Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 44151 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 44151 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;
Besluit:
De Tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2 wordt ‘In de jaren 2020 tot en met 31 december 2025’ vervangen door ‘Voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2026’.
B
In artikel 4 wordt ‘30 oktober 2025’ vervangen door ‘31 januari 2026’.
C
Aan artikel 5 wordt een lid toegevoegd, luidende:
7. Voor het verlenen van een kostprijs verlagende subsidie op grond van deze regeling is voor kinderopvang op Sint Eustatius voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 een bedrag van $ 805.000 beschikbaar.
D
Aan artikel 6 wordt een lid toegevoegd, luidende:
7. Voor het verlenen van een kostprijs verlagende subsidie op grond van deze regeling is voor kinderopvang op Bonaire voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 een bedrag van $ 4.945.000 beschikbaar.
E
Aan artikel 7 wordt een lid toegevoegd, luidende:
8. Voor het verlenen van een kostprijs verlagende subsidie op grond van deze regeling is voor kinderopvang op Saba voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 een bedrag van $ 440.000 beschikbaar.
F
Artikel 9, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b wordt na ‘het komende halfjaar’ ingevoegd ‘of het komende kwartaal, voor zover het de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 betreft,’.
2. In onderdeel d wordt na ‘het komende halfjaar’ ingevoegd ‘of het komende kwartaal voor zover het de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 betreft’.
G
Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
h. 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026: $ 28,99 op Bonaire, $ 32,19 op Sint Eustatius en $ 34,22 op Saba.
2. In het tweede lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
h. 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026: $ 27,28 op Bonaire, $ 30,28 op Sint Eustatius en $ 32,20 op Saba.
3. In het derde lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
h. 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026: $ 28,99.
4. In het vierde lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
h. 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026: $ 27,28.
5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
8. De aanhef van het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026, met dien verstande dat de peildatum 1 januari 2026 is. De verhoging bedraagt voor die periode $ 800 op Bonaire, $ 887 op Sint Eustatius en $ 944 op Saba per kind dat op de peildatum jonger is dan een jaar.
H
In artikel 13, zesde en zevende lid, wordt ‘31 december 2025’ vervangen door ‘31 maart 2026’.
I
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het negende lid wordt ‘31 december 2025’ vervangen door ‘31 maart 2026’.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
10. Na afloop van het eerste kwartaal van 2026 wordt geen volgend voorschot bepaald. Zo nodig vindt na afloop van het eerste kwartaal van 2026 verrekening plaats met betrekking tot dat kwartaal.
11. Het zevende en achtste lid zijn niet van toepassing op de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026.
J
Aan artikel 16 wordt een lid toegevoegd, luidende:
8. In afwijking van het eerste lid is de kinderopvangorganisatie na afloop van het eerste kwartaal van 2026 verplicht om in een door de minister verstrekt formulier de afname van het aantal dagdelen per kind van dat kwartaal op te nemen en aan te minister te verstrekken. De kinderopvangorganisatie verstrekt geen actualisatie van de gegevens met betrekking tot het aantal kinderen dat in het daaropvolgende halfjaar wordt verwacht en het aantal af te nemen dagdelen.
K
In artikel 19, tweede lid, wordt ‘binnen 22 weken’ vervangen door ‘binnen 30 weken’.
L
In artikel 20, tweede lid wordt ‘van toepassing blijft op de dan lopende afwikkeling van besluiten en ingestelde gerechtelijke procedures op grond van deze regeling’ vervangen door ‘van toepassing blijft op de afwikkeling van subsidieaanvragen en ingestelde gerechtelijke procedures op grond van deze regeling’.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel
De Tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland (hierna: tijdelijke subsidieregeling) is op 1 juli 2020 van kracht geworden. Doel van de tijdelijke subsidieregeling is om de financiële toegankelijkheid en de kwaliteit van de kinderopvang en de buitenschoolse opvang te verbeteren. Op grond van de tijdelijke subsidieregeling ontvangen kinderopvangorganisaties een subsidie om de kostprijs van kinderopvang te verlagen. Jaarlijks is de tijdelijke subsidieregeling uitgebreid voor het nieuwe jaar en aangepast aan indexaties van de bedragen.
De regeling heeft een tijdelijk karakter omdat in de Wet kinderopvang BES (Wko BES), die per 1 januari 2026 in werking treedt, de structurele financiering van de kinderopvang geregeld wordt. Op grond van de wet ontvangen kinderopvangorganisaties een kinderopvangvergoeding. Met de inwerkingtreding van de Wko BES wordt ook de verantwoordelijkheid van de uitvoering van de financiering verlegd naar de RCN-Unit SZW. Omdat de RCN-Unit SZW pas per 1 januari 2026 bevoegdheden krijgt, zal de RCN-Unit niet meteen per die datum kunnen starten met de uitvoering. De RCN-Unit SZW zal met ingang van het tweede kwartaal, 1 april 2026, de uitvoering overnemen. Met ingang van die datum vormt de Wko BES dus de basis voor de kinderopvangfinanciering.
De tijdelijke subsidieregeling is met deze regeling op de volgende punten gewijzigd:
1. Verlenging van de looptijd van de subsidie;
2. De bedragen voor de kostprijs verlagende subsidie vanaf 1 januari 2026 tot 1 april 2026 worden verhoogd vanwege de indexatie door prijsstijgingen;
3. Er zijn subsidieplafonds toegevoegd voor de kostprijs verlagende subsidie van 1 januari 2026 tot 1 april 2026;
4. Kinderopvangorganisaties en gastouders kunnen tot 31 januari 2026 een (herziene) aanvraag indienen voor een kostprijsverlagende subsidie bij Uitvoering van Beleid (UVB) indienen voor het eerste kwartaal van 2026;
5. De termijn voor UVB om de subsidies vast te stellen wordt verlengd van 22 naar 30 weken na afloop van de periode waarvoor subsidie wordt verleend.
Met deze wijziging van de tijdelijke subsidieregeling wordt de looptijd van de subsidies verlengd tot en met 31 maart 2026. Voor het eerste kwartaal van 2026 worden aanvragen voor het eerste kwartaal van 2026 ingediend bij UVB, uiterlijk tot 31 januari 2026, 17:00 uur, lokale tijd. Deze verlenging vindt plaats binnen de bestaande vervaldatum van de tijdelijke subsidieregeling die gesteld is op 1 juli 2026.
Vanaf 1 april 2026 is de RCN-Unit SZW verantwoordelijk voor de uitvoering en uitbetaling van de kinderopvangvergoeding, op grond van de Wko BES In paragraaf 2.4 wordt nader toegelicht wat de overgang van de tijdelijke subsidieregeling naar de Wko BES betekent voor de kinderopvangorganisaties en de uitvoering.
Hieronder worden de bedragen van de kostprijsverlagende subsidies na indexatie weergegeven en de voor 2026 vastgestelde subsidieplafonds. Voor de hoogte van de kinderopvangvergoedingen op grond van de wet wordt verwezen naar het Besluit kinderopvang BES.1 De bedragen in de tijdelijke subsidieregeling gelden voor het eerste kwartaal van 2026.
In tabel 1 zijn de vergoedingen die gelden voor dagopvang bij kinderopvangorganisaties en gastouders vanaf 2026 weergegeven. Voor de buitenschoolse opvang (bso) bij kinderopvangorganisaties en gastouders zijn de vergoedingen opgenomen in tabel 2.
|
Vergoeding per dagdeel dagopvang |
2025 |
2026 |
|---|---|---|
|
Bonaire |
$ 23,38 |
$ 28,99 |
|
Sint Eustatius |
$ 25,94 |
$ 32,19 |
|
Saba |
$ 27,58 |
$ 34,22 |
|
Vergoeding per dagdeel bso |
2025 |
2026 |
|---|---|---|
|
Bonaire |
$ 26,44 |
$ 27,28 |
|
Sint Eustatius |
$ 29,35 |
$ 30,29 |
|
Saba |
$ 31,21 |
$ 32,20 |
De toeslag voor baby’s op grond van artikel 12, zevende en achtste lid, is ook aangepast naar aanleiding van de indexatie. In tabel 3 zijn de subsidiebedragen (inclusief indexatie) voor het eerste kwartaal van 2026 per kind jonger dan één jaar opgenomen.
|
In dollars |
Per kind (jonger dan een jaar) |
|
|---|---|---|
|
2025 (per halfjaar) |
2026 (per kwartaal) |
|
|
Bonaire |
1.550 |
800 |
|
Sint Eustatius |
1.720 |
887 |
|
Saba |
1.829 |
944 |
In de tijdelijke subsidieregeling zijn in de artikelen 5, 6 en 7 subsidieplafonds opgenomen om de uitgaven voor de subsidies te kunnen beheersen. Met deze wijzigingsregeling zijn de subsidieplafonds voor het eerste kwartaal van 2026 vastgesteld.
|
In dollars |
Subsidieplafond |
|
|---|---|---|
|
2025 (2e halfjaar) |
2026 (1e kwartaal) |
|
|
Bonaire |
9.580.000 |
4.945.000 |
|
Sint Eustatius |
1.560.000 |
805.000 |
|
Saba |
850.000 |
440.000 |
Op grond van de Wko BES is de RCN-Unit SZW per 1 januari 2026 als uitvoerder verantwoordelijk voor de financiering van de kinderopvangorganisaties. De RCN-Unit SZW kon de voorbereidingen voor de uitvoering niet tijdig starten, omdat er op dat moment nog geen wettelijke grondslag was. De Wko BES treedt immers per 1 januari 2026 in werking, terwijl die voorbereiding in de maanden ervoor al had moeten plaatsvinden.
Om de continuïteit van de financiering en een soepele overgang van UVB naar RCN-Unit SZW te waarborgen, heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besloten dat UVB op grond van de tijdelijke subsidieregeling in het eerste kwartaal van 2026 zorg blijft dragen voor de financiering van kinderopvangorganisaties. In het eerste kwartaal van 2026 is zowel de tijdelijke subsidieregeling als de Wko BES van kracht.
Dat betekent het volgende:
– Voor het eerste kwartaal 2026 kunnen kinderopvangorganisaties en gastouders tot 31 januari 2026 op grond van de tijdelijke subsidieregeling een aanvraag doen voor een subsidie bij UVB.
– Voor de periode ná het eerste kwartaal 2026 kunnen kinderopvangorganisaties en gastouders een aanvraag doen voor kinderopvangvergoeding op grond van de Wko BES bij de RCN-Unit SZW.
Omdat na het eerste kwartaal van 2026 niet opnieuw subsidie wordt verleend door UVB zijn een aantal bepalingen in de tijdelijke subsidieregeling hierop aangepast of niet van toepassing verklaard. Zo wordt geen volgend voorschot toegekend (artikel 15, zevende lid) en wordt het voorschot voor het volgende kwartaal dus ook niet verhoogd (artikel 15, achtste lid). De kinderopvangorganisatie hoeft na afloop van het eerste kwartaal geen actualisatie te verstrekken aan UVB van het aantal kinderen en het aantal af te nemen dagdelen dat het verwacht in het daaropvolgende halfjaar (artikel 16, achtste lid).
UVB zal in het eerste kwartaal, naast de uitvoering en uitbetaling van de kostprijsverlagende subsidie ook zorg dragen voor de uitbetaling van de kindplaatssubsidie op grond van artikel 14 van de tijdelijke subsidieregeling. Met ingang van 1 april 2026 regelt artikel 3.13 van de Wko BES dat de ouderbijdrage kan worden voldaan door het bestuurscollege en is er geen sprake meer van kindplaatssubsidies.
Daarnaast zal UVB in 2026 werkzaamheden verrichten voor de definitieve vaststelling van de subsidie. De beslistermijn voor de vaststelling zal ingaan na afloop van het eerste kwartaal. Met een termijn van 22 weken na het eerste kwartaal valt de zomervakantie binnen de termijn. De zomervakantie zorgt voor minder capaciteit bij UVB en zorgt ervoor dat de communicatie met kinderopvangorganisaties langer duurt. Daarom is de termijn voor het vaststellen van de subsidies verlengd naar 30 weken na afloop van het eerste kwartaal.
Met deze wijziging wordt de werkwijze van de afgelopen jaren gecontinueerd. De werkwijze blijft voor kinderopvangorganisaties dus hetzelfde in het eerste kwartaal van 2026.
Kinderopvangorganisaties zijn op verschillende manieren geïnformeerd over de transitie van UVB naar de RCN Unit SZW. De kinderopvangorganisaties hebben een brief ontvangen en er zijn voorlichtingsbijeenkomsten geweest om hen hierover te informeren. Ouders zullen eind 2025/begin 2026 geïnformeerd worden over de nieuwe situatie en eventuele gevolgen voor hen naar aanleiding van de transitie.
Met uitvoeringsorganisatie UVB is overleg geweest over de wijzigingen van de tijdelijke subsidieregeling. UVB heeft aangegeven dat de regeling uitvoerbaar is. Ook is met de RCN-Unit SZW gesproken over transitie van UVB naar de RCN-Unit SZW.
De totale uitgaven voor de tijdelijke subsidieregeling in 2026 zijn geraamd op € 5.897.500.
Er zijn als gevolg van deze wijzigingsregeling geen extra risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik.
De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Daarmee is voldaan aan het kabinetsbeleid van vaste verandermomenten van regelgeving, zoals neergelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Uit dat beleid volgt dat ministeriële regelingen op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober in werking treden.
Er wordt afgeweken van de minimuminvoeringstermijn van twee maanden, zoals aanwijzing 4.17 voorschrijft. De betrokken partijen zijn echter tijdig geïnformeerd over de verlenging en aanpassing van de tijdelijke subsidieregeling. Uitvoerder UVB is ook nauw betrokken bij de wijziging van de tijdelijke subsidieregeling. Inwerkingtreding per 1 januari 2026 is daarnaast nodig om de financiering van de kinderopvang op in Caribisch Nederland te continueren.
Er heeft geen formele internetconsultatie plaatsgevonden, omdat de belanghebbenden bij de regeling (kinderopvangorganisaties, uitvoeringsorganisaties, openbare lichamen) eerder zijn betrokken bij de totstandkoming van de tijdelijke subsidieregeling en deze regeling grotendeels financiële wijzigingen betreffen die begunstigend zijn voor de kinderopvangorganisaties.
Hieronder worden enkele wijzigingen nader toegelicht. Voor de onderdelen die hier niet genoemd zijn, spreekt de wijziging voor zich en is nadere toelichting niet nodig.
In dit onderdeel wordt artikel 9, derde lid, onderdelen b en d gewijzigd. Door deze wijziging neemt de kinderopvangorganisatie het aantal dagdelen per kind dat ze verwacht op te vangen in het eerste kwartaal van 2026 en een prognose van de begroting voor dat kwartaal op in de aanvraag voor kostprijsverlagende subsidie. Deze wijziging is nodig omdat in 2026 enkel voor het eerste kwartaal kostprijsverlagende subsidie wordt verstrekt, waarna vanaf 1 april de financiering van kinderopvang in Caribisch Nederland verloopt op grond van de Wko BES.
In onderdeel G wordt de hoogte van de kostprijsverlagende subsidie per dagdeel per kind gewijzigd voor de dagopvang (eerste lid), de buitenschoolse opvang (tweede lid), de dagopvang bij gastouders op Bonaire (derde lid) en de buitenschoolse opvang bij gastouders op Bonaire (vierde lid).
Ook wordt er een achtste lid toegevoegd aan artikel 12 waarin de verhoging van de subsidie voor kinderen tot 1 wordt geregeld voor het eerste kwartaal van 2026. Per kind dat op de peildatum van 1 januari 2026 jonger is dan een jaar wordt de subsidie verhoogd met $ 800 op Bonaire, $ 887 op Sint Eustatius en $ 944 op Saba.
Dit onderdeel regelt met een wijziging van artikel 15, negende lid, dat de looptijd van de subsidie in ieder geval eindigt op 31 maart.
Ook worden er twee leden toegevoegd aan artikel 15. Het tiende lid bepaalt dat, anders dan het vijfde lid, er na afloop van het eerste kwartaal van 2026 geen nieuw voorschot wordt bepaald. Vanaf 1 april loopt de financiering van kinderopvang in Caribisch Nederland immers via de Wko BES. En waar het vijfde lid regelt dat na afloop van een halfjaar verrekening plaats kan vinden, regelt het tiende lid dat verrekend kan worden na afloop van het eerste kwartaal van 2026, over dat kwartaal. Het elfde lid regelt dat het zevende en achtste lid van artikel 15 niet van toepassing zijn op de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026. Die bepalingen zijn niet van toepassing op die periode, omdat na die periode niet opnieuw een voorschot wordt aangevraagd of toegekend, omdat vanaf 1 april de financiering van de kinderopvang op grond van de Wko BES begint.
Artikel 16 gaat over de informatieverplichtingen die gelden voor kinderopvangorganisaties. In dit onderdeel wordt een nieuw achtste lid toegevoegd aan het artikel. Met dit achtste lid zijn kinderopvangorganisaties verplicht om na afloop van het eerste kwartaal van 2026 de afname van het aantal dagdelen per kind van dat kwartaal te verstrekken aan de minister via een door de minister verstrekt formulier. Dit wijkt af van het eerste lid, waarin opgenomen is dat dit na afloop van een halfjaar gebeurt, als dat halfjaar begint op 1 januari of 1 juli, of na afloop van het eerste kwartaal dat subsidie wordt verkregen, als dat kwartaal is aangevangen op 1 april of 1 oktober. Deze wijziging is nodig omdat in 2026 enkel over het eerste kwartaal subsidie wordt verstrekt.
In het achtste lid is ook opgenomen dat, in afwijking van het eerste lid, geen actualisatie van de gegevens met betrekking tot het aantal kinderen dat in het daaropvolgende halfjaar wordt verwacht wordt verstrekt door de kinderopvangorganisatie. Ook dit is niet nodig, omdat per 1 april de financiering van de kinderopvang in Caribisch Nederland loopt via de Wko BES.
Met onderdeel L wordt een technische wijziging aangebracht in het overgangsrecht. Bij eerdere wijziging van de tijdelijke subsidieregeling is het begrip ‘besluiten’ uitgelegd als ‘reeds vastgestelde subsidies’. Omdat op 30 juni 2026 de subsidies over het eerste kwartaal van 2026 nog niet (allemaal) zullen zijn vastgesteld, maakt deze wijziging duidelijk dat de regeling van toepassing blijft op de afwikkeling van alle subsidieaanvragen en ingestelde gerechtelijke procedures op grond van deze regeling. Daarmee wordt verduidelijkt dat ook voor de afwikkeling van nog niet vastgestelde subsidies de regeling zoals deze luidt op 30 juni 2026 van toepassing blijft.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel
Besluit van 25 september 2025, houdende regels en nadere regels omtrent de kwaliteit, financiering en gegevensverwerking ten behoeve van kinderopvang in Caribisch Nederland, Staatsblad 2025, 261.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-44151.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.