Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2026–2028

FONDS VOOR CULTUURPARTICIPATIE

Het bestuur van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie,

gelet op artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;

gelet op artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;

gelet op het Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie;

met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023;

besluit:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Gebruikte begrippen

In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt.

a. Adviescommissie:

een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie.

b. Amateurkunst:

het maken van kunst door individuele personen of groepen op een niet-professioneel niveau. Het betreft hier per definitie geen cultuureducatie of co-creatie.

c. Amateur:

een niet-professional. Een amateur is een persoon die kunst maakt in de vrije tijd of zonder noemenswaardige directe inkomsten.

d. Amateurkunstgroepen:

groepen amateurs in de vorm van formele verenigingen en stichtingen óf groepen en verbanden die zich op een informele manier, bijvoorbeeld op projectbasis, hebben verenigd.

e. Amateurkunstkoepel:

in deze regeling, specifiek paragraaf 2.2, worden de volgende negen instellingen als amateurkunstkoepel aangemerkt: Circuspunt, Danslink, Federatie van Folkloristische Groepen in Nederland, Fotobond, Koninklijke Nederlandse Muziek Organisatie, Koornetwerk Nederland, Landelijke Organisatie Studenten Theaterverenigingen + Stichting Visie Amateurtheater, Nederlandse Organisatie van Audiovisuele Amateurs, Stichting Textiel Informatie en Documentatie Centrum.

f. Culturele Codes:

Code Diversiteit & Inclusie, Fair Practice Code, Governance Code Cultuur.

g. Caribisch deel van het Koninkrijk:

de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

h. Culturele instelling:

een rechtspersoon die zich inzet binnen de cultuursector en ook zo staat ingeschreven bij de desbetreffende Kamer van Koophandel.

i. (Cultureel) professional:

een natuurlijk persoon die zich inzet binnen de cultuursector en die (1) ten minste een parttime aanstelling bij een organisatie heeft, (2) vakbekwaam is door afgestudeerd te zijn aan een erkende opleiding, (3) als zelfstandige minimaal drie jaar als ondernemer ingeschreven staat bij de Belastingdienst en Kamer van Koophandel, of een vergelijkbare organisatie en/of (4) financiering ontvangt van op professionals gerichte instanties zoals rijkscultuurfondsen.

j. Cultuur:

het dynamische geheel van onder andere normen, waarden, tradities, regels, kunst, erfgoed en identiteiten van een volk, gemeenschap of groep. Cultuur ontstaat door sociale processen.

k. Cultuurbeoefening:

het actief beoefenen van of betrokken zijn bij het maken van cultuur in de vrije tijd, door cultuureducatie, co-creatie of amateurkunst.

l. Algemeen Subsidiereglement:

Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie 2021.

m. Effect:

Het (on)verwachte en (on)zichtbare resultaat van bepaalde activiteiten, processen of programma's. Bij voorkeur is het effect meetbaar om zo te kunnen nagaan of en hoe er wordt bijgedragen aan het behalen van bepaalde doelen van de aanvrager of van de regeling van het Fonds;

n. Europees deel van Nederland:

Nederland, zonder het Caribisch deel van het Koninkrijk.

o. Fonds:

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie.

p. Koninkrijk der Nederlanden:

Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

q. Kunst:

menselijke uitingen in allerlei vormen en maten, wel of niet tastbaar, maar altijd passend binnen een kunstdiscipline. Elke discipline heeft zijn eigen technieken tradities, kenmerken en kwaliteitseisen. Voorbeelden van disciplines zijn: film, podiumkunsten, beeldende kunsten, letteren, vormgeving, architectuur en digitale cultuur.

r. LKCA:

Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst.

s. Penvoerder:

een culturele instelling die voor zichzelf, en in samenwerking met andere (culturele) partners, een subsidieaanvraag indient. Als penvoerder is deze culturele instelling de projectleider en intermediair van het project.

t. Provinciale steuninstellingen:

organisaties die een provinciale opdracht hebben voor cultuureducatie en/of amateurkunsten.

u. Project:

tijdelijke en doelgerichte activiteiten die de aanvrager onderneemt om een of meerdere specifieke effecten te bereiken. Projecten worden gekenmerkt door een begin- en einddatum, een duidelijk omschreven doel, en activiteiten, instrumenten en processen die moeten worden ingezet om het doel te behalen.

v. Website van het Fonds:

www.cultuurparticipatie.nl.

Artikel 1.2 Doel van de regeling

Met deze regeling stimuleert het Fonds het ontwikkelen en uitvoeren van projecten die bijdragen aan inhoudelijke versterking van amateurkunstbeoefening, duurzame versterking van de ondersteuningsstructuur voor het amateurkunstenveld en/of de versterking van de landelijke disciplineondersteuning.

Artikel 1.3 Subsidieplafond en flexibiliteit

  • 1. De subsidieplafonds staan vermeld in hoofdstuk 2. Het Fonds kan besluiten de subsidieplafonds te wijzigen. Deze wijzigingen kunnen ook op specifieke categorieën van projecten zijn of gelden voor bepaalde tijdvakken, thema’s, doelgroepen en regio’s.

  • 2. Ook kan het Fonds besluiten om de subsidiehoogte en het tijdvak waarbinnen kan worden aangevraagd, aan te passen.

  • 3. Een besluit op grond van het eerste of tweede lid wordt gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van het Fonds.

Artikel 1.4 Algemene weigeringsgronden

  • 1. Het Fonds weigert subsidie als:

    • a. voor dezelfde projecten al subsidie is of zal worden verleend:

      • 1. door het Fonds;

      • 2. door een van de andere rijkscultuurfondsen;

      • 3. op grond van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of

      • 4. op grond van de Erfgoedwet.

    • b. het project waarvoor subsidie wordt gevraagd, op het moment van de aanvraag al wordt uitgevoerd;

    • c. de aanvraag wordt ingediend door een uitgeverij of omroeporganisatie;

    • d. de aanvraag wordt ingediend namens een overheidslichaam of semi-overheidslichaam;

    • e. de aanvrager al een projectaanvraag heeft gedaan in dezelfde indientermijn vermeld in de betreffende paragraaf;

    • f. de aanvrager failliet is verklaard of redelijkerwijs te verwachten is dat dit binnenkort gebeurt;

    • g. de aanvraag onvoldoende aansluit bij het doel van de regeling of de doelstellingen van het Fonds; of

    • h. de aanvrager een rechtspersoon is die niet voldoet aan de verplichtingen met betrekking tot de culturele codes zoals bedoeld in artikel 1.6, zesde lid.

  • 2. Het Fonds weigert subsidie aan derden als die in opdracht werken van natuurlijke personen of rechtspersonen die niet aanmerking komen voor subsidie.

  • 3. Het Fonds kan subsidie weigeren als aanvragers, voorafgaand aan de aanvraag, subsidie van het Fonds hebben ontvangen en toen niet, of niet helemaal, hebben voldaan aan de subsidieverplichtingen.

  • 4. Het Fonds kan weigeren subsidie te verstrekken als de aanvraag op enige wijze niet in overeenstemming is met de regeling.

Artikel 1.5 Voorwaarden

  • 1. Alleen kosten die direct verband houden met de projecten komen in aanmerking voor subsidiëring.

  • 2. Het Fonds verstrekt alleen subsidie als de aanvrager:

    • a. aantoont dat er een begrotingstekort is, en dat ondersteuning van het Fonds nodig is voor een sluitende begroting;

    • b. de mogelijkheid van andere inkomsten dan de gevraagde subsidie onderzoekt, rekening houdend met de aard van het project; en

    • c. aannemelijk maakt dat de financiële middelen, samen met de subsidie van het Fonds, voldoende zijn om het project uit te voeren.

  • 3. Aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen de benodigde kosten voor het omwisselen van valuta voor het uitvoeren van het project opnemen in de subsidieaanvraag.

Artikel 1.6 Verplichtingen

  • 1. Met deelname aan deze regeling geeft de aanvrager toestemming aan het Fonds om gegevens uit de aanvraag en de eventuele verantwoording in te zetten voor kennisdeling en onderzoeksdoeleinden. Als het ten dienste staat aan het behalen van de doelstelling van de regeling, kan het Fonds de aanvrager verplichten tot deelname aan een bijeenkomst of begeleidingstraject.

  • 2. Het project:

    • a. start niet eerder dan dertien weken na het indienen van de aanvraag;

    • b. heeft een looptijd van maximaal dertig maanden in paragraaf 2.2 en paragraaf 2.3 en achttien maanden in paragraaf 2.4;

    • c. start na het honoreren van de aanvraag binnen negen maanden in paragraaf 2.2 en 2.3 en binnen zes maanden in paragraaf 2.4;

    Het Fonds kan bij beschikking van deze termijnen afwijken.

  • 3. De begroting:

    • a. bevat geen post voor onvoorziene kosten;

    • b. bevat maximaal 10% aan materiële investeringen.

  • 4. De aanvrager is gevestigd in het Koninkrijk der Nederlanden en beschikt over een bankrekening in een van de landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden of de Europese Unie.

  • 5. De aanvrager voldoet aan de culturele codes zoals is bepaald in de toelichting van deze regeling.

  • 6. Het Fonds moedigt aanvragers aan om een nulmeting met betrekking tot de eigen ecologische voetafdruk te doen.

  • 7. De activiteiten van de aanvrager zijn toegankelijk voor mensen met speciale behoeften. Daaronder vallen in ieder geval mensen met een beperkte mobiliteit.

Artikel 1.7 Verplichtingen voor het indienen

  • 1. Aanvragen worden ingediend via een volledig ingevuld digitaal aanvraagformulier in de online aanvraagomgeving Mijn Fonds, via de website van het Fonds.

  • 2. Aanvragen worden in ieder geval voorzien van:

    • a. een projectplan over de gehele looptijd van het project;

    • b. een sluitende begroting. De begroting mag geen tekort of overschot bevatten;

    • c. een samenwerkingsovereenkomst indien de aanvraag wordt gedaan door een samenwerkingsverband. Gebruik van het model samenwerkingsovereenkomst van het Fonds is verplicht.

  • 3. Het projectplan bevat maximaal 5.000 woorden.

Artikel 1.8 Beoordeling van aanvragen

  • 1. Het Fonds beoordeelt de aanvragen overeenkomstig de regeling.

  • 2. De aanvragen worden op volgorde van ontvangst beoordeeld.

  • 3. Als de aanvraag compleet is, neemt het Fonds deze in behandeling en neemt het een beslissing over de aanvraag.

  • 4. Als een onvolledige aanvraag wordt aangevuld, dan geldt de datum dat het Fonds de aanvulling ontvangt als moment van het indienen van de aanvraag.

  • 5. Aanvragen die voldoen aan de eisen van de regeling, worden voor advies aan een interne adviescommissie voorgelegd in paragraaf 2.2 en paragraaf 2.3 en aan een externe adviescommissie in paragraaf 2.4.

  • 6. Aanvragen die niet voldoen aan de regeling kunnen worden afgewezen zonder de adviescommissie om advies te vragen.

  • 7. De aanvraag moet op alle beoordelingscriteria een voldoende scoren om voor subsidieverstrekking in aanmerking te komen, behalve als anders in deze regeling is bepaald.

  • 8. Op de aanvraag wordt binnen uiterlijk dertien weken beslist.

Artikel 1.9 Voorschotten

  • 1. Voor subsidie vanaf € 25.000 betaalt het Fonds een voorschot van 90%. Dit doet het Fonds zo spoedig mogelijk na het verzenden van het subsidieverleningsbesluit.

  • 2. Als de verleende subsidie hoger is dan € 125.000 betaalt het Fonds een voorschot van 50% bij het verlenen van de subsidie. Gedurende de looptijd van het project betaalt het Fonds op een in de beschikking te bepalen termijn een voorschot van 40%.

  • 3. Als bij de vaststelling is gebleken dat het project in overeenstemming met de aanvraag is uitgevoerd en de begrote kosten zijn gemaakt, wordt de resterende 10% betaald. Dit doet het Fonds zo spoedig mogelijk na het verzenden van het vaststellingsbesluit.

  • 4. Het Fonds kan de bevoorschotting, al dan niet tijdelijk, stoppen als aanvragers hun subsidieverplichtingen onvoldoende nakomen. Dat kan het Fonds ook doen wanneer de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat het aannemelijk is dat de activiteiten of projecten niet op dezelfde manier kunnen worden voortgezet.

Artikel 1.10 Verantwoording en vaststelling

  • 1. Subsidieontvangers die achteraf verantwoording dienen af te leggen over de activiteiten of projecten, doen dit door middel van een activiteitenverslag en een financieel verslag.

  • 2. Afhankelijk van de hoogte van de subsidie voldoet de verslaglegging aan de eisen van de artikelen 26 of 27 van het Algemeen Subsidiereglement.

HOOFDSTUK 2 VERSTERKING LANDELIJKE INFRASTRUCTUUR AMATEURKUNST

Op grond van dit hoofdstuk kan subsidie worden aangevraagd voor projecten die de (landelijke) infrastructuur van amateurkunsten inhoudelijk versterken. Dit hoofdstuk heeft vier paragrafen, waarin de artikelen verbijzonderde bepalingen zijn ten aanzien van de artikelen in hoofdstuk 1. Bij meerdere artikelen is in de toelichting een aanvullende uitleg gegeven.

Paragraaf 2.1 heeft artikelen die van toepassing zijn op alle subsidieaanvragen. In paragraaf 2.2 kan worden aangevraagd voor versterking van disciplinegerichte ondersteuning door landelijke amateurkunstkoepels, in paragraaf 2.3 voor versterking van de infrastructuur voor amateurkunst door provinciale steuninstellingen en in paragraaf 2.4 voor versterking van de infrastructuur voor amateurkunst door culturele instellingen.

Paragraaf 2.1 Algemeen

Artikel 2.1.1 Doel en effecten

Met de bepalingen in dit hoofdstuk stimuleert het Fonds projecten die gericht zijn op het bereiken van minimaal één van de volgende effecten:

  • a. Relevantie;

  • b. Nabijheid;

  • c. Toegankelijkheid.

Artikel 2.1.2 Indieningstermijnen
  • 1. Aanvragen op grond van de paragrafen 2.2 en 2.3 van dit hoofdstuk kunnen worden ingediend vanaf 2 februari 2026 13:00 uur tot en met 1 april 2026 17:00 uur. De tijdsaanduiding is de tijd die geldt in het Europees deel van Nederland.

  • 2. Aanvragen op grond van paragraaf 2.4 van dit hoofdstuk kunnen worden ingediend vanaf:

    • a. 7 september 2026 13:00 uur tot en met 23 september 2026 17:00 uur;

    • b. 4 oktober 2027 13:00 uur tot en met 27 oktober 2027 17:00 uur.

    De tijdsaanduiding is de tijd die geldt in het Europees deel van Nederland.

Artikel 2.1.3 Verplichtingen
  • 1. In de projecten wordt gewerkt aan minimaal een van de vijf inhoudelijke kernambities uit de Actieagenda voor Amateurkunstondersteuning 2024.

  • 2. Gehonoreerde projecten nemen deel aan het Kennistraject amateurkunstondersteuning van LKCA.

Artikel 2.1.4 Beoordelingscriteria

Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria, waarvan in de toelichting is beschreven hoe die toetsing plaatsvindt:

  • a. inhoudelijke kwaliteit;

  • b. organisatorische kwaliteit.

Paragraaf 2.2 Amateurkunstkoepels

Op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend subsidie verstrekt aan amateurkunstkoepels.

Artikel 2.2.1 Wie kan aanvragen?
  • 1. Subsidie kan worden aangevraagd door een amateurkunstkoepel, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 onder e.

  • 2. Amateurkunstkoepels kunnen gezamenlijk een aanvraag indienen waarbij de in artikel 2.2.3 lid 1 opgenomen maximale bedragen kunnen worden opgeteld.

Artikel 2.2.2 Waarvoor kan worden aangevraagd?

Subsidie kan worden aangevraagd voor projecten met activiteiten die bijdragen aan de versterking en ontwikkeling van de landelijke infrastructuur van disciplinegerichte amateurkunstondersteuning.

Artikel 2.2.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie:

  • a. is per aanvrager gemaximeerd volgens de in bijlage 1 opgenomen verdeling;

  • b. bedraagt maximaal 100% van de totale projectkosten.

Artikel 2.2.4 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor deze paragraaf bedraagt € 1.800.000.

Paragraaf 2.3 Provinciale steuninstellingen

Op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend subsidie verstrekt aan organisaties die een provinciale opdracht hebben voor cultuureducatie en/of amateurkunsten.

Artikel 2.3.1 Wie kan aanvragen?
  • 1. Subsidie kan worden aangevraagd door een provinciale steuninstelling, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 onder t.

  • 2. De provinciale steuninstelling toont aan dat zij een cofinanciering voor het project ontvangt van de provincie, die minimaal gelijk is aan het bij het Fonds aangevraagde bedrag.

  • 3. Provinciale steuninstellingen kunnen gezamenlijk een aanvraag indienen waarbij de in artikel 2.3.4 lid 1 opgenomen maximale bedragen kunnen worden opgeteld.

  • 4. Voor de samenwerking zoals vermeld in artikel 2.3.2 lid 2 wordt een samenwerkingsovereenkomst opgesteld en ondertekend door alle betrokken partijen.

Artikel 2.3.2 Waarvoor kan worden aangevraagd?
  • 1. Subsidie kan worden aangevraagd voor projecten die bijdragen aan het versterken van de infrastructuur van amateurkunstondersteuning door provinciale steuninstellingen als wezenlijk onderdeel van de keten.

  • 2. De aanvrager werkt samen met minimaal één andere culturele instelling, die werkzaam is in de amateurkunst.

  • 3. In het project is minimaal één amateurkunstgroep, verzameling groepen (bijv. een lokale federatie of een stedelijk platform) of collectief van (cultureel) professionals werkzaam in de amateurkunstensector actief betrokken.

Artikel 2.3.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie van het Fonds:

  • a. is per aanvrager gemaximeerd volgens de in bijlage 2 opgenomen verdeling;

  • b. bedraagt maximaal 50% van de totale projectkosten.

Artikel 2.3.4 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor deze paragraaf bedraagt € 3.300.000.

Paragraaf 2.4 Culturele instellingen

Op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend subsidie verstrekt aan culturele instellingen.

Artikel 2.4.1 Wie kan aanvragen?
  • 1. Subsidie kan worden aangevraagd door een culturele instelling.

  • 2. Voor de projectaanvraag is één rechtspersoon penvoerder. Deze ondertekent de aanvraag en is contactpersoon voor het Fonds.

  • 3. Voor de samenwerking wordt een samenwerkingsovereenkomst opgesteld en ondertekend door minimaal de culturele instellingen die werkzaam zijn in de amateurkunst.

Artikel 2.4.2 Waarvoor kan worden aangevraagd
  • 1. Subsidie kan worden aangevraagd voor projecten ter versterking van werkwijzen en ontwikkelingen die op dit moment actueel en relevant zijn voor de ontwikkeling van de amateurkunstsector.

  • 2. De aanvrager werkt samen met minimaal één andere culturele instelling die werkzaam is de amateurkunst en met minimaal één amateurkunstgroep, verzameling groepen (bijv. een lokale federatie of een stedelijk platform) of collectief van (cultureel) professionals werkzaam in de amateurkunstensector.

Artikel 2.4.3 Hoogte van de subsidie
  • 1. Voor een project in paragraaf 2.4 kan minimaal € 50.000 en maximaal € 125.000 worden aangevraagd;

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal 100% van de totale projectkosten.

Artikel 2.4.4 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor deze paragraaf bedraagt in totaal € 2.216.720 waarvan € 1.200.000 voor de indieningstermijn van artikel 2.1.2, lid 2, sub a en € 1.016.720 voor de indieningstermijn van artikel 2.1.2, lid 2, sub b.

Artikel 2.4.5 Verplichting

Projectaanvragen dienen kenbaar te zijn bij minimaal één van de provinciale steuninstellingen van de provincie waar de projectactiviteiten plaatsvinden.

Artikel 2.4.6 Specifieke weigeringsgronden
  • 1. In aanvulling op artikel 1.4, eerste lid, aanhef en onder b, wordt subsidie geweigerd als de startdatum van het project waarvoor subsidie wordt gevraagd, eerder is dan de einddatum van een eerder project/gehonoreerde aanvraag van de penvoerder in de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2025 of in paragraaf 2.4 van deze regeling;

  • 2. In deze paragraaf kunnen amateurkunstkoepels en provinciale steuninstellingen maximaal in drie projecten – en alleen als samenwerkingspartner – participeren;

  • 3. Per provincie worden in beginsel maximaal drie aanvragers per indieningstermijn gehonoreerd, tenzij het subsidieplafond bij het sluiten ervan niet is bereikt.

HOOFDSTUK 3 SLOTBEPALINGEN

Artikel 3.1 Hardheidsclausule

Het Fonds kan afwijken van de rechten en plichten in deze regeling. Dat gebeurt alleen in het voordeel van de aanvrager en in bijzondere gevallen waarop deze regeling een onredelijke uitwerking heeft waarmee geen rekening is gehouden bij het opstellen van de regeling.

Artikel 3.2 Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2034. Deze regeling blijft van toepassing op subsidies die op grond van deze regeling zijn verstrekt en op bezwaar- en beroepsprocedures die op dat moment nog niet zijn afgerond.

Artikel 3.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als:

Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2026–2028.

Namens het bestuur van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie, G. Mesters, directeur-bestuurder

BIJLAGE 1

Artikel 2.2.3 lid 1

Maximaal aan te vragen bedragen door de Amateurkunstenkoepels in Hoofdstuk 2, paragraaf 2: Amateurkunstkoepels

 

Amateurkunstkoepel

%

Bedrag

1

Koornetwerk

26,25

€ 472.500

2

KNMO

26,25

€ 472.500

3

STIDOC

7,5

€ 135.000

4

NOVA

7,5

€ 135.000

5

Fotobond

7,5

€ 135.000

6

Circuspunt

7,5

€ 135.000

7

Danslink

7,5

€ 135.000

8

LOST + VAT1

7,5

€ 135.000

9

FFGN

2,5

€ 45.000

   

100

€ 1.800.000

X Noot
1

op voorwaarde dat LOST aanvraagt samen met VAT. Als LOST alleen aanvraagt dan is het maximum € 45.000 (2,5%)

BIJLAGE 2

Artikel 2.3.4 lid 1

Maximaal aan te vragen bedragen per provinciale steuninstelling in Hoofdstuk 2, paragraaf 3: Provinciale steuninstellingen. De verdeling is proportioneel over de provincies volgens een gemiddelde van het % aantal inwoners per 1 januari 2025 en het % aantal amateurkunst-verenigingen (bekend bij KvK) in Nederland per 1 januari 2024.

 

Provinciale steuninstelling, Provincie

% ver

% inw

% gem

Bedrag

1

Vrijdag, Groningen

4,38

3,34

3,86

€ 127.500

2

Keunstwurk, Friesland

6,61

3,68

5,15

€ 170.000

3

Kunst & Cultuur, Drenthe

3,92

2,81

3,36

€ 111.000

4

Rijnbrink, Overijssel

8,99

6,63

7,81

€ 257.500

5

Kubus, Flevoland

1,47

2,53

2,00

€ 66.000

6

Cultuur Oost, Gelderland

14,34

11,98

13,16

€ 434.000

7

ZIMIHC, Utrecht

6,42

7,81

7,12

€ 235.000

8

Plein C, Noord-Holland

12,45

16,59

14,52

€ 479.000

9

Kunstgebouw, Zuid-Holland

12,77

21,41

17,09

€ 564.000

10

Kunstloc Brabant, Noord-Brabant

16,54

14,76

15,65

€ 516.500

11

Huis voor de Kunsten Limburg, Limburg

9,33

6,29

7,81

€ 258.000

12

Cultuurkwadraat, Zeeland

2,77

2,18

2,48

€ 81.500

         

€ 3.300.000

Percentages in de presentatietabel zijn afgerond op twee decimalen, bedragen zijn afgrond per € 500.

TOELICHTING

Inleiding

In 2023–2024 heeft het Fonds de subsidieregeling pilot Nationaal Akkoord Amateurkunst uitgevoerd, als gevolg op de meerjarenbrief van dd. 22 november 2022. Daarin gaf voormalig staatsecretaris Uslu van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) aan structureel te willen investeren in de sectorontwikkeling en vernieuwing van amateurkunst. Van de beschikbare subsidie werd in pilotprojecten onderzocht hoe amateurkunst optimaal ondersteund kan worden. Als onderdeel van het traject namen de pilots deel aan het Nationaal Ontwikkeltraject Amateurkunst (NOA) van het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA). Hierin brachten de organisaties elkaar verder en werden werkwijzen en (leer)opbrengsten overdraagbaar gemaakt.

Voor de beleidsperiode 2025–2028 heeft OCW het Fonds opdracht gegeven nieuwe subsidieregelingen te maken voor projecten die de landelijke infrastructuur van amateurkunsten zowel disciplinegericht als inhoudelijk versterken. Dat resulteerde in de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2025. De gehonoreerde projecten dragen bij aan de ontwikkeling en vernieuwing van de infrastructuur en er wordt – wederom – deelgenomen aan een kennistraject amateurkunstondersteuning van LKCA. Die regeling gold als opmaat voor deze regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2026–2028. Hiermee maakt OCW meerjarige ondersteuning mogelijk voor versterking en ontwikkeling van de landelijke infrastructuur voor de amateurkunsten.

De regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2026–2028 is bedoeld voor landelijke sector- en disciplineontwikkeling en het verbeteren van samenwerking en samenhang tussen overheidslagen en bestaande ondersteuners. Het doel is een meer duurzame infrastructuur en meer samenhang in de aanpak en het aanbod van de aanvragers, waarmee wordt bijgedragen aan herstel en revitalisering van de sector amateurkunsten. Het overeind houden van koepels of verenigingen is geen doel op zich.

In de versterking van de landelijke infrastructuur is een belangrijke rol weggelegd voor provinciale steuninstellingen, zoals ook in het rapport Revitalisering van de amateurkunst (BMC 2021) werd geconstateerd. Daarom stellen we via deze regeling ook middelen voor provinciale steuninstellingen beschikbaar. De amateurkunstkoepels hebben een taak in het landelijk discipline- en interdisciplinair-gericht ontwikkelen en uitvoeren van ondersteuningsaanbod en professionalisering. We vragen hen om in de projecten een goede balans te vinden tussen versterking van hun organisatie en ontwikkeling van aanbod. Provinciale en lokale cultuurinstellingen vragen we hun projectactiviteiten uit te voeren in samenwerkingsverbanden. Tot slot vragen we aan amateurkunstkoepels en steuninstellingen om hun rollen en aanbod op elkaar af te stemmen in lijn met de rolbeschrijving in de Actieagenda Amateurkunstondersteuning (LKCA 2024). In de projectaanvragen van zowel de amateurkunstkoepels als de steuninstellingen verwachten we dat een perspectief over meerdere jaren is uitgewerkt.

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Deze regeling is gebaseerd op artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, en het Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie. Bovengenoemde wettelijke regelingen zijn van toepassing op deze regeling en op de besluiten die op grond van deze regeling worden genomen, behalve wanneer uitdrukkelijk wordt afgeweken van bovengenoemde regelingen.

Hoofdstuk 1 omvat een algemeen kader voor het aanvragen en verstrekken van subsidie op grond van deze regeling. Van de bepalingen van hoofdstuk 1 kan in hoofdstuk 2 worden afgeweken. Dat is alleen het geval als dit uitdrukkelijk zo is bepaald.

Artikelsgewijs

Artikel 1.1 Begrippen
Onder d

Amateurkunstgroepen kunnen ook cultuurbeoefenaars zijn die nog niet verenigd zijn, maar dat in het project wel gaan doen. Bijvoorbeeld in een programmatische aanpak van een open studio, powerlab of een andere hub, gerund door (cultureel) professionals.

Onder e

Negen amateurkunstkoepels hebben corona- en herstelsteun ontvangen en zijn – net als in de voorgaande regelingen pilots Nationaal Akkoord Amateurkunst en Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2025 – gedefinieerd als amateurkunstkoepel. Daarmee worden zij in de gelegenheid gesteld zich te richten op een duurzame rol van landelijke, disciplinegerichte ondersteuning.

Onder v

De tijdelijke en doelgerichte projectactiviteiten kunnen ook onderdeel zijn van activiteitenprogramma's die een langdurig karakter kennen.

Artikel 1.2 Doel van de regeling

Deze regeling stimuleert het ontwikkelen en uitvoeren van projecten die bijdragen aan het verbeteren van samenwerking en samenhang tussen bestaande ondersteuners en/of overheidslagen. De projecten dragen bij aan een meer duurzame (infra)structuur en meer samenhang in aanpak en aanbod van de aanvragers, actief in de ondersteunende infrastructuur van de amateurkunsten.

Artikel 1.3 Subsidieplafond en flexibiliteit

Voor een wijziging is een besluit van het bestuur of de directeur-bestuurder van het Fonds nodig. Het gaat hierbij om een zogenoemd concreet besluit van algemene strekking. Deze dient gepubliceerd te worden om in werking te treden. In het artikel is bepaald dat wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van het Fonds.

Artikel 1.4 Algemene weigeringsgronden
Eerste en tweede lid

Voor het eerste en tweede lid geldt dat het gaat om verplichte redenen om af te wijzen. Dat betekent dat het Fonds binnen deze weigeringsgronden geen afwegingsruimte heeft. Een aanvraag die niet voldoet aan de voorwaarden van het eerste of tweede lid wordt afgewezen.

Voor aanvragen uit paragraaf 2.2 en paragraaf 2.3 wordt er idealiter voortgebouwd op de projecten die gesubsidieerd zijn op basis van de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2025. Wanneer er sprake is van een aanvraag als bedoeld in de vorige zin wordt door de aanvrager het onderscheid tussen de reeds gesubsidieerde projectactiviteiten en de projectactiviteiten van de aanvraag expliciet gemaakt.

Derde en vierde lid

Voor het derde en vierde lid geldt dat het Fonds de aanvraag kan afwijzen als een van deze afwijzingsgronden zich voordoet. Dat betekent dat het Fonds bij afwijzing altijd een belangenafweging moet maken.

Artikel 1.5 Voorwaarden
Eerste lid

Alleen projecten die zonder subsidie niet uitgevoerd kunnen worden, komen voor subsidie in aanmerking. Daarnaast komen alleen rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten voor subsidie in aanmerking. Daarbij is van belang dat de kosten noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteiten én dat de activiteiten ten dienste staan van de doelstelling van de regeling. Als dit niet het geval is, dan kunnen deze activiteiten uit het project niet worden gesubsidieerd.

Tweede lid

Het moet aannemelijk worden gemaakt dat het project niet zonder subsidie uitgevoerd kan worden én dat het niet mogelijk is om de financiering ‘rond’ te krijgen zonder de subsidie.

Van entiteiten die van de wet een winstoogmerk mogen hebben, kan het Fonds vragen om een verzwaarde motivering van de noodzaak om subsidie verstrekt te krijgen. De entiteit dient zich immers in te zetten binnen de kunst- en/of cultuursector. Als de entiteit winstgevend is, moet worden uitgelegd waarom de winst niet wordt besteed aan het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Ook moet worden uitgelegd waarom het projecttekort gedekt moet worden met een subsidie van het Fonds.

Derde lid

Een begroting kan worden opgesteld in Amerikaanse dollars, Caribische guldens of Antilliaanse guldens. De aanvrager rekent de gebruikte valuta vervolgens om naar euro’s, op basis van de dagkoers die geldt op het moment dat de aanvraag wordt ingediend. Dat bedrag wordt in het aanvraagformulier vermeld. Aanvragers die gevestigd zijn in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen de kosten voor het omwisselen opnemen in de begroting.

Artikel 1.6 Verplichtingen
Derde lid, onder c

Met materiële investeringen bedoelt het Fonds kosten voor de aanschaf van materialen voor een project die de aanvrager na dat project nog langere tijd kan gebruiken. Materiaalkosten zijn de kosten voor de aanschaf van materialen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project.

Vijfde lid

Een rechtspersoon dient alle culturele codes op onderstaande manier toe te passen.

Voor de Code Diversiteit & Inclusie en de Fair Practice Code geldt dat de aanvrager in het aanvraagformulier toelicht hoe die codes worden toegepast. Daarbij geldt de volgende verplichting:

  • Onderschrijf de codes, pas ze toe en, als daarvan sprake is, leg uit waar dit nog niet lukt. Benoem de ambities op beide codes en reflecteer hierop achteraf in de verantwoording. Fair pay is verplicht.

Voor de Governance Code Cultuur geldt dat de aanvrager in het aanvraagformulier op grond van al onderstaande onderdelen a tot en met d, aantoont:

  • a. hoe de principes uit de code worden toegepast;

  • b. hoe de bij de code behorende aanbevelingen worden opgevolgd;

  • c. dat er sprake is van een scheiding tussen toezicht, bestuur en uitvoering, in die zin dat:

    • i. als er sprake is van een raad van toezichtmodel: een raad van toezicht met minimaal drie leden;

    • ii. als er sprake is van een bestuursmodel: een bestuur met minimaal drie bestuurders;

  • d. dat de leden van de raad van toezicht of de toezichthoudende bestuurders geen onderdeel uitmaken van de begroting.

Voor aanvragers uit het Caribisch deel van het Koninkrijk geldt dat als er niet volledig voldaan kan worden aan de verplichtingen voor de culturele codes, dit wordt toegelicht volgens het principe ‘pas toe of leg uit’.

Zevende lid

Voor aanvragers geldt dat als bij het uitvoeren van de projectactiviteiten niet volledig kan worden voldaan aan het volledig toegankelijk maken van de projectactiviteiten, wordt uitgelegd waarom dit nog niet lukt.

Artikel 1.7 Verplichtingen voor het indienen
Eerste lid

Aanvragen worden ingediend via de online aanvraagomgeving Mijn Fonds, via de website van het Fonds. Voor het indienen van een aanvraag is een account nodig. Het kan een aantal werkdagen duren voordat een nieuw account is aangemaakt. Het is daarom verstandig om ruim voor de indieningstermijn een account aan te maken.

Tweede lid

Een aanvraag bestaat uit een projectplan, een begroting en (wanneer in een samenwerkingsverband wordt gewerkt) een samenwerkingsovereenkomst. In hoofdstuk 2 kunnen nadere eisen worden gesteld aan de vorm en inhoud van het projectplan en aan de begroting. Een begroting bevat nooit een tekort of een overschot. Dat wil zeggen dat het saldo van de begroting, inclusief de gevraagde subsidie, € 0 is. Een model projectplan, begroting en samenwerkingsovereenkomst vind je op onze website. Gebruik deze formats om er zeker van te zijn dat alle onderdelen die voor het Fonds nodig zijn om de beoordelingscriteria te toetsen terugkomen in de aanvraag.

In zijn algemeenheid geldt: beschrijf in je aanvraag en projectplan niet alleen welke effecten je wilt gaan bereiken, maar ook waarom, hoe je dat denkt te gaan doen, met wie en hoeveel tijd je daarvoor nodig hebt. Op de website van het Fonds staan tips voor het schrijven van een projectplan en staan voorbeelden van eerder gehonoreerde aanvragen.

Voor de aanvragen onder paragraaf 2.2 en paragraaf 2.3 dient het plan de eerste helft van het project (de eerste helft van de projectduur) nauwkeurig te beschrijven. De tweede helft van het project kan op de hoofdlijnen blijven. Het plan bevat daarmee voor de eerste helft concrete activiteiten, waarbij voor de tweede helft een beschrijving van globale doelen en visie volstaat. Deze geboden ruimte geldt niet voor aanvragen onder paragraaf 2.4.

Derde lid

Gezamenlijke (en daarmee) identieke inleidingen van projectplannen in paragraaf 2.2. en 2.3 tellen niet mee in het maximaal aantal woorden.

Artikel 1.8 Beoordeling van aanvragen

Aanvragen worden beoordeeld overeenkomstig dit artikel. In hoofdstuk 2 zijn de voor het project specifieke beoordelingscriteria opgenomen.

Artikel 1.9 Voorschotten

Als subsidie wordt verstrekt, wordt in beginsel ook een voorschot toegekend. In dit artikel is de wijze van bevoorschotting bepaald. De bevoorschotting kan worden stopgezet als het de verwachting is dat het project niet of gewijzigd zal worden uitgevoerd. Dit geldt ook als de reden hiervoor buiten de schuld de aanvrager ligt.

Artikel 1.10 Verantwoording en vaststelling

Als achteraf verantwoording afgelegd moet worden over de verleende subsidie, dienen de verantwoording en vaststelling in overeenstemming te zijn met het bepaalde in het Algemeen Subsidiereglement van het Fonds.

HOOFDSTUK 2 VERSTERKING LANDELIJKE INFRASTRUCTUUR

Paragraaf 2.1 Algemeen

Artikel 2.1.1 Doel en effecten

Het Fonds stimuleert in de regeling projecten die één of meer van de volgende effecten bereiken:

  • a. Nabijheid;

  • b. Relevantie;

  • c. Toegankelijkheid.

a. Nabijheid: individuen kunnen, individueel of in groepsverband, dicht bij hun leefomgeving aan cultuurbeoefening doen. Het aanbod sluit aan op de wensen en behoeften van deelnemers, (h)erkent en stimuleert talenten en is laagdrempelig, inclusief en sociaal veilig.

Bij het beschrijven van hoe de activiteiten in deze aanvraag bijdragen aan dit effect helpen de volgende vragen:

  • Hoe is het aanbod nu? En hoe laagdrempelig is dit aanbod, zowel in fysieke zin als ook dat er benaderbaar en inclusief wordt gewerkt?

  • Waar wil jij of het samenwerkingsverband naar toe groeien? Hoe zie je het aanbod, de ondersteuning hiervan en/of de samenwerking met de culturele instelling en de amateurkunstgroepen het liefst over twee of drie jaar?

  • Welke aanpassingen zijn nodig in jouw deel van de ondersteuningsstructuur en/of het aanbod om dicht bij de wensen van (potentiële) cultuurbeoefenaars te blijven en deelname te bevorderen? Gaat het dan om andere samenwerkingen, ander aanbod, andere werkwijzen en/of fysieke verbeteringen?

Het gaat in deze regeling om versterking van de infrastructuur en/of vernieuwing van het aanbod. Het project is geslaagd als de activiteiten de nabijheid voor cultuurbeoefenaars heeft vergroot.

b. Relevantie: amateurkunstgroepen hebben het vermogen om eigentijds te blijven door zich continu aan te passen aan de huidige tijd, en om de ontwikkeling van nieuwe artistieke inhoud en organisatievormen te integreren. Amateurkunstgroepen blijven relevant door in te spelen op veranderingen in de manier waarop cultuur wordt beleefd en beoefend. Hierdoor wordt een brede deelname gestimuleerd, die in de omgeving wordt gewaardeerd.

Bij het beschrijven van hoe de activiteiten in deze aanvraag bijdragen aan dit effect helpen de volgende vragen:

  • Waar staan de amateurkunstgroepen die je ondersteunt nu qua aanbod, inhoud, en organisatievormen?

  • Hoe willen deze amateurkunstgroepen zich de komende jaren ontwikkelen?

  • Welke aanpassingen in artistieke inhoud, aanbod en organisatievormen zijn voor de amateurkunstgroepen nodig om actueel te blijven en deelname te bevorderen?

Het gaat in deze regeling om bijvoorbeeld het bouwen van netwerken, het aangaan van samenwerkingsrelaties, het inzetten op ontwikkelingstrajecten of methodiekontwikkeling. Het project is geslaagd als de activiteiten de relevantie van amateurkunstgroepen heeft versterkt.

c. Toegankelijkheid: het amateurkunstenveld kent een culturele infrastructuur, die gelijkmatig verdeeld is over het Koninkrijk der Nederlanden. Deze infrastructuur biedt kansen aan allerlei soorten deelnemers en vormen die voorheen uitgesloten waren. Het veld is een georganiseerde, sterke en sociaal veilige sector met belangenorganisaties en netwerk.

Bij het beschrijven van hoe de activiteiten in deze aanvraag bijdragen aan dit effect helpen de volgende vragen:

  • Waar sta je nu? Hoe werk je samen met andere organisaties en amateurkunstgroepen? Welke positie neem jij en/of het samenwerkingsverband in binnen het netwerk van de ondersteuningsstructuur waarin je je begeeft?

  • Waar wil je naar toe groeien? Hoe zie jij je organisatie en/of het samenwerkingsverband het liefst samenwerken met de zowel de andere partijen in het netwerk als met de cultuurbeoefenaars?

  • Welke aanpassingen zijn nodig om meer en andere deelnemers te bereiken en effectiever samen te werken met andere partijen?

Het gaat in deze regeling om kansen voor mensen uit alle lagen van de bevolking, bijvoorbeeld mensen met een migratieachtergrond of die een drempel ervaren tot cultuurdeelname. Maar ook om vormen die aansluiten op bijvoorbeeld grensvervaging tussen disciplines en sectoren, tussen online-offline cultuurbeoefening en tussen individuele versus groepsbeoefening. Het project is geslaagd als de activiteiten de toegankelijkheid voor (potentiële) cultuurbeoefenaars heeft vergroot.

Licht in je projectplan toe hoe de activiteiten gaan bijdragen aan dit effect/deze effecten.

Artikel 2.1.3 Verplichtingen
Eerste lid

Een project in deze regeling draagt bij aan een sterke ondersteuning van amateurkunst en cultuurbeoefening in de toekomst door te werken aan minimaal één van de volgende inhoudelijke kernambities uit de Actieagenda voor Amateurkunstondersteuning 2025:

  • Het aanbod van en voor cultuurbeoefening in de vrije tijd is toegankelijk, inclusief en veilig en stimuleert (talent)ontwikkeling.

  • Cultuurbeoefening in alle diversiteit is zichtbaar en wordt gewaardeerd.

  • Amateurkunstgroepen (cultuurbeoefening in groepsverband in alle vormen) zijn vitaal en toekomstbestendig.

  • Amateurkunstgroepen kennen hun waarde in de samenleving en kunnen deze inzetten. Doordat barrières verdwijnen, ontstaan er meer verbindingen met andere domeinen.

  • Er zijn voldoende artistieke professionals (begeleiders, kader en docenten) voor cultuurbeoefening in de vrije tijd. Ze hebben de benodigde kennis en vaardigheden en worden betaald volgens de Fair Practice Code.

Geef in je projectplan aan op welke van de bovengenoemde kernambities de activiteiten gericht zijn.

Tweede lid

Gehonoreerde projecten in deze regeling nemen deel aan het Kennistraject amateurkunstondersteuning van LKCA. Het Kennistraject streeft met de deelnemende projecten naar een zo groot mogelijke impact en opbrengst voor het veld. Het traject zorgt dat de betrokken organisaties in de samenwerkingsprojecten elkaar verder brengen en dat werkwijzen en (leer)opbrengsten overdraagbaar zijn of worden gemaakt.

Aanvragers bepalen zelf welke organisaties en hoeveel personen deelnemen aan het Kennistraject, maar wel minimaal een persoon per project. Het inhoudelijke eigenaarschap ligt zoveel mogelijk bij de initiatiefnemers van de samenwerkingsprojecten. Eventuele kosten voor deelname kunnen worden opgenomen in de projectbegroting. Denk aan reiskosten of mogelijk een overnachting indien het programma dat vraagt. Het aantal benodigde uren voor het traject wordt vastgesteld in overleg met LKCA.

Artikel 2.1.4 Beoordelingscriteria
Inhoudelijke kwaliteit

Bij het criterium Inhoudelijke kwaliteit beoordeelt het Fonds hoe de inhoud en aanpak van het project bijdragen aan het doel van de regeling. Ook wordt er gekeken naar de gekozen effecten en hoe de aanvrager beschrijft deze effecten te gaan realiseren (artikel 2.1.1). Daarnaast toetst het Fonds in welke mate het aannemelijk is dat op een effectieve wijze één of meer kernambities worden verwezenlijkt (artikel 2.1.3 eerste lid). De opgebouwde kennis en ervaring is overdraagbaar en dient als voorbeeld voor andere organisaties in de amateurkunstensector.

Voor projectaanvragen in paragraaf 2.2 en 2.3 staat het werken aan de beoogde bijdrage van de instelling aan een versterkte infrastructuur verspreid over meerdere jaren centraal. Wat is het vertrekpunt en waar wil de aanvrager eind 2028 staan? Hoe wordt daarnaartoe gewerkt? Bij het toetsen door het Fonds van de inhoudelijke kwaliteit op deze beoogde bijdrage staat de beschrijving ervan in de aanvraag centraal. Die moet het vertrouwen geven dat het plan en het te verwachten effect gerealiseerd gaan worden.

Organisatorische kwaliteit

Bij het criterium Organisatorische kwaliteit beoordelen we of het projectplan een duidelijke aanpak en planning beschrijft die aansluit bij het doel en de activiteiten. We toetsen of de culturele codes worden toegepast en op welke manier er aandacht is besteed aan monitoring en evaluatie van het project. We beoordelen daarnaast of de begroting inzichtelijk, redelijk en realistisch is en of deze aansluit bij de voorgenomen activiteiten. Bij projectaanvragen in paragraaf 2.3 en 2.4 (en in paragraaf 2.2 als dit het geval is) toets het Fonds de kwaliteit van samenwerking: hoe is deze vormgegeven, is de rol- en taakverdeling tussen de partijen helder beschreven en is er voldoende slagkracht om uitvoering te geven aan het plan?

Paragraaf 2.2 Amateurkunstkoepels

Artikel 2.2.1 Wie kan aanvragen
Tweede lid

Bij een gezamenlijke aanvraag is één rechtspersoon penvoerder. Deze ondertekent de aanvraag namens alle samenwerkende partijen en legt daarvoor ook een machtiging over. Deze penvoerder is contactpersoon voor het Fonds. Voor een samenwerking wordt een samenwerkingsovereenkomst opgesteld en ondertekend door alle partijen. Indien nodig kan de aanvrager gebruikmaken van een externe schrijver voor het projectplan. De eventuele kosten kunnen in de begroting worden opgenomen.

Bij een gezamenlijke aanvraag van twee of meer koepels blijkt dat (en in hoeverre) de koepels overstijgend gaan samenwerken ten behoeve van de respectievelijke disciplines, of dat ze elkaar in het project aanvullen vanuit hun eigen expertise. Daarmee bedoelt het Fonds dat er inhoudelijk sprake moet zijn van meer dan een optelling van beschikbaar budget.

In de samenwerkingsovereenkomst staat beschreven hoe de samenwerking vormgegeven is, welke deelnemer welke taken en verantwoordelijkheden heeft, hoe de onderlinge verhoudingen zijn en hoe wordt omgegaan met eventuele meningsverschillen voor zover die raken aan de belangen van het Fonds. Het Fonds stelt een model samenwerkingsovereenkomst beschikbaar.

Artikel 2.2.2 Waarvoor kan worden aangevraagd

In het plan wordt aangetoond dat de activiteiten antwoorden geven op vragen zoals: wat is nodig in de sector en voor de desbetreffende disciplinegerichte ondersteuning, welke acties en aanbod zijn daarvoor gewenst en wat is de rol van de koepelorganisatie zelf en andere relevante organisaties daarin? Welke ontwikkelstappen zijn nodig en dienen in volgordelijkheid te worden gezet?

In het plan kan er sprake zijn van het versterken van de eigen organisatie als essentiële basis voor het ontwikkelen en uitvoeren van activiteiten en het ontwikkelen van een visie, actie- en uitvoeringsplan voor duurzame bestendiging in de toekomst. Het kan ook gaan om het verkennen, (door)ontwikkelen en investeren in aanbod en programma's die een impuls geven aan landelijke toekomstbestendige disciplineondersteuning. Daarbij worden samenwerkingen aangemoedigd, die ook interdisciplinair en/of sector-overstijgend kunnen zijn. Het plan richt zich op aanvullende activiteiten en versterkt daarmee het reguliere aanbod van de organisatie.

In het plan wordt door de koepel uiteengezet waar zij eind 2028 met de eigen organisatie en haar aanbod en programma's wil staan en welke projectactiviteiten nodig zijn om dit te bereiken. De behoefte van de cultuurbeoefenaar staat daarbij centraal. Voor een goede inbedding wordt er gereflecteerd op de activiteiten in de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2025 en vergelijkbaar aanbod van andere instellingen. Het beoogde effect biedt bij afronding van het project duurzaam toekomstperspectief voor de koepel en de cultuurbeoefenaars. Het Fonds moedigt ambitie in de plannen aan, maar adviseert tegelijkertijd focus ten behoeve van haalbaarheid van de doelen.

Paragraaf 2.3 Provinciale steuninstellingen

Artikel 2.3.1 Wie kan aanvragen
Tweede lid

De aanvrager dient aan te tonen dat zij een cofinanciering ontvangt van de provincie die minimaal gelijk is aan het bij het Fonds aangevraagde bedrag. Deze cofinanciering mag ook onderdeel zijn van bestaand beleid of voortkomen uit een structurele opdracht rondom amateurkunstondersteuning.

Derde lid

Bij een gezamenlijke aanvraag is één rechtspersoon penvoerder. Deze ondertekent de aanvraag namens alle samenwerkende partijen en legt daarvoor ook een machtiging over. Deze penvoerder is contactpersoon voor het Fonds. Voor een samenwerking wordt een samenwerkingsovereenkomst opgesteld en ondertekend door alle partijen. Indien nodig kan de aanvrager gebruikmaken van een externe schrijver voor het projectplan. De eventuele kosten kunnen in de begroting worden opgenomen.

Vierde lid

In de samenwerkingsovereenkomst staat beschreven hoe de samenwerking vormgegeven is, welke deelnemer welke taken en verantwoordelijkheden heeft, hoe de onderlinge verhoudingen zijn en hoe wordt omgegaan met eventuele meningsverschillen voor zover die raken aan de belangen van het Fonds. Het Fonds stelt een model samenwerkingsovereenkomst beschikbaar.

Artikel 2.3.2 Waarvoor kan worden aangevraagd
Eerste lid

In de projecten wordt actief ingezet op het versterken van ecosystemen en netwerken en/of het verbinden van lokale ondersteuning. Belangrijke pijlers zijn het verbeteren van samenwerking en samenhang. Zowel tussen overheidslagen en bestaande ondersteuners als vanuit de eigen organisatie. Uit het projectplan klinkt ambitie, waarbij de aanvrager wordt aangemoedigd om met de projectactiviteiten letterlijk over eigen grenzen van de organisatie en/of regio heen te kijken. De projecten kennen de focus die past in de provinciale kleur en context. De ambities en accenten kunnen per aanvrager verschillen omdat het vertrekpunt per provincie anders is wat betreft inhoud en uitdagingen, de ondersteuningsstructuur, middelen en gevoel van urgentie bij gemeenten. Innovatie wordt aangemoedigd. Het gaat hierbij om vernieuwing of doorontwikkeling van de ondersteuningsstructuur en/of aanbod dat ook interdisciplinair of sector-overstijgend kan zijn. Daarmee bedoelen we vernieuwing en samenwerking ten opzichte van wat er in de provincies al gebeurt, maar ook vernieuwing ten opzichte van projecten, programma's en activiteiten in andere provincies. Indien succesvol, kunnen de innovaties ook in andere regio's worden toegepast.

In het plan wordt door de provinciale steuninstelling uiteengezet waar zij met het samenwerkingsproject eind 2028 op wil uitkomen en welke projectactiviteiten nodig zijn om dit effect te bereiken. Daarbij worden zowel de vertreksituatie als de gewenste stappen duidelijk omschreven om de infrastructuur in wijken, stad(sdelen), regio's, provincie e/o het land inhoudelijk met het beoogde effect te versterken. Het Fonds verwacht dat de cultuurbeoefenaar en zijn behoeftes in het plan centraal staan. Voor een goede inbedding wordt er gereflecteerd op de projectactiviteiten in de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2025 en vergelijkbaar aanbod van andere instellingen.

Tweede lid

In het project zijn minimaal twee partijen betrokken en wordt er aantoonbaar gelijkwaardig samengewerkt. Hierbij valt te denken aan zaken als mate van inbreng, facilitering van deelname aan bijeenkomsten, gehoord en gezien worden. Het gaat hier niet persé om gelijkwaardigheid op het niveau van taakomvang, ureninzet of eigen financiële bijdrage.

Derde lid

De actieve rol van minimaal één amateurkunstgroep, verzameling groepen (bijv. een lokale federatie of een stedelijk platform) of collectief van (cultureel) professionals werkzaam in de amateurkunstensector wordt gevraagd om de beoefenaars een directe stem te geven. In het plan is uitgewerkt hoe deze partij(en) of vertegenwoordigers ervan actief worden betrokken en hoe de projectactiviteiten zichtbaar aansluiten op hun behoeften en mogelijkheden.

Paragraaf 2.4 Culturele instellingen

Artikel 2.4.1 Wie kan aanvragen
Derde lid

In de samenwerkingsovereenkomst staat beschreven hoe de samenwerking vormgegeven is, welke deelnemer welke taken en verantwoordelijkheden heeft, hoe de onderlinge verhoudingen zijn en hoe wordt omgegaan met eventuele meningsverschillen voor zover die raken aan de belangen van het Fonds. Het Fonds stelt een model samenwerkingsovereenkomst beschikbaar. Indien nodig kan de aanvrager gebruikmaken van een externe schrijver voor het projectplan. De eventuele kosten kunnen in de begroting worden opgenomen.

Artikel 2.4.2 Waarvoor kan worden aangevraagd
Eerste lid

In het project wordt gewerkt aan het ontwikkelen en uitvoeren van activiteiten ter versterking en ondersteuning van werkwijzen en ontwikkelingen die actueel en relevant zijn voor de ontwikkeling van de amateurkunstensector. Uit het projectplan blijkt ambitie. De bestaande infrastructuur en het bestaande aanbod worden als vertrekpunt genomen, waarbij het plan ingaat op hoe deze duurzaam inhoudelijk te ondersteunen en door te ontwikkelen. Denk hierbij aan (nieuwe) samenwerkingsverbanden en vernieuwing van bestaand aanbod, dat ook interdisciplinair of sector-overstijgend kan zijn. We moedigen aanvragers aan met name te denken aan verandertrajecten boven eenmalige projecten. De aanvrager laat zien oog te hebben voor de vitaliteit en toekomstbestendigheid van de amateurkunstgroepen en beoefenaars, en voor de effecten van het project die hieraan ook op langere termijn bijdragen. Het project is zo opgezet dat kennis en projectresultaten overdraagbaar zijn en de behoeftes van de cultuurbeoefenaars centraal staan.

Het Fonds moedigt ambitie in de plannen aan, maar adviseert tegelijkertijd focus ten behoeve van haalbaarheid van de doelen.

Tweede lid

In het project zijn minimaal drie partijen betrokken, en wordt er aantoonbaar gelijkwaardig samengewerkt door twee culturele instellingen met actieve inbreng van minimaal één amateurkunstgroep, verzameling groepen (bijv. een lokale federatie of een stedelijk platform) of collectief van professionals werkzaam in de amateurkunstensector. De actieve rol van minimaal één amateurkunstgroep, verzameling groepen (bijv. een lokale federatie of een stedelijk platform) of collectief van (cultureel) professionals werkzaam in de amateurkunstensector wordt gevraagd om de beoefenaars een directe stem te geven. Bij een actieve rol valt te denken aan zaken als mate van inbreng, facilitering van deelname aan bijeenkomsten (niet steeds overdag vergaderen bijvoorbeeld), gehoord en gezien worden. Het gaat hier dus niet om gelijkwaardigheid op het niveau van taakomvang, ureninzet of eigen financiële bijdrage maar om gelijk- en/of volwaardigheid bij het ontwikkelen en uitvoeren van de projectplannen.

Artikel 2.4.5 Verplichting

In de projectaanvraag wordt aangetoond dat de projectaanvraag kenbaar is gemaakt bij minimaal één van de provinciale steuninstellingen in de provincie(s) waar de projectactiviteiten plaatsvinden.

Artikel 2.4.6 Specifieke weigeringsgronden
Derde lid

Uitgangspunt bij het bepaalde in dit lid is behandeling op volgorde van binnenkomst, waarbij het Fonds kijkt naar landelijke spreiding van het subsidiebudget. Vandaar dat deze paragraaf van de regeling een maximaal aantal te honoreren aanvragen per provincie kent. Aanvragen uit provincies waarvan er in deze paragraaf nog geen of weinig zijn gehonoreerd, worden vóór aanvragen uit reeds gehonoreerde provincies in behandeling genomen, mits aan alle verdere vereisten van de regeling is voldaan. Mocht bij sluiting van de indieningstermijn blijken dat het subsidieplafond niet is bereikt, dan komen ook aanvragen uit maximaal gehonoreerde provincies voor behandeling in aanmerking.

Met provincie in het tweede lid van dit artikel, wordt de provincie bedoeld waarin de standplaats van de aanvrager is. Zodra er voor drie projectplannen in een bepaalde provincie subsidie is verleend, kan voor een ander project binnen deze provincie geen subsidie worden toegekend. Het gaat dus niet om de locatie(s) waar de projectactiviteiten plaatsvinden, maar om de vestigingsplaats van de aanvrager.

Naar boven