Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 5565 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 5565 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Fonds Technische Groothandel 2025/2028
Verbindendverklaring cao-bepalingen
MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelezen het verzoek van de Vereniging Werkgevers Technische Groothandel mede namens de overige partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;
Partij ter ener zijde: Vereniging Werkgevers Technische Groothandel (WTG);
Partijen ter andere zijde: CNV, De Unie en Reformatorisch Maatschappelijke Unie van Werknemers (RMU).
Naar aanleiding van dit verzoek zijn schriftelijke bedenkingen ingebracht door Alternatief voor Vakbond (hierna AVV -met hoofdletters-). Ook zijn schriftelijke bedenkingen ingebracht door Federatie Nederlandse Vakbeweging (hierna FNV).
De bedenkingen van AVV en FNV kunnen als volgt worden samengevat:
Overeenkomstige bedenkingen:
Artikel. 5 lid 3 van de Statuten van de cao Fonds Technische Groothandel luidt als volgt:
‘Het lidmaatschap casu quo het plaatsvervangend lidmaatschap van het bestuur eindigt door periodiek aftreden, schriftelijk (per mail of brief) bedanken, overlijden, alsmede door ontslag voor zover verleend door de organisatie(s) die de betreffende bestuurder heeft/hebben benoemd. Eveneens eindigt het lidmaatschap casu quo het plaatsvervangend lidmaatschap van het bestuur ten aanzien van een bestuurslid indien en zodra de betrokken organisatie(s) die hem/haar als bestuurslid van de stichting heeft/hebben benoemd, geen partij meer is/zijn bij de geldende Arbeidsvoorwaarden-cao en/of zelf uit het overleg voor de nieuwe arbeidsvoorwaarden cao is/zijn gestapt.’
De laatste zin van het voornoemde artikel, die integraal onderdeel uitmaakt van de cao volgens artikel 9.1 van de cao, leent zich niet voor algemeenverbindendverklaring (hierna avv -met kleine letters-) volgens bedenkinghebbenden. Dit komt door de volgende redenen:
1. De cao-bepaling is in strijd met het recht. Specifiek is sprake van een inbreuk op grondrechten, namelijk het collectieve actierecht van bonden. Verwezen wordt naar paragraaf 5.3.c van het Toetsingskader algemeenverbindendverklaring cao-bepalingen AVV (hierna Toetsingskader AVV) en Verdragen 87 en 98 van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna ILO-verdrag 87 en ILO-verdrag 98).
2. De cao-bepaling is in strijd met het algemeen belang. Verwezen wordt naar paragraaf 6.1 Toetsingskader AVV. Het ondersteunen van stabiel georganiseerd overleg tussen sociale partners wordt gedwarsboomd. De cao-bepaling wekt de schijn op dat vakbonden die zich onafhankelijk opstellen, gestraft worden. Het tegenwerken van normale vakbondsactiviteiten werkt de beoogde stabiele arbeidsverhoudingen tegen en is in strijd met het algemeen belang.
3. Avv van de cao-bepaling is een te grote benadeling van rechtmatige belangen van derden. Verwezen wordt naar paragraaf 6.2 Toetsingskader AVV. De bedrijfsvoering van derden wordt benadeeld zoals die van activistische vakbonden. Het ligt in de lijn der verwachting dat sociale partners bij deze cao een dergelijke bond zullen weren uit het bestuur van het sociaal fonds. Vermoedelijk zal een dergelijke bond een keer weglopen van de cao-tafel en daarmee een eventuele bestuurszetel verliezen. Hiermee zijn de rechtmatige belangen van deze bond te zeer benadeeld.
Overige bedenkingen:
Daarbij heeft AVV tevens aangevoerd dat:
4. De voornoemde cao-bepaling alleen betekenis heeft voor cao-partijen en daardoor, naar zijn aard, niet in aanmerking komt voor avv. Verwezen wordt naar paragraaf 4.3 lid 2 Toetsingskader AVV. Ook bestaat onduidelijkheid hoe de cao-bepaling zich verhoudt tot paragraaf 4.3 lid 6 Toetsingskader AVV.
5. Avv van de cao-bepaling gaat in tegen het algemeen beleidsuitgangspunt van het Toetsingskader AVV dat collectieve afspraken evenwichtige arbeidsverhoudingen dienen te bevorderen. Getracht wordt om gedragsregels op te laten leggen door de Minister via avv. De boodschap is dat vakbonden zich koest moeten houden. Daar is het avv-instrument niet voor bedoeld.
Overwegende ten aanzien van de bedenkingen:
Ten aanzien van de overeenkomstige bedenkingen van AVV en FNV:
Ad. 1. Grondrechten m.n. het collectieve actierecht
Krachtens paragraaf 3 van het Toetsingskader AVV betreft de inhoudelijke toetsing van verzoeken tot avv van cao-bepalingen een toetsing aan het recht op kennelijke strijdigheid. Hierbij vindt de toetsing plaats op basis van de ingediende tekst en in principe niet op de mogelijke toepassingspraktijk.
Het recht op collectief onderhandelen is geregeld in artikel 6 van het Europees Sociaal Handvest (hierna ESH). Artikel 6 lid 4 behelst het recht van werknemers en werkgevers om collectief op te treden met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van een belangengeschil tussen een werkgever en een deel van het personeel.
Verder ziet ILO-verdrag 87 op de vrijheid tot het oprichten van verenigingen. ILO-verdrag 98 ziet op het recht om zich te organiseren en om collectief te onderhandelen.
Volgens paragraaf 5.3.c Toetsingskader AVV komen cao-bepalingen niet in aanmerking voor avv als deze een inbreuk maken op het recht van organisatie en collectieve actie zoals vastgelegd in ILO-verdragen 87 en 98. Het gaat om bepalingen zoals over verplicht overleg welke zich beperken tot werknemersorganisaties die partij zijn bij de cao, bepalingen waarbij partijen zich verplichten om tijdens de looptijd van de cao geen acties tegen elkaar te voeren zoals staking of uitsluiting, en bepalingen die werkgevers verplichten met een werkgeversorganisatie te overleggen.
Met het vorenstaande in achtneming merk ik allereerst op dat er geen sprake is van kennelijke strijdigheid. Uit de desbetreffende cao-bepaling is immers niet af te leiden wat de reden is dat een cao-partij geen partij meer is van de arbeidsvoorwaarden-cao en/of uit het overleg stapt waardoor het bestuurslidmaatschap vervalt. Ook blijkt niet evident dat sprake is van meerdere werknemers die actie voeren. Met andere woorden kan er niet op voorhand worden geoordeeld dat in dergelijke situaties er per definitie en er altijd sprake is van een belangengeschil, er een collectieve actie wordt gevoerd en dat er sprake is van uitsluiting. Er zijn ook andere scenario’s denkbaar. Deze scenario’s en ook de door bedenkinghebbenden aangevoerde situatie zien allen op de mogelijke toepassingspraktijk.
Daarbij hebben cao-partijen uitgelegd dat het recht op actievoeren niet wordt belemmerd door de desbetreffende cao-bepaling. Het staat partijen alsnog vrij om collectieve acties te voeren zoals staken, het uitvoeren van stiptheidsacties en om te gaan demonstreren. Mijns inziens volgt hieruit geen strijdigheid met artikel 6 lid 4 ESH.
Voorts wordt niet gevolgd dat er een inbreuk wordt gemaakt op ILO-verdragen 87 en 98 of paragraaf 5.3.c. van het Toetsingskader AVV. Avv van de aangehaalde cao-bepaling staat werknemers en werkgevers namelijk niet in de weg om een vereniging op te richten. Ook staat avv van de desbetreffende bepaling het recht van werknemers en werkgevers om zich te organiseren niet in de weg. Voor wat betreft het collectief overleg is het voor cao-partijen nog steeds mogelijk om vrij naar eigen keuze te onderhandelen over arbeidsvoorwaarden. Cao-partijen hebben ook uitgelegd dat een partij er zelf voor kiest om wel of niet meer betrokken te zijn bij de arbeidsvoorwaarden-cao. Er is geen sprake van de verplichte situaties zoals beschreven in paragraaf 5.3.c van het Toetsingskader AVV.
Met inachtneming van het vorenstaande concludeer ik dat de bedenkingen op dit punt geen beletsel vormen voor avv.
Ad. 2. Het algemeen belang
Allereerst merk ik op dat dit begrip ziet op een andere situatie dan die door bedenkinghebbenden is aangevoerd. Conform paragraaf 6.1 van het Toetsingskader AVV kan de Minister de effecten van een bepaalde cao-afspraak of van een bepaald type cao-afspraken namelijk in het licht van de sociale- en economische ontwikkeling als strijdig met het algemeen belang beoordelen en op grond daarvan niet algemeen verbindend verklaren. Thans is hier geen sprake van. Ook geldt de bepaling alleen voor bestuursleden van de bij onderhavige cao betrokken partijen. Mijns inziens is dan ook niet aannemelijk dat de cao-bepaling in strijd is met het algemeen belang in de zin van het Toetsingskader AVV.
Daarnaast merk ik volledigheidshalve het volgende op. De desbetreffende cao-bepaling is zowel van toepassing op de betrokken werkgeverspartij als op de betrokken werknemerspartijen. Daarbij zijn deze partijen de bepaling, die enkel tussen hen onderling geldt, zelf overeengekomen. Avv legt de bepaling niet aan hen op. Er wordt dan ook niet gevolgd dat vakbonden worden gestraft. Evenmin wordt niet gevolgd dat vakbondsactiviteiten en stabiele arbeidsverhoudingen worden tegengewerkt met avv van de bepaling daar de bepaling niet geldt voor derden (zie ook de overwegingen hieronder).
Ad. 3. Rechtmatige belangen van derden
Krachtens paragraaf 6.2 Toetsingskader AVV kan avv geweigerd worden indien er een te grote benadeling ontstaat van de rechtmatige belangen van derden. De belangenafweging ten aanzien van de belangen van derden betreft hier zowel derde werkgevers en werknemers binnen de werkingssfeer van de cao, als externe derden van wie de belangen als gevolg van avv in het geding zijn.
In onderhavig geval is sprake van een statutenbepaling in de fonds-cao over de eigen bestuursleden van betrokken cao-partijen onderling. Deze bepaling geldt niet voor andere werkgevers en werknemers binnen de werkingssfeer van de cao. Ook geldt de bepaling niet voor andere externe derden. Avv brengt hier geen verandering in. Derhalve wordt niet gevolgd dat sprake is van een benadeling van de rechtmatige belangen van derden met avv.
Met inachtneming van het voorgaande houden de bedenkingen ook op dit punt geen stand.
Ten aanzien van de overige bedenkingen van AVV:
Ad. 4. Soorten bepalingen voor avv
Ingevolge paragraaf 4.3.1 Toetsingskader AVV komen cao-bepalingen die de relaties tussen cao-partijen onderling regelen niet voor avv in aanmerking. Hierbij gaat het om bepalingen die alleen betekenis hebben voor cao-partijen waardoor deze – naar hun aard – niet voor avv in aanmerking komen.
Volgens paragraaf 4.3.6 Toetsingskader AVV komen cao-bepalingen die geen verband houden met arbeid in beginsel niet in aanmerking voor avv. Afspraken over bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe technieken, bedrijfseconomische ontwikkeling, kwaliteit van het product of de promotie van een branche houden op zich zelf geen of onvoldoende verband met arbeid en kunnen niet voor avv in aanmerking worden gebracht. Voor zover in deze afspraken elementen zijn opgenomen die wel voldoende duidelijk verband houden met arbeid is avv wel mogelijk, maar deze dienen separaat te worden geredigeerd.
Conform artikel 1e lid a Besluit fondsen en spaarregelingen dienen de statuten of reglementen van het fonds bepalingen in te houden betreffende de wijze waarop het bestuur van het fonds wordt samengesteld.
Ten aanzien van dit punt deel ik het volgende mede. In dit geval is sprake van een statutenbepaling in de fonds-cao. Dit is anders dan de reguliere obligatoire cao-bepalingen zoals bedoeld in het Toetsingskader AVV. Hoewel de bepaling in beginsel geldt voor onderlinge cao-partijen, gaat het in de essentie meer om het regelen van de verhoudingen tussen bestuursleden van het fonds. Dit is in lijn met het Besluit fondsen en spaarregelingen wat voorschriften bevat over het kenbaar maken van de wijze van samenstelling in statuten- en/of reglementenbepalingen. Door middel van de statutenbepaling in de fonds-cao wordt de wijze van samenstelling van het bestuur van het fonds kenbaar gemaakt. Daarbij zijn de statuten en is het bestuur van het fonds onlosmakelijk verbonden met de Stichting van het fonds en de fonds-cao.
Verder is er ook geen sprake van een cao-bepaling die onvoldoende verband houdt met arbeid zoals bedoeld in het Toetsingskader AVV. De onderhavige statutenbepaling in de fonds-cao houdt verband met de werkwijze en het samenstellen van het bestuur van de fonds-cao.
Concluderend is er dan ook geen sprake van een cao-bepaling die naar haar aard niet voor avv in aanmerking komt. De bedenkingen op dit punt vormen mijns inziens ook geen belemmering voor avv.
Ad. 5. Het algemeen beleidsuitgangspunt avv
Zoals hierboven eerder is beschreven, geldt de bepaling niet enkel voor de bij onderhavige cao betrokken vakbonden maar ook voor de betrokken werkgeverspartij. Voorts zijn deze cao-partijen de bepaling zelf overeengekomen ten behoeve van de eigen positie in het bestuur van het fonds. Derhalve is de stelling niet te plaatsen dat gedragsregels worden opgelegd via de Minister via avv en dat er sprake is van het tegengaan van evenwichtige arbeidsverhoudingen.
Verder is het algemeen beleidsuitgangspunt ook dat avv in de kern tot doel heeft om het uitoefenen van de verantwoordelijkheid van sociale partners (via collectieve afspraken in de vorm van cao’s) te ondersteunen en te beschermen volgens paragraaf 1 Toetsingskader AVV.
Aldus wordt niet gevolgd dat de desbetreffende bepaling ingaat tegen het algemeen beleidsuitgangspunt van avv.
Op grond van al het vorenstaande concludeer ik dat de bedenkingen geen beletsel vormen om tot avv over te gaan.
Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;
Besluit:
Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, zulks met inachtneming van hetgeen in de dicta II, III, IV en V is bepaald:
1. Deze cao is van toepassing op de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer, die werkzaam is in een onderneming die meer dan 50% van de gewerkte uren besteedt aan de groothandel in staal, (non-ferro) metalen, metaalwaren, sanitaire artikelen, elektrotechnische en/of huishoudelijke artikelen:
Groothandel
De bedrijfsuitoefening waarbij de onderneming voor eigen rekening en risicogoederen betrekt, naar behoefte in voorraad houdt en verkoopt aan bedrijfsmatige ge- en/of verbruikers of verwerkers dan wel groot- of kleinhandelaren. Deze goederen kunnen worden verkocht in dezelfde staat of na in de groothandel gebruikelijke verwerking, behandeling of verpakking.
In staal
• De groothandel in producten, vervaardigd van staal door ongeacht welk procedé en ongeacht welke legering, bewerkt of onbewerkt, zoals staven, profielen, strippen en platen al of niet geprofileerd, bandstaal, draad, vormstukken, buizen, pijpen, hulpstukken en appendages voor buizen en pijpen, en alle overige uit staal vervaardigde halffabricaten, met uitzondering van de groothandel in schroot.
• De groothandel in centrale verwarmingsinstallatiematerialen, zoals ketels, radiatoren en appendages, inclusief producten en componenten ten behoeve van klimaatbeheersing.
In (non-ferro) metalen
• De groothandel in (non-ferro) blokmetalen en daaruit vervaardigde halffabricaten, met uitzondering van oude (non-ferro) blokmetalen of afval.
In metaalwaren
• De groothandel in grote ijzerwaren (die artikelen die dienst doen bij en deel uitmaken van metaal- of staalconstructies ook indien deze zijn vervaardigd van andere materialen dan van staal). Onder metaal- of staalconstructies wordt verstaan elke samenstelling van metalen delen door middel van geprefabriceerde hulpstukken zoals appendages.
• Gereedschappen van staal, (non-ferro)metalen, hout, rubber en kunststoffen in elke afwerking en uitvoering, alsmede machines en hulpmiddelen voor onderhoudswerkplaatsen en/of garages; met uitzondering van productie-(gereedschaps-) machines en productieapparatuur toegepast in industrieën, welke verankerd worden.
• Land- en tuinbouwartikelen (artikelen, gereedschappen en toebehoren gebruikt in de land- en tuinbouw en in siertuinen en vervaardigd zijn van staal, van hout, (non-ferro) metalen, kunststof, in elke afwerking/uitvoering, met uitzondering van tractie- en landbewerkingsmachines en installaties gebruikt in de professionele land- en tuinbouwsector).
• Bouwartikelen (die artikelen die voor de afwerking van gebouwen en schepen worden gebruikt en zijn vervaardigd van staal, hout, (non-ferro)metalen of kunststoffen, in elke afwerking en uitvoering).
• Draad en draadmateriaal, zoals gaas en dergelijke.
• Klein-ijzerwaren (die artikelen die van staal, hout, (non-ferro) metalen en kunststoffen zijn vervaardigd, die dienst doen bij de vervaardiging van constructies of daarvan deel uitmaken).
In sanitaire artikelen
• De groothandel in artikelen, die hoofdzakelijk of uitsluitend toepassing vinden in gebouw gebonden infrastructurele voorzieningen (installaties) op het gebied van water (aan- en afvoer) en gas. Dit ter samenstelling van bad-, douche-, wastafel-, bidet-, closet- en urinoircombinaties benevens geisers en drukautomaten en dergelijke toestellen voor de warmwatervoorziening, alsmede rioleringsartikelen vervaardigd uit gietijzer en kunststoffen.
In elektrotechnische en elektronische artikelen
• De groothandel in die artikelen, die toepassing vinden in gebouw gebonden infrastructurele voorzieningen (installaties) op het gebied van elektrische energie en informatiesystemen, alsmede die artikelen zoals elektrotechnische en meet- en regelapparatuur en elektronische dan wel elektrotechnische materialen toegepast in subsystemen.
• De groothandel in verlichtingsartikelen, elektrische huishoudelijke toestellen, audio- en videoproducten en antennemateriaal.
• De groothandel in standaard elektrische en elektronische producten/componenten voor industriële installaties.
In huishoudelijke artikelen
• De groothandel in verwarmingsapparaten, kookapparatuur, huishoudelijke machines, kook-, bak-, braad-, en keukengerei voor particulier huishoudelijk gebruik vervaardigd van ijzer, staal, hout of kunststoffen met uitzondering van meubilair.
2. Onder werkgever wordt ook verstaan de rechtspersoon die als houdstermaatschappij met één of meer natuurlijke- of rechtspersonen als hiervoor bedoeld, hierna te noemen de werkmaatschappijen, behoort tot een economische en/of organisatorische eenheid, waarbij de werkmaatschappijen geen werknemers in dienst hebben maar alle werknemers in dienst zijn van de houdstermaatschappij en deze werknemers voor meer dan 50% van de gewerkte uren feitelijk werkzaam zijn ten behoeve van vorenbedoelde werkmaatschappijen.
3. Deze cao is niet van toepassing op:
• statutaire directieleden;
• de werknemer die niet beroepsmatig kortdurend werk doet, waaronder de vakantiewerker;
• werkgevers en werknemers die naar aard van de in de betrokken onderneming verrichte activiteiten vallen onder de (werkingssfeerdefinitie van) de collectieve arbeidsovereenkomst voor:
a. het metaalbewerkingsbedrijf;
b. het technisch installatiebedrijf;
c. de goud- en zilvernijverheid;
d. de metaal- en elektrotechnische industrie;
e. het hoger personeel in de metaal- en elektrotechnische industrie;
f. het bouwbedrijf;
g. het uitvoerend, technisch en administratief personeel in de bouwbedrijven.
In deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan onder:
Een (natuurlijke- of rechts-)persoon met een onderneming waarin de activiteiten zoals bedoeld in artikel 1 van deze cao worden uitgeoefend en die op basis van een arbeidsovereenkomst één of meer werknemers in de onderneming in dienst heeft.
De persoon waarmee de werkgever een arbeidsovereenkomst is aangegaan.
Een scholier/student die tijdens diens schoolvakanties/collegevrije perioden maximaal acht weken werkt.
De Stichting Fonds Technische Groothandel, nader ook te noemen: Stichting FTG.
Het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen, met uitzondering van:
a. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Werkloosheidswet en hierop door de werkgever verstrekte aanvullingen;
b. het genot van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto;
c. het loon dat betrekking heeft op de periode vanaf de eerste dag van de maand waarin de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.
Het loon dat meer heeft bedragen dan het maximum premieloon als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen op jaarbasis blijft buiten aanmerking voor de toepassing van deze regeling. Indien de dienstbetrekking een deel van een kalenderjaar betreft, dan wel de medewerker minder dan de volledige arbeidstijd werkzaam is, wordt het maximum premieloon naar evenredigheid toegepast. Daartoe wordt het maximum premieloon uitgedrukt in een uur bedrag door het maximum premieloon op jaarbasis te delen door het aantal uren per jaar volgens de voor het functieniveau geldende normale arbeidsduur in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst dan wel, indien er geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, de voor het functieniveau geldende bij de werkgever gebruikelijke normale arbeidsduur, waarbij het maximum uurloon naar beneden op eurocenten op vijf cijfers achter de komma naar boven wordt afgerond.
De Stichting heeft, zoals vermeld in artikel 3 van de Statuten, ten doel het mede initiëren, financieren en subsidiëren van activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen in de Technische Groothandel.
Deze activiteiten bestaan binnen het doel van de Stichting uit het bevorderen van:
a. het geven van voorlichting en informatie over de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de collectieve arbeidsovereenkomsten voor de Technische Groothandel en/of andere wettelijke voorschriften die op het terrein van de arbeidsvoorwaarden liggen;
b. het doen uitvoeren van de werkzaamheden van de Vaste Commissie zoals nader omschreven in artikel 5 van het Reglement Stichting Fonds Technische Groothandel;
c. het verrichten en publiceren van onderzoek ten behoeve van het tot stand brengen en uitvoeren van maatregelen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden van de werknemers in de Technische Groothandel;
d. het verrichten en publiceren van onderzoek naar de gevolgen van door partijen bij het cao-overleg over arbeidsvoorwaarden gemaakte afspraken met het doel de belangen te dienen van alle werkgevers en werknemers in de Technische Groothandel;
e. het geven van voorlichting over vakopleidingen en vormingsactiviteiten en het verrichten en subsidiëren van vakopleidingen en vormingsactiviteiten in het kader van employability en de op de arbeid gerichte persoonlijke ontwikkeling alsmede de op arbeidsomstandigheden gerelateerde opleidingen in de Technische Groothandel;
f. het verzorgen van algemene publiciteit aangaande de arbeidsvoorwaarden in de Technische Groothandel;
g. de vergroting van de participatie op de arbeidsmarkt en het ontwikkelen van activiteiten ten behoeve van een beter functioneren van de arbeidsmarkt in het algemeen;
h. het opzetten van projecten met als doel verlaging van het ziekteverzuim en daarop aansluitend beperking van de instroom in de IVA- en WGA-regelingen, als bedoeld in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA);
i. het uitvoeren van werkzaamheden verbonden aan het bestuurlijke, financiële en administratieve beheer van de Stichting FTG;
j. alle activiteiten die niet vallen onder sub a t/m j en die direct ten goede komen aan het bevorderen van de arbeidsverhoudingen van alle werkgevers en werknemers in de branche.
1. De uitvoering van deze cao en realisatie van het doel is opgedragen aan de Stichting en geschiedt volgens de bepalingen van het reglement en de statuten van de Stichting. Het reglement en de statuten zullen geen bepaling bevatten in strijd met deze cao. De Stichting kan de uitvoering delegeren aan een administrateur onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de Stichting.
2. Werkgevers zijn gehouden zich aan te melden bij de Stichting. Werkgevers en werknemers zijn verplicht de gegevens te verstrekken die door de Stichting dan wel die door de Stichting aangewezen administrateur in het kader van de uitvoering worden opgevraagd en de bijdragen te betalen die zij aan de Stichting verschuldigd zijn, overeenkomstig datgene wat in dit opzicht in de statuten en de reglementen van de Stichting is bepaald en zullen zich ook overigens moeten houden aan het bepaalde in de statuten en de reglementen van de Stichting. Ingeschreven werkgevers zijn in ieder geval verplicht elk eerste kwartaal van elk kalenderjaar de stichting te vermelden het aantal werknemers per 31 december van het voorgaande jaar alsmede de bruto loonsom kolom 8 van de verzamelloonstaat van het voorgaande kalenderjaar.
Indien de werkgever of de werknemer – ook na aanmaning – niet voldoet aan haar verplichtingen, is de Stichting, dan wel de door de Stichting aangewezen administrateur, bevoegd deze gegevens zelf naar beste weten vast te stellen.
3. De Stichting en de door de Stichting aangewezen administrateur zijn gerechtigd bij elkaar en de uitvoeringsinstelling gegevens op te vragen en uit te wisselen die nodig zijn voor een goede uitvoering van de regelingen, ongeacht de vraag of de betreffende gegevens al dan niet na aanmaning bij de werkgever zijn opgevraagd. Hierbij worden de bepalingen uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming in acht genomen.
Iedere werknemer en iedere werkgever heeft het recht deel te nemen aan c.q. gebruik te maken van (de resultaten van) de door de Stichting gefinancierde of gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 3.
1. De werkgever is verplicht aan de Stichting een bijdrage af te dragen. De hoogte van de bijdrage is een percentage van de som van de voor de werknemers van de werkgever conform de in lid 2 genoemde heffingsgrondslag. Deze bijdrage is vastgesteld op 0,1%.
2. De heffingsgrondslag van de werkgever wordt berekend aan de hand van het door de onderneming over het voorgaande kalenderjaar op te geven brutoloon volgens kolom 8 van de verzamelloonstaat.
1. De statuten en het reglement van de Stichting vormen een geïntegreerd onderdeel van deze cao.
2. De ondertekende versies van de jaarrekening, het bestuursverslag en de controleverklaring en een tweede niet-ondertekend exemplaar van alleen de jaarrekening (bedoeld voor publicatie) worden binnen uiterlijk 6 maanden na afloop van het boekjaar waarop het verslag betrekking heeft toegezonden aan de directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving. De jaarrekening, het bestuursverslag en de controleverklaring liggen voor eenieder ter inzage bij het Ministerie van SZW.
1. De stichting draagt de naam:
Stichting Fonds Technische Groothandel
De verkorte naam van de stichting is: Stichting FTG.
2. De stichting is gevestigd in de gemeente Den Haag.
In deze statuten wordt verstaan onder:
de in artikel 8 van de statuten bedoelde administrateur;
het in artikel 5 van de statuten bedoelde bestuur;
de cao van het Fonds Technische Groothandel;
de arbeidsvoorwaarden-CAO voor de Technische Groothandel zoals deze van tijd tot tijd op de (werkingssfeer van de) Stichting van toepassing is;
het in artikel 14 van de statuten bedoelde reglement;
bij brief, fax of e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel – wordt overgebracht en elektronisch of op schrift kan worden ontvangen mits de identiteit – van de verzender met afdoende zekerheid kan worden vastgesteld;
de statuten zoals deze van tijd tot tijd op de stichting van toepassing zijn;
de rechtspersoon waarop deze statuten betrekking hebben, thans genaamd: Stichting Fonds Technische Groothandel;
iedere natuurlijke- of rechtspersoon wiens onderneming valt onder de werkingssfeer van de Arbeidsvoorwaarden-cao;
een ieder die werknemer is bij een werkgever en waarop de Arbeidsvoorwaarden-cao van toepassing is;
1. De stichting heeft ten doel het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen in de technische groothandel en voorts al hetgeen in de ruimste zin met één en ander verband houdt, daartoe behoort en/of daartoe bevorderlijk kan zijn.
2. Zij tracht dit doel te bereiken door het (mede) initiëren, financieren en subsidiëren van de in artikel 3 van de FTG-cao nader genoemde activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen in de technische groothandel.
1. De inkomsten van de stichting bestaan uit:
a. bijdragen van werkgevers en eventueel van werknemers.
Deze bijdragen kwalificeren nadrukkelijk niet als enige vorm van contributie;
b. bijdragen van de overheid;
c. renten en andere opbrengsten van door de stichting gedane beleggingen;
d. schenkingen, legaten en erfstellingen;
e. al hetgeen op andere wijze wordt verworven.
2. Erfstellingen kunnen slechts worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.
3. De uitgaven van de stichting bestaan uit:
a. de uitgaven voortvloeiend uit de realisatie van het in artikel 3 omschreven doel;
b. de beheerskosten van de stichting en overige uitgaven.
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit zes leden.
– Drie leden van het bestuur worden benoemd door de werkgeversorganisatie thans genaamd: Vereniging ‘Werkgevers Technische Groothandel’, gevestigd te ’s-Gravenhage.
– De overige drie leden worden benoemd door de werknemersorganisaties die partij zijn bij de collectieve arbeidshovereenkomst voor de technische groothandel, waarbij geldt dat elk van de betreffende werknemersorganisaties het recht heeft tot benoeming van één lid van het bestuur.
2. Voor ieder bestuurslid wordt door de organisatie(s) die het betreffende lid heeft/hebben benoemd, een plaatsvervanger benoemd, welke plaatsvervanger uitsluitend als bestuurslid
optreedt bij ontstentenis casu quo afwezigheid (belet) van het lid als wiens plaatsvervanger hij of zij is benoemd. Het recht van benoemen zoals hiervoor bedoeld vervalt indien een betreffende benoemende organisatie geen partij meer is bij de meest recent tot stand gekomen arbeidsvoorwaarden-CAO voor de Technische Groothandel.
Het bestuur draagt er voor zorg dat een persoon wordt aangewezen die in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders of van de enige bestuurder de stichting tijdelijk bestuurt.
Onder belet wordt in deze statuten in ieder geval verstaan de omstandigheid dat de bestuurder gedurende een periode van meer dan zeven dagen onbereikbaar is door ziekte of andere oorzaken.
3. Het lidmaatschap casu quo het plaatsvervangend lidmaatschap van het bestuur eindigt door periodiek aftreden, schriftelijk (per mail of brief) bedanken, overlijden, alsmede door ontslag voor zover verleend door de organisatie(s) die de betreffende bestuurder heeft/hebben benoemd.
Eveneens eindigt het lidmaatschap casu quo het plaatsvervangend lidmaatschap van het bestuur ten aanzien van een bestuurslid indien en zodra de betrokken organisatie(s) die hem/haar als bestuurslid van de stichting heeft/hebben benoemd, geen partij meer is/zijn bij de geldende Arbeidsvoorwaarden-cao en/of zelf uit het overleg voor de nieuwe arbeidsvoorwaarden cao is/zijn gestapt.
4. Ieder jaar treedt met ingang van eenendertig december één werkgeversbestuurslid en één werknemersbestuurslid, alsmede hun plaatsvervangers, af volgens een door het bestuur op te maken rooster. De aldus afgetreden bestuursleden en hun plaatsvervangers zijn met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid, onmiddellijk en onbeperkt herbenoembaar.
5. In een vacature wordt zo spoedig mogelijk na het ontstaan daarvan voorzien door de organisatie die, gelet op het bepaalde in het eerste lid, daarvoor in aanmerking komt. Een bestuurslid, casu quo plaatsvervangend bestuurslid, dat in zulk een vacature is benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene die hij opvolgt moest aftreden. Het bestuur kan zijn bevoegdheden uitoefenen ook wanneer er vacatures zijn.
6. Het bestuur wijst een werkgeversbestuurslid en een werknemersbestuurslid aan, die beurtelings voor de tijd van één kalenderjaar als voorzitter optreden. Bij ontstentenis van de fungerende voorzitter treedt de andere voorzitter als zodanig op. In afwijking van het vorenstaande wordt de eerste voorzitter benoemd bij deze akte van oprichting.
7. Het bestuur wijst een werkgeversbestuurslid en een werknemersbestuurslid aan, die beurtelings voor de tijd van één kalenderjaar als secretaris optreden, met dien verstande, dat met de werkgeversvoorzitter de werknemerssecretaris en met de werknemersvoorzitter de werkgeverssecretaris fungeert. Bij ontstentenis van de fungerende secretaris treedt de andere secretaris als zodanig op. In afwijking van het vorenstaande wordt de eerste secretaris benoemd bij deze akte van oprichting.
8. Door het bestuur kan aan de bestuursleden casu quo plaatsvervangende bestuursleden voor het bijwonen van vergaderingen of daarmede gelijk te stellen bijeenkomsten een vergoeding worden toegekend.
9. Tijdens het benoemingsproces en tijdens de periode dat ze lid zijn van het bestuur mogen de leden van het bestuur niet deelnemen aan het overleg voor de Arbeidsvoorwaarden-cao in de Technische Groothandel dan wel zitting nemen in een commissie van deze cao.
1. Het bestuur is belast met het beheer van het vermogen van de stichting. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie.
2. De voorzitter en de secretaris van het bestuur vertegenwoordigen gezamenlijk de stichting in en buiten rechte.
3. Het bestuur is bevoegd alle handelingen, daaronder begrepen het sluiten van overeenkomsten tot verkrijgen, vervreemden of bezwaren van registergoederen, daaronder echter niet begrepen het sluiten van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt, te verrichten.
4. Het bestuur is bevoegd bij volmacht de administrateur vertegenwoordigingsbevoegdheid te verlenen.
5. Het bestuur is belast met de zorg voor de uitvoering en handhaving van de statuten en het reglement.
6. Het bestuur kan zijn bevoegdheden geheel of gedeeltelijk mandateren aan de voorzitter en de secretaris of aan de administrateur. De gemandateerde bevoegdheden worden uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
7. De leden van het bestuur ontvangen voor elke door hen uit hoofde van hun functie als bestuurslid van de stichting bijgewoonde bespreking, een jaarlijks door het bestuur vast testellen vacatiegeld.
8. Reis- en verblijfkosten, door de leden van het bestuur in hun functie als bestuurslid van de stichting gemaakt, worden vergoed volgens door het bestuur vast te stellen regels.
1. Het bestuur vergadert ten minste vier keer per jaar en voorts zo dikwijls de voorzitter dit nodig acht of ten minste drie bestuursleden zulks wensen. In het laatste geval is de voorzitter verplicht, nadat een desbetreffend schriftelijk verzoek door hem is ontvangen, het betrokken schriftelijk verzoek onmiddellijk aan de overige bestuursleden toe te zenden, een bestuursvergadering uit te schrijven en deze binnen zes weken te doen houden.
2. De oproeping voor alle vergaderingen geschiedt door of namens de voorzitter per schriftelijke (bij voorkeur per e-mail) convocatie. De te behandelen onderwerpen worden in de oproeping vermeld. Andere punten kunnen slechts worden behandeld in een vergadering, waarin ten minste vier bestuursleden aanwezig zijn, tenzij een der aanwezige bestuursleden zich tegen behandeling verzet.
3. Indien de voorzitter geen gevolg geeft aan een verzoek ingevolge het eerste lid, zijn de betrokken leden van het bestuur gezamenlijk tot de convocatie der vergadering bevoegd.
4. Vergaderingen van het bestuur kunnen ook worden gehouden door middel van telefonische- of videoconferenties, of door middel van enig ander communicatiemiddel, mits elke deelnemende bestuurder door alle anderen gelijktijdig kan worden gehoord.
5. Indien de door de statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en houden van vergaderingen niet in acht zijn genomen, kunnen desalniettemin in een vergadering van het bestuur geldige besluiten worden genomen over alle aan de orde komende onderwerpen, mits in de betreffende vergadering van het bestuur alle in functie zijnde bestuurders aanwezig zijn en mits de betreffende besluiten worden genomen met algemene stemmen.
6. De bestuurder die een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie, meldt dit terstond aan de overige bestuurders en verschaft daarover alle relevante informatie.
De overige bestuurders besluiten buiten aanwezigheid van de betrokken bestuurder of er sprake is van een belang dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.
Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien de betreffende bestuurder daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.
Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit zou kunnen worden genomen, wordt het besluit desalniettemin genomen door het bestuur onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen.
7. Ter vergadering kunnen de aanwezige werkgeversbestuursleden gezamenlijk evenveel stemmen uitbrengen als door de aanwezige werknemersbestuursleden ter vergadering kunnen worden uitgebracht en wel op de hierna nader omschreven wijze.
Zijn de aantallen ter vergadering aanwezige werkgevers- en werknemersbestuursleden even groot, dan kan ieder lid van het bestuur één stem uitbrengen.
Zijn de aantallen ter vergadering aanwezige werkgevers- en werknemersbestuursleden niet even groot, dan kan elk der leden van die groep, waarvan het kleinste aantal ter vergadering aanwezig is, zoveel stemmen uitbrengen als overeenkomt met het aantal leden van die groep, waarvan het grootste aantal ter vergadering aanwezig is.
8. Het bestuur is slechts bevoegd tot het nemen van besluiten, wanneer ten minste drie bestuursleden ter vergadering aanwezig zijn. Ingeval ter vergadering niet het voor het nemen van een besluit vereiste aantal bestuursleden aanwezig is, wordt het bestuur binnen een maand doch niet eerder dan na tien (10) dagen opnieuw in vergadering bijeengeroepen. In die vergadering kan, ongeacht het aantal aanwezige bestuursleden, een besluit worden genomen over die voorstellen, waarover in de eerste uitgeschreven vergadering wegens onvoltalligheid geen besluit kon worden genomen.
9. Tenzij in deze statuten uitdrukkelijk anders is bepaald, worden alle besluiten in een bestuursvergadering genomen met een volstrekte meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen wordt, tenzij de vergadering voltallig is, het nemen van een besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. In deze volgende vergadering en evenzo in een voltallige vergadering wordt bij staking van stemmen het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping wanneer één van de bestuursleden dit verlangt en alsdan mondeling. De stemming over personen geschiedt, behoudens in die gevallen waarin de verkiezing bij acclamatie plaats heeft, met gesloten briefjes.
1. De bedrijfsvoering van de stichting en het daaraan verbonden geldelijk beheer wordt onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur opgedragen aan een daarvoor door het bestuur aan te wijzen administrateur. De kosten van deze ondersteuning komen voor rekening van de stichting.
2. De opdracht tot het verrichten van de werkzaamheden die verband houden met de bedrijfsvoering van de stichting en het daaraan verbonden geldelijk beheer wordt schriftelijk vastgelegd in een beheerovereenkomst, die de rechten en verplichtingen van de stichting en de administrateur ten opzichte van elkaar regelt.
3. De afspraken over de kwaliteit van de dienstverlening door de administrateur worden nader vastgelegd in een of meer dienstverleningsovereenkomsten, die behoren bij de beheerovereenkomst.
1. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de Stichting en van alles betreffende de werkzaamheden van de Stichting, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de Stichting kunnen worden gekend.
1. Het bestuur van de stichting stelt jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar – een balans, rekening van baten en lasten en een verslag op, dat een getrouw beeld geeft – van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de stichting en van de ontwikkeling daarvan gedurende het voorafgaande boekjaar. In dit verslag legt het bestuur rekenschap af van het gevoerde beleid.
De rekening en verantwoording is gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 3 vermelde – bestedingsdoelen respectievelijk activiteiten en wordt gecontroleerd door een accountant – met certificerende bevoegdheid.
Uit het verslag en de bijbehorende accountantsverklaring moet blijken dat de uitgaven conform de activiteiten en bestedingsdoelen van artikel 3 zijn gedaan.
3. De jaarstukken worden door het bestuur vastgesteld.
Vaststelling van de jaarstukken door het bestuur strekt de penningmeester tot decharge voor het door hem gevoerde beheer.
4. Het verslag en de accountantsverklaring worden ter inzage van de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers neergelegd:
a. ten kantore van de administrateur;
b. op overige door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te geven plaatsen.
5. Het verslag en de accountantsverklaring worden toegezonden aan elk van de in artikel 5, eerste lid, genoemde organisaties en op aanvraag aan de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers.
6. Het bestuur houdt een register bij waarin de namen en adressen van alle personen worden opgenomen aan wie door de stichting een uitkering is gedaan die niet meer bedraagt dan vijfentwintig procent (25%) van het voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar, alsmede het bedrag van de uitkering en de datum waarop deze uitkering is gedaan.
Het bestuur stelt jaarlijks voor één december een begroting van inkomsten en uitgaven voor het komende boekjaar van de stichting vast, welke voor de bij de stichting betrokken werkgevers en medewerkers beschikbaar moet zijn. De begroting omvat:
a. de inkomsten als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de statuten;
b. de uitgaven als bedoeld in artikel 4 lid 3 van de statuten, waarbij:
c. de uitgaven als bedoeld in lid 3 onder a worden ingericht en gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 3 van de statuten genoemde bestedingsdoelen respectievelijk activiteiten;
d. de beheerskosten van de stichting als bedoeld in lid 3 onder b worden gespecificeerd naar kosten van administratie en bestuur en eventueel andere kosten.
1. De wijze van het beheer van het vermogen van de stichting geschiedt middels door het bestuur vastgestelde begrotingskaders inzake de gewenste omvang van het vermogen van de stichting, waarbij wordt gestreefd naar een minimumvermogen. De beschikbare gelden worden uitsluitend op de betaal- en de spaarrekening van de stichting aangehouden.
2. De aan de stichting toebehorende gelden en andere bescheiden worden bewaard op de spaarrekening ten name van de stichting.
3. De vaststelling en de wijze van verrekening van de kosten van beheer geschiedt conform de overeenkomsten die het bestuur sluit.
1. Besluiten tot wijziging van de statuten, alsook een besluit tot een juridische fusie of juridische splitsing van de stichting of een besluit tot ontbinding van de stichting kunnen alleen door het bestuur worden genomen in een bijzondere daartoe uitgeschreven vergadering, waarin ten minste vier bestuursleden aanwezig zijn met een meerderheid van ten minste twee derde van de ter vergadering geldig uitgebrachte stemmen.
2. Voorstellen tot ontbinding van de stichting worden niet in behandeling genomen dan nadat daarover schriftelijk advies is ingewonnen bij de in artikel 5, eerste lid, genoemde organisaties. Voor het uitbrengen van deze adviezen moet een termijn van minstens één maand worden gegeven.
3. Het bestuur zal binnen twee weken na het verlijden van een akte van statutenwijziging een authentiek afschrift van die akte voor een ieder ter inzage neerleggen bij de Kamer van Koophandel.
1. Het bestuur stelt een of meer reglementen vast waarin bepalingen worden opgenomen omtrent de vaststelling en invordering van de door de werkgevers verschuldigde bijdragen en de uitgaven van de stichting als bedoeld in artikel 4 lid 3, alsmede de wijze waarop de doelstelling zal worden gerealiseerd. Het bepaalde in artikel 13 lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van reglementen.
2. Het bestuur is bevoegd tot wijziging van de reglementen. Het bepaalde in artikel 13 lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de wijziging van reglementen.
3. Bepalingen in de reglementen welke in strijd zijn met deze statuten zijn nietig.
4. De reglementen, alsmede wijzigingen in de statuten en reglementen treden niet in werking alvorens een door het bestuur ondertekend exemplaar houdende de volledige tekst van het desbetreffende stuk of ingeval van wijziging de volledige tekst van die wijziging, voor een ieder ter inzage is neergelegd bij de administrateur en ter griffie van de rechtbank in het arrondissement waarin de stichting is gevestigd.
1. De werkgevers en werknemers zijn verplicht alle gegevens te verstrekken die het bestuur voor een goede uitvoering van de statuten en de reglementen nodig acht.
2. Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde gegevens is het bestuur gerechtigd de betreffende gegevens naar beste weten te schatten.
3. Bij een aanvraag om subsidie dient door de betrokken instelling een begroting betreffende de besteding van de aangevraagde gelden te worden ingezonden, gespecificeerd volgens de bestedingsdoelen.
Jaarlijks, binnen vier maanden na afloop van het boekjaar, zal een gesubsidieerde instelling aan het bestuur van de stichting een door een accountant met certificerende bevoegdheid gecontroleerde verklaring overleggen over de besteding van de ontvangen gelden, welke verklaring moet zijn gespecificeerd volgende de bestedingsdoelen en die een geïntegreerd deel uitmaakt van het verslag over de financiële toestand van de stichting als bedoeld in artikel 10 lid 1.
1. Bij ontbinding van de stichting geschiedt de vereffening door een daartoe door het bestuur te benoemen commissie.
2. De met de vereffening belaste commissie treedt in de bevoegdheden en de verplichtingen van het bestuur met dien verstande dat na het in werking treden van het besluit tot ontbinding:
a. door werkgevers geen premies meer verschuldigd zullen worden;
b. geen wijzigingen in de statuten en de reglementen mogen worden aangebracht.
3. Bij vereffening wordt eerst een zodanig bedrag uitgetrokken dat de financiële verplichtingen van de stichting tot de reglementaire einddatum kunnen worden nagekomen. Een eventueel overschot zal worden aangewend zoveel mogelijk in overeenstemming met de doelstelling van de stichting.
4. De slotrekening van de vereffening behoeft de goedkeuring van de in artikel 5, eerste lid, genoemde organisaties
In dit reglement worden geacht te zijn opgenomen de begripsbepalingen omschreven in artikel 1 van de FTG-cao.
Om de doelstellingen te realiseren financiert de Stichting de activiteiten die zijn opgenomen in de FTG-cao ten behoeve van de sector Technische Groothandel.
1. De werkgever is verplicht aan de administrateur – op de door de administrateur vast te stellen wijze en tijdstippen – de gegevens te verstrekken welke naar het oordeel van de administrateur nodig zijn ter berekening van de verschuldigde bijdrage en het te vorderen voorschot. Indien de werkgever niet, niet tijdig of onvolledig de benodigde gegevens aan de administrateur verstrekt, is de administrateur bevoegd de hoogte van de bijdrage of het voorschot naar beste weten zelf vast te stellen. De kosten van het vergaren en verstrekken van de door de administrateur gewenste informatie komen voor rekening van de werkgever.
2. De premieheffing is geregeld in artikel 6 van de FTG-cao.
3. Bij niet tijdige betaling van de verschuldigde bijdrage is de werkgever door het enkele verloop van de termijn in verzuim. Het fonds is dan bevoegd te vorderen:
• rente over het verschuldigde bedrag van de dag af dat het verschuldigde bedrag betaald had moeten zijn en
• vergoeding van de buitengerechtelijke invorderingskosten, onverminderd de overige kosten van vervolging verschuldigd volgens de wet. De rente wordt berekend naar het percentage van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikelen 6: 119 en 120 van het Burgerlijk Wetboek, dat geldt voor de periode waarover de rente door het fonds wordt gevorderd. De buitengerechtelijke invorderingskosten worden gesteld zijnde de vergoeding voor kosten als bedoeld in artikel 96 lid 2, onder c van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
4. De hoogte van de bijdrage bij de werkgever wordt vastgesteld door cao-partijen. Zonder deze vaststelling kan de bijdrage niet worden uitgekeerd.
5. De verdeling van de op grond van artikel 6 van de FTG-cao ontvangen gelden wordt door het bestuur bepaald aan de hand van:
• de ingediende subsidieaanvragen en de daarbij behorende begrotingen, zoals nader uitgewerkt in artikel 4;
• de begroting van de activiteiten die gefinancierd worden door de Stichting (zie artikel 2 van dit reglement);
• de ingediende subsidieaanvragen door andere partijen die projectmatig activiteiten willen uitvoeren.
Financiering/Subsidies
1. Werkgevers-, werknemersorganisaties en derden kunnen voor het uitvoeren van activiteiten bij de Stichting een aanvraag doen voor financiering dan wel subsidiëring daarvan. De aanvraag dient schriftelijk bij het bestuur te worden ingediend, en liefst jaarlijks vóór 1 oktober. Bij de aanvragen dient een begroting/offerte betreffende de besteding van de aangevraagde gelden te worden meegezonden.
2. De verantwoording omtrent de besteding van de ontvangen gelden dient schriftelijk bij het bestuur te worden ingediend, en wel jaarlijks vóór 1 april volgend op het jaar waarop de subsidie betrekking had.
• voor eenmalige subsidies: zo spoedig mogelijk na de besteding van deze gelden;
• voor periodieke subsidies: jaarlijks vóór 1 april volgend op het jaar waarop de subsidie betrekking had.
3. Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften te geven waaraan de bij de subsidieaanvraag mee te zenden begroting c.q. de schriftelijke verantwoording dient te voldoen. De begroting moet zijn gespecificeerd overeenkomstig de bestedingsdoelen respectievelijk activiteiten. De verantwoording dient vergezeld te gaan van een door een registeraccountant of accountants- administratieconsulent met certificerende bevoegdheid gecontroleerde verklaring van de subsidie- ontvangende instelling over de besteding van de subsidiegelden, welke verklaring moet zijn gespecificeerd overeenkomstig de bestedingsdoelen respectievelijk activiteiten
4. Op beslissingen van het bestuur omtrent de subsidieaanvraag kan geen beroep worden ingesteld, onverlet de mogelijkheid een nieuwe aanvraag in te dienen.
Kosten van derden
5. Het bestuur kan over de kosten van derden in het kader van projecten buiten vergadering besluiten. Een accountantsverklaring is niet noodzakelijk.
Reguliere kosten
6. Het bestuur kan over de doorlopende reguliere kosten die worden gemaakt in het kader van projecten waarvoor een opdracht is verstrekt buiten vergadering besluiten. Een accountantsverklaring is niet noodzakelijk.
De in dictum I opgenomen bepalingen zijn algemeen verbindend verklaard tot en met 31 december 2028.
Voor zover de in dictum I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.
Dit betekent in het licht van de gelijke behandelingswetgeving dat ten aanzien van bepalingen waarin onderscheid wordt gemaakt terwijl daarvoor een objectieve rechtvaardiging vereist is, partijen in de uitvoeringspraktijk moeten zorgen voor een legitiem doel waarbij de ingezette middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Voor zover in de in dictum I opgenomen bepalingen wordt verwezen naar informatie die gepubliceerd is op een website, geldt dat de informatie zoals opgenomen op die website geen onderdeel uit maakt van dit besluit tot algemeenverbindendverklaring. Deze informatie wordt aangemerkt als toepassingspraktijk van cao-bepalingen, zoals bedoeld in paragraaf 3.1. van het Toetsingskader AVV. De inhoud van deze informatie valt niet onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Uitgezonderd zijn de verwijzingen die wettelijk zijn toegestaan.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-5565.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.