Besluit vaststelling Ontwerp projectbesluit Gaswinning L7-F op het Nederlands Continentaal Plat

De minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO)

gelet op artikel 5.44 van de Omgevingswet

overwegende,

dat het ten behoeve van het project Gaswinning L7-F op het Nederlands Continentaal Plat noodzakelijk is een planologische regeling als bedoeld in de Omgevingswet (hierna: Ow) te treffen;

dat op grond van artikel 141a, lid 1 onder a van de Mijnbouwwet de coördinatieregeling van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is en de planologische regeling wordt vormgegeven in de vorm van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 Ow;

dat het gezien de cruciale rol van aardgas in het Nederlands energiesysteem, dat minder uitstoot van CO2 en minder vervuilende stoffen geeft dan het gebruik van steenkool of olie, noodzakelijk is om de exploitatie van een gaswinningsinstallatie te realiseren, gezien dit een belangrijke brandstof is in de transitie naar een energievoorziening op basis van hernieuwbare bronnen;

dat Nederland afhankelijker is geworden van gasimport uit het buitenland en daardoor het nationale beleid zich nu richt op maximale, veilige winning uit kleine Nederlandse gasvelden met name op de Noordzee;

dat gaswinning uit eigen velden voordelen oplevert voor het klimaat, de economie en de leveringszekerheid en dit een lagere CO2-uitstoot heeft dan geïmporteerd gas en de afhankelijkheid van andere landen beperkt;

dat omtrent het voornemen overleg als bedoeld in artikel 2.2 Ow is gepleegd met de uitvoeringsdiensten van het Rijk, Rijkswaterstaat, Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Staatstoezicht op de Mijnen, Kustwacht Nederland en andere overlegpartners die betrokken zijn bij de zorg voor de fysieke leefomgeving of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn;

dat omtrent het voornemen en het projectbesluit participatie is gevoerd als bedoeld in art. 5.47, lid 4 en 5.51 Ow, alsmede art. 5.3 Omgevingsbesluit (Ob);

onder verwijzing naar het milieueffectrapport gaswinning L7-F, de Nota van Antwoord Voornemen en Participatieplan en concept-NRD en de motivering bij het projectbesluit en de hieraan ten grondslag liggende onderzoeken;

Besluit:

Artikel I

Het projectbesluit ‘Gaswinning L7-F’ vast te stellen, zoals deze in Bijlage A bij dit besluit is opgenomen.

Aldus vastgesteld

De Minister van Klimaat en Groene Groei,

Sophie Hermans

Bijlage A artikel I

Besluit vaststelling Ontwerp projectbesluit Gaswinning L7-F op het Nederlands Continentaal Plat

1 Beschrijving van het project

1.1 Inleiding

De initiatiefnemer van het project is Eni Energy Netherlands B.V. (hierna: Eni Energy). Zij is de grootste aardgasproducent op het Nederlandse deel van de Noordzee en levert hiermee een belangrijke bijdrage aan de energiezekerheid in Nederland. Eni Energy is voornemens het aardgasveld in de blokdelen L07e/L08f op het Nederlands Continentaal Plat te ontwikkelen. Dit betreft een klein gasveld onder het Nederlandse deel van de Noordzee. Voor de winning wordt een nieuw productieplatform (L7-F) op de zeebodem geplaatst, bestaande uit een nieuwe onderbouw (het jacket) en de bovenbouw (de topside) van het huidige E17-A platform, dat binnenkort buiten gebruik wordt gesteld. Met behulp van een tijdelijk boorplatform wordt de bestaande exploratieput L7-17-ST1 omgebouwd tot productieput. Eveneens zullen nog maximaal twee extra putten worden geboord. Het gewonnen aardgas wordt via een nieuw aan te leggen pijpleiding aangesloten op het bestaande NOGAT-transportnetwerk. Eni Energy voorziet een winningsperiode van tien tot vijftien jaar. Daarna zullen de installaties worden opgeruimd volgens de dan geldende wet- en regelgeving. De voorziene positie van het L7-F-platform is weergegeven in onderstaande

Met dit projectbesluit wordt het project gaswinning L7-F planologisch mogelijk gemaakt. De Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn bevoegd gezag voor het projectbesluit. Daar waar in dit projectbesluit de ministers worden genoemd, worden voornoemde ministers bedoeld. Eni Energy is voornemens om aardgas te winnen door een nieuw te plaatsen mijnbouwinstallatie (platform) te realiseren. Een impressie van de ligging van gaswinning L7-F is opgenomen in onderstaande figuur.

Figuur 1 Ligging projectlocatie platform L7-F in het Friese Front

Paragraaf 1.2 omvat de projectbeschrijving. Vervolgens worden in paragrafen 1.3 en 1.4 de permanente en tijdelijke maatregelen en voorzieningen beschreven. Paragraaf 1.5 gaat in op de maatregelen ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen.

1.2 Projectbeschrijving

Eni Energy is voornemens het aardgasveld in de blokdelen L7e/L8f op het Nederlands Continentaal Plat te ontwikkelen. Het betreft een klein gasveld onder het Nederlandse deel van de Noordzee. Voor de winning wordt een nieuw productieplatform (L7-F) op de zeebodem geplaatst. Dit bestaat uit een nieuw jacket en de topside van het huidige E17-A platform, dat binnenkort buiten gebruik wordt gesteld.

Met een tijdelijk boorplatform wordt de bestaande exploratieput L7-17-ST1 omgebouwd tot productieput. Daarnaast worden maximaal twee extra putten geboord. Het gewonnen aardgas wordt via een nieuwe pijpleiding aangesloten op het bestaande NOGAT-transportnetwerk. Eni Energy voorziet een winningsperiode van tien tot vijftien jaar, waarna de installaties worden opgeruimd volgens de dan geldende wet- en regelgeving.

Concreet omvat het project de volgende onderdelen:

  • installatie van de mijnbouwinstallatie L7-F;

  • ombouwen van de exploratieput L7-17-ST1 tot productieput L7-F1;

  • boren en testen van twee nieuwe putten;

  • aanleggen en onderhouden van een 27 kilometer pijpleiding;

  • productie van 2,5 tot 3 miljoen Nm3 aardgas per dag via de mijnbouwinstallatie L7-F;

  • behandelen en op specificatie brengen van het aardgas;

  • behandelen en lozen van vrijkomend sanitair afvalwater;

  • afvoer van geproduceerd aardgas en condensaat per pijpleiding naar het bestaande NOGAT-gastransport systeem en het gasnet op het vasteland.

1.3 Permanente maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de realisatie van het project

In het kader van het project worden de volgende permanente voorzieningen gerealiseerd:

  • de aanleg van een pijpleiding van circa 27 kilometer voor van het transport van het aardgas naar het bestaande NOGAT-transportnetwerk;

  • de productieput L7-F1;

  • twee nieuwe putten die worden geboord en getest.

De ontmantelingsfase maakt onderdeel uit van het project en zorgt ervoor dat de installaties na beëindiging van de gaswinning worden verwijderd, maar bovenstaande voorzieningen blijven aanwezig na beëindiging van het project mits dit niet strijdig is met dan geldende wet- en regelgeving.

1.4 Tijdelijke maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de realisatie van het project

Binnen het project zal er sprake zijn van een aantal tijdelijke maatregelen en voorzieningen:

  • aanwezigheid van het productieplatform L7-F in het projectgebied tot het einde van de ontmantelingsfase.

1.5 Maatregelen ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden verschillende natuurbeschermende maatregelen getroffen om mogelijke effecten op het milieu en de natuur te voorkomen of te beperken, dit zijn ook wel de mitigerende maatregelen. De mitigerende maatregelen die worden genomen in het kader van dit project zijn opgenomen in de omgevingsvergunningen. Daarnaast worden natuurversterkende maatregelen toegepast.

Natuurbeschermende maatregelen

De natuurbeschermende maatregelen worden genomen in het kader van de vergunningsaanvragen. De natuurbeschermende maatregelen zijn gericht op het beperken van lichtvervuiling, werken buiten kwetsbare perioden, aanpassingen aan de begraafmethode van kabels en leidingen en het beperken van onderwatergeluid.

Natuurversterkende maatregelen

De natuurversterkende maatregelen worden genomen in het kader van onderhavig projectbesluit. Hieronder worden deze kort toegelicht, voor een uitgebreidere toelichting van deze natuurversterkende maatregelen wordt verwezen naar het MER in bijlage III.

Natuurinclusieve erosiebescherming:

- Op de laatste circa 100 meter van de onbegraven pijpleiding en aansluitstukken richting het L7-F platform worden natuurinclusieve matrassen geplaatst.

Kunstmatige riffen in waterkolom:

- Vishotel: bij de constructie van het jacket worden vishotels ingebouwd.

- Biohut: aan smalle sleuven en spleten van de onderconstructie van het L7-F platform worden biohutten bevestigd om schuil- en groeiplaatsen voor mariene soorten te bevorderen.

Bijlage II Begrippen

ADD

Acoustic Deterrent Device

BBT

Beste beschikbare techniek

dB(A)

Decibel

EEZ

Exclusieve Economische Zone

I&W

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

KGG

Ministerie van Klimaat en Groene Groei

LVVN

Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Mbb

Mijnbouwbesluit

Mbw

Mijnbouwwet

Mbr

Mijnbouwregeling

mer

Milieueffectrapportage

MER

Milieueffectrapport

MMO

Marine Mammal Observer

NCP

Nederlands Continentaal Plat

NOGAT

Northern Offshore Gas Transport

NPE

Nationaal Plan Energiesysteem

NRD

Notitie Reikwijdte en Detailniveau

Ow

Omgevingswet

PAM

Passive Acoustic Monitoring

PEH

Programma Energie Hoofdstructuur

PNEC

Predicted no-effect concentration

RVO

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

SodM

Staatstoezicht op de Mijnen

Bijlage III Milieueffectrapport

Zie voor het volledige milieueffectrapport ​de projectpagina op de website van de Rijksdienst van Ondernemend Nederland.

Besluit Motivering

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (hierna: KGG) heeft van Eni Energy Netherlands B.V. (hierna: Eni Energy) een verzoek ontvangen om gaswinning mogelijk te maken in het aardgasveld in de blokdelen L07e/L08f in het Nederlands deel van de Exclusieve Economische Zone (deze zone wordt ook wel het Nederlands Continentaal Plat genoemd). Het project omvat het plaatsen en exploiteren van een productieplatform, het boren van nog maximaal twee productieputten, het aanleggen van een pijpleiding vanaf de productielocatie naar de reeds bestaande NOGAT-leiding en het winnen van aardgas gedurende een periode van 10-15 jaar. Het nieuwe platform genaamd L7-F is gepland op een afstand van ongeveer 70 km ten noordwesten van Den Helder.

Deze motivering beschrijft het project en de achtergrond daarvan. Per milieuthema worden de gevolgen voor de fysieke leefomgeving als gevolg van het project beschreven en welke maatregelen worden genomen om die effecten te beperken, danwel te compenseren.

1.2 Het Project

De initiatiefnemer van het project is Eni Energy. Zij is de grootste aardgasproducent op het Nederlandse deel van de Noordzee en levert hiermee een belangrijke bijdrage aan de energiezekerheid in Nederland. Eni Energy is voornemens het aardgasveld in de blokdelen L07e/L08f op het Nederlands Continentaal Plat te ontwikkelen. Dit betreft een klein gasveld onder het Nederlandse deel van de Noordzee. Voor de winning wordt een nieuw productieplatform (L7-F) op de zeebodem geplaatst, bestaande uit een nieuwe onderbouw (het jacket) en de bovenbouw (de topside) van het huidige E17-A platform, dat binnenkort buiten gebruik wordt gesteld. Met behulp van een tijdelijk boorplatform wordt de bestaande exploratieput L7-17-ST1 omgebouwd tot productieput. Eveneens zullen nog maximaal twee extra putten worden geboord. Het gewonnen aardgas wordt via een nieuw aan te leggen pijpleiding aangesloten op het bestaande NOGAT-transportnetwerk. Eni Energy voorziet een winningsperiode van tien tot vijftien jaar. Daarna zullen de installaties worden opgeruimd volgens de dan geldende wet- en regelgeving. De voorziene positie van het L7-F-platform is weergegeven in onderstaande figuur.

Figuur 2 Ligging platform L7-F ten opzichte van het Friese Front

1.3 Juridisch kader

De grondslag van dit projectbesluit is artikel 141a lid 1, onderdeel a van de Mijnbouwwet in combinatie met artikel 5.44 Omgevingswet. Dit projectbesluit bevat het ruimtelijk planologische besluit. De uitvoeringsbesluiten die nodig zijn voor het realiseren en in stand houden van het project maken geen onderdeel uit van het projectbesluit. De procedures voor de uitvoeringsbesluiten worden gecoördineerd doorlopen met de procedure om te komen tot het projectbesluit (projectprocedure).

Omgevingswet

De Omgevingswet vormt het juridische kader voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet is uitgewerkt in 4 Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en een ministeriële regeling (Omgevingsregeling), die ook op 1 januari 2024 in werking zijn getreden.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Bkl voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Er staat onder andere in wat er in omgevingsplannen, omgevingsverordeningen en waterschapsverordeningen moet staan. Ook omgevingswaarden van het Rijk staan in het Bkl. Verder geeft het Bkl regels voor het toetsen en verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. En regels over monitoring en gegevensverzameling. Op grond van artikel 5.1 Bkl geldt hoofdstuk 5 alleen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Met dit projectbesluit worden geen omgevingsplannen van gemeente(n) gewijzigd. Daarom is in dit projectbesluit ook geen toetsing aan het Bkl opgenomen.

Omgevingsbesluit

In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Bijvoorbeeld: wie bevoegd gezag is voor een omgevingsvergunning, welke procedure van toepassing is en hoe de milieueffectrapportage plaatsvindt. Het Omgevingsbesluit geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid.

1.4 Nut en noodzaak

Aardgas blijft essentieel voor de Nederlandse energievoorziening. Het wordt gebruikt voor verwarming, elektriciteitsopwekking en als grondstof in de industrie. Nu het Groningerveld gesloten is, is Nederland afhankelijker geworden van gasimport uit het buitenland. Het nationale beleid richt zich daarom op maximale, veilige winning uit kleine Nederlandse gasvelden, met name op de Noordzee. Gaswinning uit eigen velden levert voordelen op voor het klimaat, de economie en de leveringszekerheid. Het heeft een lagere CO2-uitstoot dan geïmporteerd gas en beperkt de afhankelijkheid van andere landen.

Het voorgenoemde wordt bevestigd in beleidsstukken zoals het Akkoord voor de Noordzee, het Programma Noordzee 2022-2027 en het Versnellingsplan gaswinning Noordzee. Gezamenlijk benadrukken deze beleidsstukken het belang van binnenlandse gaswinning voor het beperken van de importafhankelijkheid, het behouden van kennis en infrastructuur, en het realiseren van een lagere CO2-uitstoot ten opzichte van geïmporteerd gas. Het Versnellingsplan gaswinning Noordzee is specifiek opgesteld om de teruglopende productie uit kleine velden te compenseren en zo de leveringszekerheid te versterken. Het Nationaal Plan Energiesysteem en het Programma Energiehoofdstructuur benadrukken dat aardgas, als flexibele energiebron, noodzakelijk blijft tijdens de energietransitie zolang duurzame alternatieven nog niet volledig beschikbaar zijn.

De ontwikkeling van het L7-F gasveld past binnen de geldende wet- en regelgeving (dit wordt toegelicht in hoofdstuk 2) en ondersteunt de nationale klimaat- en energiedoelstellingen. Het project levert namelijk een directe bijdrage aan de nationale energiezekerheid en de gewenste versnelling van gaswinning op de Noordzee.

1.5 Leeswijzer

Onderhavig document bevat de motivering voor het projectbesluit met de bijbehorende bijlagen en een verklarende woordenlijst. De motivering bevat een compleet overzicht van het besluitvormingsproces en het project. Hoofdstuk 2 licht het wettelijk kader toe en toetst hieraan. In hoofdstuk 3 en 4 wordt respectievelijk het verkennings- en participatieproces omschreven.

In hoofdstuk 5 tot en met 10 volgt een beschrijving van de impact van het voornemen op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 11 richt zich op de uitvoerbaarheid van het projectbesluit. Tot slot omschrijft hoofdstuk 12 de formele procedure.

2 Toets aan beleid en regelgeving

2.1 Internationaal beleid

Voorkomen van verdere klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen kan het beste worden gedaan als landen samenwerken. Hiervoor maakt de overheid afspraken met andere landen. Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale afspraken:

  • Klimaatverdrag van de VN uit 1992: Dit is het eerste klimaatverdrag.

  • Kyoto-Protocol uit 1997: Hierin staat dat de emissiereducties van land tot land verschillen en onder elkaar verhandeld kunnen worden.

  • Verenigde Naties (VN) klimaattop in Parijs: de Conference of Parties (COP21). Nederland heeft daar ingestemd met een nieuw VN-klimaatakkoord. Doel van het akkoord: de opwarming van de aarde beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius.

  • VN-Klimaatakkoord van Parijs uit 2016.

  • Mer-richtlijn. De richtlijn voor de milieueffectrapportage (hierna: mer) volgen uit deze Europese richtlijn. De richtlijn stelt uitgangspunten en regels over de mer voor bepaalde openbare en private projecten.

  • Vogelrichtlijn: de Vogelrichtlijn is gericht op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten.

  • Habitatrichtlijn: de Habitatrichtlijn is gericht op het waarborgen van biodiversiteit in lidstaten. Samen met de Vogelrichtlijn vereist deze richtlijn dat lidstaten beschermingszones aanwijzen ten behoeve van het Europese Natura 2000-netwerk.

In 2016 heeft staatssecretaris Dijksma het VN-Klimaatakkoord van Parijs ondertekend namens de 28 lidstaten van de Europese Unie. In juni 2019 is het Klimaatakkoord in Nederland vastgesteld. Hierin wordt geschetst langs welke beleidslijnen wordt gestreefd naar de verdere invulling van de (extra) doelstellingen. De doelstellingen zijn vastgelegd in de Klimaatwet.

Om de in het akkoord afgesproken doelstellingen te halen hebben EU-lidstaten met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 40% minder moet uitstoten. De Europese Commissie toetst de klimaatplannen van de EU-lidstaten aan de gestelde doelen. Met het ondertekenen van het klimaatakkoord heeft de Nederlandse regering zich gecommitteerd aan een vergaande vermindering van de uitstoot van broeikasgassen (49% vermindering ten opzichte van 1990). De Nederlandse Noordzee kan een grote rol spelen in het realiseren van de nationale bijdrage aan de doelen van het klimaatakkoord en de daarvoor benodigde verduurzaming van onze energievoorziening richting 2050. Hiervoor zijn eerste belangrijke stappen gezet met het Energieakkoord uit 2013. Met het Energierapport 11, de daaropvolgende Energiedialoog 12 en de Energieagenda 13 is een basis gelegd voor het energiebeleid voor de langere termijn.

2.2 Rijksbeleid

2.2.1 Nationale Omgevingsvisie

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland (figuur 2). Op 11 september 2020 is de NOVI vastgesteld. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda en is een instrument van de Omgevingswet. In 2026 wordt de Nota Ruimte vastgesteld, die op dat moment de NOVI zal vervangen. Ten tijde van het opstellen van dit ontwerp-projectbesluit is de NOVI echter nog staand beleid waaraan dit projectbesluit wordt getoetst. De inhoud van de Ontwerp-Nota Ruimte die momenteel ter consultatie ligt is wel meegenomen en wordt toegelicht in de volgende paragraaf.

Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De nieuwe aanpak is integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

  • Duurzaam economisch groeipotentieel;

  • Sterke en gezonde steden en regio’s;

  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Figuur 3 Afweging in de NOVI

Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving, die terugkomt in de NOVI.

Centraal in de afwegingen tussen belangen die een rol spelen bij het ontwikkelen en beschermen van Nederland staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving van zowel de boven- als de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • a.

    Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;

  • b.

    Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en

  • c.

    Afwentelen wordt voorkomen.

Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

  • Duurzaam economisch groeipotentieel;

  • Sterke en gezonde steden en regio’s;

  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor dit projectbesluit is vooral de eerste prioriteit van belang.

Toekomstbeeld Noordzee in de NOVI

De Noordzee wordt in 2050 intensief gebruikt en de natuurwaarde is hersteld. Schepen varen nog altijd af en aan naar de Noordzeehavens. De visserij is van karakter veranderd, maar de grootste veranderingen zitten in de afname van de olie- en gasinstallaties en de grote toename van het aantal windparken en bijbehorende energie-infrastructuur, opslag en conversiefaciliteiten: zij bepalen het beeld boven water. Hoewel intensiever gebruikt dan ooit, is het Noordzee-ecosysteemecosysteem hersteld en het vrije uitzicht vanaf de kust en het cultureel erfgoed onder water (onder andere uit ons rijke zeevaartverleden) behouden gebleven. Het benutten van synergie-effecten door multifunctioneel en innovatief gebruik van de ruimte, zoals het combineren van windparken met aquacultuur, natuurversterking door aanleg van oesterbanken, energie uit zon en getijdenstromen en opslag van energie en CO2 in lege gasvelden, heeft hier sterk aan bijgedragen.

2.2.2 Nota Ruimte

De Ontwerp-Nota Ruimte ligt ter consultatie vanaf 26‑9‑2025. Op deze versie is dit projectbesluit beoordeeld.

In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt specifiek aandacht besteed aan mijnbouwactiviteiten op zee en wordt onderkend dat in de overgang naar een volledig klimaatneutraal Nederland in 2050, aardgas nog een belangrijke rol blijft spelen. De ambitie is om de gasproductie op de Noordzee op te schalen ten behoeve van de gasleveringszekerheid. Het project Gaswinning L7-F past bij deze ambitie.

2.2.3 Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie

Op 23 april 2025 heeft het kabinet het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie gepresenteerd. Hierin werken de overheid en de sector samen aan een stabiel investeringsklimaat en voorspelbaar beleid. In dit akkoord wordt ingezet op het stimuleren van nieuwe investeringen in opsporing en winning van gas uit de Nederlandse kleine velden op de Noordzee, de importafhankelijkheid zo beperkt mogelijk houden en de voorzieningszekerheid bevorderen.

2.2.4 Programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergronden

Het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergronden (hierna: DGDO) werkt toe naar een visie en duidelijke kaders voor toekomstige activiteiten in de diepe ondergrond. Het programma draagt daarnaast bij aan een betere samenwerking tussen het Rijk, regionale en lokale overheden en betrokken adviseurs (zoals de Mijnraad, TNO en toezichthouder Staatstoezicht op de Mijnen).

Gelet op het voorgaande is in het kader van het project Gaswinning L7-F een uitgebreid participatieproces gevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 4. Voor de afweging ten aanzien van bodem en water wordt verwezen naar respectievelijk paragraaf 6.3 en hoofdstuk 7 van deze motivering.

2.2.5 Structuurvisie Buisleidingen

In de Structuurvisie Buisleidingen wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. Via instructieregels in het Bkl wordt ruimte gereserveerd voor de buisleidingen van nationaal belang die in de Structuurvisie Buisleidingen zijn opgenomen. De grenzen van de reserveringsgebieden staan in artikel 5.136 van het Bkl en artikel 2.32 en bijlage III van de Omgevingsregeling.

2.2.6 Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater

Het programma is nog niet gepubliceerd – de concept NRD is op 3 juli verspreid maar gericht aan betrokken belanghebbende en onder overheden. Op deze cNRD is dit projectbesluit beoordeeld.

Het Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater (PBOG) heeft als doel het duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem, ondergrond en grondwater te bevorderen. Hierbij wordt gestreefd naar evenwicht tussen benutten en beschermen. Het borgen van duurzaam, veilig en efficiënt gebruik vraagt om een integrale aanpak van maatschappelijke opgaven die hier invloed op hebben, waarbij ondergrond en bovengrond in een vroeg stadium van de planvorming in samenhang worden bezien.

De afbakening voor dit programma is driedelig:

  • a.

    Nationale grondwaterreserves

  • b.

    Bodemgezondheidsindex

  • c.

    Bodemdaling veengebieden

Het project L7-F ligt buiten de toepassingsgebieden van de PBOG en is daarmee niet van toepassing voor dit (ontwerp)projectbesluit.

2.2.7 Nationaal Plan Energiesysteem (NPE)

Op 1 december 2023 heeft de ministerraad ingestemd met het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE). Met het NPE formuleert het kabinet een langetermijnvisie op het energiesysteem en maakt het kabinet richtinggevende keuzes die de basis leggen voor de ontwikkeling van een volledig duurzaam en geïntegreerd energiesysteem. Dit duurzame energiesysteem stelt alle sectoren in Nederland in staat om te verduurzamen en is daarmee het fundament onder een klimaatklimaat neutrale samenleving. Door duidelijkheid over de richting te geven, biedt het NPE belanghebbenden handelingsperspectief over wat er op hen af komt en van hen verwacht wordt bij de uitvoering en realisatie van het veranderende energiesysteem.

Het NPE is voor de komende 5 jaar vastgesteld. Het kabinet zal het NPE elke vijf jaar herzien op basis van de laatste ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht. Tussentijds wordt het NPE in principe slechts een keer bijgewerkt. Jaarlijks zal de Tweede Kamer, tegelijkertijd met de Klimaatnota, een Energienota ontvangen waarin de Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de voortgang van de ontwikkeling naar een duurzaam energiesysteem. In de Energienota prioriteert het kabinet zijn beleidsinzet. Om dit goed te kunnen doen wordt een monitoringssysteem ingericht. Ter voorbereiding van de Energienota wordt jaarlijks een dialoog gevoerd met burgers, bedrijven en instellingen. In het NPE zijn 5 richtinggevende hoofdkeuzes gemaakt, waaronder maximale inzet op het aanbod van duurzame energie en energie-infrastructuur. Het doel is dat het elektriciteitssysteem de ruggengraat wordt van het energiesysteem en om in 2035 CO2-vrij te zijn.

2.2.8 Programma Energie Hoofdstructuur (PEH)

Het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) is een van de programma’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en bevat structurerende keuzes voor de energiehoofdinfrastructuur. Het programma stelt nationale kaders op zodat overheden en bouwers de nieuwe energie-infrastructuur goed kunnen plannen. De afspraken in het PEH hebben betrekking op het hele Nederlandse grondoppervlak, terwijl voor de Noordzee wordt uitgegaan van het ondergronds aanleggen van de netten op zee.

De energiehoofdstructuur omvat de kabels, leidingen, opslag- en conversielocaties die van nationaal belang zijn, zoals hoogspanningskabels. Op 1 maart 2024 is het definitieve Programma Energiehoofdstructuur vastgesteld, samen met de bijbehorende Uitvoeringsagenda. In deze Uitvoeringsagenda worden onder meer de voorgenomen wijzigingen in wet- en regelgeving, de gebiedsaanpak en de effecten op lopende projecten nader toegelicht.

2.2.9 Kaderrichtlijn Mariene Strategie

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) heeft tot doel het beschermen en herstellen van de Europese zeeën en oceanen en duurzaam gebruik te bevorderen. De KRM verplicht elke Europese lidstaat tot het vaststellen van een mariene strategie. Deze strategie moet gericht zijn op bescherming, behoud en herstel van het mariene milieu (een goede milieutoestand) waarbij eveneens een duurzaam gebruik van de Noordzee wordt gegarandeerd. De lidstaten moeten de nodige maatregelen treffen om in hun mariene wateren deze ambitie te bereiken. Zij moeten daarbij samenwerken als EU-lidstaten en met andere landen in hun mariene regio. De kaderrichtlijn beveelt aan om daarbij zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande regionale zeeconventies.

Nederland heeft de doorwerking van deze richtlijn (beleidsmatig) opgenomen in onder andere de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (zie par. 2.1.1212) en het Programma Noordzee 2022-2027 (zie par. 2.1.13).

2.2.10 Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW) is sinds 2000 van kracht en heeft als doel de kwaliteit van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater in Europa te waarborgen.

Het project L7-F ligt buiten de toepassingsgebieden van de KRW en is daarmee niet van toepassing voor dit (ontwerp)projectbesluit.

2.2.11 Nationaal Water Programma 2022-2027

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is ontwikkeld om Nederland ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Het programma is voor het waterbeleid een uitwerking van de nationale belangen en strategische hoofdkeuzes in de NOVI. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee (zie paragraaf 2.1.2.1 t/m 2.1.2.3).

De wateropgaven waar Nederland nu voor staat, de toekomstige uitdagingen en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor drie hoofdambities van het NWP:

  • een veilige en klimaatbestendige delta;

  • een concurrerende, duurzame en circulaire delta;

  • een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

Deze hoofdambities zijn in het NWP uitgewerkt binnen verschillende thema’s, waaronder Klimaatadaptatie, Waterveiligheid, Zoetwaterverdeling en droogte, Waterkwaliteit, Grondwater en Scheepvaart. Ook wordt ingegaan op de beheer- en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat. Daarnaast belicht het programma de samenhang tussen waterbeleid en andere domeinendomeinen, zoals natuur, landbouw, bodem en ondergrond, landschap, verstedelijking, energietransitie en industrie.

2.2.12 Programma Noordzee 2022-2027

Het Programma Noordzee 2022-2027 is onderdeel van het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 en geldt voor de Nederlands Exclusieve Economische Zone en de niet-bestuurlijk ingedeelde territoriale zee. Dit Programma is het door de EU-vereiste Ruimtelijk Maritiem Plan. De ambitie is het bereiken van een duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee dat bijdraagt aan de maatschappelijke, economische en ecologische doelstellingen van Nederland. Hierbij is de opgave om de juiste maatschappelijke balans te vinden om te kunnen komen tot een ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee die zowel efficiënt als veilig is en past binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem.

Het Programma Noordzee 2022-2027 geeft de volgende beleids- en afwegingskaders:

  • Beleidskader doorvaart en medegebruik

  • Afwegingskader medegebruik in windparken

  • Gebiedsverkenningen en Handreiking gebiedspaspoort

  • Afwegingskader gebruik van gebied gereserveerd voor zandwinning

  • Afwegingskader vergunningplichtige activiteiten op de Noordzee

2.2.13 Mijnbouwwet, Mijnbouwbesluit en Mijnbouwregeling

De Mijnbouwwet reguleert het gebruik van de (diepe) ondergrond. De winning van delfstoffen (waaronder aardgas) en het opslaan van stoffen op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem, is hier in opgenomen. De Mijnbouwwet, het Mijnbouwbesluit en de Mijnbouwregeling zien met name op de eisen en voorwaarden waaraan gaswinning moet voldoen.

Figuur 4 Kaart met huidig gebruik van de Noordzee. De rode marker geeft indicatief het gebied aan waarbinnen het project zich bevindt.
2.2.14 Conclusie

Het onderhavige project past binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk.

3 Verkenning

3.1 Inleiding

De aanleg en het in gebruik hebben van het productieplatform L7-F heeft een effect op de omgeving (o.a. bodem, water, natuur, archeologie, landschap en cultuurhistorie). Gezien de ligging op de Noordzee, 70 kilometer ten Noordwesten van Den Helder, zijn er geen omwonenden die overlast ervaren of die geen gebruik meer kunnen maken van een hiervoor bestaande gebruiksfunctie. Er is daarom geen effect op omwonenden.

In de verkenningsfase van een project wordt invulling gegeven aan de verschillende alternatieven die mogelijk zijn voor de realisatie van het project. Voor de productie is het gewenst dat het platform zodanig boven het gasveld wordt geplaatst dat de productie technisch uitvoerbaar is en wordt geoptimaliseerd. Wanneer een platform niet boven het veld wordt geplaatst, moeten de putten naar het gasveld schuin worden geboord, wat slechts beperkt technisch haalbaar is. Voor deze locatie geldt dat alleen wanneer het platform boven het midden van het veld wordt geplaatst, beide putten vanaf dezelfde oppervlaktelocatie kunnen worden aangeboord. Hiermee is een wezenlijk andere locatie in dit geval technisch niet mogelijk. Vanwege de aard van het project zijn er dus geen locatiealternatieven mogelijk voor de realisatie van het platform. Er is door Eni Energy wel uitgebreid onderzoek gedaan in de voorbereidingsfase naar verschillende manieren om de productielocatie te ontwikkelen. Meer informatie over dit proces wordt toegelicht in paragraaf 3.2.

Vanwege de mogelijke effecten op de omgeving is het van belang om te onderzoeken welke effecten (kunnen) optreden. In de voorbereiding op dit projectbesluit zijn de effecten van een nieuw productieplatform onder andere op basis van milieu bepaald, milieueffectrapportage (mer).

Het resultaat van de mer-procedure is het MER (milieueffectrapport) waarin de effecten staan beschreven van de verschillende alternatieven voor het productieplatform op het milieu. Het doel van het opstellen van een MER is om het milieubelang een volwaardige rol te geven in de besluitvorming. Voor de beschrijving van de voorgenomen activiteit – voor zover vastgelegd in dit projectbesluit – wordt verwezen naar hoofdstuk 1.

Milieueffectrapportage en de bijbehorende procedure zijn wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11). In Bijlage V van het Omgevingsbesluit staat omschreven voor welke activiteiten het opstellen van een milieueffectrapportage verplicht is en wanneer een mer-beoordeling noodzakelijk is. Voor het project Gaswinning L7-F zijn de volgende categorieën uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit van belang, zie hiervoor Tabel 1.

Tabel 1: Mer-categorieën Gaswinning L7-F

Categorie

Omschrijving

Relatie met voorgenomen activiteit

B3

Ondergrondse mijnbouw, met inbegrip van oppervlakte-installaties: een winning die betrekking heeft op eengewonnen hoeveelheid van >500.000m3 aardgas/dag.

Dit heeft betrekking op projecten waarbij ondergrondse winning van delfstoffen plaatsvindt, zoals aardgaswinning. Specifiek geldt dit voor een productie die meer dan 500.000 m3 aardgas per dag bedraagt. Het project Gaswinning L7-F- valt hieronder, aangezien het gericht is op grootschalige aardgaswinning.

B4

Diepboringen

Dit betreft boringen dieper dan een bepaald niveau, bijvoorbeeld voor het winnen van aardgas. In het kader van het project Gaswinning L7-F gaat het om het boren van twee productieputten, waarmee deze categorie van toepassing is.

J9

(De aanleg van een) Buisleiding voor het transport van aardgas met een diameter van meer dan 0,8m en een lengte van meer dan 40km.

Het project Gaswinning L7-F omvat het aanleggen van een pijpleiding vanaf het productieplatform naar de bestaande NOGAT-leiding, wat binnen deze categorie valt.

Voor het project gaswinning L7-F is een MER opgesteld aangezien deze verplichting volgt uit categorie B3 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. De aanleg van de buisleiding en eventuele diepboringen komen ook aan bod in het MER. Het voorgaande houdt in dat er één uitgebreide mer-procedure is doorlopen waarmee aan de mer-verplichting is voldaan.

3.2 Gevolgd proces

3.2.1 Mer-procedure

Voor het project L7-F wordt de wettelijk voorgeschreven milieueffectrapportage (mer-) procedure doorlopen. Ter voorbereiding op de milieueffectrapportage is een concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept-NRD) opgesteld. Hierin is beschreven welke milieuthema’s, alternatieven en aandachtspunten in het MER worden onderzocht, en op welk detailniveau dit gebeurt. De concept-NRD heeft van 2 mei 2025 tot 12 juni 2025 ter inzage gelegen. In deze termijn van zes weken konden zienswijzen naar voren worden gebracht op de concept-NRD. Vier NGO’s hebben gezamenlijk een zienswijze ingediend. De ontvangen zienswijze is door Eni Energy beoordeeld. Hierin zijn een aantal natuurbeschermende en natuurversterkende maatregelen verder uitgewerkt, uitgebreid en getoetst aan het Afwegingskader natuurvriendelijk bouwen Noordzee (versie 8 maart 2024). De natuurbeschermende en natuurversterkende maatregelen die in het kader van dit project worden genomen zijn raadpleegbaar in de bijlagen van het MER. Op 13 juli 2025 is de NRD vastgesteld.

In het MER dat is opgesteld zijn de milieueffecten van de voorgenomen activiteit van Eni Energy onderzocht. Het MER is opgenomen als bijlage III bij deze motivering. De effecten van de aanleg van de offshore installatie, de pijpleiding en van de winning van het gas zijn hierin beschouwd. Daarnaast is ingegaan op de beëindiging van de gasproductie en afsluiting van de putten. Ook is er een Passende beoordeling opgesteld, gezien het projectgebied zich bevindt in een Natura 2000-gebied, deze Passende beoordeling is raadpleegbaar in de bijlagen van het MER. Grensoverschrijdende effecten zijn gelet op de ligging en de verwachte milieueffecten voor het project L7-F niet aan de orde. De bewindspersoon van KGG en LVVN is het bevoegd gezag voor de verbonden vergunningen. Het MER is een bijlage en dient als onderbouwing voor zowel de vergunningen als het projectbesluit. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerp-projectbesluit kunnen er ook zienswijzen worden ingediend op het MER.

De mer-procedure, zoals vastgelegd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit, die is doorlopen voor het project L7-F is als volgt:

  • De kennisgeving inzake het projectvoornemen, Het Voornemen en Participatieplan en de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept-NRD) worden gepubliceerd;

  • De zienswijzen, reacties en adviezen op de c-NRD worden meegenomen bij het vaststellen van de NRD door de Minister van KGG;

  • De vaststelling van de NRD wordt bekendgemaakt door kennisgeving in de Staatscourant;

  • Opstellen van het MER;

  • Opstellen van de vergunningsaanvragen;

  • Het definitieve MER wordt tezamen met ontwerp-vergunningen en het ontwerp-projectbesluit ter inzage gelegd. Eenieder kan hierop zienswijzen indienen en de Commissie mer kan advies geven;

  • Met inachtneming van de ontvangen zienswijzen en het advies van de Commissie mer, neemt de Minister van KGG samen met de minister van VRO het projectbesluit en worden de (omgevings)vergunningen verleend.

3.2.2 Onderzochte alternatieven

Om te komen tot het voorkeursalternatief zijn milieueffecten en haalbaarheid van realistische alternatieven en (uitvoerings-)varianten onderzocht. Een alternatief is een wezenlijk andere invulling van de voorgenomen activiteit, zoals het type productie-installatie. Een variant is een andere uitvoeringsmogelijkheid binnen een gekozen alternatief, bijvoorbeeld de manier van aanleg van de pijpleiding.

Het aantal alternatieven en varianten is inherent beperkt vanwege de specifieke aard van het project. Er zijn geen realistische alternatieven ten aanzien van de locatie voor het platform. Dit komt doordat het gaat om de ontwikkeling van een gasvoorkomen op een specifieke locatie in de diepe ondergrond. Dit gasvoorkomen komt niet elders voor, alleen daar waar de proefboring heeft uitgewezen dat er winbaar aardgas aanwezig is. Daarnaast zijn op de Noordzee bepaalde alternatieven en varianten voor gaswinning op voorhand niet realistisch, omdat ze technisch niet uitvoerbaar zijn of te kostbaar, waardoor rendabele gaswinning onmogelijk wordt. Niet-realistische alternatieven en varianten zijn daarom niet verder onderzocht.

Bij het samenstellen van het voorkeursalternatief is het belangrijk te benadrukken dat bepaalde keuzes afhankelijk zijn van andere keuzes. Het selecteren van een specifiek alternatief of een bepaalde variant kan namelijk de haalbaarheid en geschiktheid van andere opties beïnvloeden. Zo kan de keuze voor een bepaald type productie-installatie bijvoorbeeld andere uitvoeringsvarianten uitsluiten vanwege technische of milieutechnische beperkingen. Desondanks worden in deze paragraaf alle alternatieven en varianten gepresenteerd, zodat alle mogelijke opties volledig worden overwogen en de afweging transparant is.

Eni Energy heeft per onderdeel van de voorgenomen activiteit onderzocht welke realistische alternatieven en varianten beschikbaar zijn. Volgens de Omgevingswet is een alternatief redelijk als het bijdraagt aan de projectdoelen, nuttige informatie biedt voor de besluitvorming, uitvoerbaar en betaalbaar is, niet in strijd is met wet- en regelgeving, milieurelevant is en vergunbaar binnen de geldende kaders.

De beoordeling van alternatieven en varianten gebeurt aan de hand van drie hoofdcriteria: technische haalbaarheid, milieueffecten en economische haalbaarheid. Technische of economische niet haalbare alternatieven of varianten zijn afgevallen. Voor de overige alternatieven is op basis van ervaringen met bestaande gaswinningsprojecten geconcludeerd dat de alternatieven meer milieuschaden veroorzaken, wat uiteindelijk heeft geleid tot de keuze voor het voorkeursalternatief. Hieronder worden de varianten en alternatieven benoemd per projectfase.

De aanlegfase

In de aanlegfase zijn er verschillende realistische alternatieven binnen ontwerpkeuzes en varianten mogelijk, zoals het type platform, het hergebruik van bestaande installaties, de energievoorziening, en de wijze van aardgasafvoer. Daarnaast zijn er varianten in de verankering van het platform en het ingraven van de pijpleiding. Voor de volledige afwegingen van de keuzes wordt verwezen naar het MER.

Type productieinstallatie

In de aanlegfase zijn drie alternatieven voor het type productieinstallatie onderzocht: een satellietplatform, een ‘subsea’-installatie en een gecombineerd winnings- en behandelingsplatform. De eerste twee opties zijn afgevallen vanwege negatieve milieueffecten, hoge kosten, technische beperkte levensduur en inefficiënt energiegebruik. Het gecombineerd platform op L7-F voldoet wel aan alle eisen en maakt volledige benutting van het gasveld mogelijk. Daarom is alleen dit alternatief verder uitgewerkt in het MER.

Hergebruik van een bestaand platform versus een nieuw platform

Voor de realisatie van het behandelingsplatform zijn twee varianten onderzocht: nieuwbouw of hergebruik van een bestaand platform. Omdat alleen de topside van een bestaand platform geschikt is voor hergebruik, moet deze op een nieuwe onderbouw worden geplaatst; een bestaande onderbouw is vanwege waterdiepte, betrouwbaarheid en hoge onderhoudskosten niet bruikbaar. Uit de analyse is gebleken dat het hergebruik van de topside van het E17-A platform de voorkeur heeft.

Tracé van de pijpleiding voor de afvoer van gas

Voor de afvoer van het geproduceerde aardgas heeft Eni Energy drie mogelijke tracés voor de pijpleiding onderzocht, elk met verschillende aansluitpunten en gevolgen voor de verdere behandeling van het gas. Optie 1 betreft gasbehandeling op het L7-F platform, waarna het gas via een nieuwe pijpleiding wordt afgevoerd naar een aansluitpunt ((side tap) bij L09 op de NOGAT-leiding. Optie 2 voorziet in afvoer naar het L11-B platform, waar het gas al dan niet pas daar wordt behandeld. Optie 3 omvat afvoer van onbehandeld gas naar het L10-A platform voor behandeling. Na afweging van technische en milieukundige aspecten, waaronder de betrouwbaarheid, toekomstbestendigheid en afhankelijkheid van andere installaties, is gekozen voor optie 1: behandeling op L7-F en afvoer via een aansluiting bij L09 op de NOGAT-leiding.

Bij de aanleg van de pijpleiding zijn extra eisen in acht genomen vanwege kruisingen met scheepvaartroutes. Zo moet de leiding deze routes zoveel mogelijk haaks en via de kortste weg kruisen, en op minimaal 1,5 mijl afstand blijven van andere kruisingen. Daarnaast ligt de pijpleiding minimaal 1 meter onder de zeebodem om veilig te zijn voor visserij en scheepvaart. Op plaatsen waar de leiding infrastructuur van derden kruist en niet ingegraven kan worden, worden speciale beschermende constructies aangebracht. Zo blijft de leiding gedurende de hele levensduur goed beschermd en overvisbaar en bereikbaar voor noodzakelijk onderhoud. Het gekozen tracé voldoet daarmee aan de gestelde voorwaarden.

De boorfase

Tijdens de boorfase zijn voor de omgang met boorgruis en boorspoeling twee alternatieven onderzocht: lozing op zee of afvoer naar de wal. Bij boringen met boorspoeling op waterbasis (Water Based Mud, ofwel WBM) wordt het boorgruis op het platform gezeefd en mag, na melding bij de toezichthouder, op zee worden geloosd. Deze lozing veroorzaakt tijdelijk een troebele pluim in het zeewater en lichte sedimentatie rond het boorplatform, maar uit modelberekeningen blijkt dat deze effecten snel verdwijnen en verwaarloosbaar zijn ten opzichte van de natuurlijke dynamiek van de zeebodem. Het alternatief, waarin al het WBM-materiaal per schip naar de wal wordt afgevoerd, voorkomt lozing op zee, maar leidt tot extra scheepsbewegingen, hogere uitstoot, logistieke knelpunten door beperkte opslagruimte op het platform, en het risico op vertragingen door slecht weer. Dit laatste alternatief zorgt voor extra emissies en kan de booroperatie aanzienlijk verstoren. Op basis van deze afweging is geconcludeerd dat lozing van WBM-houdend boorgruis en boorspoeling op zee de voorkeur heeft boven afvoer naar land, mede omdat de milieueffecten beperkt en tijdelijk zijn, terwijl afvoer naar land leidt tot structureel hogere milieubelasting en operationele risico’s. Voor boorvloeistof op oliebasis (Oil Based Mud, ofwel OBM) geldt altijd dat deze volledig wordt afgevoerd naar de wal voor verwerking en niet wordt geloosd.

Afgevallen varianten

In de voorbereidingsfase van het project zijn ook andere mogelijkheden onderzocht. Deze zijn in een eerder stadium afgevallen omdat ze niet realistisch of haalbaar bleken. Het gaat hierbij onder andere om alternatieven voor het verankeren van het productieplatform (zoals heipalen of zuigankers) en voor het installeren van de conductors (heien of voorboren en cementeren).

3.2.3 Voorkeursalternatief

Het voorkeursalternatief is vastgesteld op basis van een beoordeling van mogelijke alternatieven en uitvoeringsvarianten. Hierbij zijn de milieueffecten, technische haalbaarheid en economische uitvoerbaarheid zorgvuldig afgewogen. Vanwege de specifieke locatie en aard van het project op de Noordzee is, zoals benoemd in paragraaf 3.2.2, het aantal alternatieven en varianten inherent beperkt.

Om tot het voorkeursalternatief te komen, Om tot het voorkeursalternatief te komen, zijn de volgende stappen doorlopen. Voor de verschillende onderdelen van de voorgenomen activiteit is eerst bepaald welke realistische alternatieven of varianten mogelijk zijn. Met ‘realistisch’ wordt bedoeld: technisch en economisch haalbaar, waarschijnlijk vergunbaar en maatschappelijk of milieutechnisch aanvaardbaar. De milieueffecten van deze realistische alternatieven of varianten zijn vervolgens ingeschat en met elkaar vergeleken. Op basis van deze vergelijking is vastgesteld welke combinatie van varianten de voorkeur heeft. Dit heeft geleid tot het voorkeursalternatief voor het L7-F-project. Het voorkeursalternatief vormt de basis voor dit projectbesluit. In onderstaande Tabel 2 is per projectfase een samenvatting van het voorkeursalternatief opgenomen.

Tabel 2: Voorkeursalternatief - overzicht per fase

Projectfase

Onderdelen en activiteiten van het voorkeursalternatief

Aanlegfase

  • Plaatsen van een nieuw gecombineerd gaswinnings- en behandelingsplatform op de gekozen locatie.

  • Hergebruik van een bestaand platform, specifiek de bovenbouw (topside) van het E17-A platform.

  • Verankeringspalen worden geheid.

  • Leggen en aansluiten van een pijpleiding naar het bestaande L09 platform om daar via een aansluitpunt (side tap) aan te sluiten op de NOGAT-hoofdtransportleiding. De leiding wordt voornamelijk ingegraven door middel van ‘jetten’.

Boorfase

  • Om het gasveld L7-F in productie te brengen wordt de exploratieput omgezet tot een productieput en worden twee nieuwe gasputten geboord.

  • De putten worden geboord met een boorplatform.

  • Boorgruis en boorspoeling op oliebasis wordt per schip afgevoerd naar de wal; boorgruis en boorspoeling op waterbasis wordt, nadat het is gezeefd, geloosd in zee.

Productiefase

  • Winnen en op het L7-F-platform behandelen van aardgas.

  • Het afvoeren van het geproduceerde aardgas per pijpleiding naar de bestaande NOGAT-leiding.

Transporten

  • Bevoorrading van het L7-F-platform met bevoorradingsschepen vanuit Den Helder.

  • Bezoeken van het L7-F-platform per helikopter vanuit Den Helder.

Beëindiging en ontmanteling

  • Afsluiten van de putten en verwijdering tot onder de zeebodem.

  • Schoonmaken en verwijdering van het platform.

  • Verwijderen of laten liggen van de gasleiding, afhankelijk van de dan geldende regelgeving.

4 Motivering participatie

4.1 Inleiding

Burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding van dit projectbesluit. Door de ligging van dit project op de Noordzee zijn er geen direct omwonenden. Burgers en overige organisaties, inclusief al benaderde partijen, kunnen gebruik maken van formele inspraakmomenten. Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoering en de resultaten van het participatieproces tot nu toe.

4.2 Participatieplan

Het Voornemen en Participatieplan is gepubliceerd op 23 april 2025. Het Voornemen en Participatieplan omschrijft het project en gaat in op de stappen in de projectprocedure en de wijze van participatie.

In het participatieplan staat hoe het bevoegd gezag, de ministers van KGG en VRO, en de initiatiefnemer Eni Energy invulling geven aan de participatie voor dit project. Participatie is essentieel voor zorgvuldige besluitvorming. Dit participatieplan richt zich op een zorgvuldige benadering waarbij belanghebbenden tijdig en inhoudelijk worden betrokken.

Er zijn drie momenten waarop het mogelijk is voor iedereen om te reageren door het indienen van een zienswijze of het instellen van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze drie momenten zijn:

  • a.

    Bij de publicatie van de Kennisgeving Voornemen en Participatieplan en de terinzagelegging van de concept-NRD;

  • b.

    Bij de terinzagelegging van het ontwerp-projectbesluit inclusief het MER, de ontwerp-omgevingsvergunningen, de ontwerp-pijpleidingvergunning en het ontwerp-instemmingsbesluit met het winningsplan;

  • c.

    Bij de terinzagelegging van het definitieve projectbesluit inclusief het MER, de omgevingsvergunningen en de pijpleidingvergunning.

4.2.1 Participatie per doelgroep

De invulling van de participatie verschilt per doelgroep, afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij en invloed op het project. Het merendeel van de betrokken organisaties bij het project zijn vertegenwoordigd in het Noordzeeoverleg (NZO). De volgende groepen zijn onderscheiden:

  • a.

    (Regionale) overheden en rijksinstanties

    • 1°.

      Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

    • 2°.

      Rijkswaterstaat

    • 3°.

      Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

  • b.

    Energiebranche organisaties

  • c.

    Veiligheidsinstanties

    • 1°.

      Staatstoezicht op de Mijnen

    • 2°.

      Kustwacht Nederland

  • d.

    Natuur- en milieuorganisaties

  • e.

    Zeevaart

  • f.

    Eigenaren van kabels

  • g.

    Uitvoeringspartijen voor de aanleg

Eni Energy zorgt dat deze partijen adequaat en tijdig geïnformeerd worden en in staat worden gesteld hun visie en eventuele zorgen kenbaar te maken.

4.3 Participatie tijdens de voorbereiding

De concept-NRD heeft samen met het Voornemen en Participatieplan ter inzage gelegen van vrijdag 2 mei tot en met donderdag 12 juni 2025. Hierop is één zienswijze ingediend door Stichting De Noordzee, mede namens de Stichting Natuur en Milieu, het Wereld Natuur Fonds en de Vogelbescherming. Er is een Nota van Antwoord opgesteld die ingaat op deze zienswijze en aangeeft hoe hiermee is omgegaan. Deze is gepubliceerd op 13 juli 2025, en is raadpleegbaar via de ​projectwebsite.

5 Bescherming van gezondheid en milieu

5.1 Inleiding

Gelet op de ligging van het project in de Noordzee, zoals vastgesteld in hoofdstuk 3, is er geen sprake van effecten op /de fysieke leefomgeving. Hiermee vervalt de toetsing op de thema’s geur, licht, luchtkwaliteit en geluid (de effecten van bovenwater- en onderwatergeluid op soorten worden getoetst in hoofdstuk 9).

5.2 Bodembeweging

5.2.1 Toetsingskader

De instructieregels voor bodembeweging zijn vastgelegd in hoofdstuk 4 van het Mijnbouwbesluit. Omdat deze verplichting niet geldt voor delfstofwinning op het continentaal plat en het project op circa 70 kilometer uit de kust ligt, zijn geen specifieke onderzoeken naar bodembeweging of bodemtrillingen uitgevoerd. Eventuele bodemdaling of trillingen zouden op deze afstand geen gevolgen hebben voor gebruiksfuncties. Het aspect bodembeweging is wel kwalitatief beschouwd in het MER.

5.2.2 Effecten

Gaswinning kan leiden tot bodemdaling en bodemtrillingen (aardbevingen) als gevolg van veranderingen in de diepe ondergrond. Bodemdaling treedt op wanneer aardgas, dat onder hoge druk in poreuze gesteentelagen aanwezig is, wordt gewonnen. De druk in het reservoir neemt daarbij af, waardoor de bovenliggende gesteentepakketten geleidelijk worden samengedrukt onder hun eigen gewicht. Dit resulteert in een komvormig dalingsgebied op de zeebodem met een zeer geleidelijke helling en een maximale daling van enkele centimeters na beëindiging van de gaswinning. Het proces voltrekt zich over tientallen jaren, waarbij het effect het grootst is in het centrum van het gebied en geleidelijk afneemt naar de randen. De kom heeft doorgaans een doorsnede van enkele kilometers.

In de diepe ondergrond bevinden zich verschillende gesteentelagen, waarvan sommige breuken bevatten. Wanneer opgebouwde spanningen in deze breuken vrijkomen, kunnen bodemtrillingen of aardbevingen optreden. Dit kan zowel door natuurlijke processen als door gaswinning worden veroorzaakt. De kracht van een dergelijke trilling is afhankelijk van de hoeveelheid opgebouwde spanning en de diepte waarop de breuk zich bevindt.

5.2.3 Conclusie

De kans op het optreden van bodemtrillingen bij dit project wordt als zeer klein ingeschat. Eventuele bodemdaling of trillingen hebben geen gevolgen voor gebruiksfuncties. Voor het aspect bodembeweging is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3 Energie en klimaat

5.3.1 Toetsingskader

Het toetsingskader voor het aspect energie en klimaat bestaat uit het Klimaatakkoord, de Klimaatwet, het Programma Noordzee 2022-2027, het NPE en het PEH. Voor een uitgebreidere toelichting op deze beleidskaders en regelgeving wordt verwezen naar hoofdstuk 2.

5.3.2 Effecten

Tijdens alle fasen van het gaswinningsproject ontstaan emissies van broeikasgassen, met name koolstofdioxide (CO₂). Deze emissies zijn voornamelijk het gevolg van de verbranding van brandstoffen in motoren en generatoren, het affakkelen van aardgas en het onverbrand vrijkomen van aardgas. Door toepassing van de Best Beschikbare Technieken (BBT) worden deze emissies zoveel mogelijk beperkt. Deze BBT en het gebruik hiervan worden geborgd in de omgevingsvergunningen.

Het energieverbruik en de daarmee samenhangende emissies door transport (zeevaart en helikoptervluchten) zijn relatief gering, mede doordat Den Helder als uitvalsbasis wordt gebruikt en de transportafstanden beperkt zijn. De aanleg- en boorfase duren circa anderhalf jaar, waardoor de CO₂-uitstoot in deze fasen beperkt blijft.

De uitstoot van methaan (CH4) wordt zo veel mogelijk beperkt binnen het project. Eni Energy heeft de afgelopen jaren diverse maatregelen getroffen op de topside die bestemd is voor het L7-F-platform (op dit moment de topside van platform E17-A). Door het treffen van deze maatregelen is er op de E17-A topside (op één uitzondering na) geen sprake meer van continue methaanemissies. Deze overblijvende stroom wordt tevens aangepakt. Wat resteert na deze maatregelen zijn incidentele methaanemissies die vrijkomen bij reparaties en onderhoudswerkzaamheden, waarbij het gasvrij maken van installaties om veiligheidsredenen noodzakelijk is. Deze emissies zijn op dit moment onvermijdbaar en strikt noodzakelijk. Eni Energy onderzoekt wel of ook deze incidentele emissies door middel van technische aanpassingen kunnen worden voorkomen. Als zich hiervoor een technische maatregel voordoet zal Eni Energy bezien of het treffen van deze maatregel mogelijk is.

Voor alle projectfasen zijn het energieverbruik en de broeikasgasemissies (uitgedrukt in CO₂-equivalenten) in kaart gebracht, inclusief de emissies door transport (zie onderstaande Tabel). Met betrekking tot de CO2-uitstoot voor de aanleg- en boorfase wordt opgemerkt dat deze fasen circa anderhalf jaar duren.

Tabel 3: Verbruik van fossiele energie en emissies van broeikasgas per fase (TJ - Terajoule)

Projectfase en bronnen

Fossiel energiegebruik

BKG-emissie

Aanlegfase

~21 TJ/jr.

~1399 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik pijpenlegschip

~8 TJ/jr.

~565 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik steenstorter

~2,5 TJ/jr.

~52 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik bevoorradingschepen

~4 TJ/jr.

~312 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik duikondersteuningsschip

~4,5 TJ/jr.

~327 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik sleepboten

~0,2 TJ/jr.

~11 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik kraanschip

~1,5 TJ/jr.

~125 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik wachtschip pijpleiding

~0,05 TJ/jr.

~2 ton CO2 eq/jr.

Boorfase

~174 TJ/jr.

~11.689 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik generatoren

~75 TJ/jr.

~6.450 ton CO2 eq/jr.

Fakkel

~95 TJ/jr.

~11 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik sleepboten

~0,2 TJ/jr.

~5.000 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik bevoorradingsschepen

~1,9 TJ/jr.

~130 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik wachtschip

~1,4 TJ/jr.

~98 ton CO2 eq/jr.

Productiefase

~193 TJ/jr.

~12.815 ton CO2 eq/jr.

Gasverbruik productieplatform

~190 TJ/jr.

~12.615 ton CO2 eq/jr.

Dieselverbruik bevoorradingsschepen

~3 TJ/jr.

~200 ton CO2 eq/jr.

Uit recent onderzoek van Haskoning (2024) blijkt dat de broeikasgasemissies per eenheid Nederlands aardgas uit kleine velden vergelijkbaar zijn met die van Noors aardgas. Daarentegen zijn de emissies per eenheid vloeibaar aardgas (LNG) uit de Verenigde Staten en andere LNG-producerende landen aanzienlijk hoger (respectievelijk circa zeven- en viermaal groter) voornamelijk door het energie-intensieve vloeibaar maken van aardgas en hogere methaanemissies in de keten. In dit licht veroorzaakt gaswinning bij L7-F aanzienlijk minder broeikasgasemissies dan de import van LNG uit andere landen.

5.3.3 Conclusie

Gelet op bovenstaande is er voor het aspect energie en klimaat sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4 Afvalstoffen

5.4.1 Toetsingskader

De wet- en regelgeving rondom afvalstoffen is vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De wet- en regelgeving rondom het opslaan, verbranden, nuttig toepassen en verwijderen van bepaalde afvalstoffen is geregeld in de Wet milieubeheer.

5.4.2 Effecten

Gedurende verschillende fasen van het project ontstaan kleinere of grotere hoeveelheden afval. De belangrijkste afvalstromen die vrijkomen zijn:

  • Niet-gevaarlijke afvalstoffen, waaronder huishoudelijk afval, schroot en schone lege emballage

  • Gevaarlijke afvalstoffen, waaronder afgewerkte smeermiddelen, olie verontreinigd afval en slib uit de installaties

  • Aanvullend tijdens de ontmantelingsfase: grote hoeveelheden schroot en andere afvalstromen

Tijdens de boorfase ontstaat met name een grote hoeveelheid oliehoudend afval. Een indicatie van de hoeveelheden staat in Tabel weergegeven. Het oliehoudende afval wordt afgevoerd naar land en daar verwerkt in een speciale installatie. Deze verwerkt het afval en wint zoveel mogelijk olie terug uit het boorgruis voor hergebruik. Het gereinigd boorgruis wordt vervolgens gestort op een IBC-stortplaats (Isoleren, Beheersen en Controleren).

Afvalstof

Hoeveelheid (ton)

Gevaarlijk afval (voornamelijk oliehoudend boorgruis)

300-700

Niet-gevaarlijk afval

10

5.4.3 Conclusie

Omdat de werkzaamheden en het gebruik van het platform leiden tot het ontstaan van afval is er sprake van een negatief effect. Het ontstaan van afval is niet te voorkomen, maar wel te mitigeren. Als mitigerende maatregel wordt al het afval op een gereguleerde wijze ingezameld, afgevoerd en verwerkt. Daarmee is er sprake van een neutraal effect, en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6 Bescherming van waterbelangen

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de effecten van project gaswinning L7-F op de waterbelangen uiteengezet.

6.2 Water

6.2.1 Toetsingskader

De Kaderrichtlijn Mariene Strategie bevat waterkwaliteitsdoelstellingen. Zoals beschreven in paragraaf 2.1.10 van deze motivering, heeft Nederland de doorwerking van deze richtlijn (beleidsmatig) opgenomen in onder andere de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 en het Programma Noordzee 2022-2027. Deze beleidsstukken vormen dan ook het toetsingskader voor het beschouwen van de effecten van het project op de waterbelangen.

6.2.2 Effecten

Om de mogelijke effecten van het project op het waterbelang te beoordelen, zijn effecten omtrent waterkwaliteit onderzocht. Specifiek gaat het hierbij om vertroebeling en verontreiniging van het zeewater.

De waterkwaliteit van de Noordzee wordt beïnvloed door zowel natuurlijke processen als menselijke activiteiten. Via onder meer rivieren, de lucht, scheepvaart en olie- en gasplatforms komen verontreinigde stoffen in het zeewater terecht. Ook de werkzaamheden bij L7-F dragen hieraan bij. Deze emissies, die zich voornamelijk voordoen tijdens de boor- en productiefase, kunnen negatieve gevolgen hebben op de natuur.

  • Boorfase: emissies naar water worden vooral veroorzaakt door de lozing van boorgruis en boorspoeling op waterbasis (boorspoeling op oliebasis wordt afgevoerd).

  • Productiefase: emissies naar water worden voornamelijk veroorzaakt door de lozing van productiewater dat vrijkomt bij de gasbehandeling.

Voor beide fasen geldt dat ook sanitair water en regenwater dat van de dekken afspoelt in de zee komt.

Boorfase

Tijdens het boorproces worden boorgruis en boorvloeistof (op waterbasis, met onder andere bentoniet en bariet) geloosd op het zeewater. Dit kan lokaal verstoring van het mariene milieu veroorzaken doordat deze stoffen zich door de waterkolom verspreiden en op de zeebodem neerslaan.

De achtergrondconcentratie van slib in het gebied varieert van nature sterk en kan door booractiviteiten tijdelijk toenemen, vooral nabij de boorlocatie. De verspreiding en concentratie van de geloosde stoffen zijn afhankelijk van de weersomstandigheden: onder kalme omstandigheden blijven de stoffen meer geconcentreerd rond de bron, terwijl bij stormen de verspreiding groter is, maar de concentraties lager.

Modelberekeningen laten zien dat de verhoogde concentraties snel afnemen naarmate de afstand tot de boorlocatie toeneemt, en dat de effecten binnen zes dagen grotendeels verdwijnen. De extra sedimentatie door boorlozingen is beperkt en blijft ruim onder ecologisch kritische waarden voor bodemdieren, waardoor de impact op het mariene ecosysteem klein is.

Aanlegfase

Tijdens de aanlegfase van de pijpleiding vindt tijdelijke vertroebeling en emissie plaats, vooral bij het spoelen en vullen van de leiding. Hierbij wordt een mengsel van gefilterd zeewater, beschermingsmiddelen (corrosie inhibitoren) en mogelijk wat ijzeroxide geloosd in zee via een tijdelijk leidingsysteem, waarvoor een aparte vergunning wordt aangevraagd in samenhang met de aanleg van de pijpleiding.

De milieueffecten van deze lozingen en de boorfase zijn beperkt door het korte tijdsbestek en de snelle verdunning van de stoffen in het zeewater. Modellering en ecologisch onderzoek geven aan dat het mariene milieu, waaronder het Friese Front als belangrijk foerageergebied voor vogels, niet significant wordt beïnvloed door de booractiviteiten.

Vertroebeling en sedimentatie zijn als mogelijke effecten onderzocht. Deze processen kunnen invloed hebben op minder algengroei, hinder voor vissen en vogels, en bodemdieren. Door sedimentatie kunnen organismen die op de bodem leven onder het sediment raken. Voor nadere informatie omtrent zowel vertroebeling als sedimentatie, wordt verwezen naar het Rapport ecologische effectbeoordeling (Bijlage 4 bij het MER).

Productiefase

Tijdens de productiefase gelden regels voor het lozen van verontreinigde stoffen op zee, zoals vastgelegd in de Mijnbouwregeling. Eni Energy zorgt dat aan de eisen wordt voldaan. Hierdoor worden de jaarlijkse emissies van verontreinigde stoffen, zoals olie en aromaten, tot een minimum beperkt. Aromaten worden grotendeels afgevangen en verbrand, zodat de uitstoot van koolwaterstoffen sterk gereduceerd is.

Voor corrosiebescherming worden op het staal van het platform en de pijpleiding opofferingsanodes van zink-aluminium aangebracht. Zink en aluminium komen van nature voor in de Noordzee en zijn het gevolg van menselijke activiteiten (zoals roestbescherming). Deze anodes lossen geleidelijk op en geven kleine hoeveelheden zink en aluminium af aan het zeewater. Berekeningen tonen aan dat de zinkconcentratie in de directe omgeving van de anodes ruim onder de PNEC (predicted no-effect concentration: de concentratie van een chemische stof waarbij geen nadelige effecten in een ecosysteem worden waargenomen) blijft en dat de effecten beperkt zijn tot een klein gebied rond de anode. Aangezien voor aluminium geen gevaren zijn vastgesteld, is de beschouwing alleen voor zink uitgevoerd.

6.2.3 Conclusie

De effecten van vertroebeling zijn neutraal in alle fasen (aanleg-, boor- en productiefase). Verontreiniging door emissies is licht negatief in beide fasen. Voor een uitgebreidere beschouwing van de effecten omtrent waterkwaliteit wordt verwezen naar het MER.

7 Waarborgen van de veiligheid

7.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de verschillende veiligheidsaspecten van het project L7-F geanalyseerd, waaronder ontplofbare oorlogsresten en de scheepvaartveiligheid.

7.2 Veiligheid: Ontplofbare oorlogsresten

7.2.1 Toetsingskader

Er is geen specifieke wet- of regelgeving voor ontplofbare oorlogsresten op zee. De omgang met explosieven is geregeld in de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling), en de eisen voor opsporing zijn vastgelegd in het Certificatieschema Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO).

7.2.2 Effecten

Er is geen afzonderlijk onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. In het archeologisch bureauonderzoek zijn de archeologische verwachtingen getoetst, waaruit niet is gebleken dat in het plangebied ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn.

7.2.3 Conclusie

Er worden geen ontplofbare oorlogsresten verwacht. Voor dit aspect is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.3 Veiligheid: Scheepvaart

7.3.1 Toetsingskader

Het Programma Noordzee 2022–2027 beoogt een duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee, in overeenstemming met de maatschappelijke, economische en ecologische doelstellingen van Nederland. Het programma, opgenomen als bijlage bij het Nationaal Water Programma 2022–2027, bevat beleid voor het behoud en de verdere ontwikkeling van hoofdinfrastructuur, waaronder scheepvaartroutes. Het belang van de scheepvaart wordt nadrukkelijk erkend: voldoende en ruime ankergebieden zijn essentieel voor het functioneren en de toekomstbestendigheid van zeehavens. Rond deze ankerplaatsen wordt manoeuvreerruimte vrijgehouden, met name in stormsituaties, zodat zeeschepen veilig kunnen opereren. In verkeersscheidingsstelsels, diepwaterroutes, ankergebieden, voorzorgsgebieden en vrije vaarzones krijgt de scheepvaart voorrang op andere vormen van gebruik.

7.3.2 Effecten

Het plangebied ligt in een matig intensief bevaren deel van de Noordzee, waar ook visserij plaatsvindt. Aan de oost- en westzijde van de planlocatie bevinden zich scheepvaartroutes op circa 20 kilometer afstand. Rond het nieuwe platform geldt een veiligheidszone van 500 meter waarin geen scheepvaart is toegestaan. Tijdens de aanlegfase is een wachtschip aanwezig om de veiligheid van de scheepvaart te waarborgen.

7.3.3 Conclusie

Gelet op bovenstaande is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor de veiligheid van de scheepvaart.

8 Bescherming van cultureel erfgoed

8.1 Inleiding

Tijdens de aanlegfase kunnen graafwerkzaamheden in de zeebodem effecten hebben op archeologische waarden. Om dit te beoordelen is een survey uitgevoerd langs de beoogde leidingtracés. Deze heeft zowel mogelijke archeologische vondsten als niet-gesprongen conventionele explosieven (ontplofbare oorlogsresten) in kaart gebracht.

8.2 Cultureel erfgoed en archeologie

8.2.1 Toetsingskader

Het toetsingskader voor cultureel erfgoed bestaat uit de Erfgoedwet en de Omgevingswet. De Erfgoedwet regelt het beheer en behoud van roerend en onroerend erfgoed, terwijl de Omgevingswet de omgang met archeologische en cultuurhistorische waarden in de fysieke leefomgeving bepaalt.

8.2.2 Effecten

Graafwerkzaamheden in de zeebodem kunnen archeologische waarden verstoren. De pijpleiding wordt tot circa één meter diep gelegd. Er is als eerste stap in het proces een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door Periplus Archeomare. Daarna is door Fugro een survey uitgevoerd langs het leidingtracé om mogelijke archeologische vondsten en blindgangers te lokaliseren. Indien vondsten worden gedaan, wordt een standaard protocol gevolgd om deze te beschermen.

Op basis van de onderzoeksresultaten uit de survey van Fugro heeft Periplus Archeomare een archeologisch inventariserend veldonderzoek op het water uitgevoerd om te beoordelen of archeologische vondsten zijn te verwachten. Uit de resultaten van dit veldonderzoek blijkt dat twee objecten potentieel van archeologische waarde zijn. Het tracé is daarop aangepast door middel van bochten in de pijpleiding zodat deze locaties op veilige afstand worden gepasseerd. De ligging van het tracé wordt geborgd in de pijpleidingvergunning.

De uitkomsten van het archeologisch bureauonderzoek en de survey zijn in overleg met Rijkswaterstaat Zee en Delta besproken. In dit overleg is vastgesteld dat deze anomalieën geen belemmering vormen voor het aangepaste tracé van de pijpleiding en de uitvoering van het project. Dit is omdat de anomalieën ofwel geen obstakel vormen voor het tracé van de pijpleiding ofwel omdat de afstand van de pijpleiding tot de anomalieën voldoende is bevonden.

De Noordzee bevat cultureel erfgoed zoals scheeps- en vliegtuigwrakken en archeologische resten van vroegere menselijke activiteit. Bodemingrepen tijdens de aanleg en boring kunnen dit erfgoed aantasten. Uit een archeologisch bureauonderzoek, uitgevoerd door Periplus Archeomare, voor de installatie van het platform L7-F en de pijpleiding van L7-F naar de NOGAT-leiding in de L7, L8 en L9 -mijnbouwblokken blijkt dat in het gebied geen bekende archeologische waarnemingen aanwezig zijn. Wel kunnen onontdekte wrakken, vliegtuigrestanten uit WO I en WO II en prehistorische landschappen voorkomen.

8.2.3 Conclusie

De twee locaties met potentiële archeologische waarden worden op veilige afstand gepasseerd. Tijdens de aanleg blijft een kans bestaan dat onverwacht archeologische resten worden aangetroffen. In dat geval worden de vondsten gemeld bij het bevoegd gezag conform de Omgevingswet en Erfgoedwet, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen. Voor het aspect cultureel erfgoed en archeologie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

9 Natuurbescherming

9.1 Inleiding

Om te beoordelen of het project Gaswinning L7-F effecten kan hebben op natuur, zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in het MER. Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de belangrijkste bevindingen. Voor een uitgebreide onderbouwing wordt verwezen naar bijlage III (MER).

9.2 Gebiedsbescherming

9.2.1 Toetsingskader

De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn van toepassing vanwege de ligging van het project in een Natura 2000-gebied. De bepalingen uit deze richtlijnen zijn in Nederland verwerkt in de voormalige Wet natuurbescherming (Wnb, 2017) en met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) grotendeels overgenomen in deze wet.

De Vogelrichtlijn beoogt het behoud van in het wild levende vogelsoorten; de Habitatrichtlijn richt zich op het behoud van habitats en soorten van Europees belang. Beide verplichten lidstaten tot het aanwijzen en beschermen van Natura 2000-gebieden. Eén van deze gebieden is het Friese Front, waar het platform en een deel van de pijpleiding zijn voorzien.

Naast de regels volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn, geldt ook de specifieke zorgplicht uit artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De specifieke zorgplicht geldt voor alle dier- en plantensoorten, zowel de soorten beschermd onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen als andere soorten.

9.2.2 Effecten

In de ecologische effectbeoordeling is inzichtelijk gemaakt of significante negatieve effecten kunnen optreden op Natura 2000-gebieden en beschermde soorten. Hierbij is ook getoetst aan de verbodsbepalingen uit het Bal en de staat van instandhouding. De ecologische effectbeoordeling is raadpleegbaar in bijlage 4 van het MER.

Er is een AERIUS-berekening uitgevoerd om eventuele effecten als gevolg van stikstofdepositie te bepalen. Er treden geen effecten op door stikstofdepositie, omdat mariene Natura 2000-gebieden niet stikstofgevoelig zijn en overige gebieden verder dan 25 kilometer liggen.

Uit de uitgevoerde Voortoets blijkt dat significante effecten op de zeekoet en de bruinvis niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Deze mogelijke effecten zijn verder onderzocht in een Passende beoordeling, die is vereist in het kader van gebiedsbescherming. In de volgende paragrafen zullen de uitkomsten van de Voortoets en de Passende beoordeling verder worden toegelicht.

Uit de ecologische beoordeling volgt dat de volgende verstoringen relevant zijn:

  • geluid en trillingen (boven- en/of onderwater);

  • optische verstoring en licht;

  • oppervlakteverlies en bodemverstoring;

  • vertroebeling, sedimentatie en verandering dynamiek substraat;

  • verontreiniging en emissies.

Verstoringen door geluid kunnen optreden door bovenwatergeluid van scheepvaart- en helikopterverkeer, hei- en boorwerkzaamheden en fakkelen, evenals door onderwatergeluid van scheepvaart, hei- en boorwerkzaamheden en survey-activiteiten.

Voortoets

Deze verstoringen zijn nader onderzocht in de Voortoets. De Voortoets toont aan dat voor de meeste verstoringen significante effecten kunnen worden uitgesloten. Voor een uitgebreidere toelichting over deze afweging wordt verwezen naar het MER en de bijbehorende bijlagen. Uitzonderingen op de effecten die kunnen worden uitgesloten zijn:

  • verstoring door onderwatergeluid en trillingen voor zeezoogdieren;

  • verstoring door optische verstoring en licht voor vogels en vleermuizen.

Passende beoordeling

Uit het ecologisch onderzoek is gebleken dat voor enkele soorten en hun instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden, significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Hiervoor is een Passende beoordeling opgesteld voor de zeekoet, bruinvis, grijze zeehond, gewone zeehond en migrerende vleermuizen. De Passende beoordeling toetst aan de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied als geheel, en aan de instandhoudingsdoelstellingen voor aangewezen soorten in het Natura 2000-gebied.

De Passende beoordeling is uitgevoerd voor de Natura 2000-gebieden Friese Front (waar het projectgebied zich bevindt) en ook voor het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone, vanwege mogelijke externe effecten of externe werking; tevens omdat soorten met instandhoudingsdoelstellingen in het gebied Noordzeekustzone ook voorkomen in het Friese Front en dus aangetast kunnen worden door verstoring bij L7-F.

Friese Front

Het Natura 2000-gebied Friese Front is aangewezen als Vogelrichtlijngebied voor de zeekoet. De instandhoudingsdoelstellingen voor deze soort zijn gericht op het behoud van de kwaliteit en omvang van het leefgebied en de populatie. De landelijke staat van instandhouding is gunstig. De zeekoet is gevoelig voor verstoring door bovenwatergeluid, optische verstoring en licht. Tijdens de productiefase is verstoring – ook gedurende de kritische periode (de ruiperiode van juli tot en met oktober) – onvermijdelijk. Hierdoor kunnen significant negatieve effecten niet worden uitgesloten, en worden mitigerende maatregelen getroffen in het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Deze mitigerende maatregelen omvatten het uitvoeren van werkzaamheden buiten de kritische periode van de zeekoet, een bemand platform en een aangepaste onderhoudsplanning. Zie voor een uitgebreidere toelichting van deze mitigerende maatregelen paragraaf 7.4.2 van het MER (bijlage III).

Noordzeekustzone

Het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone is aangewezen als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied voor het voorkomen van zeezoogdieren, zoals de bruinvis, grijze zeehond en de gewone zeehond. Gezien deze soorten gebruik maken van de gehele Noordzee als foerageer- en migratiegebied, zijn deze ook meegenomen in de Passende beoordeling voor dit project. De instandhoudingsdoelstellingen van deze soorten zijn gericht op behoud van de populatie en de omvang en kwaliteit van het leefgebied. De landelijke staat van instandhouding voor de zeezoogdieren is gunstig.

Voor de bruinvis kunnen significant negatieve effecten door onderwatergeluid van heiwerkzaamheden niet worden uitgesloten; de geluidsnorm wordt met circa 7 dB overschreden. Hiervoor wordt een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit aangevraagd. Voor de grijze zeehond en gewone zeehond zijn geen vergunningen vereist, omdat er geen schadelijke handelingen optreden.

9.2.3 Conclusie

Door het treffen van mitigerende maatregelen voor de zeekoet kunnen significant negatieve effecten door verstoring van bovenwatergeluid, optische verstoring en licht door transportbewegingen op de instandhoudingsdoelstellingen van de zeekoet worden uitgesloten. Deze maatregelen worden getroffen in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Voor de bruinvis kunnen significant negatieve effecten door onderwatergeluid van heiwerkzaamheden op de instandhoudingsdoelstellingen niet worden uitgesloten, doordat de geluidsnorm tijdens het heien wordt overschreden. Er wordt ook een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aangevraagd voor de bruinvis.

9.3 Soortenbescherming

9.3.1 Toetsingskader

Beschermde soorten vallen onder drie categorieën:

  • a.

    Soorten uit de Vogelrichtlijn;

  • b.

    Soorten uit de Habitatrichtlijn;

  • c.

    Nationaal beschermde soorten.

Wanneer activiteiten mogelijk gevolgen hebben voor in het wild levende dieren of planten welke niet zijn beschermd onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen (indien op deze soorten significante negatieve effecten optreden is er sprake van een Natura 2000-activiteit), is sprake van een flora- en fauna-activiteit. Daarnaast moet vanuit de zorgplicht ook rekening gehouden met kwetsbare of bedreigde, niet-beschermde soorten (zoals Rodelijstsoorten). In dit kader is voor het project een Effectbeoordeling Flora en Fauna uitgevoerd (ook wel soortentoets genoemd).

9.3.2 Effecten

Effectbeoordeling Flora en Fauna

Voor de zeekoet, bruinvis, grijze zeehond, gewone zeehond, overige zeezoogdieren, vogels en vleermuizen is in aanvulling op de eerder uitgevoerde ecologische effectbeoordeling een effectbeoordeling Flora en Fauna opgesteld.1 Daarbij is beoordeeld of de werkzaamheden leiden tot schadelijke handelingen en of de gunstige staat van instandhouding van de soorten in het geding is. Uit de ecologische effectbeoordeling blijkt dat voor een aantal soorten effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Dit is het geval voor onderwatergeluid op zeezoogdieren en vogels, en optische verstoring en licht op vogels en vleermuizen.

Voor vleermuizen is geconcludeerd dat er geen sprake is van schadelijk handelen. Effecten van lichtverstoring door fakkelen zijn minimaal en worden beperkt door standaardvoorzieningen.

Bij een aantal werkzaamheden is er wel sprake van schadelijk handelen. Dit is bij het uitvoeren van de heiwerkzaamheden en survey, hier treden schadelijke handelingen op door het opzettelijk verstoren van de bruinvis. Daarnaast kunnen activiteiten die overlappen met de kritische periode van de zeekoet (juli tot oktober) schadelijke handelingen veroorzaken. Er worden mitigerende maatregelen getroffen om verstoring voor de zeekoet te beperken. Tijdens de aanleg- en boorfase worden werkzaamheden buiten de kritische periode uitgevoerd. Tijdens de productiefase is het onvermijdelijk dat verstoring optreedt, om dit te beperken wordt er gebruik gemaakt van de kortste route door het Friese Front, is er een vogelwachter aan boord, wordt de vaarsnelheid aangepast en worden transportbewegingen beperkt. Hiervoor wordt een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd.

Om fysieke gehoorschade bij de bruinvis te voorkomen wordt een soft start-procedure, een Marine Mammal Observer (MMO), Passive Acoustic Monitoring (PAM) en een Acoustic Deterrent Device (ADD) ingezet. Hiervoor wordt een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd.

Voor de bruinvis (verstoring door onderwatergeluid) en de zeekoet (verstoring door optische verstoring en licht) wordt een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd. Voor de grijze zeehond en gewone zeehond is geen vergunning noodzakelijk, omdat geen sprake is van schadelijke handelingen.

9.3.3 Conclusie

Er dient een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd voor de verstoring van de bruinvis en van de zeekoet.

Voor de grijze zeehond, gewone zeehond en migrerende vleermuizen zijn geen vergunningen vereist, omdat geen schadelijke handelingen plaatsvinden en de gunstige staat van instandhouding niet wordt aangetast. Nadere informatie hierover is te vinden in het MER (bijlage III).

10 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen

10.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschouwt de effecten van het project gaswinning L7-F op de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen.

10.2 Beperkingengebieden

10.2.1 Toetsingskader

Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de werking of veiligheid van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Binnen een beperkingengebied gelden daarom beperkingen voor bepaalde activiteiten om het werk of object te beschermen. Deze beperkingen kunnen bestaan uit voorwaarden aan de activiteit of een vergunningsplicht.

In hoofdstuk 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de algemene regels en vergunningplichten opgenomen voor activiteiten in de Noordzee. De artikelen 8.84 en 8.90 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevatten de beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor beperkingengebiedactiviteiten in of nabij de Noordzee. Een vergunning kan uitsluitend worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de doelen van de wet.

10.2.2 Effecten

Het plangebied ligt in het beperkingengebied Noordzee (artikel 7.1, lid 1 van het Bal). Het bouwen, aanleggen, plaatsen, veranderen of in stand houden van een kunstmatig eiland, installatie of inrichting mag geen belemmering opleveren voor belangrijke scheepvaartroutes. Deze bepaling is van toepassing in een gebied dat bij ministeriele regeling als drukbevaren deel van de zee is aangewezen en geometrisch begrensd (artikel 8.90, 3e lid van het Bkl).

Zoals in paragraaf 7.3.2 is aangegeven, ligt het plangebied in een matig intensief bevaren deel van de Noordzee, waar ook visserij plaatsvindt. Gezien dit niet een drukbevaren deel van de Noordzee is, is er geen sprake van een beperkingengebiedactiviteit. Aan de oost- en westzijde van de projectlocatie bevinden zich scheepvaartroutes op circa 20 kilometer afstand. Rond het nieuwe platform geldt een veiligheidszone van 500 meter waarin geen scheepvaart is toegestaan. Tijdens de aanlegfase is een wachtschip aanwezig om de veiligheid van de scheepvaart te waarborgen.

10.2.3 Conclusie

Er is geen sprake van een beperkingengebiedactiviteit. Het aspect beperkingengebieden vormt geen belemmering voor het voornemen.

10.3 Kabels en leidingen

Op enige afstand van de voorgenomen locatie van het L7-F-platform bevinden zich diverse bestaande mijnbouwinstallaties en kabels en leidingen op de zeebodem. Deze objecten zijn hoofdzakelijk gerelateerd aan de bestaande gasactiviteiten van Eni Energy in de blokken L10, K9 en K12, buiten het veld L7, waar dit project wordt gerealiseerd.

Het leidingtracé voor project Gaswinning L7-F overlapt niet met bestaande kabels of leidingen op de zeebodem. Op basis van het uitgevoerde onderzoek naar archeologische waarden is het leidingtracé waar nodig aangepast, zoals toegelicht in paragraaf 8.2.

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het voornemen.

11 Uitvoerbaarheid

11.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt invulling gegeven aan de economische uitvoerbaarheid van het project Gaswinning L7-F.

11.2 Economische uitvoerbaarheid

Alle financiële consequenties van dit project worden geborgd door de Eni groep, haar joint venture partners en EBN. Doorrekening met de macro-economische assumpties van Eni Energy en haar partners heeft aangetoond dat het project voldoet aan resultaatcriteria die genoemde bedrijven aan hun investeringen stellen. De totale investering over 2024 tot en met 2027 beslaat plus minus 206 miljoen euro. De totale economisch winbare hoeveelheid gas is geschat op 2.6 Miljard Nm3.

12 Formele procedure

12.1 Inleiding

Voor gaswinning onder een Natura 2000-gebied is een projectbesluit vereist op grond van artikel 141a lid 1 sub a van de Mijnbouwwet en artikel 5.44 lid 1 van de Omgevingswet. Het projectbesluit wordt vastgesteld volgens de projectprocedure van afdeling 5.2 van de Omgevingswet.

De minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) is bevoegd gezag voor gasprojecten en coördineert de procedure en besluitvorming. De minister van KGG stelt het besluit vast, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).

In onderstaande paragrafen worden de verschillende fasen van de projectprocedure toegelicht.

12.2 Verkenningsfase

De verkenningsfase start met de publicatie van het verplichte ‘kennisgeving voornemen’ en ‘kennisgeving participatie’, waarin staat hoe en wanneer burgers, bedrijven en organisaties bij het project worden betrokken en waar aanvullende informatie beschikbaar is.

12.3 Voorbereidingsfase

Zoals beschreven in hoofdstuk 3 is voor het L7-F project de wettelijk voorgeschreven (mer-)procedure doorlopen. Ter voorbereiding op het MER is een concept-Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld, waarin de te onderzoeken milieuthema’s, alternatieven en aandachtspunten zijn vastgelegd. De concept-NRD, het voornemen en het participatieplan hebben van 2 mei tot en met 12 juni 2025 ter inzage gelegen. Er is één zienswijze ingediend, waarop is gereageerd in een Nota van Antwoord welke op 13 juli 2025 is gepubliceerd.

12.4 Ontwerpfase en zienswijzen

De ontwerpfase start met de terinzagelegging van het ontwerp-projectbesluit. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze indienen. Het ontwerp-projectbesluit ligt zes weken ter inzage: van 19 december 2025 tot en met 29 januari 2026.

De publicatie van het ontwerp-projectbesluit in de Staatscourant vermeldt naast de terinzageleggingstermijn ook de locatie waar de stukken digitaal raadpleegbaar zijn.

Na afloop van de inzagetermijn worden alle ingediende zienswijzen verzameld en en voorzien van een reactie. Vaak wordt hiervoor een Nota van Antwoord (ook wel Nota van zienswijzen) opgesteld. Deze nota kan reacties bevatten welke een bepaald onderwerp verder toelichten. Indien nodig worden onderliggende onderzoeken geactualiseerd of aangevuld. Een zienswijze kan bovendien aanleiding geven tot aanpassing van het besluit bij de definitieve vaststelling.

Het is van belang dat een zienswijze tijdig binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken wordt ingediend. Zienswijzen die later worden ingediend kunnen in beginsel niet worden meegenomen in de verdere besluitvorming.

12.5 Vaststellingsfase

In deze fase stelt de minister van KGG het definitieve projectbesluit vast in overeenstemming met de minister van VRO, samen met de bijbehorende Nota van Antwoord.

Na bekendmaking van het projectbesluit start een beroepstermijn.

Naar boven