en d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: c. het dagritme en een gevarieerd activiteitenprogramma; h. het voorkomen van ontwikkel- en leerachterstanden door het programma af te stemmen op wat kinderen nodig hebben. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: g. het educatieve beleid in het kader van het voorkomen en bestrijden van ontwikkel- en leerachterstanden, waaronder voorschoolse educatie; k. het dagritme en het gevarieerde activiteitenprogramma. • Bko BES: Artikel 2.19. Activiteitenprogramma 1. Het activiteitenprogramma bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang is gevarieerd en bevat activiteiten die: a. de ontspanning van het kind bevorderen; en b. de ontwikkeling van het kind stimuleren. 2. Het activiteitenprogramma past bij de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de kinderen in de stamgroep, basisgroep of groep in de gastouderopvang. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het dagritme en activiteitenprogramma en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
17. Programma voorschoolse educatie (dagopvang) (Wko BES artikel 2.3, artikel 2.4 eerste lid, tweede lid onderdeel h, derde lid en vierde lid onderdeel g en Bko BES artikel 2.25.) De houder van de dagopvang gebruikt een programma voor voorschoolse educatie. Hiermee wordt gestructureerd, samenhangend en spelenderwijs gewerkt aan ten minste de taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden, creatieve vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden. Het programma past bij de Caribische context en de ontwikkelfase van de kinderen. Het draagt bij aan een soepele overgang tussen de kinderopvang en het basisonderwijs. Aanbod gericht op ontwikkeling kind (buitenschoolse opvang) (Wko BES artikel 2.3 en 2.4 eerste lid en tweede lid onderdeel h., Bko BES artikel 2.2.) De houder van de buitenschoolse opvang zorgt voor een aanbod waarmee spelenderwijs en doelgericht de taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden, creatieve vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden worden gestimuleerd. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; b. het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen; c. de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen; d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voorkinderen. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: a. organiseert de kinderopvang op zodanige wijze; b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; c. draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; en d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: h. het voorkomen van ontwikkel- en leerachterstanden door het programma af te stemmen op wat kinderen nodig hebben. 3. Een houder van een kindercentrum past een programma voor voorschoolse educatie toe bij kinderen die gebruikmaken van dagopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: g. het educatieve beleid in het kader van het voorkomen en bestrijden van ontwikkel- en leerachterstanden, waaronder voorschoolse educatie. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden; d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij; en e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. Artikel 2.25. Educatief beleid omtrent voorschoolse educatie in de dagopvang De houder gebruikt voor de voorschoolse educatie in de dagopvang een programma dat: a. de ontwikkeling van kinderen op een gestructureerde, samenhangende en spelende wijze stimuleert; b. gericht is op ten minste de aandachtsgebieden taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen; c. inhoudelijk past bij de Caribische context; d. past bij de ontwikkelfase waarin de kinderen zich bevinden; e. bijdraagt aan de soepele overgang tussen de kinderopvang en het basisonderwijs. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het programma voorschoolse educatie (dagopvang)/ aanbod gericht op ontwikkeling kind (buitenschoolse opvang) en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
18. Inrichting van de ruimte (Wko BES artikel 2.4, eerste lid onderdeel b, 2.4, vierde lid onderdelen h en i, Bko BES artikel 2.2.e en artikel 2.26 eerste lid.) De houder van het kindercentrum richt de speelleeromgeving aantrekkelijk, uitdagend en taalrijk in. De inrichting van de ruimte past bij het aantal en de leeftijd van de kinderen. |
|
• Wko BES Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussendagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: h. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang. i. de beschikbare ruimte voor kinderen. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. Artikel 2.26. Eisen aan ruimtes bij een kindercentrum 1. De binnen- en buitenruimtes waar kinderen verblijven gedurende de tijd dat zij in een kindercentrum worden opgevangen, zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor de inrichting van de ruimte en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
Zicht op ontwikkeling |
|
19. Volgen van de ontwikkeling (Wko BES artikel 2.4, eerste lid, artikel 2.4, tweede lid onderdeel g, artikel 2.4, vierde lid onderdeel l en Bko BES, artikel 2.16., derde lid) De houder van het kindercentrum volgt de ontwikkeling van de kinderen. De mentor bespreekt de uitkomsten hiervan regelmatig met de ouders en is aanspreekpunt bij vragen van ouders over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind. |
|
• Wko BES: Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: a. organiseert de kinderopvang op zodanige wijze; b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; c. draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; en d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: g. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: l. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd. • Bko BES: Artikel 2.16. Mentor 3. De mentor: a. bespreekt de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders; en b. is aanspreekpunt voor de ouders bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het volgen van de ontwikkeling en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
20. Signaleren van bijzonderheden en reflecteren (Wko BES, artikel 2.4, eerste en tweede lid, onderdeel g, artikel 2.4, vierde lid, onderdeel l en Bko BES artikel 2.21. en artikel 2.22.) De houder van het kindercentrum merkt bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen op. De houder stelt voor deze kinderen een begeleidingsplan op. De houder en de betrokken beroepskrachten overleggen vervolgens met de verlener van pedagogische ondersteuning en advies, als ouders hiermee instemmen. Zij leggen de uitkomst hiervan vast in het dossier van het kind. De houder reflecteert regelmatig op de ontwikkeling van het kind met de betrokken beroepskrachten. |
|
• Wko BES: Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: a. organiseert de kinderopvang op zodanige wijze; b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; c. draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; en d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: g. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: l. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd. • Bko BES: Artikel 2.21. Signaleren van bijzonderheden Indien de houder of gastouder bijzonderheden signaleert in de ontwikkeling van een kind: a. overleggen de houder en de betrokken beroepskrachten of de gastouder met de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, van de wet, indien ouders hiermee hebben ingestemd; en b. legt de houder of gastouder dit vast in het dossier van het kind. Artikel 2.22. Reflecteren op bijzonderheden in de ontwikkeling van een kind De houder reflecteert periodiek op de ontwikkeling van het kind met de betrokken beroepskrachten, indien bijzonderheden in de ontwikkeling van een kind zijn gesignaleerd. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het signaleren van bijzonderheden en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
21. Overdracht gegevens kind naar de basisschool (dagopvang) (Wko BES artikel 2.15 en Bko BES artikel 2.24., eerste lid, onderdeel k en artikel 4.1.) De houder van de dagopvang zorgt, met instemming van de ouders, voor een warme overdracht van informatie over het ontwikkelproces van een kind naar de basisschool. Dit is bedoeld om te helpen bij een goede doorstroom van het kind. Het gaat om gegevens over taalvaardigheid, rekenvaardigheid, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden. Er vindt dan een gesprek plaats tussen de beroepskracht van de kinderopvang en de leerkracht van de basisschool. Ouders krijgen de mogelijkheid om bij het gesprek met de basisschool aanwezig te zijn. De houder bewaart deze gegevens maximaal twee jaar nadat het kind aan de basisschool begon. |
|
• Wko BES: Artikel 2.15 Doorstroom naar basisonderwijs 1. Met als doel de bevordering van een goede doorstroom van kinderen naar het basisonderwijs, verwerken een houder van een kindercentrum en een gastouder persoonsgegevens over het ontwikkelproces van het kind. 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bewaard gedurende twee jaar nadat het kind het kindercentrum of de gastouderopvang heeft verlaten. 3. Indien de ouders daarmee instemmen, vindt bij de overgang van een kind van het kindercentrum of de gastouder naar het basisonderwijs een gesprek plaats tussen de beroepskracht van de kinderopvang dan wel de gastouder en de leerkracht van de basisschool, waarbij zo mogelijk de ouders van het kind aanwezig zijn. 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste en derde lid, die betrekking kunnen hebben op: a. de te verwerken gegevens; b. de gevallen waarin in ieder geval gegevens worden verwerkt; c. de wijze van verwerking van de gegevens; d. het elektronische gegevensverkeer en de daarbij te gebruiken elektronische infrastructuur; en e. de eisen die aan de gegevensverwerking worden gesteld. • Bko BES: Artikel 2.24. Inhoud van het pedagogisch en educatief beleid 1. Een pedagogisch en educatief beleidsplan in een kindercentrum bevat ten minste een concrete beschrijving van: k. indien het dagopvang betreft, de wijze waarop: 1°. ontwikkel- en leerachterstanden worden voorkomen en bestreden; 2°. de ontwikkeling van het kind wordt gevolgd en gestimuleerd en daarbij naar een doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs wordt gestreefd; en 3°. met instemming van de ouders kennis over de ontwikkeling van het kind wordt overgedragen aan de school bij de overgang van het kind naar het basisonderwijs. Artikel 4.1. Te verwerken persoonsgegevens ten behoeve van doorstroom naar het basisonderwijs De persoonsgegevens, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, van de wet, betreffen persoonsgegevens over de ontwikkeling van het kind omtrent: a. taalvaardigheden; b. rekenvaardigheden; c. motorische vaardigheden; of d. sociaal-emotionele vaardigheden. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor de overdracht van de gegevens van een kind en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
Spelend leren |
|
22. Spelenderwijs en doelgericht stimuleren van de ontwikkeling (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.3, derde lid en Bko BES artikel 2.2., onderdeel b.) De beroepskrachten dagen kinderen spelenderwijs en doelgericht uit in hun ontwikkeling (taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden, creatieve vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden). |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voorkinderen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities ten aanzien van het doelgericht stimuleren van de ontwikkeling en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
23. Interactie (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.3, derde lid en Bko BES artikel 2.2. onderdelen c en e) De beroepskrachten stimuleren en begeleiden de interacties met en tussen kinderen. De interacties zijn positief en dragen bij aan de (taal)ontwikkeling. De beroepskrachten zorgen voor een taalrijke speelleeromgeving. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voor kinderen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden; e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities ten aanzien van de interactie en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
24. Actieve betrokkenheid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.3, derde lid en Bko BES artikel 2.2. onderdelen a, b en c) De beroepskrachten en de kinderen zijn actief en betrokken. Dit betekent dat de beroepskrachten de kinderen uitdagen door hen zelf te laten doen en ervaren. Ze geven positieve begeleiding en doelgerichte uitleg in kleine stapjes. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voor kinderen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities ten aanzien van actieve betrokkenheid en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
Samenwerking |
|
25. Samenwerking met ouders (Wko BES artikel 2.4, eerste lid, artikel 2.4, tweede lid, onderdeel h en vierde lid, Bko BES artikel 2.24., eerste lid, onderdeel j en EV Sint Eustatius PM) De houder en de beroepskrachten van het kindercentrum werken samen met ouders om de ontwikkeling van het kind te stimuleren. De houder doet wat in het pedagogisch-educatief beleidsplan staat over de samenwerking met ouders. |
|
• Wko BES Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: a. organiseert de kinderopvang op zodanige wijze; b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; c. draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; en d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: h. het voorkomen van ontwikkel- en leerachterstanden door het programma af te stemmen op wat kinderen nodig hebben. 4. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor kinderopvang, die betrekking kunnen hebben op: d. lokale partners met wie de houder van een kindercentrum afspraken maakt ten behoeve van de optimale ontwikkeling van kinderen. • Bko BES: Artikel 2.24. Inhoud van het pedagogisch en educatief beleid 1.Een pedagogisch en educatief beleidsplan in een kindercentrum bevat ten minste een concrete beschrijving van: j. de wijze waarop de houder samenwerkt met ouders om de ontwikkeling van het kind te stimuleren. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: geen nadere regels. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. • EV Sint Eustatius: PM. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities ten aanzien van de samenwerking met ouders en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
26. Samenwerking met lokale partners (Wko BES artikel 2.4, vijfde lid, onderdeel d, artikel 2.16 en EV Sint Eustatius PM) De houder van het kindercentrum werkt samen met lokale partners om een doorlopende ontwikkellijn te realiseren. De houder van het kindercentrum neemt deel aan de eilandelijke overleggen over zo groot mogelijk deelname van kinderen en de doorlopende ontwikkel- en leerlijn van kinderopvang naar het basisonderwijs. |
|
• Wko BES: Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 5.Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor kinderopvang, die betrekking kunnen hebben op: d. lokale partners met wie de houder van een kindercentrum afspraken maakt ten behoeve van de optimale ontwikkeling van kinderen. Artikel 2.16 Tweemaal jaarlijks overleg 1. Het bestuurscollege draagt er zorg voor dat ten minste tweemaal jaarlijks overleg plaatsvindt en draagt zorg voor het maken van afspraken: a. met de houders van kindercentra en gastouders op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de wijze waarop zo groot mogelijke deelname van kinderen aan kinderopvang wordt bevorderd; b. met de houders van kindercentra en gastouders en met de bevoegde gezagsorganen van de basisscholen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de organisatie van een doorlopende ontwikkel- en leerlijn van kinderopvang naar basisonderwijs; c. met de houders van kindercentra en gastouders, het expertisecentrum onderwijszorg en de verlener van pedagogische ondersteuningen advies als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de wijze waarop wordt bevorderd dat het kinderopvangstelsel toegankelijk is voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. 2. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: geen nadere regels. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. • EV kinderopvang Sint Eustatius: PM. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities ten aanzien van de samenwerking met lokale partners en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
IV. Kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg, Kwaliteitscultuur en Verantwoording (KKV) |
|---|
|
Kwaliteitszorg |
|
27. Planmatig werken aan kwaliteitsverbetering (Wko BES artikel 2.3, eerste, tweede en derde lid, artikel 2.4, eerste lid en artikel 2.4, vierde lid onderdeel j en Bko BES artikel 2.2. en artikel 2.24., eerste lid, onderdeel h.) De houder van het kindercentrum stelt kwaliteitsdoelen op voor het pedagogisch-, educatief, veiligheids-, gezondheids- en organisatiebeleid. De houder maakt voor deze doelen een plan van aanpak en een planning en werkt aan de uitvoering hiervan. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; b. het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen; c. de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen; d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voorkinderen. 2. De houder van een kindercentrum of gastouder draagt er zorg voor dat de uitvoering van het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk is vastgelegd en wordt geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: a. organiseert de kinderopvang op zodanige wijze; b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; c. draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; en d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussendagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: j. kwaliteitszorg en de professionele kwaliteitscultuur; • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden; d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij; en e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. Artikel 2.24. Inhoud van het pedagogisch en educatief beleid 1. Een pedagogisch en educatief beleidsplan in een kindercentrum bevat ten minste een concrete beschrijving van: h. de kwaliteitsdoelen die de houder wil behalen en een plan van aanpak, planning en periodieke evaluatie daarvan. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het planmatig werken aan verbetering binnen de kwaliteitszorg (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
28. Evalueren van de kwaliteit (Wko BES artikel 2.3, eerste, tweede en derde lid, artikel 2.4, eerste lid en artikel 2.4, vierde lid onderdeel j en Bko BES artikel 2.2 en artikel 2.24, eerste lid, onderdeel h) De houder van het kindercentrum evalueert regelmatig of de kwaliteitsdoelen van het beleid op het gebied van pedagogie, educatie, veiligheid, gezondheid en organisatie behaald zijn. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; b. het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen; c. de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen; d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voorkinderen. 2. De houder van een kindercentrum of gastouder draagt er zorg voor dat de uitvoering van het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk is vastgelegd en wordt geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: a. organiseert de kinderopvang op zodanige wijze; b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; c. draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; en d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussendagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: j. kwaliteitszorg en de professionele kwaliteitscultuur; • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden; d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij; en e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. Artikel 2.24. Inhoud van het pedagogisch en educatief beleid 1. Een pedagogisch en educatief beleidsplan in een kindercentrum bevat ten minste een concrete beschrijving van: h. de kwaliteitsdoelen die de houder wil behalen en een plan van aanpak, planning en periodieke evaluatie daarvan. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het evalueren en borgen binnen de kwaliteitszorg (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
Kwaliteitscultuur |
|
29. Professionele kwaliteitscultuur (Wko BES artikel 2.4, eerste lid en artikel 2.4, vierde lid, onderdeel j en Bko BES artikel 2.4., tweede lid, artikel 2.5., artikel 2.24., eerste lid, onderdelen h en i) De houder van het kindercentrum zorg voor een professionele leer- en verbetercultuur. Binnen deze cultuur werken de leiding van het kindercentrum en het personeel aan de eigen bekwaamheid en ze werken samen aan het continu verbeteren van de kwaliteit van het kindercentrum. De houder zorgt voor een duidelijke verdeling van taken, rollen en verantwoordelijkheden binnen het kindercentrum. |
|
• Wko BES: Artikel 2.4 Kwaliteit kinderopvang kindercentrum 1. Een houder van een kindercentrum: a. organiseert de kinderopvang op zodanige wijze; b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel; c. draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; en d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussendagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op: j. kwaliteitszorg en de professionele kwaliteitscultuur. • Bko BES: Artikel 2.4. Veiligheids- en gezondheidsbeleid 2. De houder of gastouder draagt er zorg voor dat er bij de kinderopvang conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld. Artikel 2.5. Inhoud van het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een kindercentrum 1. Het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een kindercentrum bevat: a. een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder samen met de beroepskrachten ervoor zorgdraagt dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid een continu proces is van het vormen van beleid, implementeren, evalueren en actualiseren. Artikel 2.24. Inhoud van het pedagogisch en educatief beleid 1. Een pedagogisch en educatief beleidsplan in een kindercentrum bevat ten minste een concrete beschrijving van: h. de kwaliteitsdoelen die de houder wil behalen en een plan van aanpak, planning en periodieke evaluatie daarvan; i. de verdeling van taken, rollen en verantwoordelijkheden binnen het kindercentrum. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor de professionele kwaliteitscultuur en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
Verantwoording en dialoog |
|
30. Informatie verstrekken (Wko BES artikel 2.14, Bko BES artikel 2.5., eerste lid onder e en artikel 2.23, derde lid) De houder van het kindercentrum informeert de ouders over het te voeren pedagogisch en educatief beleid. De houder zorgt ervoor dat het actuele veiligheids- en gezondheidsbeleid en de evaluaties daarvan duidelijk zijn voor het personeel en ouders. De houder informeert de ouders en het personeel over de inspectierapporten. |
|
• Wko BES: Artikel 2.14 Informatieverstrekking aan ouders en personeel 1. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen en eenieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf. 2. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert over een inspectierapport als bedoeld in artikel 5.4: a. de ouders van de kinderen die in dat kindercentrum of die gastouderopvang worden opgevangen, en b. de personen werkzaam bij een rechtspersoon waarmee de houder dat kindercentrum exploiteert. 3. Het informeren, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats doordat: a. de houder of gastouder het inspectierapport zo spoedig mogelijk na ontvangst op zijn website plaatst zodanig dat het rapport voor de ouders en de personen werkzaam bij de onderneming gemakkelijk vindbaar is; b. indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage legt op een voor de ouders en de personen werkzaam bij de rechtspersoon toegankelijke plaats. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die de houder van een kindercentrum of gastouder beschikbaar stelt aan een ouder. • Bko BES: Artikel 2.5 Inhoud van het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een kindercentrum 1. Het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een kindercentrum bevat: e. een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder ervoor zorgdraagt dat het actuele veiligheids- en gezondheidsbeleid en de evaluaties daarvan inzichtelijk zijn voor de beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers en ouders. Artikel 2.23. Pedagogisch en educatief beleid 3. De houder maakt het pedagogisch en educatief beleid schriftelijk bekend aan de ouders die gebruikmaken van kinderopvang in het kindercentrum, met uitzondering van het plan van aanpak, de planning en de periodieke evaluatie van de kwaliteitsdoelen, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel h. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het verstrekken van informatie en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
31. Klachtenprocedure (Wko BES artikel 2.9 en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 16, EV kinderopvang Saba artikel 11, tweede lid en vierde tot en met negende lid, EV Sint Eustatius PM, EB Bonaire, EB Saba en EB Sint Eustatius) De houder van het kindercentrum stelt een klachtenprocedure voor ouders op. Dit gaat over het afhandelen van klachten over gedrag richting een ouder of een kind, en over de overeenkomst van de houder met de ouders. De klachtenprocedure voldoet aan de gestelde eisen. De houder voert het onderzoek naar een klacht zorgvuldig volgens de eisen uit. |
|
• Wko BES: Artikel 2.9 Klachtenprocedure 1. De houder van een kindercentrum stelt een klachtenprocedure voor ouders in. 2. Het bestuurscollege zorgt ervoor dat ouders bij een onafhankelijke organisatie terecht kunnen voor advies over en begeleiding en bemiddeling bij een klachtenprocedure. 3. Bij of krachtens eilandsverordening worden regels gesteld met betrekking tot: a. het instellen van een klachtenprocedure in een kindercentrum; b. de organisatie en de uitoefening van de taken, bedoeld in het tweede lid. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 16 1. De exploitant van een kindercentrum stelt een klachtencommissie in en treft ten behoeve van ouders een regeling voor de afhandeling van klachten over: a. een gedraging jegens een ouder of een kind van de exploitant of van voor de exploitant of door zijn tussenkomst werkzame personen; en b. de overeenkomst tussen de exploitant en de ouder. 2. De klachtenprocedure is schriftelijk vastgelegd in het pedagogisch beleidsplan en kenbaar voor de ouders door deze als bijlage te voegen bij het contract met de ouders of op een voor ieder zichtbare plaats in het kindercentrum aan te brengen. 3. De klachtenprocedure bevat in ieder geval een beschrijving van de wijze waarop: a. het ontvangen, onderzoeken en beoordelen van de klacht verloopt; b. een beslissing over de klacht wordt genomen; en c. wordt verzekerd dat eventuele naar aanleiding van de beslissing over de klacht genomen maatregelen worden uitgevoerd. 4. Een onderzoek naar een klacht wordt zorgvuldig uitgevoerd. 5. De zorgvuldige uitvoering van een klacht als bedoeld in het vierde lid, houdt in dat de indiener van een klacht in ieder geval wordt: a. geïnformeerd over de ontvangst van de klacht de afhandeltermijn van de klacht en over de mogelijkheid dat een gesprek wordt gepland tussen de exploitant van het kindercentrum en de klager; b. geïnformeerd over de voortgang van de behandeling van de klacht; en c. met redenen omkleed wordt medegedeeld tot welk oordeel het onderzoek van de klacht heeft geleid en welke beslissing is genomen. 6. Het ontvangen, onderzoeken en beoordelen van, en het beslissen over de klacht vindt plaats door niet bij de klacht betrokken personen. 7. Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen wordt een onafhankelijke organisatie benoemd als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de wet, waarbij ouders terecht kunnen voor advies over en begeleiding en begeleiding bij een klachtenprocedure. 8. Bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de klachtenprocedure en de uitvoering van de organisatie bedoeld in het zevende lid. • EV kinderopvang Saba: Artikel 11. Klachtencommissie en -procedure 2. De houder treft ten behoeve van ouders een regeling voor de afhandeling van klachten over: a. een gedraging jegens een ouder of een kind van de houder of van voor de houder of door zijn tussenkomst werkzame personen; en b. de overeenkomst tussen de houder en de ouder. 4. De klachtenprocedure is schriftelijk vastgelegd en kenbaar voor de ouders. 5. De klachtenprocedure bevat in ieder geval een beschrijving van de wijze waarop: a. het ontvangen, onderzoeken en beoordelen van de klacht verloopt; b. een beslissing over de klacht wordt genomen; en c. wordt verzekerd dat eventuele naar aanleiding van de beslissing over de klacht genomen maatregelen worden uitgevoerd. 6. Een onderzoek naar een klacht wordt zorgvuldig uitgevoerd. 7. De indiener van een klacht wordt: a. geïnformeerd over de ontvangst van de klacht; b. geïnformeerd over de voortgang van de behandeling van de klacht; en c. met redenen omkleed medegedeeld tot welk oordeel het onderzoek van de klacht heeft geleid en welke beslissing is genomen. 8. Het ontvangen, onderzoeken en beoordelen van, en het beslissen over de klacht vindt plaats door niet bij de klacht betrokken personen. 9. Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de klachtenprocedure. • EV kinderopvang Sint Eustatius: PM. • EB Kinderopvang Bonaire 2026: PM. • EB Saba: PM. • EB Sint Eustatius: PM. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor de klachtenprocedure en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
32. Oudercommissie (Wko BES artikel 2.10, EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 12, 13 en 14, EV kinderopvang Saba artikel 12, 13 en 14) De houder van het kindercentrum stelt een oudercommissie in als het kindercentrum meer dan 50 kinderen opvangt. De houder stelt een reglement op dat voldoet aan de gestelde eisen. De oudercommissie krijgt de mogelijkheid om advies uit te brengen over de onderwerpen in de eilandsverordening. Als de houder het advies van de oudercommissie niet overneemt, onderbouwt hij dit schriftelijk. De houder en de oudercommissie overleggen ten minste één keer per jaar. De houder verstrekt de oudercommissie op tijd en op aanvraag alle benodigde informatie. |
|
• Wko BES: Artikel 2.10 Oudercommissie 1. Een houder van een kindercentrum stelt een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren. 2. De verplichting tot het instellen van een oudercommissie, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien: a. het een kindercentrum betreft waar maximaal 50 kinderen worden opgevangen; b. de houder zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om een oudercommissie in te stellen. 3. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld met betrekking tot het instellen van een oudercommissie van een kindercentrum. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 12 1. Indien het een kindercentrum met minder dan 50 kinderen betreft, dan wel er sprake is van de situatie, bedoeld in het tweede lid, betrekt de exploitant de ouders aantoonbaar op een andere wijze bij de onderwerpen, bedoeld in artikel 24 eerste lid en biedt hij de ouders de gelegenheid alsnog deel te nemen aan een in te stellen oudercommissie. 2. De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door de ouders van wie de kinderen in het kindercentrum worden opgevangen. 3. Personen werkzaam bij een kindercentrum zijn geen lid van de oudercommissie van dat kindercentrum. Artikel 13 1. De exploitant van een kindercentrum stelt binnen zes maanden nadat de exploitatievergunning is verleend voor de oudercommissie een reglement vast. 2. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent: a. het aantal leden van de oudercommissie; b. de wijze waarop de leden van de oudercommissie worden gekozen; c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie. 3. De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze. 4. Wijziging van het reglement behoeft instemming van de oudercommissie. Artikel 14 1. De exploitant van een kindercentrum stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot: a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 10 tweede lid, in het bijzonder het pedagogisch beleid dat wordt gevoerd; b. voedingsaangelegenheden en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid; c. openingstijden; d. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 25 eerste lid; en e. wijziging van de prijs van kinderopvang. 2. Van een advies als bedoeld in het eerste lid kan de exploitant van het kindercentrum slechts afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet. 3. De oudercommissie is bevoegd de exploitant van een kindercentrum ook ongevraagd te adviseren over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid. 4. De exploitant van een kindercentrum voert ten minste eenmaal per twaalf maanden overleg met de oudercommissie over de invulling van het nog te voeren pedagogisch beleid en over het al gevoerde pedagogisch beleid, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c en d, van de wet. 5. De exploitant van een kindercentrum verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft. • EV kinderopvang Saba: Artikel 12. Oudercommissie 1. Een houder van een kindercentrum stelt binnen zes maanden nadat de exploitatievergunning is verleend voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum een oudercommissie in. 3. De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door de ouders van wie de kinderen in het kindercentrum worden opgevangen. 4. Personen werkzaam bij een kindercentrum zijn geen lid van de oudercommissie van dat kindercentrum. 5. De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze. Artikel 13. Reglement oudercommissie 1. De exploitant van een kindercentrum stelt binnen zes maanden nadat de exploitatievergunning is verleend voor de oudercommissie een reglement vast. 2. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent: a. het aantal leden van de oudercommissie; b. de wijze waarop de leden van de oudercommissie worden gekozen; en c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie. 3. Wijziging van het reglement behoeft instemming van de oudercommissie. Artikel 14. Bevoegdheid oudercommissie 1. De houder van een kindercentrum stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot: a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 2.3 van de wet, in het bijzonder het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid; b. voedingsaangelegenheden; c. openingstijden; en d. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 11. 2. Van een advies als bedoeld in het eerste lid kan de houder van het kindercentrum slechts afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet. 3. De oudercommissie is bevoegd de houder van een kindercentrum ook ongevraagd te adviseren over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid. 4. De houder van een kindercentrum voert ten minste eenmaal per twaalf maanden overleg met de oudercommissie over de invulling van het nog te voeren pedagogisch beleid en over het al gevoerde pedagogisch beleid. 5. De houder van een kindercentrum verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft. • EV Sint Eustatius: PM. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor de oudercommissie en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
I. Kwaliteitsgebied Administratie, Gastouder en Huisvesting (AGH) |
|---|
|
Administratie |
|
GOO 1. Exploitatievergunning (Wko BES artikel 2.1, eerste lid onderdeel a, tweede en zesde lid, onderdeel a en artikel 2.5 onderdelen a en b en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 7 en 8 en EV kinderopvang Saba artikel 4 en 5) De gastouder heeft een exploitatievergunning. Dit is toestemming van het bestuurscollege om een gastouderopvang te mogen runnen. Het voorblad van de vergunning is zichtbaar bij de gastouder. De gastouder geeft wijzigingen op de juiste wijze door aan het bestuurscollege. De gastouder voldoet aan de eisen en beperkingen die aan de exploitatievergunning zijn gesteld. |
|
• Wko BES: Artikel 2.1 Exploitatievergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van het bestuurscollege: a. een kindercentrum of een gastouderopvang te exploiteren; of 2. Een aanvraag voor een vergunning of een verlenging of wijziging daarvan wordt door de houder van een kindercentrum of gastouder ingediend bij het bestuurscollege. 6. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld met betrekking tot: a. de aanvraag en registratie van een vergunning, verlenging of wijziging daarvan. Artikel 2.5 Beperkingen gastouderopvang Gastouderopvang wordt niet geboden door degene: a. van wie een of meer kinderen onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES, die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontheven uit het ouderlijk gezag als bedoeld in artikel 266 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES of die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontzet van het gezag als bedoeld in artikel 269 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES; of b. die ten behoeve van de opvang van kinderen in enigerlei vorm personeel in dienst heeft. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 7 1. De exploitatievergunning staat op naam van een natuurlijke persoon of van een rechtspersoon, is niet overdraagbaar en wordt slechts verleend voor de in de exploitatievergunning vermelde lokaliteit. 2. Wijzigingen die raken aan de op naamstelling van de exploitatievergunning moeten worden doorgegeven aan het openbaar lichaam. 3. Een exploitatievergunning vermeldt in ieder geval: a. de naam en het adres van de exploitant; b. de namen en de adressen van de leden van de directie; c. het adres van het kindercentrum of gastouderopvang; d. welke vorm van opvang het kindercentrum of gastouderopvang aanbiedt, zijnde dagopvang of buitenschoolse opvang; en e. het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen waaraan maximaal kinderopvang kan worden geboden. 4. Het voorblad van de exploitatievergunning voor het houden van een kindercentrum of gastouderopvang wordt op een voor ieder zichtbare plaats in het kindercentrum of gastouderopvang aangebracht, waarop in elk geval de in het derde lid genoemde gegevens staan. Artikel 8 1. Een verzoek tot wijziging van een exploitatievergunning door de exploitant wordt schriftelijk bij het bestuurscollege ingediend onder vermelding van de redenen voor de wijziging en de gevolgen hiervan voor de kinderopvang. 2. Artikel 4, tweede tot en met zevende lid, artikel 5, artikel 6 en artikel 7 zijn van overeenkomstige toepassing bij de behandeling van een verzoek tot wijziging van een exploitatievergunning. • EV kinderopvang Saba: Artikel 4. Exploitatievergunning 1. De exploitatievergunning kan worden verleend onder voorwaarden. 2. De exploitatievergunning staat op naam van een natuurlijke persoon of van een rechtspersoon, is niet overdraagbaar en wordt slechts verleend voor de in de exploitatievergunning vermelde lokaliteit. 3. Wijzigingen die raken aan de op naamstelling van de exploitatievergunning moeten worden doorgegeven aan het openbaar lichaam. 4. Een exploitatievergunning vermeldt in ieder geval: a. de naam en het adres van de exploitant; b. het adres van het kindercentrum of gastouderopvang; c. welke vorm van opvang het kindercentrum of gastouderopvang aanbiedt, zijnde dagopvang of buitenschoolse opvang; en d. het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen waaraan maximaal kinderopvang kan worden geboden. 5. De exploitatievergunning voor het houden van een kindercentrum of gastouderopvang wordt op een voor ieder zichtbare plaats in het kindercentrum of gastouderopvang aangebracht. Artikel 5. Wijziging exploitatievergunning 1. Een verzoek voor wijziging van een exploitatievergunning door de houder of gastouder wordt schriftelijk bij het bestuurscollege ingediend onder vermelding van de redenen voor de wijziging en de gevolgen hiervan voor de kinderopvang. 2. Het bestuurscollege vraagt binnen twee weken na ontvangst van het verzoek tot wijziging advies aan de kwaliteitscommissie als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. 3. Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van een wijziging van een exploitatievergunning. 4. In geval van wijziging zal onder intrekking van de exploitatievergunning een nieuwe exploitatievergunning worden verstrekt. |
|
Eisen aan de gastouder en groepsgrootte |
|
GOO 2. Opleiding, scholing en ervaring (Wko BES artikel 2.6, eerste, tweede en vijfde lid, Bko BES artikel 2.7, artikel 2.10 en artikel 2.11, Rko BES artikel 4, derde lid, onderdeel d., artikel 5., artikel 7., eerste lid, EV kinderopvang Saba, artikel 10 onderdeel a en b) De gastouder voldoet aan de eisen voor opleiding, scholing en ervaring. De gastouder levert hiervoor de diploma’s en aanvullende bewijsstukken aan. De gastouder beschikt ten minste over een opleiding op mbo-2 niveau tot pedagogisch medewerker of met een pedagogische component. Elke dag is er een volwassene op de locatie aanwezig die eerste hulp kan verlenen aan kinderen. |
|
• Wko BES: Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze; b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een gastouder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: b. de opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen waaraan de gastouder moet voldoen. 5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot: e. aanvullende opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen voor de gastouder. • Bko BES: Artikel 2.7. Bewijsstukken en ervaringscertificaten 1. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden en bewijsstukken worden aangewezen met betrekking tot de opleidings- en ervaringseisen voor beroepskrachten of gastouders. Artikel 2.10. Opleidingseisen voor gastouders Een gastouder beschikt over een opleiding tot pedagogisch medewerker of een opleiding met een pedagogische component, op ten minste het niveau: a. bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES; of b. 2 van de Caribbean Vocational Qualification. Artikel 2.11. Scholingseisen eerste hulp 1. De houder of gastouder draagt er zorg voor dat er gedurende de kinderopvang te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig is die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen. 2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de kwalificatie, bedoeld in het eerste lid. • Rko BES: Artikel 4. Administratie en bewaartermijnen 3. De administratie van een gastouder bevat de volgende gegevens: d. afschriften van de bewijsstukken met betrekking tot de opleidingseisen van de gastouder, bedoeld in artikel 2.10 van het besluit. Artikel 5. EHBO 1. Voor de kwalificatie, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van het besluit, beschikt de in dat artikel bedoelde volwassene over de volgende vaardigheden: a. de veiligheid van situaties beoordelen; b. zo veel als mogelijk zorgen voor een veilige situatie; c. in een onveilige situatie de eigen veiligheid waarborgen en indien mogelijk kinderen en andere personen in veiligheid brengen; d. professionele hulp inschakelen; e. een stoornis in het bewustzijn, de ademhaling en de circulatie van het kind herkennen en daarbij op juiste wijze handelen; f. reanimatie bij kinderen toepassen; en g. eerste hulp verlenen bij: 1°. verbranding; 2°. vergiftiging; 3°. verstikking; 4°. wonden en bloedingen; en 5°. letsels aan hoofd, spieren, botten of gewrichten. 2. De volwassene toont aan te beschikken over de vaardigheden, bedoeld in het eerste lid, door middel van een certificaat waaruit dit blijkt. 3. Het certificaat, bedoeld in het tweede lid, vermeldt de naam van de gekwalificeerde, de naam van de kwalificerende organisatie, de datum van afgifte en de naam van de gevolgde cursus. 4. Het certificaat, bedoeld in het tweede lid, is niet meer dan twee jaar geleden afgegeven. Artikel 7. Overgangsrecht voor EHBO-kwalificaties en bewijsstukken met betrekking tot ervaringseisen 1. Een kwalificatie, afgegeven op grond van artikel 13, tweede lid, van de Eilandsverordening Kinderopvang Bonaire 2020, artikel 14, tweede lid, van de Basis Eilandsverordening Kinderopvang of artikel 14, tweede lid, van de Basis Eilandsverordening Kinderopvang Sint Eustatius, wordt aangemerkt als certificaat als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onverminderd het vierde lid van dat artikel. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: geen nadere regels. • EV kinderopvang Saba: Artikel 10. Opleidings- en ervaringseisen gastouderopvang Een gastouder beschikt over: a. een afgeronde opleiding, gericht op pedagogie, op ten minste het niveau, bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, of een vergelijkbare opleiding. b. tenminste het taalniveau Engels B2 of een vergelijkbaar niveau. |
|
GOO 3. Verklaring omtrent het gedrag (Wko BES artikel 2.8, eerste lid, onderdelen a, e en f, tweede tot en met vijfde lid) De gastouder zorgt ervoor dat iedereen die werkzaam is of structureel aanwezig is bij de gastouder beschikt over een geldige en actuele verklaring omtrent het gedrag. |
|
• Wko BES: Artikel 2.8 Verklaring omtrent gedrag 1. In het bezit van een verklaring omtrent het gedrag zijn: a. de houder of voorgenomen houder van een kindercentrum, zijnde de directeur en bestuurders, en de gastouder of voorgenomen gastouder. e. de personen van 18 jaar en ouder die structureel aanwezig zijn op de locatie waar gastouderopvang plaatsvindt; en f. de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen. 2. De verklaring omtrent het gedrag is op het tijdstip van overlegging aan de houder van het kindercentrum of de gastouder niet ouder dan drie maanden en wordt tweejaarlijks geactualiseerd. 3. Het tijdstip van overlegging van een verklaring omtrent het gedrag ligt voor de aanvang van de werkzaamheden of het structureel aanwezig zijn op een locatie van een kindercentrum dan wel een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt. 4. Indien een toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon van twaalf jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is in het kindercentrum of aanwezig is op het adres waar opvang door de gastouder plaatsvindt niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat de houder van het kindercentrum of gastouder een verklaring omtrent het gedrag overlegt met betrekking tot die persoon binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Binnen die termijn is die persoon in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en legt de houder of gastouder die verklaring omtrent het gedrag over aan de toezichthouder. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan drie maanden. 5. Een houder van een kindercentrum of gastouder bewaart de verklaringen omtrent gedrag gedurende drie jaar. |
|
GOO 4. Voertaal (Wko BES artikel 2.6, vijfde lid, onderdeel d, artikel 2.7) Bij gastouderopvang op Bonaire is de voertaal Nederlands of Papiaments. Op Sint Eustatius en Saba is dit Engels of Nederlands. Er kan in specifieke omstandigheden ook een andere voertaal worden gesproken vanwege de herkomst van de kinderen. |
|
• Wko BES: Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot: d. het taalniveau van de gastouder. Artikel 2.7 Voertaal 1. Bij kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang wordt als voertaal gebruikt: a. op Bonaire: Nederlands of Papiaments; b. op Sint Eustatius en Saba: Engels of Nederlands. 2. In afwijking van het eerste lid kan mede een andere taal als voertaal worden gebruikt, indien de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: geen nadere regels. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. |
|
GOO 5. Groepsgrootte (Wko BES artikel 2.1, zesde lid, onderdeel a, 2.6, vierde lid, onderdeel e, Bko BES artikel 2.17 en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 7, derde lid, onder e) Het aantal kinderen per leeftijdscategorie voldoet aan de eisen (gastouder-kindratio). |
|
• Wko BES: Artikel 2.1 Exploitatievergunning 6. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld met betrekking tot: a. de aanvraag en registratie van een vergunning, verlenging of wijziging daarvan. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een gastouder, die betrekking kunnen hebben op: e. de groepsgrootte. • Besluit kinderopvang BES: Artikel 2.17. Groepsgrootte bij een voorziening voor gastouderopvang Bij een voorziening voor gastouderopvang worden maximaal: a. zes kinderen in de leeftijd tot 13 jaar gelijktijdig opgevangen, waarbij eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend; b. vijf kinderen tot vier jaar gelijktijdig opgevangen; en c. vier kinderen tot twee jaar gelijktijdig opgevangen, waarvan maximaal twee kinderen tot één jaar. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 7 3. Een exploitatievergunning vermeldt in ieder geval: e. het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen waaraan maximaal kinderopvang kan worden geboden. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. |
|
Huisvesting |
|
GOO 6. Huisvesting en ruimtes (Wko BES artikel 2.6, vierde lid, onderdeel a en vijfde lid, onderdeel a en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 11, EV kinderopvang Saba, artikel 9, EB Bonaire PM en EB Saba PM) De gastouderopvang heeft voldoende speel- en slaapruimte. De gastouderopvang is veilig, toegankelijk en passend ingericht. De inrichting past bij het aantal kinderen en hun leeftijden. Er is binnen voldoende ventilatie. Voor de baby’s is er een afzonderlijke slaapruimte. |
|
• Wko BES: Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een gastouder, die betrekking kunnen hebben op: a. veiligheid en gezondheid. 5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot: a. de accommodatie, de beschikbare ruimte voor kinderen en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor gastouderopvang; • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 11 1. De binnen- en buitenruimtes waar kinderen verblijven gedurende de tijd dat zij worden opgevangen in een gastouderopvang, zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. 2. Alle ruimtes in gastouderopvang dienen voor een gezond binnenmilieu voorzien te zijn van goede ventilatie. 3. Een gastouderopvang beschikt over voldoende speel- en slaapruimte voor kinderen, waaronder begrepen een voor kinderen tot de leeftijd van anderhalf jaar op het aantal kinderen afgestemde afzonderlijke slaapruimte. 4. Een gastouderopvang beschikt over voldoende buitenspeelmogelijkheden, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. 5. Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen worden nadere regels gesteld ten aanzien van ruimtes in een gastouderopvang • EV kinderopvang Saba: Artikel 9. Kwaliteitseisen ruimtes gastouderopvang 1. De binnen- en buitenruimtes waar kinderen verblijven gedurende de tijd dat zij worden opgevangen in een gastouderopvang, zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. 2. Alle ruimtes in een gastouderopvang dienen voor een gezond binnenmilieu voorzien te zijn van goede ventilatie. 3. Een gastouderopvang beschikt over voldoende speel- en slaapruimte voor kinderen, waaronder begrepen een voor kinderen tot de leeftijd van anderhalf jaar op het aantal kinderen afgestemde afzonderlijke slaapruimte. 4. Een gastouderopvang beschikt over voldoende buitenspeelmogelijkheden, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. • EB Bonaire: PM. • EB Saba: PM. |
|
II. Kwaliteitsgebied Veiligheid, Gezondheid en Pedagogisch klimaat (VGP) |
|---|
|
Veiligheid en gezondheid |
|
GOO 7. Veiligheids- en gezondheidsbeleid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, artikel 2.6, eerste en vierde lid, onderdeel a en Bko BES artikel 2.4., artikel 2.6. en artikel 2.18.) De gastouder zorgt voor een veilige en gezonde omgeving voor kinderen. De gastouder stelt daarom veiligheids- en gezondheidsbeleid op dat voldoet aan de criteria en handelt hiernaar. De gastouder evalueert het veiligheids- en gezondheidsbeleid en stelt het bij waar dit nodig is. De gastouder zorgt ervoor dat er iemand klaarstaat om te helpen als dat nodig is. We noemen dit een achterwacht. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; 2. De houder van een kindercentrum of gastouder draagt er zorg voordat de uitvoering van het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk is vastgelegd en wordt geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze; b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een gastouder, die betrekking kunnen hebben op: a. veiligheid en gezondheid. • Bko BES: Artikel 2.4. Veiligheids- en gezondheidsbeleid 1. De houder of gastouder stelt voor elk kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang een veiligheids- en gezondheidsbeleid vast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet. 2. De houder of gastouder draagt er zorg voor dat er bij de kinderopvang conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld. Artikel 2.6. Inhoud van het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een voorziening voor gastouderopvang Het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een voorziening voor gastouderopvang bevat een concrete beschrijving van: a. de risico’s die de opvang van kinderen bij de desbetreffende voorziening voor gastouderopvang met zich brengt, waarbij wordt ingegaan op de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de veiligheid of gezondheid van kinderen; b. de maatregelen om de risico’s, bedoeld in onderdeel a, in te perken waaronder de termijn waarbinnen maatregelen worden genomen, en de handelwijze indien deze risico’s zich verwezenlijken, onverminderd de werkwijze, bedoeld in artikel 2.13 van de wet; en c. de wijze waarop achterwacht als bedoeld in artikel 2.18 is geregeld. Artikel 2.18. Achterwacht bij een voorziening voor gastouderopvang Gedurende de kinderopvang is een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in de voorziening voor gastouderopvang aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. |
|
GOO 8. Gezonde voeding (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, artikel 2.6, eerste en vijfde lid, onderdeel c en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 10, EV kinderopvang Saba artikel 8, EB Bonaire PM en EB Saba PM) De gastouder zorgt voor gezonde voeding en sluit aan bij de richtlijnen van het openbaar lichaam. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze; b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot: c. gezonde voeding. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 10 1. De exploitant van een kinderopvangcentrum en een gastouderopvang draagt zorg voor gezonde voeding en sluit bij de verstrekking daarvan aan bij de richtlijnen over gezondheid, veiligheid, opleiding, voeding, binnen- en buitenruimte van het openbaar lichaam, zoals uitgewerkt krachtens het tweede lid. 2. Bij eilandbesluit, houdende algemene maatregelen worden nadere regels gesteld ten aanzien van voeding. • EV kinderopvang Saba: Artikel 8. Kwaliteitseisen voeding 1. De houder van kindercentrum of gastouder draagt zorg voor (gezonde) voeding. 2. Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van voeding. • EV kinderopvang Sint Eustatius: PM. • EB Bonaire en Saba: PM. |
|
GOO 9. Overlegplicht (Wko BES artikel 2.13) Dit artikel treedt naar verwachting op 1 januari 2027 in werking en wordt vanaf dat moment onderzocht. De gastouder overlegt met de aangewezen deskundige in geval van mogelijke zedenmisdrijven of mishandeling. |
|
• Wko BES: Artikel 2.13 Werkwijze bij strafbare feiten gastouderopvang Indien een gastouder op enigerlei wijze bekend is geworden dat een persoon van 18 jaar of ouder die structureel aanwezig is op een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES, treedt de gastouder onverwijld in overleg met een deskundige als bedoeld in artikel 2.10a, eerste lid. |
|
Pedagogisch en educatief beleid en pedagogisch handelen |
|
GOO 10. Pedagogisch en educatief beleid (Wko BES artikel 2.3, eerste en derde lid, artikel 2.6, eerste lid en vijfde lid, onderdeel f, Bko BES artikel 2.2. en EV) De gastouder beschikt over pedagogisch- en educatief beleid op papier. Het beleid bevat de vereiste onderdelen en de gastouder doet wat er op papier staat. De gastouder evalueert het beleid regelmatig en stelt het bij als dit nodig is. |
|
• Wet ko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; b. het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen; c. de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen; d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voorkinderen. 2. De houder van een kindercentrum of gastouder draagt er zorg voordat de uitvoering van het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk is vastgelegd en wordt geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze; b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot: f. het pedagogisch beleid en de pedagogisch handelen. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden; d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij; en e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: geen nadere regels. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. |
|
GOO 11. Emotionele veiligheid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a en derde lid, artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c en Bko BES artikel 2.2. onderdeel a) De gastouder zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan de emotionele veiligheid van kinderen. De gastouder gaat op een sensitieve en responsieve manier met kinderen om. De gastouder stelt duidelijke grenzen en zorgt voor een vaste structuur. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen. |
|
GOO 12. Persoonlijke vaardigheden (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, derde lid, artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c en Bko BES artikel 2.2. onderdelen a, b en c) De gastouder zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van de persoonlijke vaardigheden van kinderen. De gastouder ondersteunt en begeleidt de kinderen in hun ontwikkeling. De gastouder stimuleert de autonomie en de zelfstandigheid van de kinderen. Zo leren de kinderen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: b. het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden. |
|
GOO 13. Sociale vaardigheden (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b en derde lid, artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c en Bko BES artikel 2.2. onderdeel c) De gastouder zorgt voor een pedagogisch klimaat dat bijdraagt aan het ontwikkelen van de sociale vaardigheden van kinderen. De gastouder brengt de kinderen spelenderwijs kennis en sociale vaardigheden bij. Zo leren kinderen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden. De gastouder begeleidt kinderen in hun interacties. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: b. het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden. |
|
GOO 14. Overdracht van waarden en normen (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c en derde lid, artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c en Bko BES artikel 2.2. onderdelen a en d) De gastouder zorgt voor een pedagogisch klimaat waarin kinderen leren omgaan met waarden en normen die belangrijk zijn in de samenleving. De gastoude stimuleert kinderen om op een open manier kennis te maken met deze waarden en normen in de samenleving. Zo leren kinderen respectvol om te gaan met anderen en aan een actief onderdeel te zijn van de maatschappij. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: c. de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij. |
|
III. Kwaliteitsgebied Kinderopvang en Spelend leren (KS) |
|---|
|
Aanbod |
|
GOO 15. Dagritme en activiteitenprogramma (Wko BES artikel 2.6, eerste en tweede lid, vierde lid, onderdeel d en vijfde lid, onderdeel g, Bko BES artikel 2.19 en EV) De gastouder zorgt voor een dagritme en heeft een afwisselend activiteitenprogramma voor de kinderen. Het programma bestaat uit activiteiten die zich richten op de ontspanning van kinderen en uit activiteiten die de ontwikkeling van kinderen stimuleren. Het activiteitenprogramma past bij de leeftijden en het ontwikkelingsniveau van de kinderen. |
|
• Wko BES: Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze; b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een gastouder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: a. het dagritme en een gevarieerd activiteitenprogramma; 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een gastouder, die betrekking kunnen hebben op: d. het activiteitenprogramma. 5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot: g. het dagritme. • Bko BES: Artikel 2.19. Activiteitenprogramma 1. Het activiteitenprogramma bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang is gevarieerd en bevat activiteiten die: a. de ontspanning van het kind bevorderen; en b. de ontwikkeling van het kind stimuleren. 2. Het activiteitenprogramma past bij de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de kinderen in de stamgroep, basisgroep of groep in de gastouderopvang. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: geen nadere regels. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het dagritme en activiteitenprogramma en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
GOO 16. Inrichting van de ruimte (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d, artikel 2.6, eerste lid, onderdeel b en vijfde lid, onderdeel a en Bko BES artikel 2.2., onderdeel e en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 11, eerste lid) De gastouder richt de speelleeromgeving aantrekkelijk, uitdagend en taalrijk in. De inrichting van de ruimte past bij het aantal en de leeftijd van de kinderen. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voor kinderen. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot: a. de accommodatie, de beschikbare ruimte voor kinderen en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor gastouderopvang. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 11 1. De binnen- en buitenruimtes waar kinderen verblijven gedurende de tijd dat zij worden opgevangen in een gastouderopvang, zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor de inrichting van de ruimte en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
Zicht op ontwikkeling |
|
GOO 17. Volgen van de ontwikkeling (Wko BES artikel 2.6 eerste lid, tweede lid, onderdeel c, vierde lid, onderdeel c) De gastouder volgt de ontwikkeling van de kinderen. |
|
• Wko BES: Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze; b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een gastouder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: c. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een gastouder, die betrekking kunnen hebben op: c. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het volgen van de ontwikkeling en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
GOO 18. Signaleren van bijzonderheden (Wko BES artikel 2.6 eerste lid, tweede lid, onderdeel c, vierde lid, onderdeel c, Bko BES artikel 2.21.) De gastouder merkt bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen op. De gastouder overlegt vervolgens met de verlener van pedagogische ondersteuning en advies, als ouders hiermee instemmen. De gastouder legt de uitkomst hiervan vast in het dossier van het kind. |
|
• Wko BES: Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze; b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een gastouder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: c. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een gastouder, die betrekking kunnen hebben op: c. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indienbijzonderheden worden gesignaleerd. • Bko BES: Artikel 2.21. Signaleren van bijzonderheden Indien de houder of gastouder bijzonderheden signaleert in de ontwikkeling van een kind: a. overleggen de houder en de betrokken beroepskrachten of de gastouder met de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, van de wet, indien de ouders hiermee hebben ingestemd; en b. legt de houder of gastouder dit vast in het dossier van het kind. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het signaleren van bijzonderheden en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
GOO 19. Overdracht gegevens kind naar de basisschool (Wko BES artikel 2.15 en Bko BES artikel 4.1.) De gastouder zorgt, met instemming van de ouders, voor een warme overdracht van informatie over het ontwikkelproces van een kind (0-4 jaar) naar de basisschool. Dit is bedoeld om te helpen meteen goede doorstroom van het kind. Het gaat om gegevens over taalvaardigheid, rekenvaardigheid, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden. Er vindt dan een gesprek plaats tussen de gastouder en de leerkracht van de basisschool. De ouders krijgen de mogelijkheid bij het gesprek met de basisschool aanwezig te zijn. De gastouder bewaart deze gegevens maximaal twee jaar nadat het kind aan de basisschool begon. |
|
• Wko BES: Artikel 2.15 Doorstroom naar basisonderwijs 1. Met als doel de bevordering van een goede doorstroom van kinderen naar het basisonderwijs, verwerken een houder van een kindercentrum en een gastouder persoonsgegevens over het ontwikkelproces van het kind. 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bewaard gedurende twee jaar nadat het kind het kindercentrum of de gastouderopvang heeft verlaten. 3. Indien de ouders daarmee instemmen, vindt bij de overgang van een kind van het kindercentrum of de gastouder naar het basisonderwijs een gesprek plaats tussen de beroepskracht van de kinderopvang dan wel de gastouder en de leerkracht van de basisschool, waarbij zo mogelijk de ouders van het kind aanwezig zijn. 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste en derde lid, die betrekking kunnen hebben op: a. de te verwerken gegevens; b. de gevallen waarin in ieder geval gegevens worden verwerkt; c. de wijze van verwerking van de gegevens; d. het elektronische gegevensverkeer en de daarbij te gebruiken elektronische infrastructuur; en e. de eisen die aan de gegevensverwerking worden gesteld. • Bko BES Artikel 4.1. Te verwerken persoonsgegevens ten behoeve van doorstroom naar het basisonderwijs De persoonsgegevens, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, van de wet, betreffen persoonsgegevens over de ontwikkeling van het kind op de dagopvang omtrent: a. taalvaardigheden; b. rekenvaardigheden; c. motorische vaardigheden; of d. sociaal-emotionele vaardigheden. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor de overdracht van de gegevens van een kind en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
Spelend leren |
|
GOO 20. Spelenderwijs en doelgericht stimuleren van de ontwikkeling (Wko BES artikel 2.3 eerste en derde lid, artikel 2.6 en Bko BES artikel 2.2.) De gastouder daagt kinderen spelenderwijs en doelgericht uit in hun ontwikkeling (taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden, creatieve vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden). |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; b. het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen; c. de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen; d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voor kinderen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze; b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een gastouder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: a. het dagritme en een gevarieerd activiteitenprogramma; b. de opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen waaraan de gastouder moet voldoen; c. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd; d. het voorkomen van ontwikkel- en leerachterstanden door het programma af te stemmen op wat kinderen nodig hebben; e. de groepsgrootte. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden; d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij; en e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities ten aanzien van het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van de ontwikkeling en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
GOO 21. Interactie (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d en derde lid en Bko BES artikel 2.2, onderdelen c en e) De gastouder stimuleert en begeleidt de interacties met en tussen kinderen. De interacties zijn positief en dragen bij aan de (taal)ontwikkeling. De gastouder zorgt voor een taalrijke speelleeromgeving. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voorkinderen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden; e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities ten aanzien van de interactie en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
GOO 22. Actieve betrokkenheid (Wko BES artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d en derde lid en Bko BES artikel 2.2. onderdelen c en e) De gastouder en de kinderen zijn actief en betrokken. Dit betekent dat de gastouder de kinderen uitdaagt door hen zelf te laten doen en ervaren. De gastouder geeft positieve begeleiding en doelgerichte uitleg in kleine stapjes. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voor kinderen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden; e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities ten aanzien van de actieve betrokkenheid en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
Samenwerking |
|
GOO 23. Samenwerking met lokale partners (Wko BES artikel 2.6 vijfde lid, onderdeel b, artikel 2.16 en EV Kinderopvang Bonaire 2026, artikel 17 en EB Bonaire PM) De gastouder werkt samen met lokale partners om een doorlopende ontwikkellijn te realiseren. De gastouder neemt deel aan de eilandelijke overleggen over een zo groot mogelijke deelname van kinderen en de doorlopende ontwikkel- en leerlijn van kinderopvang naar het basisonderwijs. |
|
• Wko BES: Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot: b. lokale partners met wie de gastouder afspraken maakt ten behoeve van de optimale ontwikkeling van kinderen. Artikel 2.16 Tweemaal jaarlijks overleg 1. Het bestuurscollege draagt er zorg voor dat ten minste tweemaal jaarlijks overleg plaatsvindt en draagt zorg voor het maken van afspraken: a. met de houders van kindercentra en gastouders op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de wijze waarop zo groot mogelijke deelname van kinderen aan kinderopvang wordt bevorderd; b. met de houders van kindercentra en gastouders en met de bevoegde gezagsorganen van de basisscholen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de organisatie van een doorlopende ontwikkel- en leerlijn van kinderopvang naar basisonderwijs; c. met de houders van kindercentra en gastouders, het expertisecentrum onderwijszorg en de verlener van pedagogische ondersteuningen advies als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de wijze waarop wordt bevorderd dat het kinderopvangstelseltoegankelijk is voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. 2. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: Artikel 17 Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt een onafhankelijke organisatie benoemd met wie gastouders afspraken maken over de optimale ontwikkeling van kinderen. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. • EB Kinderopvang Bonaire 2026: PM. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities ten aanzien van de samenwerking met lokale partners en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
IV. Kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg, Kwaliteitscultuur en Verantwoording (KKV) |
|---|
|
Kwaliteitszorg |
|
GOO 24. Planmatig werken aan kwaliteitsverbetering (Wko BES artikel 2.3 eerste lid en tweede lid, artikel 2.6 eerste lid en vijfde lid, onderdeel f, Bko BES artikel 2.2. en EV) De gastouder werkt aan de uitvoering en verbetering van het beleid gericht op pedagogie, gezondheid, veiligheid en educatie. |
|
• Wko BES: Artikel 2.3 Verantwoorde kinderopvang 1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan: a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen; b. het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen; c. de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen; d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voorkinderen. 2. De houder van een kindercentrum of gastouder draagt er zorg voordat de uitvoering van het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk is vastgelegd en wordt geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze; b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot: f. het pedagogisch beleid en de pedagogisch handelen. • Bko BES: Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden; d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij; en e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: geen nadere regels. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het beleid en de doelen binnen de kwaliteitszorg (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
Kwaliteitscultuur |
|
GOO 25. Professionele kwaliteitscultuur (Wko BES artikel 2.6 eerste lid, tweede lid onderdeel b, derde lid en vijfde lid, onderdeel e en EV) De gastouder werkt aan het verbeteren van de kwaliteit van de gastouderopvang, aan de eigen bekwaamheid en maakt gebruik van de begeleiding en ondersteuning van het openbaar lichaam. |
|
• Wko BES: Artikel 2.6 Kwaliteit kinderopvang gastouder 1. Een gastouder: a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze; b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel; c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid; dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een gastouder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan: b. de opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen waaraan de gastouder moet voldoen. 3. Een gastouder maakt gebruik van de begeleiding en ondersteuning voor het aanbieden van verantwoorde kinderopvang zoals wordt aangeboden door het bestuurscollege. 5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot: e. aanvullende opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen voor de gastouder. • EV Kinderopvang Bonaire 2026: geen nadere regels. • EV kinderopvang Saba: geen nadere regels. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor de professionele kwaliteitscultuur en (hoe) worden die gerealiseerd? |
|
Verantwoording |
|
GOO 26. Informatie verstrekken (Wko BES artikel 2.14 eerste lid, tweede lid, onderdeel a, derde lid, onderdeel a en vierde lid en Bko BES) De gastouder informeert de ouders over het te voeren beleid. De gastouder informeert de ouders over de inspectierapporten. |
|
• Wko BES: Artikel 2.14 Informatieverstrekking aan ouders en personeel 1. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen en eenieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf. 2. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert over een inspectierapport als bedoeld in artikel 5.4: a. de ouders van de kinderen die in dat kindercentrum of die gastouderopvang worden opgevangen. 3. Het informeren, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats doordat: a. de houder of gastouder het inspectierapport zo spoedig mogelijk na ontvangst op zijn website plaatst zodanig dat het rapport voor de ouders en de personen werkzaam bij de onderneming gemakkelijk vindbaar is; 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die de houder van een kindercentrum of gastouder beschikbaar stelt aan een ouder. 1. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen en eenieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf. 2. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert over een inspectierapport als bedoeld in artikel 5.4: a. de ouders van de kinderen die in dat kindercentrum of die gastouderopvang worden opgevangen, en b. de personen werkzaam bij een rechtspersoon waarmee de houder dat kindercentrum exploiteert. 3. Het informeren, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats doordat: a. de houder of gastouder het inspectierapport zo spoedig mogelijk na ontvangst op zijn website plaatst zodanig dat het rapport voor de ouders en de personen werkzaam bij de onderneming gemakkelijk vindbaar is. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die de houder van een kindercentrum of gastouder beschikbaar stelt aan een ouder (artikel 2.14). • Bko BES: geen nadere regels. |
|
Aanvullende ambities Zijn er aanvullende ambities voor het verstrekken van informatie en (hoe) worden die gerealiseerd? |
De eerste 5 jaar na de inwerkingtreding van de Wko BES financiert de overheid flexibele opvang niet.
Doordat de Inspectie van het Onderwijs en de openbare lichamen samen het toezicht uitvoeren, zijn in de samenwerkingsafspraken afspraken gemaakt over de verdeling van toezichtstaken. De Inspectie van het Onderwijs en de lokale inspectie voeren elk jaarlijks een onderzoek uit naar een deel van de kwaliteitsaspecten uit het waarderingskader. De locaties krijgen hierdoor jaarlijks te maken met in ieder geval 2 momenten waarop zij worden onderzocht. Gezamenlijk levert dit een compleet jaarlijks onderzoek op waarbij alle kwaliteitsaspecten zijn onderzocht.
De escalatieroute hanteren we in zijn geheel bij de kwaliteitsaspecten die vallen onder de kwaliteitsgebieden APH en VGP. Bij de kwaliteitsaspecten die vallen onder de kwaliteitsgebieden KS en KKV is alleen de eerste stap van toepassing: het geven van een herstelopdracht.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-121.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.