Vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Alde Feanen

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

Artikel 1

De nieuwe tekst van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 mei 2013, nr. PDN 2013-013 (Stcrt. 2013, 14643), houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Alde Feanen, het Vogelrichtlijngebied Alde Feanen en het Natura 2000-gebied Alde Feanen, wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Alde Feanen” bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

De directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum:

Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  • a)

    de naam en het adres van de indiener;

  • b)

    de dagtekening;

  • c)

    een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  • d)

    de gronden van bezwaar.

Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).

Bijlage bij artikel 1

Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Alde Feanen

Artikel 1 Aanwijzing Alde Feanen - Habitatrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Alde Feanen.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje (*)):

    H3150

    Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition

    H4010

    Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix

    H6410

    Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige, of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)

    H6430

    Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

    H7140

    Overgangs- en trilveen

    H7210

    *Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae

    H91D0

    *Veenbossen

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire soorten aangeduid met een sterretje (*)):

    H1042

    Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)

    H1134

    Bittervoorn (Rhodeus amarus)

    H1145

    Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis)

    H1149

    Kleine modderkruiper (Cobitis taenia)

    H1163

    Rivierdonderpad (Cottus gobio)

    H1318

    Meervleermuis (Myotis dasycneme)

    H1340

    *Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola)

Artikel 2 Aanwijzing Alde Feanen - Vogelrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Alde Feanen.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A021

    Roerdomp (Botaurus stellaris)

    A029

    Purperreiger (Ardea purpurea)

    A045

    Brandgans (Branta leucopsis)

    A068

    Nonnetje (Mergus albellus)

    A081

    Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

    A119

    Porseleinhoen (Porzana porzana)

    A151

    Kemphaan (Philomachus pugnax)

    A197

    Zwarte stern (Chlidonias niger)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A017

    Aalscholver (Phalacrocorax carbo)

    A041

    Kolgans (Anser albifrons)

    A043

    Grauwe gans (Anser anser)

    A050

    Smient (Anas penelope)

    A051

    Krakeend (Anas strepera)

    A052

    Wintertaling (Anas crecca)

    A056

    Slobeend (Anas clypeata)

    A059

    Tafeleend (Aythya ferina)

    A061

    Kuifeend (Aythya fuligula)

    A156

    Grutto (Limosa limosa)

    A292

    Snor (Locustella luscinioides)

    A295

    Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

Artikel 3 Aanwijzing Natura 2000-gebied Alde Feanen

  • 1.

    Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen, die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.

  • 2.

    De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Alde Feanen.

Artikel 4 Exclaveringsformule

  • 1.

    Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;

    • c.

      gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

    • d.

      erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;

    • e.

      tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;

    • f.

      verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

    • g.

      hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).

Artikel 5 Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijn: habitattypen en soorten

Artikel 6 Instandhoudingsdoelstellingen Vogelrichtlijn: broedvogels en niet-broedvogels

  • 1.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

  • 2.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.

Bijlage Nota van toelichting

1. INLEIDING

Het gebied Alde Feanen is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Alde Feanen. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Alde Feanen gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.

Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.

Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.

In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen onder de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.

Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.

In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.

In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.

Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlage bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing.

Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

2. AANWIJZINGEN HABITAT- EN VOGELRICHTLIJN

Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Alde Feanen aangewezen als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Alde Feanen” en onder nummer NL3000044 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio 2. Het gebied is aangewezen voor twee prioritaire habitattypen en één prioritaire habitatsoort in de zin van artikel 1 van de Habitatrichtlijn.

Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Alde Feanen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 20 mei 1994 (NBLF 944095) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL3009001.

Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied: Alde Feanen (landelijk gebiedsnummer 013).

Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)3. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en van de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)4.

Het Natura 2000-gebied ligt in de provincie Fryslân en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Boarnsterhim, Smallingerland en Tytsjerksteradiel.

3. GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEGRENZING

3.1 Gebiedsbeschrijving

De Oude Venen (Alde Feanen) is een deels vergraven en ontgonnen laagveengebied. Het is één van de weinige overgebleven restanten van een omvangrijk complex van laagveenmoerassen en petgatenlandschappen. De vervening kwam hier in de tweede helft van de 17e eeuw goed op gang. Het gebied is deels kleinschalig (petgaten en legakkers) en deels grootschalig (plassen) verveend. Rond 1900 kwam er een einde aan de turfwinning en vervening. In het begin van deze eeuw werd er door de bevolking op verschillende plaatsen geprobeerd veeteelt te bedrijven door het inpolderen en bemalen van petgatengebieden.

De huidige situatie is vooral het resultaat van het na de vervening opgetreden verlandingsproces. Landschappelijk wordt het gebied gekenmerkt door moerasvegetaties, omgeven door zomerpolders en boezemlanden en doorsneden door tal van watergangen. Het gebied bestaat uit open water, rietlanden, laagveenverlandingsmoeras, moerasbos en schrale graslanden op restveen. De petgaten, die vaak verscholen liggen tussen riet en moerasbossen, verkeren in diverse stadia van verlanding. In deze petgaten komt dikwijls drijftilvorming voor. Op andere plaatsen is de verlanding wat verder voortgeschreden in de richting van een trilveen of blauwgrasland. In de meeste petgaten is na beëindiging van het rietmaaibeheer een elzenbroekbos tot ontwikkeling gekomen.

3.2 Landschappelijke context en kenmerken begrenzing

Alde Feanen behoort tot het Natura 2000-landschap “Meren en Moerassen”.

De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die van mindere kwaliteit zijn. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen5.

Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna6.

Alde Feanen is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van plassen, uitgestrekte moerassen en omringende graslanden die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I (art. 4.1) en tevens fungeert als broedgebied, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het gebied is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/ of voortplanten van bedoelde vogelsoorten7.

3.3 Geometrische begrenzing en oppervlakte

De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Alde Feanen is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Voor zover van toepassing is daarbij onderscheid gemaakt tussen de begrenzingen van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Het betreft het water- en moerasgebied dat is gelegen rondom Eernewoude. Het wordt globaal begrensd door het Prinses Margrietkanaal (Graft), Hooiweg, Earnewarre, Earnewarrepoel, Feantersdyk, Koaldyk (excl. Eernewoude), Manjepetswei, Oude Geeuw, Wijde Ee, Geeuw en De Greft.

Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 2.120 ha. De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied en die van het Habitatrichtlijngebied zijn gelijk. Dit cijfer betreft de bruto-oppervlakte omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).

Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.

Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:

  • 20 mei 1994 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied;

  • 25 mei 2013 voor de gebiedsdelen die met het Natura-2000 aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.

De begrenzingen van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) zijn op enkele technische punten verbeterd (2013):

  • Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen buiten de begrenzing gebracht.

  • De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.

  • Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen, is, gelet op de kadastrale inschrijving8, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.

Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea’s toegelicht.

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) is in 2013 tussen Eernewoude en de ten zuiden daarvan gelegen Jan Durkspolder aangepast. Het betreft een uitbreiding ten behoeve van instandhouding en herstel van de Noordse woelmuis (*H1340). Dit betreft nieuwe natuur die inmiddels is verworven door It Fryske Gea (49 ha).

De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is in 2013 op enkele plaatsen aangepast (zie bijlage A):

  • Het open water in Eernewoude (24 ha), dat grotendeels is omgeven door bebouwing en recreatieterrein, is buiten de begrenzing gebracht omdat het weinig betekenis heeft voor de water- en moerasvogels waarvoor het gebied is aangewezen.

  • De uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied geldt ook voor het Vogelrichtlijngebied gelet op het belang voor pleisterende watervogels en andere moerasvogels. Uitbreiding mede ten behoeve van duurzame instandhouding (hydrologische condities) van de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen.

De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied is in 2013 op enkele plaatsen aangepast (zie bijlage A):

  • Twee percelen agrarisch grasland gelegen tegen de bebouwing van Eernewoude zijn verwijderd (1,9 ha). Door de ligging en de aard van de percelen hebben ze geen betekenis voor de instandhouding van het gebied. Natura 2000-waarden zijn er niet aanwezig.

4. NATURA 2000-WAARDEN

4.1 Inleiding

In artikel 1 en 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied ontleent. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen9. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde Natura 2000-waarden is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5).

Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elke Natura 2000-waarde waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Ten slotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing van het Habitatrichtlijngebied.

4.2 Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen
4.2.1 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I10)

Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H3150

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition

Verkorte naam Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

H4010

Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix

Verkorte naam Vochtige heiden

betreft het subtype:

H4010B

Vochtige heiden (laagveengebied)

H6410

Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige, of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)

Verkorte naam Blauwgraslanden

H6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

Verkorte naam Ruigten en zomen

betreft de subtypen:

H6430A

Ruigten en zomen (moerasspirea)

H6430B

Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

H7140

Overgangs- en trilveen

Verkorte naam Overgangs- en trilvenen

betreft de subtypen:

H7140A

Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

H7140B

Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

H7210

*Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae

Verkorte naam Galigaanmoerassen

H91D0

*Veenbossen

Verkorte naam Hoogveenbossen

4.2.2 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II11)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1042

Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)

H1134

Bittervoorn (Rhodeus amarus)

H1145

Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis)

H1149

Kleine modderkruiper (Cobitis taenia)

H1163

Rivierdonderpad (Cottus gobio)

H1318

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

H1340

*Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola)

4.2.3 Vogelrichtlijn: vogelsoorten (bijlage I en artikel 4.2)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:

A021

Roerdomp (Botaurus stellaris)

A029

Purperreiger (Ardea purpurea)

A045

Brandgans (Branta leucopsis)

A068

Nonnetje (Mergus albellus)

A081

Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

A119

Porseleinhoen (Porzana porzana)

A151

Kemphaan (Philomachus pugnax)

A197

Zwarte stern (Chlidonias niger)

Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):

A017

Aalscholver (Phalacrocorax carbo)

A041

Kolgans (Anser albifrons)

A043

Grauwe gans (Anser anser)

A050

Smient (Anas penelope)

A051

Krakeend (Anas strepera)

A052

Wintertaling (Anas crecca)

A056

Slobeend (Anas clypeata)

A059

Tafeleend (Aythya ferina)

A061

Kuifeend (Aythya fuligula)

A156

Grutto (Limosa limosa)

A292

Snor (Locustella luscinioides)

A295

Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1994) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.

4.3 Habitatrichtlijn: waarden waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet
4.3.1 Habitattypen (bijlage I)

Voor niet-prioritaire habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen12 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor één habitattype, dat in voldoende mate in gebieden is vertegenwoordigd die voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd (slijkgrasvelden (H1320)). De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding13. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitattypen waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).

Habitattype

Xa

Yb

Landelijke oppervlakte c

Oppervlakte in Alde Feanen d

Oppervlakte in Yde gebied e

Selectie bij aanmelding

*H7210

10

8

ca. 100

-

C (<2%)

ja

*H91D0

10

10

ca. 1.000

B1 (2-6%)

B1 (2-6%)

ja

  • a.

    Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.

  • b.

    Aantal gebieden dat op grond van de huidige gegevens en omstandigheden zou voldoen aan het onder (a) genoemde selectiecriterium (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • c.

    Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.

  • d.

    Oppervlakte in het onderhavige gebied, uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)

  • e.

    Oppervlakte van het habitattype in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied. (Niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, wanneer representativiteit in plaats van oppervlakte doorslaggevend was.)

4.3.2 Soorten (bijlage II)

Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten14 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd15. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding16. In de onderstaande tabel zijn de habitatsoorten vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitatsoorten waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3). Er zijn geen habitatsoorten waarvoor Alde Feanen aan de selectiecriteria voldoet.

4.4 Verspreiding habitattypen en soorten in het Habitatrichtlijngebied

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Alde Feanen is bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen (zie verder paragraaf 3.2). De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving.

Het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) komt verspreid voor in het gebied, vooral in petgaten (onder andere in de omgeving van de Folkertssloot). Het habitattype Vochtige heiden (H4010B) komt voor in Tuskensleatten. Het habitattype blauwgraslanden (H6410) komt verspreid voor. De grootste aaneengesloten oppervlakte ligt in Polder de Wildlanden. Het gebied omvat vrij grote arealen overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden (H7140B), met uitzondering van het noordwestelijke deel (omgeving Saiterpetten) en het westelijke deel (onder andere Polder de Wildlanden). In de zuidoost hoek van het gebied bevinden zich enkele galigaanmoerassen (H7210). Concentraties hoogveenbossen (H91D0) liggen in de noordwestelijke hoek en de zuidoosthoek van het gebied.

De bittervoorn (H1134) is aangetroffen in Tuskensleatten. Waarnemingen van de grote modderkruiper (H1145) zijn met name bekend uit wateren bij Eernewoude. De kleine modderkruiper (H1149) is verspreid in het gebied aangetroffen, maar vooral in het noordoostelijke en oostelijke deel van het gebied. Op enkele locaties is de rivierdonderpad (H1163) waargenomen (onder andere de Folkertssloot). Verder fungeert het gebied als foerageergebied van meervleermuizen (H1318) afkomstig uit kraamkolonies en verblijfplaatsen rondom het gebied, die overdag in gebouwen in de wijde omgeving verblijven (zie ook paragraaf 5.4) en ’s nachts boven het water foerageren. De noordse woelmuis (H1340) is verspreid over het gebied waargenomen.

5. INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN

5.1 Inleiding

Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.

Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor zover van toepassing is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.

In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per Natura 2000-waarde.

Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.

Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000- landschappen17 kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).

5.2 Algemene doelen

Behoud en indien van toepassing herstel van:

  • 1.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;

  • 2.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 3.

    de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 4.

    de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

5.3 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I)

H3150

Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

Doel

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Toelichting

De kwaliteit van habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden is overwegend matig in een groot deel van de wateren die direct gevoed worden met eutroof oppervlaktewater en lokaal goed in delen van het gebied die geïsoleerd zijn van directe voeding met boezemwater. Recent is de kwaliteit door maatregelen verbeterd en de potenties voor verder herstel van de kwaliteit zijn goed.

H4010

Vochtige heiden

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige heiden, laagveengebied (subtype B).

Toelichting

Plannen voor de verdere ontwikkeling van vochtige heiden, laagveengebied (subtype B) zijn aanwezig. De kwaliteit van de huidige voorkomens in dit gebied is matig. Door oppervlakte- uitbreiding en kwaliteitsverbetering te bevorderen kan bijgedragen worden aan de bescherming van dit internationaal belangrijke subtype.

H6410

Blauwgraslanden

Doel

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Toelichting

In het gebied is een vrij grote oppervlakte aanwezig van niet-uitgeveend terrein. Hier komt een kleine oppervlakte van het habitattype blauwgraslanden voor van overwegend matige kwaliteit. Plaatselijk komt blauwgrasland van goede kwaliteit voor. Lokaal zijn er mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering. Dit gebied is van belang voor de laagveenvariant van blauwgraslanden.

H6430

Ruigten en zomen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) en ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B).

Toelichting

De subtypen moerasspirea (subtype A) en harig wilgenroosje (subtype B) van het habitattype ruigten en zomen komen beide verspreid in het gebied voor, voor zover bekend alleen met een matige kwaliteit. Voor subtype B is behoud voldoende, omdat dit gebied niet van groot belang is voor het subtype en omdat de brakke variant er niet kan voorkomen.

H7140

Overgangs- en trilvenen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit overgangs- en trilvenen, trilvenen (subtype A) en uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden (subtype B).

Toelichting

In het gebied komt het habitattype overgangs- en trilvenen met goede en matige kwaliteit voor, vooral in de vorm van veenmosrietlanden (subtype B). Omdat de landelijke staat van instandhouding daarvan matig ongunstig is en er herstelpotenties zijn, wordt uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit nagestreefd. Daarnaast komt op meerdere locaties het subtype trilvenen (subtype A) voor, vooral in het centrum van het gebied. Het betreft een relatief basenarme vorm. Omdat er weinig potenties zijn voor uitbreiding of verbetering, is behoud voldoende.

H7210

*Galigaanmoerassen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype galigaanmoerassen komt over een beperkte oppervlakte voor met matige kwaliteit. Het betreft de meest voorkomende vorm van het habitattype galigaanmoerassen, welke onderdeel uitmaakt van de rietklasse en behoort tot de ruige galigaanvegetaties. Het gebied heeft weinig potentie voor herstel.

H91D0

*Hoogveenbossen

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype hoogveenbossen komt met een kleine oppervlakte in matige en goede kwaliteit voor. Er zijn mogelijkheden voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.

5.4 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II)

H1042

Gevlekte witsnuitlibel

Doel

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

De gevlekte witsnuitlibel komt (sinds 2003) met name voor in sloten en petgaten in deelgebied It Wikelslân (in het noordoosten van het gebied). Vanwege de beoogde kwaliteitsverbetering van meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) mag worden verwacht dat het leefgebied van hogere kwaliteit zal worden en zich zal uitbreiden, waardoor de populatie zal groeien.

H1134

Bittervoorn

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

Het habitattype hoogveenbossen komt met een kleine oppervlakte in matige en goede kwaliteit voor. Er zijn mogelijkheden voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.

H1145

Grote modderkruiper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De grote modderkruiper is op enkele, met name in het noordoosten gelegen, locaties in het gebied aangetroffen. Het gebied bevat meer geschikt leefgebied dan waar de soort tot nu toe is aangetroffen.

H1149

Kleine modderkruiper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De kleine modderkruiper is op veel verschillende locaties in het gebied vastgesteld. De soort verkeert landelijk in een gunstige staat van instandhouding en komt in Nederland algemeen en wijdverspreid voor in grotendeels dezelfde wateren als de bittervoorn (H1134) en grote modderkruiper (H1145). Maatregelen ten behoeve van deze soorten zullen als neveneffect hebben dat populaties van de kleine modderkruiper zich ook duurzaam kunnen handhaven.

H1163

Rivierdonderpad

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De rivierdonderpad is een wijdverspreide soort die in het laagveengebied niet bedreigd is. De soort is op diverse locaties in het gebied aangetroffen.

H1318

Meervleermuis

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

Het betreft een belangrijk foerageergebied van kolonies meervleermuizen die overdag in de gebouwen in de wijde omgeving verblijven (actieradius 10 km). De dichtheid van kraamverblijven in de Alde Feanen en omgeving is zeer hoog. Tot nu toe zijn kraamverblijven bekend in Bergum, Wartena, Camminghaburen (Leeuwarden), Goingarijp, Grouw en Warga (100 tot 300 individuen per locatie). De tot nu toe bekende mannenverblijven liggen voornamelijk langs de zuidrand van het gebied, in Nes, Drachten, De Veenhoop en Oudega. Belangrijke vliegroutes naar het gebied zijn onder andere de Wargaastervaart, Nauwe Galle, Prinses Margriet Kanaal, Langdeel, Rogsloot, Kromme Ee en Opeindervaart. Langs de zuidrand maken de mannelijke meervleermuizen gebruik van de vliegroutes Zijlroede, Polderhoofdkanaal, Nieuwe Drait en de Boorne.

H1340

*Noordse woelmuis

Doel

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Alde Feanen betreft een belangrijk gebied, met een grote oppervlakte aan oevers. De noordse woelmuis wordt (in heel Friesland) met uitsterven bedreigd. Verbetering van het leefgebied is van belang om in Friesland een levensvatbare populatie te verkrijgen.

5.5 Vogelrichtlijn: broedvogels

A017

Aalscholver

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 910 paren.

Toelichting

Na de vestiging in 1983 maakte de kolonie aalscholvers een sterke groei door tot een maximum van 942 paren in 1995. Het aantal in de doelstelling is gelijk aan het gemiddelde van de periode 1999-2003. Het is de enige kolonie van betekenis in het Friese merengebied. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

A021

Roerdomp

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 6 paren (territoria).

Toelichting

De roerdomp is van oudsher broedvogel in dit gebied met een maximum van 7 territoria in 1982. Het aantal territoria fluctueert sterk met na strenge winters slechts 0-1 territorium. Herstel van petgaten lijkt de laatste jaren een positief effect op de populatie te hebben. In de periode 1999-2003 zijn gemiddeld ruim 4 territoria vastgesteld en recent 8 territoria in 2009. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding van de populatie is in dit gebied een populatie op het recente (2007-2009) relatief hoge niveau gewenst (gemiddelde 2007- 2009 is 6 territoria). Behoud van het leefgebied is daarvoor voldoende. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Friese merengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A029

Purperreiger

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren.

Toelichting

Sinds halverwege de jaren vijftig is de purperreiger broedvogel in kleine aantallen. Doorgaans zijn maximaal 20 paren aanwezig, in 1967 30 paren. In 1983 werd met 20 paren voor het laatst het gewenste aantal voor een sleutelpopulatie gehaald. In de periode 1993-2002 broedden jaarlijks 4-10 paren. Het is de noordelijkste kolonie in Nederland en daarmee in Europa. Gezien de landelijke zeer ongunstige staat van instandhouding van de populatie is in dit gebied uitbreiding van de populatie tot minstens het minimum voor een sleutelpopulatie gewenst. Vanwege de onzekere trend in het gebied wordt herstel van het leefgebied noodzakelijk geacht.

A081

Bruine kiekendief

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren.

Toelichting

De bruine kiekendief is van oudsher broedvogel met circa 10 paren. Vanaf eind jaren tachtig werd geregeld een aantal paren vastgesteld dat het gewenste aantal voor een sleutelpopulatie oversteeg: in 1989 23 paar, van 1992-1995 20-23 paar. Het gebied levert als broedgebied de grootste relatieve bijdrage in de noordelijke helft van de Friese meren en het betreft het enige gebied met voldoende omvang voor een sleutelpopulatie in deze regio. Vanwege de in deze regio unieke potentie voor een sleutelpopulatie is er, ondanks de landelijk gunstige staat van instandhouding, een (beperkte) uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.

A119

Porseleinhoen

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 15 paren.

Toelichting

Het porseleinhoen is van oudsher een schaarse broedvogel met enkele paartjes. Het gebied levert als broedplaats de grootste relatieve bijdrage in het noordelijk deel van het Friese merengebied. Het laatste decennium fluctueerde het aantal paren tussen de 2 en 15. Het gewenste aantal paren is gelijk aan de gunstige jaren 1989 en 1994 met 15 paren. Vanwege de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding van de populatie, en de negatieve lokale trend vanaf 1990 is een herstelopgave geformuleerd. Het gewenste aantal paren heeft betrekking op jaren met een hoge waterstand in het late voorjaar. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Friese merengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A151

Kemphaan

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 10 hennen.

Toelichting

De kemphaan is van oorsprong een talrijke broedvogel. De populatie is, in lijn met de algehele tendens in Nederland, sterk afgenomen. In de periode 1993-2002 fluctueerde de stand sterk van jaar op jaar tussen 0 en 10 hennen. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie gewenst. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Friese merengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A197

Zwarte stern

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 60 paren.

Toelichting

De zwarte stern is van oudsher een talrijke broedvogel van het laagveenmoeras, met als belangrijk element drijvende waterplanten vegetaties van krabbenscheer. In 1980 werden nog 100 paren geteld. In 1986, 1987 en 1990 werd het gewenste niveau voor een sleutelpopulatie gehaald (minstens 60 paren). Na 1992 viel het aantal paren sterk terug en fluctueert sindsdien tussen de 0 en 23 paren. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie gewenst. In verband met de lokale negatieve trend is een herstelopgave voor het leefgebied geformuleerd. Het aantal in het doel is gebaseerd op het gemiddelde van de jaren 1986-1990 van ruim 59 paren. Het gebied kan voldoende draagkracht gaan leveren voor een sleutelpopulatie.

A292

Snor

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren.

Toelichting

De snor is in de Alde Feanen ongetwijfeld van oudsher een gewone broedvogel van waterrietmoeras waar een flink aandeel vitaal riet aanwezig is. Telgegevens zijn alleen beschikbaar uit 1993,1994 en 2004 toen respectievelijk 30, 21 en 40 paren werden geteld. Voor de periode 1999-2003 wordt het gemiddeld aantal paren op 40 geschat. Gezien de stabiele lokale trend is gekozen voor een behoudopgave. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Friese merengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A295

Rietzanger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 800 paren.

Toelichting

De rietmoerassen van de Alde Feanen herbergen één van de grootste sleutelpopulaties rietzangers van het Friese merengebied. In de periode 1993-1997 werden jaarlijks 197 - 261 paren vastgesteld en in 1992 328 broedparen. Voor de periode 1999-2003 wordt het gemiddeld aantal paren geschat op 800 paren. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding met betrekking tot het leefgebied en de populatieomvang, is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

5.6 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

A017

Aalscholver

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 60 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de aalscholver met name een functie als foerageergebied. Sinds de jaren tachtig zijn aantallen toegenomen, recent is er sprake van een afname.

A041

Kolgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.700 vogels (seizoensgemiddelde). Enige achteruitgang in omvang foerageergebied ten gunste van habitattype vochtige heiden (H4010) of overgangs- en trilvenen (H7140) is toegestaan.

Toelichting

Aantallen kolganzen zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Sinds de jaren tachtig zijn aantallen toegenomen, recent is er sprake van een afname.

A043

Grauwe gans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 280 vogels (seizoensgemiddelde). Enige achteruitgang in omvang foerageergebied ten gunste van habitattypen vochtige heiden (H4010) of overgangs- en trilvenen (H7140) is toegestaan.

Toelichting

Het gebied heeft voor de grauwe gans met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Sinds begin jaren negentig zijn aantallen sterk toegenomen. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A045

Brandgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 430 vogels (seizoensgemiddelde) voor het foerageergebied en gemiddeld 6.100 vogels (seizoensmaximum) voor het gebied als slaapplaats. Enige achteruitgang in omvang foerageergebied ten gunste van habitattype vochtige heiden (H4010) of overgangs- en trilvenen (H7140) is toegestaan.

Toelichting

Aantallen brandganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het aantalsverloop vertoont een lichte positieve tendens De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A050

Smient

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.700 vogels (seizoensgemiddelde). Enige achteruitgang in omvang foerageergebied ten gunste van habitattypen vochtige heiden (H4010) of overgangs- en trilvenen (H7140) is toegestaan.

Toelichting

Het gebied heeft voor de smient met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. Er was sprake van hoge aantallen in de jaren tachtig met daarna een afname.

A051

Krakeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 120 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de krakeend met name een functie als foerageergebied. Aantallen zijn toegenomen.

A052

Wintertaling

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 140 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de wintertaling met name een functie als foerageergebied. De aantallen fluctueren sterk zonder duidelijke trend. Behoud is voldoende, er is geen landelijke herstelopgave.

A056

Slobeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 140 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen slobeenden zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het aantalsverloop laat een fluctuerend patroon zien zonder duidelijke trend.

A059

Tafeleend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 90 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de tafeleend met name een functie als foerageergebied. Het aantalsverloop vertoonde een optimum rond 1995, daarna weer een afname. Behoud is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de afname is niet gelegen in dit gebied.

A061

Kuifeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 470 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kuifeend met name een functie als foerageergebied. Aantallen fluctueren. Behoud is voldoende, want de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is vooral een gevolg van negatieve toekomstverwachtingen op grond van oligotrofiëring en terugkeer van zoet-zout overgangen in andere Natura 2000-gebieden.

A068

Nonnetje

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 30 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen nonnetjes zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Begin jaren negentig zijn aantallen toegenomen, daarna fluctuerend. Behoud is voldoende, de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is vooral gebaseerd op de verslechterde voedselsituatie voor viseters in het IJsselmeer.

A156

Grutto

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 90 vogels (seizoensgemiddelde) voor het foerageergebied en gemiddeld 880 vogels (seizoensmaximum) voor het gebied als slaapplaats.

Toelichting

Het gebied heeft voor de grutto met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Aantallen foeragerende vogels fluctueren. Behoud is voldoende omdat de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding vooral betrekking heeft op gebieden buiten het Natura 2000-netwerk.

Bijlage A

Grenswijzigingen Vogelrichtlijngebied

afbeelding binnen de regeling

Kaartondergrond: Copyright © Dienst voor het kadaster en openbare registers, Apeldoorn, 2011

Bijlage B

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en toewijzing van en wijzigingen in instandhoudingsdoelstellingen.

B.1 Wijzigingen in habitattypen en soorten ten opzichte van aanmelding als Habitatrichtlijngebied en/of het ontwerpbesluit (paragraaf 4.2.1 en 4.2.2)
  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype ruigten en zomen (H6430), moerasspirea (subtype A) en harig wilgenroosje (subtype B), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.

  • In aanvulling op het ontwerpbesluit (2007) is ook een doelstelling opgenomen voor het subtype trilvenen (H7140A) van het habitattype overgangs- en trilvenen, omdat uit onderzoek blijkt dat ook dit subtype in het gebied voorkomt, naast het subtype veenmosrietlanden (subtype B) waar reeds een doelstelling voor is opgenomen.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort gevlekte witsnuitlibel (H1042), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

B.2 Wijzigingen in vogelsoorten ten opzichte van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied en/of het ontwerpbesluit (paragraaf 4.2.3)

De vogelsoorten waarvoor het gebied in 1994 is aangewezen, betreffen een opsomming van vogelsoorten waaraan het gebied zijn natuurwetenschappelijke betekenis ontleent. Bij de aanwijzing van 49 Vogelrichtlijngebieden in 2000 is vastgesteld voor welke soorten op grond van artikel 4 van de Vogelrichtlijn een verplichting bestaat voor het treffen van speciale beschermingsmaatregelen in de vorm van de aanwijzing van gebieden (in de richtlijn aangeduid als “speciale beschermingszones”)18. Dit betreft in de eerste plaats 46 soorten die zijn opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn19. Daarnaast zijn gebieden aangewezen voor 51 (andere) trekkende vogelsoorten zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn. Een gebied wordt slechts aangewezen voor de soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.

Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van de cijfers uit SOVON (2000)20, en van SOVON & CBS (2005)21 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit laatste rapport heeft ook ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. Om ecologische redenen, die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:

  • Van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1994) zijn de volgende vogelsoorten gehandhaafd: aalscholver (A017), roerdomp (A021), purperreiger (A029), bruine kiekendief (A081), porseleinhoen (A119), kemphaan (A151) (als broedvogel), zwarte stern (A197), rietzanger (A295), kolgans (A041), grauwe gans (A043), smient (A050), krakeend (A051), wintertaling (A052), slobeend (A056), tafeleend (A059) en grutto (A156).

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1994), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied niet aangewezen voor de volgende vogelsoorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn: visdief (A193), lepelaar (A034), kleine zwaan (A037), wilde zwaan (A038), zeearend (A075), visarend (A094), slechtvalk (A103), kemphaan (A151) (als niet-broedvogel), goudplevier (A140) en rosse grutto (A157). De vermelding in het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit stamt uit de periode van voor 2000 waarin de gebiedenselectie nog niet werd gebaseerd op aantalscriteria. Het gebied blijkt daaraan na toetsing aan telgegevens niet te voldoen en is daarmee van onvoldoende betekenis voor de instandhouding van de (broed)populaties op landelijke schaal.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1994), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied niet aangewezen voor de volgende soorten trekvogels zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: dodaars (A004), geoorde fuut (A005), watersnip (A153), paapje (A275) en grote karekiet (A298) als broedvogels en pijlstaart (A054), kievit (A142), bonte strandloper (A149) en steenloper (A169) als niet-broedvogels. De vermelding in het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit stamt uit de periode van voor 2000 waarin de gebiedenselectie nog niet werd gebaseerd op aantalscriteria. Het gebied blijkt daaraan na toetsing aan telgegevens niet te voldoen en is daarmee van onvoldoende betekenis voor de instandhouding van de (broed)populaties op landelijke schaal.

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1994), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de volgende vogelsoorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn: brandgans (A045) en nonnetje (A068). Het gemiddeld aantal vogels in het gebied meer bedraagt dan 0,1% van de biogeografische populatie. Het gebied voldoet hiermee aan het criterium voor opname van deze soorten.

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1994), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de volgende trekvogelsoorten zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: snor (A292) als broedvogel en aalscholver (A017) en kuifeend (A061) als niet-broedvogel. Het gemiddeld aantal vogels in het gebied meer bedraagt dan 1% van de Nederlandse broedpopulatie (snor) of 0,1% van de biogeografische populatie (aalscholver en kuifeend). Het gebied voldoet hiermee aan het criterium voor opname van deze soorten.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1994), maar conform het ontwerpbesluit (2007), zijn de volgende vogelsoorten niet meer opgenomen, omdat deze soorten niet behoren tot de soorten waarvoor Vogelrichtlijngebieden worden aangewezen conform de in 2000 geformuleerde beleidslijn (zie boven): zomertaling, buizerd, waterral, kleinst waterhoen, kerkuil, gele kwikstaart, baardmannetje, buidelmees, regenwulp, zwarte wouw, rode wouw, smelleken en bosruiter.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1994), maar conform het ontwerpbesluit (2007), zijn de volgende vogelsoorten die waren vermeld als broedvogel, niet meer opgenomen omdat deze soorten alleen als niet-broedvogel kunnen worden aangewezen conform de in 2000 geformuleerde beleidslijn: grauwe gans (A043), smient (A050), krakeend (A051), slobeend (A056), tafeleend (A059) en grutto (A156).

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing (1994), maar conform het ontwerpbesluit (2007), zijn de volgende vogelsoorten die waren vermeld als niet-broedvogel, niet meer opgenomen omdat deze soorten alleen als broedvogel kunnen worden aangewezen conform de in 2000 geformuleerde beleidslijn: wespendief (A072) en blauwe kiekendief (A082).

B.3 Toepassing selectiecriteria Habitatrichtlijngebieden (paragraaf 4.3)

In dit onderdeel wordt voor elke Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Indien kwaliteit een rol heeft gespeeld in de bepaling van de gebiedenselectie voor habitattypen is dit tekstueel toegelicht. In het geval van soorten betreft de relatieve bijdrage het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is.

Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.

Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:

A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%

B1 = 2-6% en B2 = 6-15%

C = <2%

In de kolom “Bronvermelding” zijn de terreinbeherende organisaties en andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend, met vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd.

  • Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor de volgende habitattypen:

H7210 – *Galigaanmoerassen

Landelijke oppervlakte ca. 100 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

A2 (30-50%)

Provincie Limburg 2009

034

Weerribben

B2 (6-15%)

Staatsbosbeheer 2008

002

Duinen en Lage Land Texel

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2009

061

Korenburgerveen

B1 (2-6%)

Provincie Gelderland 2009

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

B1 (2-6%)

Provincie Noord-Brabant 2009

095

Oostelijke Vechtplassen

B1 (2-6%)

Natuurmonumenten 2008

083

Botshol

C (<2%)

Natuurmonumenten 2008

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

C (<2%)

Natuurmonumenten 2008

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor het prioritaire habitattype galigaanmoerassen (H7210) de volgende tien gebieden geselecteerd: Ringselven en Kruispeel22, Alde Feanen (013), Weerribben (034), Korenburgerveen (061), Rottige Meenthe & Brandemeer (018), De Wieden (035), Botshol (083), Nieuwkoopse Plassen & de Haeck (103), Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (136)23 en Duinen en Lage Land Texel (002)24.

Met de huidige kennis worden de volgende gebieden als de belangrijksten beschouwd. Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138) en Weerribben zijn veruit de belangrijkste gebieden voor dit prioritaire habitattype (respectievelijk 30-50% en 6-15% van de landelijke oppervlakte). Ook de gebieden op de derde tot en met zesde plaats, die elk 2-6% van de landelijke oppervlakte van dit habitat bevatten, leveren een aanzienlijke bijdrage: Duinen en Lage Land Texel, Korenburgerveen, Oostelijke Vechtplassen (095) en Kampina & Oisterwijkse Vennen (133). Door het sterk versnipperde voorkomen van galigaanmoerassen bevatten de overige belangrijkste gebieden elk niet meer dan 2% van de landelijke oppervlakte: Botshol en Zwanenwater & Pettemerduinen (085).

H91D0 – *Hoogveenbossen

Landelijke oppervlakte ca. 1.000 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

094

Naardermeer

A1 (15-30%)

KIWA & EEG 2007

034

Weerribben

B2 (6-15%)

Staatsbosbeheer 1997

035

De Wieden

B2 (6-15%)

Provincie Overijssel 2009

013

Alde Feanen

B1 (2-6%)

It Fryske Gea 1998

043

Wierdense Veld

B1 (2-6%)

Landschap Overijssel 2003

053

Buurserzand & Haaksbergerveen

B1 (2-6%)

Staatsbosbeheer 2005

061

Korenburgerveen

B1 (2-6%)

Provincie Gelderland 2008

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

B1 (2-6%)

Provincie Zuid-Holland 2011

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

B1 (2-6%)

Limburgs Landschap 2005

145

Maasduinen

B1 (2-6%)

Limburgs Landschap 2007

055

Aamsveen

G (C, <2%) a

Landschap Overijssel 1998

064

Wooldse Veen

G (C, <2%) a

Provincie Gelderland 2007

ou

  • a.

    De letter “G” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd op grond van grensoverschrijding: het gebied vormt een geheel met een gebied aan de andere zijde van de rijksgrens dat door Duitsland ook voor dit habitattype is aangemeld.

Voor het prioritaire habitattype hoogveenbossen zijn voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) de volgende tien gebieden als belangrijkste gebieden geselecteerd: Alde Feanen (013), Witterveld (024), Weerribben (034), Buurserzand & Haaksbergerveen (053), Aamsveen (055), Korenburgerveen (061), Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095), Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (136)25 en Maasduinen (145). Verder is toen als grensoverschrijdend gebied Wooldse Veen (064) toegevoegd.

Op basis van nieuwe informatie blijkt Naardermeer verreweg het belangrijkste gebied te zijn vanwege de grootste oppervlakte van goede kwaliteit met bijzondere veenmossoorten. Andere gebieden met grote oppervlakten en goede kwaliteit zijn Weerribben, De Wieden (035) en Alde Feanen. Tot de tien belangrijkste gebieden voor dit habitattype behoren verder Nieuwkoopse Plassen & de Haeck (103), Wierdense Veld (043), Buurserzand & Haaksbergerveen, Korenburgerveen, Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138) en Maasduinen. De gebieden Aamsveen en Wooldse Veen kunnen worden toegevoegd als grensoverschrijdende gebieden. Witterveld kan nu niet meer tot de tien “belangrijkste” gebieden worden gerekend omdat het merendeel van het berkenbroek daar volgens de huidige opvattingen gerekend wordt tot de habitattypen actieve hoogvenen (H7110A) en herstellende hoogvenen (H7120).

B.4 Toewijzing instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5)

Voor zover de hier vermelde gebiedsdoelen en relatieve bijdragen betrekking hebben op de Natura 2000- gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten deze worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen ze nog aan verandering onderhevig zijn.

In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling26 is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000-netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van de betreffende Natura 2000-waarde vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd.

Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-waarden die zijn toegevoegd ten opzichte van het ontwerpbesluit, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor de betreffende Natura 2000-waarde, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x. De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Bij broedvogels en niet-broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse-indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage.

B.4.1 Habitatrichtlijn: habitattypen

H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

verbetering

C

conform ontwerp

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit x

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

Ongeveer de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden wordt binnen de Natura 2000-gebieden beschermd (gebaseerd op een schatting van de oppervlakten van zowel begroeide als onbegroeide waterdelen van eutrofe meren en plassen). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In verscheidene gebieden wordt afgeweken van de landelijke doelstelling. In Olde Maten & Veerslootslanden (037) zijn behoudsdoelstellingen geformuleerd, omdat uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit al in voldoende mate in andere gebieden in Noordwest-Overijssel (De Wieden (035) en Weerribben (034)) kan worden gerealiseerd. In andere gebieden wordt er van de landelijke doelstelling afgeweken, omdat er nagenoeg geen mogelijkheid (ruimte) is om het habitattype uit te breiden en/of de potentie om de kwaliteit ervan te verbeteren gering is, bijvoorbeeld in Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (010), Alde Feanen (013) en Botshol (083). In het Naardermeer (094) is door recent herstel een aanzienlijk areaal van het habitattype aanwezig. Behoud is derhalve voldoende.

H4010B – Vochtige heiden, laagveengebied

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

C

conform ontwerp

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

behoud

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

behoud

A1

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

behoud

A1

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype vochtige heiden, laagveengebied (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling is hiermee in lijn gebracht. In het Natura 2000 doelendocument27 was behoud van de kwaliteit als doel gesteld. De uitbreiding van de oppervlakte werd echter gemotiveerd vanuit de noodzakelijke verbetering van structuur en functie, welke onderdeel zijn van de kwaliteit. Gezien de landelijke staat van instandhouding en de goede potenties voor herstel van dit habitattype in een aantal gebieden, is de landelijke doelstelling aangepast naar verbetering van de kwaliteit. In de vier Noord-Nederlandse gebieden, waar de grootste potentie ligt voor het behalen van de landelijke doelstelling, wordt uitbreiding van de oppervlakte nagestreefd en wordt ook kwaliteitsverbetering ten doel gesteld indien hiervoor mogelijkheden zijn in het gebied. In de West-Nederlandse gebieden wordt in tegenstelling tot de landelijke opgave behoud van de oppervlakte en/of kwaliteit beoogd, omdat het in deze gebieden veelal kleine versnipperde oppervlakten betreft waar geen potentie is voor uitbreiding van de oppervlakte en/of verbetering van de kwaliteit.

H6410 – Blauwgraslanden

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

verbetering

C

conform ontwerp

015

Van Oordt’s Mersken

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

016

Wijnjeterper Schar

behoud

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

021

Lieftinghsbroek

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

028

Elperstroomgebied

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

041

Boetelerveld

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

045

Springendal & Dal van de Mosbeek

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

046

Bergvennen & Brecklenkampse Veld

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

047

Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

uitbreiding

verbeteringbehoud

C

aanwijzingsbesluit

049

Dinkelland

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

051

Lonnekermeer

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

057

Veluwe

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

058

Landgoederen Brummen

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

060

Stelkampsveld

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

061

Korenburgerveen

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

062

Willinks Weust

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

065

Binnenveld

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

069

De Bruuk

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

130

Langstraat

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

131

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

135

Kempenland-West

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

Het habitattype blauwgraslanden komt in verspreid liggende gebieden in kleine oppervlakten voor. Van de circa 180 ha blauwgrasland in Nederland is ongeveer twee derde opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype blauwgraslanden is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”28. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Voor het merendeel van de gebieden geldt dat de doelen aansluiten bij de landelijke doelstelling van uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit van het habitattype. In een aantal gevallen is hiervan afgeweken en is er gekozen voor een behoudsdoelstelling voor de oppervlakte of de kwaliteit. De belangrijkste reden met betrekking tot de oppervlakte is dat er buiten het huidig voorkomen in het betreffende gebied niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden aanwezig zijn. De landelijke doelstelling ter verbetering van de kwaliteit van dit habitattype kan ook niet in alle gebieden gerealiseerd worden. In het gebied Duinen Schiermonnikoog (006) bijvoorbeeld wordt gezien de geïsoleerde ligging van het gebied geen potentieel herstel van de kwaliteit verwacht. De meest kansrijke gebieden zijn aangewezen voor kwaliteitsverbetering van het habitattype.

H6430A – Ruigten en zomen, moerasspirea

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage a

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandermeer

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

038/

066-068

Rijntakken

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

069

De Bruuk

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

097

Meijendel & Berkheide

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

112

Biesbosch

behoud

behoud

A2

aanwijzingsbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

145

Maasduinen

behoud b

behoud

C

wijzigingsbesluit

148

Swalmdal

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

154

Geleenbeekdal

behoud c

behoud

C

wijzigingsbesluit

167

Maas bij Eijsden

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    De relatieve bijdragen betreffen een inschatting, omdat de landelijke oppervlakte van dit subtype slechts globaal bekend is.

  • (b)

    Enige achteruitgang in oppervlakte is toegestaan ten gunste van behoud oppervlakte van habitattype stroomdalgraslanden (H6120)29.

  • (c)

    Enige achteruitgang in oppervlakte is toegestaan ten gunste van uitbreiding oppervlakte van habitattype kalkmoerassen (H7230).

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De landelijk opgave is gericht op het behoud van de huidige verspreiding van deze ruigten die meestal lintvormige begroeiingen vormen over het gehele rivierengebied. Bijzondere soorten van dit subtype zijn onder meer te verwachten in ruigten en zomen in extensief beheerde beekdalen die incidenteel overstromen met beekwater en in laagveenmoerassen. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling.

H6430B – Ruigten en zomen, harig wilgenroosje

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage b

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte water en Vecht

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

038/

066-068

Rijntakken

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit x

072

IJsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

091

Polder Westzaan

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

100

Voornes Duin

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

108

Oude Maas

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

uitbreiding

behoud

B

aanwijzingsbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

behoud

A

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

124

Groote Gat

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Verbetering kwaliteit geldt voor de brakke varianten.

  • (b)

    De weergegeven relatieve bijdragen betreffen een voorlopige inschatting, omdat er nog onduidelijkheid is over de landelijke oppervlakte van dit subtype. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) omdat kwantitatieve gegevens over het voorkomen van deze zoomvegetaties beperkt beschikbaar zijn. Oppervlakten zijn moeilijk te bepalen omdat het meestal slechts smalle stroken of kleine plekken betreft.

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan de landelijke doelstelling worden nagestreefd. De doelstelling voor uitbreiding van de oppervlakte wordt enkel nagestreefd in de belangrijkste gebieden voor dit habitattype, zoals Oude Maas (108), Haringvliet (109) en Biesbosch (112).

De landelijke doelstelling voor verbetering van de kwaliteit is alleen neergelegd in gebieden die potentie bieden voor verbetering van de kwaliteit van de brakke variant van dit habitattype.

H7140A – Overgangs- en trilvenen, trilvenen

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

045

Springendal & Dal van de Mosbeek

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

049

Dinkelland

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

057

Veluwe

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

061

Korenburgerveen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

065

Binnenveld

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

069

De Bruuk

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

130

Langstraat

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

134

Regte Heide & Riels Laag

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit x

Bijna drie kwart van de landelijke oppervlakte van het habitattype overgangs- en trilvenen, trilvenen (subtype A) is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”n. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Bijna alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke opgave. In de gebieden Alde Feanen (013), Vecht- en Beneden-Reggegebied (039), Dinkelland (049), IJsselmeer (072) en Regte Heide & Riels Laag (134) wordt van de landelijke doelstelling afgeweken en zijn er behoudsdoelstellingen geformuleerd, omdat er in deze gebieden slechts geringe oppervlakten van dit subtype aanwezig zijn en er weinig zicht is op herstel.

H7140B – Overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

B1

conform ontwerp

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

083

Botshol

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

130

Langstraat

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

Meer dan de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden (subtype B) is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan echter de landelijke doelstelling nagestreefd worden. In het gebied Rottige Meenthe & Brandemeer (018) wordt uitbreiding van de oppervlakte of verbetering van de kwaliteit bijvoorbeeld niet realistisch geacht, gezien de geringe potentie voor herstel van de benodigde kalkrijke kwel. In het gebied De Wieden (035) wordt in tegenstelling tot de landelijke doelstelling behoud van de oppervlakte beoogd. Er is reeds een grote oppervlakte van dit habitattype aanwezig in het gebied en er is geen potentie om deze verder uit te breiden. In het voormalig brakwaterveen Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090) is het doel voor dit subtype ook op behoud van de oppervlakte gesteld. Reden hiervoor is dat het habitattype over een relatief grote oppervlakte voorkomt. Ook wordt hier, evenals in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092), behoud van de kwaliteit beoogd. Snelle verzuring en verbossing vergen in deze gebieden reeds grote inspanningen om de kwaliteit te behouden. Ook in de gebieden Eilandspolder (089) en Polder Westzaan (091) wijken de doelstellingen af van de landelijke doelstelling. De kansen voor nieuwvorming zijn onduidelijk en de meeste andere gebieden hebben een beter perspectief voor verbetering van de kwaliteit.

H7210 – *Galigaanmoerassen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

C

conform ontwerp

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

061

Korenburgerveen

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

130

Langstraat

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

behoud

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

behoud

verbetering

A1

ontwerpbesluit

142

Sint Jansberg

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

Het habitattype galigaanmoerassen heeft een sterk versnipperd voorkomen dat doorgaans over kleine oppervlakten voorkomt. Van de circa 100 ha galigaanmoerassen in Nederland is bijna de helft opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke kwaliteitsdoelstelling sluit hierop aan. Ondanks dat ook de staat van instandhouding op het aspect oppervlakte matig ongunstig is, geldt voor de oppervlakte landelijk een behoudsdoelstelling. De reden hiervoor is dat het landschapsecologisch nauwelijks uitvoerbaar is om de aanwezige oppervlakten uit te breiden. Slechts in enkele gebieden zijn goede potenties voor uitbreiding van de oppervlakte. In deze gebieden wordt deze mogelijkheid benut en wijkt de doelstelling dan ook af van het landelijk doel. Dit betreft de gebieden Weerribben (034), De Wieden (035) en Oostelijke Vechtplassen (095), waar uitbreiding van de oppervlakte beoogd wordt om het habitattype duurzaam te behouden en de kwaliteit te verbeteren. Ook in het gebied Botshol (083) liggen mogelijkheden voor uitbreiding van de oppervlakte, waarmee het habitattype ook bij verdere verlanding behouden kan worden.

Ook het landelijke doel ter verbetering van de kwaliteit van dit habitattype biedt niet in alle gebieden evenveel potentie. Het meest kansrijk is de kwaliteitsverbetering in het Natura 2000-landschap Meren en Moerassen in combinatie met het habitattype overgangs- en trilvenen, trilvenen (H7140A). De verbeteropgave is daarom onder andere neergelegd in de gebieden Weerribben, De Wieden en Oostelijke Vechtplassen. Ook in de gebieden Kampina & Oisterwijkse Vennen (133) en Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138) zijn goede kansen voor kwaliteitsverbetering. In de overige gebieden wordt behoud van de kwaliteit nagestreefd, in tegenstelling tot het landelijk doel. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de aanwezigheid van reeds goede kwaliteit (onder andere Duinen en Lage Land Texel (002), Rottige Meenthe & Brandemeer (018) en Zwanenwater & Pettemerduinen (085)) en de geringe potentie voor kwaliteitsverbetering (onder andere Alde Feanen (013), Noordhollands Duinreservaat (087) en Korenburgerveen (061)).

H91D0 – *Hoogveenbossen

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

B1

conform ontwerp

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

024

Witterveld

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

029

Holtingerveld

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

verbetering

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

verbetering

B2

ontwerpbesluit

053

Buurserzand & Haaksbergerveen

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

054

Witte Veen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

055

Aamsveen

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

061

Korenburgerveen

behoud

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

064

Wooldse Veen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

uitbreiding

behoud

A1

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

145

Maasduinen

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

149

Meinweg

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

150

Roerdal

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

155

Brunssummerheide

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

Ongeveer twee derde van de landelijke oppervlakte van het habitattype hoogveenbossen bevindt zich binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In de gebieden met de grootste ecologische potentie voor herstel van het habitattype en/of waar de grootste bijdrage aan de landelijke doelstelling gerealiseerd kan worden, wordt uitbreiding van de oppervlakte en/of verbetering van de kwaliteit van het habitattype nagestreefd. In de overige gebieden wordt volstaan met behoud van het habitattype. Bijvoorbeeld in het gebied Maasduinen (145) is het areaal waar het habitattype hoogveenbossen voor kan komen al volledig benut, waardoor er geen mogelijkheden voor uitbreiding zijn. Ook in het gebied Rottige Meenthe & Brandemeer (018) wordt behoud van het habitattype beoogd. Hier is, gezien de hydrologie, geringe potentie voor het habitattype. In de laagveengebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092) en Oostelijke Vechtplassen (095) zijn kleine oppervlakten hoogveenbossen aanwezig, evenals in de Limburgse gebieden Meinweg (149) en Roerdal (150). Er is weinig potentie voor ontwikkeling van het habitattype in deze gebieden. In enkele van deze gebieden is echter wel potentie voor kwaliteitsverbetering. In de gebieden met hoogveenkernen komen hoogveenbossen voor rondom de hoogveenkern op de zandbodem (onder andere in de gebieden Witterveld (024), Witte Veen (054), Wooldse Veen (064)). Aangezien de prioriteit in deze gebieden bij de ontwikkeling van hoogveen ligt en de potenties ter verbetering van de kwaliteit en/of uitbreiding van de oppervlakte beperkt zijn, wordt hier slechts in beperkte mate gestreefd naar uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering.

B.4.2 Habitatrichtlijn: soorten

H1042 – Gevlekte witsnuitlibel

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

023

Fochteloërveen

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

029

Holtingerveld

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

A1

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

A1

aanwijzingsbesluit

051

Lonnekermeer

behoud

behoud

uitbreiding

B2

aanwijzingsbesluit

053

Buurserzand & Haaksbergerveen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

wijzigingsbesluit

057

Veluwe

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

061

Korenburgerveen

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

wijzigingsbesluit

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

145

Maasduinen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

wijzigingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de gevlekte witsnuitlibel is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Vrijwel alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke doelstelling. In het Noordhollands Duinresrvaat (087) is de kwaliteit van het leefgebied echter al goed. In het Holtingerveld (029) en het Lonnekermeer (051) is het perspectief voor de soort reeds goed en de mogelijkheden voor herstel van het leefgebied zijn beperkt. In het Fochteloërveen (023), het Drentsche Aa-gebied (025), het Korenburgerveen (061) komt de soort in een niet-optimaal leefgebied voor en daarom is in deze gebieden voor een behoudsdoelstelling gekozen.

H1134 – Bittervoorn

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

C

doel aangepast c

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud a

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud b

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattype beken en rivieren met waterplanten, waterranonkels (H3260A), is toegestaan30.

  • (b)

    Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattypen schorren en zilte graslanden (H1330) of ruigten en zomen (H6430) is toegestaan31.

  • (c)

    De verspreidingsdoelstelling is verwijderd.

De landelijke staat van instandhouding van de bittervoorn is op het aspect leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling.

H1145 – Grote modderkruiper

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Besluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

doel aangepast a

015

Van Oordt’s Mersken

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

uitbreiding

behoud

uitbreiding

ontwerpbesluit

053

Buurserzand & Haaksbergerveen

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

066

Uiterwaarden Neder-Rijn

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

uitbreiding

verbetering

behoud

ontwerpbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

  • (a)

    De verspreidingsdoelstelling is verwijderd.

De landelijke staat van instandhouding van de grote modderkruiper is beoordeeld als “matig ongunstig”. Inventarisatiegegevens van de soort zijn slechts in beperkte mate aanwezig, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. Wel is duidelijk dat het leefgebied is gekrompen. De landelijke doelstelling is gericht op het plaatselijk verbeteren van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie. De toepassing van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de gedragscode voor waterschappen kunnen tevens een positieve bijdrage leveren aan een verbetering van het leefgebied van de soort. Hersteldoelstellingen zijn neergelegd in die gebieden waar de soort onder druk staat en/of er goede mogelijkheden zijn voor het uitbreiden en verbeteren van het leefgebied ten behoeve van het uitbreiden van de populatie.

H1149 – Kleine modderkruiper

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Besluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

doel aangepast b

015

Van Oordt’s Mersken

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

045

Springendal & Dal van de Mosbeek

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

065

Binnenveld

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud a

behoud

behoud

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

135

Kempenland-West

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

141

Oeffelter Meent

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

  • (a)

    Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattypen schorren en zilte graslanden (H1330) of ruigten en zomen (H6430) is toegestaan32.

  • (b)

    De verspreidingsdoelstelling is verwijderd.

De landelijke staat van instandhouding voor de kleine modderkruiper is op het aspect leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke opgave. Inventarisatiegegevens van de soort zijn slechts in beperkte mate aanwezig, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. Gezien de ruime verspreiding en het algemene voorkomen van de soort, voldoet de kwaliteit van het leefgebied op het merendeel van de vindplaatsen. Het streven is om het algemeen voorkomen van de kleine modderkruiper in Nederland te bestendigen. Het is met name van belang om de soort in de kern van zijn verspreidingsgebied in hoge aantallen en wijdverspreid te behouden. Net als de grote modderkruiper kan de kleine modderkruiper daarnaast profiteren van de ingeslagen beleidswegen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het meer ecologisch beheren van wateren door waterschappen.

H1163 – Rivierdonderpad

Landelijke doelstelling: behoud/uitbreiding omvang en behoud/verbetering kwaliteit leefgebied a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Besluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

doel aangepast c

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

049

Dinkelland

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

057

Veluwe

uitbreiding

behoud

uitbreiding

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud b

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

148

Swalmdal

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

157

Geuldal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

ontwerpbesluit

  • (a)

    Behoud omvang en kwaliteit leefgebied in de grote wateren en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied in de beken.

  • (b)

    Enige achteruitgang in oppervlakte leefgebied ten gunste van broedvogelsoorten roerdomp (A021) of grote karekiet (A298) is toegestaan33.

  • (c)

    De verspreidingsdoelstelling is verwijderd.

De landelijke staat van instandhouding van de rivierdonderpad is op het aspect leefgebied als “matig ongunstig”34 beoordeeld en heeft voornamelijk betrekking op in beken voorkomende rivierdonderpadden, waaronder de “beekdonderpad” (Cottus rhenanus). De staat van instandhouding van de “gewone” rivierdonderpad (Cottus perifretum) die een veel ruimere verspreiding heeft in meren, rivieren en beken, wordt, behalve in beken, vooralsnog als gunstig beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Er zijn onvoldoende inventarisatiegegevens over de landelijke verspreiding van de soort op kilometerhokniveau bekend, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. In de beekdalgebieden is een landelijke hersteldoelstelling neergelegd. Alleen in de gebieden Veluwe (057) en Geuldal (157), waar het leefgebied het meest onder druk staat en er mogelijkheden zijn voor herstel van het leefgebied en van de populatie, is een hersteldoelstelling neergelegd.

H1318 – Meervleermuis (zomer)

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de meervleermuis is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”35. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke opgave, die gericht is op behoud van foerageergebieden die gebruikt worden door meervleermuizen uit kraamkolonies en verblijfplaatsen in de omgeving van de betreffende Natura 2000- gebieden.

H1340 – *Noordse woelmuis

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

verbetering

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

009

Groote Wielen

uitbreiding

verbetering

behoud

C

aanwijzingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

conform ontwerp

072

IJsselmeer

uitbreiding

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B1

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

108

Oude Maas

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

behoud

B1

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

verbetering

behoud

C

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

uitbreiding

behoud

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de noordse woelmuis is op het aspect leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Landelijke uitbreiding van de populatie wordt vooral beoogd in de Friese gebieden omdat het leefgebied vooral daar sterk versnipperd is geraakt. De doelstellingen uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied en uitbreiding populatie zijn verder neergelegd in gebieden die daarvoor mogelijkheden bieden (bijvoorbeeld in het kader van natuurontwikkeling) of waar duidelijke aanwijzing is dat de soort recent is achteruitgegaan. In Duinen en Lage Land Texel (002) staat het doel voor omvang van het leefgebied op “behoud” omdat de soort al over het gehele eiland voorkomt. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied is vooral nodig om de populatie weerstand te kunnen laten bieden tegen concurrentie met andere diersoorten. In IJsselmeer (072) en Oosterschelde (118) is op het aspect kwaliteit van de landelijke opgave afgeweken. In de Oosterschelde is de kwaliteit al op orde; derhalve is behoud voldoende. In het IJsselmeer is afgeweken omdat hier de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit beperkt zijn.

B.4.3 Vogelrichtlijn: broedvogels

A017 – Aalscholver

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

870

B1

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

910

B1

doel aangepast a

035

De Wieden

behoud

behoud

1.000

B1

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

280

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

230

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

8.000R

B2

aanwijzingsbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

8.000R

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

8.000R

A1

aanwijzingsbesluit

079

Lepelaarplassen

behoud

behoud

8.000R

B2

aanwijzingsbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

790

B1

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

1.500

B2

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoud

behoud

1.100

B1

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

310

C

ontwerpbesluit

119

Veerse Meer

behoud

behoud

300

B1

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Het aantal in de doelstelling van Alde Feanen is aangepast van 800 naar 910 paren. Conform de systematiek dient het gemiddelde aantal paren van de periode 1999-2003 ten minste behouden te blijven.

  • (b)

    (R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de aalscholver is voor zowel leefgebied als populatie als “gunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud van het actuele nationale populatieniveau van ten minste 20.000 paren”. Het gemiddelde aantal broedparen in Nederland in 1999-2003 werd naar boven afgerond tot 21.000 paren. Dit was relatief hoog ten opzichte van de periode vanaf 1994 door tijdelijke opleving in het IJsselmeergebied in 2002 en 2003. Daarom is als landelijk doel gekozen voor een doelniveau van 20.000 paren. De gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke behoudopgave. De som van de populatieaantallen in de gebiedsdoelen is lager dan de landelijke doelstelling van 20.000 paren. De regionale doelstelling voor het IJsselmeergebied (8.000 broedparen) is eveneens lager dan de som van de gemiddelden 1999-2003 (9.600 broedparen) van Oostvaardersplassen (078), IJsselmeer (072) en Lepelaarplassen (079)36. De beide hiervoor genoemde afwijkingen zijn acceptabel omdat verwacht wordt dat de populatie aalscholvers als gevolg van ecologische ontwikkelingen verder zal afnemen37. Het gemiddelde aantal van het IJsselmeergebied neemt af in de richting van 8.000 broedparen. Omdat een verbetering van de waterkwaliteit wordt voorzien zal de voedselbeschikbaarheid verder afnemen. Het is daarom niet te verwachten dat het aantal van 9.600 broedparen weer bereikt zal worden.

A021 – Roerdomp

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

5

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

2

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

3 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

10

B1

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

6 (↑)

C

doel aangepast a

014

Deelen

behoud

behoud

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

behoud

behoud

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

30 (↑)

B2

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

uitbreiding

verbetering

1 (↑)

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

7(↑)

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

6 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

075

Ketelmeer & Vossemeer

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B2

aanwijzingsbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

2 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

10

B1

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

10

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

15

B2

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

6 (↑)

C

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

137

Strabrechtse Heide & Beuven

behoud

behoud

5

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Het aantal in de doelstelling van Alde Feanen is aangepast van 4 naar 6 territoria, omdat het gebied gezien de recente populatieontwikkeling (2007-2009) een grotere draagkracht heeft dan op basis van het gemiddelde in de periode 1999-2003 werd aangenomen en het daarmee een grotere bijdrage kan leveren aan de landelijke doelstelling voor deze soort.

De landelijke staat van instandhouding van de roerdomp is voor wat betreft de aspecten leefgebied en populatie als “zeer ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding tot een populatie van ten minste 400 paren (territoria)”. De doelstelling is conform het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)38.

Bij de roerdomp is het streven tenminste de gewenste minimumpopulatie voor Nederland te herstellen39. Dit betekent dat het beoogde herstel deels zal moeten worden bereikt in gebieden buiten het Natura 2000- netwerk. Een aantal gebiedsdoelstellingen wijkt af van de landelijke doelstelling. In deze gebieden wordt een behoudopgave beoogd. In de gebieden Duinen Schiermonnikoog (006), Deelen (014) en Zuidlaardermeergebied (020) wordt met behoud van het leefgebied herstel (Duinen Schiermonnikoog) of een kleine uitbreiding van de populatie nagestreefd. De gebieden Duinen en Lage Land Texel (002) en Duinen Ameland (005) bieden geen verdere ruimte voor uitbreiding gelet op de beperkte beschikbaarheid van rietmoerassen in de duingebieden. Het gebied Lauwersmeer (008) wijkt af omdat uit tellingen blijkt dat het gemiddeld voorkomen van de soort in dit gebied in het (recente) verleden niet groter is geweest dan het gemiddelde voorkomen waarop de doelstelling is gebaseerd. Het is dus onzeker of het gebied meer broedvogels kan herbergen dan nu het geval is. Voor de gebieden Alde Feanen (013) en Oostvaardersplassen (078) is voor behoud van de populaties en de leefgebieden gekozen, omdat de populaties de laatste jaren reeds sterk toegenomen zijn.

A029 – Purperreiger

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

conform ontwerp

014

Deelen

behoud

behoud

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

50

B2

ontwerpbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

40

B2

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

40

B2

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

120

A1

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

100

A1

ontwerpbesluit

106

Boezems Kinderdijk

behoud

behoud

75 (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de purperreiger is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. Voor een soort als deze waarvan het populatieniveau nog ver beneden het historisch niveau verkeert is een herstelopgave gewenst40. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 600 paren over ten minste 10 kolonies van ten minste 60 paren”. Het gestelde doel is conform het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000). Vanuit populatie-ecologisch oogpunt is minstens herstel van de broedvogelpopulatie van de purperreiger gewenst naar een niveau van ten minste 10 sleutelpopulaties, die ieder uit ten minste 20 paren bestaan (Natura 2000 profielendocument (2008)). Een aantal gebiedsdoelstellingen wijkt af van de landelijke doelstelling. In deze gebieden wordt een behoudopgave beoogd. In het gebied Deelen (014) wordt met behoud van het huidige leefgebied een kleine uitbreiding van de populatie nagestreefd omdat het gedurende lange tijd een klein aantal paren betreft. In het gebied Boezems Kinderdijk (106) wordt met behoud van het huidige leefgebied een uitbreiding van de populaties nagestreefd omdat de soort de laatste jaren sterk is toegenomen wat duidt op een hogere draagkracht dan voor het gemiddelde aantal broedparen in de periode 1999-2003.

A081 – Bruine kiekendief

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

45

B1

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

25

B1

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

conform ontwerp

014

Deelen

uitbreiding

verbetering

5

C

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

25

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

15

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

30

B1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

13

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

19

C

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de bruine kiekendief is voor de aspecten leefgebied en populatie als “gunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud van ten minste 1.300 paren”. Gezien de belangrijke functie van Nederland als noordwestelijk bolwerk in het broedgebied in Europa is een veilige marge ingebouwd in het voor Nederland na te streven populatieniveau. Het gestelde doel betreft behoud van het huidige niveau. Voor de realisatie van de landelijke doelstelling zal aansluiting nodig zijn van nationaal beleid zoals de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur.

De gebiedsdoelstellingen sluiten bij de landelijke doelstelling aan, met uitzondering van de gebieden Alde Feanen (013) en Deelen (014). Voor Alde Feanen is vanwege de in deze regio unieke potentie voor een sleutelpopulatie, ondanks de landelijk gunstige staat van instandhouding een (beperkte) uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Vanwege de recente afname van de populatie in gebied Deelen is hier een beperkte herstelopgave geformuleerd, zodat de soort in het gebied behouden kan blijven.

A119 – Porseleinhoen

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

4

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

2

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

15

B2

aanwijzingsbesluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

4 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

1 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

012

Sneekermeergebied

behoud

behoud

2 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

15(↑)

B1

doel aangepast a

019

Leekstermeergebied

behoud

behoud

2 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

uitbreiding

verbetering

15

B2

aanwijzingsbesluit

023

Fochteloërveen

behoud

behoud

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

033

Bargerveen

behoud

behoud

15 (↑)

B1

ontwerpbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

30 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

20

B2

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

066

Uiterwaarden Neder-Rijn

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

18 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

7 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

075

Ketelmeer & Vossemeer

uitbreiding

verbetering

4 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

8

B1

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

9 (↑)

C

ontwerpbesluit

106

Boezems Kinderdijk

behoud

behoud

1

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

140

Groote Peel

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    De doelstelling van Alde Feanen is aangepast van “behoud omvang en kwaliteit leefgebied” naar “uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied” vanwege de zeer ongunstige landelijke staat van instandhouding van de populatie en de negatieve lokale trend. Het aantal in de doelstelling is aangepast van ten minste 20 naar ten minste 15 paren. Het aantal is gebaseerd op de historische potentie van 15 paren in de gunstige jaren 1989 en 1994. Aangezien het aantal van 15 broedparen in het gebied voor zover bekend nooit is overschreden, wordt een doelstelling van 20 paren niet realistisch geacht.

De landelijke staat van instandhouding van het porseleinhoen is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 400 paren”. De aantallen van het porseleinhoen vertonen jaarlijks grote schommelingen als gevolg van weersomstandigheden zodat een doelstelling op basis van het gemiddelde niet doelmatig is. Er is daarom gekozen voor een populatieniveau in gunstige jaren, de jaren waarin in het late voorjaar sprake is van hoge waterstanden in het leefgebied, dat de belangrijkste voorwaarde is om tot broeden over te gaan. De herstelopgave volgt het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)41. Er zijn voor het porseleinhoen extra inspanningen nodig om de gewenste landelijke minimumpopulatie te bereiken42. Er is een beleidskeuze gemaakt om strategisch te lokaliseren door de opgave voor herstel van plas-dras situaties voor onder andere het porseleinhoen te leggen in het landschap Meren en Moerassen, waaronder de gebieden IJsselmeer (072) en Alde Feanen (13). Daarnaast liggen er potenties in het rivierengebied. Behoud wordt nagestreefd in die gebieden waar de historische potentie niet meer haalbaar is, waar de lokale populatietrend stabiel of toenemend is zodat behoud van het leefgebied voldoende is, of waar onvoldoende trendgegevens beschikbaar zijn om de potenties voor herstel in te schatten. De gebieden Duinen Vlieland (003), Duinen Ameland (005) bieden onvoldoende potentie voor verdere verbetering van het leefgebied en de daarmee samenhangende populatieontwikkeling. In het gebied Boezems Kinderdijk (106) is de lokale populatietrend stabiel. In het gebied Lauwersmeer (008) is de lokale populatietrend toenemend. Van de gebieden Groote Wielen (009), Sneekermeergebied (012) en Leekstermeergebied (019) zijn onvoldoende trendgegevens beschikbaar. Voor Groote Wielen, Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (010), Sneekermeergebied, Leekstermeergebied is ingeschat dat het behoud van het leefgebied voldoende is voor een (kleine) toename van de populatie.

A151 – Kemphaan

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

008

Lauwersmeer

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

009

Groote Wielen

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

012

Sneekermeergebied

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

10 (↑)

C

doel aangepast a

015

Van Oordt’s Mersken

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

uitbreiding

verbetering

25 (↑)

B2

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    In de doelstelling is het begrip “paren” vervangen door het begrip “hennen”, omdat de kemphaan geen broedparen vormt. De hennen verzorgen alléén de broedzorg en de jongen.

De landelijke staat van instandhouding van de kemphaan als broedvogel is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie van ten minste 1000 hennen”. Vrijwel alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke doelstelling. Alleen in de Alde Feanen (013) wordt van de landelijke verbeteropgave voor het aspect leefgebied afgeweken; in dit gebied wordt met behoud van het huidige leefgebied een uitbreiding van de populatie beoogd.

A197 – Zwarte stern

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

60 (↑)

C

doel aangepast a

014

Deelen

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

200 (↑)

B2

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

uitbreiding

verbetering

60 (↑)

B1

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

50 (↑)

B1

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

150 (↑)

B2

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

ontwerpbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

15

C

ontwerpbesluit

083

Botshol

uitbreiding

verbetering

15 (↑)

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

30

B1

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

80 (↑)

B1

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B1

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

40 (↑)

B1

ontwerpbesluit

106

Boezems Kinderdijk

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Het aantal in de doelstelling van Alde Feanen is aangepast van ten minste 40 paren naar ten minste 60 paren. Vanwege de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding van de populatie en de historische potentie is het aantal geformuleerd op het relatief hoge niveau van de periode 1986-1990 (gemiddeld ruim 59 paren).

De landelijke staat van instandhouding van de zwarte stern is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. Landelijk is een herstelopgave geformuleerd: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 2.000 paren”. Het merendeel van de gebiedsdoelstellingen sluit hierop aan.

A292 – Snor

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

25

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

40

B1

conform ontwerp

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

680

A2

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

9

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

25

C

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

30

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

150

B2

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

C

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

20 (↑)

C

ontwerpbesluit

106

Boezems Kinderdijk

behoud

behoud

9

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

130

B2

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de snor is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig”43 en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “uitbreiding en verbetering van het leefgebied voor licht herstel van de populatie”44. Behoud wordt nagestreefd in die gebieden waar de lokale populatietrend stabiel is of toenemend zodat behoud van het leefgebied voldoende is, of waar onvoldoende trendgegevens beschikbaar zijn om de potenties voor herstel in te schatten. Van de gebieden Lauwersmeer (008), Alde Feanen (013)en Boezems Kinderdijk (106) is de populatieomvang de laatste 10 jaar of langer met fluctuaties stabiel geweest zodat behoud van het leefgebied voldoende is. In deze gebieden ligt de historische potentie dicht bij de actuele toestand. Er is onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat herstel in deze gebieden nodig of reëel is. In het gebied Oostvaardersplassen (078) is de populatietrend toenemend zodat behoud van het leefgebied voldoende is.

Van het gebied IJsselmeer (072) zijn er onvoldoende trendgegevens beschikbaar om de potenties voor herstel in te schatten. Daarnaast zijn er in het gebied IJsselmeer maar beperkt mogelijkheden om rietvegetaties uit te breiden of in kwaliteit te verbeteren.

A295 – Rietzanger

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

120

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

230

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

1.900

B2

aanwijzingsbesluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

220

C

aanwijzingsbesluit

012

Sneekermeergebied

behoud

behoud

370

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

800

B1

conform ontwerp

014

Deelen

behoud

behoud

200

C

aanwijzingsbesluit

019

Leekstermeergebied

behoud

behoud

70

C

aanwijzingsbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

behoud

behoud

200

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

900

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

3.000

A1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

990

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

270

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

790

B1

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

230

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

480

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

800

B1

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

880

B1

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

340

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

420

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

260

C

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de rietzanger is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 20.000 paren”. De gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

B.4.4 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend45:

Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000 - 2003/2004).

Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004).

Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum.

Niet-broedvogelsoorten

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

Vogelsoort

Aantal gebieden

Landelijke doelstelling

Populatie Alde Feanen

Relatieve bijdrage *

Besluit

A017 Aalscholver (f)

26

24.500

60

f, C

conform ontwerp

A041 Kolgans (f);(g)

36

218.300

2.700

sf, C

doel aangepast (j)

A043 Grauwe gans (f);(g)

31

86.300

280

sf, C

doel aangepast (j)

A045 Brandgans (f);(g)

26

140.900

430/6.100 (max) (i)

sf, C

doel aangepast (j)

A050 Smient (f);(g)

46

258.200

2.700

sf, C

doel aangepast (j)

A051 Krakeend (f);(g)

35

10.200

120

f, C

conform ontwerp

A052 Wintertaling (c)

24

21.000

140

f, C

conform ontwerp

A056 Slobeend (f);(h)

39

5.750

140

f, C

conform ontwerp

A059 Tafeleend (d)

18

20.900

90

f, C

conform ontwerp

A061 Kuifeend (b);(h)

21

75.700

470

f, C

conform ontwerp

A068 Nonnetje (a)

18

690

30

f, B1

conform ontwerp

A156 Grutto (e)

23

6.000

90/880 (max) (i)

sf, C

conform ontwerp

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (óf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).

  • a.

    Nonnetje: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd voor deze soort vanwege slechte stuurbaarheid van vermoedelijke oorzaken (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • b.

    Kuifeend: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd, omdat deze staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • c.

    Wintertaling: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd. De staat van instandhouding is gebaseerd op een populatieafname die niet leidt tot een waarde van minder dan 75% van de draagkrachtindicatie (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • d.

    Tafeleend: ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd, vanwege slecht stuurbare oorzaken en enige compensatie door toename in de randmeren (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • e.

    Grutto: de grutto heeft gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding op landelijk niveau een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. Aangezien deze opgave niet te realiseren is binnen het Natura 2000-netwerk is in alle gebieden een behoudopgave voor de grutto geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • f.

    Aalscholver, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend en slobeend: de staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”46.

  • g.

    Kolgans, grauwe gans, brandgans, smient en krakeend: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.

  • h.

    Slobeend en kuifeend: enige afname landelijk als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar.

  • i.

    Eerste getal betreft de foerageerfunctie, tweede getal de slaapfunctie. Relatieve bijdrage is gebaseerd op de foerageerfunctie.

  • j.

    De ten gunste formulering is aangepast. Uit de ten gunste formulering is het habitattype blauwgraslanden (H6410) verwijderd. Voor dit habitattype geldt een behoudsdoelstelling ten aanzien van de oppervlakte. Maatregelen ten behoeve van dit habitattype gaan niet ten koste van de omvang van het beschikbare foerageergebied van genoemde vogelsoorten.

Bijlage Gebiedsbegrenzingen

LEGENDA:

Artikel

Noemer

Indicatief/exact

GIO-id47

1, eerste lid

Alde Feanen – Habitatrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_AldeFeanen_HR/nld@2025‑01‑20

2, eerste lid

Alde Feanen – Vogelrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_AldeFeanen_VR/nld@2025‑01‑20

3, tweede lid

Natura 2000-gebied Alde Feanen

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_AldeFeanen_N2000/nld@2025‑01‑20

Toelichting bij vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Alde Feanen

1. Vaststelling nieuwe tekst

Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Alde Feanen, het Vogelrichtlijngebied Alde Feanen en het Natura 2000-gebied Alde Feanen, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.

2. Procedure

Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.

3. Inwerkingtreding

Omdat met dit besluit de inhoud ongewijzigd blijft, kan het meteen de dag na publicatie inwerking treden.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

De directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum:

  • 1

    Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.

  • 2

    Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (2004/813/EG). PB EU 2004, L 387/1. Laatstelijk vervangen door Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/26/EU van 16 november 2012 tot vaststelling van een zesde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PbEU 2013, L 24/ 379). Terug naar link van noot.

  • 3

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 4

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 5

    De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.

  • 6

    Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 16 en 25. Terug naar link van noot.

  • 7

    De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 8

    Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.

  • 9

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 10

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 11

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 12

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 13

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 14

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 15

    Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd aan bijlage II. Terug naar link van noot.

  • 16

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 17

    Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting. Terug naar link van noot.

  • 18

    Ministerie van LNV (2000): nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 19

    De nota van Antwoord (2000) vermeldt 44 soorten van bijlage I waarvoor gebieden kunnen worden aangewezen. Voor één soort zijn geen gebieden aangewezen omdat er geen vaste verblijfplaatsen zijn (lachstern). Sindsdien zijn verder drie soorten aan bijlage I toegevoegd. Voor twee van deze soorten (strandplevier en dwergmeeuw) waren reeds gebieden aangewezen. Voor de dwerggans worden naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak gebieden aangewezen. Per saldo zijn en worden er dus voor 46 soorten van bijlage I gebieden aangewezen. Terug naar link van noot.

  • 20

    SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek- Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 21

    SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 22

    Dit gebied is samen met het Habitatrichtlijngebied Weerterbos opgenomen in het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138). Terug naar link van noot.

  • 23

    Destijds bekend als Groote Heide - De Plateaux. Terug naar link van noot.

  • 24

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 25

    Destijds bekend als Groote Heide - De Plateaux. Terug naar link van noot.

  • 26

    De landelijke doelomschrijving in deze paragraaf beperkt zich in principe tot behoud/uitbreiding oppervlakte (of omvang leefgebied) en behoud/verbetering kwaliteit (leefgebied), in geval van soorten en vogels aangevuld met het doel voor behoud/uitbreiding populatie. Voor de volledige formulering van de landelijke doelen inclusief toelichting wordt verwezen naar het Natura 2000 doelendocument (2006). Terug naar link van noot.

  • 27

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 28

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 29

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 30

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 31

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 32

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 33

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 34

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 35

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 36

    Het gebied Markermeer & IJmeer ontbreekt in SOVON & CBS (2005) voor de aalscholver omdat aan dit gebied nu (na de publicatie van de gegevens in 2005) een instandhoudingsdoelstelling is toegevoegd. Terug naar link van noot.

  • 37

    Eerden, M. van en Rijn, S. van (2008): Handen af van de aalscholver, de aalscholver als indicator van natuur-, water- en visserijbeheer. Vakblad Natuur Bos en Landschap, p. 23-26. Terug naar link van noot.

  • 38

    Boer, T. den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr. 47. Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.

  • 39

    Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1. Landelijke doelen broedvogels. Terug naar link van noot.

  • 40

    Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1. Landelijke doelen broedvogels. Terug naar link van noot.

  • 41

    Boer, T. den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr. 47. Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.

  • 42

    Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1. Landelijke doelen broedvogels (“gemaakte keuze”). Terug naar link van noot.

  • 43

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden IJsselmeer (072), Zwarte Meer (074) en Oostvaardersplassen (078) (Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.

  • 44

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden IJsselmeer (072), Zwarte Meer (074) en Oostvaardersplassen (078) (Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.

  • 45

    Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoensmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoensgemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.

  • 46

    De beschreven staat van instandhouding van de meerkoet wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006) (onder andere aanwijzingsbesluit IJsselmeer, Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.

  • 47

    Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.

Naar boven