Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Instituut Mijnbouwschade Groningen | Staatscourant 2025, 40634 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Instituut Mijnbouwschade Groningen | Staatscourant 2025, 40634 | beleidsregel |
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen,
Gelet op artikel 2, tiende lid, van de Tijdelijke wet Groningen en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
het Instituut Mijnbouwschade Groningen;
bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
een bestaand gebrek aan de constructie van een gebouw voor zover het geen schade betreft;
een aan de hand van het op de website van het Instituut geplaatste technisch kader vastgestelde herstelmaatregel die passend en redelijk is gelet op het geconstateerde gebrek aan de constructie, niet zijnde een herstelmaatregel als bedoeld in de laatstelijk vastgestelde Werkinstructie Herstel & Calculatie, zoals geplaatst op de website van het Instituut;
samenloop als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Tijdelijke wet Groningen;
schade zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen, daaronder begrepen de kosten van iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade als bedoeld in artikel 184 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek;
laatstelijk vastgesteld technisch kader voor de toepassing van Duurzaam herstel, zoals geplaatst op de website van het Instituut;
tegemoetkoming in natura om schade duurzaam te herstellen als bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de Tijdelijke wet Groningen, zijnde een subsidie in natura;
fysieke schade aan een gebouw die substantieel in omvang is toegenomen ten opzichte van de daaraan voorafgaande schadeopname in opdracht van de NAM, het CVW de TCMG of het Instituut;
verklaring van de aanvrager dat de door het Instituut toe te kennen tegemoetkoming niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in de van toepassing zijnde verordening van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;
laatstelijk vastgestelde Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen als bedoeld in artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen;
Tijdelijke wet Groningen;
onroerende zaak die, of het deel van een onroerende zaak dat, naar aard en inrichting bestemd is om als woning te dienen en volgens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen een woonfunctie heeft;
waarde, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, zoals deze voor het constructief onderzoek als bedoeld in artikel 3 is vastgesteld.
1. Het Instituut kan bij de behandeling van aanvragen om vergoeding van fysieke schade aan een gebouw aan aanvrager naast de vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de wet bij separaat besluit een tegemoetkoming toekennen indien:
a. het betreffende gebouw een woning is;
b. zich op het adres van het gebouw als gevolg van aardbevingen uit het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk, in de periode tot 1 januari 2026 ten minste viermaal een trillingssnelheid heeft voorgedaan van ten minste 5 mm/s, te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%;
c. aanvrager instemt met vergoeding van de schade in de vorm van herstel aannemer Instituut als bedoeld in artikel 2.11 van de werkwijze, of bij een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a van de werkwijze, in de vorm van herstel in natura;
d. geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.13, tweede lid, onderdeel a, b, of c, van de Werkwijze, met uitzondering van een tegemoetkoming bestaande uit sloop en nieuwbouw van het gebouw;
e. de aanvrager maximaal eenmaal eerder een tegemoetkoming is toegekend, of, indien de aanvraag voor een tegemoetkoming wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers tweemaal eerder een tegemoetkoming is toegekend; en
f. is voldaan aan de voorwaarden genoemd in het derde en vierde lid, ook buiten de gevallen dat het Instituut een aanvrager heeft benaderd voor het indienen van een aanvraag.
2. Het Instituut kan geheel of gedeeltelijk afwijken van het eerste lid, onderdeel c, indien de schade zoals opgenomen in het advies van de deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan het gebouw, bedoeld in artikel 12 van de wet, geheel of gedeeltelijk is hersteld nadat de schade is opgenomen, maar voordat het Instituut een besluit heeft genomen op de aanvraag om vergoeding van fysieke schade.
3. Een tegemoetkoming wordt uitsluitend toegekend op aanvraag. Hiertoe benadert het Instituut een eigenaar van een woning voor het doen van een aanvraag voor een tegemoetkoming nadat het Instituut aan de hand van het advies van de deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan het gebouw, bedoeld in artikel 12 van de wet, heeft vastgesteld dat:
a. er sprake is van nieuwe schade, met inbegrip van schade die na eerder herstel opnieuw is ontstaan, of verergerde schade aan het gebouw;
b. de schade minimaal schadetype D3 betreft zoals omschreven in het technisch kader, of, indien de schade eerder is hersteld en gedeeltelijk is teruggekomen, het aannemelijk is dat bij eerdere schadeopname in opdracht van de NAM, het CVW de TCMG of het Instituut schade van minimaal schadetype D3 aan het gebouw is vastgesteld, die vermoedelijk mede is veroorzaakt door eenzelfde gebrek aan de constructie van het gebouw dat kans geeft op herhaalde schade door aardbevingen of mijnbouwactiviteiten aan dat gebouw; en
c. aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:
i. voor het betreffende gebouw is in totaal een bedrag gelijk aan of groter dan € 5.000 inclusief btw aan schadevergoeding voor het herstel van schades, die minimaal schadetype D3 betreffen als bedoeld in onderdeel b, toegekend door de NAM, het CVW de burgerlijke rechter, de TCMG of het Instituut of wordt toegekend door het Instituut, waarbij vergoedingen voor constructieve maatregelen, bijkomende kosten, de overlastvergoeding en de vergoeding voor wettelijke rente buiten beschouwing worden gelaten;
ii. de schade, bedoeld in onderdelen a en b, bevindt zich in de buitengevel; of
iii. er is sprake van samenloop.
4. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend namens alle rechthebbenden van het gebouw en bevat ten minste:
a. een verklaring dat de aanvrager, bij de keuze voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a van de werkwijze instemt met een vaste eenmalige en finale vergoeding ter hoogte van € 2.000,– voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast die zijn veroorzaakt door de fysieke schade, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, onderdeel d, en het derde lid, onderdelen b, c en d alsmede waardedaling als bedoeld in hoofdstuk 3 en immateriële schade als bedoeld in hoofdstuk 4 van de werkwijze; en
b. een verklaring de-minimissteun indien de tegemoetkoming toekomt of mede toekomt aan een onderneming in de zin van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
5. Indien dat voor het herstel van het gebrek aan de constructie van de woning noodzakelijk is, kan de aanvraag mede betrekking hebben op een gebouw of deel van een gebouw van dezelfde eigenaar dat constructief met de woning verbonden is, maar geen woning betreft.
1. Het Instituut deelt aan de aanvrager mee binnen welke termijn de aanvrager een besluit op de aanvraag voor een tegemoetkoming kan verwachten.
2. Het Instituut nodigt de aanvrager uit voor het verrichten van een schouw, zijnde een visuele inspectie van het vermeende gebrek aan de constructie. Na de schouw en indien noodzakelijk, laat het Instituut constructief onderzoek naar de constructie van het gebouw uitvoeren door een onafhankelijke deskundige. Het Instituut deelt aan de aanvrager mee op welke termijn het nader constructief onderzoek plaatsvindt. Indien het gebouw tevens is opgenomen in het programma van aanpak, bedoeld in artikel 13g, eerste lid, van de wet, kunnen de schouw en het constructief onderzoek worden uitgevoerd in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, van de wet.
3. Het Instituut neemt op basis van de uitkomsten van de schouw of het nader constructief onderzoek een besluit over het al dan niet toekennen van een tegemoetkoming en, indien aan de orde, over de aard en omvang van de herstelmaatregel waarvoor de tegemoetkoming wordt toegekend.
4. Indien het Instituut op basis van de schouw of het constructief onderzoek voornemens is een tegemoetkoming toe te kennen, doet het Instituut een voorstel voor een tegemoetkoming en voor een herstelmaatregel met inachtneming van het bepaalde in deze beleidsregel en het technisch kader. Indien een of meer andere gebouwen constructief verbonden zijn met het gebouw waarvoor een voorstel voor tegemoetkoming wordt gedaan en herstel van het gebrek aan de constructie alleen mogelijk is als ook de constructie van dat andere gebouw of die andere gebouwen wordt hersteld, doet het Instituut het voorstel eveneens aan de eigenaren van dat andere gebouw of die andere gebouwen. Indien het technisch kader is gewijzigd na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan het Instituut het eerder geldende technisch kader toepassen als dat leidt tot een meer passende herstelmaatregel, mits dit doelmatig is.
5. Een tegemoetkoming wordt geweigerd indien:
a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2;
b. naar het oordeel van het Instituut geen proportionele herstelmaatregel mogelijk is;
c. de aanvrager niet instemt met de door het Instituut voorgestelde herstelmaatregel;
d. de kosten van de te treffen maatregelen in natura hoger zijn dan mogelijk is op grond van artikel 4, derde, vierde, vijfde of zesde lid, tenzij de aanvrager het verschil wenst te bekostigen en binnen de door het Instituut gestelde termijn overgaat tot bijbetaling;
e. de eigenaar van het gebouw waarmee de woning constructief verbonden is, niet instemt met Duurzaam herstel;
f. door keuzes van de aanvrager het niet mogelijk is binnen een redelijke termijn tot Duurzaam herstel over te gaan; of
g. de in artikel 4, tweede lid, bedoelde kosten op andere wijze aan de aanvrager zijn of worden vergoed.
6. Indien het Instituut op basis van de schouw of het constructief onderzoek voornemens is geen tegemoetkoming toe te kennen, stelt het Instituut de eigenaar van het gebouw voorafgaand aan het nemen van een besluit in de gelegenheid binnen een door het Instituut te bepalen termijn een zienswijze te geven op dat voornemen.
1. De tegemoetkoming wordt in de vorm van te treffen maatregelen in natura toegekend. Indien de maatregelen noodzakelijkerwijs mede herstel van schade omvatten waarvoor eerder al een vergoeding is toegekend, wordt de eerder voor die schade toegekende vergoeding niet in mindering gebracht op de tegemoetkoming.
2. De tegemoetkoming bedraagt 100% van de kosten van de te treffen maatregelen in natura en de kosten die het directe gevolg zijn van het treffen van die maatregelen.
3. De tegemoetkoming:
a. is niet hoger dan 100% van de WOZ-waarde van de onroerende zaak; en
b. heeft maximaal een waarde van € 500.000, inclusief btw, per gebouw.
4. Het Instituut kan in afwijking van het derde lid, de waarde van het gebouw op een andere wijze bepalen, indien de WOZ-waarde vanwege de geconstateerde constructieve gebreken aanzienlijk is verlaagd. In dat geval bepaalt het Instituut de waarde van de onroerende zaak als ware er geen constructieve gebreken.
5. In afwijking van het derde lid, geldt voor Rijksmonumenten geen maximum, tenzij de tegemoetkoming disproportioneel is in verhouding tot de WOZ-waarde van het Rijksmonument.
6. Indien de WOZ-beschikking bepaalt dat er sprake is van een object dat bestaat uit een woongedeelte en een niet-woongedeelte, kan het Instituut, in afwijking van het derde lid, bepalen dat voor de maximale tegemoetkoming wordt uitgegaan van de waarde van de woning op basis van de WOZ-waarde van het woongedeelte en, indien redelijk, de WOZ-waarde van de niet-woning of een deel daarvan.
1. De Beleidsregel duurzaam herstel wordt ingetrokken, met dien verstande dat die beleidsregel van toepassing blijft op aanvragen voor een tegemoetkoming ingediend voor inwerkingtreding van deze beleidsregel, met uitzondering van artikel 5 van die beleidsregel. Artikel 4 van deze beleidsregel is van toepassing op voornoemde aanvragen.
2. Indien het niet toekennen van Duurzaam herstel aan een woning met een postcode opgenomen in een bijlage van de Beleidsregel duurzaam herstel naar het oordeel van het Instituut leidt tot onaanvaardbare verschillen bij de toekenning van tegemoetkomingen voor Duurzaam herstel, kan het Instituut afwijken van artikel 2, eerste lid, sub b.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Groningen, 20 november 2025
H.C.D. Korvinus Voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
E.C.M. van Schie Plaatsvervangend voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
B.J. Wierenga Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
S.F.M. Wortmann Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
Met de inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (Stb. 2023, nr. 164) is het Instituut Mijnbouwschade Groningen (hierna: het Instituut) meer afwegingsruimte gegeven om in daarvoor in aanmerking komende situaties schade duurzaam te herstellen. Artikel 2, tiende lid, van de Tijdelijke wet Groningen (hierna: wet) bepaalt in dit verband:
Naast de schade, bedoeld in artikel 184 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, kan het Instituut aan de aanvrager een in redelijkheid te bepalen tegemoetkoming in geld of in natura toekennen voor iedere redelijke maatregel die nodig is om te bewerkstelligen dat de schade waarvoor vergoeding wordt toegekend, duurzaam kan worden hersteld. Aan de toekenning van deze tegemoetkoming kan het Instituut voorwaarden verbinden.
Deze beleidsregel vormt de uitwerking van de in dit lid bedoelde nadere voorwaarden en is opgesteld met inachtneming van de ambitie van het Instituut om te bouwen aan perspectief voor de toekomst voor die groep burgers die het zwaarst getroffen is met het oog op geleden en mogelijk nog op te treden fysieke (herhaal)schade als gevolg van mijnbouw. Dit gebeurt door meer focus aan te brengen en onder redelijke voorwaarden constructieve gebreken die losstaan van mijnbouw te herstellen, zodat bij een nieuwe aardbeving schade minder snel terugkomt vanwege zwakke plekken in de constructie van een woning. De aardbeving van vrijdag 14 november 2025 in Zeerijp met een magnitude van 3,4 op de schaal van Richter heeft helaas duidelijk gemaakt dat Duurzaam herstel nodig blijft.
Duurzaam herstellen betekent daarbij niet dat de woning na het herstel tegen iedere aardbeving of bodembeweging bestand moet zijn. Het doel is om ervoor te zorgen dat de schade niet iedere keer terugkeert als er een beving of bodembeweging plaatsvindt (Kamerstukken II 35 603, nr. 43). In de praktijk betekent dit dat relevante onderliggende (niet-mijnbouwgerelateerde) gebreken van een gebouw met constructieve maatregelen worden hersteld om de kans op herhaalschade te verkleinen. Dit moet ervoor zorgen dat bewoners niet herhaaldelijk met nieuwe of verergerde schade en alle lasten die de afwikkeling daarvan met zich meebrengt worden geconfronteerd. Minder herhaalschade en minder overlast kan ook helpen de stress bij de getroffen inwoners te verminderen.
Duurzaam herstel is in 2023 gestart als pilot. Uitgangspunt daarbij was dat met een beperkt aantal woningen werd gestart op de geografische locaties waar de kans op nieuwe schade ten gevolge van bevingen het grootste is. Dit gebied is in 2024 uitgebreid, waarbij grotendeels is aangesloten bij het werkgebied van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG).
Nu voldoende ervaring is opgedaan met Duurzaam herstel, wordt een nieuwe beleidsregel vastgesteld waarin de ervaringen uit de pilot zijn verwerkt. De belangrijkste aanpassingen worden hieronder toegelicht. In de artikelsgewijze toelichting wordt waar zinvol nog een verdiepende toelichting gegeven.
Het oorspronkelijke maximum per gebouw in de beleidsregel was € 125.000, behoudens uitzonderlijke omstandigheden. Uit de pilot is gebleken dat het bedrag van € 125.000 vaak niet toereikend was om het geconstateerde constructieve gebrek te verhelpen om de kans op herhaalschade als gevolg van mijnbouw te verkleinen. Vaak bleek een redelijke constructieve maatregel aanzienlijk meer te kosten. Ook bleek de afwijkingsbevoegdheid – in uitzonderlijke omstandigheden – te weinig richting te geven wanneer een constructieve maatregel van meer dan € 125.000 toegestaan wordt. De pilot heeft zo tot nuttige inzichten geleid, hetgeen ook beoogd was, omdat er nog weinig ervaring was opgedaan in Nederland met het op grotere schaal constructief verbeteren van woningen. Vanwege deze nuttige ervaringen opgedaan in de pilot, heeft het Instituut ervoor gekozen het maximum bedrag substantieel te verhogen. Het nieuwe maximum is met een factor vier verhoogd naar € 500.000, waardoor funderingsherstel in de meeste gevallen mogelijk is. In de toelichting op artikel 4, derde lid, wordt uitgelegd waarom voor een maximum van € 500.000 is gekozen.
Ook wordt rekening gehouden met de waarde van een woning om de proportionaliteit van de tegemoetkoming te waarborgen. Als een woning bijvoorbeeld een waarde heeft van € 200.000, is het niet redelijk meer te investeren in de woning dan deze waard is. Daarom wordt ook als voorwaarde gehanteerd dat de tegemoetkoming niet hoger is dan 100% van de WOZ-waarde. Omdat de WOZ-waarde kan achterlopen op de actuele marktwaarde, vindt er geen aftrek plaats van de waarde van de grond. De waarde van de grond is over het algemeen circa eenderde van de WOZ-waarde. Mocht Duurzaam herstel meer kosten dan mogelijk is op grond van deze beleidsregel, dan kan de aanvrager er voor kiezen om het verschil bij te betalen. Als de aanvrager in dat geval wil bijbetalen gaat Duurzaam herstel door.
Nu het maximum bedrag voor Duurzaam herstel significant is verhoogd, is het logisch ook naar het gebied te kijken waar Duurzaam herstel kan bijdragen aan het verkleinen van de kans op herhaalschade. De meeste gebouwen die in aanmerking komen voor Duurzaam herstel zijn voor 1940 gebouwd. Een beving van 5 mm/s kan dan een schade die samenhangt met een constructief gebrek verergeren of laten terugkomen na herstel.1 In Loppersum zijn 25 bevingen geweest van 5 mm/s of hoger. 24 bevingen konden in Loppersum dus leiden tot herhaalde schade bij deze gebouwen. Het Instituut wil bij het inschatten van de kans op herhaalde schade aan de lage kant gaan zitten. Dit doet het Instituut op twee manieren.
In de eerste plaats kijkt het Instituut voor de kans op herhaalschade alleen naar
de historische bevingen. Dit is een overschatting omdat door het stoppen van de gaswinningen
de prognose is dat het aantal aardbevingen zal afnemen, al kan een zware beving, zoals
de recente beving van Zeerijp van 14 november 2025, niet worden uitgesloten. Het Instituut
sluit aan bij de bevindingen van het kabinet over de ontwikkeling van seismiciteit
in het Groningenveld in 2024, dat de trend van het afnemende aantal aardbevingen groter
dan magnitude 1,5 doorzet.2 TNO concludeert in haar onderzoek in opdracht van het Ministerie van Economische
Zaken en Klimaat dat het jaarlijks aantal bevingen een dalende trend laat zien sinds
de afnemende gaswinning per 2014 en dat deze trend zich naar verwachting voortzet.3 Samen met het dalend aantal bevingen nemen ook de seismische dreiging en de kans
op schade jaarlijks af, aldus TNO. Het grootste aantal bevingen vond in 2017 plaats.
Toen vonden er 123 bevingen plaats, van verschillende magnitudes. In 2024 is het aantal
bevingen ten opzichte van 2017 met ruim een factor 3 afgenomen tot 36. Uit het onderstaande
dashboard valt duidelijk de afnemende lijn in het aantal aardbevingen waar te nemen.4 
Door uit te gaan van historische bevingen kiest het Instituut dus bewust voor een behoedzame invulling van de verwachte herhaalschade. In de tweede plaats kiest het Instituut voor een laag aantal historische bevingen om rekening te houden met de verwachte herhaalschade. Het Instituut kiest voor 4 bevingen van 5 mm/s en wel om de volgende redenen. In de eerste plaats dienen er ten minste twee bevingen van 5 mm/s te zijn geweest om herhaalschade te kunnen veroorzaken die samenhangt met een gebrek aan de constructie. Eén beving kan immers niet leiden tot herhaalschade, daarvoor is een tweede beving nodig. In de tweede plaats ligt het niet in de rede de zware aardbevingen bij Westeremden van 8 augustus 2006 (3,5 magnitude op de schaal van Richter) en de beving bij Huizinge van 16 augustus 2012 (3,6 magnitude op de schaal van Richter) bepalend te laten zijn. Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) geeft aan dat de kans op een beving met een magnitude van 4 of hoger is gedaald van 5,5% naar circa 1%.5 Gelet op deze dalende kans en omdat er sinds de beving van Huizinge in 2012 geen beving met deze magnitude heeft plaatsgevonden, ligt het niet in de rede de bevingen van Westeremden (2006) en Huizinge (2012) beslissend te laten zijn voor de kans op herhaalschade in de toekomst. Door te kiezen voor ten minste vier bevingen van 5 mm/s zijn beide bevingen niet beslissend, omdat er naast beide bevingen nog 2 andere bevingen van 5 mm/s moeten zijn geweest. Gegeven ook het feit dat er in Loppersum 25 bevingen van 5 mm/s zijn geweest en ook omdat het seismische risico dalend is, is de keuze van vier bevingen van 5 mm/s behoedzaam.
Dat het aantal aardbeving afneemt, wil niet zeggen dat er geen zware beving meer kan plaatsvinden, zoals de beving van Zeerijp op 14 november 2025 helaas duidelijk heeft gemaakt. Deze beving had een magnitude van 3,4 op de schaal van Richter. Alleen de bevingen van Westeremden (2006) en Huizinge (2012) hadden een hogere magnitude. Al voor de beving van Zeerijp had het Instituut het voornemen om Duurzaam herstel mogelijk te maken als op de betreffende locatie vier bevingen van 5 mm/s hebben plaatsgevonden. Ook de beving van Zeerijp heeft trillingen van 5 mm/s en hoger veroorzaakt. Het gebied waar dit plaatsvond overlapt nagenoeg geheel met het gebied waarin vier trillingen van 5 mm/s of hoger eerder hebben plaatsgevonden. Dit gegeven maakt duidelijk dat het Instituut het gebied waar Duurzaam herstel mogelijk is, robuust heeft vastgesteld. De recente beving van Zeerijp behoort immers tot de zwaarste bevingen die in Groningen hebben plaatsgevonden.
Deze nieuwe beleidsregel leidt tot aanpassing van het gebied dat eerder was opgenomen in de bijlagen van de Beleidsregel Duurzaam herstel. Deze aanpassing draagt ook bij aan het voorkomen van verschillen, omdat in het gehele nieuwe gebied dezelfde norm geldt qua bevingen die in het verleden schade konden veroorzaken. Het hogere maximumbedrag van € 500.000 voor Duurzaam herstel vereist ook dat goed kan worden gemotiveerd wie wel en wie niet in aanmerking komt voor Duurzaam herstel om de kans op herhaalschade als gevolg van mijnbouw te verkleinen. Door de kans op herhaalschade te koppelen aan een aantal historische bevingen die schade konden veroorzaken, worden alle bewoners gelijk behandeld.
Met beide aanpassingen kunnen alle redelijke vormen van Duurzaam herstel die gericht zijn op het verkleinen van de kans op herhaalschade als gevolg van mijnbouw mogelijk gemaakt worden.
Inwoners die buiten het gebied wonen waar Duurzaam herstel mogelijk is, kunnen ook constructieve problemen hebben die niet veroorzaakt zijn door mijnbouw. Daadwerkelijk herstel gaat hier mogelijkheden bieden voor deze inwoners, mits dit zinvol en redelijk is. Bij daadwerkelijk herstel kunnen schades die door mijnbouw zouden kunnen ontstaan en niet eerder zijn beoordeeld, hersteld worden tot een bedrag van ten hoogste € 60.000. Een zettingsschade kan naar zijn aard ook ontstaan of verergerd zijn door mijnbouw. Daarom werkt het Instituut aan kaders om constructieve verbeteringen ook mogelijk te maken onder daadwerkelijk herstel. Wanneer dit beleid is uitgewerkt, zal het Instituut de Werkwijze aanpassen en bepaalde constructieve verbeteringen ook onder daadwerkelijk herstel mogelijk maken tot maximaal een bedrag van € 60.000.6 Indien er geen sprake is van een grote zettingsschade (D3-schade of groter) kan volstaan worden met het dichtmaken van de scheuren. Deze werkzaamheden kunnen plaatsvinden onder daadwerkelijk herstel en worden niet aangemerkt als constructieve verbeteringen.
De definities herstelmaatregel, schade en verergerde schade worden hieronder toegelicht.
De herstelmaatregel moet een op de website van het Instituut in een technisch kader vastgestelde herstelmaatregel betreffen. Alleen de herstelmaatregelen die opgenomen zijn in dit kader kunnen bij Duurzaam herstel worden toegepast. Maatregelen die niet zijn opgenomen in het kader, kunnen dus niet worden toegepast. Elke situatie is uniek. Het Instituut zal op basis van het geconstateerde gebrek en andere relevante omstandigheden bepalen of, en zo ja welke maatregel passend is. Deze afweging is allereerst technisch doelmatig en doeltreffend van aard: wat is de goedkoopste effectieve maatregel om Duurzaam herstel plaats te laten vinden. Ook kunnen andere omstandigheden meegewogen worden. De criteria in deze beleidsregel zijn soepel opgesteld en zullen naar verwachting in de meeste gevallen tot een redelijke uitkomst leiden. Een maatregel dient ook een proportionele maatregel te zijn. Daar waar de maatregel ten opzichte van de waarde van de woning of gegeven de specifieke omstandigheden van het geval niet proportioneel is, dient van de herstelmaatregel te worden afgezien.
In de Werkinstructie Herstel & Calculatie zijn beperkte constructieve maatregelen opgenomen die dienen om de kans op herhaalschade te verkleinen in specifieke omstandigheden. Hierbij valt te denken aan een ontbrekende lateiconstructie boven een raam of een ontbrekende dilatatievoeg. Deze maatregelen kunnen door de deskundige worden geadviseerd in de maatwerkprocedure of het Instituut kan hiervoor opdracht geven bij daadwerkelijk herstel als aan de voorwaarden van die werkinstructie is voldaan. Deze maatregelen zijn daarom uitgezonderd van Duurzaam herstel.
Onder schade valt schade die ontstaan of verergerd is door mijnbouw in het Groningenveld of de gasopslagen Norg of Grijpskerk. Bij Duurzaam herstel worden constructieve gebreken hersteld die niet veroorzaakt zijn door mijnbouw. Mijnbouw kan wel zorgen voor een verergering van een schade of herhaalschade, omdat de constructie al verzwakt is en dus minder goed bestand is tegen aardbevingen. Mocht de verergering van een schade niet in causaal verband staan met mijnbouw en hier dus geen schadevergoeding voor worden toegekend, dan is er geen sprake van schade in de zin van deze definitie.
Of een schade is verergerd, wordt beoordeeld door de actuele schade te vergelijken met de schade die is opgenomen in een vorige deskundigenrapport van het Instituut, TCMG, CVW of de NAM. Een verergering dient substantieel te zijn om relevant te zijn voor de beoordeling of Duurzaam herstel mogelijk is. Een verergering van één of een paar millimeters is normaal gesproken te weinig om relevant te zijn voor Duurzaam herstel.
In artikel 2 worden de voorwaarden omschreven waaraan moet worden voldaan om een procedure (artikel 3) te starten voor de aanvraag van een tegemoetkoming en vormt een samenvoeging van de artikelen 2 en 3 van de vorige Beleidsregel Duurzaam herstel.
Het eerste lid bepaalt de entree-eisen om in aanmerking te komen voor Duurzaam herstel die niet afhankelijk zijn van een deskundigenadvies in de zin van artikel 12 van de Wet of een constructieve schouw of onderzoek als bedoeld in artikel 3. Deze voorwaarden zijn als volgt:
Net als bij de pilot Duurzaam herstel wordt een tegemoetkoming in beginsel alleen voor ‘woningen’ toegekend. De gedachte hierachter is dat de impact van herhaalschade als gevolg van mijnbouw groter is bij een woning dan een gebouw dat alleen zakelijk wordt gebruikt. Uitzonderingen op dit uitgangspunt vormen artikel 2, vijfde lid, en artikel 3, vierde lid. Deze uitzonderingen worden toegelicht bij de betreffende leden.
Nu het doel van Duurzaam herstel niet ligt in het vergoeden van schade door reeds opgetreden bodembeweging, maar in het voorkomen van herhaalschade door toekomstige bodembeweging, wordt zoals in het algemene deel van de toelichting aangegeven gekozen voor een lage verwachting van de kans op herhaalschade door als voorwaarde te stellen dat een gebouw ten minste vier bevingen van 5 mm/s of hoger heeft meegemaakt. Hierbij hanteert het Instituut een 1% overschrijdingskans, waardoor de werkelijke bevingen lager zijn dan de berekende bevingen via de methode Bommer 2019. Nieuwe bevingen, die plaats hebben gevonden vanaf januari 2026 tellen niet mee, dit gelet op de reeds aanwezige onzekerheidsmarges en zodat het gebied waar Duurzaam herstel plaatsvindt voorspelbaar is. Indien de seismiciteit anders dan verwacht toeneemt, zal het Instituut een afweging maken of een verandering van het gebied bijdraagt aan het voorkomen van herhaalschade. Aspecten die meegewogen worden zijn nieuwe inzichten van de geëigende autoriteiten waaruit een trendbreuk naar voren komt in de seismologische activiteit of risico’s.
De tegemoetkoming voor Duurzaam herstel wordt alleen in natura toegekend. Als een aanvrager kiest voor Duurzaam herstel zal zijn schade alleen in de vorm van te treffen maatregelen in natura worden vergoed, door een aannemer van het Instituut de schade te laten herstellen. Schadeherstel en Duurzaam herstel worden daarmee gelijktijdig door dezelfde aannemer uitgevoerd. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de constructieve maatregelen en het schadeherstel daadwerkelijk worden getroffen en dat die door een professionele en bekwame partij die optreedt namens het Instituut worden uitgevoerd. Het Instituut biedt deze mogelijkheid via Herstel in natura en Daadwerkelijk herstel door een aannemer van het Instituut.
Met dit onderdeel wordt verwezen naar de voorwaarden, genoemd in artikel 2.13, tweede lid, Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022, waarin wordt bepaald wanneer Daadwerkelijk herstel niet mogelijk is. De ratio hiervan is dat als een woning bijvoorbeeld geen dak meer heeft of de bewoner al tot sloop heeft besloten, Duurzaam herstel niet meer redelijk is.
Als er sprake is van samenloop met de versterking en er gelet op de aard en omvang van de te treffen versterkingsmaatregelen in combinatie met het Duurzaam herstel wordt gekozen voor sloop en nieuwbouw van het gebouw, kan de tegemoetkoming met instemming van de eigenaar ook rechtstreeks ter beschikking worden gesteld aan de NCG ten behoeve van de sloop en nieuwbouw van het gebouw. Hierbij gaat het om de situatie dat een gebouw zowel versterkt moet worden en ook Duurzaam herstel nodig is. Als beide maatregelen tezamen duurder zijn dan sloop en nieuwbouw, dan kan het bedrag voor Duurzaam herstel ook daarvoor aangewend worden. Zo kunnen inwoners tegen lagere kosten beter geholpen worden. De zinsnede ‘met uitzondering van sloop en nieuwbouw van het gebouw bij samenloop’, maakt duidelijk dat sloop en nieuwbouw bij samenloop mogelijk is.
Ook als er geen sprake is van versterking zou sloop en nieuwbouw door het Instituut een proportionele optie kunnen zijn. Hierbij valt te denken aan de situatie die beschreven is in de Praktische Uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor Deskundigen. Daarin is aangegeven dat als sloop en nieuwbouw in de rede ligt als het niet verantwoord is om de geconstateerde schade te herstellen, maar dat een redelijk handelend eigenaar ervoor zou kiezen om het gebouw te slopen en opnieuw te bouwen. Dit is het geval indien de kosten voor het herstel van de schade, hoger zouden zijn dan de kosten van sloop en nieuwbouw van het gebouw. Deze overweging is onder het schadevergoedingsrecht gemaakt en kan mogelijk ook doorgetrokken worden naar Duurzaam herstel. Het Instituut gaat daarom overwegen wat de voor- en nadelen zijn om sloop en nieuwbouw ook onder Duurzaam herstel mogelijk te maken. Daarbij kijkt het Instituut ook naar de uitvoerbaarheid. Als de uitkomst van die afweging is, dat sloop en nieuwbouw in specifieke omstandigheden kan worden toegestaan, dan zal het technisch kader hierop worden aangepast. In het technisch kader worden dan de criteria opgenomen wanneer sloop en nieuwbouw zou kunnen worden toegepast. Pas daarna kan overgegaan worden tot deze maatregel. Hierbij geldt uiteraard dat de maximale bijdrage uit artikel 4 in acht wordt genomen en bij overschrijding van het maximum de aanvrager dient bij te betalen. Mocht de afweging negatief uitpakken, dan zal het Instituut sloop en nieuwbouw niet toestaan.
Het Instituut kent maximaal tweemaal een tegemoetkoming in de vorm van Duurzaam herstel toe aan dezelfde aanvrager. Hiermee wordt de proportionaliteit van de tegemoetkoming gewaarborgd en wordt aangesloten bij de afbakening van andere regelingen, zoals de (Aanvullende) Vaste Vergoeding en Daadwerkelijk Herstel die eveneens een maximum kennen. Omdat de tegemoetkoming veel hoger is dan een forfaitaire schadevergoeding van ten hoogste € 10.000, wordt een maximum van twee redelijk geacht.
Zoals hierna toegelicht onder het derde lid, wordt een procedure voor een tegemoetkoming in beginsel alleen gestart wanneer aan de hand van het advies van de (onafhankelijke) deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade het vermoeden bestaat dat er een gebrek aan de constructie van het gebouw is. Ook worden met het vierde lid voorwaarden gesteld aan de aanvraag. Met dit onderdeel worden de voorwaarden genoemd in het derde en vierde lid ook van toepassing verklaard op aanvragen die niet worden ingediend volgens de door het Instituut bedoelde procedure.
Het Instituut kan besluiten om af te wijken van deze voorwaarde en toch een schadevergoeding in geld toekennen. Bijvoorbeeld als aanvrager de schade reeds (gedeeltelijk) zelf heeft hersteld, omdat hij nog niet wist in aanmerking te komen voor Duurzaam herstel. In dat geval zal het Instituut de aanvrager een schadevergoeding in geld toekennen, maar aan de toekenning van een tegemoetkoming Duurzaam herstel aanvullende voorwaarden verbinden. Hierbij kan worden gedacht aan de voorwaarde dat de schades uit het adviesrapport voor de vergoeding van fysieke schade die nog niet zijn hersteld, maar waar wel een schadevergoeding voor is toegekend, alsnog worden hersteld.
De kosten voor het constructief onderzoek bedoeld in artikel 3 zijn relatief hoog. Om te voorkomen dat onnodig kosten worden gemaakt, wordt een procedure voor de aanvraag van een tegemoetkoming in beginsel alleen gestart wanneer aan de hand het advies van de (onafhankelijke) deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan het gebouw, bedoeld in artikel 12 van de wet, het vermoeden bestaat dat er een gebrek aan de constructie van het gebouw is. Indien dat het geval is, zal het Instituut de aanvrager uitnodigen om een aanvraag in te dienen voor een tegemoetkoming. Dit lid regelt de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voordat het Instituut de aanvrager uitnodigt om een aanvraag voor een tegemoetkoming in te dienen.
Allereerst moet er sprake zijn van nieuwe schade. Hieronder wordt verstaan schade zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen, daaronder begrepen de kosten van iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade als bedoeld in artikel 184 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Dat houdt in dat eigenaren, om in aanmerking te kunnen komen voor een tegemoetkoming voor Duurzaam herstel, een melding moeten doen van een nieuwe fysieke schade (dat wil zeggen niet eerder behandelde schade), met inbegrip van schade die na eerder herstel opnieuw is ontstaan of verergerde schade. Deze aanvraag om schadevergoeding wordt behandeld in de reguliere fysieke schadeketen. Conform die reguliere procedure wordt over die aanvraag om schadevergoeding advies uitgebracht door een door het Instituut benoemde onafhankelijke deskundige.
Met dit onderdeel wordt een ondergrens gesteld aan de aard van de schade die met het uitvoeren van de constructieve maatregelen wordt opgelost en mogelijk in de toekomst kan worden voorkomen. Deze grens is gesteld op minimaal D3-schade zoals omschreven in het technisch kader. De omvang van de schade wordt vastgesteld aan de hand van de schadekenmerken zoals genoemd in het advies van de deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan het gebouw, bedoeld in artikel 12 van de wet. Bij een minimale omvang van D3-schade wordt vermoed dat de schade mogelijk gerelateerd is aan een onderliggend gebrek aan de constructie. Het heeft namelijk technisch gezien geen zin om niet constructieve schade (bijvoorbeeld krimpscheuren) te herstellen met (ingrijpende) constructieve maatregelen. Indien aanvrager dat wenst wordt dit nader onderzocht aan de hand van de procedure (artikel 3).
Onder de vorige Beleidsregel Duurzaam herstel werd een ondergrens van € 15.000 aan totale fysieke schade gehanteerd om in aanmerking te komen voor constructief onderzoek ten behoeve van Duurzaam herstel. Dit is inclusief schade vergoed door CVW en NAM. De ondergrens van € 15.000 was gekozen als criterium omdat de kosten van een nader constructief onderzoek relatief hoog zijn en de constructieve maatregelen en de met de werkzaamheden gepaard gaande hinder en ongemakken significant zijn en anders niet in verhouding staan tot de omvang van de schade. In de praktijk blijkt dat er onvoldoende relatie is tussen het totale schadebedrag en het constructieve probleem van de woning en daarmee het voorkomen van herhaalschade. Daarom wordt het criterium als volgt aangepast.
Het Instituut gaat allereerst uit van een verlaagde ondergrens van € 5.000 voor het herstel van D3-schade, zoals bedoeld in onderdeel b. Deze grens concentreert Duurzaam herstel op woningen waar D3-schades dominant zijn. Hierbij tellen ook oude NAM-, CVW, TCMG- en IMG-rapporten mee. Constructieve maatregelen vallen hier niet onder, omdat die ook bedoeld zijn om een verzwakte constructie te herstellen. Indien bijvoorbeeld een schadevergoeding voor klein Duurzaam herstel of funderingsverbetering is toegekend, is dat een vergelijkbare maatregel en dan ligt het niet in de rede die ook mee te tellen voor de ondergrens van € 5.000. Uit artikel 3, lid 5, sub h, volgt dat zo’n vergoeding niet nogmaals wordt toegekend.
Vanaf december 2024 calculeert het Instituut op ruimteniveau. Een ruimte is bijvoorbeeld een woonkamer of een slaapkamer. Op ruimteniveau is het niet eenvoudig om de kosten van constructieve schades te splitsen van niet-constructieve schade. Als in een ruimte een constructieve D3-schade aanwezig is, telt daarom het schadebedrag van de gehele ruimte mee voor het behalen van de ondergrens van € 5.000.
Indien de ondergrens van € 5.000 niet wordt gehaald, acht het Instituut het ook in de volgende gevallen opportuun om de eigenaar van een woning te benaderen voor het indienen van een aanvraag.
De kosten voor het herstel van schade aan buitengevels zijn doorgaans relatief laag, doordat er meestal geen kosten gemaakt worden voor wandafwerking, zoals het herstel van stuc- of sauswerk. Wanneer een D3-schade zich bevindt in de buitengevels, zal daarom niet snel zijn voldaan aan de ondergrens van € 5.000. Om te voorkomen dat ernstige constructieve gebreken die zich uiten door scheurvorming in buitengevels door een gebrek aan benodigde herstelkosten buiten beschouwing blijven, geldt de ondergrens van € 5.000 in dat geval niet.
Deelname aan de versterkingsoperatie brengt reeds een significante mate van hinder en ongemak met zich voor de aanvrager. Bovendien constateert het Instituut dat aanvragers die deelnemen aan het versterkingstraject geregeld schades niet melden in afwachting van een versterkingsbesluit. Deze schades moeten eerst beoordeeld worden alvorens bepaald kan worden of de ondergrens wordt gehaald en de aanvrager in aanmerking kan komen voor Duurzaam herstel. Tot slot is relevant dat er alleen versterkt wordt als er een veiligheidsrisico is. Schade kan echter eerder optreden dan een veiligheidsrisico. Nu Duurzaam herstel tot doel heeft nieuwe schade te voorkomen, ligt het niet voor de hand wel te versterken, maar geen Duurzaam herstel aan te bieden als hiervoor wel een technische noodzaak is. Het Instituut acht het handhaven van de ondergrens, gelet op deze praktische realiteit bij samenloopgevallen, niet in lijn met het doel van de ondergrens.
Bij aanvang van de Beleidsregel Duurzaam herstel is ervoor gekozen om geen wijzigingen aan te brengen in de mogelijkheid voor aanvragers om een vergoeding te ontvangen voor bijkomende kosten die zijn veroorzaakt door de fysieke schade waarvoor een schadevergoeding wordt toegekend. Eventuele bijkomende kosten die het gevolg zijn van de werkzaamheden in het kader van Duurzaam herstel worden vergoed onder de tegemoetkoming. Doordat het schadeherstel en Duurzaam herstel gelijktijdig door dezelfde aannemer worden uitgevoerd, is het in de praktijk lastig te onderscheiden of de bijkomende kosten van de aanvrager verband houden met het schadeherstel of Duurzaam herstel.
Bij een keuze voor Daadwerkelijk herstel gaat de aanvrager ermee akkoord dat hij een vaste eenmalige en finale vergoeding van € 2.000,– ontvangt voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. Die vaste vergoeding ziet bij Daadwerkelijk herstel niet op reiskosten, verhuiskosten, overnachtingskosten en opslagkosten. Bij maatwerk wordt die vaste vergoeding voor (de meeste) bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast niet toegekend. Hierdoor ontstaat een zekere ongelijkheid tussen aanvragers die kiezen voor een individuele maatwerkbeoordeling en aanvragers die kiezen voor Daadwerkelijk herstel. Gelet hierop wordt een tegemoetkoming enkel toegekend indien de aanvrager instemt met een vaste eenmalige en finale vergoeding in overeenstemming met de vergoeding die aanvragers ontvangen bij een keuze voor Daadwerkelijk herstel.
Het risico bestaat dat een eventueel verleende tegemoetkoming dient te worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Aanvragers die (tevens) ondernemer zijn, wordt daarom gevraagd een verklaring de-minimissteun te overleggen. Blijkt uit deze verklaring dat de tegemoetkoming geheel of ten dele zou moeten worden beschouwd als onverenigbaar met de interne markt als bedoeld in artikel 107 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan heeft de aanvrager geen aanspraak op een tegemoetkoming.
Het kan voorkomen dat een constructief gebrek aan een gebouw alleen duurzaam kan worden hersteld als ook de constructie van één of meer andere, daaraan verbonden, gebouwen wordt hersteld (bijvoorbeeld bij rijtjeswoningen of twee-onder-een-kapwoningen). Dat een dergelijke situatie zich voordoet moet blijken uit het nader constructief onderzoek. Als deze situatie zich voordoet kunnen de eigenaren van dat andere gebouw of die andere gebouwen eveneens aanspraak maken op een tegemoetkoming voor Duurzaam herstel voor de betreffende herstelmaatregel. Het is uiteraard aan de betrokken eigenaren of zij daarvan gebruik wensen te maken. Als één van de betrokken eigenaren dat niet wil, kan helemaal geen Duurzaam herstel plaatsvinden. Wat betreft de hoogte van de tegemoetkoming wordt in deze situaties een aanvullende toets op de proportionaliteit gedaan.
Dit artikel regelt de hoofdlijn van de procedure die wordt gevolgd om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming voor Duurzaam herstel, nadat een aanvraag voor een tegemoetkoming is ingediend.
De procedure start met een schouw, waarbij de schade die aanleiding heeft gegeven tot het vermoeden dat er sprake is van een gebrek aan de constructie visueel wordt geïnspecteerd. Indien de aard van de schade daartoe aanleiding geeft, wordt constructief onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Instituut. Dit kan anders zijn als het betreffende gebouw tevens in de versterkingsopgave is opgenomen. Dan kan het nader constructief onderzoek worden betrokken in het versterkingsproces en worden uitgevoerd door de NCG in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, van de wet. Als uit de schouw of uit het constructief onderzoek volgt dat Duurzaam herstel niet zinvol of redelijk is, wordt geen tegemoetkoming voor Duurzaam herstel toegekend (vijde lid, sub b). Voordat een dergelijk besluit wordt genomen, wordt de eigenaar van het gebouw in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarop te geven.
Het kan voorkomen dat de schouw volstaat om vast te stellen dat een gebrek met relatief lichte maatregelen hersteld kan worden. Nader onderzoek blijft dan achterwege. Als uit de schouw of het constructief onderzoek volgt dat Duurzaam herstel wel zinvol en redelijk is, wordt aan de eigenaar een voorstel gedaan voor een tegemoetkoming en de te treffen herstelmaatregel. Voor het doen van dat voorstel wordt gebruik gemaakt van het technisch kader. Het is vervolgens aan de eigenaar of hij instemt met het aldus voorgestelde herstel.
Het vijfde lid bepaalt wanneer een tegemoetkoming wordt geweigerd. Dit is wanneer een aanvrager niet meer voldoet aan de initiële voorwaarden (onderdeel a), een redelijke maatregel niet mogelijk is (onderdeel b), de aanvrager niet instemt met de voorgestelde maatregel (onderdeel c), Duurzaam herstel niet mogelijk is binnen het maximum bedrag, tenzij de aanvrager wenst bij te betalen en hiertoe binnen de gestelde termijn overgaat (onderdeel d), de eigenaar van het gebouw waarmee de woning constructief verbonden is, niet instemt met Duurzaam herstel (onderdeel e), door keuzes van de aanvrager het niet mogelijk is binnen een redelijke termijn tot Duurzaam herstel over te gaan (omdat de aanvrager geen tijd heeft om te overleggen of door toedoen van de aanvrager het Instituut de bouwcapaciteit niet efficient kan aanwenden of de beslistermijnen kan halen) (onderdeel f) of de in artikel 4, tweede lid, bedoelde kosten op andere wijze zijn of worden vergoed (onderdeel g). De beleidsregel kent gelijkenissen met bestaande regelingen, zoals de Subsidieverordening funderingsproblematiek Woltersum 2021, de Subsidieregeling constructieve maatregelen blok B gemeente Oldambt 2023 en subsidies voor de instandhouding van Rijksmonumenten. Om een dubbele uitkering te voorkomen, wordt een tegemoetkoming geweigerd, indien en voor zover de in artikel 4, tweede lid, bedoelde kosten op andere wijze zijn of worden vergoed. Dit geldt ook indien op basis van het schadevergoedingsrecht een vergoeding voor constructieve maatregelen is toegekend.
Over het al dan niet toekennen van een tegemoetkoming voor Duurzaam herstel, – en zo ja, over de aard en de omvang daarvan – wordt door het Instituut een separaat besluit genomen, los van het besluit op de aanvraag om schadevergoeding. Tegen het besluit inzake de tegemoetkoming voor Duurzaam herstel staat ook bezwaar en beroep open.
De tegemoetkoming voor Duurzaam herstel wordt alleen in natura toegekend. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de constructieve maatregelen daadwerkelijk worden getroffen en dat die door een professionele partij worden uitgevoerd. Het kan voorkomen dat reeds vergoede schade uit de aard der zaak meegenomen moet worden bij het treffen van maatregelen in het kader van Duurzaam herstel. Dit is het geval als Duurzaam herstel niet kan worden uitgevoerd zonder het herstel van die schade daarin mee te nemen. Bijvoorbeeld als in het kader van Duurzaam herstel een muur volledig opnieuw opgemetseld moet worden en in deze muur een scheur zit waarvoor eerder al schadevergoeding is toegekend, maar nog geen herstel van die scheur heeft plaatsgevonden. Het Instituut kiest er in die gevallen voor de reeds voor die schade uitgekeerde schadevergoeding niet terug te vragen, om te voorkomen dat aanvragers om financiële redenen geen gebruik (kunnen) maken van Duurzaam herstel.
De tegemoetkoming (in natura) voor Duurzaam herstel ziet op de onvermijdelijke kosten voor het constructieve herstel. Dit betreft in de eerste plaats de kosten van daadwerkelijke herstelmaatregelen en de constructieve overige kosten (denk aan het plaatsen van een paal en de kosten van het weghalen en terugplaatsen van de vloer om die paal te kunnen plaatsen). Ook kosten die direct samenhangen met de constructieve maatregelen vallen er onder. Dat zijn bijvoorbeeld de kosten voor het terugplaatsen van een keuken of vloertegels en kosten voor tijdelijk verblijf elders gedurende de periode van de werkzaamheden. Uitgangspunt is dat de bestaande elementen, zoals een keuken, worden teruggeplaatst. Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de keukenelementen moeten worden gesloopt, wordt bij het plaatsen van nieuwe elementen een gelijkwaardig element teruggeplaatst. Extra kosten omdat een eigenaar bijvoorbeeld niet een vergelijkbare keuken wil terugplaatsen, maar een duurdere variant, worden niet vergoed.
Bij de start van de pilot Duurzaam herstel is uitgegaan van de richtlijn dat de waarde van herstelmaatregelen maximaal € 125.000 per gebouw zou bedragen (inclusief BTW en overige kosten, maar exclusief onderzoeks-, proces- en organisatiekosten van het Instituut). De inschatting op basis van vergelijkbare regelingen was dat dit bedrag ruim genoeg zou zijn om in de meeste gevallen Duurzaam herstel mogelijk te maken. Voor uitzonderingen is daarbij de ruimte gelaten om in specifieke gevallen een hogere tegemoetkoming toe te kennen.
In de praktijk blijkt er een grote bandbreedte in de kosten van de herstelmaatregelen van Duurzaam herstel. Op basis van de constructieve onderzoeken en schouwen van de eerste dossiers is gebleken dat in ongeveer de helft van de gevallen Duurzaam herstel alleen effectief mogelijk kan worden gemaakt door het maximumbedrag van € 125.000 te overschrijden. Vanuit de door het Instituut geformuleerde ambitie geredeneerd, namelijk het bouwen aan perspectief voor de groep burgers die het meeste heeft meegemaakt, en waar de kans op herhaalschade door mijnbouw reëel is (artikel 2, eerste lid, onderdeel b), is een hoger maximum per gebouw nodig.
Om te voorkomen dat maatregelen worden getroffen die niet in verhouding staan tot de waarde van het betreffende gebouw, is een nieuw maximumbedrag vastgesteld gebaseerd op 100% van de WOZ-waarde. De wijze van benaderen via de WOZ-waarde sluit aan op de door het IMG gekozen systematiek voor de regeling Waardedaling. Daarnaast is de WOZ-waarde op individuele basis toe te passen zonder de onzekerheden, benodigde capaciteit en noemenswaardige kosten die verbonden zijn aan individuele taxaties.
De maximale hoogte van de tegemoetkoming is vastgesteld op € 500.000. Voor het bepalen van de hoogte is gekeken naar de bij het CBS beschikbare data over de WOZ-waarde van koopwoningen in de gemeenten binnen het Duurzaam herstel-gebied. Hierbij is uitgegaan van een gewogen gemiddelde WOZ-waarde in deze gemeenten in 2025, verhoogd met een opslag van 27% om rekening te houden met de verwachte groei van WOZ-waardes tot 2029. Het Instituut verwacht hiermee een ruime meerderheid van de aanvragers Duurzaam herstel te kunnen bieden zonder overschrijding van het maximumbedrag.
Het kan zijn dat een gebouw in zo’n slechte constructieve staat is dat hierdoor de WOZ-waarde aanzienlijk lager uitvalt. Funderingsproblemen zijn namelijk omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de marktwaarde en daarmee op de WOZ-waarde, als dit bij de gemeente bekend is. Om verschillen te voorkomen kan het Instituut in gevallen waarin funderingsproblemen reeds verdisconteerd zijn in de WOZ-waarde besluiten de waarde van de woning, en daarmee de maximale hoogte van de tegemoetkoming, op een andere wijze te bepalen. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van een taxatie waarbij het pand wordt getaxeerd zonder rekening te houden met het constructieve gebrek, of door de herbouwwaarde van de woning te berekenen volgens de werkwijze van de NCG bij samenloop.
Het Instituut geeft daarnaast een bijzondere positie aan Rijksmonumenten vanwege de rol van erfgoed in de hersteloperatie en het perspectief in de regio. Voor Rijksmonumenten wordt daarom geen maximumbedrag gesteld. Het Instituut weegt hierin mee dat voor het herstel van Rijksmonumenten specifieke eisen kunnen gelden die goedkopere alternatieven onmogelijk kunnen maken. Ook is sloop en nieuwbouw geen optie in het geval van Rijksmonumenten. Eis blijft dat de tegemoetkoming Duurzaam herstel niet disproportioneel hoog kan zijn.
Gemengde objecten zijn WOZ-objecten waarin gewoond kan worden en die ook een andere functie hebben, zoals praktijkwoningen, woon-winkelpanden of agrarische objecten. Bij het bepalen van de OZB-aanslag moet er rekening worden gehouden met het gedeelte van de WOZ-waarde dat toe te kennen is aan het woongedeelte. Als het woongedeelte meer dan 70% van de waarde vormt, wordt het WOZ-object beschouwd als een woning volgens de Waarderingskamer. In andere gevallen wordt het gebouw voor de WOZ beschouwd als een niet-woning, waar dus ook in gewoond wordt. Vaak staat de WOZ-waarde van het woondeel apart vermeld. In die gevallen is de WOZ-waarde van het niet-woninggedeelte vaak hoger dan het woninggedeelte. Omdat Duurzaam herstel primair bedoeld is voor woningen, kan het Instituut bepalen dat voor de maximale tegemoetkoming wordt uitgegaan van de WOZ-waarde van het woongedeelte en, indien redelijk, een deel van de WOZ-waarde van de niet-woning.
Met de inwerkingtreding van de Beleidsregel Duurzaam herstel 2026, wordt de Beleidsregel Duurzaam herstel ingetrokken. Voor aanvragen, ingediend voor inwerkingtreding van de Beleidsregel Duurzaam herstel 2026, wordt uitgegaan van een eerbiedigende werking van de voorwaarden uit de Beleidsregel Duurzaam herstel. Hiermee wordt voorkomen dat aanvragers die onder de voorwaarden van de Beleidsregel Duurzaam herstel in aanmerking zouden zijn gekomen voor een tegemoetkoming, een afwijzing ontvangen. Bijvoorbeeld omdat zij niet langer in een gebied wonen waar Duurzaam herstel wordt aangeboden.
Er geldt geen eerbiedigende werking voor de bepalingen uit artikel 5 Beleidsregel Duurzaam herstel. In plaats daarvan gelden de bepalingen uit artikel 4 Beleidsregel Duurzaam herstel 2026. Zoals toegelicht onder artikel 4 wordt de maximale hoogte van de tegemoetkoming aangepast omdat het maximum van € 125.000, inclusief btw van de Beleidsregel Duurzaam herstel in de praktijk te laag bleek. Het Instituut acht het daarom redelijk om de gewijzigde voorwaarden van artikel 4 Beleidsregel Duurzaam herstel 2026 ook toe te passen op aanvragen ingediend voor inwerkingtreding van deze beleidsregel. Gezien deze wijziging van voorwaarden begunstigend werkt voor de aanvrager bestaat daar geen bezwaar tegen.
Duurzaam herstel was voorheen mogelijk in specifieke postcodegebieden. Met deze nieuwe beleidsregel wordt meer focus gelegd op het gebied waar de kans op herhaalschade Duurzaam herstel kan rechtvaardigen. Deze aanpassing heeft tot gevolg dat een beperkt aantal eigenaren aan wie nu Duurzaam herstel is toegekend, op basis van deze beleidsregel niet meer in aanmerking zou komen voor Duurzaam herstel indien hun zaak onder de nieuwe beleidsregel zou zijn opgepakt. Dit betekent ook dat andere eigenaren in dezelfde straat, niet in aanmerking komen voor Duurzaam herstel indien bij hen niet ten minste 4 bevingen van 5 mm/s zijn geweest voor 1 januari 2026. Duurzaam herstel was een pilot. Een pilot is om te leren, en gemaakte keuzes in de pilot hoeven niet naar de toekomst doorgetrokken te worden. Wanneer er echter sprake is van onaanvaardbare verschillen, kan maatwerk geleverd worden en, als wel aan de overige voorwaarden is voldaan, Duurzaam herstel worden aangeboden in de gebieden waar nu Duurzaam herstel niet meer mogelijk is. Het woord ‘onaanvaardbare’ sluit aan bij de Commissie Verschillen (de commissie-Van Geel). De Commissie gaf aan dat ‘onaanvaardbare verschillen’ moesten worden aangepakt. Gelet op de beperkte aantallen eigenaren die Duurzaam herstel toegekend hebben gekregen buiten het nieuwe gebied waar Duurzaam herstel mogelijk is, verwacht het Instituut dat nauwelijks gebruik hoeft te worden gemaakt van deze bevoegdheid. Het spreekt voor zich dat als het gebruik van deze bevoegdheid meer problemen qua verschillen kan veroorzaken dan oplossen, niet van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt.
Groningen, 20 november 2025
H.C.D. Korvinus Voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
E.C.M. van Schie Plaatsvervangend voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
B.J. Wierenga Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
S.F.M. Wortmann Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-40634.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.