Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Defensie | Staatscourant 2025, 44750 | interne regeling |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Defensie | Staatscourant 2025, 44750 | interne regeling |
18 december 2025
Nr. D2025-006117
De Staatssecretaris van Defensie
Gelet op de artikelen 2, 60c, 108, 109 en 111, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, artikel 52, eerste lid, onderdeel d, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, artikel 16, eerste lid, onder c, van het Inkomstenbesluit militairen, artikel 8, derde en achtste lid, artikel 16, tweede lid, en de artikelen 50 en 69 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken;
Besluit:
Het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1 worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:
een land dat valt onder de territoriale werking van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende de coördinatie van de zekerheidsstelsels. Dit betreft de lidstaten van de Europese Unie, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en de landen die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte: IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.
B
Artikel 8 vervalt.
C
Na artikel 24 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
de defensieambtenaar, geplaatst buiten Nederland en aldaar wonend, niet zijnde een plaatsing op grond van hoofdstuk 3 in een Verordeningsland;
de defensieambtenaar geplaatst buiten Nederland op grond van hoofdstuk 3 en aldaar wonend;
de defensieambtenaar geplaatst buiten Nederland in een Verordeningsland en aldaar wonend, niet zijnde een plaatsing op grond van hoofdstuk 3;
de defensieambtenaar geplaatst in Nederland en wonend in België of Duitsland.
1. Degene die behoort tot groep 1 of 2, heeft voor de aldaar met toestemming van de minister metterwoon verblijvende gezinsledenaanspraak op een collectieve zorgverzekering, tenzij het gezinslid:
a. buiten Nederland arbeid verricht en de inkomsten uit deze arbeid meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001; of
b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
2. De omvang van de collectieve zorgverzekering, bedoeld in het eerste lid, alsmede de procedures met betrekking tot realisering van de aanspraak daar op zijn neergelegd in de door de minister met de aanbieder van de collectieve zorgverzekering overeengekomen voorwaarden.
3. Degene die behoort tot groep 1 of 2 en van wie de gezinsleden gebruik maken van de collectieve zorgverzekering, bedoeld in het eerste lid, heeft voor deze gezinsleden tevens aanspraak op vergoeding van de gemaakte buitenlandse kosten van de voor hen verzekerde zorg, voor dat deel van de kosten dat het niveau van de verzekerde zorg in Nederland overstijgt, en voor zover niet uit andere hoofde aanspraak bestaat.
4. Indien gebruik wordt gemaakt van de in het eerste lid bedoelde collectieve zorgverzekering is een premie verschuldigd van € 158,50 per maand per gezinslid, vanaf het moment dat het gezinslid de leeftijd van 18 jaar bereikt. De hoogte van dit bedrag zal jaarlijks door de minister worden vastgesteld.
5. Indien gebruik gemaakt wordt van de in het eerste lid bedoelde collectieve zorgverzekering dan geldt per verzekerde een verplicht eigen risico, als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Zorgverzekeringswet. Het verplicht eigen risico wordt maandelijks verrekend met de declaratie die de verzekerde bij de aanbieder van de collectieve zorgverzekering heeft ingediend.
6. De aanspraken opgenomen in het eerste, derde, vierde en vijfde lid zijn ook van toepassing op de burgerlijke ambtenaar behorend tot groep 1, 2 of 3.
7. Realisering van de aanspraak opgenomen in het derde lid wordt uitgevoerd door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 90a van het Algemeen militair ambtenarenreglement.
1. Degene die behoort tot groep 3, heeft voor de aldaar met toestemming van de minister metterwoon verblijvende gezinsleden aanspraak op een zorgkostenvoorziening. Degene die behoort tot groep 4, maakt eveneens aanspraak op een zorgkostenvoorziening voor de metterwoon verblijvende gezinsleden.
2. De in het eerste lid opgenomen aanspraken zijn van toepassing, tenzij het gezinslid:
a. in dienstbetrekking of als zelfstandige werkt; of
b. een werkloosheidsuitkering ontvangt.
3. De omvang van de zorgkostenvoorziening, bedoeld in het eerste lid, alsmede de procedures met betrekking tot realisering van de aanspraak daar op zijn neergelegd in de voorwaarden, zoals geformuleerd door de aanbieder van de zorgkostenvoorziening en waarmee de minister heeft ingestemd.
4. Degene die behoort tot groep 3 of 4 en van wie de gezinsleden gebruik maken van de zorgkostenvoorziening, bedoeld in het eerste lid, heeft voor deze gezinsleden tevens aanspraak op vergoeding van de gemaakte buitenlandse kosten van de voor hen verzekerde zorg, voor dat deel van de kosten dat het niveau van de verzekerde zorg in Nederland overstijgt, en voor zover niet uit andere hoofde aanspraak bestaat.
5. Indien gebruik wordt gemaakt van de in het eerste lid bedoelde zorgkostenvoorziening is een premievervangende bijdrage verschuldigd van € 158,50 per maand per gezinslid vanaf het moment dat het gezinslid de leeftijd van 18 jaar bereikt. De hoogte van dit bedrag zal jaarlijks door de minister worden vastgesteld.
6. Indien gebruik gemaakt wordt van de in het eerste lid bedoelde zorgkostenvoorziening dan geldt per verzekerde een verplicht eigen risico, als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Zorgverzekeringswet. Het verplicht eigen risico wordt jaarlijks achteraf ingehouden op het salaris van de defensieambtenaar.
7. Realisering van de aanspraken opgenomen in het eerste en vierde lid worden uitgevoerd door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 90a van het Algemeen militair ambtenarenreglement.
Degene die behoort tot groep 3, heeft voor de aldaar met toestemming van de minister metterwoon verblijvende gezinsleden aanspraak op vergoeding van de kosten voor vrijwillige verzekering voor de Algemene ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, indien de door het gezinslid aangevraagde verzekering is goedgekeurd door de Sociale Verzekeringsbank, tenzij het gezinslid:
a. in dienstbetrekking of als zelfstandige werkt; of
b. een werkloosheidsuitkering ontvangt.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Defensie, voor deze De Hoofddirecteur Personeel B.J. de Greeff
Op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit Uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (BUB) zijn de echtgenoot of geregistreerd partner, kinderen en overige inwonende gezinsleden van de Nederlander die in dienst is van de Nederlandse overheid en buiten Nederland woont (hierna: gezinsleden), in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen en, daarmee samenhangend, de zorgverzekering. Op grond van deze uitzondering ging Defensie ervan uit dat gezinsleden van in het buitenland geplaatste defensieambtenaren en in het buitenland wonende defensieambtenaren die werken binnen Nederland, zouden vallen onder deze uitzondering.
De Verordening (E.G.) 883/2004 (hierna: verordening) bepaalt echter dat deze nationale uitzondering in het BUB niet opgaat voor landen die vallen onder het toepassingsgebied van de verordening (hierna: de verordeningslanden). Dit betekent dat de niet-actieve gezinsleden van de defensieambtenaar die in het buitenland is geplaatst en wonen in een verordeningsland, niet langer voor volksverzekeringen verzekerd zijn. Hetzelfde geldt voor de niet-actieve gezinsleden van in Nederland geplaatste defensiemedewerkers, die op eigen initiatief over de grens zijn gaan wonen, de zogenaamde grensgangers.
In artikel 25b van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD) zijn daarom bepalingen opgenomen die regelen dat de niet-actieve gezinsleden van zowel de defensieambtenaar als grensganger de mogelijkheid krijgen een zorgkostenvoorziening af te sluiten. In artikel 25c VBD is een vergoeding opgenomen voor de vrijwillige verzekering van niet-actieve gezinsleden die in een verordeningsland samen met een aldaar geplaatste defensieambtenaar wonen, en als gevolg van de verordening niet langer verzekerd zijn voor de Algemene ouderdomswet (AOW) en Algemene nabestaandenwet (Anw).
Naast deze wijzigingen als gevolg van de verordening, wordt een aanspraak in artikel 25a VBD opgenomen op een collectieve zorgverzekering. Deze collectieve zorgverzekering is bedoeld voor de gezinsleden van defensieambtenaren geplaatst in een land dat niet behoort tot de verordeningslanden. Daarnaast kunnen defensieambtenaren geplaatst op een diplomatieke post in het buitenland gebruik maken van deze aanspraak voor hun gezinsleden. Burgerlijke ambtenaren, geplaatst in het buitenland, kunnen voor zichzelf ook gebruik maken van de collectieve zorgverzekering.
Tot slot is in artikel 25a en 25b VBD een aanspraak opgenomen die ervoor zorgt dat de defensieambtenaar die in het buitenland geconfronteerd wordt met hogere kosten voor afgenomen zorg, daarvoor gecompenseerd wordt. Deze aanspraak komt in de plaats van de 200%+ voorziening die opgenomen was in artikel 8 VBD (oud), dat hiermee is vervallen.
Aangezien bovenstaande wijzigingen een relatie hebben met de aanspraken en vergoedingen ten aanzien van een zorgverzekering en niet alleen zien op de defensieambtenaar die is geplaatst in het buitenland, maar ook op degene die niet in het buitenland is geplaatst maar wel in het buitenland woont (de grensganger) is vanwege deze samenhang met de te regelen materie gekozen om de nieuwe voorzieningen in een nieuw hoofdstuk 3a op te nemen dat specifiek de voorzieningen en regelingen betreft ten aanzien van aanspraken op vergoeding van zorgkosten door in het buitenland woonachtig dan wel geplaatst defensiepersoneel.
De in hoofdstuk 3a opgenomen voorzieningen zijn bedoeld om blijvend te worden opgenomen in het Voorzieningenstelstel Buitenland Defensiepersoneel. Voor nu is echter door de sociale partners afgesproken dat defensie dit voor ten minste twee jaar op zich neemt, waarbij in 2026 wordt geëvalueerd of een Europese aanbesteding nodig is om de buitenlandregeling voort te zetten. Indien dit het geval is, zal de aanbesteding in diezelfde periode worden opgestart.
De verordening heeft ertoe geleid dat voor bepaalde rechtspositionele aanspraken onderscheid bestaat tussen een buitenlandplaatsing binnen of buiten een verordeningsland. Om die reden is een definitie van ‘verordeningsland’ bij de begripsbepalingen opgenomen.
Artikel 8 VBD dat bepalingen bevatte over de vergoeding van de kosten voor zorgverzekering en zorgkosten, was niet logisch geplaatst in het VBD. Het stond namelijk in paragraaf 2 die ‘Toelage-buitenland’ heet en ook volledig gewijd is aan deze toelage. De defensieambtenaar had op basis van dat artikel voor gezinsleden aanspraak op € 35 tegemoetkoming voor de kosten van een aanvullende verzekering. Daarnaast werden de buitenlandse zorgkosten die 200% van de dekking overstegen, vergoed door defensie. De bepalingen die in de plaats komen voor hetgeen geregeld was in artikel 8 VBD (oud), passen beter in het nieuwe hoofdstuk 3a, waarin thans uitsluitend de voorzieningen ten aanzien van de vergoeding van zorgkosten zijn opgenomen. Hierdoor is artikel 8 VBD vervallen. Voor de inhoudelijke wijziging wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel C.
Defensieambtenaren geplaatst of wonend in het buitenland kunnen worden ingedeeld in vier verschillende groepen: groep 1, Wereld; groep 2, Diplomatieke posten; groep 3, Verordeningslanden en groep 4, Grensgangers.
Dit artikel geeft aanspraak op een collectieve zorgverzekering voor defensieambtenaren behorend tot groep 1, Wereld en groep 2, Diplomatieke posten.
De gezinsleden van defensieambtenaren die in het buitenland zijn geplaatst, met uitzondering van een plaatsing in een verordeningsland, kunnen op basis van de uitzondering, opgenomen in het Besluit Uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, in Nederland verzekerd blijven voor de volksverzekeringen en, daarmee samenhangend, de zorgverzekering. Zij moeten daarvoor wel voldoen aan de in het BUB opgenomen voorwaarden ten aanzien van inkomsten uit arbeid of uitkering. De defensieambtenaar krijgt voor hen aanspraak op een collectieve zorgverzekering. De voorwaarden voor deze collectieve zorgverzekering zijn vastgelegd in een door de minister met de aanbieder van de collectieve zorgverzekering overeengekomen document. De minister wordt over de omvang van het te verzekeren pakket geadviseerd door het bestuur van de Stichting Ziektekosten Verzekering Krijgsmacht.
Gekoppeld aan de collectieve zorgverzekering is een aanspraak op vergoeding van de buitenlandse zorgkosten van gezinsleden voor dat deel van de kosten dat het niveau van de verzekerde zorg in Nederland overstijgt. Dit wordt ook wel de 100%+ regeling genoemd.
De defensieambtenaar is hiervoor per gezinslid vanaf 18 jaar, dat gebruik maakt van de collectieve zorgverzekering, een premie verschuldigd. De collectieve zorgverzekering bestaat uit een basiszorgverzekering en een aanvullende verzekering. De premie voor de basiszorgverzekering komt voor rekening van de defensieambtenaar. Defensie draagt de kosten van de premie van de aanvullende verzekering. Voor gezinsleden onder de 18 jaar geldt geen premie, gezien zij onder de Nederlandse zorgverzekering kosteloos meeverzekerd zouden zijn. De hoogte van de premie is gelijk aan de premievervangende bijdrage van de zorgkostenvoorziening en wordt door de minister jaarlijks vastgesteld.
Voor de collectieve zorgverzekering geldt een verplicht eigen risico. De zorgverzekeraar verrekent het eigen risico rechtstreeks met de verzekerde bij het indienen van declaraties.
Deze aanspraak is ook van toepassing op de burgerlijke ambtenaar zelf geplaatst in het buitenland, inclusief de verordeningslanden.
De Stichting Ziektekosten Verzekering Krijgsmacht, die ook verantwoordelijk is voor de uitvoering van de ziektekostenverzekering van de militair, krijgt de wettelijke taak de 100%+ regeling uit te voeren. Hiertoe zal de wettelijke taak van het SZVK worden uitgebreid.
Dit artikel geeft aanspraak op een zorgkostenvoorziening voor de defensieambtenaren behorend tot groep 3, Verordeningslanden en groep 4, Grensgangers.
Het doel van deze zorgkostenvoorziening is het vergoeden van zorgkosten voor de meeverhuisde niet-actieve gezinsleden van in verordeningslanden wonende defensiemedewerkers. Het uitgangspunt is om de voorziening zo veel mogelijk te laten aansluiten bij systematiek en voorwaarden van een zorgverzekering onder het Nederlandse stelsel. De niet-actieve gezinsleden van de defensieambtenaar geplaatst in een verordeningsland mogen namelijk hun zorgverzekering in Nederland niet aanhouden. Hetzelfde geldt voor de niet-actieve gezinsleden van defensieambtenaren die geplaatst zijn in Nederland en woonachtig zijn in België of Duitsland, de zogenaamde grensgangers. In plaats daarvan krijgt de defensieambtenaar voor hen aanspraak op een zorgkostenvoorziening. De voorwaarden voor deze zorgkostenvoorziening worden vastgelegd in een met de aanbieder van de zorgkostenvoorziening overeengekomen document, waaraan de Minister van Defensie zijn instemming verleent. De minister wordt over de omvang van het te verzekeren pakket geadviseerd door het bestuur van de Stichting Ziektekosten Verzekering Krijgsmacht.
Gekoppeld aan de zorgkostenvoorziening is een aanspraak op vergoeding van de buitenlandse zorgkosten van gezinsleden voor dat deel van de kosten dat het niveau van de verzekerde zorg in Nederland overstijgt. Dit wordt ook wel de 100%+ regeling genoemd.
De defensieambtenaar is hiervoor per niet-actief gezinslid vanaf 18 jaar die gebruik maakt van de voorziening een premievervangende bijdrage verschuldigd. De zorgkostenvoorziening bestaat uit een basis en een aanvullend deel. De premievervangende bijdrage van het basisdeel komt voor rekening van de defensieambtenaar. Defensie draagt de kosten voor de premievervangende bijdrage van het aanvullende deel. Voor gezinsleden tot 18 jaar geldt geen premievervangende bijdrage, gezien zij onder de Nederlandse zorgverzekering kosteloos meeverzekerd zouden zijn. De hoogte van de premievervangende bijdrage wordt door de minister jaarlijks vastgesteld op voordracht van het bestuur van de Stichting Ziektekosten Verzekering Krijgsmacht.
Voor de zorgkostenvoorziening geldt een verplicht eigen risico. Jaarlijks wordt achteraf door de zorgverzekeraar aan defensie aangegeven welk deel van het eigen risico is verbruikt. Dit bedrag wordt ingehouden op het salaris van de defensieambtenaar.
De Stichting Ziektekosten Verzekering Krijgsmacht, die ook verantwoordelijk is voor de uitvoering van de ziektekostenverzekering van de militair, krijgt de wettelijke taak deze zorgkostenvoorziening uit te voeren. Hiertoe zal de wettelijke taak van het SZVK worden uitgebreid.
Dit artikel geeft aanspraak op een vergoeding van de kosten van een vrijwillige verzekering van niet-actieve gezinsleden voor de defensieambtenaren behorend tot groep 3, Verordeningslanden.
Niet-actieve gezinsleden die in een verordeningsland samen met een defensieambtenaar wonen, zijn namelijk als gevolg van de verordening niet langer verzekerd voor AOW en Anw. Zij kunnen zich wel op eigen kosten vrijwillig verzekeren voor AOW en Anw. De overheid bepaalt ieder jaar een minimum- en een maximumpremie en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) stelt de uiteindelijke premie per persoon vast. Artikel 25c VBD regelt dat Defensie de gehele (jaar)premie vergoedt die voor het gezinslid is betaald, tenzij het gezinslid een inkomen heeft uit een dienstbetrekking, als zelfstandige of een werkeloosheidsuitkering ontvangt.
De voorzieningen opgenomen in hoofdstuk 3a zijn van toepassing in de periode 1 januari 2026 tot en met 31 december 2027.
De Staatssecretaris van Defensie, voor deze De Hoofddirecteur Personeel B.J. de Greeff
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-44750.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.