Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 2025, nr. 2025-0000288742, tot wijziging van de Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen in verband met het toevoegen van een tijdvak voor het middelbaar beroepsonderwijs, voortgezet onderwijs en primair onderwijs [KetenID WGK027963]

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsbepaling van ‘docent’ vervalt ‘, artikel 3 van de Wet primair onderwijs BES’.

2. In de begripsbepaling van ‘vo’ vervalt ‘onderwijs dat gegeven wordt op Caribisch Nederland als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020’.

B

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt ‘bedoeld in artikel 5, eerste lid’ vervangen door ‘bedoeld in artikel 5, onderdeel a’.

2. In het derde en vierde lid wordt ‘bedoeld in artikel 5, tweede lid’ vervangen door ‘bedoeld in artikel 5, onderdeel b’.

3. In het vijfde en zesde lid wordt ‘bedoeld in artikel 5, derde lid’ vervangen door ‘bedoeld in artikel 5, onderdeel c’.

4. Onder vernummering van het zevende lid tot negende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 7. Het subsidieplafond voor aanvragen gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, bedraagt voor:

    • a. mbo-instellingen: € 4.445.000;

    • b. vo-instellingen: € 3.330.000;

    • c. po-scholen: € 2.225.000.

  • 8. De subsidie per aanvraag gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, bedraagt voor:

    • a. mbo-instellingen: minimaal € 75.000 en maximaal € 400.000;

    • b. vo-instellingen: minimaal € 75.000 en maximaal € 300.000;

    • c. po-scholen: minimaal € 75.000 en maximaal € 200.000.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 10. Indien in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, het beschikbare bedrag voor een van de onderwijsinstellingen, genoemd in artikel 4, zevende lid, niet geheel wordt verleend, kan het resterende bedrag aangewend worden voor de aanvragen van de andere onderwijsinstellingen, genoemd in artikel 4, zevende lid. De verdeling van dit bedrag vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

C

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5. Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze regeling worden ingediend in het aanvraagtijdvak van:

  • a. 18 september 2023, 09.00 uur, tot en met 16 oktober 2023, 17.00 uur, voor de projectperiode in een mbo-instelling, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a;

  • b. 15 april 2024, 15.00 uur, tot en met 10 mei 2024, 17.00 uur, voor de projectperiode in een vo-instelling, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b;

  • c. 4 maart 2025, 09.00 uur, tot en met 12 mei 2025, 17.00 uur, voor de projectperiode binnen een po-school, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c;

  • d. 2 februari 2026, 09.00 uur, tot en met 16 maart 2026, 17.00 uur, voor de projectperiode in een mbo-instelling, vo-instelling of po-school, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d.

D

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Activiteiten voor een project in het kader van deze regeling vinden plaats binnen de periode van:

    • a. 17 oktober 2023 tot en met 31 juli 2027, voor een project van een mbo-instelling, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel a;

    • b. 11 mei 2024 tot en met 9 juli 2027, voor een project van een vo-instelling, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel b;

    • c. 1 april 2025 tot en met 18 augustus 2028, voor een project van een po-school, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel c;

    • d. 2 februari 2026 tot en met 31 juli 2029, voor een project van een mbo-instelling, vo-instelling of po-school, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d.

2. Het tweede en het derde lid vervallen, onder vernummering van het vierde lid tot tweede lid.

E

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De subsidieaanvraag voor een project, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c en d, kan worden ingediend door een po-school die niet ligt in een gemeente die deelneemt aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid als bedoeld in de Regeling kansrijke wijk. Voor een basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs geldt voor een project als bedoeld in artikel 6, onderdeel c, daarnaast als voorwaarde dat voor die school voor het jaar 2024 de uitkomst van de formule A – B, bedoeld in artikel 18, derde lid, van het Besluit bekostiging WPO 2022, meer is dan 0.

2. In het elfde lid wordt ‘als bedoeld in artikel 5, tweede lid’ vervangen door ‘als bedoeld in artikel 5, onderdeel b’.

F

Aan artikel 13 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. indien de mbo-instelling, vo-instelling of po-school ten behoeve waarvan de aanvraag is ingediend reeds eerder een subsidie heeft ontvangen op grond van deze regeling.

ARTIKEL II

De regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel

TOELICHTING

I Algemeen deel

1. Inleiding

De ‘Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen’ (hierna ook: de subsidieregeling) heeft drie tijdvakken gehad. Met deze wijziging wordt een vierde tijdvak toegevoegd. De eerste drie tijdvakken richtten zich respectievelijk op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), voortgezet onderwijs (vo) en primair onderwijs (po). Met deze wijziging van de subsidieregeling kunnen onderwijsinstellingen in het mbo, vo en po subsidie aanvragen voor financiële educatie. Dit tijdvak biedt scholen die tot op heden om welke reden dan ook geen subsidieaanvraag hebben kunnen indienen, alsnog de mogelijkheid om subsidie voor financiële educatie aan te vragen.

2. Achtergrond

Het bevorderen van verantwoord financieel gedrag door middel van financiële educatie aan kinderen en jongeren is onderdeel van de beleidsinzet om geldzorgen te voorkomen. Gezien de omvang van het onderwijsveld in combinatie met het belang van en de behoefte voor extra inzet op financiële educatie binnen het onderwijs is in afstemming met het Ministerie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Wijzer in geldzaken (Ministerie van Financiën) ervoor gekozen een extra tijdvak open te stellen.

3. Invulling van de regeling

Scope van het vierde tijdvak

Gezien het feit dat de drie onderwijssectoren elk al een subsidieronde hebben gehad, is er voor gekozen om het huidige tijdvak open te stellen voor alle drie de sectoren tegelijkertijd. Dat betekent dat in principe alle onderwijsinstellingen (ofwel bevoegd gezagen) binnen het mbo, vo en po in aanmerking komen voor deze subsidie. Scholen die eerder subsidie hebben ontvangen middels deze subsidieregeling zijn in dit tijdvak echter uitgesloten. Ook scholen binnen het po die in gebieden vallen binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV), die eerder uitgesloten waren in het derde tijdvak, omdat zij via de SPUK Kansrijke Wijk 2026-2028 subsidie (kunnen) ontvangen, zijn uitgesloten.

Met deze wijzigingsregeling wijzigt het fundament van de subsidieregeling niet. Het doel, de subsidiabele activiteiten en kosten, en het aanvraagproces blijven hetzelfde. In dit tijdvak blijven de onderlinge verschillen tussen de drie onderwijssectoren ook zoals die waren. De wijzigingsregeling biedt uitsluitend een tweede mogelijkheid voor scholen binnen elke onderwijssector die eerder geen subsidie vanuit deze subsidieregeling hebben ontvangen.

Verder is in het derde tijdvak (po) gebruik gemaakt van een afbakening met behulp van de onderwijsachterstandsscore. Deze afbakening geldt niet (meer) voor dit tijdvak. Alle onderwijsinstellingen van het po die niet binnen de NPLV-gebieden vallen, komen dit tijdvak in aanmerking voor subsidie.

Doelgroep:

  • Alle onderwijsinstellingen binnen het mbo;

  • Alle onderwijsinstellingen binnen het vo; en

  • Alle scholen binnen het po.

Uitgesloten:

Onderwijsinstellingen (bevoegd gezagen van het mbo, vo en po) die eerder subsidie hebben ontvangen in het kader van deze subsidieregeling (vanwege dubbelfinanciering); en

  • Po-scholen die vallen binnen de NPLV gebieden.

Subsidiabele activiteiten en kosten

In vergelijking met de voorgaande tijdvakken zijn de subsidiabele activiteiten en bijbehorende kosten hetzelfde gebleven. De volgende activiteiten zijn van toepassing:

  • a. het volgen van een door de minister goedgekeurde opleiding door docenten en medewerkers van mbo-instellingen of vo-instellingen die tot doel heeft het integreren van financiële educatie in bestaande vakken en het onderwijzen van studenten respectievelijk leerlingen in financiële competenties;

  • b. het aannemen of vrijstellen van medewerkers binnen mbo-instellingen of vo-instellingen, die zorg dragen voor structurele inbedding van financiële educatie in het onderwijs op de desbetreffende mbo-instelling of vo-instelling;

  • c. het aanbieden van persoonlijke financiële begeleiding op de mbo-instellingen aan studenten met geldzorgen;

  • d. het aanbieden van individuele persoonlijke financiële begeleiding op vo-instellingen aan leerlingen en het betrekken van ouders of verzorgers bij de financiële opvoeding van hun kinderen;

  • e. het volgen van een door de minister goedgekeurde bij- of nascholingsopleiding die tot doel heeft het aanbieden of integreren van financiële educatie in bestaande leergebieden en vakken, door leerkrachten en medewerkers die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs op de po-school;

  • f. het aannemen of vrijstellen van medewerkers binnen de po-school die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs op die school;

  • g. het ondersteunen van ouders of verzorgers bij de financiële opvoeding van hun kinderen.

Niet alle activiteiten gelden voor elke onderwijssector. Er zijn steeds drie activiteiten per sector van toepassing:

  • Voor het mbo zijn activiteiten a, b en c van toepassing. Activiteit a en b zijn verplicht, c is optioneel met een maximum van 25% van de totale subsidiabele kosten.

  • Voor het vo zijn activiteiten a, b en d van toepassing. Activiteit a en b zijn verplicht, d is optioneel met een maximum van 25% van de totale subsidiabele kosten.

  • Voor het po zijn activiteiten e, f en g van toepassing. Alle drie de activiteiten zijn verplicht.

Voor het aanbod van opleidingen staan op www.geldlessen.nl de goedgekeurde opleidingen opgesomd per onderwijssector. Scholen dienen uitsluitend gebruik te maken van dit aanbod.

Voor activiteiten b, c, d, f en g zijn vaste tarieven vastgesteld die in de regeling vermeld staan in artikel 8. Ook deze zijn gelijk gebleven in vergelijking met de voorgaande tijdvakken.

De aanvraag

Om de administratieve last voor de scholen zo laag mogelijk te houden, is het aanvraagproces zo eenvoudig mogelijk ingericht. Dat geldt voor zowel het aanvragen zelf in het subsidieportaal als het aanleveren van de inhoudelijke stukken zoals het activiteitenplan en de begroting. Daarbij wordt opgemerkt dat in het activiteitenplan en de bijbehorende begroting naar voren dient te komen welke combinatie van activiteiten de scholen gaan uitvoeren (afhankelijk van welke onderwijssector kan dit verschillen tussen de onderwijssectoren) en wat de kosten daarvan zullen zijn. Hoe dit in de loop van de projectperiode uitgevoerd en geïmplementeerd gaat worden kan later worden voorbereid en uitgewerkt in de voortgangsrapportage en hoeft bij de aanvraag daarom niet in detail te zijn uitgewerkt. Voor de aanvraag zijn formats en formulieren beschikbaar via Externe link:www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

De subsidieaanvrager en het maximale aan te vragen subsidiebedrag

Een onderwijsinstelling kan uit meerdere onderwijslocaties bestaan. Als meerdere onderwijslocaties onder één instelling (ofwel bevoegd gezag) subsidie willen aanvragen, dienen deze gebundeld te worden in één aanvraag. Het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling mag namelijk maximaal één aanvraag indienen. De mogelijkheid om aanvragen tussen de € 75.000,– en de € 400.000,– in te dienen biedt zowel kleinere als omvangrijke instellingen de vrijheid om passende projecten te starten. Met ‘passend’ wordt in deze context bedoeld dat grotere onderwijsinstellingen optioneel meer medewerkers kunnen opleiden dan kleinere instellingen, maar ook dat er ongeacht de grootte van de onderwijsinstelling (en hoeveel onderwijslocaties mee willen doen) ruimte is om voor kleinschalige of juist ambitieuze projecten een aanvraag in te dienen.

Het maximaal aan te vragen subsidiebedrag per onderwijssector:

  • Mbo: € 400.000.

  • Vo: € 300.000.

  • Po: € 200.000.

Subsidieplafond en de verdeling onder de sectoren

Voor dit tijdvak is in totaal € 10.000.000 beschikbaar. Omdat per onderwijssector er sprake is van een ander maximaal aan te vragen bedrag en om het budget afhankelijk daarvan zo eerlijk mogelijk te verdelen, is de verhouding van de verdeling van het budget tussen de sectoren 4 (mbo): 3 (vo): 2 (po).

De verdeling ziet er dan als volgt uit (afgerond):

  • Mbo: € 4.445.000.

  • Vo: € 3.330.000.

  • Po: € 2.225.000.

Mocht binnen deze drie subsidieplafonds geld overblijven en een ander potje worden overvraagd, dan kan ook tussen de subsidieplafonds worden geschoven. De verdeling hiervan vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Projectperiode

Onderwijsinstellingen, waarvan de aanvraag is goedgekeurd, hebben maximaal drie schooljaren om het project uit te voeren. De looptijd van de gehonoreerde projecten is dus: 2026-2027, 2027-2028 en 2028-2029 (uiterlijk 31 juli 2029).

Aanvraagtijdvak

De openstelling van het tijdvak om aanvragen in te dienen start op maandag 2 februari 2026 om 09:00 uur en sluit op maandag 16 maart 2026 om 17:00 uur. Via gerichte en uitgebreide communicatie richting het mbo, vo en po in de periode voorafgaand aan de openstelling van het tijdvak, zorgt het Ministerie van SZW ervoor dat de regeling bekend is, en dat scholen zich hierop kunnen voorbereiden. Onderdeel van deze communicatie zijn onder meer meerdere digitale bijeenkomsten op verschillende dagen/tijdstippen waar scholen terecht kunnen met vragen. Daarnaast is op www.geldlessen.nl alle informatie, ten aanzien van deze regeling, toegankelijk en overzichtelijk te vinden.

Bevoorschotting

Gezien de lange looptijd van de subsidie in combinatie met de vrijheid die de onderwijsinstellingen krijgen om de subsidie op een voor hen passende ritme in te zetten, is ervoor gekozen om 80% van de subsidie bij bevoorschotting uit te keren. Om het risico van terugvordering zo klein mogelijk te maken wordt 20% van de subsidie achteraf na de eindverantwoording uitgekeerd.

Tussentijdse rapportages

Bij de inrichting van het ritme van voortgangsrapportages is uitgegaan van een zo laag mogelijke verantwoordingslast voor onderwijsinstellingen. Om deze reden is afgeweken van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Dat zal één tussentijdse (voortgangs)rapportage zijn na 18 maanden en een eindrapportage bij afloop van het project.

4. Toepassing Caribisch Nederland

Bij het opzetten van dit tijdvak is ook nagedacht over de toepasbaarheid voor Caribisch Nederland (CN). Het is uiteraard belangrijk dat er ook in CN aandacht is voor financiële educatie in het onderwijs. De eilanden hebben middels een bijzondere uitkering financiële middelen gekregen om per eiland (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) een lokale aanpak op te zetten die past bij de schaalgrootte, kenmerken en specifieke behoeften van het desbetreffende eiland en niet zorgt voor onnodige administratieve belasting. Hiervoor is in totaal een eenmalig bedrag van € 1 miljoen beschikbaar gesteld. Dat betekent dat dit tijdvak van de subsidieregeling niet openstaat voor scholen op CN.

5. Advies en consultatie

Gedurende het gehele traject van het opzetten van de eerste drie tijdvakken van deze subsidieregeling zijn verschillende partijen betrokken geweest. Er zijn voorbereidende gesprekken gevoerd, expertsessies georganiseerd en er is waar mogelijk nog aanvullend contact geweest voor advies. Voor dit vierde tijdvak is niet nogmaals een aparte consultatie gedaan, omdat het een herhaling is van wat eerder is opgezet. Dit tijdvak biedt een tweede mogelijkheid voor elke onderwijssector.

6. Uitvoering, staatssteun, handhaving en monitoring

Uitvoerbaarheid

De regeling wordt namens de minister uitgevoerd door Uitvoering van Beleid (UVB), onderdeel van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering (DSU) van het Ministerie van SZW. UVB heeft ruime ervaring met het uitvoeren van subsidieregelingen en beschikt over de expertise die hiervoor nodig is.

Staatssteun

De regeling richt zich op dezelfde Rijksbekostigde onderwijsinstellingen als de eerste drie tijdvakken en gezien het feit dat uit de staatssteuntoets van de voorgaande tijdvakken geen bijzonderheden zijn geconstateerd, geldt dat ook voor dit tijdvak.

Misbruik, oneigenlijk gebruik en handhaving

Onderwijsinstellingen kunnen subsidie aanvragen in de periode van 2 februari 2026, 09.00 uur tot en met 16 maart 2026, 17.00 uur. De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen.

Voor dit tijdvak is net als de drie twee tijdvakken een toets ‘Uitvoering en Misbruik & Oneigenlijk gebruik’ (hierna UMO-toets) uitgevoerd door UVB.

De UMO-toets is uitgevoerd op de wijzigingen die betrekking hebben op het vierde tijdvak. Uit de UMO-toets blijkt dat UVB afdoende maatregelen inzet om risico’s te verkleinen. Restrisico’s zijn aanvaardbaar en de regeling is uitvoerbaar.

Monitoring & evaluatie

Momenteel loopt een evaluatie- en monitoringstraject waarin in ieder geval de eerste drie tijdvakken worden geëvalueerd en gemonitord. In dit traject wordt de effectiviteit van deze beleidsmaatregel onderzocht en daarin wordt ook opgehaald wat de ervaringen zijn vanuit de praktijk over wat wel en niet goed werkt. De verwachting is dat deze in 2028 is afgerond en de eerste resultaten hiervan worden met de voortgangsbrief van het Nationaal Programma Armoede en Schulden naar de Kamer verstuurd.

7. Regeldruk en financiële gevolgen

In totaal is er € 10.000.000 beschikbaar voor dit vierde tijdvak. Het maximaal aan te vragen subsidiebedrag verschilt per onderwijssector en kan liggen tussen € 75.000,– en € 400.000,–.

Net zoals bij de voorgaande tijdvakken wordt rekening gehouden met de gevolgen voor de regeldruk. De administratieve lasten betreffen de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid. Daar valt onder: het verzamelen, bewerken, registreren, bewaren en ter beschikking stellen van informatie aan de overheid. Deze lasten doen zich voor bij de subsidieaanvraag en bij de verantwoording ervan. Al met al is bij het opstellen en uitvoeren van deze subsidieregeling nadrukkelijk rekening gehouden met het beperken van de regeldruk voor scholen. Daarom is er ook bewust voor gekozen om de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden en alleen die gegevens en verplichtingen op te nemen die strikt noodzakelijk zijn voor een doeltreffende en verantwoorde uitvoering van de regeling.

Ingeschat wordt dat voor het indienen van een subsidieaanvraag bedoeld in artikel 11, een tijdsinvestering van vijftien uur per aanvraag nodig is. Voor de verantwoording wordt geschat dat voor de tussentijdse rapportage vijf uur en eindrapportage tien uur nodig is. In totaal is de tijdsinvestering voor de verantwoording vijftien uur. Daarnaast loopt er een evaluatie- en monitoringstraject waarvoor voor elke onderwijssector twee keer een enquête wordt uitgestuurd. Deelname is niet verplicht, maar de respons hierop is ongeveer 50%. Voor het invullen van deze enquêtes is in totaal maximaal 1 uur nodig (dit is ruim genomen). Per onderwijssector is de regeldruk als volgt:

Regeldruk mbo

Vanuit de ervaring van het voorgaande tijdvak voor het mbo verwachten we 14 aanvragen, waarvan ook 14 worden toegekend. Uitgaande van € 75 per uur wordt het regeldrukpercentage als volgt berekend:

Per toekenning in ieder geval: € 75 × 30 uur = € 2.250

Deelname evaluatie- en monitoringstraject: € 75 × 1 uur = € 75

Totale regeldrukkosten: (€ 2.250 × 14) + (€ 75 × 7) = € 32.025

Het regeldrukpercentage: € 32.025 / € 4.445.000 = 0.01 = 1%

Regeldruk vo

Vanuit de ervaring van het voorgaande tijdvak voor het vo verwachten we 23 aanvragen, waarvan 19 worden toegekend. Uitgaande van € 75 per uur wordt het regeldrukpercentage als volgt berekend:

Per toekenning: € 75 × 30 uur = € 2.250

Deelname evaluatie- en monitoringstraject: € 75 × 1 uur = € 75

Per afgewezen aanvraag: € 75 × 15 uur = € 1.125

Totale regeldrukkosten aanvragen: (€ 2.250 × 19) + (€ 75 × 10) + (€ 1.125 × 4) = € 48.000

Het regeldrukpercentage: € 48.000 / € 3.330.000 = 0.01 = 1%

Regeldruk po

Vanuit de ervaring van het voorgaande tijdvak voor het po verwachten we 17 aanvragen, waarvan 14 worden toegekend. Uitgaande van € 55 per uur wordt het regeldrukpercentage als volgt berekend:

Per toekenning: € 55 × 30 uur = € 1.500

Deelname evaluatie- en monitoringstraject: € 55 × 1 uur = € 55

Per afgewezen aanvraag: € 55 × 15 uur = € 750

Totale regeldrukkosten: (€ 1.500 × 14) + (€ 55 × 7) + (€ 750 × 3) = € 23.635

Het regeldrukpercentage: € 23.635 / € 2.225.000 = 0.01 = 1%

8. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Daarmee wordt afgeweken van de systematiek van vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn, zoals neergelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Dit is gerechtvaardigd, omdat het voor scholen belangrijk is om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen, zodat ze hier in de praktijk op kunnen voorbereiden.

II Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel A

Met de wijziging van de begripsbepaling van ‘vo’ en ‘docent’ in artikel 1 is geen inhoudelijke wijziging beoogd. De uitdrukkelijke verwijzing naar Caribisch Nederland in deze begripsbepalingen is vervallen, omdat de subsidieregeling in het vierde tijdvak niet is opengesteld voor onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland. Deze aanpassingen zijn bedoeld om dat te verduidelijken.

Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de toepasselijkheid van de subsidieregeling op vo-instellingen in Caribisch Nederland die in het tweede tijdvak een subsidieaanvraag hebben ingediend. Dat volgt nog steeds uit artikel 11, elfde lid. Hiervoor is het niet noodzakelijk om in de begripsbepaling van ‘vo’ in artikel 1 uitdrukkelijk te verwijzen naar Caribisch Nederland. Artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is immers ook van toepassing op Caribisch Nederland op grond van artikel 1.3, zevende lid, van die wet.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel

Naar boven