Zorgvervoer en Taxi 2025

Verbindendverklaring gewijzigde cao-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 december 2025 tot wijziging van het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Zorgvervoer en Taxi

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen het verzoek van KNV Zorgvervoer en Taxi mede namens de andere partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partij ter ener zijde: KNV Zorgvervoer en Taxi;

Partijen ter andere zijde: FNV en CNV.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Dictum I

Het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Zorgvervoer en Taxi1 wordt met inachtneming van dictum II als volgt gewijzigd:

A

De onder dictum I opgenomen bepalingen worden als volgt gewijzigd:

Artikel 1.4 komt te luiden:

‘1.4 Dispensatie van deze CAO

Partijen bij deze CAO kunnen aan de werkgever of werknemer die daarom vraagt dispensatie verlenen van (één of meer bepalingen in) deze overeenkomst. De procedure voor het indienen en behandelen van een dispensatieverzoek is opgenomen in bijlage 5 van deze CAO.

Partijen bij deze CAO kunnen dispensatie verlenen als:

  • de situatie (tijdelijk) zo afwijkend is van hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is dat in redelijkheid niet van een werkgever kan worden gevergd dat de CAO (bepalingen) onverkort word(t)(en) toegepast of

  • de situatie (tijdelijk) zo afwijkend is van hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is dat in redelijkheid niet van een werkgever kan worden gevergd dat de CAO (bepalingen) onverkort word(t)(en) toegepast, het afwijkende arbeidsvoorwaardenpakket tot stand is gekomen in samenspraak met een werknemersorganisatie die onafhankelijk is van de werkgever en het gehele arbeidsvoorwaardenpakket tenminste gelijkwaardig blijft aan deze CAO.’

Artikel 3.10.1 komt te luiden:

‘3.10.1 Lonen niet-rijdend personeel

De lonen gelden voor een arbeidstijd van 40 uren per week, verdeeld over gemiddeld 5 dagen per week.

Onder niet-rijdend personeel wordt in ieder geval de centralist/planner, telefonist en administratieve kracht verstaan, zoals omschreven in artikel 3.9. Voor zover de functie van niet-rijdend personeel niet onder één van de beschrijvingen uit artikel 3.9 valt, kan de werkgever deze in de loonschaal ‘overige’ plaatsen.

Loontabel per 1 juli 2025 niet-rijdend personeel (inclusief verhoging WMUL)
 

Overige

Telefonist(e)

Administr. medew.

Centralist/planner

Leeftijd

Loontrede

maandloon

uurloon

maandloon

uurloon

maandloon

uurloon

maandloon

uurloon

15 jaar

 

€ 751,68

€ 4,32

€ 751,68

€ 4,32

€ 751,68

€ 4,32

€ 773,54

€ 4,46

16 jaar

 

€ 864,78

€ 4,97

€ 864,78

€ 4,97

€ 864,78

€ 4,97

€ 889,62

€ 5,13

17 jaar

 

€ 990,06

€ 5,69

€ 990,06

€ 5,69

€ 990,06

€ 5,69

€ 1018,50

€ 5,88

18 jaar

 

€ 1.252,80

€ 7,20

€ 1.252,80

€ 7,20

€ 1.252,80

€ 7,20

€ 1.252,80

€ 7,20

19 jaar

 

€ 1.503,36

€ 8,64

€ 1.503,36

€ 8,64

€ 1.503,36

€ 8,64

€ 1.503,36

€ 8,64

20 jaar

 

€ 2.004,48

€ 11,52

€ 2.004,48

€ 11,52

€ 2.004,48

€ 11,52

€ 2.004,48

€ 11,52

                   

0/3 mnd

0

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.505,60

€ 14,42

4/12 mnd

0

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.578,47

€ 14,88

 

1

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.645,93

€ 15,27

 

2

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.505,60

€ 14,40

€ 2.527,93

€ 14,58

€ 2.713,35

€ 15,65

 

3

€ 2.505,60

€ 14,44

€ 2.508,09

€ 14,47

€ 2.578,47

€ 14,88

€ 2.780,79

€ 16,04

 

4

€ 2.558,03

€ 14,76

€ 2.561,63

€ 14,78

€ 2.629,05

€ 15,17

€ 2.848,20

€ 16,43

 

5

€ 2.610,33

€ 15,06

€ 2.612,18

€ 15,07

€ 2.679,67

€ 15,46

€ 2.915,64

€ 16,82

 

6

   

€ 2.662,80

€ 15,36

€ 2.730, 23

€ 15,75

€ 2.983,07

€ 17,21

 

7

   

€ 2.713,35

€ 15,65

€ 2.780, 79

€ 16,04

€ 3.050,50

€ 17,60

 

8

   

€ 2.63,95

€ 15,95

€ 2.831,37

€ 16,34

€ 3.117,94

€ 17,99

 

9

   

€ 2.814,53

€ 16,24

€ 2.881,95

€ 16,63

€ 3.185,41

€ 18,38

 

10

   

€ 2.865,08

€ 16,53

€ 2.932,49

€ 16,92

€ 3.252,81

€ 18,77

 

11

       

€ 2.983,07

€ 17,21

€ 3.320,25

€ 19,16

 

12

           

€ 3.387,66

€ 19,54’

Artikel 5.1.1 komt te luiden:

‘5.1.1 Regels betreffende uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten

  • 1. De artikelen 2.1 (standplaats, onbetaalde periodes en verloonde tijd rijdend personeel), 2.2 (arbeidstijd niet-rijdend personeel), 2.3 (dienstrooster) -echter met uitzondering van art. 2.3.2 (langer werken door de werknemer en intrekken roostervrije dag)-, 2.5 (collectieve regeling Atb-v/ATW), 3.1 (definities ervaringsjaar en dienstjaar), 3.2 (inschaling rijdend personeel), 3.3 (inschaling niet-rijdend), 3.5 (lonen rijdend personeel), 3.6 (loonsverhoging rijdend personeel), 3.7 (inschalingsmatrix), 3.9 (functiebeschrijving niet-rijdend personeel), 3.10 (lonen niet-rijdend personeel), 3.11 (loonsverhoging niet-rijdend personeel), 3.12.2 (berekenen meer/overuren en overurenvergoeding), de duur van vakantie, het werken op feestdagen en de bepalingen in hoofdstuk 6 van deze CAO zijn van overeenkomstige toepassing op de uitzendkracht, niet zijnde payrollkracht, als vakkracht (en op de uitzendkracht, niet zijnde payrollkracht, die langer dan 26 weken werkzaam is bij een werkgever), met dien verstande dat voor die vakkracht respectievelijk uitzendkracht, niet zijnde payrollkracht, de bij zijn functie behorende loonschaal geldt naar rato van het aantal gewerkte uren en met dien verstande dat met ‘werkgever’ steeds ‘inlener’ bedoeld wordt.

    Als met deze bepaling ten nadele van uitzendkrachten wordt afgeweken van de essentiële arbeidsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8 lid 1 van de Waadi, dan moet dit nadeel volledig worden gecompenseerd met andere essentiële arbeidsvoorwaarden als bedoeld in dat artikellid (HvJEU 15-12-2022, C-311/21).

  • 2. Als vakkracht wordt aangemerkt de uitzendkracht, niet zijnde payrollkracht, die als taxichauffeur wordt uitgezonden en in het bezit is van een geldige chauffeurskaart.

  • 4. De werkgever dient zich, overeenkomstig artikel 8 lid 4 Waadi, er van te verzekeren dat aan uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten, en vakkrachten die aan zijn onderneming ter beschikking zijn gesteld loon, overige vergoedingen en premies en arbeidsvoorwaarden met betrekking tot arbeidstijden worden toegekend.’

Bijlage 6 komt te vervallen.

Na bijlage 3C worden bijlagen 4 en 5 toegevoegd, die komen te luiden:

‘BIJLAGE 4 REGLEMENT BEZWAARCOMMISSIE

Artikel I, Taak bezwaarcommissie

Er bestaat een Bezwaarcommissie binnen Sociaal Fonds Mobiliteit (SFM). Haar taak is het, op verzoek van belanghebbende zoals genoemd in artikel 4:

  • a) doen van bindende uitspraken bij meerderheid van stemmen over voorgelegde geschillen betreffende het bedrijfsoordeel zoals genoemd in artikel 4 van het controlereglement in het kader van een onderzoek naar de naleving van de CAO’s;

  • b) doen van niet bindende uitspraken bij meerderheid van stemmen over voorgelegde geschillen betreffende de overgang van personeel bij de overgang van vervoerscontracten (OPOV) en de overgang van personeel bij contractwisseling (OPBC);

  • c) doen van bindende uitspraken bij meerderheid van stemmen over voorgelegde geschillen betreffende de uitspraak van CAO-partijen naar aanleiding van een dispensatieverzoek.

Artikel 2 – Samenstelling Bezwaarcommissie

  • a) De Bezwaarcommissie bestaat uit drie leden, één namens de werkgeversorganisatie, één namens de werknemersorganisaties en één onafhankelijk voorzitter.

  • b) De leden van de Bezwaarcommissie worden voor een periode gelijk aan de looptijd van de CAO SFM benoemd door het SFM bestuur op voordracht van de respectievelijke organisaties. De voorzitter wordt benoemd door het SFM bestuur. De leden van de Bezwaarcommissie zijn terstond herbenoembaar waarbij de periode van de benoeming totaal maximaal 8 jaar duurt.

  • c) Op dezelfde wijze als onder b wordt per functie een vervanger benoemd.

  • d) Leden van het SFM bestuur kunnen niet worden benoemd tot lid van de Bezwaarcommissie.

  • e) De leden van de Bezwaarcommissie oordelen zonder last of ruggespraak en naar redelijkheid en billijkheid.

Artikel 3 – Werkwijze Bezwaarcommissie

  • a) Binnen de Bezwaarcommissie hebben de leden, met uitzondering van de voorzitter, ieder een stem. Indien stemmen staken, is bepaald dat de voorzitter ook stemrecht krijgt. Dit komt neer op een totaal van twee (en in uitzonderingsgevallen drie) stemmen.

  • b) Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  • c) De leden, plaatsvervangende leden, evenals de voorzitter zijn gehouden geheimhouding te bewaren ten aanzien van al datgene wat hen uit hoofde van het lidmaatschap respectievelijk functie ter kennis komt.

  • d) Een lid of plaatsvervangend lid van de Bezwaarcommissie dat direct of indirect bemoeienis heeft of heeft gehad met het voorliggende geschil, mag aan de behandeling daarvan niet deelnemen.

  • e) De commissie doet een uitspraak middels een schriftelijk gemotiveerd besluit. Er vindt geen verslaglegging plaats.

Artikel 4 – Belanghebbende

  • a) Een verzoek tot het doen van een uitspraak in een geschil betreffende het door SFM afgegeven definitieve bedrijfsoordeel kan door het bedrijf waarop het bedrijfsoordeel betrekking heeft worden gedaan. De bezwaarcommissie is niet bevoegd in een geschil betreffende het voorgenomen besluit tot een bedrijfsoordeel onvoldoende.

  • b) Een verzoek tot het doen van een uitspraak in een geschil betreffende OPOV kan door de verkrijgende en/of de overdragende contractpartij/vervoerder en zijn onderaannemers en/of het betrokken personeel worden gedaan.

  • c) Een verzoek tot het doen van een uitspraak in een geschil betreffende de uitspraak van CAO-partijen naar aanleiding van een dispensatieverzoek kan door de indiener van dat dispensatieverzoek gedaan worden.

Artikel 5 – Aanhangig maken geschil betreffende bedrijfsoordeel

  • a) De termijn voor het indienen van een verzoek tot het doen van een uitspraak in een geschil betreffende het bedrijfsoordeel bedraagt 4 weken na de dagtekening van de schriftelijke bekendmaking van het bedrijfsoordeel aan het bedrijf.

  • b) Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij Sociaal Fonds Mobiliteit, p/a Bezwaarcommissie SFM, Postbus 154, 4100 AD te Culemborg.

  • c) Verzoeker is een bedrag van € 500,– (excl. BTW) aan kosten voor de behandeling van het geschil verschuldigd aan SFM. Verzoeker ontvangt hiervoor een factuur die binnen 2 weken moet worden voldaan.

  • d) De behandeling van de zaak wordt opgeschort totdat verzoeker het hiervoor vermelde bedrag heeft voldaan.

  • e) Als verzoeker in het gelijk wordt gesteld dan wordt € 500,– (excl. BTW) aan hem gerestitueerd.

  • f) Daarnaast komen de aantoonbaar gemaakte juridische kosten van de in het gelijk gestelde verzoeker voor vergoeding in aanmerking voor maximaal € 1.250,– (excl. BTW).

  • g) Het verzoek bevat een beknopt overzicht van feiten en een beargumenteerde omschrijving van de beslissing die de indiener wenst.

  • h) De voorzitter zendt binnen 2 weken na ontvangst van het verzoekschrift een ontvangstbevestiging vergezeld van de factuur zoals genoemd in sub c) van dit artikel naar de verzoeker.

  • i) Na de betaling van de factuur zoals genoemd in sub c) en als het verzoekschrift aan de gestelde eisen voldoet wordt een kopie van het verzoekschrift binnen de in sub h) gestelde termijn doorgestuurd naar SFM.

  • j) Voldoet het verzoekschrift niet aan de gestelde eisen en/of als de vervaltermijn van de factuur onder c) ongebruikt is verstreken dan wordt verzoeker in de gelegenheid gesteld om dat gebrek binnen 2 weken te herstellen voordat het verzoekschrift wordt doorgestuurd naar SFM.

  • k) Gebeurt dat niet (volledig) dan kan de bezwaarcommissie het verzoek niet ontvankelijk verklaren.

  • l) SFM wordt in de gelegenheid gesteld binnen 2 weken nadat het geschil aan haar is voorgelegd te reageren op het verzoek, alvorens de commissie een uitspraak doet.

  • m) Indien de Bezwaarcommissie van mening is dat het geen geschil betreft dat wordt genoemd in artikel 1, dan wel verzoeker niet als belanghebbende kan worden aangemerkt op basis van artikel 4 van dit reglement, wordt het verzoek niet ontvankelijk verklaard.

  • n) Indien de Bezwaarcommissie dat nodig acht, kan zij besluiten tot het vragen van een nadere schriftelijke reactie

  • o) De verzoeker en/of SFM kunnen vragen om een hoorzitting. De Bezwaarcommissie kan ook zelfstandig besluiten tot het houden van een hoorzitting. Ieder der partijen kan zich bij de hoorzitting laten bijstaan door getuigen, deskundigen evenals zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Indien een partij zich wil laten bijstaan of vertegenwoordigen, stelt zij de voorzitter ten minste zeven dagen voor de zitting daarvan schriftelijk op de hoogte. Kosten voortvloeiend uit de vertegenwoordiging door derden zijn voor de respectievelijke partijen.

  • p) De Bezwaarcommissie beslist over het geschil zonder nadere schriftelijke reactie of hoorzitting binnen 6 weken nadat is voldaan aan het bepaalde in sub i). Als een nadere schriftelijke reactie wordt gevraagd of een hoorzitting wordt ingepland gaat de beslistermijn van 6 weken lopen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de nadere schriftelijke reactie, dan wel vanaf de datum van de hoorzitting. De Bezwaarcommissie kan de beslistermijn twee keer met 2 weken verlengen.

  • q) De voorzitter kan indien gewenst getuigen/deskundigen oproepen om te raadplegen en te horen.

  • r) De voorzitter deelt de uitspraak, voorzien van een toelichting, binnen 2 weken, nadat de Bezwaarcommissie een beslissing heeft genomen, schriftelijk aan partijen mede.

  • s) Deze geschillenprocedure laat onverlet dat verzoeker het geschil alsnog aan de bevoegde rechter voorlegt.

Artikel 6 – Aanhangig maken geschil betreffende OPOV of OPBC of RBF

  • a) De termijn voor het indienen van een verzoek tot het doen van een uitspraak in een geschil betreffende OPOV of OPBC bedraagt maximaal drie maanden na voorlopige gunning van de betreffende aanbesteding.

  • b) Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij Sociaal Fonds Mobiliteit, p/a Bezwaarcommissie SFM, Postbus 154, 4100 AD te Culemborg.

  • c) Partijen hebben een inspanningsverplichting om middels overleg tot een oplossing te komen alvorens een geschil aan de Bezwaarcommissie voor te leggen.

  • d) Het verzoek bevat een beknopt overzicht van feiten en een beargumenteerde omschrijving van de beslissing die de indiener wensten en wie de wederpartij(en) is (zijn).

  • e) De voorzitter zendt binnen 2 weken na ontvangst van het verzoekschrift een ontvangstbevestiging naar de verzoeker.

  • f) Als het verzoekschrift aan de gestelde eisen voldoet wordt een kopie van het verzoek binnen de in sub e) gestelde termijn doorgestuurd naar de door de verzoeker opgegeven wederpartij en naar SFM. De voorzitter kan ook andere partijen die naar zijn oordeel door het verzoek rechtstreeks in hun belang kunnen worden geraakt, om een reactie vragen.

  • g) Voldoet het verzoekschrift niet aan de gestelde eisen dan wordt verzoeker in de gelegenheid gesteld om dat gebrek binnen 2 weken te herstellen voordat het verzoekschrift wordt doorgestuurd.

  • h) Gebeurt dat niet (volledig) dan kan de bezwaarcommissie het verzoek niet ontvankelijk verklaren. De wederpartij, SFM en andere partijen die naar het oordeel van de voorzitter rechtstreeks in hun belang worden geraakt worden in de gelegenheid gesteld binnen 4 weken te reageren op het verzoek, alvorens de commissie een uitspraak doet.

  • i) Indien de Bezwaarcommissie van mening is dat het voorgelegde geschil niet valt onder een geschil zoals genoemd onder artikel 1, dan wel verzoeker niet als belanghebbende kan worden aangemerkt op basis van artikel 4 van dit reglement, wordt het verzoek niet ontvankelijk verklaard. Indien de Bezwaarcommissie geen uitspraak kan doen omdat de CAO Zorgvervoer en Taxi en/of de CAO SFM tekst niet eenduidig is zal zij CAO-partijen hierover informeren. De bezwaarcommissie houdt bij het doen van een uitspraak rekening met feiten en omstandigheden.

  • j) Indien de Bezwaarcommissie dat nodig acht, kan zij besluiten tot het vragen van een nadere schriftelijke reactie.

  • k) Partijen kunnen vragen om een hoorzitting. De Bezwaarcommissie kan ook zelfstandig besluiten tot het houden van een hoorzitting. Ieder der partijen kan zich bij de hoorzitting laten bijstaan door getuigen, deskundigen evenals zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Indien een partij zich wil laten bijstaan of vertegenwoordigen, stelt zij de voorzitter ten minste zeven dagen voor de zitting daarvan schriftelijk op de hoogte. Kosten voortvloeiend uit de vertegenwoordiging door derden zijn voor de respectievelijke partijen.

  • l) De Bezwaarcommissie beslist over het geschil zonder nadere schriftelijke reactie of hoorzitting, binnen 6 weken nadat het verzoekschrift door de bezwaarcommissie is ontvangen en aan de in dit artikel gestelde eisen voldoet. Als een nadere schriftelijke reactie wordt gevraagd of een hoorzitting wordt ingepland gaat de beslistermijn van 6 weken lopen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de nadere schriftelijke reactie, dan wel vanaf de datum van de hoorzitting. In het belang van de zaak kan de Bezwaarcommissie de beslistermijn twee keer met 2 weken verlengen.

  • m) De voorzitter deelt de uitspraak, voorzien van een toelichting, binnen 2 weken, nadat de Bezwaarcommissie een beslissing heeft genomen, schriftelijk aan partijen mede.

  • n) Deze geschillenprocedure laat onverlet dat (een van de) partijen het geschil alsnog aan de bevoegde rechter kunnen voorleggen.

Artikel 7 – Aanhangig maken geschil betreffende uitspraak dispensatieverzoek

  • a) De termijn voor het indienen van een verzoek tot het doen van een uitspraak in een geschil betreffende de uitspraak van CAO-partijen naar aanleiding van een dispensatieverzoek bedraagt maximaal twee weken na het besluit van CAO-partijen.

  • b) Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij Sociaal Fonds Mobiliteit, p/a Bezwaarcommissie SFM, Postbus 154, 4100 AD te Culemborg.

  • c) Het verzoek bevat een beknopt overzicht van feiten en een beargumenteerde omschrijving van de beslissing die de indiener wenst.

  • d) De voorzitter zendt binnen 2 weken na ontvangst van het verzoekschrift een ontvangstbevestiging naar de verzoeker en een kopie van het verzoek naar CAO-partijen.

  • e) Als het verzoekschrift aan de gestelde eisen voldoet wordt een kopie van het verzoekschrift doorgestuurd naar CAO-partijen.

  • f) Voldoet het verzoekschrift niet aan de gestelde eisen dan wordt verzoeker in de gelegenheid gesteld om dat gebrek binnen 2 weken te herstellen voordat het verzoekschrift wordt doorgestuurd.

  • g) Gebeurt dat niet (volledig) dan kan de bezwaarcommissie het verzoek niet ontvankelijk verklaren.

  • h) CAO-partijen wordt in de gelegenheid gesteld binnen 4weken te reageren op het verzoek, alvorens de commissie een uitspraak doet.

  • i) Indien de Bezwaarcommissie van mening is dat het voorgelegde geschil niet valt onder een geschil zoals genoemd onder artikel 1, dan wel verzoeker niet als belanghebbende kan worden aangemerkt op basis van artikel 4 van dit reglement, wordt het verzoek niet ontvankelijk verklaard. De Bezwaarcommissie zal CAO-partijen informeren over de reden van de niet-ontvankelijk verklaring en de inhoud van de betreffende zaak. De bezwaarcommissie houdt bij het doen van een uitspraak rekening met feiten en omstandigheden.

  • j) Indien de Bezwaarcommissie dat nodig acht, kan zij besluiten tot het vragen van een nadere schriftelijke reactie of besluiten een derde-deskundige in te schakelen.

  • k) De verzoeker en/of CAO-partijen kunnen vragen om een hoorzitting. De Bezwaarcommissie kan ook zelfstandig besluiten tot het houden van een hoorzitting. Ieder der partijen kan zich bij de hoorzitting laten bijstaan door getuigen, deskundigen evenals zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Indien een partij zich wil laten bijstaan of vertegenwoordigen, stelt zij de voorzitter ten minste zeven dagen voor de zitting daarvan schriftelijk op de hoogte. Kosten voortvloeiend uit de vertegenwoordiging door derden zijn voor de respectievelijke partijen.

  • l) De Bezwaarcommissie beslist over het geschil zonder nadere schriftelijke reactie of hoorzitting, binnen 6 weken nadat het verzoekschrift door de bezwaarcommissie is ontvangen en aan de in dit artikel gestelde eisen voldoet. Als een nadere schriftelijke reactie wordt gevraagd of een hoorzitting wordt ingepland gaat de beslistermijn van 6 weken lopen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de nadere schriftelijke reactie, dan wel vanaf de datum van de hoorzitting. In het belang van de zaak kan de Bezwaarcommissie de beslistermijn twee keer met 2 weken verlengen.

  • m) De voorzitter deelt de uitspraak, voorzien van een toelichting, binnen 2 weken, nadat de Bezwaarcommissie een beslissing heeft genomen, schriftelijk aan partijen mede.

  • n) Deze geschillenprocedure laat onverlet dat (een van de) partijen het geschil alsnog aan de bevoegde rechter kunnen voorleggen.

Artikel 8 Jaarverslag en rapportage

De Bezwaarcommissie brengt een verslag uit met de afgehandelde verschillen en verzorgt tevens de rapportage voor het bestuur en CAO-partijen.

Artikel 9

In alle gevallen waarin het reglement niet voorziet, beslist de Bezwaarcommissie.

BIJLAGE 5 PROCEDURE BEHANDELING DISPENSATIEVERZOEK DOOR CAO-PARTIJEN

  • a) Het verzoek wordt door of namens betreffende werkgever of werknemer (hierna te noemen: de indiener) schriftelijk ingediend bij het secretariaat van CAO-partijen Zorgvervoer en Taxi en de daarvoor in de plaats tredende CAO, p/a KNV, Postbus 19365, 2500 CJ Den Haag.

  • b) Het verzoek omvat ten minste:

    • I. de bepaling(-en) waarop het verzoek zich richt,

    • II. een beknopt overzicht van feiten en argumenten waarom dispensatie zou moeten worden verleend.

  • c) De secretaris van CAO-partijen stuurt de indiener een ontvangstbevestiging en vermeldt daarin tevens wanneer het verzoek door CAO-partijen behandeld zal worden.

  • d) In beginsel worden verzoeken door CAO-partijen behandeld in het eerstvolgende reguliere CAO-partijen overleg. Indien het verzoek een spoedeisend karakter heeft, kan de secretaris van CAO-partijen, na consultatie van de eerste onderhandelaars van CAO-partijen, op verzoek van de indiener besluiten CAO-partijen te vragen het verzoek eerder (eventueel via een schriftelijke ronde) te behandelen.

  • e) Indien (de secretaris van) CAO-partijen dat nodig acht, kan zij besluiten tot het vragen van een nadere schriftelijke reactie.

  • f) CAO-partijen kunnen besluiten tot het houden van een hoorzitting. Indiener kan zich bij de hoorzitting laten bijstaan door deskundigen evenals zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Indien een partij zich wil laten bijstaan of vertegenwoordigen, stelt zij de secretaris van CAO-partijen ten minste 7 dagen voor de zitting daarvan schriftelijk op de hoogte. Kosten voortvloeiend uit de vertegenwoordiging door derden zijn voor de indiener.

  • g) CAO-partijen kunnen besluiten indien gewenst deskundigen op te roepen om te raadplegen en te horen.

  • h) Indien CAO-partijen van mening zijn dat het geen verzoek betreft zoals genoemd in artikel 2 cao SFM, wordt het verzoek niet ontvankelijk verklaard.

  • i) CAO-partijen doen binnen 8 weken, nadat het verzoek aan de secretaris van CAO-partijen is voorgelegd, uitspraak. Als een nader schriftelijke reactie wordt gevraagd of een hoorzitting wordt gepland kunnen CAO-partijen besluiten de beslissingstermijn met 2 x 2 weken te verlengen.

  • j) Uiterlijk 2 weken na behandeling van het verzoek door CAO-partijen informeert de secretaris van CAO-partijen de indiener over het besluit. Dit geschiedt schriftelijk per aangetekend schrijven en het besluit bevat de motieven die tot de uitspraak hebben geleid.

  • k) Indien de indiener zich niet kan verenigen in het besluit van CAO-partijen dan kan hij binnen 2 weken na het besluit van CAO-partijen het verzoek voorleggen aan de bezwaarcommissie SFM.’

Dictum II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en heeft geen terugwerkende kracht.

’s-Gravenhage, 2 december 2025

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, De directeur Collectieve arbeidsovereenkomsten, P.S. Nanhekhan


X Noot
1

Stcrt. 17 maart 2025, nr. 6011.

Naar boven