Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 2025, nr. 2025-0000287204, houdende wijziging van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ in verband met het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming voor alleenverdieners voor 2026 [KetenID WGK028448]

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op artikel 78gg, zevende lid, van de Participatiewet;

Besluit:

ARTIKEL I

Artikel 15ba van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ komt te luiden:

Artikel 15ba. Tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek

De tegemoetkoming voor een huishouden dat voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 78gg, eerste lid, bedraagt:

  • a. € 1.000 voor een huishouden dat in het jaar 2025 aan de voorwaarden voldoet;

  • b. € 1.100 voor een huishouden dat in het jaar 2026 aan de voorwaarden voldoet.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel

TOELICHTING

1. Inleiding

Op 1 januari 2025 is de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek in werking getreden.1 Deze wet regelt een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders in artikel 78gg van de Participatiewet om een vaste tegemoetkoming toe te kennen aan zogenoemde alleenverdienerhuishoudens. Hiermee wordt gedoeld op de groep huishoudens voor wie de uitkering van één van beide partners, bijvoorbeeld een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering, de enige of belangrijkste bron van inkomsten is. Doordat verschillende regelingen op elkaar inwerken, ontvangen deze huishoudens minder toeslagen dan een vergelijkbaar huishouden met alleen een bijstandsuitkering. Sommigen hebben door de samenloop ook een netto-inkomen dat lager is dan een bijstandsuitkering. De som van hun netto-inkomen en toeslagen, oftewel hun besteedbaar inkomen, is lager dan het zou zijn als zij samen enkel een bijstandsuitkering zouden hebben.2 Om deze huishoudens op het voor hen geldende bestaansminimum te brengen is er de vaste tegemoetkoming.

Deze wijzigingsregeling stelt de hoogte van de vaste tegemoetkoming voor het jaar 2026 vast. Huishoudens die voor het jaar 2026 tot de doelgroep van de regeling behoren, kunnen aanspraak maken op dit bedrag.

Daarbij blijft de tegemoetkoming voor het jaar 2025 in de regeling staan. Huishoudens waarvan na 31 december 2025 nog wordt vastgesteld dat zij over 2025 aanspraak maken op de tegemoetkoming voor dat jaar, blijven daarmee aanspraak maken op het bedrag voor het jaar 2025 (zijnde € 1.000).

2. De hoogte van de vaste tegemoetkoming voor 2026

De hoogte van de vaste tegemoetkoming wordt voor ieder jaar apart vastgesteld. Dat schrijft artikel 78gg, zevende lid, van de Participatiewet voor. Het bedrag is voor alle rechthebbende huishoudens gelijk en wordt zodanig vastgesteld dat het voor het overgrote deel van deze huishoudens toereikend is. Bij een vaste tegemoetkoming die toereikend moet zijn voor alle huishoudens zou een beperkt aantal uitzonderlijke gevallen ervoor zorgen dat dit tot zeer grote overcompensatie voor de overige huishoudens leidt.

De vaststelling van de tegemoetkoming gebeurt op basis van een combinatie van berekeningen en gegevensanalyses met betrekking tot het bedrag dat huishoudens als gevolg van de alleenverdienersproblematiek tekortkomen voor een besteedbaar inkomen op het bestaansminimum. Verschillende factoren hebben invloed op dit bedrag, waaronder de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon (de bijstandsnorm), belastingtarieven en de hoogte van de toeslagen. Deze factoren kunnen jaarlijks wijzigen. De combinatie van gegevensanalyse en berekeningen is nodig omdat de meest recente definitieve inkomensgegevens die beschikbaar zijn, zien op het jaar 2024. De tijdelijke regeling beoogt echter in de actualiteit te compenseren, waarvoor met behulp van berekeningen wordt gecorrigeerd voor de inkomenssituatie in 2026.

Volgens analyses van inkomensgegevens door de Belastingdienst zou een tegemoetkoming van € 1.400 voor de jaren 2021–2024 voor meer dan 95% van de betrokken huishoudens toereikend zijn geweest. Bij de huishoudens die meer dan dit bedrag nodig hebben, gaat het voornamelijk om huishoudens van welke ten tijde van de gegevens analyse enkel voorlopige inkomensgegevens beschikbaar waren of om huishoudens in uitzonderlijke situaties.

Door wijzigingen in het inkomensbeleid sinds 2025 is de benodigde tegemoetkoming in 2026 naar verwachting lager dan deze € 1.400. In 2025 verschoven de startpunten van de inkomensafhankelijke afbouw van de algemene heffingskorting (in de inkomensheffing) en van de huurtoeslag naar een aanzienlijk hoger belastbaar inkomen. Dit betekent dat alleenverdienerhuishoudens zich sinds 2025 minder ver in deze afbouwpaden bevinden. Het verschil in netto-inkomen tussen een alleenverdienerhuishouden en een vergelijkbaar huishouden met bijstand is daarom kleiner, en het bedrag aan misgelopen toeslagen is lager. De benodigde tegemoetkoming is vervolgens ook lager. Voor 2026 zijn er geen beleidsmatige wijzigingen in de inkomstenbelasting of inkomensondersteuning met een vergelijkbaar grote invloed. De inkomensafhankelijk afbouw van de algemene heffingskorting, zorgtoeslag en huurtoeslag verloopt marginaal steiler dan in 2025. Dit heeft een beperkt verhogende invloed op de benodigde tegemoetkoming in 2026 ten opzichte van 2025.3

Om te bepalen wat de benodigde tegemoetkoming in 2026 moet zijn, is een berekening gemaakt van de tegemoetkoming die nodig is om alleenverdienerhuishoudens op het bestaansminimum te brengen in de jaren 2021-2026. In de berekeningen wordt uitgegaan van een voorbeeldhuishouden waarbij het volledige huishoudensinkomen binnenkomt bij één van beide partners. Dit inkomen bestaat geheel uit een loondervings- of Wajong-uitkering. Bij deze inkomenssituatie en inkomstenverdeling tussen de partners is de alleenverdienersproblematiek in een gegeven jaar het grootst.

De benodigde tegemoetkoming die volgt uit deze berekening is lager dan de tegemoetkoming die volgt uit de analyses door de Belastingdienst voor de jaren waarover gegevens beschikbaar zijn (thans 2021–2024). Uit de berekening blijkt dat tussen 2021 en 2024 € 1.100 tot € 1.200 als tegemoetkoming nodig was om het voorbeeldhuishouden en daarmee het overgrote deel van de alleenverdieners op het bestaansminimum te brengen. Dit is € 200 tot € 300 lager dan de benodigde tegemoetkoming die uit de analyse door de Belastingdienst volgt (tot € 1.400). Een belangrijke verklaring voor dit verschil is dat in de gegevensanalyse de inkomensgrenzen enigszins zijn verruimd om te voorkomen dat sommige huishoudens ten onrechte uit de doelgroep vallen.

Door de wijzigingen in het inkomensbeleid sinds 2024 zou er volgens de berekening voor 2026 ongeveer € 800 als tegemoetkoming nodig zijn om het voorbeeldhuishouden en daarmee het overgrote deel van de alleenverdienerhuishoudens op het voor hen geldende bestaansminimum te brengen. Aangezien voor de bekende jaren 2021–2024 de berekende benodigde tegemoetkoming € 200 tot € 300 lager uitkomt dan in de analyses door de Belastingdienst, wordt de uitkomst van de analyse net als voor 2025 hiermee gecorrigeerd. Hiermee komt de tegemoetkoming in 2026 op basis van de analyses door de Belastingdienst, en rekening houdend met de wijzigingen in het inkomensbeleid in 2026, uit op € 1.100.

De hoogte van de vaste tegemoetkoming voor 2026 wordt daarom vastgesteld op € 1.100.

Naar verwachting zal voor een beperkt aantal huishoudens de vaste tegemoetkoming niet toereikend zijn. Dit kan bijvoorbeeld gaan om huishoudens die in een situatie waarin zij een volledige bijstandsuitkering zouden ontvangen toch recht zouden hebben op kinderopvangtoeslag of om huishoudens met één of meerdere medebewoners wiens inkomen meetelt voor de huurtoeslag maar die niet als kostendeler meetellen voor de bijstand. Deze huishoudens kunnen zich wenden tot het college van burgermeester en wethouders voor aanvullende inkomensondersteuning. In deze uitzonderlijke omstandigheden kan naast ontvangst van de tegemoetkoming een beroep worden gedaan op verdere inkomensaanvulling in de vorm van individuele bijzondere bijstand.

3. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Daarmee wordt voldaan aan het kabinetsbeleid van vaste verandermomenten voor regelgeving, zoals neergelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Van de minimuminvoeringstermijn van drie maanden wordt afgeweken. De reden daarvoor is dat de gegevens en fiscale parameters op basis waarvan het bedrag mede wordt vastgesteld pas op 2 december 2025 beschikbaar kwamen, terwijl inwerkingtreding per 1 januari 2026 moet plaatsvinden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel


X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 617, nr. 3, pp. 5–7

X Noot
3

De overige hervormingen in de huurtoeslag per 2026 zijn niet van invloed op de alleenverdienersproblematiek.

Naar boven