Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2026, 10221 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2026, 10221 | ander besluit van algemene strekking |
De Minister van Justitie en Veiligheid,
Gelet op artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 17 van de Wet op de economische delicten en het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;
Besluit:
A
In alle onderdelen van, en in de bijlagen bij, de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar wordt ‘geweldsmiddel’ telkens vervangen door ‘geweldmiddel’ en wordt ‘geweldsmiddelen’ telkens vervangen door ‘geweldmiddelen’.
B
Paragraaf 3.2. Criteria toekenning bevoegdheden, onderdeel Criteria toekenning geweldsmiddelen (oud), wordt vervangen door:
Het toepassen van geweld met gebruik van een geweldmiddel is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de Staat. Als de noodzaak aannemelijk is voor een goede uitoefening van de taak van de boa kunnen onder voorwaarden geweldmiddelen worden toegekend aan de boa. Mede vanuit de doelstelling van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) wordt een restrictief beleid gehanteerd. Het toekennen van geweldmiddelen aan een boa geschiedt slechts als de noodzaak hiertoe door de aanvrager aannemelijk is gemaakt en indien de bekwaamheid van de boa in de omgang met het betreffende wapen is aangetoond (zie ook artikel 5, eerste lid, Regeling wapens en munitie, hierna: Rwm).
Elke aanvraag tot het toekennen van geweldmiddelen wordt afzonderlijk beoordeeld aan de hand van de onderstaande criteria a) tot en met d). Geweldmiddelen kunnen slechts worden toegekend op basis van de bevoegdheden en taak van de boa zoals vastgelegd in de akte en kunnen slechts worden gebruikt volgens de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Het toekennen van een geweldmiddel gebeurt in het kader van een adequate en veilige taakuitvoering door de boa. Immers, om een taak goed uit te kunnen voeren, dient dit ook veilig te gebeuren. Geweldmiddelen kunnen onder meer worden ingezet voor de bescherming van de boa als hij onvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt.
De minister betrekt bij zijn beoordeling de adviezen van de toezichthouder en de direct toezichthouder. Deze adviezen strekken zich uit over de hieronder genoemde criteria.
De criteria:
a) De beschikbare geweldmiddelen voor de boa op basis van deze beleidsregels.
De maximaal toe te kennen geweldmiddelen zijn per domein bepaald. De geweldmiddelen staan in volgordelijkheid van zwaarte benoemd. De korte wapenstok geldt als een licht geweldmiddel, de pepperspray als middelzwaar geweldmiddel, de uitschuifbare wapenstok als zwaar geweldmiddel en het vuurwapen als een zeer zwaar geweldmiddel. Daarnaast kan onder voorwaarden ook een surveillancehond worden toegekend.
Ingehuurde boa’s kunnen voor elk van de domeinen maximaal tot en met de handboeien, en dus geen geweldmiddelen, toegekend krijgen.
b) De bevoegdheden en taakstelling van de boa.
De boa is buitengewoon -en daarmee beperkt- opsporingsbevoegd. De opsporingsbevoegdheid strekt zich uit tot de in de akte aangeduide strafbare feiten – vaak door een verwijzing in de akte naar het betreffende Domein in de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar – voor zover wet- en/of regelgeving zich daar niet tegen verzetten. Met het oog op een goede taakuitvoering koppelt de boa-werkgever het pakket aan opsporingsbevoegdheden aan de taakomschrijving van zijn boa's. Bij de beoordeling van een verzoek om de toekenning van geweldmiddelen wordt onder dit criterium derhalve gekeken naar:
• De feiten waarvoor de boa, op basis van de akte en het domein waarvoor de boa bevoegd is, volgens deze beleidsregels en de betreffende wetgeving mag worden ingezet en daadwerkelijk tot taak en bevoegdheid heeft;
• Indien de werkgever in mandaat een taak uitvoert of daartoe aangewezen is, dan dient de werkgever de mandaat- of aanwijzingsbesluiten aan te leveren;
• En dat op basis van de hiervoor genoemde feiten, de boa in de rechtmatige uitoefening van zijn functie een situatie tegen kan komen waarin hij over mag gaan tot het gebruik van het geweldmiddel zoals bedoeld in Hoofdstuk 2 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren.
Niet wordt in deze beoordeling meegewogen het aantal processen-verbaal of aanhoudingen welke een boa voor een bepaald feit in het verleden heeft opgemaakt/verricht.
De artikelen waarbij de boa mag optreden voor zover het gaat om de eigen veiligheid van de boa (artikelen 177, 179, 180, 181, 182, 284, 285, 300 juncto 304 eerste lid onder 3° Wetboek van Strafrecht) worden niet meegenomen bij de beoordeling van de toekenning voor een geweldmiddel.
c) Aanwezigheid handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst met de politie.
Indien de boa handhavend optreedt in de publieke ruimte bestaat er een kans dat de boa te maken krijgt met fysiek geweld. Voor het toekennen van geweldmiddelen is het daarom vereist dat er afspraken zijn gemaakt over samenwerking met de politie en opvolging bij escalatie door de politie via een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst alvorens een geweldmiddel toe te kennen. Hiermee wordt gezorgd dat de taakuitvoering zo veilig mogelijk kan verlopen, zodat deze taakuitvoering ook adequaat kan gebeuren.
Het optreden van de boa dient zicht te beperken tot de bevoegdheden en taak van de boa zoals bedoeld onder criterium b).
d) Geen aanwezigheid van contra-indicaties bij het te verwachten gebruik van de geweldmiddelen.
Dit criterium ziet op het betrekken van onderstaande contra-indicaties. Als sprake is van contra-indicaties kan de aanvraag worden afgewezen. Dat geldt ook voor de gevallen waarin op basis van criteria a tot en met c wel tot toekenning van het verzochte geweldmiddel zou zijn overgegaan.
Op basis van de volgende overwegingen kan de aanvraag alsnog worden afgewezen:
• Indien van toepassing: Hoe is de boa of de boa-werkgever tot het moment van de aanvraag omgegaan met de eerder (tijdelijk) toegekende politiebevoegdheden of geweldmiddelen?
Negatieve ervaringen zijn contra-indicaties bij de beoordeling van de aanvraag.
• Heeft of hebben de boa(’s) in zijn of hun ambtshandelingen het aangewende geweld zorgvuldig in een proces-verbaal verantwoord tot het moment van de aanvraag, of is daarin voldoende verbetering te zien?
Zo niet, dan is dat een contra-indicatie.
• Heeft of hebben de boa(’s) het aangewende geweld consequent bij de hulpofficier van justitie en de direct toezichthouder gemeld, of is daarin voldoende verbetering te zien?
Zo niet, dan is dat een contra-indicatie.
Pilots toekenning geweldmiddelen
In gevallen waarin tijdelijk onderzocht dient te worden of andere of zwaardere bewapening noodzakelijk is voor boa’s, kan door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, gehoord de adviezen van de toezichthouder en de direct toezichthouder, voor een bepaalde periode in afwijking van criterium a) een geweldmiddel worden toegekend, mits voldaan wordt aan de criteria b) tot en met d).
Duur van de toekenning geweldmiddelen
De toekenning van geweldmiddelen geldt voor maximaal 5 jaar. Dat betekent dat deze ook voor een kortere periode kunnen worden toegekend. Voor tijdelijke toekenning moet net als voor de maximale duur van 5 jaar ook worden voldaan aan de criteria zoals opgenomen in deze paragraaf.
Een toekenning van geweldmiddelen in het kader van een pilot, zoals eerder beschreven is maximaal voor de duur van twee jaar.
Bijlage A
In bijlage A staan de politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en de geweldmiddelen nader omschreven inclusief aanvullende toekenningseisen per geweldmiddel.
C
In paragraaf 4.3. Aanvraagprocedure vervalt de zin ‘Bij wijze van proef kan ervoor worden gekozen om voor een kortere periode bepaalde geweldsmiddelen toe te kennen.’.
D
Paragraaf 6.1. Inzetcriterium komt te vervallen.
E
Bijlage L. Handelingsperspectief gevaarzetting, paragraaf Inleiding komt te luiden:
In 2021 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning uitgevoerd naar het leefbaarheidscriterium. Op basis van deze verkenning is het leefbaarheidscriterium vervangen door het inzetcriterium. In het inzetcriterium is, aangevuld met de Kamerbrief over de rol van de boa (Kamerstukken II 2025/26, 36 395, nr. 22), onder de criteria met betrekking tot de uitvoerbaarheid opgenomen:
Het te handhaven feit betreft enkel die gevallen, waarbij op voorhand geen sprake is van een te gevaarlijke, escalerende of gewelddadige setting (gevaarzetting). Dit neemt niet weg dat de toekenning van geweldmiddelen op basis van deze feiten mogelijk is, afhankelijk van de totale beoordeling van de criteria in paragraaf 3.2. Criteria toekenning bevoegdheid, kopje Criteria toekenning geweldmiddelen en de omstandigheden van het geval.
Uit gesprekken met verschillende partners, waaronder het OM, de politie, de VNG en de G4-gemeenten, bleek er behoefte te zijn aan een nadere invulling van de term gevaarzetting. Dit handelingsperspectief komt aan deze behoefte tegemoet. Met behulp van voorbeelden wordt inzichtelijk gemaakt in welke omstandigheden boa’s een taak hebben en wanneer er een taak is voor de politie. Het handelingsperspectief is richtinggevend, omdat situaties in de praktijk kunnen verschillen door de specifieke plaatselijke context. Het handelingsperspectief is bedoeld voor alle partijen die onderdeel uitmaken van de lokale driehoek en boa’s zelf. Het fungeert als afwegingskader voor de werkgever bij de inzet van boa’s.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 maart 2026
De Minister van Justitie en Veiligheid, namens deze, M. Commelin Directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving
Met dit besluit worden de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (hierna: Beleidsregels) gewijzigd. De wijzigingen zien op de toekenningscriteria voor geweldmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: boa’s) en enkele redactionele wijzigingen. De reden van de aanpassing van de toekenningscriteria voor geweldmiddelen is gelegen in het vastlopen van de aanvraagprocedures. De invulling van deze criteria is gebaseerd op de rol en taak van de boa zoals uiteen staat gezet in de Kamerbrief met betrekking tot de diepgaande beschouwing van het boa-bestel (Kamerstukken II 2025/26, 36 395, nr. 22).
Toekenning van geweldmiddelen aan de buitengewoon opsporingsambtenaar
Een boa kan op grond van artikelen 3a, derde lid, van de Wet wapens en munitie in samenhang met artikel 5 van de Regeling wapens en munitie (hierna: Rwm) slechts aanspraak maken op geweldmiddelen indien de noodzaak hiervoor aannemelijk is en de bekwaamheid in de omgang met het wapen is aangetoond. De toekenningscriteria in de Beleidsregels zijn een uitwerking van deze aannemelijkheid van de noodzaak tot bewapening. De reden voor de aanpassingen van de criteria is het scheppen van een duidelijker kader, omdat de oude criteria in de praktijk tot meerdere interpretaties leidden. Ook verschillen de lokale situaties zo van elkaar dat de advisering op aangevraagde geweldmiddelen door de (direct) toezichthouders tot niet voor ieder voldoende voorspelbare en uniforme uitkomsten leidden, wat onrust tot gevolg had. Daarnaast zal ook de ‘kan-bepaling’, waarbij de frequentie en mate waarin zich in het verleden situaties hebben voorgedaan waarbij bewapening wenselijk zou zijn geweest, vervallen. Met de nieuwe criteria zal de aannemelijkheid van de noodzaak onderbouwd moeten worden op basis van de in de akte vastgelegde rol en taak van de boa. Bij de beoordeling van aanvragen tot bewapening zullen dus niet meer de aantallen daadwerkelijke inzetten of de aantallen situaties en incidenten uit het verleden worden betrokken. Als zowel uit de bevoegdheid als de taakstelling van de boa blijkt dat de boa in een bepaalde situatie mag optreden, wordt ervan uitgegaan dat de boa deze situatie daadwerkelijk kan tegenkomen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de situaties waarbij het gebruik van het geweldmiddel geoorloofd is als bepaald in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie).
Gebruik van geweldmiddelen door de buitengewoon opsporingsambtenaar
De toekenning van geweldmiddelen heeft -naast de koppeling aan de taak en (buitengewone) opsporingsbevoegdheid van de betreffende boa- ook als doel de boa te beschermen als hij onvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt. Het gebruik van geweldmiddelen door boa’s heeft primair tot doel het waarborgen van de persoonlijke veiligheid van de boa en een veilige taakuitvoering en strekt in beginsel niet tot het structureel zelfstandig uitoefenen van gewapende handhaving. De politie blijft daarbij, naast defensie, primair de gewapende macht van de overheid. De bevoegdheid om geweld of geweldmiddelen te gebruiken heeft daarmee een defensief karakter. In de afbakening met politie blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de boa zich terugtrekt uit én zich niet (proactief) mengt in situaties die gekenmerkt worden door grote gevaarzetting. De politie beschikt voor dit soort situaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo.
De boa heeft de laatste jaren een grote ontwikkeling doorgemaakt. Het werk van de boa richt zich op het leefbaar en veilig houden van de leefomgeving voor de burger. Leefbaar en veilig wordt gedefinieerd als de mate waarin de fysieke en sociale omgeving als schoon, heel, rustig en veilig wordt ervaren. Dat doet de boa met een buitengewone, door de domeinlijsten beperkte, opsporingsbevoegdheid (en dus niet een algemene opsporingsbevoegdheid) door preventief op te treden, het handhaven van de zogenoemde kleine norm en specifieke wet- en regelgeving. De taak van politie en boa zijn zo veel als mogelijk complementair aan elkaar en de samenwerking tussen beiden is gelijkwaardig, ieder vanuit een eigen expertise. In de afbakening met politie blijft het uitgangspunt dat de boa zich niet mengt in of terugtrekt uit situaties die gekenmerkt worden door grote gevaarzetting. Daarbij heeft de boa geen rol in de handhaving van de openbare orde. Hiertoe maakt de boa altijd een inschatting van de situatie op basis van zijn professionaliteit voordat er actie ondernomen wordt. Bij situaties gekenmerkt door grote gevaarzetting of handhaving van de openbare orde beschikt de politie over doorzettingsmacht en -middelen.
Het feit dat de boa een geweldmiddel toegekend heeft gekregen met het oog op de situaties als beschreven in de Ambtsinstructie, betekent niet automatisch dat de geweldstoepassing met dit geweldmiddel tevens rechtmatig is geweest. Geweldstoepassing is onderworpen aan de Ambtsinstructie. Daarbij zijn onder meer de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid van toepassing. Het geweldmiddel mag slechts worden aangewend in de situaties die aansluiten bij de bevoegdheden en taakstelling van de boa waarvoor het geweldmiddel is toegekend. De Ambtsinstructie creëert geen bevoegdheden voor de boa, de boa is buitengewoon -en daarmee beperkt- opsporingsbevoegd. Het geweldmiddel kan ook enkel worden ingezet voor de taak waarvoor deze is toegekend of het uitvoeren van handelingen in het verlengde daarvan. Dit betekent uitdrukkelijk dat als de boa een geweldmiddel toegekend heeft gekregen, hij niet mag optreden tegen alle situaties zoals genoemd in de Ambtsinstructie bij dat specifieke geweldmiddel (zoals bijvoorbeeld de handhaving van de openbare orde).
In de Ambtsinstructie is geregeld dat geweldmiddelen kunnen worden ingezet voor het afwenden van gevaar als de situatie daarom vraagt. Dat kan bijvoorbeeld zijn bij de aanhouding van een persoon of bescherming tegen agressie en geweld door personen. De toekenning van bijvoorbeeld de korte wapenstok kan derhalve ook alleen proportioneel zijn als de boa de bevoegdheid en taak heeft om strafbare feiten te handhaven waarvoor aanhouding proportioneel is of de kans op agressie en geweld in de taakuitvoering redelijkerwijs kan worden onderbouwd. Het feit dat een boa tijdens werkzaamheden binnen zijn taakstelling ook feiten tegenkomt waarvoor hij niet bevoegd is om op te treden worden dan ook niet meegenomen bij de beoordeling om al dan niet een geweldmiddel toe te kennen.
Justis neemt, namens de Minister van Justitie en Veiligheid, gehoord de adviezen van de toezichthouders, een besluit op de aanvragen voor geweldmiddelen. Het betreffen niet-bindende adviezen van de toezichthouders waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.
De boa wordt, net als politieagenten en andere opsporingsambtenaren, adequaat getraind in het gebruik van geweld en geweldmiddelen en boa-werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor het juiste gebruik van deze bevoegdheid door hun medewerkers. De bepalingen ten aanzien van de bekwaamheid in het omgaan met geweldmiddelen en de registratie van geweldsincidenten blijven dan ook op dit moment ongewijzigd.
Criterium a) geeft weer dat een boa slechts kan beschikken over de geweldmiddelen die voor zijn domein staan opgesomd in de Beleidsregels. Er is sprake van een hiërarchische indeling van de geweldmiddelen naar zwaarte. De korte wapenstok geldt als een licht geweldmiddel, de pepperspray als middelzwaar geweldmiddel, de uitschuifbare wapenstok als zwaar geweldmiddel en het vuurwapen als een zeer zwaar geweldmiddel. De diensthond of surveillancehond heeft binnen de geweldmiddelen een bijzondere status. Voor wat betreft de hiërarchie in zwaarte valt deze tussen het zware geweldmiddel de uitschuifbare wapenstok en het zeer zware geweldmiddel het vuurwapen in, maar voor de dienst- of surveillancehond geldt dat de boa niet een dergelijke hond als geweldmiddel toegekend krijgt als aan de boa een vuurwapen is toegekend. Voor de andere geweldmiddelen geldt dat de boa kan beschikken over een lichter geweldmiddel dan het zwaarste geweldmiddel dat is toegekend.
Criterium b), eerste opsommingsteken, ziet op de vraag of het gebruik van een geweldmiddel aansluit bij de functie en de daaraan gekoppelde taakomschrijving van de boa. De opsporingsbevoegdheid van de boa strekt zich uit tot de in de akte aangeduide strafbare feiten voor zover wet- en regelgeving zich daar niet tegen verzetten. De akte wordt daarom als uitgangspunt genomen. De werkgever bepaalt de dagelijkse inzet binnen de opsporingsbevoegdheid, de taakstelling van de boa en de gemaakte handhavingsafspraken. Boa’s kunnen hun opsporingsbevoegdheid slechts inzetten als dit noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun primaire functie, bijvoorbeeld het uitoefenen van toezicht op grond van een of meer (milieu)wetten. Er moet een koppeling bestaan tussen de taak waarvoor geweldmiddelen worden aangevraagd en de toezichthoudende bevoegdheid van de werkgever. In dit verband kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de handhaving op gewapende wildstroperij. De boa-werkgever dient bij zijn aanvraag voor een geweldmiddel aan te tonen dat de boa(-werkgever) daadwerkelijk wettelijke (toezichthoudende) taken en bevoegdheden heeft waarvoor de boa wordt ingezet en waarvoor het geweldmiddel wordt aangevraagd. Van belang is dat de boa niet ingezet kan worden op feiten waarvoor hij niet bevoegd is, en deze feiten dan ook niet kunnen bijdragen bij het aantonen van de noodzaak voor een geweldmiddel.
In criterium b), tweede opsommingsteken, staat het vereiste dat de boa in de rechtmatige uitoefening van zijn functie de situatie tegen kan komen om over te mogen gaan tot het gebruik van het geweldmiddel op basis van de Ambtsinstructie. Hiermee wordt bedoeld dat de boa voor bijvoorbeeld de toekenning van het vuurwapen de opsporing en handhaving van wetgeving als taak moet hebben waarbij de situatie kan ontstaan waarbij de boa een persoon zal aanhouden van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft of aanstonds ander levensbedreigend geweld tegen personen zal gebruiken, artikel 7 Ambtsinstructie. Zoals aangegeven zal voor het aantonen van de (aannemelijkheid van de) noodzaak voor het toekennen van geweldmiddelen worden gekeken naar de taak en bevoegdheid van de boa. De artikelen waarbij de boa mag optreden voor zover het gaat om de eigen veiligheid van de boa (artikelen 177, 179, 180, 181, 182, 284, 285, 300 juncto 304 eerste lid onder 3° Wetboek van Strafrecht) worden niet meegenomen bij de beoordeling van de toekenning voor een geweldmiddel, omdat deze niet zien op een taak van de boa maar enkel op een bevoegdheid om gebruik te mogen maken van zijn bestaande bevoegdheden en middelen in geval de boa in deze situatie terecht komt. De boa wordt niet aangesteld met als taak de handhaving op de genoemde feiten uit het Wetboek van Strafrecht, maar is wel bevoegd op te treden indien hij in deze situatie terecht komt. Toekenning van een geweldmiddel met als motivering de Wet op de identificatieplicht, waarbij er in situaties overgegaan kan worden tot een aanhouding, kan wel meegenomen worden in de beoordeling van de noodzakelijkheid. Optreden op basis van de hiervoor genoemde bepaling zal dan een gevolg zijn van optreden tegen een feit waarvoor de boa reeds bevoegd is en tot zijn taakstelling heeft. De grondslag voor toekenning van een geweldmiddel is dan het feit zoals is vastgelegd in de akte, samen met de Wet op de identificatieplicht. Het is van belang om te benadrukken dat omdat een geweldmiddel enkel kan worden toegekend op basis van de bevoegdheid en taak van de boa, het geweldmiddel niet kan worden ingezet bij de handhaving voor feiten of situaties waarvoor deze niet is toegekend (zoals de handhaving van de openbare orde die in het geheel niet onder de taak van de boa valt).
Als laatste zin onder criterium b staat aangegeven dat niet wordt meegewogen het aantal processen-verbaal of aanhoudingen welke een boa voor een bepaald feit heeft opgemaakt of verricht. Deze aantallen, zowel de aan- als afwezigheid van processen-verbaal of aanhoudingen, kunnen meerdere verklaringen hebben die de noodzaak voor toekenning van geweldmiddelen zowel zouden kunnen ondersteunen als juist zouden kunnen ontkrachten. Om discussie over de invulling van deze aantallen te voorkomen is gekozen dit niet mee te laten wegen bij de toekenning van geweldmiddelen.
Criterium c) ziet op de aanwezigheid van een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst met de politie in verband met de te verwachten agressie en geweld. Deze eis zal ertoe moeten leiden dat er goede afspraken worden gemaakt met de politie over wie wat handhaaft in een bepaald gebied, hoe dit gebeurt en hoe opvolging in geval van escalatie (onder andere de achtervang in geval van noodsituaties) is geregeld. Dit zijn belangrijke afspraken die bijdragen aan een adequate en veilige taakuitvoering door de boa. Wanneer een boa handhavend optreedt in de publieke ruimte is er burgercontact en zijn er verbaliseringssituaties aanwezig. Deze situaties brengen een zekere mate van onvoorspelbaarheid met zich mee, en soms zelfs onverwachte en ongewenste escalatie en agressie en geweld. De toekenning van geweldmiddelen gebeurt daarmee dus ook met het oog op de bescherming van de boa als hij onvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt. Van een adequate taakuitvoering kan slechts sprake zijn als dit ook veilig kan gebeuren.
Het handhavingsarrangement of de samenwerkingsovereenkomst kan op werkgeversniveau worden afgesloten, maar dit is niet noodzakelijk. Het kan wenselijk zijn om dit op een ander niveau (veiligheidsregio, de provincie of samenwerkingsverbanden) te doen door bijvoorbeeld afspraken te maken tussen de politie-eenheid met meerdere werkgevers tegelijk of dat er gezien de omvang van het werkgebied van de werkgever er meerdere politie-eenheden betrokken zijn bij de afspraken. Daarnaast dient ook het Openbaar Ministerie, als het gezag op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, te worden betrokken bij deze afspraken.
Criterium d geldt als een bepaling voor uitzonderlijke situaties waarbij op basis van de rol en taak van de boa (criteria a t/m c) de noodzaak voor een bepaald geweldmiddel wel aannemelijk is, maar er op basis van andere overwegingen de wens is geen geweldmiddel toe te kennen aan een boa. Dit kan te maken hebben met de specifieke boa of diens werkgever. Hiervan kan sprake zijn als er in het verleden bij de inzet van geweld(middelen) de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid niet naar behoren zijn nageleefd of de registratie van geweldsaanwendingen ondermaats is geweest. Het gaat hierbij om uitzonderlijke gevallen. Een enkele overtreding van de eisen of verkeerde registratie hoeft hierbij geen reden te zijn een aanvraag te weigeren. Als in het verleden fouten zijn gemaakt bij de inzet of registratie van geweldsaanwendingen hoeft dat niet direct een reden te zijn om de aanvraag af te wijzen indien de boa, dan wel boa-werkgever voldoende verbetering laten zien. Dit kan op basis van de registraties van een kortere voorgaande periode of concrete afspraken die hierover zijn gemaakt met en een controle daarop door de toezichthouders. Dit zullen de toezichthouders meenemen in hun advies. Er bestaat op dit punt ook een grote verantwoordelijkheid voor de werkgever. Ook als namelijk slechts één boa (zeer) onverantwoordelijk omgaat met de geweldmiddelen en/of -bevoegdheden kan dit aanleiding zijn de categoriale aanvraag af te wijzen. Er kan immers zijn gebleken dat de werkgever, die verantwoordelijkheid draagt voor een goede naleving van deze regels door de boa, niet in staat is dit op een goede manier te borgen.
De redactionele aanpassingen zien onder meer op het verduidelijken en verplaatsen van de eisen voor een pilot voor toekenning van geweldmiddelen in paragraaf 3.2 van de Beleidsregels. Daarnaast vervalt paragraaf 6.1 en wordt Bijlage L daarop aangepast. De definitie van het Inzetcriterium als bedoeld in paragraaf 6.1 sluit niet langer aan bij de verder ontwikkelde rol en taak van de boa en is daarmee beperkend voor eventuele toekomstige bevoegdheidsuitbreidingen. Daarnaast zou de tekst uit Bijlage L kunnen leiden tot een zeer beperkte taakopvatting van de boa en daarmee tot de onmogelijkheid voor de toekenning van geweldmiddelen.
Deze wijziging treedt in werking met ingang van 1 mei 2026. De partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van aanvragen tot geweldmiddelen voor boa’s hebben tijd nodig om de wijzigingen te implementeren in de verschillende werkprocessen.
’s-Gravenhage, 12 maart 2026
De Minister van Justitie en Veiligheid, namens deze, M. Commelin Directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-10221.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.