Regeling van de Staatssecretaris van Financiën, van 12 januari 2026 houdende enkele technische wijzigingen op het gebied van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

12 januari 2026

Nr. 2026-0000001684

Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken

De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Gelet op artikel 3.22 Wet inkomstenbelasting 2001;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1, eerste lid, wordt na ‘3.20,’ ingevoegd ‘3.22,’.

B. In artikel 9a wordt ‘2025’ vervangen door ‘2026’ en wordt ‘2021 tot en met 2023’ vervangen door ‘2022 tot en met 2024’. Voorts wordt ‘2020 tot en met 2022’ vervangen door ‘2021 tot en met 2023’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat:

  • a. artikel I, onderdeel A, terugwerkt tot en met 1 januari 2025;

  • b. artikel I, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën, E.H.J. Heijnen

TOELICHTING

I. Algemeen

In deze regeling wordt een tweetal omissies hersteld met betrekking tot de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001). De wijzigingen zien op de uitzondering op het zogenoemde vlagvereiste in de tonnageregeling. In de artikelsgewijze toelichting wordt dit nader uiteengezet.

Aan deze wijzigingen zijn geen zelfstandige EU-aspecten, budgettaire aspecten, uitvoeringskosten en gevolgen voor bedrijfsleven en burgers verbonden. Deze regeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft. De Belastingdienst heeft de wijzigingen beoordeeld met de uitvoeringstoets en kwalificeert deze als wijzigingen zonder impact voor de uitvoering. Deze regeling bevat enkel technische wijzigingen die geen invloed hebben op het doenvermogen, omdat deze geen extra handelingen vergen van burgers en bedrijven ten opzichte van de huidige situatie. De wijzigingen in deze regeling zijn technisch van aard en geven opvolging aan een in de wet omschreven uitzondering. Derhalve heeft geen internetconsultatie plaatsgevonden.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Artikel I, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 1 URIB 2001 is de reikwijdte van de regeling opgenomen. Bij het opnemen van artikel 9a URIB 2001 met ingang van 1 januari 2025 is per abuis niet het artikel uit de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) opgenomen waar uitvoering aan wordt gegeven. Dit betreft artikel 3.22 Wet IB 2001. In deze regeling wordt dit met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025 hersteld.

Artikel I, onderdeel B (artikel 9a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Om in aanmerking te komen voor de tonnageregeling geldt als voorwaarde dat een schip de vlag voert van een van de lidstaten van de EU of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: de lidstaten). De communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer1 maken het evenwel mogelijk dat hierop in een drietal situaties2 een uitzondering wordt gemaakt. Een uitzondering is onder meer toegestaan indien op landelijk niveau de nettotonnage van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten als percentage van de nettotonnage van kwalificerende schepen niet is afgenomen ten opzichte van een voorgaande periode van drie jaar. Ingevolge artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, Wet IB 2001 in samenhang met artikel 3.22, tiende lid, Wet IB 2001 wordt dan bij ministeriële regeling bepaald dat op landelijk niveau de nettotonnage van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten als percentage van de nettotonnage van kwalificerende schepen in een bepaalde periode van drie aaneengesloten jaren vergeleken met de daaraan voorafgaande periode, niet is afgenomen. De bedoelde ministeriële regeling wordt vastgesteld in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Het driejaarsgemiddelde is in de periode 2022 tot en met 2024 ten opzichte van het cijfer over de periode 2021 tot en met 2023 licht gestegen van 56,363% naar 56,863%. Dit houdt in dat aan de voorwaarden is voldaan om de uitzondering op het vlagvereiste in artikel 9a URIB 2001 te handhaven voor het jaar 2026. Per abuis zijn de relevante jaartallen in artikel 9a URIB 2001 niet aangepast om hier goed gevolg aan te geven. Artikel I, onderdeel B, van deze regeling herstelt dit met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026. Dit betekent dat voor een belastingplichtige met betrekking tot een schip dat in het kalenderjaar 2026 in gebruik wordt genomen de voorwaarde dat het schip de vlag voert van een van de lidstaten niet geldt. Hierbij wordt gemeld dat tevens aan de voorwaarde van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, Wet IB 2001 dient te worden voldaan. Hierin is bepaald dat ten minste een van de reeds door de belastingplichtige geëxploiteerde kwalificerende schepen de vlag voert van een van de lidstaten.

Artikel II

Artikel II (inwerkingtreding)

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De terugwerkende kracht met betrekking tot artikel I, onderdelen A en B, is hiervoor reeds toegelicht.

De Staatssecretaris van Financiën, E.H.J. Heijnen


X Noot
1

Mededeling C(2004) 43 van de Commissie – Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer.

X Noot
2

Deze uitzonderingen zijn opgenomen in artikel 3.22, zesde lid, onderdelen a tot en met c, Wet IB 2001.


X Noot
1

Mededeling C(2004) 43 van de Commissie – Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer.

X Noot
2

Deze uitzonderingen zijn opgenomen in artikel 3.22, zesde lid, onderdelen a tot en met c, Wet IB 2001.

Naar boven