Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 44508 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 44508 | ander besluit van algemene strekking |
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 13, tweede, derde, vierde en negende lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, de artikelen, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag, artikel 66, zevende lid, van de Pensioenwet, artikel 78, zevende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 15, vijfde lid, van het Reïntegratiebesluit en artikel 475da, achtste en negende lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
Delen mede:
Dat met ingang van 1 januari 2026 in de hierna genoemde regelgeving, de bedragen zijn gewijzigd en als volgt luiden:
1. Het bedrag, genoemd in artikel 7a, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene Kinderbijslagwet, bedraagt: € 6.323.
2. Het extra bedrag aan kinderbijslag, genoemd aan het slot van artikel 7a, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, bedraagt: € 2.783,46.
3. Het basiskinderbijslagbedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, bedraagt: € 421,53.
4. De kinderbijslagbedragen, bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, bedragen:
a. voor een kind dat jonger is dan 6 jaar: € 295,07;
b. voor een kind dat 6 jaar of ouder is, maar jonger is dan 12 jaar: € 358,30; en
c. voor een kind dat 12 jaar of ouder is, maar jonger is dan 18 jaar: € 421,53.
1. Het bedrag, genoemd in artikel 5, eerste lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag, bedraagt: € 540.
2. Het bedrag, genoemd in artikel 6, eerste en vierde lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag, bedraagt: € 1.432.
3. Het bedrag genoemd in artikel 7, eerste lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag, bedraagt: € 13.
Het bedrag van de uitkering van het ouderdomspensioen, genoemd in artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet en artikel 78, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bedraagt: € 632,63.
Het bedrag, genoemd in artikel 3 van de Reïntegratieregeling, bedraagt: € 47.285,37.
1. De beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475da, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bedraagt:
a. in onderdeel a: € 2.191,42;
b. in onderdeel b: € 2.526,69;
c. in onderdeel c: € 2.881,41; en
d. in onderdeel d: € 3.155,31.
2. Het belastbaar inkomen, genoemd in artikel 475da, zevende lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bedraagt € 55.682,78, respectievelijk € 71.089,09.
Deze mededeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M.L.J. Paul
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel
Per 1 januari 2026 worden verschillende bedragen in de SZW-regelgeving herzien. In deze mededeling worden nieuwe bedragen voor de Algemene Kinderbijslagwet, het Besluit uitvoering kinderbijslag, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Reïntegratieregeling en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bekendgemaakt. Deze mededeling volgt op de eerste Verzamelmededeling.
Deze mededeling ziet op de indexering van het extra bedrag aan kinderbijslag, genoemd in artikel 7a, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW) voor het kalenderjaar 2025 en indexering van het basiskinderbijslagbedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid, van de AKW voor het eerste halfjaar van 2026. Op grond van artikel 13, tweede lid, van de AKW wordt het extra bedrag aan kinderbijslag ieder jaar met ingang van 1 januari aangepast. Het basiskinderbijslagbedrag wordt op grond van artikel 13, derde lid, van de AKW twee keer per jaar, op 1 januari en op 1 juli, aangepast aan de ontwikkeling van het algemene prijsniveau. Dit gebeurt aan de hand van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex in een vooraf bepaalde periode.
Na indexering bedraagt het bedrag, genoemd in artikel 7a, tweede lid, onderdeel b, van de AKW met ingang van 1 januari 2026 € 6.323. Dat bedrag is als volgt tot stand gekomen. De indexering gebeurt op grond van artikel 13, tweede lid, van de AKW. Dat artikellid schrijft voor dat het bedrag wordt vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodige afronding wordt aangebracht. Op basis van de berekening komt het bedrag op 1 januari 2026 neer op € 6.323. Voor de volledigheid wordt nog genoemd dat de wijzigingen in het Belastingplan 20261, specifiek de artikelen XLI en XLII, geen gevolgen hebben voor de indexatie van dit bedrag.
Het bedrag, genoemd aan het slot van artikel 7a, tweede lid, bedraagt met ingang van 1 januari 2026: € 2.738,46. Dit bedrag is geïndexeerd op grond van artikel 13, derde lid, van de AKW.
Het basiskinderbijslagbedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid, van de AKW is geïndexeerd op grond van artikel 13, vierde lid, en bedraagt met ingang van 1 januari 2026 € 421,53.
Op grond van artikel 13, negende lid, van de AKW worden de uit de toepassing van artikel 12, derde lid, voortvloeiende kinderbijslagbedragen voor kinderen jonger dan 6 jaar, voor kinderen van 6 jaar of ouder, maar jonger dan 12 jaar en voor kinderen van 12 jaar of ouder, maar jonger dan 18 jaar, eveneens samen met de dag waarop de wijziging ingaat, door of namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid medegedeeld in de Staatscourant. Die bedragen zijn respectievelijk € 295,07, € 358,30 en € 421,53.
Deze mededeling voorziet in aanpassing van de in de artikelen 5 en 6 genoemde bedragen (onderhoudsbijdrage voor enkele kinderbijslag en onderhoudsbijdrage voor dubbele kinderbijslag).
Met ingang van 1 januari 2026 bedraagt het onderhoudsbedrag voor enkelvoudige kinderbijslag, genoemd in artikel 5, eerste lid, € 540,00 en het bedrag voor dubbele kinderbijslag, genoemd in artikel 6, eerste en vierde lid, op € 1.432,00
Om in aanmerking te komen voor kinderbijslag voor een kind dat niet tot het huishouden behoort, dient de verzekerde het betreffende kind te onderhouden. Daartoe is een minimumbedrag per kwartaal bepaald. Als onderdeel van deze onderhoudsbijdrage is een forfaitaire onderhoudsbijdrage vastgesteld en vastgelegd in artikel 7, eerste lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag. De forfaitaire onderhoudsbijdrage ziet op situaties waarin het uitwonende zieke of schoolgaande kind tijdelijk thuis verblijft of als de verzekerde tijdelijk bij het kind verblijft. In die situatie kan een forfaitair bedrag per dag worden meegeteld voor de ‘onderhoudstoets’ (het minimumbedrag per kwartaal).
De hoogte van deze forfaitaire onderhoudsbijdrage zoals vastgelegd in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is niet gewijzigd en blijft € 13. Daarom is het bedrag in artikel 7, eerste lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag ook niet gewijzigd en zal in 2026 de hoogte van deze forfaitaire onderhoudsbijdrage hetzelfde blijven.
Kleine pensioenaanspraken kunnen op grond van de artikelen 66, eerste en tweede lid, van de Pensioenwet en 78, eerste en tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, door de pensioenuitvoerder worden afgekocht. Het grensbedrag daarvoor wordt jaarlijks herzien op basis van de Consumentenprijsindex Alle Huishoudens (CPI). De herziening wordt bepaald door de procentuele wijziging die dat indexcijfer over de maand oktober voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van de maand oktober van het daaraan voorafgaande jaar. De CPI van oktober 2025 is door het CBS vastgesteld op 136,38. De CPI van oktober 2024 was 132,26. Het bedrag van € 613,52 leidt na indexering met ingang van 1 januari 2026 tot een nieuwe afkoopgrens van € 632,63.
Jaarlijks wordt, met ingang van 1 januari, het percentage medegedeeld, waarmee het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand oktober daaraan voorafgaand afwijkt van het prijsindexcijfer waarop de laatste vaststelling van de bijdrage is gebaseerd. Met ingang van 1 januari 2026 is dit bedrag vastgesteld op € 47.285,37. Het afgeleide prijsindexcijfer is in oktober 2025 met 3,0% gestegen ten opzichte van dat van oktober 2024.
Per 1 januari 2026 zijn de bedragen herzien voor de maximale beslagvrije voet, genoemd in artikel 475da, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In deze mededeling zijn de nieuwe bedragen voor de maximale beslagvrije voet gepubliceerd, zoals voorgeschreven door artikel 475da, achtste lid. In artikel 475da, zevende lid, zijn de inkomensgrenzen opgenomen voor ophoging van de beslagvrije voet wanneer er geen aanspraak is op huurtoeslag (zoals bij eigen woningbezit). Per 1 januari 2026 zijn deze bedragen aangepast. In deze mededeling zijn de nieuwe bedragen voor de inkomensgrenzen gepubliceerd zoals voorgeschreven door artikel 475da, negende lid.
Per 1 januari 2026 is de berekeningssystematiek voor bovengenoemde bedragen aangepast. Deze aangepaste berekening volgt uit artikel 475da, achtste en negende lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gewijzigde berekeningssystematiek leidt er per abuis toe dat de inkomensgrenzen voor ophoging van de beslagvrije voet wanneer er geen aanspraak is op huurtoeslag (zoals bij eigen woningbezit) hoger zijn vastgesteld dan het niveau waarop de ophoging daadwerkelijk in een ophoging van de beslagvrije voet zou resulteren. Het gevolg hiervan is dat er een groep is die wel binnen de inkomensgrenzen valt, zonder dat dit in de praktijk gevolgen heeft. De ophoging van de beslagvrije voet zal voor hen € 0 bedragen. De inkomensgrenzen tot waar daadwerkelijk een ophoging van de beslagvrije voet resulteert zijn separaat gecommuniceerd aan de uitvoering.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M.L.J. Paul
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-44508.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.