Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 december 2025, tot wijziging van de Regeling basisregistratie personen in verband met de invoering van het Logisch Ontwerp BRP, versie 2026.Q1, en de vaststelling van een nieuw autorisatieaanvraagformulier voor het experiment dataminimalisatie basisregistratie personen

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, 38 en 49 van het Besluit basisregistratie personen en de artikelen 2.4 en 2.5 van het Besluit experiment dataminimalisatie basisregistratie personen;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling Basisregistratie personen wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 2 en 3 wordt ‘Logisch Ontwerp BRP, versie 2025.Q4’ vervangen door ‘Logisch Ontwerp BRP, versie 2026.Q1’.

B

In artikel 33, tweede lid, wordt ‘€ 4,50’ vervangen door ‘€ 4,65’.

C

Bijlage 1 wordt vervangen door de bijlage, opgenomen als bijlage A bij deze regeling.

D

Bijlage 11 wordt vervangen door de bijlage, opgenomen als bijlage B bij deze regeling.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen A en B, die zullen worden geplaatst op https://www.rvig.nl.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van Marum

BIJLAGE A, BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL C

BIJLAGE 1. LOGISCH ONTWERP BRP, VERSIE 2026.Q1

Bijlage bij artikel 3

Deze bijlage wordt bekendgemaakt op https://www.rvig.nl.

BIJLAGE B, BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL D

BIJLAGE 11. HET AUTORISATIEAANVRAAGFORMULIER EXPERIMENT DATAMINIMALISATIE

Bijlage bij artikel 20, tweede lid

Deze bijlage wordt bekendgemaakt op https://www.rvig.nl.

TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding

De onderhavige wijziging van de Regeling basisregistratie personen (hierna: Regeling BRP) heeft betrekking op de vaststelling van het Logisch Ontwerp BRP (hierna: LO BRP), versie 2026.Q1, en van een nieuwe versie van het autorisatieaanvraagformulier voor het experiment dataminimalisatie basisregistratie personen (hierna: BRP).

2. Inhoud

2.1 Wijziging Logisch Ontwerp BRP

In deze paragraaf wordt ingegaan op de wijzigingen in het LO BRP ten opzichte van de vorige versie (LO BRP, versie 2025.Q4). Het LO BRP bevat de systeembeschrijving van de BRP. De systeembeschrijving vormt de beschrijving van de voorzieningen waarmee de BRP wordt uitgevoerd. Door middel van de systeembeschrijving worden de gedetailleerde regels gesteld die noodzakelijk zijn om de voorzieningen en daarmee het gehele stelsel van de BRP te laten werken. Op grond van de Wet basisregistratie personen en het Besluit basisregistratie personen wordt deze systeembeschrijving bij ministeriële regeling vastgesteld. De systeembeschrijving wordt gevormd door de als zodanig gemarkeerde hoofdstukken en bijlagen, of onderdelen daarvan, van het LO BRP, dat als bijlage bij de Regeling BRP is gevoegd.

Met deze versie van het LO worden twee onderwerpen geregeld, waar hieronder apart op wordt ingegaan.

2.1.1 Verwijdering deprecated elementen BRP API

In de BRP API zijn twee elementen in een eerder stadium aangewezen als ‘deprecated’. Dit is een gebruikelijke wijze om in koppelvlakspecificaties aan gebruikers kenbaar te maken dat zij moeten zorgen dat hun systemen niet langer afhankelijk zijn van deze elementen, omdat die op enig moment niet langer verstrekt zullen worden. Het gaat om de elementen indicatieGezagMinderjarige en verblijfplaats.datumIngangGeldigheid. Met de eerdere introductie van het object gezag (met daarin alle gezagsrelaties van de bevraagde persoon) en verblijfplaats.datumVan zijn deze twee elementen overbodig geworden. Daarom worden de ‘deprecated’ elementen uit de BRP API verwijderd. Om de verwijdering uit de BRP API mogelijk te maken, moet ook de beschrijving van de BRP API in het LO BRP worden aangepast.

2.1.2 Centraal protocolleringsoverzicht via Mijn Overheid

Voor een overzicht van de verstrekkingen die van hun gegevens zijn gedaan aan afnemers moeten burgers zich op dit moment wenden tot de gemeente. Die vraagt bij de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) een zogenaamd protocolleringsoverzicht op uit de BRP-Verstrekkingsvoorziening en voegt dat samen met een overzicht van binnengemeentelijke verstrekkingen. Met deze wijziging wordt een koppelvlak ter beschikking gesteld waarmee Mijn Overheid het overzicht uit BRP-V direct kan opvragen en in de Berichtenbox van de burger kan laten plaatsen. Een burger kan zo direct via Mijn Overheid de verstrekkingen van hun gegevens aan afnemers opvragen en hoeft zich niet meer tot de gemeente te wenden. Hierdoor wordt het proces voor de burger gebruiksvriendelijker en minder tijdsomvattend; voor gemeenten geldt dat zij geen omslachtig proces meer hoeven te doorlopen. Het koppelvlak waarmee Mijn Overheid het overzicht uit de BRP-V kan opvragen en de ProtocolleringsOverzichtAanvraagModule erachter worden in deze LO-wijziging beschreven.

2.2 Autorisatieaanvraagformulier experiment dataminimalisatie

In deze paragraaf wordt ingegaan op de wijziging van het autorisatieaanvraagformulier experiment dataminimalisatie BRP.

Op 22 april 2024 is het Besluit experiment dataminimalisatie BRP in werking getreden.1 Daarmee is een juridische grondslag gerealiseerd voor het verstrekken van antwoorden op informatievragen uit de BRP in plaats van losse gegevens waaruit de gebruiker zelf informatie moet afleiden. Dit houdt in dat BRP-gegevens (zoals naam, geslacht, naamgebruik en gegevens over de partner) worden bewerkt tot direct bruikbare informatie (bijvoorbeeld aanschrijfnaam: «mevrouw Jansen – de Vries»). Om als BRP-gebruiker (overheidsorgaan of derde) binnen dit experiment een dergelijk informatieproduct te ontvangen, is een autorisatiebesluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) noodzakelijk. Het formulier waarmee de BRP-gebruiker in dit geval een verzoek tot autorisatie doet, is het autorisatieaanvraagformulier experiment dataminimalisatie. In dit formulier kan de gebruiker aangeven welke informatieproducten (zoals aanschrijfnaam) hij nodig heeft voor de uitvoering van zijn wettelijke taken. Dit autorisatieaanvraagformulier wordt op grond van artikel 38 van het Besluit BRP vastgesteld bij ministeriële regeling. Met de onderhavige regeling wordt dit autorisatieaanvraagformulier experiment dataminimalisatie (bijlage 11 bij de Regeling BRP) gewijzigd.

Met de nieuwe versie van het autorisatieaanvraagformulier worden vier onderwerpen aangepast, waar hieronder apart op wordt ingegaan.

2.2.1 Aanvulling op Datum Aanvang Adreshouding

In het autorisatieaanvraagformulier is een aanvullende toelichting opgenomen over het informatieproduct ‘Begindatum adreshouding (PA.VP.01)’.2 Dit informatieproduct wordt vaak al standaard meegeleverd indien de afnemer reeds geautoriseerd is voor de verstrekking van het gegeven ‘08.10.30 Datum aanvang adreshouding’ en/of het gegeven ‘08.13.20 Datum aanvang adres buitenland’. Ook in dat geval dient de aanvrager het informatieproduct ‘Begindatum adreshouding (PA.VP.01)’ bij zijn aanvraag nogmaals aan te vragen. Met de wijziging is dit expliciet in een aanvullende toelichting duidelijk gemaakt.

2.2.2 Functionaliteit zoekingangen

Momenteel dient een aanvrager aan te geven tot welke van de afzonderlijke zes zoekingangen de aanvrager nodig heeft voor zijn informatievraag. Daardoor is het mogelijk dat een aanvrager geen toegang aanvraagt in een zoekingang die hij wel nodig heeft voor zijn informatieproduct of dat de aanvrager toegang krijgt tot meer zoekingangen dan nodig is. Door deze wijziging krijgt de aanvrager, afhankelijk van het informatieproduct waarvoor hij een autorisatie heeft gevraagd, automatisch toegang tot alle zoekingangen binnen de zoekfunctionaliteit die de aanvrager voor het aangevraagd informatieproduct nodig heeft. Zo hoeft de aanvrager niet meer zelf te bepalen welke zoekingangen nodig zouden kunnen zijn.

2.2.3 Toevoegen aanvinkhokje credentials

Deze wijziging betreft het toevoegen van een aanvinkhokje voor het verlenen van toestemming om credentials (inloggegevens) aan de technisch contactpersoon van de leverancier te verstrekken in plaats van aan de BRP-contactpersoon.

De credentials voor een aansluiting op de BRP API wordt nu al direct naar de verwerker (leverancier) van de verwerkingsverantwoordelijke (afnemer) gestuurd op aangeven van de BRP-contactpersoon van de afnemer. Bij de credentials voor de webservice of de berichtendienst is dit nog niet het geval. De RvIG verstuurt deze momenteel naar de afnemer, die zelf moet zorgen dat de credentials in het bezit komen van de leverancier als dit nodig is.

De laatste methode is omslachtig als RvIG veel credentials in een keer moet uitgeven, zoals bij de overgang naar de berichten-API. Ook bestaat de kans dat de gegevens ergens in de organisatie van de afnemer gaan zwerven in plaats van dat ze meteen op de juiste plek bij de leverancier terecht komen. Het rechtstreeks toesturen van de credentials aan de leverancier op aangeven van de contactpersoon zelf wordt hierbij formeel vastgelegd in het autorisatieformulier. Daarom is in het autorisatieformulier een vinkje opgenomen zodat de ondertekenaar ook kan aangeven dat de organisatie een verwerker/leverancier heeft die direct de credentials mag ontvangen.

2.2.4 Verwijderen Type Nationaliteit en Type verblijfsplaats

Met de wijziging worden de informatierubrieken Type Nationaliteit en Type verblijfsplaats van het autorisatieaanvraagformulier verwijderd. Deze informatierubrieken worden nooit los verstrekt, omdat ze worden afgeleid uit andere informatierubrieken (en minder nauwkeurige informatie bevatten dan de informatierubrieken waaruit ze worden afgeleid).3 De informatieproducten Type Nationaliteit en Type verblijfplaats worden op die manier alleen impliciet meeverstrekt bij een autorisatie van de informatierubrieken waaruit ze afgeleid zijn. Omdat de informatierubrieken alleen worden meeverstrekt, wordt er voor deze informatierubrieken niet expliciet geautoriseerd in de autorisatietabel. Aangezien er niet expliciet in de autorisatietabel wordt geautoriseerd, is het tevens niet noodzakelijk deze informatierubrieken op het autorisatieaanvraagformulier te noemen.

2.3 Indexering tarieven Regeling BRP

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is op grond van artikel 4.7, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens in het centraal archief van overledenen. Het centraal archief van overledenen bestaat uit de persoonskaarten, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van het tot 1 oktober 1994 van kracht zijnde Besluit bevolkingsboekhouding. Het gaat daarbij om personen die zijn overledenen voor de komst van de digitale BRP (GBA) in 1994. Het feitelijk beheer van het centraal archief wordt namens de Minister van BZK op grond van de overeenkomst van 24 maart 1995 uitgevoerd door het bestuur van de Stichting Centraal Bureau voor Genealogie (CBG). Burgers die bijvoorbeeld stamboomonderzoek doen, kunnen de persoonskaarten opvragen bij het CBG.

Op grond van artikel 4.8 van de Wet BRP en artikel 49 van het Besluit basisregistratie personen (Besluit BRP) stelt de Minister van BZK regels omtrent heffingen in verband met de verstrekking van gegevens uit het centraal archief van overledenen. De bedragen van de vergoedingen voor een niet-systematische verstrekking van gegevens uit het centraal archief van overledenen zijn opgenomen in artikel 33 van de Regeling BRP. Met de onderhavige wijziging van artikel 33 van de Regeling BRP worden de betreffende bedragen aangepast per 1 januari 2026, opdat deze in lijn blijven met de werkelijke kosten van de geleverde diensten van het CBG.

De jaarlijkse indexering van de vergoedingen per 1 januari vindt plaats aan de hand van de voor het komende jaar ingeschatte kostenontwikkeling, waarbij wordt uitgegaan van de mutatie van het consumentenprijsindexcijfer (CPI), zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek over de maand juni van het lopende jaar (in casu 2025) in vergelijking met de maand juni van het voorgaande jaar (in casu 2024). De aldus berekende factor wordt toegepast op de niet afgeronde bedragen van de geïndexeerde vergoedingen, zoals die eerder zijn berekend. Daarmee wordt een opeenstapeling van afrondingen voorkomen. Het geïndexeerde bedrag dat in de regeling is opgenomen is vervolgens afgerond op 5 eurocent.

De tot het moment van inwerkingtreding van deze regeling in de Regeling BRP opgenomen vergoeding voor een verstrekking uit het centraal archief van overledenen, bedroeg ten hoogste € 4,50 per persoon op wie het verzoek betrekking had. De factor waarmee het CPI voor de maand juni van het jaar 2025 is gestegen ten opzichte van de maand juni van het jaar 2024, is vastgesteld op 1,03117542914325. Deze factor wordt toegepast op het bovengenoemde bedrag. Het bedrag is gemaximeerd, zodat het CBG ook een lagere vergoeding in rekening kan brengen indien de werkelijke kosten van de geleverde diensten lager liggen dan dit maximumbedrag.

3. Privacyaspecten, regeldrukgevolgen en uitvoeringslasten

De wijzigingen in het LO BRP en het autorisatieaanvraagformulier hebben geen (negatieve) gevolgen voor de regeldruk of de privacy. De uitvoeringslasten voor de wijzingen in het LO BRP zijn in geval van de verwijdering van de ‘deprecated’ elementen nihil; afnemers moeten zorgen dat zij geen gebruik meer maken van deze elementen, maar hebben door de eerdere aanduiding als ‘deprecated’ ruim de tijd gehad om zich aan te passen. Het centrale protocolleringsoverzicht via Mijn Overheid zorgt juist voor een verlaging in uitvoeringslasten voor gemeenten, doordat zij de overzichten niet meer handmatig op te vragen en te combineren met de gemeentelijke verstrekkingen. Bovendien leidt het tot een afname van de regeldruk voor burgers doordat zijn gemakkelijker hun protocolleringsoverzicht kunnen aanvragen via MijnOverheid, in plaats van dat zij zich tot de gemeente moeten wenden. De aanpassingen aan het autorisatieaanvraagformulier hebben geen negatieve effecten op de uitvoeringslasten. Het toevoegen van een aanvinkhokje voor de credentials heeft een positief effect op de uitvoeringslasten en regeldruk. Voor deze wijziging moest de afnemer zelf zorg dragen dat de credentials bij de leverancier terecht kwamen, door de wijziging kan hij één keer aanvinken dat hij toestemming geeft en hoeft de afnemer er verder geen zorg meer voor te dragen.

4. Consultatie en advies

Van internetconsultatie is afgezien, gelet op de technische aard van de wijzigingen en de doelgroep (overheidsorganisaties die betrokken zijn bij het bijhouden van de BRP of daarvan gebruikmaken) waarvoor deze in overwegende mate relevantie hebben. Deze doelgroep is geconsulteerd via het Gebruikersoverleg BRP.4 Voor de leden van het Gebruikersoverleg gaf de ontwerpregeling geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Tevens is de ontwerpregeling voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (hierna: ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Onderdeel A en C

Dit artikel ziet op de vaststelling van het LO BRP, versie 2026.Q1. Onderdeel A betreft wijziging van de artikelen 2 en 3 van de Regeling BRP. Onderdeel C betreft de wijziging van bijlage 1 bij de Regeling BRP. De wijzigingen zijn toegelicht in paragraaf 2.1.

Onderdeel B

Onderdeel B ziet op aanpassing van vergoedingen die moeten worden betaald voor verstrekkingen van gegevens uit het centraal archief van overledenen. Deze indexering is toegelicht in paragraaf 2.3.

Onderdeel D

Onderdeel D betreft de vaststelling van de nieuwe versie van het autorisatieaanvraagformulier onder het experiment dataminimalisatie in bijlage 11 bij de Regeling BRP. De wijzigingen zijn toegelicht in paragraaf 2.2.

Artikel II

Dit artikel bepaalt in overeenstemming met het stelsel van de vaste verandermomenten dat de onderhavige regeling in werking treedt op 1 januari 2026. Wel is afgeweken van de in relatie tot overheidsorganisaties gebruikelijke termijn van drie maanden tussen bekendmaking en inwerkingtreding van de regeling. Dat is in dit geval niet bezwaarlijk, omdat deze regeling enkel gevolgen heeft voor overheidsorganisaties die betrokken zijn bij de bijhouding van de BRP of daarvan gebruikmaken en geen verandering brengt in rechten of plichten van bedrijven. Voor burgers zijn de gevolgen van deze wijziging alleen positief, doordat het opvragen van de eigen gegevens minder tijd kost en gebruiksvriendelijker wordt. Daarnaast zijn de betrokken partijen die toegang hebben tot de BRP door middel van het LO uitgebreid betrokken door RvIG in de wijzigingen waardoor zij hier ook op voorbereid zijn.

Bijlagen A en B

Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet vindt de bekendmaking van het LO BRP, versie 2026.Q1 (bijlage A) en het autorisatieaanvraagformulier (bijlage B) plaats op de website van RvIG.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van Marum


X Noot
1

Stb. 2024, 96.

X Noot
2

Informatieproduct ‘Begindatum adreshouding (PA.VP.01)’ geeft aan per welke datum een burger is ingeschreven op een adresseerbaar object (zoals een woning). Het informatieproduct ‘Begindatum adreshouding (PA.VP.01)’ is voornamelijk relevant bij het bepalen wie op een bepaald moment bewoner was van een bepaald adresseerbaar object.

X Noot
3

Type Nationaliteit wordt afgeleid uit 04.05.10 Nationaliteit en 04.65.10 Aanduiding bijzonder Nederlanderschap. Type verblijfplaats wordt afgeleid uit 08.11.10 Straatnaam, 08.12.10 Locatiebeschrijving en 08.13.10 Land adres buitenland.

X Noot
4

Het overleg, bedoeld in artikel 1.15, eerste lid, van de Wet BRP, van de Minister van BZK met representatieve vertegenwoordigingen van de gemeenten, van de aangewezen bestuursorganen en van de overheidsorganen en derden aan wie op grond van artikel 3.2, 3.3 of 3.13 van de Wet BRP gegevens uit de BRP worden verstrekt.

Naar boven