De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Gelet op artikel 7, derde lid, van de Opiumwet;
Besluit:
ARTIKEL I
Artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Opiumwet wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt na ‘de artikelen 2, aanhef en onder B, C of
D,’ ingevoegd ‘2a, eerste lid, aanhef en onder B, C of D,’.
2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt na ‘de artikelen 2, aanhef en onder A,’ ingevoegd
‘2a, eerste lid, aanhef en onder A,’.
3. In het tweede lid wordt na ‘de artikelen 2, aanhef en onder B, C of D,’ ingevoegd
‘2a, eerste lid, aanhef en onder B, C of D,’.
ARTIKEL II
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2026.
TOELICHTING
Per 1 juli 2025 is de Wet van 29 januari 2025 tot wijziging van de Opiumwet in verband
met het toevoegen van een derde lijst met als doel het tegengaan van de productie
van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen en enkele andere wijzigingen (Stb. 2025, 32) in werking getreden. Met deze wijziging is aan de Opiumwet, naast de bestaande lijsten
I en II, een lijst IA toegevoegd. Op grond van artikel 2a, eerste lid, van de Opiumwet
gelden verschillende verboden ten aanzien van de stofgroepen op deze lijst. Van deze
verboden kan op grond van artikel 6 van de Opiumwet een ontheffing worden verleend.
Met onderhavige regeling wordt de hoogte van de vergoedingen vastgesteld.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Opiumwet kan, voor zover hier relevant,
voor de behandeling van een aanvraag voor een ontheffing of een wijziging, aanvulling
of verlening daarvan een vergoeding worden geheven. Ingevolge artikel 7, tweede lid,
van de Opiumwet kan voor een ontheffing daarnaast jaarlijks een vergoeding worden
geheven. Op grond van artikel 7, derde lid, van de Opiumwet wordt de hoogte van deze
vergoedingen bij ministeriële regeling vastgesteld.
In artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Opiumwet is reeds de hoogte van (1) de vergoeding
vastgesteld die betaald dient te worden door een aanvrager van een ontheffing van
de verboden met betrekking tot de middelen op de lijsten I en II van de Opiumwet en
(2) de vergoeding die in geval van een verleende ontheffing jaarlijks betaald dient
te worden. Met deze regeling is dit artikel aangevuld zodat hierin ook de vergoedingen
voor de ontheffingen met betrekking tot de stofgroepen uit volgen. Met deze regeling
wordt de vergoeding voor de behandeling van een aanvraag voor een ontheffing van een
verbod als bedoeld in 2a, eerste lid, aanhef en onder A, B, C of D, van de Opiumwet
vastgesteld, alsmede de jaarlijkse vergoeding voor een ontheffing van een verbod als
bedoeld in 2a, eerste lid, aanhef en onder B, C of D, van de Opiumwet. Voor de hoogte
van de vergoedingen is aangesloten bij de vergoedingen die gelden in het kader van
de ontheffingen van de verboden met betrekking tot de middelen op de lijsten I en
II van de Opiumwet. Dit zijn kostendekkende vergoedingen.
Gevolgen voor regeldruk
Deze regeling heeft geen effect op de administratieve lasten of nalevingskosten. De
vergoedingen zijn financiële lasten en vallen als zodanig buiten de definitie van
regeldruk. Zij worden aldus niet aangemerkt als regeldruk die voortvloeit uit wet-
of regelgeving. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet
geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen (omvangrijke) gevolgen voor de
regeldruk heeft.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2026. Met de inwerkingtreding
wordt aangesloten bij het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten. Wel wordt
afgeweken van de minimuminvoeringstermijn om ongewenste financiële nadelen te voorkomen
als gevolg van het niet kunnen doorberekenen van kosten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.Th.M. Hermans