Regeling van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 10 maart 2026, kenmerk 4355243-1094872-MEVA, houdende wijziging van de Subsidieregeling Inrichten Opleidingsstructuur helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen in verband met het aanpassen van de potentiële deelnemers van een samenwerkingsverband en enkele technische wijzigingen [KetenID WGK028791]

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling Inrichten Opleidingsstructuur helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsomschrijving van erkend leerbedrijf wordt ‘artikel 1.5.3’ vervangen door ‘artikel 5.2.3’.

2. Na de begripsbepaling helpende wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

GGD:

een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet publieke gezondheid;

3. In de begripsomschrijving van onderwijsinstelling komt onderdeel a te luiden:

  • a. instelling of aanbieder van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; of

B

Artikel 4, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste één onderwijsinstelling die een opleiding verzorgt, blijkens de Registratie instellingen en opleidingen, en

    • a. twee zorgaanbieders, of één zorgaanbieder en één welzijnsaanbieder; of

    • b. één GGD en één zorg- of welzijnsaanbieder.

ARTIKEL II

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treedt onderdeel A, onder 1 en 3, in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 12 december 2024 aanhangig gemaakte wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt in werking treedt.

  • 3. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 2 maart, werken onderdeel A, onder 2, en onderdeel B terug tot en met 2 maart 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk

TOELICHTING

1. Algemeen

Onderhavige regeling strekt tot wijziging van de Subsidieregeling Inrichten Opleidingsstructuur helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen (hierna: IOHVV-regeling). De IOHVV-regeling voorziet in een subsidie voor de uitvoering van (project)plannen om vernieuwde opleidingsstructuren te realiseren.

Met deze wijzigingsregeling worden enkele begripsbepalingen gewijzigd. Met de wijzigingen wordt geanticipeerd op de wetswijziging (en de daarmee gepaard gaande vernummering) van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt.1

De wijzigingsregeling omvat ook de toevoeging van het begrip ‘GGD’ aan de begripsbepalingen. In de IOHVV-regeling worden voorwaarden gesteld aan het samenwerkingsverband (namens welk verband een subsidieaanvraag kan worden gedaan) en de penvoerder (die namens het samenwerkingsverband een aanvraag indient). Zorg- en welzijnsaanbieders moeten een toelatingsvergunning op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders overleggen De gestelde voorwaarden brengen het onwenselijke effect met zich mee dat met GGD’en geen samenwerkingsverband kan worden aangegaan. Door expliciet te maken dat een GGD deelnemer aan een samenwerkingsverband kan zijn, wordt dit onwenselijke effect ongedaan gemaakt. Een GGD beschikt niet over een toelatingsvergunning en van een GGD worden geen aanvullende bewijsstukken verlangd omtrent het aantonen dat sprake is van het verlenen van zorg of welzijn.

Gevolgen voor de regeldruk

De wijzigingsregeling heeft geen gevolgen voor de regeldruk.

Staatssteun

De activiteit ‘het inrichten van een vernieuwde opleidingsstructuur’ (artikel 5, eerste lid, onder b, van de IOHVV-regeling) is aangewezen als een dienst van algemeen belang (hierna: ‘DAEB’). In Verordening 2023/2832 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (hierna: de DAEB de-minimisverordening) is bepaald dat wanneer de compensatie voor de uitvoering van een DAEB maximaal € 750.000 bedraagt over drie opeenvolgende jaren, de financiering het handelsverkeer tussen de lidstaten niet belemmert en de mededinging niet ongunstig beïnvloedt.

De penvoerder dient namens het samenwerkingsverband een verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de DAEB de-minimisverordening te overleggen bij de aanvraag. Daarnaast dient de penvoerder namens het samenwerkingsverband een overeenkomst als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de DAEB de-minimisverordening, te tekenen en te overleggen, waarbij de Staat de deelnemers aan het samenwerkingsverband belast met en de deelnemers aan het samenwerkingsverband zich verplichten tot het verrichten van de DAEB voor deze activiteit. De drempel voor de dienst kan niet worden overschreden omdat de subsidie voor activiteit b is gemaximeerd op € 750.000. Een GGD kan geen penvoerder zijn.

2. Artikelsgewijs

ARTIKEL I

Onderdeel A

Het huidige artikel 1 van de IOHVV-regeling definieert een ‘erkend leerbedrijf’ als een bedrijf of organisatie die bevoegd is om beroepspraktijkvorming te verzorgen, als bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een erkenning heeft als bedoeld in artikel 1.5.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Vanwege de te verwachten wetswijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs (en de daarmee gepaard gaande vernummering van onder meer de artikelen 1.5.1 tot en met 1.5.3),2 is een aanpassing van de definitie vereist. Dankzij die aanpassing wordt naar het juiste (vernummerde) artikel uit de Wet educatie en beroepsonderwijs verwezen.

Het huidige artikel 1 van de IOHVV-regeling definieert een ‘onderwijsinstelling’ als:

  • a. instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 of artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; of

  • b. instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Met het hierboven genoemde voorstel tot wetswijziging wordt de begripsbepaling aanbieder van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs in de Wet educatie en beroepsonderwijs opgenomen. Verwijzing naar artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, dat overigens bij genoemd voorstel tot wetswijziging wordt vervangen door artikel 11.1.1, is daardoor niet langer nodig.

Er wordt tot slot een definitie van ‘GGD’ toegevoegd. Met deze wijzigingsregeling wordt het mogelijk gemaakt dat een GGD deelnemer aan een samenwerkingsverband kan zijn. De verantwoording van de subsidie verloopt volgens het verantwoordingsarrangement zoals opgenomen in artikel 15 van de IOHVV-regeling. Het verstrekken van de benodigde gegevens door een GGD aan de penvoerder voor de verantwoording verloopt niet via de methodiek van Single information, Single audit (SiSa).

Onderdeel B

Artikel 4 van de IOHVV-regeling stelt voorwaarden aan het samenwerkingsverband (namens welk verband een subsidieaanvraag kan worden gedaan) en de penvoerder (die namens het samenwerkingsverband een aanvraag indient). Volgens artikel 4, vierde lid, kan subsidie enkel worden verstrekt als de penvoerder en ten minste een andere zorg- of welzijnsaanbieder beschikt over een toelatingsvergunning en AGB-code. Bij gebrek aan een toelatingsvergunning en AGB-code dient de aanvraag volgens artikel 4, vijfde lid, in samenhang met artikel 11, zesde lid, vergezeld te gaan van:

  • a. Een contract tussen de financier en de betreffende zorg- of welzijnsaanbieder waaruit blijkt dat er in het jaar van de aanvraag zorg is of wordt ingekocht bij deze zorg- of welzijnsaanbieder in combinatie met factuur en betalingsbewijs in de vorm van een bankafschrift waaruit blijkt dat prestaties in het jaar van de aanvraag of het jaar voorafgaand aan de aanvraag, zijn geleverd; of

  • b. Een schriftelijke verklaring van de financier aan de betreffende zorg- of welzijnsaanbieder in combinatie met een factuur en betalingsbewijs in de vorm van een bankafschrift waaruit blijkt dat prestaties in het jaar van de aanvraag of het jaar voorafgaand aan de aanvraag, zijn geleverd.

Het stellen van deze eisen brengt het onwenselijke effect met zich mee dat met GGD’en (die niet beschikken over een toelatingsvergunning) geen samenwerkingsverband kan worden aangegaan. Met de aanpassing van artikel 4, eerste lid, wordt dit onwenselijke effect ongedaan gemaakt. Er wordt expliciet gemaakt dat een GGD deelnemer aan een samenwerkingsverband kan zijn.

Een GGD wordt niet gelijkgesteld aan een zorg- en welzijnsaanbieder. Dat betekent dat de eisen die aan een zorg- en welzijnsaanbieder worden gesteld (in artikel 4, vierde en vijfde lid, en artikel 11, zesde lid, van de IOHVV-regeling) niet worden gesteld aan een GGD. Een GGD hoeft niet door middel van bewijsstukken aan te tonen dat zij zorg of welzijn aanbiedt. Het gegeven dat het gaat om een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet publieke gezondheid, is voldoende.

ARTIKEL II

In afwijking van de vaste verandermomenten voor inwerkingtreding, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zo nodig ten aanzien van onderdeel A, onder 2, en onderdeel B terug tot en met 2 maart 2026.

Afwijking van de vaste verandermomenten en toepassing van de terugwerkende kracht tot en met 2 maart is gerechtvaardigd, omdat zodoende mogelijk wordt dat subsidie kan worden toegekend aan een samenwerkingsverband waarvan een GGD onderdeel uitmaakt en die een aanvraag heeft ingediend in het tijdvak in maart 2026. Publicatie per 1 januari 2026 is niet haalbaar gebleken en publicatie per 1 april 2026 zou te laat zijn, gelet op de startdatum van het eerstvolgende aanvraagtijdvak te weten van 2 maart 2026 9.00 uur tot en met 27 maart 2026 13.00 uur.

Onderdeel A, onder 1 en 3, treedt in werking na inwerkingtreding van het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk


X Noot
1

Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken II 2024/25-2025/26, 36 670).

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 670, nr. 2.


X Noot
1

Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken II 2024/25-2025/26, 36 670).

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 670, nr. 2.

Naar boven