Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 101 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 101 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Het College voor toetsen en examens,
Gelet op artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet College voor toetsen en examens;
Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 15 december 2025, nummer 1783390,
Besluit:
De regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO Bonaire wordt als volgt gewijzigd:
De bijlage wordt vervangen door de bijlage bij deze regeling.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Het College voor toetsen en examens, de voorzitter, J.H. van der Vegt
Bijlage behorende bij artikel 1 van de Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO Bonaire.
|
Aanbieder |
aanbieder van een doorstroomtoets. |
|
Absolute normen |
standaarden waaraan de vaardigheidsniveaus van leerlingen gerelateerd kunnen worden. Deze standaarden worden vastgesteld op basis van inhoudelijke en/of toetsspecifieke criteria. |
|
Afnemer |
een afnemer van een toets zoals een leerkracht, intern-begeleider, directeur of observator. |
|
Algoritme (beslisregel) |
systeem van regels, logische of wiskundige handelingen, die als stappenplan gelden en kunnen worden uitgevoerd om tot een bepaald resultaat te komen. |
|
Anker |
bestaat uit opgaven die in twee of meer toetsen worden opgenomen om verschillen in de moeilijkheidsgraad tussen de betreffende toetsen vast te kunnen stellen. |
|
Ankeropgaven |
een opgave in het anker. |
|
A-parameter |
geeft bij een 2PL itemresponsmodel het discriminerend (onderscheidend) vermogen van een item weer. Hoe hoger het onderscheidend vermogen, hoe beter het item onderscheid maakt tussen lage en hoge vaardigheidsniveaus. In de praktijk worden de waarden relatief – d.w.z. tussen de items onderling – bekeken: hoe hoger de waarde van een bepaald item, hoe hoger het onderscheidend vermogen ten opzichte van de andere items. |
|
A-waarde |
is de proportie leerlingen die, of het percentage leerlingen dat, bij een meerkeuzevraag de desbetreffende afleider als antwoord heeft gekozen. |
|
Beoordelaarsovereenstemming |
de mate waarin verschillende beoordelaars tot identieke beoordelingen komen van (bijvoorbeeld) het werk van leerlingen. Twee veel gebruikte maten voor beoordelaarsovereenstemming zijn het percentage overeenstemming tussen twee beoordelaars en Cohen's Kappa. |
|
Betrouwbaarheid |
de mate waarin de toetsscores – op groepsniveau – vrij zijn van toevallige meetfouten. |
|
B-parameter |
verwijst over het algemeen naar de parameter in itemresponsmodellen die betrekking heeft op de moeilijkheidsgraad van een item. |
|
Can do-beschrijving (statement) |
is een beschrijving in het Europees referentiekader van wat een taalgebruiker in de vreemde taal kan doen op een bepaald niveau. |
|
CAT |
computergestuurde adaptieve toets op itemniveau, waarbij een item wordt gekozen die qua moeilijkheid het beste aansluit op de vaardigheid zoals ingeschat op basis van de antwoorden op de eerdere opgaven. |
|
Cesuur |
minimale prestatie (gerepresenteerd als vaardigheid of toetsscore) die net indicatief is voor het halen van een (referentie)niveau en toetsadviescategorieën. |
|
Constructvaliditeit |
eigenschap die een doorstroomtoets heeft als kan worden aangetoond dat de toets het door de constructeur beoogde kenmerk van de leerling (kennisniveau, vaardigheid) meet. Deze wordt per kenmerk binnen een doorstroomtoets bepaald. |
|
Dichotome scoring |
wijze van scoren (punten toekennen) waarbij slechts twee waarderingen van het antwoord worden onderscheiden: bijvoorbeeld 'goed' of 'fout'. Een meerkeuzevragen wordt dichotoom gescoord (0 = niet correct, 1 = correct). |
|
Differentieel item functioneren (DIF) |
is een maat waarin items verschillend functioneren voor bepaalde (sub)groepen leerlingen, zelfs wanneer deze (sub)groepen leerlingen een vergelijkbaar prestatieniveau hebben. Het gaat hierbij over de vraagonzuiverheid, dat wil zeggen wanneer de verschillen in de prestaties op het item tussen groepen niet geheel verklaard kunnen worden door verschillen in de (latente) vaardigheid die aan de opgave ten grondslag ligt. |
|
Discriminerend vermogen |
mate waarin op grond van de scores op een item hoog- en laagscorende leerlingen (op de hele toets) onderscheiden kunnen worden. |
|
Domein |
verzameling van onderling samenhangende kennis en vaardigheden waarover getoetst wordt. Zo bestaat het terrein Rekenen uit de vier domeinen Getallen, Verhoudingen, Meten en Meetkunde en Verbanden. |
|
Effectgrootte |
statistische maat om de grootte van een effect – bijvoorbeeld het verschil in de gemiddelde rekenprestaties tussen jongens en meisjes – weer te geven. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen niet gestandaardiseerde (ruwe) effectgroottes en gestandaardiseerde effectgroottes. De bekendste gestandaardiseerde effectmaat is Cohen's d. Deze maat geeft het verschil tussen twee gemiddelden in het aantal standaarddeviaties. Ook de correlatie kan worden gezien als een gestandaardiseerde maat voor de effectgrootte. |
|
Inhoudsgebied |
vaardigheid die in het onderwijsaanbod in het primair onderwijs is opgenomen. Zoals vaardigheden waarover (referentie)niveaus kunnen worden gerapporteerd (rekenen, lezen, taalverzorging) of andere vaardigheden waarop op hoofdniveau wordt gerapporteerd. |
|
Inhoudsvaliditeit |
mate waarin de inhoud van de doorstroomtoets een representatieve weergave is van het te meten (referentie)niveau. |
|
Itemkalibratie |
schatting (berekening) van de psychometrische eigenschappen (parameters) van een verzameling items met het doel om deze items op dezelfde schaal te brengen. |
|
Itemtype |
vraagvorm, zoals meerkeuze, open, dictee. |
|
Leerdoel |
beoogde resultaat van onderwijsleeractiviteiten. Als het beoogde leerresultaat wordt geformuleerd in termen van uiterlijke condities en waarneembaar leerlinggedrag spreekt men van 'concrete leerdoelen' of 'gedragsdoelen'. Als het beoogde leerresultaat wordt geformuleerd in termen van cognitief gedrag of van cognitieve structuren, spreekt men van cognitieve leerdoelen. |
|
Meetnauwkeurigheid |
mate waarin de toetsscores op een specifiek deel van de meetschaal vrij zijn van toevallige meetfouten. |
|
Module |
set van items in een multistage toets (MST), vaak van vergelijkbare moeilijkheid. |
|
Moeilijkheidsgraad |
in hoeverre leerlingen uit de doelpopulatie in staat zijn om de vraag of vragen goed te beantwoorden. De moeilijkheid wordt meestal uitgedrukt met een p-waarde. |
|
Multistage toets (MST) |
adaptieve doorstoomtoets op moduleniveau. Een MST lijkt op een CAT, maar in plaats dat items een voor een worden geselecteerd, worden er sets van items afgenomen in modules. Nadat een leerling een set heeft afgerond, wordt een nieuwe inschatting van de vaardigheid gemaakt en op basis daarvan wordt een nieuwe set gekozen. Een MST kan een digitale toets zijn, of één op papier. |
|
Normeren |
toekennen van een waardering aan een score. Bij de normering van de doorstroomtoets betreft dit het vaststellen van de cesuren van de (referentie)niveaus en de toetsadviescategorieën. |
|
Onderwijstype |
specificatie van onderwijssoort op basis van de mate van extra ondersteuning. Onderscheiden worden regulier basisonderwijs (BO), speciaal onderwijs (SO) en speciaal basisonderwijs (SBO). Op Bonaire is er alleen sprake van regulier basisonderwijs. |
|
Plan, Do, Check, Act (PDCA)-cyclus |
is een model om de continue verbetering en vernieuwing in een organisatie te sturen. Het cyclisch karakter zorgt ervoor dat de kwaliteitsverbetering continu onder de aandacht is. |
|
Po |
primair onderwijs. |
|
Populatie |
verzameling van vooraf gedefinieerde eenheden waarover men met behulp van statistisch onderzoek op steekproeven uit die populatie uitspraken wil doen. |
|
Pretesten |
afnemen van een aantal opgaven bij een groep leerlingen, meestal met het doel de eigenschappen van de doorstroomtoets te onderzoeken. Deze groep leerlingen is zoveel mogelijk vergelijkbaar met de populatie waarvoor de doorstroomtoets oorspronkelijk is ontwikkeld. |
|
P-waarde |
is een getal tussen 0 en 1 waarmee de moeilijkheidsgraad van een opgave kan worden weergegeven. De p-waarde wordt berekend door de gemiddelde score op een opgave te delen door de maximaal haalbare score op die opgave. De p-waarde voor een meerkeuzevraag is gelijk aan de proportie van leerlingen die het juiste antwoord heeft gekozen. |
|
Rar-waarde |
correlatie tussen een afleider van een item en de totaalscore minus het betreffende item. Hiermee wordt de kwaliteit van de afleiders onderzocht voor meerkeuze-opgaven. |
|
Referentiekader |
beschrijving van wat leerlingen op verschillende momenten in hun schoolloopbaan moeten kennen en kunnen. |
|
Referentieniveaus |
beschrijvingen van beheersingsdoelen die aangeven wat leerlingen moeten kennen en kunnen op verschillende momenten tijdens een schoolloopbaan. |
|
Rit-waarde |
correlatie tussen het item en de totaalscore op alle items. De item-testcorrelatie is een maat voor het discriminerend vermogen van items. De item-testcorrelatie valt hoger uit dan de item-restcorrelatie omdat hier de itemscore in de totaalscore van een toets wordt meegeteld, waardoor sprake is van autocorrelatie. Daarom wordt aangeraden om de item-restcorrelatie te gebruiken. |
|
Rir-waarde |
correlatie tussen het item en de totaalscore minus het betreffende item. De item-restcorrelatie is een maat voor het discriminerend vermogen van een item. |
|
Schaal |
reeks getallen die volgens een bepaald voorschrift gekoppeld worden aan waarnemingen. |
|
Steekproef |
verzameling leerlingen met specifieke kenmerken die op aselecte wijze uit de te onderzoeken populatie zijn getrokken. |
|
Stopcriterium |
criteria op basis waarvan een CAT wordt stopgezet. Na iedere opgave in de adaptieve module wordt automatisch geëvalueerd of het criterium is bereikt (e.g., de standaardfout op de vaardigheidsschatting is onder een bepaalde grenswaarde gedaald, een vooraf vastgestelde maximale toetslengte is bereikt). |
|
Subdomein |
verzameling van onderling samenhangende kennis en vaardigheden waarover getoetst wordt. Zo bestaat het domein lezen bij het terrein Papiamentu uit de subdomeinen zakelijke en fictionele teksten. |
|
Taaktype/taakuitvoering |
classificering of combinatie van classificaties van de onderverdeling van een inhoudsgebied, zoals begrijpen, interpreteren, context loos, morfologische spelling. |
|
Terrein |
centraal onderdeel dat in de doorstroomtoets aan bod moet komen. De kaders onderscheiden drie centrale terreinen: het terrein Nederlands als vreemde taal, Rekenen en Papiamentu. |
|
Toetsadvies |
op basis van de behaalde resultaten op de doorstroomtoets berekende best passende niveau voor het volgen van aansluitend voorgezet onderwijs voor de leerling. |
|
(Toets)item Toetsmatrijs |
is synoniem voor (toets)opgave. een tabel die de blauwdruk is van een toets. Bevat o.a. het aantal vragen per toets verdeeld over aspecten en niveaus. |
|
(Toets)opgave |
is een onderdeel van een toets en bevat altijd een stimulus (een middel of prikkel om een bepaald van een kandidaat uit te lokken) waarop een respons (het uitgelokte gedrag) mogelijk moet zijn. |
|
Toetsreglement |
document waarin de wijze van afnemen wordt geregeld. |
|
Toetsterm |
concrete, eenduidige en meetbare operationalisering van het betreffende leerdoel zoals beschreven in het bijpassende niveau. |
|
Zaai-opgave |
een toetsopgave die in een doorstroomtoets wordt gepretest om data over te verzamelen ten behoeve van parameterschattingen. |
De wet die een aantal onderwijswetten wijzigt in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (De Wet doorstroomtoets po, Stb. 2022,135) wijzigt onder meer de WPO BES. De WPO BES schrijft na inwerkingtreding van de wetswijziging voor dat leerlingen op Bonaire in het laatste leerjaar van het basisonderwijs verplicht een doorstroomtoets maken die dient als objectief tweede gegeven voor het vaststellen van het niveau van de leerling. Dezelfde wet schrijft voor dat het College voor Toetsen en Examens (CvTE) de wettelijke taak heeft om de doorstroomtoets voor leerlingen op Bonaire te erkennen. Doorstroomtoetsen die het CvTE erkent, worden voor een periode van vier jaar toegelaten tot het primair onderwijs.
Het CvTE maakt voor het erkennen van de doorstroomtoets voor leerlingen op Bonaire gebruik van een adviseur. De adviseur baseert diens advies op het beoordelingskader vastgesteld met deze regeling.
Op basis van het advies van de adviseur stelt het CvTE tevens jaarlijks vast of de erkende doorstroomtoets voor dat jaar voldoet aan de criteria van de Regeling beoordelingskader doorstroomtoetsen po Bonaire.
Bij het beoordelen van extra kennisgebieden, buiten de verplichte en optionele (sub)domeinen en taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties van de terreinen Nederlands als vreemde taal, Rekenen en Papiamentu, oordeelt het CvTE of ook dat deel van de toets inhoudelijk valide en betrouwbaar is en of het van een deugdelijke normering is voorzien. Voor de beoordeling van dit deel worden de toetsbare onderdelen van dit beoordelingskader toegepast.
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft kenbaar gemaakt dat er voor leerlingen op Bonaire geen door de overheid aangeboden calamiteitentoets beschikbaar is. Dit vanwege de geringe leerlingenpopulatie. De toetsaanbieder moet hiermee rekening houden bij diens eigen calamiteitenplan.
Deze regeling geeft een beoordelingskader voor de erkenning en jaarlijkse vaststelling van de doorstroomtoets primair onderwijs, ten aanzien van de toepassing van de psychometrische, onderwijskundige en organisatorische aspecten van de toets als bedoeld in artikel 3a, eerste lid aanhef en onder g van de Wet College voor toetsen en examens. Het CvTE betrekt bij zijn beoordeling niet of de aanbieder voldoet aan andere wet- en regelgeving zoals die geldt voor het gebruik van intellectueel eigendom of die geldt op grond van de Artificial Intelligence-verordening.
Het CvTE controleert of alle gegevens en bescheiden als bedoeld in de paragrafen 1.4.1 t/m 1.4.2 en eventueel paragrafen 1.4.3 t/m 1.4.4 zijn aangeleverd bij het indienen van de aanvraag. Indien dit het geval is, zal de adviseur worden ingeschakeld voor het opstellen van een advies op basis van de kwaliteitseisen in hoofdstuk 3, 4 en 5. De adviseur kan vaststellen dat hij nog informatie mist om de aanvraag te kunnen beoordelen. Het CvTE zal dan vragen aan de aanbieder het gebrek in de aanvraag (alsnog) te herstellen. Het CvTE kan dan de indiening buiten behandeling laten als de toetsaanbieder het gebrek in de aanvraag binnen de termijn die hij hiervoor krijgt niet herstelt.
De aanvrager moet minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekken:
○ Een aanbiedingsbrief met daarin het KvK-nummer van de toetsaanbieder en de officiële naam van de toetsaanbieder en het aangeboden instrument;
○ Een ingevuld door het CvTE beschikbaar gestelde model voor een leeswijzer1 met daarin uiteengezet in welk aangeleverd document en hoofdstuk een kwaliteitscriterium uit het beoordelingskader wordt verantwoord;
○ Toets met bijbehorende ondersteunende materialen voor de gebruiker (inclusief beschikbare versie(s) voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften). De aanbieder wordt gevraagd om alle toetsopgaven inzichtelijk aan te leveren. Daaronder vallen alle items van de doorstroomtoets zelf én ankeropgaven en eventuele zaai-opgaven;
○ Itemlijst met itemgegevens (volgnummer, itemcode, (sub)domein, can do-statement, itemtype, sleutel en/of scoringsregels, kenmerk van de taakuitvoering, referentie-/ERK-niveau, ankertype (intern)) en indien van toepassing vermelden in welk jaartal een item in de itembank is opgenomen, aangeven of en wanneer de items zijn aangeboden voor de onderwijskundige opgaven feedbackservice (OOF) en indien items al eerder zijn afgenomen in operationele setting deze afnamejaren vermelden;
○ Praktische handleiding voor leerkrachten;
○ Wetenschappelijke en inhoudelijke verantwoording, inclusief de psychometrische aspecten van de doorstroomtoets, zoals beschreven in Hoofdstuk 5 van deze regeling en zoals beschreven in de Regeling Beoordelingsnormen Doorstroomtoets po Bonaire.
○ Toetsreglement van de betreffende toets;
○ Informatie over de toetsinhoud en de afnamevorm;
○ Voorbeeld leerlingrapportage en eventueel andere rapportages;
○ Toetsveiligheidsplan;
○ Actieplan hoe om te gaan met diefstal van toetsinhoud;
○ Fraudepreventieplan;
○ Calamiteitenplan;
○ Indien van toepassing: Cd's, dvd's en/of usbsticks en log-ins en wachtwoorden;
○ Indien van toepassing: Antwoordformulieren;
○ Indien van toepassing: ISO-certificaat inclusief een verklaring van toepasbaarheid (c.q. de scope van het certificaat).
Een aanbieder heeft de mogelijkheid om voor verschillende wijzen van afname (bijv. digitaal en papier) een erkenning of vaststelling aan te vragen (naast de optie om verschillende wijzen van afname in één aanvraag in te dienen bij het CvTE). Indien een aanbieder hiervoor kiest, moet de aanbieder ook daadwerkelijk meerdere aanvragen indienen, in separate mappen op de terminal server, met separaat ingevulde leeswijzers. Allebei de aanvragen krijgen dan ook separaat een erkenning of vaststelling. Deze aanvragen moeten volledig onafhankelijk van elkaar kunnen worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat de ene afnamemodus bijvoorbeeld niet de terugvaloptie kan zijn van de andere afnamemodus. Dit zou namelijk betekenen dat als de ene afnamemodus niet wordt erkend of vastgesteld, dit ervoor zorgt dat door de afhankelijkheid de andere afnamemodus ook niet kan worden erkend of vastgesteld.
Om de items in een doorstroomtoets efficiënt en gestructureerd te kunnen beoordelen, zijn er eisen aan het leveren van items aan het CvTE:
In het geval van een papieren toets:
○ Toetsboeken (digitaal aanleveren volstaat) inclusief ankeropgaven en eventuele zaai-opgaven.
In het geval van een lineaire digitale toets:
○ Inlogmogelijkheid als leerling en als administrator (scrollen zonder antwoorden in te vullen, toets onderbreken en op later tijdstip te hervatten);
○ Mogelijkheid alle items te kunnen inzien inclusief ankeropgaven en eventuele zaai-opgaven;
○ Mogelijkheid om items per inhoudsgebied te bekijken.
In het geval van een MST:
○ Inlogmogelijkheid als leerling en als administrator (scrollen zonder antwoorden in te vullen, toets onderbreken en op later tijdstip te hervatten);
○ Mogelijkheid alle items te kunnen inzien inclusief ankeropgaven en eventuele zaai-opgaven;
○ Mogelijkheid om items per inhoudsgebied te bekijken;
○ Mogelijkheid om items per module te bekijken;
○ Mogelijkheid om items in (bij voorkeur verschillende) toetspaden te bekijken.
In het geval van een CAT:
○ Inlogmogelijkheid als leerling en als administrator (scrollen zonder antwoorden in te vullen, toets onderbreken en op later tijdstip te hervatten);
○ Mogelijkheid alle items te kunnen inzien inclusief ankeropgaven en eventuele zaai-opgaven;
○ Mogelijkheid om items per inhoudsgebied te bekijken;
○ Mogelijkheid om items in (bij voorkeur verschillende) toetspaden te bekijken.
In het geval van aparte varianten van de doorstroomtoets voor leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften:
○ Mogelijkheid om een aantal voorbeelditems te bekijken waarbij een duidelijk beeld wordt gegeven van de aanpassing, zoals items met gebarentaal of aanpassing van de kleuren en/of contrast.
Het aanleveren van data t.b.v. de normering is alleen van toepassing voor een al eerder afgenomen doorstroomtoets. De aanvrager moet minimaal de data verstrekken of heeft de data al verstrekt ten behoeve van de normering zoals uiteengezet in hoofdstuk 3.4 t/m 3.4.9 van de Regeling Beoordelingsnormen Doorstroomtoets PO Bonaire.
Het aanleveren van data t.b.v. toelatings- en doorstroomonderzoek is alleen van toepassing voor al een eerder afgenomen doorstroomtoets. De aanvrager moet minimaal de data verstrekken of heeft de data al verstrekt ten behoeve van toelatings- en doorstroomonderzoek zoals uiteengezet in hoofdstuk 4.1 t/m 4.4.2 van de Regeling Beoordelingsnormen Doorstroomtoets PO Bonaire.
Het beoordelingsformat bevat de volgende drie inhoudelijke onderdelen, die enkele onderliggende thema’s bevatten:
– H.3. Onderwijskundige aspecten
– H.4. Organisatorische aspecten
– H.5. Psychometrische aspecten
In de volgende paragrafen worden de vakinhoudelijke kwaliteitseisen uitgewerkt voor:
○ de wettelijk verplichte domeinen Getallen, Verhoudingen, Meten en Meetkunde en Verbanden van het terrein Rekenen;
○ de wettelijk verplichte (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging, én de optionele domeinen Schrijven en Mondelinge taalvaardigheid en het eveneens optionele aspect Woordenschat van het terrein Papiamentu;
○ de wettelijk verplichte taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect woordenschat) en receptief Luisteren en kijken, én de optionele productieve en interactieve taalactiviteiten, taalcompetenties en taalstrategieën van het terrein Nederlands als vreemde taal.
Bovenstaande opsomming is in lijn met het Toetsbesluit PO en de Wet doorstroomtoetsen po. Voor alle wettelijk verplichte en optionele (sub)domeinen en taalactiviteiten, taalcompetenties en taalstrategieën zijn in deze regeling kwaliteitseisen geformuleerd.
Naast de wettelijk verplichte én optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties staat het de toetsaanbieder vrij om extra kennisgebieden aan de doorstroomtoets toe te voegen, bijv. aardrijkskunde. De score die de leerling op deze extra kennisgebieden haalt, mag de toetsaanbieder toevoegen aan het leerlingrapport. Deze extra kennisgebieden tellen niet mee voor het berekende toetsadvies en tellen ook niet mee voor de berekende score op de referentie- en ERK-niveaus. Alle toetsopgaven van de wettelijk verplichte en optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties, én de extra kennisgebieden worden inhoudelijk door een adviseur van het CvTE beoordeeld. Zie in dit kader de kwaliteitseisen in Hoofdstuk 3.2. Dit beoordelingskader schrijft niet voor wat de minimale en maximale toetslengte in aantal toetsvragen van een doorstroomtoets moet zijn. Eveneens worden er geen richtlijnen gegeven over de verhouding van het aantal toetsvragen tussen de wettelijk verplichte en optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties, én extra kennisgebieden. Verder worden er ook geen richtlijnen gegeven voor het aantal toetsvragen per referentie- en/of ERK-niveau. Dit om de aanbieder de mogelijkheid te geven volgens de eigen zienswijze een compleet beeld van de leerlingen te kunnen geven.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
V1 |
Is de toetsmatrijs een adequate representatie van het meetdoel voor: ○ de wettelijk verplichte domeinen van het terrein Rekenen; ○ de wettelijk verplichte (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging van het terrein Papiamentu, en de – indien van toepassing – optionele (sub)domeinen; ○ de wettelijk verplichte taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect woordenschat) en receptief Luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde taal, en de – indien van toepassing – optionele productieve en interactieve taalactiviteiten, taalcompetenties en taalstrategieën? |
ja/nee |
|
V2 |
Zijn de toetsopgaven – inclusief ankeropgaven en eventuele zaai-opgaven – correct geconstrueerd en voldoen deze aan de kwaliteitscriteria voor de inhoudsvaliditeit (zijnde de relevantie van de inhoud van de toets)? |
ja/nee |
Toelichting V1: De toetsmatrijs is een adequate representatie van het meetdoel voor in ieder geval:
○ de wettelijk verplichte domeinen van het terrein Rekenen;
○ de wettelijk verplichte (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging van het terrein Papiamentu, en de – indien van toepassing – optionele (sub)domeinen;
○ de wettelijk verplichte taalactiviteiten receptief lezen (inclusief het aspect woordenschat) en receptief luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde taal, en de – indien van toepassing – optionele productieve en interactieve taalactiviteiten, taalcompetenties en taalstrategieën.
De toetsmatrijs is een adequate representatie van het meetdoel. Dat betekent eveneens dat er via de toetsmatrijs wordt voldaan aan de eisen uit de Toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire.
Er is sprake van een adequate representatie wanneer de toetstermen het meetdoel representeren. Dit blijkt uit het gegeven dat:
○ de leerdoelen zijn geoperationaliseerd in observeerbare en meetbare toetstermen die ieder voor zich aansluiten bij de beschrijvingen en indeling van de referentie- en ERK- niveaus voor de wettelijk verplichte en, indien van toepassing, optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties van de terreinen Rekenen, Papiamentu en Nederlands als vreemde taal;
○ de toetsmatrijs in ieder geval bevat: (1) het aantal vragen met bijbehorende scorepunten per vraag, (2) de toetsvorm en/of het type vragen, (3) de verdeling over de (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties, (4) de verdeling van de verschillende vraag- en teksttypes in de toets, (5) de verdeling over de referentie- en ERK-niveaus.
○ in het geval van een CAT dat de aanbieder verantwoordt hoe de wettelijk verplichte en, indien van toepassing, optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties van de terreinen Rekenen, Papiamentu en Nederlands als vreemde taal op representatieve wijze voor alle individuele leerlingen aan bod komen.
Toelichting V2: In de Checklist voor het beoordelen van de kwaliteit van observatie-categorieën en toetsopgaven staan de constructievoorschriften voor toetsvragen en de vijf kwaliteitscriteria (relevantie, objectiviteit, efficiëntie, specificiteit en neutraliteit) beschreven. De toetsopgaven – inclusief ankeropgaven en eventuele zaai-opgaven – moeten hieraan voldoen voor:
○ de wettelijk verplichte domeinen van het terrein Rekenen;
○ de wettelijk verplichte (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging van het terrein Papiamentu, en de – indien van toepassing – optionele (sub)domeinen;
○ de wettelijk verplichte taalactiviteiten receptief lezen (inclusief het aspect woordenschat) en receptief luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde taal, en de – indien van toepassing – optionele productieve en interactieve taalactiviteiten, taalcompetenties en taalstrategieën.
Indien in de doorstroomtoets ook optionele productieve vaardigheden worden getoetst, levert de aanbieder een beoordelaarsschema in, aangevuld met informatie over de beoordelaarsovereenstemming.
In het geval een item niet voldoet aan de kwaliteitscriteria voor inhoudsvaliditeit, moet het betreffende item te worden verwijderd of vervangen. Indien de adviseur twijfelt over de mate waarin een item voldoet aan de kwaliteitscriteria, wordt de aanbieder verzocht om te reflecteren op de kwaliteit. Daarnaast moet de aanbieder beargumenteren door middel van een inhoudelijke en psychometrische onderbouwing waarom de toetsopgave wel óf niet volledig voldoet aan de kwaliteitscriteria. Dit kan resulteren in één van de volgende opties:
1. de toetsopgave wordt verwijderd;
2. de toetsopgave wordt aangepast (minimale aanpassing met weinig impact);
3. de toetsopgave wordt – op basis van de inhoudelijke en/of psychometrische onderbouwing – goedgekeurd.
Indien een opgave op basis van punt 2 of 3 wordt behouden, moet deze toetsopgave bij de afname gemonitord te worden door de toetsaanbieder. Na de operationele afname analyseert de toetsaanbieder het functioneren van deze toetsopgave (KF2).
Het Referentiekader onderscheidt voor het terrein Rekenen vier wettelijk verplichte domeinen, te weten Getallen (g), Verhoudingen (vh), Meten en meetkunde (m/mk) en Verbanden (vb). In de doorstroomtoets moeten alle domeinen getoetst worden. Dit betekent dat de doorstroomtoets moet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen aan het terrein Rekenen. De gestelde vakinhoudelijke kwaliteitseisen voor deze vier domeinen en de vereiste verdeling van de toetsopgaven over de domeinen in de toetsmatrijs en de toetssamenstelling zijn opgenomen in de Toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire.
Een individuele rekenopgave kan betrekking hebben op meerdere domeinen van het terrein Rekenen. In dat geval moet de aanbieder dit duidelijk vermelden, bijvoorbeeld door te kiezen voor het domein dat het beste past bij het beoogde toetsdoel van de betreffende opgave. Tevens moet de aanbieder dan toelichten op welke wijze er wordt voldaan aan de voorgeschreven verdeling van toetsopgaven over de domeinen van het terrein Rekenen.
Voor het terrein Rekenen zijn de referentieniveaus 1F en 1S leidend.
De doorstroomtoets bevat opgaven uit alle domeinen uit het referentiekader Rekenen. Het betreft de domeinen Getallen (g), Verhoudingen (vh), Meten en meetkunde (m/mk) en Verbanden (vb).
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.
De opgaven moeten in de toets als volgt over de domeinen zijn verdeeld:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
D.G |
Ligt het percentage aangeboden toetsopgaven uit het domein Getallen tussen de 30% en 40% van het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen? |
ja/nee |
|
D.Vh |
Ligt het percentage aangeboden toetsopgaven uit het domein Verhoudingen tussen de 20% en 30% van het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen? |
ja/nee |
|
D.M/mk |
Ligt het percentage aangeboden toetsopgaven uit het domein Meten & meetkunde tussen de 20% en 30% van het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen? |
ja/nee |
|
D.Vb |
Ligt het percentage aangeboden toetsopgaven uit het domein Verbanden tussen de 15% en 20% van het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen? |
ja/nee |
|
D.1 |
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden) op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design in het geval van een MST) de vereiste verdeling van toetsopgaven over de domeinen wordt gehaald? |
ja/nee/n.v.t. |
Toelichting D.G t/m D.Vb: De gestelde percentages toetsopgaven per domein gelden voor zowel papieren toetsen, lineaire digitale toetsen, adaptieve toetsen op itemniveau (CAT) en adaptieve toetsen op moduleniveau (MST).
Toelichting D.1: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Naast het algoritme of module-design is de werking van de beslisregel aan te tonen door middel van het opleveren van enkele toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
Elk domein is opgebouwd uit drie onderdelen:
A. Notatie, taal en betekenis, waarbij het gaat om de uitspraak, schrijfwijze en betekenis van getallen, symbolen en relaties en om het gebruik van wiskundetaal.
B. Met elkaar in verband brengen, waarbij het gaat om het verband tussen begrippen, notaties, getallen en dagelijks spraakgebruik.
C. Gebruiken, waarbij het er om gaat rekenkundige vaardigheden in te zetten bij het oplossen van problemen.
De toets bevat opgaven uit alle onderdelen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.
De relatieve (procentuele) verdeling van opgaven over de onderscheiden onderdelen is als volgt:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
O.A |
Is iedere toetsopgave, met uitzondering van onderdeel A, onder één onderdeel geplaatst? |
ja/nee |
|
O.B |
Is het percentage aangeboden toetsopgaven uit onderdeel B ten minste 20 procent van het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen? |
ja/nee |
|
O.C |
Is het percentage aangeboden toetsopgaven uit onderdeel C ten minste 30 procent van het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen? |
ja/nee |
|
O.D |
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden) op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design in het geval van een MST) de vereiste verdeling van toetsopgaven over de onderdelen wordt gehaald? |
ja/nee/n.v.t. |
Toelichting O.A: Voor onderdeel A wordt geen minimum vereist omdat deze inhouden ook kunnen worden gebruikt en toegepast bij de inhouden van onderdeel B en onderdeel C.
Toelichting O.A t/m O.C: De gestelde percentages toetsopgaven per domein gelden voor zowel papieren toetsen, lineaire digitale toetsen, computergestuurde adaptieve toetsen op itemniveau (CAT) en adaptieve toetsen op moduleniveau (MST).
Toelichting O.D: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Naast het algoritme of module-design is de werking van de beslisregel aan te tonen door middel van het opleveren van enkele toetspaden, die voldoen aan de vereiste verdeling van toetsopgaven over de onderdelen, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
In het terrein Rekenen van een doorstroomtoets moeten zowel opgaven met context als opgaven zonder context (zogenoemde ‘kale opgaven’) worden opgenomen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
C1 |
Is minstens 20% en maximaal 35% van alle aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen een kale opgave? |
ja/nee |
|
C2 |
Is minstens 65% en maximaal 80% van alle aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen een contextopgave? |
ja/nee |
|
C3 |
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden) op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design in het geval van een MST) de vereiste percentuele verdelingen zoals in C1 t/m C2 geschetst worden gehaald? |
ja/nee/n.v.t. |
Toelichting C1 t/m C2: De gestelde percentages gelden voor zowel papieren toetsen, lineaire digitale toetsen, computergestuurde adaptieve toetsen op itemniveau (CAT) en adaptieve toetsen op moduleniveau (MST).
Toelichting C3: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Een toetsaanbieder van adaptieve toetsen (CAT en MST) toont naast het algoritme of module-design met de werking van de beslisregel aan, door middel van het opleveren van enkele toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd, de vereiste percentuele verdelingen zoals in C1 t/m C2 geschetst.
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
K1 |
Mogen de leerlingen bij het beantwoorden van alle (digitale) toetsopgaven fysiek en/of niet programmeerbaar uitrekenpapier gebruiken? |
ja/nee |
|
K2 |
Wordt in de handleiding voor leraren en/of het toetsreglement aangegeven dat zij leerlingen nadrukkelijk moeten wijzen op het toegestane gebruik van fysiek en/of niet programmeerbaar uitrekenpapier bij het beantwoorden van alle (digitale) toetsopgaven? |
ja/nee |
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, moet deze vraag met JA worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
R1 |
Mogen de leerlingen bij maximaal 20% van de (digitale) toetsopgaven een niet-grafische en/of niet-programmeerbare rekenmachine gebruiken? |
ja/nee |
Toelichting: Gebruik van een niet-grafische en/of niet-programmeerbare rekenmachine is bij maximaal 20% van de toetsopgaven toegestaan. Gebruik van een grafische en/of programmeerbare rekenmachine is niet toegestaan.
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, moeten alle vragen met JA worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
BR1 |
Zijn alle opgaven en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten) beschikbaar gesteld in het Nederlands? |
ja/nee |
|
BR2 |
Is het Nederlandse taalgebruik in de rekenopgaven voldoende afgestemd op de Bonairiaanse doelgroep? |
ja/nee |
|
BR3 |
Houden de rekenopgaven binnen het domein Meten en Meetkunde voldoende rekening met de Bonairiaanse context van de onderdelen temperatuur, tijd en geld? |
ja/nee |
Toelichting BR1: Het taalgebruik in het terrein Rekenen is volledig het Nederlands. Alle opgaven en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten) moeten daarom volledig in het Nederlands beschikbaar worden gesteld.
Toelichting BR2: Het taalgebruik dat gehanteerd wordt voor de rekenopgaven moet afgestemd worden op de groep leerlingen voor wie de toets bestemd is. In het geval van de doorstroomtoets po Bonaire betreft het taalgebruik een complex fenomeen, waarin het Nederlands de instructietaal is, maar als vreemde taal wordt getoetst. Minder algemeen gangbare begrippen en woorden kunnen worden verduidelijkt in woorden dan wel met geschikt beeldmateriaal. Hierdoor wordt het taalgebruik een minder belemmerende factor bij het omzetten van de context naar een rekenwiskundig probleem.
Toelichting BR3: Binnen het domein Meten en Meetkunde horen de onderdelen temperatuur, tijd en geld. Op Bonaire is er in de dagelijkse context geen sprake van grote temperatuurverschillen. Leerlingen moeten hier wel bekend mee zijn en berekeningen mee uit kunnen voeren. Voor het onderdeel tijd is een aandachtspunt dat tijd een ander soort rol speelt in de Bonairiaanse situatie. Leerlingen zijn minder gericht op horloges en klokkijken doordat hun dagelijkse situatie dat minder van ze vraagt dan leerlingen in Europees Nederland. Daarnaast is het belangrijk dat tijden op Bonaire op een andere manier worden benoemd dan in Europees Nederland. 15:40 uur wordt bijvoorbeeld benoemd als ’20 minuten voor 4 uur’. Ten aanzien van het onderdeel geld is de munteenheid op Bonaire de Amerikaanse dollar. Deze eenheid moet bij voorkeur bij het onderdeel geldrekenen gebruikt worden, behalve als het gaat om het omrekenen van koersen.
In de doorstroomtoets po Bonaire worden voor wat betreft het terrein Papiamentu de wettelijk verplichte domeinen Lezen (paragraaf 3.5.2) en Begrippenlijst en Taalverzorging, daaronder niet begrepen het subdomein Begrippenlijst, (paragraaf 3.5.3) getoetst. Aanvullend hierop kunnen optioneel één of meerdere van de domeinen Schrijven (paragraaf 3.5.4) en Mondelinge taalvaardigheid (paragraaf 3.5.5) en het aspect Woordenschat (paragraaf 3.5.6) worden getoetst. De gestelde vakinhoudelijke kwaliteitseisen zijn opgenomen in de Toetswijzer voor de doorstroomtoets po Bonaire.
Voor het terrein Papiamentu is alleen het referentieniveau 1F leidend.
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, moet de volgende vraag met JA worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
BP1 |
Zijn alle opgaven en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten) beschikbaar gesteld in het Papiamentu? |
ja/nee |
Toelichting BP1: Het taalgebruik in het terrein Papiamentu is volledig het Papiamentu. Alle opgaven en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten) moeten daarom volledig in het Papiamentu beschikbaar worden gesteld.
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: van L1.1 t/m L1.3 moeten tenminste twee van de drie vragen met JA worden beantwoord. Van L5.1 en L5.2 moet tenminste één van de twee vragen met JA worden beantwoord.
2. Tekstkenmerken: vraag L2.1, L.2.2 en L6 moeten met JA worden beantwoord.
3. Kenmerken van de taakuitvoering: alle vragen (L3.1 t/m L3.7a en L7.1 t/m L7.4a) moeten met JA of N.V.T. worden beantwoord.
4. Opgavenkenmerken: vraag L4 en L8 moeten met JA worden beantwoord.
Kwaliteitseisen
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
L1.1 |
Lezen de leerlingen minimaal één informatieve tekst en maken ze daar opdrachten bij? |
ja/nee |
|
L1.2 |
Lezen de leerlingen minimaal één betogende of beschouwende tekst en maken ze daar opdrachten bij? |
ja/nee |
|
L1.3 |
Lezen de leerlingen minimaal één instructieve tekst en maken ze daar opdrachten bij? |
ja/nee |
Tekstkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
L2.1 |
Voldoen de teksten die de leerlingen lezen aan de algemene omschrijving (inhoud en context) en aan de tekstkenmerken structuur, informatiedichtheid, stijl (zinsbouw en woordgebruik) en de functie van beeldmateriaal, zoals nader omschreven in het Referentiekader Papiamentu? |
ja/nee |
|
L2.2 |
Zijn de teksten qua inhoud, structuur, lay-out en stijl die de leerlingen lezen divers en in hun oorsprong zo veel als mogelijk authentiek? |
ja/nee |
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
L3.1 |
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering leesdoel bepalen getoetst? |
ja/nee |
|
L3.2 |
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering begrijpen en interpreteren getoetst? |
ja/nee |
|
L3.3 |
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering woordenschat en strategieën getoetst? |
ja/nee |
|
L3.4 |
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering samenvatten getoetst? |
ja/nee |
|
L3.5 |
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering opzoeken getoetst? |
ja/nee |
|
L3.6 |
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering evalueren getoetst? |
ja/nee |
|
L3.7 |
Worden in de toets de verschillende kenmerken van de taakuitvoering evenwichtig getoetst binnen het subdomein zakelijke teksten? |
ja/nee |
|
L3.7a |
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden) op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design in het geval van een MST) wordt gegarandeerd dat een evenwichtige verdeling tussen opgaven rond zakelijke teksten wordt behaald? |
ja/nee/n.v.t. |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
L4 |
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader Papiamentu en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Literatuur, Betekenis en (Taal)leerproces? |
ja/nee |
Toelichting L2.2: Qua inhoud, structuur, lay-out en stijl zijn de teksten die de leerlingen lezen divers. De teksten zijn in hun oorsprong zoveel mogelijk authentiek; dat neemt niet weg dat aanpassingen mogelijk of noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld ten behoeve van betere aansluiting bij het niveau of ten behoeve van mogelijke opgaven.
Toelichting L3.7: Evenwichtig wil zeggen dat de in L3.1 tot en met L3.6 genoemde kenmerken gezamenlijk een representatieve weergave zijn van de inhoud van het betreffende subdomein van het terrein Papiamentu.
Toelichting L3.7a: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Naast het algoritme of module-design moet de werking van de beslisregel worden aangetoond door middel van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
Toelichting L4: De aanbieder levert o.a. een overzicht met daarin per categorie de gebruikte begrippen uit de Begrippenlijst van het Referentiekader Papiamentu verdeeld over de kenmerken van de taakuitvoering.
Kwaliteitseisen
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
L5.1 |
Lezen de leerlingen minimaal één verhalende tekst en maken ze daar opdrachten bij? |
ja/nee |
|
L5.2 |
Lezen de leerlingen minimaal één poëzietekst en maken ze daar opdrachten bij? |
ja/nee |
Tekstkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
L6 |
Voldoen de teksten die de leerlingen lezen aan algemene omschrijving (inhoud en context) en aan de tekstkenmerken structuur, stijl en de functie van beeldmateriaal, zoals nader omschreven in het Referentiekader Papiamentu? |
ja/nee |
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
L7.1 |
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering ‘begrijpen en interpreteren: kenmerken van fictie’ getoetst? |
ja/nee |
|
L7.2 |
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering ‘begrijpen en interpreteren: tekstsoorten’ getoetst? |
ja/nee |
|
L7.3 |
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering ‘relatie tekst – werkelijkheid’ getoetst? |
ja/nee |
|
L7.4 |
Worden in de toets de verschillende kenmerken van de taakuitvoering evenwichtig getoetst binnen het subdomein fictionele, narratieve en literaire teksten? |
ja/nee |
|
L7.4a |
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden) op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design in het geval van een MST) wordt gegarandeerd dat een evenwichtige verdeling tussen opgaven rond fictionele, narratieve en literaire teksten wordt behaald? |
ja/nee/n.v.t. |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
L8 |
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader Papiamentu en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Literatuur, Betekenis en (Taal)leerproces. |
ja/nee |
Toelichting L7.4: Evenwichtig wil zeggen dat de in L7.1 t/m L7.3 genoemde kenmerken gezamenlijk een representatieve weergave zijn van de inhoud van het betreffende subdomein van het terrein Papiamentu.
Toelichting L7.4a: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Naast het algoritme of module-design moet de werking van de beslisregel worden aangetoond door middel van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
Kwaliteitseisen
De leerlingen worden getoetst op verschillende taalverzorgingscategorieën, zoals gespecificeerd in TV1 t/m TV4.
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten de vragen TV1 t/m TV4 met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
TV1 |
Worden de leerlingen getoetst op verschillende categorieën van spellingsproblemen en -regels? |
ja/nee |
|
TV1.a |
Worden de leerlingen getoetst op regels voor lettergreepgrenzen? |
ja/nee |
|
TV1.b |
Worden de leerlingen getoetst op regels voor woordgrenzen? |
ja/nee/n.v.t. |
|
TV1.c |
Worden de leerlingen getoetst op overige regels? |
ja/nee/n.v.t. |
|
TV1.d |
Worden de leerlingen getoetst op interpunctie (hoofdletters en leestekens)? |
ja/nee |
|
TV2 |
Verantwoordt de toetsaanbieder dat er een evenwichtige verdeling is van opgaven binnen en tussen spelling en interpunctie? |
ja/nee |
|
TV3 |
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden) op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design in het geval van een MST) wordt gegarandeerd dat een evenwichtige verdeling tussen opgaven rond spelling en interpunctie wordt behaald? |
ja/nee/n.v.t. |
|
TV4 |
Worden de spelling en interpunctieopgaven voldoende actief getoetst m.b.v. dictee-opgaven? |
ja/nee |
Toelichting TV1.b en TV1.c: Deze kwaliteitseisen toetsen inhouden op 2F niveau. Deze twee kwaliteitseisen kunnen daarom met niet van toepassing worden beantwoord aangezien de doorstroomtoets po Bonaire vooralsnog het 1F niveau toetst.
Toelichting TV2: Evenwichtig wil zeggen dat de in TV1.a tot en met TV1.d genoemde categorieën van spellingsregels gezamenlijk een representatieve weergave zijn van de inhoud van het betreffende subdomein Taalverzorging van het terrein Papiamentu.
Toelichting TV3: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Naast het algoritme of module-design moet de werking van de beslisregel worden aangetoond door middel van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
Toelichting TV4: Spelling en interpunctie moeten voornamelijk actief getoetst worden, m.b.v. dictee-opgaven. De toets spelling kan tevens een aantal meerkeuzeopgaven omvatten (passieve toetsing); deze opgaven zijn dan echter indicatief voor een niveau boven 1F.
Kwaliteitseisen schrijven via indirecte meting
Beslisregel schrijven indirecte meting:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: S1.1 moet met JA worden beantwoord. van S1.2 t/m S1.5 moeten tenminste drie van de vier vragen met JA worden beantwoord.
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen bij S2 moeten met JA worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: de vraag S3 moet met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
S1.1 |
Voldoen de gebruikte tekstsoorten aan de algemene omschrijving uit het RKP? |
ja/nee |
|
S1.2 |
Lezen de leerlingen tekstsoorten uit de schrijftakencategorie: informatieve teksten? |
ja/nee |
|
S1.3 |
Lezen de leerlingen tekstsoorten uit de schrijftakencategorie: betogende en beschouwende teksten? |
ja/nee |
|
S1.4 |
Lezen de leerlingen tekstsoorten uit de schrijftakencategorie: instructieve teksten? |
ja/nee |
|
S1.5 |
Lezen de leerlingen tekstsoorten uit de schrijftakencategorie: expressieve teksten? |
ja/nee |
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
S2.1 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze teksten reviseren of beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op doel? |
ja/nee |
|
S2.2 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze teksten reviseren of beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op publiek? |
ja/nee |
|
S2.3 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze teksten reviseren of beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op samenhang? |
ja/nee |
|
S2.4 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze teksten reviseren of beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: woordgebruik en zinsbouw? |
ja/nee |
|
S2.5 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze teksten reviseren of beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: vormgeving? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
S3 |
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Literatuur en Betekenis? |
ja/nee |
Kwaliteitseisen schrijven directe meting
Beslisregel schrijven directe meting:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: S4.1 en S4.2 moeten met JA worden beantwoord. Van S4.3 en S4.4 moet tenminste één van de twee vragen met JA worden beantwoord.
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen bij S5 moeten met JA worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: de vragen S6.1 en S6.2 moeten met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
S4.1 |
Schrijven de leerlingen minimaal twee tekstvormen uit de schrijftakencategorie: informatieve teksten? |
ja/nee |
|
S4.2 |
Schrijven de leerlingen minimaal twee tekstvormen uit de schrijftakencategorie: betogende en beschouwende teksten? |
ja/nee |
|
S4.3 |
Schrijven de leerlingen minimaal twee tekstvormen uit de schrijftakencategorie: instructieve teksten? |
ja/nee |
|
S4.4 |
Schrijven de leerlingen minimaal twee tekstvormen uit de schrijftakencategorie: expressieve teksten? |
ja/nee |
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
S5.1 |
Worden de teksten die de leerlingen schrijven beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op doel? |
ja/nee |
|
S5.2 |
Worden de teksten die de leerlingen schrijven beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op publiek? |
ja/nee |
|
S5.3 |
Worden de teksten die de leerlingen schrijven beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: samenhang? |
ja/nee |
|
S5.4 |
Worden de teksten die de leerlingen schrijven beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: woordgebruik en zinsopbouw? |
ja/nee |
|
S5.5 |
Worden de teksten die de leerlingen schrijven beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: vormgeving? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
S6.1 |
Voldoen onderwerp en context van de schrijfopdrachten aan de algemene omschrijving van het RKP? |
ja/nee |
|
S6.2 |
Wordt in de formulering van de opdracht gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Literatuur en Betekenis. |
ja/nee |
Kwaliteitseisen mondelinge taalvaardigheid via indirecte meting
A. Subdomein Gesprekken
Kwaliteitseisen
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid indirecte meting, subdomein Gesprekken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: van M1.1 t/m M1.3 moeten twee van de drie vragen met JA worden beantwoord.
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen M2.1 t/m M2.5 moeten met JA worden beantwoord. M2.6 mag met JA of NEE worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: de vraag M3 moet met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M1.1 |
Luisteren en beoordelen de leerlingen gesprekken uit de takencategorie: informatieve gesprekken? |
ja/nee |
|
M1.2 |
Luisteren en beoordelen de leerlingen gesprekken uit de takencategorie: betogende gesprekken? |
ja/nee |
|
M1.3 |
Luisteren en beoordelen de leerlingen gesprekken uit de takencategorie: menings- en besluitvormende gesprekken? |
ja/nee |
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M2.1 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op doel? |
ja/nee |
|
M2.2 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op gesprekspartner(s)? |
ja/nee |
|
M2.3 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: beurten nemen en bijdragen aan samenhang? |
ja/nee |
|
M2.4 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: woordgebruik? |
ja/nee |
|
M2.5 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: non-verbale communicatie? |
ja/nee |
|
M2.6 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: spreektechniek en zinsbouw? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M3 |
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken. |
ja/nee |
B. Subdomein Spreken
Kwaliteitseisen
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid indirecte meting, subdomein Spreken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: van M4.1 t/m M4.4 moeten twee van de vier vragen met JA worden beantwoord (taak is minimaal één keer aanwezig).
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen M5.1 t/m M5.6 moeten met JA worden beantwoord. M5.7 mag met JA of NEE worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: de vraag M6 moet met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M4.1 |
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: informatieve teksten? |
ja/nee |
|
M4.2 |
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: betogende en beschouwende teksten? |
ja/nee |
|
M4.3 |
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: instructieve teksten? |
ja/nee |
|
M4.4 |
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: expressieve teksten? |
ja/nee |
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M5.1 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: samenhang? |
ja/nee |
|
M5.2 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op doel? |
ja/nee |
|
M5.3 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op publiek? |
ja/nee |
|
M5.4 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: woordgebruik? |
ja/nee |
|
M5.5. |
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: non-verbale communicatie? |
ja/nee |
|
M5.6 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: visuele ondersteuning? |
ja/nee |
|
M5.7 |
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering: spreektechniek en zinsbouw? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M6 |
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken? |
ja/nee |
Kwaliteitseisen mondelinge taalvaardigheid via directe meting
A. Subdomein Gesprekken
Kwaliteitseisen
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid directe meting, subdomein Gesprekken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: van M7.1 t/m M7.3 moeten twee van de drie vragen met JA worden beantwoord (taak is minimaal één keer aanwezig).
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen M8.1 t/m M8.6 moeten met JA worden beantwoord. M8.7 mag met JA of NEE worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: de vragen bij M9 moet met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M7.1 |
Nemen de leerlingen deel aan gesprekken uit de takencategorie: informatieve gesprekken? |
ja/nee |
|
M7.2 |
Nemen de leerlingen deel aan gesprekken uit de takencategorie: betogende gesprekken? |
ja/nee |
|
M7.3 |
Nemen de leerlingen deel aan gesprekken uit de takencategorie: menings- en besluitvormende gesprekken? |
ja/nee |
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M8.1 |
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: gespreksstrategie en inhoud bepalen? |
ja/nee |
|
M8.2 |
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op doel? |
ja/nee |
|
M8.3 |
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op de gesprekspartner(s)? |
ja/nee |
|
M8.4 |
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: beurten nemen en bijdragen aan samenhang? |
ja/nee |
|
M8.5 |
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: woordgebruik? |
ja/nee |
|
M8.6 |
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: non-verbale communicatie? |
ja/nee |
|
M8.7 |
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering: spreektechniek en zinsbouw? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M9.1 |
Voldoen onderwerp en context van de opdrachten aan de algemene omschrijving van het RKP? |
ja/nee |
|
M9.2 |
Wordt in de formulering van de opdracht gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken? |
ja/nee |
B. Subdomein Luisteren
Kwaliteitseisen
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid directe meting, subdomein Luisteren:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: van M10.1 t/m M10.4 moeten drie van de vier vragen met JA worden beantwoord (taak is minimaal één keer aanwezig).
2. Tekstkenmerken: de vragen bij M11 moeten met JA worden beantwoord.
3. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen M12.1 t/m M12.3 moeten met JA worden beantwoord. M12.4 mag met JA of NEE worden beantwoord.
4. Opgavenkenmerken: de vraag M13 moet met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M10.1 |
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: informatieve teksten? |
ja/nee |
|
M10.2 |
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: betogende en beschouwende teksten? |
ja/nee |
|
M10.3 |
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: instructieve teksten? |
ja/nee |
|
M10.4 |
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: expressieve teksten? |
ja/nee |
Tekstkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M11.1 |
Voldoen de teksten die de leerlingen luisteren aan de algemene omschrijving (inhoud en context) en aan de tekstkenmerken structuur, informatiedichtheid, stijl (zinsbouw en informatiedichtheid), tekstlengte, relatie tussen gesproken tekst en beeld, tempo, accent en articulatie zoals nader omschreven in het Referentiekader? |
ja/nee |
|
M11.2 |
Betreffen de teksten zowel video- én audiofragmenten? |
ja/nee |
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M12.1 |
Wordt tijdens het luisteren getoetst of leerlingen de luistertekst kunnen: begrijpen en interpreteren? |
ja/nee |
|
M12.2 |
Wordt tijdens het luisteren getoetst of leerlingen van de luistertekst beheersen: woordenschat en strategieën? |
ja/nee |
|
M12.3 |
Wordt tijdens het luisteren getoetst of leerlingen de luistertekst kunnen: samenvatten? |
ja/nee |
|
M12.4 |
Wordt tijdens het luisteren getoetst of leerlingen de luistertekst kunnen: evalueren? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M13 |
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Literatuur, Betekenis en (Taal)leerproces? |
ja/nee |
C. Subdomein Spreken
Kwaliteitseisen
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid directe meting, subdomein Spreken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: minimaal 2 van de 4 vragen bij M14 moeten met JA worden beantwoord.
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen M15.1 t/m M15.7 moeten met JA of N.V.T. worden beantwoord. M15.8 mag met JA of NEE worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: de vragen bij M16 moeten met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M14.1 |
Voeren leerlingen spreektaken uit bij: informatieve teksten? |
ja/nee |
|
M14.2 |
Voeren leerlingen spreektaken uit bij: betogende en beschouwende teksten? |
ja/nee |
|
M14.3 |
Voeren leerlingen spreektaken uit bij: instructieve teksten? |
ja/nee |
|
M14.4 |
Voeren leerlingen spreektaken uit bij: expressieve teksten? |
ja/nee |
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M15.1 |
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: spreekstrategie en inhoud bepalen? |
ja/nee |
|
M15.2 |
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: samenhang? |
ja/nee |
|
M15.3 |
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op doel? |
ja/nee |
|
M15.4 |
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op publiek? |
ja/nee |
|
M15.5 |
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: woordgebruik? |
ja/nee |
|
M15.6 |
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: non-verbale communicatie? |
ja/nee |
|
M15.7 |
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: visuele ondersteuning? |
ja/nee/n.v.t. |
|
M15.8 |
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: spreektechniek en zinsbouw? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
M16.1 |
Voldoen onderwerp en context van de opdrachten aan de algemene omschrijvingen van het RKP? |
ja/nee |
|
M16.2 |
Wordt in de formulering van de opdracht gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken? |
ja/nee |
Kwaliteitseis
Beslisregel Woordenschat:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, geldt de volgende beslisregel:
1. Opgavenkenmerken: de vragen W1 t/m W4 moeten met JA worden beantwoord.
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
W1 |
Worden de leerlingen getoetst met opgaven die te herleiden zijn tot aanduidingen van woordenschat binnen de domeinen mondelinge taalvaardigheid, lezen en schrijven van: ○ het tekstkenmerk ‘stijl’ (waaronder woordgebruik) bij luisteren en lezen; ○ de kenmerken van de taakuitvoering: ‘woordgebruik’ bij gesprekken, spreken en schrijven; ‘woordenschat en -strategieën’ bij luisteren en lezen? |
ja/nee |
|
W2 |
Hebben de opgaven betrekking op zowel inhouds- als functiewoorden en op zowel minder frequente alledaagse woorden (inclusief uitdrukkingen) als algemene schooltaalwoorden? |
ja/nee |
|
W3 |
Hebben de opgaven betrekking op zowel de breedte als de diepte van de woordenschat? |
ja/nee |
|
W4 |
Maken woordafleidstrategieën geen deel uit van de woordenschat opgaven (aangezien deze al in het kader van lezen worden getoetst)? |
ja/nee |
In de doorstroomtoets po Bonaire wordt voor wat betreft het terrein Nederlands als vreemde taal de wettelijk verplichte taalactiviteiten receptief Lezen (§ 3.6.2) (inclusief het aspect Woordenschat (§ 3.6.3)) en receptief Luisteren en kijken (§ 3.6.4) getoetst. Aanvullend hierop kunnen optioneel de productieve en interactieve activiteiten spreken (§ 3.6.5), gesprekken voeren (§ 3.6.6), en schrijven (§ 3.6.7), taalstrategieën (§ 3.6.8) en taalcompetenties (§ 3.6.9) worden getoetst.
Voor het terrein Nederlands als vreemde taal zijn de ERK-niveau A2 en B1 leidend.
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, moet de volgende vraag met JA worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
BN1 |
Zijn alle opgaven en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten) beschikbaar gesteld in het Nederlands? |
ja/nee |
Toelichting BN1: Het taalgebruik in het terrein Nederlands als vreemde taal is volledig het Nederlands. Alle opgaven en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten) moeten daarom volledig in het Nederlands beschikbaar worden gesteld.
3.5.2. Wettelijk verplichte taalactiviteit: receptief Lezen
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: van LZ1.1 t/m LZ1.4 moeten tenminste drie van de vier vragen met JA worden beantwoord.
2. Tekstkenmerken: de vragen bij LZ2.1 en LZ2.2 dienen met JA te worden beantwoord. Bij LZ2.3 t/m LZ2.6 moeten tenminste drie van de vier vragen met JA worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: Bij LZ3.1 t/m LZ3.4 moeten tenminste drie van de vier vragen met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
LZ1.1 |
Lezen leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen? |
ja/nee |
|
LZ1.2 |
Lezen leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen? |
ja/nee |
|
LZ1.3 |
Lezen leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie? |
ja/nee |
|
LZ1.4 |
Lezen leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen? |
ja/nee |
Tekstkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
LZ2.1 |
Lezen de leerlingen en maken zij opdrachten bij teksten van minimaal 3 van de verschillende subcategorieën met leesactiviteiten behorende bij het niveau A2 én B1? |
ja/nee |
|
LZ2.2 |
Sluiten de teksten aan bij de Bonairiaanse context? |
ja/nee |
|
LZ2.3 |
Sluiten de teksten die de leerlingen lezen aan bij de algemene omschrijvingen van leesvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen? |
ja/nee |
|
LZ2.4 |
Sluiten de teksten die de leerlingen lezen aan bij de algemene omschrijvingen van leesvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen? |
ja/nee |
|
LZ2.5 |
Sluiten de teksten die de leerlingen lezen aan bij de algemene omschrijvingen van leesvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie? |
ja/nee |
|
LZ2.6 |
Sluiten de teksten die de leerlingen lezen aan bij de algemene omschrijvingen van leesvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen? |
ja/nee |
Toelichting LZ2.2: Bij de keuze van onderwerpen van de leesteksten worden de criteria ‘vertrouwde, alledaagse onderwerpen’ en ‘van persoonlijk belang’ nader geduid als ‘passend bij de Caribische context’. Deze context wordt gekenmerkt door bijvoorbeeld de ligging en geografie van Bonaire, de meertalige situatie, en door culturele en talige aspecten van het maatschappelijke verkeer.
Toelichting LZ2.3 t/m LZ2.6: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van leesvaardigheid, sleutelbegrippen en hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus beschreven.
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
LZ3.1 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van leesvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen? |
ja/nee |
|
LZ3.2 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van leesvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen? |
ja/nee |
|
LZ3.3 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van leesvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie? |
ja/nee |
|
LZ3.4 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van leesvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen? |
ja/nee |
Toelichting LZ3.1 t/m LZ3.4: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van leesvaardigheid en can-do statements voor de verschillende niveaus beschreven.
Woordenschat komt in het ERK aan bod bij receptief communicatieve taalstrategieën en bij communicatieve taalcompetenties onder de noemers ‘bereik’ en ‘beheersing’. De toetswijzer schrijft voor dat Woordenschat wordt meegenomen als aspect van receptief lezen. Dit betekent dat het aan bod komt in de context van het lezen van teksten. Voor Woordenschat wordt geen aparte cesuur opgesteld maar er wordt wel voor dit specifieke aspect gerapporteerd binnen de vaardigheid receptief lezen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: van de vragen WO1.1 t/m WO1.4 moeten 3 van de 4 vragen met JA worden beantwoord. Van de vragen WO1.5 t/m WO1.8 moeten ook 3 van de 4 vragen met JA worden beantwoord.
2. Tekstkenmerken: Indien een vraag bij WO1 met JA is beantwoord, moet de congruerende vraag bij WO2 ook met JA worden beantwoord. De eventuele overige vraag kan met NEE worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: Indien een vraag bij WO1 met JA is beantwoord, moet de congruerende vraag bij WO3 ook met JA worden beantwoord. De eventuele overige vraag kan met NEE worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
WO1.1 |
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen? |
ja/nee |
|
WO1.2 |
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen? |
ja/nee |
|
WO1.3 |
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie? |
ja/nee |
|
WO1.4 |
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen? |
ja/nee |
|
WO1.5 |
Maken leerlingen minimaal 1 opdracht voor bereik en/of beheersing van de woordenschat bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen? |
ja/nee |
|
WO1.6 |
Maken leerlingen minimaal 1 opdracht voor bereik en/of beheersing van de woordenschat bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen? |
ja/nee |
|
WO1.7 |
Maken leerlingen minimaal 1 opdracht voor bereik en/of beheersing van de woordenschat bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie? |
ja/nee |
|
WO1.8 |
Maken leerlingen minimaal 1 opdracht voor bereik en/of beheersing van de woordenschat bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen? |
ja/nee |
Tekstkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
WO2.1 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen? |
ja/nee |
|
WO2.2 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen? |
ja/nee |
|
WO2.3 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie? |
ja/nee |
|
WO2.4 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen? |
ja/nee |
|
WO2.5 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen? |
ja/nee |
|
WO2.6 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen? |
ja/nee |
|
WO2.7 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie? |
ja/nee |
|
WO2.8 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen? |
ja/nee |
Toelichting WO2.1 t/m W2.8: De sleutelbegrippen voor WO2.1 t/m WO2.8 zijn te vinden in het ERK via: https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen.
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
WO3.1 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen? |
ja/nee |
|
WO3.2 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen? |
ja/nee |
|
WO3.3 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie? |
ja/nee |
|
WO3.4 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen? |
ja/nee |
|
WO3.5 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijving van linguïstisch bereik en de can-do statements van het geschikte niveau voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen? |
ja/nee |
|
WO3.6 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijving van linguïstisch bereik en de can-do statements van het geschikte niveau voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen? |
ja/nee |
|
WO3.7 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijving van linguïstisch bereik en bij de can-do statements van het geschikte niveau voor bereik en/of beheersing van de woordenschat de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie? |
ja/nee |
|
WO3.8 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij bij de algemene omschrijving van linguïstisch bereik en de can-do statements van het geschikte niveau voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen? |
ja/nee |
Toelichting WO3.1 t/m W3.8: De algemene omschrijving van linguïstisch bereik en de can-do statements voor WO3.1 t/m WO3.8 zijn te vinden in het ERK via: https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: van LU1.1 t/m LU1.5 moeten tenminste vier van de vijf vragen met JA worden beantwoord.
2. Tekstkenmerken: van LU2.1 t/m LU2.5 moeten tenminste vier van de vijf vragen met JA worden beantwoord. De vragen bij LU2.6 en LU2.7 moeten met JA worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: van LU3.1 t/m LU3.5 moeten tenminste vier van de vijf vragen met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
LU1.1 |
Luisteren leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: gesprek tussen andere sprekers begrijpen? |
ja/nee |
|
LU1.2 |
Luisteren leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek? |
ja/nee |
|
LU1.3 |
Luisteren leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies? |
ja/nee |
|
LU1.4 |
Luisteren leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen? |
ja/nee |
|
LU1.5 |
Luisteren leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: tv, film en video kijken? |
ja/nee |
Tekstkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
LU2.1 |
Sluiten de teksten die de leerlingen luisteren aan bij de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: gesprek tussen andere sprekers begrijpen? |
ja/nee |
|
LU2.2 |
Sluiten de teksten die de leerlingen luisteren aan bij de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek? |
ja/nee |
|
LU2.3 |
Sluiten de teksten die de leerlingen luisteren aan bij de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp, de sleutelbegrippen en de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies? |
ja/nee |
|
LU2.4 |
Sluiten de teksten die de leerlingen luisteren aan bij de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen? |
ja/nee |
|
LU2.5 |
Sluiten de teksten die de leerlingen luisteren aan bij de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: tv, film en video kijken? |
ja/nee |
|
LU2.6 |
Luisteren de leerlingen en maken zij opdrachten bij teksten van minimaal 4 van de verschillende subcategorieën met luister- en kijkactiviteiten behorende bij het niveau A2 én B1? |
ja/nee |
|
LU2.7 |
Sluiten de teksten aan bij de Bonairiaanse context? |
ja/nee |
Toelichting LU2.1 t/m LU2.5: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp), sleutelbegrippen en hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus beschreven.
Toelichting LU2.7: Bij de keuze van onderwerpen van de luisterteksten worden de criteria ‘vertrouwde, alledaagse onderwerpen’ en ‘van persoonlijk belang’ nader geduid als ‘passend bij de Caribische context’. Deze context wordt gekenmerkt door bijvoorbeeld de ligging en geografie van Bonaire, de meertalige situatie, en door culturele en talige aspecten van het maatschappelijke verkeer.
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
LU3.1 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: gesprekken tussen andere sprekers begrijpen? |
ja/nee |
|
LU3.2 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek? |
ja/nee |
|
LU3.3 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies? |
ja/nee |
|
LU3.4 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen? |
ja/nee |
|
LU3.5 |
Sluiten de opgaven die leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: tv, film en video kijken? |
ja/nee |
Toelichting LU3.1 t/m LZ3.5: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp) en can-do statements voor de verschillende niveaus beschreven.
Woordenschat komt in de toetswijzer ook aan bod bij de taalactiviteit receptief luisteren en kijken onder de noemer receptief communicatieve taalstrategieën. In tegenstelling tot woordenschat bij receptief lezen, hoeft woordenschat bij receptief luisteren en kijken niet verplicht getoetst te worden.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: van de vragen WL1.1 t/m WL1.5 moeten 4 van de 5 met JA worden beantwoord.
2. Tekstkenmerken: indien een vraag bij WL1 met JA wordt beantwoord, moet de congruerende vraag bij WL2 ook met JA worden beantwoord. De eventuele overige vraag kan met NEE worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: indien een vraag bij WL1 met JA wordt beantwoord, moet de congruerende vraag bij WL3 ook met JA worden beantwoord. De eventuele overige vraag kan met NEE worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
WL1.1 |
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: gesprek tussen andere sprekers begrijpen? |
ja/nee |
|
WL1.2 |
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek? |
ja/nee |
|
WL1.3 |
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies? |
ja/nee |
|
WL1.4 |
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen? |
ja/nee |
|
WL1.5 |
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: tv, film en video kijken? |
ja/nee |
Tekstkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
WL2.1 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling luistert aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: gesprek tussen andere sprekers begrijpen? |
ja/nee |
|
WL2.2 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling luistert aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek? |
ja/nee |
|
WL2.3 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling luistert aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies? |
ja/nee |
|
WL2.4 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling luistert aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen? |
ja/nee |
|
WL2.5 |
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling luistert aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: tv, film en video kijken? |
ja/nee |
Toelichting W2.1 t/m WL2.5: De sleutelbegrippen voor WL2.1 t/m WL2.5 zijn te vinden in het ERK via: https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen.
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
WL3.1 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: gesprek tussen andere sprekers begrijpen? |
ja/nee |
|
WL3.2 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek? |
ja/nee |
|
WL3.3 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies? |
ja/nee |
|
WL3.4 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen? |
ja/nee |
|
WL3.5 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit: tv, film en video kijken? |
ja/nee |
Toelichting WL3.1 t/m W3.5: De can-do statements voor WL3.1 t/m WL3.5 zijn te vinden in het ERK via: https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: van SP1.1 t/m SP1.5 moeten tenminste twee van de vijf vragen met JA worden beantwoord.
2. Opgavenkenmerken: indien de vraag bij de subcategorie met spreekactiviteit bij SP1 met JA is beantwoord, moeten de corresponderende vragen bij SP2 ook met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
SP1.1 |
Spreken leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met spreekactiviteit: ervaringen beschrijven? |
ja/nee |
|
SP1.2 |
Spreken leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met spreekactiviteit: informatie geven? |
ja/nee |
|
SP1.3 |
Spreken leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met spreekactiviteit: een pleidooi houden? |
ja/nee |
|
SP1.4 |
Spreken leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met spreekactiviteit: openbare mededelingen doen? |
ja/nee |
|
SP1.5 |
Spreken leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met spreekactiviteit: een publiek toespreken? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
SP2.1 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met spreekactiviteit: ervaringen beschrijven? |
ja/nee |
|
SP2.2 |
Zijn de communicatieve situaties (specificatie van het beoogde publiek, een realistische spreektaak, prettige afnamesetting en passende spreekduur) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met spreekactiviteit: ervaringen beschrijven? |
ja/nee |
|
SP2.3 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met spreekactiviteit: informatie geven? |
ja/nee |
|
SP2.4 |
Zijn de communicatieve situaties (specificatie van het beoogde publiek, een realistische spreektaak, prettige afnamesetting en passende spreekduur) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met spreekactiviteit: informatie geven? |
ja/nee |
|
SP2.5 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met spreekactiviteit: een pleidooi houden? |
ja/nee |
|
SP2.6 |
Zijn de communicatieve situaties (specificatie van het beoogde publiek, een realistische spreektaak, prettige afnamesetting en passende spreekduur) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met spreekactiviteit: een pleidooi houden? |
ja/nee |
|
SP2.7 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met spreekactiviteit: openbare mededelingen doen? |
ja/nee |
|
SP2.8 |
Zijn de communicatieve situaties (specificatie van het beoogde publiek, een realistische spreektaak, prettige afnamesetting en passende spreekduur) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met spreekactiviteit: openbare mededelingen doen? |
ja/nee |
|
SP2.9 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met spreekactiviteit: een publiek toespreken? |
ja/nee |
|
SP2.10 |
Zijn de communicatieve situaties (specificatie van het beoogde publiek, een realistische spreektaak, prettige afnamesetting en passende spreekduur) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met spreekactiviteit: een publiek toespreken? |
ja/nee |
Toelichting SP2.1, SP2.3, SP2.5, SP2.7, SP2.9: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van productief spreken (qua niveau en onderwerp) en de sleutelbegrippen voor de verschillende niveaus beschreven. In de wijziging op het Toetsbesluit staan de can-do statements voor de verschillende niveaus beschreven.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: de vragen bij GS1 moeten met JA of NEE worden beantwoord.
2. Gesprekskenmerken: indien de vraag bij de subcategorie met gespreksactiviteit bij GS1 met JA is beantwoord, moet de corresponderende vraag bij GS2 ook met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
GS1.1 |
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie met gespreksactiviteit: een gesprekspartner begrijpen? |
ja/nee |
|
GS1.2 |
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie met gespreksactiviteit: conversatie? |
ja/nee |
|
GS1.3 |
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie met gespreksactiviteit: informele discussie (met vrienden)? |
ja/nee |
|
GS1.4 |
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie met gespreksactiviteit: formele discussie (vergaderingen)? |
ja/nee |
|
GS1.5 |
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie met gespreksactiviteit: doelgerichte samenwerking? |
ja/nee |
|
GS1.6 |
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie met gespreksactiviteit: goederen en diensten verkrijgen? |
ja/nee |
|
GS1.7 |
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie met gespreksactiviteit: interviewen en geïnterviewd worden? |
ja/nee |
|
GS1.8 |
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie met gespreksactiviteit: informatie-uitwisseling? |
ja/nee |
|
GS1.9 |
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie met gespreksactiviteit: gebruik van telecommunicatie? |
ja/nee |
Gesprekskenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
GS2.1 |
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: een gesprekspartner begrijpen? |
ja/nee |
|
GS2.2 |
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: conversatie? |
ja/nee |
|
GS2.3 |
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: informele discussie (met vrienden)? |
ja/nee |
|
GS2.4 |
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: formele discussie (vergaderingen)? |
ja/nee |
|
GS2.5 |
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: doelgerichte samenwerking? |
ja/nee |
|
GS2.6 |
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: goederen en diensten verkrijgen? |
ja/nee |
|
GS2.7 |
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: interviewen en geïnterviewd worden? |
ja/nee |
|
GS2.8 |
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: informatie-uitwisseling? |
ja/nee |
|
GS2.9 |
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: gebruik van telecommunicatie? |
ja/nee |
Toelichting GS2.1 t/m GS2.9: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van productief mondelinge interactie (gesprekken voeren) (qua niveau en onderwerp) en de sleutelbegrippen voor de verschillende niveaus beschreven. In de wijziging op het Toetsbesluit staan de can-do statements voor de verschillende niveaus beschreven.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: de vragen bij SR1.1 t/m SR1.2 moeten met JA worden beantwoord. De vragen bij SR1.3 en SR1.4 moeten met JA of NEE worden beantwoord.
3. Opgavenkenmerken: de vragen bij SR2.1 t/m SR2.4 moeten met JA worden beantwoord. Indien de vraag bij de subcategorie met schrijfactiviteit bij SR1.3 of SR1.4 met JA is beantwoord, moeten de corresponderende vragen bij SR2.5 t/m SR2.8 ook met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
SR1.1 |
Schrijven leerlingen en maken zij opdrachten (waarvan in ieder geval minstens twee opdrachten op niveau B1) bij de subcategorie met schrijfactiviteit: creatief schrijven? |
ja/nee |
|
SR1.2 |
Schrijven leerlingen en maken zij opdrachten (waarvan in ieder geval minstens twee opdrachten op niveau B1) bij de subcategorie met schrijfactiviteit: correspondentie? |
ja/nee |
|
SR1.3 |
Schrijven leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met schrijfactiviteit: schriftelijke verslagen en essays? |
ja/nee |
|
SR1.4 |
Schrijven leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met schrijfactiviteit: notities, berichten en formulieren? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
SR2.1 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van schriftelijke productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met schrijfactiviteit: creatief schrijven? |
ja/nee |
|
SR2.2 |
Zijn de communicatieve situaties (een realistische schrijftaak, prettige afnamesetting en passende schrijftijd) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met schrijfactiviteit: creatief schrijven? |
ja/nee |
|
SR2.3 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van schriftelijke productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met schrijfactiviteit: correspondentie? |
ja/nee |
|
SR2.4 |
Zijn de communicatieve situaties (een realistische schrijftaak, prettige afnamesetting en passende schrijftijd) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met schrijfactiviteit: correspondentie? |
ja/nee |
|
SR2.5 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van schriftelijke productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met schrijfactiviteit: schriftelijke verslagen en essays? |
ja/nee |
|
SR2.6 |
Zijn de communicatieve situaties (een realistische schrijftaak, prettige afnamesetting en passende schrijftijd) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met schrijfactiviteit: schriftelijke verslagen en essays? |
ja/nee |
|
SR2.7 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van schriftelijke productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de subcategorie met schrijfactiviteit: notities, berichten en formulieren? |
ja/nee |
|
SR2.8 |
Zijn de communicatieve situaties (een realistische schrijftaak, prettige afnamesetting en passende schrijftijd) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met schrijfactiviteit: notities, berichten en formulieren? |
ja/nee |
Toelichting SR2.1, SR2.3, SR2.5 en SR2.7: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van productief schriftelijk (schrijven) (qua niveau en onderwerp) en de sleutelbegrippen voor de verschillende niveaus beschreven. In de wijziging op het Toetsbesluit staan de can-do statements voor de verschillende niveaus beschreven.
Strategieën worden onderscheiden voor de taalactiviteiten. Deze zijn ingedeeld in: receptieve strategieën, productieve strategieën, interactieve strategieën, mediation en strategieën om een tekst te vereenvoudigen. Bij receptieve strategieën gaat het om het herkennen en afleiden van aanwijzingen uit tekst (bij receptief lezen) en context (bij receptief luisteren en kijken). Deze can-do beschrijvingen hebben voornamelijk betrekking op woordenschat en zijn aan daarom al aan bod gekomen bij 3.6.3 en 3.6.5.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: de vragen bij SA1 moeten met JA of NEE worden beantwoord.
2. Opgavenkenmerken: indien de vraag bij de strategie bij SA1 met JA is beantwoord, moet de corresponderende vraag bij SA2 ook met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
SA1.1 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de productieve strategie: planning? |
ja/nee |
|
SA1.2 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de productieve strategie: compensatie? |
ja/nee. |
|
SA1.3 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de productieve strategie: monitoring en herstel? |
ja/nee |
|
SA1.4 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de productieve strategie: interactie? |
ja/nee |
|
SA1.5 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de interactieve strategie: de beurt nemen? |
ja/nee |
|
SA1.6 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de interactieve strategie: samenwerken? |
ja/nee |
|
SA1.7 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de interactieve strategie: vragen om opheldering? |
ja/nee |
|
SA1.8 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de mediatiestrategie: strategieën om een nieuw concept uit te leggen? |
ja/nee |
|
SA1.9 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de mediatiestrategie: strategieën om een tekst te vereenvoudigen? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
SA2.1 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de productieve strategie: planning? |
ja/nee |
|
SA2.2 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de productieve strategie: compensatie? |
ja/nee |
|
SA2.3 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de productieve strategie: monitoring en herstel? |
ja/nee |
|
SA2.4 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de productieve strategie: interactie? |
ja/nee |
|
SA2.5 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de interactieve strategie: de beurt nemen? |
ja/nee |
|
SA2.6 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de interactieve strategie: samenwerken? |
ja/nee |
|
SA2.7 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de interactieve strategie: vragen om opheldering? |
ja/nee |
|
SA2.8 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de mediatiestrategie: strategieën om een nieuw concept uit te leggen? |
ja/nee |
|
SA2.9 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor de mediatiestrategie: strategieën om een tekst te vereenvoudigen? |
ja/nee |
Toelichting SA2.1 t/m SA2.9: De website van de Taalunie (https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen) moet worden geraadpleegd voor de can-do statements en de sleutelbegrippen.
De communicatieve taalcompetenties beschrijven de verschillende aspecten van de taalbeheersing in de communicatie: algemeen linguïstisch bereik, beheersing en bereik van de woordenschat, grammaticale nauwkeurigheid, fonologische beheersing, orthografische beheersing, sociolinguïstische trefzekerheid, flexibiliteit, het woord (de beurt) nemen, thematische ontwikkeling, coherentie en cohesie, propositionele nauwkeurigheid, en vloeiendheid. Beheersing en bereik van de woordenschat wordt in deze paragraaf niet meegenomen aangezien dit al aan bod komt bij paragraaf 3.6.3.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
1. Taken: de vragen bij CO1 moeten met JA of NEE worden beantwoord.
2. Opgavenkenmerken: indien de vraag bij de taalcompetentie bij CO1 met JA is beantwoord, moet de corresponderende vraag bij CO2 ook met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
CO1.1 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: algemeen linguïstisch bereik? |
ja/nee |
|
CO1.2 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: grammaticale nauwkeurigheid? |
ja/nee |
|
CO1.3 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: fonologische beheersing? |
ja/nee |
|
CO1.4 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: orthografische beheersing? |
ja/nee |
|
CO1.5 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: sociolinguïstische trefzekerheid? |
ja/nee |
|
CO1.6 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: flexibiliteit? |
ja/nee |
|
CO1.7 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: het woord (de beurt) nemen? |
ja/nee |
|
CO1.8 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: thematische ontwikkeling? |
ja/nee |
|
CO1.9 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: coherentie en cohesie? |
ja/nee |
|
CO1.10 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: propositionele nauwkeurigheid? |
ja/nee |
|
CO1.11 |
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: vloeiendheid? |
ja/nee |
Opgavenkenmerken:
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
CO2.1 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: algemeen linguïstisch bereik? |
ja/nee |
|
CO2.2 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: grammaticale nauwkeurigheid? |
ja/nee |
|
CO2.3 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: fonologische beheersing? |
ja/nee |
|
CO2.4 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: orthografische beheersing? |
ja/nee |
|
CO2.5 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: sociolinguïstische trefzekerheid? |
ja/nee |
|
CO2.6 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: flexibiliteit? |
ja/nee |
|
CO2.7 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: het woord (de beurt) nemen? |
ja/nee |
|
CO2.8 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: thematische ontwikkeling? |
ja/nee |
|
CO2.9 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: coherentie en cohesie? |
ja/nee |
|
CO2.10 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: propositionele nauwkeurigheid? |
ja/nee |
|
CO2.11 |
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau voor taalcompetentie: vloeiendheid? |
ja/nee |
ToelichtingCO2.1 t/mCO2.11: De website van de Taalunie (https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen) moet worden geraadpleegd voor de can-do statements en de sleutelbegrippen.
Voor Rekenen zijn zes referentieniveaus beschreven: 1F, 1S, 2F, 2S, 3F en 3S. Voor het terrein Rekenen zijn dit voor het po de niveaus 1F en 1S. Voor Papiamentu zijn vier referentieniveaus beschreven: 1F, 2F, 3F en 4F. Voor het terrein Papiamentu is dit voor het po alleen het niveau 1F. Voor Nederlands als vreemde taal zijn zes ERK-niveaus beschreven: A1, A2, B1, B2, C1 en C2. Voor het terrein Nederlands als vreemde taal zijn dit voor het po de niveaus A2 en B1.
Dit betekent dat, in lijn met de Toetswijzer PO, de doorstroomtoets, ongeacht de toetsvorm, toetsopgaven moet bevatten die de inhouden van alle niveaus voor het PO meten.
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, moeten de vragen TN1 t/m TN3 met JA worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
TN1 |
Zijn de opgaven van de toets voor het terrein Rekenen evenwichtig samengesteld qua referentieniveaus 1F en 1S? |
ja/nee |
|
TN2 |
Zijn de opgaven van de toets voor het terrein Papiamentu evenwichtig samengesteld over het referentieniveau 1F? |
ja/nee |
|
TN3 |
Zijn de opgaven van de toets voor het terrein Nederlands als vreemde taal evenwichtig samengesteld qua ERK-niveaus A2 en B1? |
ja/nee |
Toelichting TN1 t/m TN3: Dit moet uit de toetsmatrijs naar voren komen. Dat wil zeggen dat in de toetsmatrijs de verhouding van de vragen van de referentie- en ERK-niveaus is gespecificeerd en dat in zowel de toetsmatrijs als in de varianten van de doorstroomtoets de verhouding van de vragen over alle niveaus evenwichtig is. Evenwichtig wil zeggen dat het aantal en de verhouding vragen gezamenlijk inhoudelijk de referentie en ERK-niveaus van de terreinen representeren, een en ander conform de voorschriften uit de Toetswijzer PO.
Een CAT moet voor elke individuele leerling voor de drie terreinen een uitspraak over het behaalde niveau geven. In het geval van een CAT is er verantwoord hoe elk niveau op representatieve wijze voor alle individuele leerlingen aan bod komt. De aanbieder kan dit verantwoorden aan de hand van de toetsmatrijs, aangevuld met de procesbeschrijving van hoe het algoritme werkt, aangevuld met enkele mogelijke itemsets inclusief de daarin aangeboden toetsopgaven en inclusief een toelichting op het daarbij geldende stopcriterium, aangevuld met enkele toetspaden uit het design inclusief de daarin aangeboden toetsopgaven.
Elke routing binnen het MST design moet voor de terreinen een uitspraak over het behaalde niveau geven. In het geval van een MST is er verantwoord hoe het niveau van de terreinen op een bij de moeilijkheidsgraad van de betreffende route passende wijze voor alle individuele leerlingen aan bod komt. De aanbieder kan dit verantwoorden aan de hand van de toetsmatrijs, aangevuld met de beschrijving van de samenstelling van het MST design, aangevuld met enkele toetspaden uit het design inclusief de daarin aangeboden toetsopgaven.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
LR1 |
Stelt de toetsaanbieder voor elke individuele leerling die de doorstroomtoets aflegt een leerlingrapport op? |
ja/nee |
|
LR2 |
Bevat het leerlingrapport het toetsadvies, uitgedrukt in één van de toetsadviescategorieën? |
ja/nee |
|
LR3 |
Geeft het leerlingrapport aan welk referentieniveau Rekenen de leerling beheerst? |
ja/nee |
|
LR4 |
Geeft het leerlingrapport aan welk referentieniveau Lezen voor Papiamentu de leerling beheerst? |
ja/nee |
|
LR5 |
Geeft het leerlingrapport aan welk referentieniveau Taalverzorging voor Papiamentu de leerling beheerst? |
ja/nee |
|
LR6 |
Geeft het leerlingrapport aan welk ERK-niveau receptief Lezen (inclusief Woordenschat) voor Nederlands als vreemde taal de leerling beheerst? |
ja/nee |
|
LR7 |
Geeft het leerlingrapport aan welk ERK-niveau receptief Luisteren en kijken voor Nederlands als vreemde taal de leerling beheerst? |
ja/nee |
|
LR8 |
Bevat het leerlingrapport een deugdelijke toelichting bij het toetsadvies en de beheersing van de referentie- en ERK-niveaus van de leerling die (ook) voor leerlingen, ouders, verzorgers, voogden en afnemers begrijpelijk is? |
ja/nee |
|
LR9 |
Zijn de andere uit te geven rapporten naast het leerlingrapport, en/of niet verplichte gegevens op het leerlingrapport, deugdelijk en helder voor de beoogde gebruiker? |
ja/nee/n.v.t. |
Toelichting LR1: De toetsaanbieder geeft één of meerdere (model)rapportages ter beoordeling. Wanneer er meer dan één variant van het leerlingrapport bestaat, moeten al deze varianten aangeboden worden, met een uitleg wanneer welke variant wordt gebruikt. Aangezien alle varianten aan de eisen moeten voldoen, worden alle voorbeeldrapporten beoordeeld op de kwaliteitseisen LR2 tot en met LR8. Mochten er rapporten ontbreken (d.w.z. LR1 = nee), dan krijgt de toetsaanbieder een onvoldoende voor ‘leerlingrapport’. Wanneer het leerlingrapport wel wordt aangeboden, worden de kwaliteitseisen LR2 tot en met LR8 beoordeeld op basis van die versie(s) van het leerlingrapport.
Toelichting LR2: De toetsaanbieder moet in het leerlingrapport een toetsadvies geven. De aanbieder hanteert hierbij de door de rijksoverheid vastgestelde toetsadviescategorieën. Dit toetsadvies is gebaseerd op in ieder geval de resultaten van de wettelijk verplichte (sub)domeinen van Rekenen, voor Papiamentu Lezen en Taalverzorging, én voor Nederlands als vreemde taal de taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect Woordenschat) en receptief Luisteren en kijken. Aanvullend mag de toetsaanbieder in de bepaling van het toetsadvies ook één of meerdere van de optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties van Papiamentu en Nederlands als vreemde taal meenemen die in dit kader in Hoofdstuk 3 beschreven zijn. In de wetenschappelijke verantwoording moet zijn aangegeven op basis van metingen van welke (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties het toetsadvies tot stand is gekomen.
Toelichting LR3: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk referentieniveau de leerling gepresteerd heeft op het terrein Rekenen. In het leerlingrapport moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende drie categorieën de leerlingprestatie past: onder niveau 1F, op niveau 1F, of op streefniveau 1S. Hoewel in de theorie de categorieën elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze drie categorieën geclassificeerd wordt.
Toelichting LR4: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk referentieniveau de leerling gepresteerd heeft op het domein Lezen bij het terrein Papiamentu. In het leerlingrapport moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende twee categorieën de leerlingprestatie past: onder niveau 1F of op niveau 1F. Hoewel in de theorie de categorieën elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze twee categorieën geclassificeerd wordt.
Toelichting LR5: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk referentieniveau de leerling gepresteerd heeft op het subdomein Taalverzorging bij het terrein Papiamentu. In het leerlingrapport moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende twee categorieën de leerlingprestatie past: onder niveau 1F of op niveau 1F. Hoewel in de theorie de categorieën elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze twee categorieën geclassificeerd wordt.
Toelichting LR6: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk ERK-niveau de leerling gepresteerd heeft op de taalactiviteit receptief Lezen bij het terrein Nederlands als vreemde taal. Er moet extra aandacht worden besteed aan het aspect Woordenschat. In het leerlingrapport moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende drie niveaus de leerlingprestatie past: onder niveau A2, niveau A2 of niveau B1. Hoewel in de theorie de categorieën elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze twee categorieën geclassificeerd wordt.
Toelichting LR7: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk ERK-niveau de leerling gepresteerd heeft op de taalactiviteit receptief Luisteren en kijken bij het terrein Nederlands als vreemde taal. In het leerlingrapport moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende drie niveaus de leerlingprestatie past: onder niveau A2, niveau A2 of niveau B1. Hoewel in de theorie de categorieën elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze twee categorieën geclassificeerd wordt.
Toelichting LR8: Bij het rapport moet een toegankelijke toelichting worden geboden, waarin begrijpelijke handvatten gegeven worden voor de interpretatie van het toetsadvies en de beheersing van de referentie- en ERK-niveaus van de leerling door diverse betrokkenen. De aanbieder toont aan dat de rapportage begrijpelijk is voor verschillende doelgroepen, te weten leerlingen, ouders, verzorgers, voogden en afnemers.
Toelichting LR9: Deze kwaliteitseis is niet van toepassing als er naast het leerlingrapport geen andere rapporten worden uitgegeven en/of het leerlingrapport geen niet verplichte gegevens vermeldt. De kwaliteitseis is van toepassing als de toetsaanbieder één of meerdere (model)rapportages zoals bijvoorbeeld een groepsrapportage, schoolrapportage of bovenschoolse rapportage uitgeeft. Bij de uitgegeven rapporten moet een toegankelijke toelichting worden geboden aan de beoogde gebruiker, waarin begrijpelijke handvatten gegeven worden voor de interpretatie van gerapporteerde gegevens. De aanbieder toont aan dat de rapportage begrijpelijk is voor verschillende doelgroepen, te weten leerkrachten, intern begeleiders, en directeuren of vertegenwoordigers van schoolbesturen of samenwerkingsverbanden.
De doorstroomtoets is in principe geschikt voor alle leerlingen, ook voor leerlingen met een specifieke ondersteuningsbehoefte, met uitzondering van leerlingen die onder de ontheffingsgronden vallen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
LL1 |
Kunnen alle leerlingen, ook met specifieke ondersteuningsbehoeften (uitgezonderd leerlingen die vallen onder de ontheffingsgronden), deelnemen aan de toets? |
ja/nee |
|
LL1.a |
Wordt de toets zo geschikt als mogelijk gemaakt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen met een visuele beperking, zoals leerlingen die slechtziend of volledig kleurenblind zijn? |
ja/nee |
|
LL1.b |
Wordt de toets zo geschikt als mogelijk gemaakt, al dan niet door extra ondersteuning, voor dove/slechthorende leerlingen? |
ja/nee |
|
LL1.c |
Is de toets aantoonbaar geschikt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS)? |
ja/nee |
|
LL1.d |
Is de toets aantoonbaar geschikt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen met dyslexie? |
ja/nee |
|
LL1.e |
Is de toets aantoonbaar geschikt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen met ernstige rekenproblemen of dyscalculie? |
ja/nee |
|
LL1.f |
Is de toets aantoonbaar geschikt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen met een motorische beperking? |
ja/nee |
|
LL1.g |
Is de toets aantoonbaar geschikt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften voortkomend uit chronische/langdurige ziekte, een psychische aandoening en/of gedragsproblemen of voortkomend uit hier niet nader gespecificeerde beperkingen? |
ja/nee |
|
LL2 |
Staat in de handleiding en/of toetsreglement voor de afnemer bij de toets in volledigheid beschreven op welke wijze de toets rekening houdt met leerlingen met ondersteuningsbehoeften? |
ja/nee |
|
LL2.a |
Staat in de handleiding en/of toetsreglement omschreven welke hulpmiddelen tijdens de toetsafname zijn toegestaan voor leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften? |
ja/nee |
|
LL2.b |
Staat omschreven in de handleiding en/of toetsreglement welke aanpassingen in de afnamecondities mogelijk zijn? |
ja/nee |
|
LL2.c |
Is de toets plaatsonafhankelijk af te nemen? |
ja/nee |
|
LL2.d |
Wordt beschreven wat de mogelijkheden zijn als de geboden ondersteuning niet toereikend is? |
ja/nee |
Toelichting LL1: Er is automatisch voldaan aan kwaliteitseis LL1 wanneer is voldaan aan de kwaliteitseisen LL1a t/m LL1g.Dit houdt het volgende in:
○ De aanbieder neemt bij het maken van de toets zoveel mogelijk elementen op die zorgen dat de toets voor alle leerlingen (digitaal) toegankelijk is. Waar mogelijk worden de richtlijnen uit de WCAG 2.1 toegepast. Bij de itemconstructie wordt generiek minstens op de volgende wijze rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid: richtlijnen voor kleurgebruik en contrast bij items, richtlijnen met betrekking tot een ondubbelzinnige lay-out en tekstuele vormgeving, richtlijnen met betrekking tot figuurlijk taalgebruik (als dat geen toetsdoel is) en richtlijnen met betrekking tot het gebruik van ik, gebiedende wijs en vraagzinnen.
○ De toets kent geen tijdslimiet en het is mogelijk om pauzes te nemen.
○ De toets voorziet in een voorleesfunctie. De wijze waarop kan per toets(soort) verschillen.
Waar de bovengenoemde standaard onvoldoende tegemoet komt aan de doelgroepen genoemd onder LL1.a t/m LL1.g is aantoonbaar geprobeerd de belemmeringen die deze leerlingen ervaren bij het maken van de toets weg te nemen door de mogelijkheid tot inzet van hulpmiddelen of ondersteuning en/of aanpassing van de afnamecondities.
Toelichting LL1.a: De toets wordt door de aanbieder (op bestelling) geleverd in een format dat zich leent voor de hulpmiddelen die door leerlingen met een visuele beperking worden gebruikt en met inachtneming van de toetseisen inhoudelijk geschikt zijn gemaakt voor de leerlingen met een visuele beperking. De toetsaanbieder specificeert dit per type visuele beperking volledig kleurenblind of slechtziend).
Leerlingen die volledig kleurenblind zijn
Bij de constructie van de toets is rekening gehouden met leerlingen die volledig kleurenblind zijn. Dit kan onder andere door kleurgebruik alleen ondersteunend te laten zijn. Daarnaast is er bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het aanbieden van een zwart/wit-variant.
Relevant voor de normering is dat de aanbieder er rekening mee houdt dat het ontbreken van een kleuren(afbeelding) geen invloed heeft op de moeilijkheid van het item. Dit houdt in dat de inhoud en de structuur van het item duidelijk en begrijpelijk moeten zijn, ongeacht het gebruik van kleur.
Bij twijfel mag de leerling gebruik maken van de volgende procedure: voor kleurenblinde leerlingen kan een opzoekhulp worden ingezet die op verzoek van de leerling de kleur van een door de leerling aangewezen vlakdeel benoemt, of een door de leerling aangewezen kleur aanwijst in toets of hulpmiddel.
(Zeer) slechtziende leerlingen
Een aanbieder houdt bij het maken van de toets rekening met (digitale) toegankelijkheid voor leerlingen met een visuele beperking, middels bijvoorbeeld contrast, mogelijkheid tot inzoomen en mogelijkheid tot het gebruik van hulpmiddelen, waaronder audio-ondersteuning en gebruik van een brailleleesregel.
Een aanbieder maakt waar mogelijk aanvullende aanpassingen voor (zeer) slechtziende leerlingen voor de toegankelijkheid van hun toets. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van digitale brailleleesregels, tekenboeken of het aanbieden van een braillevariant. Het uitgangspunt is dat zo min mogelijk wordt afgeweken van de reguliere toetsen. Daar waar gekozen wordt om de toets aan te passen, verantwoordt de aanbieder deze aanpassingen.
Het aanbieden van een brailleversie van de doorstroomtoets is facultatief.
Toelichting LL1.b: De toets wordt zo geschikt als mogelijk gemaakt, al dan niet door extra ondersteuning, voor dove/slechthorende leerlingen. De aanbieder kan daarnaast eventueel (op bestelling) een aangepaste toets leveren indien de toets gebruikmaakt van functioneel geluid (zoals bijvoorbeeld bij dictee-opgaven).
Toelichting LL1.c: De aanbieder geeft aan hoe rekening is gehouden met leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Hierbij kan gedacht worden aan de mogelijkheid tot het inzetten van de voorleesfunctie en mogelijke aanpassingen in de afnamecondities, zoals het werken met een afdekblad en het markeren van tekst.
Toelichting LL1.d: De aanbieder geeft aan hoe bij de lay-out en typografie met deze doelgroep rekening wordt gehouden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een schreefloos lettertype met minimale puntgrootte 12, afstand tussen letters, woorden, regels en alinea’s, gebruik van witruimte en een eenduidige, rustige lay-out.
Als een leerling door dyslexie moeite heeft met het lezen van teksten op beeldscherm, moet de leerling gebruik kunnen maken van een door de aanbieder geleverde voorleesfunctie. Bij een papieren versie moet de aanbieder (op vraag) een versie leveren die geschikt is voor voorleessoftware. De wijze waarop kan per toets(soort) verschillen.
Andere voorbeelden van hulpmiddelen ter ondersteuning van deze doelgroep zijn de beschikbaarheid van een zoomfunctie en een markeerstift.
Toelichting bij LL1.e: Voor leerlingen met dyscalculie wordt geen aangepaste toets geleverd.
In de afnamecondities kan (bijvoorbeeld door in de planning meer pauzes of spreiding van de toetsmomenten op te nemen) rekening worden gehouden met deze ondersteuningsbehoefte. De aanbieder benoemt de eventuele mogelijkheden in diens verantwoordingsdocumenten.
Toelichting LL1.f: De aanbieder beschrijft hoe de toets toegankelijk is gemaakt voor leerlingen met motorische beperkingen. Digitale toetsen moeten afgenomen kunnen worden met alleen het toetsenbord in plaats van met de muis en bij schriftelijke toetsen moet de mogelijkheid geboden worden tot het typen van antwoorden op een antwoordblad. Indien het niet mogelijk is de toets volledig toetsenbordbedienbaar te maken, beargumenteert de aanbieder waarom dit niet mogelijk is. Indien het voor een leerling desondanks niet mogelijk is de fysieke handelingen uit te voeren die nodig zijn om de toets te maken, wordt in de handleiding beschreven dat de leerling dan gebruik kan maken van een hulp ter ondersteuning, zoals een schrijfhulp, die antwoorden noteert op aanwijzing van de leerling.
Toelichting bij LL1.g: De aanbieder toont aan welke ondersteuning wordt geboden voor andere beperkingen zoals hier genoemd. Voor bijvoorbeeld leerlingen met ondersteuningsbehoeften voortkomend uit ziekte, psychische aandoeningen en/of gedragsproblemen geeft de aanbieder aan welke aanpassingen mogelijk zijn in de wijze van afnemen en van welke hulpmiddelen zij gebruik kunnen maken tijden de afname. De aanbieder benoemt daarbij expliciet welke aanpassingen en hulpmiddelen voor deze doelgroepen extra aandacht behoeven, waarbij gedacht kan worden aan het bieden van voldoende tijd, een prikkelarme werkomgeving of individuele afname, extra structureren van wijze van afname en regels die daarbij gelden.
Toelichting LL2: De vorm van de ondersteuning staat beschreven in de handleiding en/of toetsreglement, waaronder de wijze waarop rekening gehouden wordt met doelgroepen in de itemconstructie, door het aanbod van varianten van de toets, de beschikbaarheid van hulpmiddelen en/of via de afnamecondities.
De aanbieder schrijft voor dat bij alle toets(vorm)en alle onderdelen de hulpmiddelen zijn toegestaan binnen de gegeven kaders van de vigerende regelingen. In de Toetswijzer PO staat van een aantal hulpmiddelen voorgeschreven dat deze altijd zijn toegestaan of wanneer al dan niet deze zijn toegestaan. Aanvullend kan een aanbieder andere hulpmiddelen toestaan.
De aanbieder wijst de afnemer er in de handleiding en/of toetsreglement op dat er geen tijdslimiet bestaat en dat de afnemer zelf kan besluiten wat een passende afnameduur (spreiding van de toetsonderdelen over de dag, pauzes e.d.) is bij leerlingen met ondersteuningsbehoeften. Daarnaast wijst de aanbieder de afnemer op de mogelijkheid van de voorleesfunctie voor alle leerlingen die op basis van hun ondersteuningsbehoefte hier gebruik van moeten kunnen maken.
Toelichting LL2.a: Hulpmiddelen voor leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften kunnen in twee categorieën opgesplitst worden. Enerzijds gaat het om hulpmiddelen die al in de toets(omgeving) zijn opgenomen of ingebouwd. Anderzijds gaat het om de mogelijkheid tot het inzetten van hulpmiddelen van de school of leerling zelf. Bij deze tweede categorie is het belangrijk dat de toets toegankelijk is voor deze hulpmiddelen. De aanbieder beschrijft beide categorieën in de handleiding voor de afnemer en/of toetsreglement.
Toelichting LL2.b: De aanbieder geeft aan welke aanpassingen in de afnamecondities mogelijk zijn en beschrijft hier ten minste de mogelijkheden voor het bieden van voldoende tijd (langer dan de gegeven tijdsindicatie), de inzet van pauzes en de mogelijkheid tot individuele afname. Voor veel aanpassingen in de afnamecondities geldt dat deze voor alle leerlingen ingezet zouden kunnen worden. Voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften vragen deze afnamecondities echter extra aandacht. De aanbieder beschrijft de mogelijke aanpassingen in de handleiding voor de afnemer en/of toetsreglement en wijst de afnemer erop dat de afnamecondities voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften extra aandacht vragen.
Toelichting LL2.c: Wanneer een leerling aantoonbaar niet in de gelegenheid is om de toets op school te maken, kan de toets op een andere locatie worden afgenomen. Denk hierbij aan leerlingen die in het ziekenhuis liggen, of thuiszittende leerlingen. De aanbieder beschrijft in de handleiding welke (technische) randvoorwaarden hieraan verbonden zijn en hoe de school afname op een andere locatie kan organiseren.
Toelichting LL2.d: De aanbieder toont aan wat er aan maatwerk mogelijk is indien het beschreven aanbod aan hulpmiddelen, toetsvarianten en aanpassingen van afnamecondities niet toereikend zijn voor een leerling met specifieke ondersteuningsbehoeften.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
A1 |
Staat in het toetsreglement/de afnamehandleiding adequaat beschreven hoe een leerling tijdens een tweede afnamemoment (omdat die bij de eerste afname was verhinderd) de toets alsnog kan maken? |
ja/nee |
|
A2.1 |
Staat in het toetsreglement/de afnamehandleiding vermeld hoe de directeur de leerlingen voor de toets moet aanmelden? |
ja/nee |
|
A2.2 |
Staat in het toetsreglement/de afnamehandleiding vermeld welke hulpmiddelen leerlingen wel én niet mogen gebruiken? |
ja/nee |
|
A2.3 |
Staat in het toetsreglement/de afnamehandleiding vermeld hoe en wanneer scholen incidenten voor, tijdens en na de afname moeten en kunnen melden bij de toetsaanbieder? |
ja/nee |
|
A2.4 |
Staan in het toetsreglement/de afnamehandleiding de voorwaarden aan de (wijze van) geheimhouding van de toetsopgaven door de deelnemende scholen beschreven? |
ja/nee |
|
A2.5 |
Staan in het toetsreglement/de afnamehandleiding de voorwaarden aan de wijze waarop toezicht op de leerlingen wordt gehouden beschreven? |
ja/nee |
|
A2.6 |
Staat in het toetsreglement/de afnamehandleiding vermeld op welke wijze de toetsopgaven aan het bevoegd gezag ter beschikking worden gesteld? |
ja/nee |
|
A2.7 |
Staan in het toetsreglement/de afnamehandleiding de eisen beschreven waar de ICT omgeving (computerconfiguratie) op de school aan moet voldoen om de digitale toets af te kunnen nemen? |
ja/nee/n.v.t. |
|
A3 |
Staatin het toetsreglement/de afnamehandleiding vermeld op welke wijze de afnamecondities moeten bijdragen aan optimale prestaties van de leerlingen? |
ja/nee |
Toelichting A1: In het toetsreglement en/of de afnamehandleiding is beschreven hoe leerlingen, die bij de eerste afname waren verhinderd, alsnog bij een tweede afnamemoment de doorstroomtoets kunnen maken.
Toelichting A2.1 t/m A2.7:
In het toetsreglement en/of de afnamehandleiding is de volgende informatie gegeven:
○ A2.1: Hoe moet de schooldirecteur (of andere verantwoordelijke) de leerlingen voor de toets aanmelden?
○ A2.2: Welke hulpmiddelen mogen de leerlingen wel én niet gebruiken?
○ A2.3: Hoe en wanneer scholen incidenten voor, tijdens en na de afname bij de toetsaanbieder kunnen en moeten melden?
○ A2.4: Welke voorwaarden worden er gesteld aan de (wijze van) geheimhouding van de toetsopgaven door de schooldirecteur (of andere verantwoordelijke) en de afnemers?
○ A2.4: Welke voorwaarden zijn er verbonden aan de wijze waarop toezicht op de leerlingen moet worden gehouden?
○ A2.5: Op welke wijze worden de toetsopgaven aan het bevoegd gezag ter beschikking gesteld?
○ A2.6: Op welke wijze worden de toetsopgaven aan het bevoegd gezag ter beschikking gesteld?
○ A2.7: Wat zijn de eisen waar de ICT omgeving (computerconfiguratie) op de school aan moet voldoen om de digitale toets af te kunnen nemen? Deze kwaliteitseis is niet van toepassing indien de ingediende toets niet digitaal wordt afgenomen.
Bij het evalueren van deze vragen kijkt de adviseur niet alleen of deze informatie er is, maar ook of deze duidelijk is en geen tegenstrijdigheden bevat. Mocht achteraf blijken dat in de praktijk de door de aanbieder verstrekte informatie en communicatie dusdanig verwarrend en/of tegenstrijdig is dat dit een negatieve impact heeft op de afname en/of de resultaten van de leerlingen, dan kan dit in de jaarlijkse evaluatie van de toets een negatief oordeel opleveren.
Toelichting A3: Staat in het het toetsreglement en/of de afnamehandleiding vermeld op welke wijze de afnamecondities moeten bijdragen aan optimale prestaties van de leerlingen? Denk aan voldoende tijd om de toets te kunnen maken en een goede voorbereiding van leerlingen op de afname van de toets.
Indien de aanbieder ISO 27001 is gecertificeerd, volstaat het om dit certificaat inclusief een verklaring van toepasbaarheid (c.q. de scope van het certificaat) aan te leveren. Indien voorgaande wordt aangeleverd, zijn onderstaande kwaliteitseisen (RB1 t/m RB5) alvast voldoende verantwoord.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
RB1 |
Heeft de toetsaanbieder een toetsveiligheidsplan opgesteld met daarin opgenomen een risicoanalyse en een PDCA cyclus voor het beschermen van de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van informatie (BIV)? |
ja/nee |
|
RB1.1 |
Zijn de functies en verantwoordelijkheden van de functionarissen van de toetsaanbieder die betrokken zijn bij de inhoud en de beveiliging van de doorstroomtoets beschreven? |
ja/nee |
|
RB1.2 |
Hebben de functionarissen van de toetsaanbieder die betrokken zijn bij de inhoud en de beveiliging van de doorstroomtoets aantoonbaar een geheimhoudingsverklaring ondertekend? |
ja/nee |
|
RB1.3 |
Beschermt de toetsaanbieder het toetsconstructieproces door middel van een PDCA cyclus van beveiligingsprocedures, inclusief aantoonbare maatregelen ter voorkoming van het voortijdig uitlekken van de toetsinhoud? |
ja/nee |
|
RB1.4 |
Is voor het toetsafnameproces een PDCA cyclus van beveiligingsmaatregelen geïmplementeerd, inclusief aantoonbare maatregelen ter voorkoming van het voortijdig uitlekken van de toetsinhoud? |
ja/nee |
|
RB1.5 |
Zijn de fysieke en elektronische locaties waar de toetsaanbieder examens, systemen en materialen bewaart, aantoonbaar voldoende beveiligd? |
ja/nee |
|
RB1.6 |
Is de digitale en fysieke informatie omtrent de examenketen zowel tijdens opslag als verzending aantoonbaar voldoende beveiligd? |
ja/nee |
|
RB1.7 |
Verzorgt de toetsaanbieder periodiek training over beveiligingsbewustheid aan haar functionarissen die betrokken zijn bij de inhoud en de beveiliging van de doorstroomtoets? |
ja/nee |
|
RB2 |
Waarborgt de toetsaanbieder, met behulp van passende technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen, de privacy en persoonsgegevens van de afnemer, leerling en ouder conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)? |
ja/nee |
|
RB3 |
Heeft de toetsaanbieder een gedegen en compleet actieplan voor het omgaan met diefstal van (delen van) de toetsinhoud en voor het doen verwijderen van internetpagina’s die (delen van) de toetsinhoud onthullen? |
ja/nee |
|
RB4 |
Heeft de toetsaanbieder een gedegen en compleet fraudepreventieplan opgesteld met daarin opgenomen een PDCA cyclus voor de beveiliging van het toetsproces en de toetsinhoud? |
ja/nee |
|
RB4.1 |
Zijn er gedegen en complete procedures voor het ontdekken en evalueren van verdachte toetsresultaten en wijzigingen in kenmerken van toetsonderdelen en toetsscores in de loop van de tijd? |
ja/nee |
|
RB4.2 |
Controleert de toetsaanbieder regelmatig het internet en andere media op het bekend raken van (delen) van de inhoud van de toets of andere niet-openbare informatie over de doorstroomtoets? |
ja/nee |
|
RB5 |
Heeft de toetsaanbieder voldoende verantwoord hoe de toets(omgeving) beveiligd wordt? |
ja/nee |
|
RB6 |
Heeft de toetsaanbieder voldoende verantwoord hoe een leerling tijdens een tweede afnamemoment (omdat die bij de eerste afname was verhinderd) binnen de wettelijke gestelde termijn de toets alsnog kan maken en hoe deze eventueel verschilt van de toets van het eerste afnamemoment? |
ja/nee |
|
RB7.1 |
Heeft de toetsaanbieder voldoende verantwoord hoe wordt voorzien in een terugvaloptie, die in het geval van kleine incidenten op leerling-, klas- of schoolniveau volgens een bijbehorend calamiteitenplan kan worden ingezet? |
ja/nee |
|
RB7.2 |
Heeft de toetsaanbieder voldoende verantwoord hoe wordt omgegaan met binnengekomen incidenten van scholen en hoe deze meldingen worden geëvalueerd? |
ja/nee |
|
RB7.3 |
Heeft de toetsaanbieder voldoende verantwoord hoe er richting het onderwijsveld gecommuniceerd wordt over eventuele incidenten (d.w.z. via welke kanalen en welke inhoud)? |
ja/nee |
Toelichting RB1 t/m RB5: De aanbieder moet overzichtelijk per kwaliteitseis aangeven hoe daar aan is voldaan. Een voorbeeld daarvan is de verwijzing naar een verwerkersovereenkomst, waar op de kwaliteitseisen RB1 t/m RB5 wordt ingegaan. Daarbij moet bewijslast worden overlegd van de bij BI.2, BI.3 en BI.4 gevraagde documenten, processen, contracten en protocollen.
De verantwoordelijkheid voor het goed gebruik van de toets en de daarmee verzamelde informatie in de dagelijkse praktijk ligt bij de school / de eindgebruiker zelf.
Toelichting RB6: De toetsaanbieder beschrijft helder hoe een leerling tijdens een tweede afnamemoment (omdat die bij de eerste afname was verhinderd) binnen de wettelijke gestelde termijn alsnog de toets kan maken. De toetsaanbieder vermeldt daarnaast adequaat hoe eventueel deze toets verschilt van de toets van het eerste afnamemoment en waarom de toetsaanbieder hiervoor wel/niet kiest. Dit is informatie die niet per se in het toetsreglement en/of de afnamehandleiding wordt opgenomen en daarom extra is voor de adviseur t.o.v. de verantwoording van kwaliteitseis A1.
Toelichting RB7.1: Het doel van de terugvaloptie is dat in het geval van een incident of onregelmatigheid de toetsaanbieder tijdig een terugvaloptie beschikbaar heeft zodat de leerling toch een doorstroomtoets van de initiële toetsaanbieder kan afnemen tijdens de afname- of inhaalperiode.
De toetsaanbieder beschrijft in een bijbehorend calamiteitenplan de procedure ter voorbereiding op incidenten en calamiteiten. Hierin moet in ieder geval vastgelegd worden hoe de door de aanbieder geboden terugvaloptie van de doorstroomtoets eruitziet: bijvoorbeeld een itembank waaruit kan worden gekozen voor verschillende digitale versies of verschillende versies van een papieren toets. Ook moet het risico dat iteminhoud openbaar komt worden afgedekt.
Toetsaanbieders zijn bovendien zelf verantwoordelijk voor het in de gaten houden van signalen vanuit scholen, het onderwijsveld en sociale media dat hun doorstroomtoets mogelijk niet aan de voorwaarden voor doorgang vinden voldoet.
Toelichting RB7.2: De toetsaanbieder beschrijft in een calamiteitenplan hoe scholen incidenten bij de toetsaanbieder kunnen melden en welke procedures klaarliggen om hiermee om te gaan. En hoe eventuele incidenten intern beoordeeld worden. Daarbij wordt ook vermeld hoe deze meldingen gearchiveerd worden, in het kader van evaluatie (en indien mogelijk openbaarheid).
Toelichting RB7.3: De toetsaanbieder beschrijft in een calamiteitenplan hoe er richting het onderwijsveld gecommuniceerd wordt over eventuele incidenten (d.w.z. via welke kanalen en welke inhoud)?
De toetsaanbieder moet nieuw geconstrueerde items pretesten. Dit om de psychometrische kwaliteit van de items te schatten, om van daaruit te kunnen bepalen welke items mogen worden gebruikt bij de definitieve toetssamenstelling.
De psychometrische kwaliteitsbeoordeling van de doorstroomtoets door de adviseur in opdracht van het CvTE bestaat uit de volgende stappen:
1. Pretestprocedure voor het valideren van nieuw geconstrueerde items, uit te voeren door de toetsaanbieder en bestaande uit:
a. Steekproefkader en samenstelling steekproef (paragraaf 5.2.1);
b. Kalibratie en kwaliteit van items (paragraaf 5.2.2);
c. Toetssamenstelling na pretest (paragraaf 5.2.3).
2. Normering, uit te voeren zoals beschreven in de separate Regeling Beoordelingsnormen Doorstroomtoets po Bonaire, en bestaande uit:
a. Het door de toetsaanbieder aanleveren van de ruwe itemscores en de analyses, waarna een adviseur deze controleert;
b. Toepassen van cesuren van referentieniveaus en toetsadviezen.
c. Het door de toetsaanbieder vaststellen van de behaalde referentie- en ERK-niveaus en het toetsadvies per leerling.
3. Beoordeling van de kwaliteit en het functioneren van de doorstroomtoets (rapportage achteraf) zoals beschreven in de eisen KF1 t/m KF4, Hoofdstuk 5.4, te verwerken tot één rapportage.
In het geval van een MST, geldt dat voor wat betreft de psychometrische kwaliteitseisen uit Hoofdstuk 5 het CvTE per kwaliteitseis mag beoordelen of en welke van de eisen voor een lineaire doorstroomtoets en/of en welke van de eisen voor een computergestuurde adaptieve doorstroomtoets op itemniveau (CAT) van toepassing zijn.
Om nieuwe items in te kunnen zetten in een operationele afname, moeten deze eerst gepretest worden. De dataverzameling van deze nieuwe items kan twee doelen dienen:
○ Doel A (basis-kwaliteitscontrole): dataverzameling van nieuwe items ten behoeve van een basis-kwaliteitscontrole. Hierbij wordt onder andere de itemkwaliteit geëvalueerd aan de hand van itemstatistieken uit de klassieke testtheorie. Na de dataverzameling selecteert de toetsaanbieder de items die in aanmerking komen voor gebruik in de operationele toets.
○ Doel B (basis-kwaliteitscontrole + additionele dataverzameling): in aanvulling op bovenstaande beschrijving van doel A worden bij dit doel aanvullend de verzamelde data gebruikt in de kalibratie na de operationele afname. Dat is vooral relevant bij een MST of CAT, waarbij de afname niet zo ingericht kan zijn dat van te voren bepaald kan worden dat de opgaven door voldoende leerlingen gemaakt zullen worden. Voor een MST of een CAT wordt deze dataverzameling gebruikt voor het schatten van itemparameters ten behoeve van de adaptieve module.
De dataverzameling kan worden uitgevoerd aan de hand van twee scenario’s:
○ Scenario 1: de aanbieder neemt een aparte proeftoets af bij een representatieve steekproef waarin de items worden afgenomen onder omstandigheden die vergelijkbaar zijn met de operationele afname.
○ Scenario 2: nieuwe items worden gezaaid in de operationele afname. Items mogen voor een leerling niet herkenbaar zijn als zaai-item.
De pretestprocedure bestaat in beide scenario’s uit drie stappen: 1) Steekproefkader en samenstelling steekproef vaststellen (paragraaf 5.2.1), 2) Kalibratie en kwaliteit van items vaststellen met de verzamelde pretestdata (paragraaf 5.2.2), en 3) Definitieve doorstroomtoets samenstellen (paragraaf 5.2.3).
De onderwijskundig goed geconstrueerde items worden gepretest volgens de kwaliteitseisen voor het steekproefkader en de samenstelling van de steekproef.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
N1 |
Is de steekproef groot genoeg? |
ja/nee |
|
N2 |
Is de steekproef relevant? |
ja/nee |
|
N3 |
Wordt het afnamedesign dat is gebruikt in de pretest adequaat beschreven en verantwoord? |
ja/nee |
Toelichting N1: De aanbieder geeft aan via welk scenario en met welke doel de nieuwe items zijn gepretest. Vervolgens geeft de aanbieder aan door hoeveel leerlingen ieder nieuw item is gepretest. Het aantal observaties als voldoende gezien wanneer iedere opgave door minstens 200 leerlingen gemaakt is. Uiteraard geven meer gegevens meer zekerheid. Indien doel B wordt nagestreefd moet rekening worden gehouden met het minimumaantal observaties dat per item wordt vereist voor de kalibratie na operationele afname (zie kwaliteitscriterium NR1). Het staat de aanbieder vrij om zowel de gegevens van de reguliere bo-leerlingen als de s(b)o-leerlingen te gebruiken, mits er geen sprake is van DIF (zie kwaliteitscriterium KA2).
Gekloonde opgaven zijn in beginsel nieuwe opgaven, en worden zo ook beoordeeld. Wanneer er sprake is van (zeer) kleine wijzigingen, zoals de aanpassing van een munteenheid (van euro naar dollar), of de aanpassing van een naam (bijvoorbeeld ten behoeve van inclusie), waarbij de opgave inhoudelijk hetzelfde blijft, dan kunnen dergelijke items als onveranderd gezien worden. De toetsaanbieder moet dan wel duidelijk aangeven welke (inhoudelijke) aanpassing gedaan is, bij voorkeur met een rationale waaruit blijkt waarom de aanpassing geen impact heeft.
Wanneer de gekloonde opgave in termen van relevantie en/of objectiviteit verandert ten opzichte van het originele item, dan is er wel sprake van een nieuwe opgave. Meer specifiek is er sprake van een nieuwe opgave wanneer:
○ de gekloonde opgave een relatie heeft met een ander of gewijzigd leerdoel;
○ de gekloonde opgave naar verwachting een andere of gewijzigde moeilijkheidsgraad heeft;
○ de gekloonde opgave naar een ander of gewijzigd modelantwoord leidt.
Wanneer eerder al data verzameld zijn bij het item in een andere vorm moet ook bij kleine wijzigingen het gekloonde item een nieuw label krijgen.
Toelichting N2: De steekproef moet relevant zijn voor de toepassing.
1) Er is aangegeven hoe de steekproef getrokken is;
2) Er is aangegeven onder welke omstandigheden de data verzameld zijn;
3) Er is aangegeven hoe de steekproef zich verhoudt tot de toetspopulatie;
4) Er is aangegeven of en hoeveel S(B)O scholen hebben mee gedaan.
Als bij (2) de omstandigheden afwijken van de werkelijke afname, wordt aangegeven welke impact verwacht wordt en hoe daar in de selectie van opgaven voor de operationele afname rekening mee is gehouden.
In het geval van scenario 2 moet de aanbieder aantonen dat de populatie voor de zaai-items niet structureel anders is dan de populatie van de niet-zaai-items.
Toelichting N3: Het afnamedesign van de pretest wordt door de aanbieder uiteengezet. Wanneer er sprake is van doel B is het van belang dat de parameters per (sub)domein of taalactiviteit op dezelfde schaal liggen. Hiervoor is het van belang dat er sprake is van een afnamedesign waarbij dit mogelijk is. Dit design wordt aangeleverd en bevat – indien van toepassing – in ieder geval informatie over:
○ het totaal aantal boekjes (‘booklets’);
○ aantal observaties per boekje;
○ het aantal items dat tussen de opgavenboekjes onderling overlapt;
○ het aantal items, en de kwaliteit van de items, dat de pretest verbindt met de bestaande schaal.
Wanneer de pretest gedaan wordt door middel van zaai-opgaven in de afname dan wordt aangegeven hoe dat zaai-design er uitziet.
Wanneer de pretestdata zijn verzameld met een CAT is het niet zinvol om het hele onvolledige design weer te geven, omdat iedere leerling dan in principe een unieke verzameling items maakt. Indien mogelijk moet het – indien sprake is van doel B – wel duidelijk zijn hoe deze data verbonden worden aan de bestaande schaal na kalibratie van afgelopen operationele afname.
Ook moet duidelijk zijn op welke posities de verschillende opgaven ingezet zijn, zodat door de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze beargumenteerd kan worden op welke wijze er rekening is gehouden met vermoeidheids- en/of volgorde effecten.
Na het verzamelen van de observaties voert de toetsaanbieder een kalibratie uit met de verzamelde testdata. In het geval dat opgaven al eerder zijn afgenomen (bij een itembank of bij pretestgegevens) kan er een schaal gekalibreerd worden die op basis van de afnamegegevens bestendigd moet worden. Op basis van de afnamegegevens kunnen de (goed functionerende) zaai-items op de schaal geplaatst worden. In de kalibratie schat de toetsaanbieder de itemparameters, zodat de kwaliteit van de gepreteste items kan worden vastgesteld.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
KA1 |
Zijn de nieuwe items psychometrisch gezien van voldoende kwaliteit? |
ja/nee |
|
KA2 |
Heeft er gedegen DIF-onderzoek plaatsgevonden ten aanzien van de nieuwe gepreteste items? |
ja/nee |
|
KA3 |
Worden beslisregels voor adaptieve toetsen geëxpliciteerd? |
ja/nee/n.v.t. |
|
KA4 |
Zijn de metingen van de individuele leerlingen voldoende betrouwbaar om uitspraken op individueel niveau te kunnen doen? |
ja/nee |
|
KA5 |
Past het psychometrisch model wat gebruikt wordt voor de toetssamenstelling bij de data? |
ja/nee |
Toelichting KA1: De toetsaanbieder selecteert de gepreteste items die psychometrisch gezien van voldoende kwaliteit zijn om te kunnen gebruiken in de samen te stellen doorstroomtoets. Dat betekent dat de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze onderbouwt dat de geselecteerde items aan minimaal de volgende eisen voldoen:
○ de moeilijkheidsgraad is passend voor het meetdoel en de doelgroep (d.w.z. voor lineaire toetsen vergelijkbaar met een p-waarde tussen de gokkans en 0,95 en voor adaptieve toetsen passend bij de moeilijkheidsgraad van het betreffende design en/of toetspad);
○ het discriminerend vermogen is vergelijkbaar met een rir-waarde > 0,15, rekening houdend met de beperkte vaardigheidsrange van de leerlingen in het geval van een adaptieve toets;
○ de kwaliteit van de afleiders van meerkeuze-opgaven wordt geëvalueerd middels a- en rar-waarden. Deze moet de aanbieder presenteren. Bij het selecteren van een item met een rar-waarde > 0,05 moet de aanbieder voor dat item aangeven waarom dit item is meegenomen. Voor items die worden gepretest in een adaptieve pretest is het de aanbieder toegestaan om afleider-thetacorrelaties (IRT-variant op de klassieke rar-waarde waarbij theta is gebaseerd op de scores items minus het betreffende item) te berekenen, waarvoor 0,05 eveneens als grenswaarde geldt.
○ de interbeoordelaarsovereenstemming, in het geval van open vragen, vergelijkbaar is met een interbeoordelaarsovereenstemmingscoëfficiënt > 0,80.
De toetsaanbieder verantwoordt op gedegen en complete wijze de keuze voor de geselecteerde items die in aanmerking komen voor de doorstroomtoets en waarom items die niet aan deze eisen voldoen onder gegeven omstandigheden toch zijn mee genomen.
Toelichting KA2: De toetsaanbieder beschrijft op gedegen en complete wijze hoe ze onderzoek naar DIF heeft uitgevoerd. Dit wordt gedaan door – indien van toepassing en indien voldoende observaties per categorie – een DIF-analyse op itemniveau uit te voeren ten aanzien van of over:
○ Proeftoetsboekjes;
○ Eilanden;
○ Eventueel: Leerjaren.
Hiervoor geldt:
○ De DIF-analyses worden grafisch onderbouwd.
○ Een DIF-statistiek naar eigen keuze wordt toegepast en de resultaten worden onderbouwd.
De grafische weergaven en DIF-statistieken moeten aan worden geleverd voor ieder item, dus ook voor de items waarbij geen indicatie is gevonden van DIF. Wanneer een item met een indicatie van DIF desondanks wordt geselecteerd voor de operationele afname moet de aanbieder aantonen dat het verwachte effect op de behaalde (referentie) en ERK-niveaus en behaalde toetsadviezen verwaarloosbaar is.
Toelichting KA3 (alleen van toepassing voor adaptieve toetsen): Een adaptieve toets is een toets die zich aanpast aan het individuele vaardigheidsniveau van de persoon die de toets maakt. In plaats van alle deelnemers dezelfde set vragen voor te leggen, past een adaptieve toets de complexiteit van de vragen aan op basis van de correctheid van de eerdere antwoorden van de deelnemer. Het idee hierachter is dat hierdoor een efficiënte schatting van het vaardigheidsniveau van de leerling kan worden verkregen. Derhalve moeten van dit type doorstroomtoets de beslisregels of de algoritmes voor de samenstelling van de toets zijn geëxpliciteerd.
Voor een CAT moet de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze verantwoorden:
1. Hoe de toets wordt gestart;
2. Hoe de keuze voor een volgend item en wordt gemaakt;
3. Wanneer de toets wordt beëindigd (maximum aantal items en standard error).
Voor een MST moet de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze verantwoorden:
1. Hoe de toets wordt gestart;
2. Hoe de keuze voor het volgende blokje wordt gemaakt;
3. Wanneer de toets wordt beëindigd.
Naast dat de beslisregels voor de samenstelling van de toets geëxpliciteerd moeten zijn, is het belangrijk dat tevens beslisregels geëxpliciteerd zijn om dekking van het inhoudelijke domein te waarborgen per individuele afname. Dit houdt in dat indien er bijvoorbeeld vier verschillende domeinen van rekenen worden bevraagd, de beslisregels van de adaptieve toets ervoor moeten zorgen dat ook uit alle domeinen voldoende opgaven worden afgenomen.
Toelichting KA4:
De schattingsfout van iedere geschatte vaardigheid moet beperkt zijn voor de nieuw in te zetten operationele toets. Het evalueren van de meetnauwkeurigheid op verschillende posities op de latente vaardigheidsschaal wordt aan de hand van onderstaande vragen beoordeeld:
○ Is er een gedegen en complete beschrijving van de procedure, waaruit blijkt dat de meetnauwkeurigheid op de juiste manier wordt berekend?
○ Is de verdeling van schattingsfouten op de vaardigheidsschattingen grafisch weergegeven, zowel voor de schaal waarop de (referentie)niveaus gegeven worden, als de schaal waarop de toetsadviezen gegeven worden?
○ Is de hoogte van de meetnauwkeurigheid rond de cesuurpunten van de referentieniveaus groter dan 0,70?
○ Is de meetnauwkeurigheid rond de cesuurpunten vergelijkbaar voor de verschillende cesuurpunten van de toetsadviezen?2
Toelichting KA5:
Alle psychometrische modellen werken met aannames en voorwaarden waaraan voldaan moet worden, wil het model bruikbaar zijn. Past het – voor de toetssamenstelling gebruikte model – bij de data? De aanbieder moet de itemfit grafisch onderbouwen. Daarnaast moet de aanbieder een passingsmaat hanteren en de resultaten onderbouwen.
Na afronding van de kalibratie van de nieuwe items, stelt de toetsaanbieder de definitieve doorstroomtoets samen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
T1 |
Bevat de doorstroomtoets in ieder geval vragen met een moeilijkheidsgraad rondom het referentieniveau 1F voor het terrein Papiamentu en tussen de cesuur van: ○ referentieniveau 1F en 1S voor het terrein Rekenen; ○ ERK-niveau A2 en B1 voor het terrein Nederlands als vreemde taal? |
ja/nee |
|
T2 |
Bevat de doorstroomtoets het door het CvTE voorgeschreven minimaal aantal ankeritems voor het wettelijk verplichte terrein Rekenen, de (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging van het terrein Papiamentu en de taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect woordenschat) en receptief Luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde taal, én is de volledige subset van ankeritems op de in de Regeling Beoordelingsnormen Doorstroomtoets po Bonaire beschreven wijze opgenomen in de (varianten van de) doorstroomtoets? |
ja/nee/n.v.t. |
|
T3 |
Wordt het afnamedesign dat is gebruikt in de operationele afname adequaat beschreven en verantwoord? |
ja/nee/n.v.t. |
|
T4 |
Bestaat een papieren toets of een lineaire digitale toets jaarlijks volledig uit nieuwe items voor het wettelijk verplichte terrein Rekenen, de (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging van het terrein Papiamentu en de taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect woordenschat) en receptief Luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde taal, met uitzondering van de items van het anker? |
ja/nee/n.v.t. |
|
T5 |
Is er in het geval van een CAT of MST sprake van een adequate verversingsstrategie en wordt de toets dus voldoende ververst over de jaren? |
ja/nee/n.v.t. |
|
T6 |
Heeft de itembank van een CAT separaat voor het wettelijk verplichte terrein Rekenen, de (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging van het terrein Papiamentu en de taalactiviteiten Lezen (inclusief het aspect woordenschat) en Luisteren van het terrein Nederlands als vreemde taal een omvang van minimaal 6x het aantal unieke items van de maximale operationele toetsversie? |
ja/nee/n.v.t. |
Toelichting T1: Voor zowel een MST als papieren en digitale lineaire doorstroomtoets geldt dat de toets voor het terrein Rekenen in ieder geval vragen moet bevatten die inhoudelijk aansluiten bij de referentieniveaus 1F en 1S en die een moeilijkheidsgraad tussen de cesuur van referentieniveau 1F en 1S hebben. Voor zowel een MST als papieren en digitale lineaire doorstroomtoets geldt dat de toets voor het terrein Papiamentu in ieder geval vragen moet bevatten die inhoudelijk aansluiten bij het referentieniveau 1F en die een moeilijkheidsgraad rondom de cesuur van referentieniveau 1F heeft. Daarnaast geldt voor zowel een MST als papieren en digitale lineaire doorstroomtoets dat de toets voor het terrein Nederlands als vreemde taal in ieder geval vragen moet bevatten die inhoudelijk aansluiten bij de ERK-niveaus A2 en B1 en die een moeilijkheidsgraad tussen de cesuur van ERK-niveau A2 en B1 hebben. In het geval van een CAT is de itemselectie geoptimaliseerd rond de opeenvolgende vaardigheidsschattingen. De aanbieder presenteert hiertoe per domein grafisch een verdeling van moeilijkheidsparameters samen met de cesuren.
Toelichting T2: Indien van toepassing is het door het CvTE toegewezen subset van ankeritems opgenomen in (de varianten van) de doorstroomtoets. Eventuele (minimale) aanpassingen op deze items zijn alleen toegestaan met akkoord en na beoordeling van het CvTE.
De door het CvTE toegewezen subset van ankeritems moet op een zodanige wijze over de toets worden verspreid, dat de positie in de toets zo min mogelijk invloed op de prestatie van de leerling heeft en de ankeritems qua lay-out en tekstuele vormgeving niet als opvallend afwijkend in de toets herkenbaar zijn, een en ander zoals gespecificeerd in de Regeling Beoordelingsnormen Doorstroomtoets PO Bonaire.
Toelichting T3 (alleen van toepassing voor een lineaire toets of MST): De aanbieder beschrijft het afnamedesign dat wordt gebruikt in de operationele afname. Hiertoe wordt beschreven hoe de items zijn verdeeld over verschillende toetsversies/toetspaden. Het is mogelijk dat de toetsversies/toetspaden anders ingericht of verminderd moeten worden door een terugloop in aanmeldingen. De aanbieder beschrijft afnamescenario’s die afhankelijk zijn van het aantal aanmeldingen, of ze geeft aan waarom verschillende afnamescenario’s niet nodig worden geacht.
Toelichting T4 (alleen van toepassing voor lineaire toetsen): Een lineaire toets bestaat jaarlijks volledig uit nieuwe gekalibreerde items voor het wettelijk verplichte terrein Rekenen, het domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Papiamentu en de taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect woordenschat) en receptief Luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde taal, met uitzondering van de items van het anker. De noodzakelijkheid van het anker moet voldoende worden uitgelegd.
Toelichting T5 (alleen van toepassing bij al eerder erkende of vastgestelde adaptieve toetsen): In het geval van een MST of een CAT, moet er sprake zijn van een adequate jaarlijkse verversingsstrategie en moet de toets ook over de jaren voldoende worden ververst. Daarbij geldt het volgende:
a. De aanbieder hanteert jaarlijks een adequate verversingsstrategie voor de opgaven van de itembank. De toetsaanbieder geeft op gedegen en complete wijze aan hoeveel procent van de opgaven is ververst en onderbouwt dat de toegepaste vernieuwing voldoende is om overmatige blootstelling van items te voorkomen (exposure control).
b. Items die uitgelekt lijken, moeten verwijderd worden. De toetsaanbieder geeft op gedegen en complete wijze aan hoeveel items er vermoedelijk zijn uitgelekt en hoeveel van deze items uit de itembank zijn verwijderd.
c. Voor items die in het vorige jaar door het algoritme niet geselecteerd zijn, geeft de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze aan, waarom deze niet of wel uit de itembank zijn verwijderd.
Toelichting T6: Deze kwaliteitseis is alleen van toepassing voor een CAT.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
NR1 |
Zijn er voldoende observaties per item? |
ja/nee |
|
NR2 |
Is de gekozen normeringsmethode voldoende omschreven? |
ja/nee |
|
NR3 |
Zijn de gerapporteerde scores voldoende nauwkeurig? |
ja/nee/n.v.t. |
Toelichting NR1: Ieder item heeft een minimumaantal observaties van 300 indien gebruik wordt gemaakt van het 1PL-model, en van 600 observaties indien gebruik wordt gemaakt van het 2PL-model. Deze aantallen zijn eventueel aangevuld met pretestdata die verkregen zijn met doel B voor ogen of eerdere afnamejaren. Observaties uit alle onderwijstypen kunnen gebruikt worden.
Toelichting NR2: Wordt de door de aanbieder gekozen normeringsmethode voldoende omschreven en onderbouwd? Zodra de gehanteerde methode afwijkt van de methode zoals omschreven in de Regeling Beoordelingsnormen doorstroomtoets PO Bonaire (bijvoorbeeld een normering via een discrete (standaard)scoreschaal of verschillen in de meegekalibreerde onderwijstypen), moet de toetsaanbieder de gehanteerde normering duiden en moet de aanbieder aangeven hoe de scores op de eigen scoreschaal zijn berekend uit de latente vaardigheden op de afzonderlijke onderdelen en/of uit de GLV-scores.
Toelichting NR3: Indien de uiteindelijke rapportageschaal afwijkt van de latente schaal waarop de cesuren zijn vastgesteld, moet de toetsaanbieder de nauwkeurigheid van de rapportage weergeven via een tabel (verwarringsmatrix) en mogelijke verschillen tussen de latente schaal en de rapportageschaal verantwoorden. Hierbij geldt dat classificatie van behaalde toetsadviezen en behaalde referentieniveaus op basis van de getransformeerde toetsscores niet meer dan 5% mag afwijken van de classificatie van behaalde toetsadviezen en behaalde referentieniveaus op basis van de normering. De 5% geldt zowel voor de referentieniveaus als bij de toetsadviezen voor het totaal. Bij de verwarringsmatrices is het dus niet toegestaan dat meer dan 5% van de observaties buiten de diagonaal valt.
Indien de aanbieder niet werkt met getransformeerde toetseigen scores is deze eis voor de betreffende aanbieder niet van toepassing.
Deze kwaliteitseisen zijn alleen van toepassing voor al eerder afgenomen toetsen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code |
Vragen |
Mogelijke antwoorden |
|---|---|---|
|
KF1 |
Verantwoordt de toetsaanbieder op een gedegen manier of en waarom opgaven met inhoudelijke fouten, psychometrisch disfunctioneren, DIF of te weinig waarnemingen al dan niet zijn meegenomen voor de scorerapportage? |
ja/nee/n.v.t. |
|
KF2 |
Reflecteert de toetsaanbieder via een analyse op het functioneren van de toetsopgaven die op basis van adequate onderbouwing zijn opgenomen in de operationele afname? |
ja/nee/n.v.t. |
|
KF3 |
Zijn verschillen in percentage referentie- en ERK-niveaus voldoende verantwoord? |
ja/nee/n.v.t. |
|
KF4 |
Zijn verschillen in de verdeling van populatievaardigheden ten opzichte van de verantwoording van het afgelopen jaar en de onderdelen onderling voldoende verantwoord? |
ja/nee/n.v.t. |
De toetsaanbieder verantwoordt jaarlijks na de toetsafname-periode de kwaliteit en het functioneren van de afgenomen doorstroomtoets op basis van de bovengenoemde vier kwaliteitscriteria. Er wordt beoordeeld of de inhoud van de informatie die door de toetsaanbieder is aangeleverd voldoet aan de vooraf gestelde eisen. Voor een nieuwe aanbieder zijn deze eisen bij de eerste evaluatie niet van toepassing.
Toelichting KF1: De aanbieder presenteert het aantal wel en het aantal niet meegenomen items voor de scorerapportage naar de leerlingen wegens:
1. een inhoudelijke fout;
2. psychometrisch disfunctioneren;
3. DIF;
4. te weinig waarnemingen.
Daarbij wordt verantwoord waarom de meegenomen items in de scorerapportage zijn meegenomen.
Voor (3) geldt: indien er voldoende observaties zijn worden DIF-analyses uitgevoerd tussen:
○ Pretest en operationele afname, indien pretestdata worden meegenomen in de kalibratie na operationele afname;
○ Operationele afnames, indien data van operationele afnames van de jaren hiervoor worden meegenomen in de kalibratie na operationele afname;
○ Schooltypes (regulier bo vs. s(b)o) indien van toepassing.
Verder geldt:
○ De DIF-analyses worden grafisch onderbouwd;
○ Een DIF-statistiek naar eigen keuze wordt toegepast en de resultaten worden onderbouwd.
De grafische weergaven en DIF-statistieken moeten aan worden geleverd voor ieder item, dus ook voor de items waarbij geen indicatie is gevonden van DIF. Wanneer een item met een indicatie van DIF desondanks wordt meegenomen ten behoeve van de scorerapportage moet de aanbieder aantonen wat het effect is van de inzet van het betreffende item op de behaalde referentieniveaus en behaalde toetsadviezen.
Toelichting KF2: Indien bij de beoordeling van de afgelopen indiening er bij kwaliteitseis V2 afspraken zijn gemaakt over het monitoren van het functioneren van specifieke toetsopgaven, moet de aanbieder de resultaten van de inhoudelijke en psychometrische analyse aanleveren.
Toelichting KF3: De toetsaanbieder moet informatie verstrekken over de percentages referentie- en ERK-niveaus van het wettelijk verplichte terrein Rekenen, het domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Papiamentu, en taalactiviteit receptief lezen – inclusief aspect woordenschat – en receptief luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde taal (en optionele (sub)domeinen en taalactiviteiten van de terreinen Papiamentu en Nederlands als vreemde taal) plus een overzicht van de percentages toetsadviezen van dit jaar ten opzichte van het vorige jaar (in tabelformaat). Verschillen tussen de beide jaren worden door de toetsaanbieder getoetst. Betekenisvolle verschillen tussen beide jaargangen worden door de aanbieder verklaard.
Toelichting KF4: De aanbieder moet inzicht geven in de populatieverdeling van de vaardigheid. Hiertoe worden populatieparameters (gemiddelde en standaarddeviatie) en de schattingsfout op de populatieparameters gegeven. De verdelingen grafisch inzichtelijk gemaakt. In deze informatie wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende onderwijstypen. Eventuele verschillen ten opzichte van de rapportage achteraf van het afgelopen jaar worden getoetst. Betekenisvolle verschillen tussen beide jaargangen worden door de aanbieder verklaard. Eventuele verschillen ten opzichte van de landelijke normering worden verklaard.
Een adviseur beoordeelt iedere vier jaar in opdracht van het CvTE de onderwijskundige, organisatorische en psychometrische aspecten van de doorstroomtoets. Na de beoordeling stelt een adviseur een advies op. Dit advies wordt uitgebracht aan het CvTE dat, een besluit neemt over het al dan niet erkennen van de betreffende doorstroomtoets. Wanneer de toets is erkend kan deze toets vier achtereenvolgende jaren worden ingezet als het CvTE vaststelt dat de toets voldoet aan de voorwaarden waaronder hij is erkend.
Na de erkenning van vier jaar, dienen de toetsaanbieders opnieuw jaarlijks een toelatingsaanvraag in bij het CvTE. Voor deze jaarlijkse vaststelling vindt opnieuw een beoordeling plaats. Voor deze beoordeling van de onderwijskundige inhoud, organisatorische aspecten en psychometrische aspecten doet het CvTE eveneens een beroep op een adviseur. Deze adviseur beoordeelt jaarlijks aan de hand van het beoordelingskader de kwaliteit van de doorstroomtoets, en stelt nu een advies op over of de toets nog voldoet aan de wet- en regelgeving. Dit advies wordt uitgebracht aan het CvTE, dat een besluit neemt en vaststelt of de toets voldoet.
|
Kwaliteitseis |
Niet van toepassing (n.v.t) ofwel mag met nee beantwoord worden (m.m.n.b.w.) |
Beschreven in document: (naam document) |
Hoofdstuk + paragraaf |
Evt. opmerkingen1 |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
3.2 |
V1 |
||||
|
V2 |
|||||
|
3.3.1 |
D.G |
||||
|
D.Vh |
|||||
|
D.M/mk |
|||||
|
D.Vb |
|||||
|
D.1 |
|||||
|
3.3.2 |
O.A |
||||
|
O.B |
|||||
|
O.C |
|||||
|
O.D |
|||||
|
3.3.3 |
C1 |
||||
|
C2 |
|||||
|
C3 |
|||||
|
3.3.4 |
K1 |
||||
|
K2 |
|||||
|
3.3.5 |
R1 |
||||
|
3.3.6 |
BR1 |
||||
|
BR2 |
|||||
|
BR3 |
|||||
|
3.4.1 |
BP1 |
||||
|
3.4.2.1 |
L1.1 |
||||
|
L1.2 |
|||||
|
L1.3 |
|||||
|
L2.1 |
|||||
|
L2.2 |
|||||
|
L3.1 |
|||||
|
L3.2 |
|||||
|
L3.3 |
|||||
|
L3.4 |
|||||
|
L3.5 |
|||||
|
L3.6 |
|||||
|
L3.7 |
|||||
|
L3.7a |
|||||
|
L4 |
|||||
|
3.4.2.2 |
L5.1 |
||||
|
L5.2 |
|||||
|
L6 |
|||||
|
L7.1 |
|||||
|
L7.2 |
|||||
|
L7.3 |
|||||
|
L7.4 |
|||||
|
L7.4a |
|||||
|
L8 |
|||||
|
3.4.3 |
TV1 |
||||
|
TV1.a |
|||||
|
TV1.b |
|||||
|
TV1.c |
|||||
|
TV1.d |
|||||
|
TV2 |
|||||
|
TV3 |
|||||
|
TV4 |
|||||
|
3.5.1 |
BN1 |
||||
|
3.5.2 |
LZ1.1 |
||||
|
LZ1.2 |
|||||
|
LZ1.3 |
|||||
|
LZ1.4 |
|||||
|
LZ2.1 |
|||||
|
LZ2.2 |
|||||
|
LZ2.3 |
|||||
|
LZ2.4 |
|||||
|
LZ2.5 |
|||||
|
LZ2.6 |
|||||
|
LZ3.1 |
|||||
|
LZ3.2 |
|||||
|
LZ3.3 |
|||||
|
LZ3.4 |
|||||
|
3.5.3 |
WO1.1 |
||||
|
WO1.2 |
|||||
|
WO1.3 |
|||||
|
WO1.4 |
|||||
|
WO1.5 |
|||||
|
WO1.6 |
|||||
|
WO1.7 |
|||||
|
WO1.8 |
|||||
|
WO2.1 |
|||||
|
WO2.2 |
|||||
|
WO2.3 |
|||||
|
WO2.4 |
|||||
|
WO2.5 |
|||||
|
WO2.6 |
|||||
|
WO2.7 |
|||||
|
WO2.8 |
|||||
|
WO3.1 |
|||||
|
WO3.2 |
|||||
|
WO3.3 |
|||||
|
WO3.4 |
|||||
|
WO3.5 |
|||||
|
WO3.6 |
|||||
|
WO3.7 |
|||||
|
WO3.8 |
|||||
|
3.5.4 |
LU1.1 |
||||
|
LU1.2 |
|||||
|
LU1.3 |
|||||
|
LU1.4 |
|||||
|
LU1.5 |
|||||
|
LU2.1 |
|||||
|
LU2.2 |
|||||
|
LU2.3 |
|||||
|
LU2.4 |
|||||
|
LU2.5 |
|||||
|
LU2.6 |
|||||
|
LU2.7 |
|||||
|
LU3.1 |
|||||
|
LU3.2 |
|||||
|
LU3.3 |
|||||
|
LU3.4 |
|||||
|
LU3.5 |
|||||
|
3.6 |
TN1 |
||||
|
TN2 |
|||||
|
TN3 |
|||||
|
4.1 |
LR1 |
||||
|
LR2 |
|||||
|
LR3 |
|||||
|
LR4 |
|||||
|
LR5 |
|||||
|
LR6 |
|||||
|
LR7 |
|||||
|
LR8 |
|||||
|
LR9 |
|||||
|
4.2 |
LL1 |
||||
|
LL1.a |
|||||
|
LL1.b |
|||||
|
LL1.c |
|||||
|
LL1.d |
|||||
|
LL1.e |
|||||
|
LL1.f |
|||||
|
LL1.g |
|||||
|
LL2 |
|||||
|
LL2.a |
|||||
|
LL2.b |
|||||
|
LL2.c |
|||||
|
LL2.d |
|||||
|
4.3 |
A1 |
||||
|
A2.1 |
|||||
|
A2.2 |
|||||
|
A2.3 |
|||||
|
A2.4 |
|||||
|
A2.5 |
|||||
|
A2.6 |
|||||
|
A2.7 |
|||||
|
A3 |
|||||
|
4.4 |
RB1 |
||||
|
RB1.1 |
|||||
|
RB1.2 |
|||||
|
RB1.3 |
|||||
|
RB1.4 |
|||||
|
RB1.5 |
|||||
|
RB1.6 |
|||||
|
RB1.7 |
|||||
|
RB2 |
|||||
|
RB3 |
|||||
|
RB4 |
|||||
|
RB4.1 |
|||||
|
RB4.2 |
|||||
|
RB5 |
|||||
|
RB6 |
|||||
|
RB7.1 |
|||||
|
RB7.2 |
|||||
|
RB7.3 |
|||||
|
5.2.1 |
N1 |
||||
|
N2 |
|||||
|
N3 |
|||||
|
5.2.2 |
KA1 |
||||
|
KA2 |
|||||
|
KA3 |
|||||
|
KA4 |
|||||
|
KA5 |
|||||
|
5.2.3 |
T1 |
||||
|
T2 |
|||||
|
T3 |
|||||
|
T4 |
|||||
|
T5 |
|||||
|
T6 |
|||||
|
5.3 |
NR1 |
||||
|
NR2 |
|||||
|
NR3 |
|||||
|
5.4 |
KF1 |
||||
|
KF2 |
|||||
|
KF3 |
|||||
|
KF4 |
|||||
Denk bijvoorbeeld aan paginanummers. Indien het document geen paginanummers bevat, kan de aanbieder alsnog specificeren waar de informatie gevonden kan worden. Voorbeeld: bij een Excel document aangeven welke rijen en kolommen het betreft.
|
Kwaliteitseis |
Niet van toepassing |
Beschreven in document: (naam document) |
Hoofdstuk + paragraaf |
Evt. opmerkingen1 |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
3.4.4 |
S1.1 |
||||
|
S1.2 |
|||||
|
S1.3 |
|||||
|
S1.4 |
|||||
|
S1.5 |
|||||
|
S2.1 |
|||||
|
S2.2 |
|||||
|
S2.3 |
|||||
|
S2.4 |
|||||
|
S2.5 |
|||||
|
S3 |
|||||
|
S4.1 |
|||||
|
S4.2 |
|||||
|
S4.3 |
|||||
|
S4.4 |
|||||
|
S5.1 |
|||||
|
S5.2 |
|||||
|
S5.3 |
|||||
|
S5.4 |
|||||
|
S5.5 |
|||||
|
S6.1 |
|||||
|
S6.2 |
|||||
|
3.4.5 |
M1.1 |
||||
|
M1.2 |
|||||
|
M1.3 |
|||||
|
M2.1 |
|||||
|
M2.2 |
|||||
|
M2.3 |
|||||
|
M2.4 |
|||||
|
M2.5 |
|||||
|
M2.6 |
|||||
|
M3 |
|||||
|
M4.1 |
|||||
|
M4.2 |
|||||
|
M4.3 |
|||||
|
M4.4 |
|||||
|
M5.1 |
|||||
|
M5.2 |
|||||
|
M5.3 |
|||||
|
M5.4 |
|||||
|
M5.5 |
|||||
|
M5.6 |
|||||
|
M5.7 |
|||||
|
M6 |
|||||
|
M7.1 |
|||||
|
M7.2 |
|||||
|
M7.3 |
|||||
|
M8.1 |
|||||
|
M8.2 |
|||||
|
M8.3 |
|||||
|
M8.4 |
|||||
|
M8.5 |
|||||
|
M8.6 |
|||||
|
M8.7 |
|||||
|
M9.1 |
|||||
|
M9.2 |
|||||
|
M10.1 |
|||||
|
M10.2 |
|||||
|
M10.3 |
|||||
|
M10.4 |
|||||
|
M11.1 |
|||||
|
M11.2 |
|||||
|
M12.1 |
|||||
|
M12.2 |
|||||
|
M12.3 |
|||||
|
M12.4 |
|||||
|
M13 |
|||||
|
M14.1 |
|||||
|
M14.2 |
|||||
|
M14.3 |
|||||
|
M14.4 |
|||||
|
M15.1 |
|||||
|
M15.2 |
|||||
|
M15.3 |
|||||
|
M15.4 |
|||||
|
M15.5 |
|||||
|
M15.6 |
|||||
|
M15.7 |
|||||
|
M15.8 |
|||||
|
M16.1 |
|||||
|
M16.2 |
|||||
|
3.4.6 |
W1 |
||||
|
W2 |
|||||
|
W3 |
|||||
|
W4 |
|||||
|
3.5.5 |
WL1.1 |
||||
|
WL1.2 |
|||||
|
WL1.3 |
|||||
|
WL1.4 |
|||||
|
WL1.5 |
|||||
|
WL2.1 |
|||||
|
WL2.2 |
|||||
|
WL2.3 |
|||||
|
WL2.4 |
|||||
|
WL2.5 |
|||||
|
WL3.1 |
|||||
|
WL3.2 |
|||||
|
WL3.3 |
|||||
|
WL3.4 |
|||||
|
WL3.5 |
|||||
|
3.5.6 |
SP1.1 |
||||
|
SP1.2 |
|||||
|
SP1.3 |
|||||
|
SP1.4 |
|||||
|
SP1.5 |
|||||
|
SP2.1 |
|||||
|
SP2.2 |
|||||
|
SP2.3 |
|||||
|
SP2.4 |
|||||
|
SP2.5 |
|||||
|
SP2.6 |
|||||
|
SP2.7 |
|||||
|
SP2.8 |
|||||
|
SP2.9 |
|||||
|
SP2.10 |
|||||
|
3.5.7 |
GS1.1 |
||||
|
GS1.2 |
|||||
|
GS1.3 |
|||||
|
GS1.4 |
|||||
|
GS1.5 |
|||||
|
GS1.6 |
|||||
|
GS1.7 |
|||||
|
GS1.8 |
|||||
|
GS1.9 |
|||||
|
GS2.1 |
|||||
|
GS2.2 |
|||||
|
GS2.3 |
|||||
|
GS2.4 |
|||||
|
GS2.5 |
|||||
|
GS2.6 |
|||||
|
GS2.7 |
|||||
|
GS2.8 |
|||||
|
GS2.9 |
|||||
|
3.5.8 |
SR1.1 |
||||
|
SR1.2 |
|||||
|
SR1.3 |
|||||
|
SR1.4 |
|||||
|
SR2.1 |
|||||
|
SR2.2 |
|||||
|
SR2.3 |
|||||
|
SR2.4 |
|||||
|
SR2.5 |
|||||
|
SR2.6 |
|||||
|
SR2.7 |
|||||
|
SR2.8 |
|||||
|
3.5.9 |
SA1.1 |
||||
|
SA1.2 |
|||||
|
SA1.3 |
|||||
|
SA1.4 |
|||||
|
SA1.5 |
|||||
|
SA1.6 |
|||||
|
SA1.7 |
|||||
|
SA1.8 |
|||||
|
SA1.9 |
|||||
|
SA2.1 |
|||||
|
SA2.2 |
|||||
|
SA2.3 |
|||||
|
SA2.4 |
|||||
|
SA2.5 |
|||||
|
SA2.6 |
|||||
|
SA2.7 |
|||||
|
SA2.8 |
|||||
|
SA2.9 |
|||||
|
3.5.10 |
CO1.1 |
||||
|
CO1.2 |
|||||
|
CO1.3 |
|||||
|
CO1.4 |
|||||
|
CO1.5 |
|||||
|
CO1.6 |
|||||
|
CO1.7 |
|||||
|
CO1.8 |
|||||
|
CO1.9 |
|||||
|
CO1.10 |
|||||
|
CO1.11 |
|||||
|
CO2.1 |
|||||
|
CO2.2 |
|||||
|
CO2.3 |
|||||
|
CO2.4 |
|||||
|
CO2.5 |
|||||
|
CO2.6 |
|||||
|
CO2.7 |
|||||
|
CO2.8 |
|||||
|
CO2.8 |
|||||
|
CO2.9 |
|||||
|
CO2.10 |
|||||
|
CO2.11 |
|||||
Denk bijvoorbeeld aan paginanummers. Indien het document geen paginanummers bevat, kan de aanbieder alsnog specificeren waar de informatie gevonden kan worden. Voorbeeld: bij een Excel document aangeven welke rijen en kolommen het betreft.
Op 1 augustus 2025 trad de Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO Bonaire (Stb. 2025, 30) in werking. Deze Regeling wordt gewijzigd na ervaringen met de eerste beoordelingsperiode van 2025 en waar mogelijk synchroon aangepast aan de Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO die voor Europees Nederland geldt.
Er is nu duidelijker vereist – door één kwaliteitseis op te delen in meerdere kwaliteitseisen – hoe een toetsaanbieder moet omgaan met calamiteiten én leerlingen die de toets moeten inhalen. De meeste wijzigingen hebben echter betrekking op psychometrische kwaliteitseisen. Zo zijn veel kwaliteitseisen tekstueel verbeterd, terwijl enkele psychometrische kwaliteitseisen ook lichtelijk inhoudelijk zijn aangepast. Tevens is er een extra kwaliteitseis opgenomen die vereist dat toetsaanbieders een inhoudelijke en psychometrische analyse leveren over het functioneren van toetsopgaven tijdens de afgelopen afname, nadat bij de vorige indiening afspraken zijn gemaakt met de toetsaanbieder dat deze toetsopgaven mogen worden afgenomen onder overeengekomen voorwaarden.
De wijzigingen van het beoordelingskader zijn van zodanige omvang, dat ervoor gekozen is om de bijlage te vervangen.
Het College voor toetsen en examens, de voorzitter, J.H. van der Vegt
Indien een aanbieder ervoor kiest om de volgorde van de kwaliteitscriteria uit het beoordelingskader als uitgangspunt voor één verantwoordingsdocument te nemen, hoeft de aanbieder geen aanvullende leeswijzer in te dienen.
Voor de berekening hiervan mag worden uitgegaan van een ongecorreleerde meetfout tussen de domeinen, zie ter illustratie de rapportage ‘Secundaire analyses eindtoetsen 2022’ van de Expertgroep toetsen PO (2022).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-101.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.