Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2025, 39481 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2025, 39481 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
Gelet op de artikelen 2.7, tweede, derde en vierde lid, 3.3 en 3.4, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Wet normering topinkomens;
Besluit:
De Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 3 wordt de tabel vervangen door:
|
Klasse |
Bezoldigingsmaximum 2026 |
|---|---|
|
I |
€ 147.000 |
|
II |
€ 178.000 |
|
III |
€ 214.000 |
|
IV |
€ 241.000 |
|
V |
Het bedrag, genoemd in artikel 2.3, eerste lid, van de wet. |
B
Artikel 4 wordt vervangen door twee artikelen, luidende:
1. Een verzoek als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, van de wet om in een andere klasse te worden ingedeeld, wordt door een rechtspersoon of instelling voor zorg of jeugdhulp uiterlijk 16 weken voorafgaand aan de periode waarin de afwijkende klassenindeling moet ingaan ingediend.
2. Het verzoek is deugdelijk gemotiveerd en bevat in ieder geval:
a. een verklaring van het hoogste toezichthoudende orgaan van de rechtspersoon of instelling voor zorg of jeugdhulp, waaruit zijn instemming met het verzoek blijkt;
b. een onderbouwing van de benodigde duur van de afwijking.
1. Een verzoek om op grond van artikel 2.7, vierde lid, van de wet ten aanzien van een topfunctionaris een hogere bezoldiging te mogen overeenkomen dan toegestaan op grond van deze regeling, wordt door een rechtspersoon of instelling voor zorg of jeugdhulp uiterlijk 6 weken voorafgaand aan de periode waarin de hogere bezoldiging moet ingaan ingediend.
2. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
C
In onderdeel 3 van de Bijlage behorende bij artikel 2 wordt de tabel vervangen door:
|
Omzet in euro’s |
Punten |
|---|---|
|
Minder dan 13 mln. |
1 |
|
13 tot 65 mln. |
2 |
|
65 tot 195 mln. |
3 |
|
195 tot 390 mln. |
4 |
|
390 mln. of meer |
5 |
Artikel 2, eerste lid, van de Regeling sectorale bezoldigingsnorm topfunctionarissen zorgverzekeraars wordt als volgt gewijzigd:
a. in de aanhef, wordt ‘2025’ vervangen door ‘2026’;
b. in onderdeel a wordt ‘2024’ vervangen door ‘2025’ en wordt ‘€ 342.000’ vervangen door ‘€ 366.000’;
c. in onderdeel b wordt ‘2024’ vervangen door ‘2025’ en wordt ‘€ 296.000’ vervangen door ‘€ 317.000’;
d. in onderdeel c wordt ‘2024’ vervangen door ‘2025’ en wordt ‘€ 251.000’ vervangen door ‘€ 269.000’.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J.A. Bruijn
Deze regeling wijzigt de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp (hierna: Regeling zorg en jeugdhulp) en de Regeling sectorale bezoldigingsnorm topfunctionarissen zorgverzekeraars (hierna: Regeling zorgverzekeraars) op enkele punten. Het gaat om de volgende wijzigingen:
1. Indexering van de bezoldigingsmaxima voor topfunctionarissen in de zorg en jeugdhulp respectievelijk bij zorgverzekeraars voor het jaar 2026;
2. Indexering van de grenswaarden van het criterium ‘omzet’ uit de Regeling zorg en jeugdhulp dat mede wordt gebruikt om te bepalen in welke bezoldigingsklasse een zorginstelling valt;
3. Opname van procedureregels voor verzoeken tot indeling in een andere bezoldigingsklasse en verzoeken op individuele uitzondering op de klassenindeling.
Op 19 augustus 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bekendgemaakt dat het algemeen bezoldigingsmaximum voor 2026 is vastgesteld op € 262.000.1 Het maximum van bezoldigingsklasse V volgt deze ontwikkeling. De bezoldigingsmaxima voor de overige klassen (I tot en met IV) van de Regeling zorg en jeugdhulp worden per 1 januari 2026 verhoogd met 6,3% (hetzelfde percentage als voor indexering van het algemeen bezoldigingsmaximum) en in navolging van 2.3, tweede lid, van de Wet normering topinkomens (hierna: WNT), afgerond naar boven op een duizendvoud in euro’s.
Instellingen in de zorg en jeugdhulp worden op grond van de Regeling zorg en jeugdhulp ingedeeld in vijf klassen, waarbij iedere klasse een eigen bezoldigingsmaximum voor de betreffende topfunctionarissen kent. Deze klassen zijn gestaffeld op basis van complexiteit – wat wordt gebaseerd op de criteria kennisintensiteit, aantal taken en aantal relevante financieringsbronnen – en de hoogte van de omzet. Voor ieder criterium wordt een schaal gehanteerd. Uit de score op die schaal volgt een aantal punten. Het totaal aantal punten bepaalt in welke bezoldigingsklasse de rechtspersoon of instelling valt en welk bezoldigingsmaximum daarmee van toepassing is op de topfunctionaris(sen).
De schaal die voor ieder criterium wordt gebruikt, is sinds inwerkingtreding van de systematiek in 2016 ongewijzigd gebleven. Voor het criterium ‘omzet’ is het echter wenselijk om de schaal periodiek aan te passen.
De reden voor deze periodieke aanpassing is dat de destijds gekozen grenswaarden van dit criterium, als gevolg van geldontwaarding, niet meer passen bij de intentie van deze waarden bij inwerkingtreding. Als gevolg hiervan kunnen instellingen op termijn worden ingedeeld in een hogere bezoldigingsklasse dan bedoeld en gewenst, nu bij deze instellingen geen sprake is van een wijziging in de bestuurlijke complexiteit. Dit effect kan zich in sterkere mate voorzien in tijden van een relatief hoge inflatie, zoals het geval is sinds einde 2021.
Om dit opdrijvende effect te voorkomen, worden de grenswaarden van het criterium ‘omzet’ geïndexeerd.
Voor deze indexatie is gebruik gemaakt van het consumentenprijsindexcijfer (CPI-cijfer) van het CBS. De grenswaarden worden gecorrigeerd voor de jaren 2016 tot en met 2024 en zullen vanaf heden iedere drie jaar geïndexeerd worden. Dit voorkomt een te grote administratieve last bij jaarlijkse indexering en zorgt voor meer stabiliteit en minder overgangsrecht dan in het geval dat tweejaarlijks of vier- of vijfjaarlijks zou worden geïndexeerd, nu in dat geval grotere stappen zouden moeten worden gemaakt bij de indexering door hoge cumulatie van inflatiecijfers. Bovendien zouden bij iedere wijziging veel instellingen met overgangsrecht te maken krijgen. Bij de indexering wordt de cumulatieve CPI over alle tussenliggende jaren berekend. Het cumulatieve CPI-cijfer over de jaren 2016 tot en met 2024 is 29,89%. Dat leidt tot de volgende grenswaarden (afgerond op miljoenen):
|
Omzet in euro's – regeling 2016–2024 |
Omzet in euro’s – Regeling 2026 |
Punten |
|---|---|---|
|
minder dan 10 mln. |
minder dan 13 mln. |
1 |
|
10 tot 50 mln. |
13 tot 65 mln. |
2 |
|
50 tot 150 mln. |
65 tot 195 mln. |
3 |
|
150 tot 300 mln. |
195 tot 390 mln. |
4 |
|
300 mln. of meer |
390 mln of meer. |
5 |
Op grond van artikel 2.7, lid 3, van de WNT kunnen rechtspersonen of instellingen bij de minister een verzoek indienen om in een andere bezoldigingsklasse te worden ingedeeld. De ministeriële regeling bevat een procedure waarbij een rechtspersoon of instelling kan verzoeken om de indeling te wijzigen. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen, waarbij de betreffende rechtspersoon of instelling moet aantonen dat afwijking van de – eventueel op aanvraag hogere – indeling noodzakelijk is.
Op verzoeken tot indeling in een andere bezoldigingsklasse zijn naast de procedurevoorschriften van de regeling ook de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, waarbij met name de afdelingen 4.1.1 en 4.1.2 van belang zijn. Voorts geldt dat de aanvragen moeten worden gedaan door de verantwoordelijke; een term die in artikel 1.1 van de WNT gedefinieerd is. De aanvragen moeten zijn voorzien van een deugdelijke motivering van de noodzaak tot de gevraagde indeling. Een dergelijke motivering draagt bij aan de behandeling van het uitzonderingsverzoek.
De aanvraag bevat verder een verklaring van het hoogst toezichthoudende orgaan van de rechtspersoon of instelling waaruit zijn instemming met het verzoek blijkt en (gelet op de terughoudendheid die is geboden bij het toewijzen van een uitzondering en daarmee het uitzonderlijke karakter van een toewijzing) een onderbouwing van de benodigde duur van de afwijking.
Van een beslissing waarin een hogere indeling of hoger maximum wordt toegestaan, wordt conform de WNT mededeling gedaan in de Staatscourant. In het financieel verslaggevingsdocument wordt zowel een onderbouwing van de bezoldigingsklasse die volgt uit deze regeling, als een weergave van de bezoldigingsklasse of het bezoldigingsmaximum volgens de uitzondering gegeven.
Tegen een besluit op bovengenoemd uitzonderingsverzoek staat conform hoofdstuk 6 tot en met 8 van de Algemene Wet bestuursrecht de mogelijkheid tot bezwaar en beroep open
Naast een verzoek tot indeling in een andere bezoldigingsklasse, kan ook sprake zijn van een omstandigheid op grond waarvan speciale deskundigheid van de topfunctionaris wordt gevergd, waardoor op een ander segment van de arbeidsmarkt moet worden geworven dan gebruikelijk. Op grond van artikel 2.7, lid 4, van de WNT kan de minister besluiten dat partijen een bij dat besluit vast te stellen hoger bedrag mogen overeenkomen dan het toepasselijke bezoldigingsmaximum. Het bedrag is niet hoger dan het bezoldigingsmaximum zoals bedoeld in artikel 2.3 WNT.
Ook hierbij is sprake van uitzonderlijke gevallen, waarbij de betreffende rechtspersoon of instelling moet aantonen dat afwijking van de – eventueel op aanvraag hogere – indeling en de bijbehorende norm voor de betreffende topfunctionaris noodzakelijk is. Een verzoek kan bijvoorbeeld voortkomen uit beheersmatige calamiteiten of een zwaarwegende reden voor het inzetten van specialistische deskundigheid die zeer beperkt aanwezig is op de (internationale) arbeidsmarkt.
Net als bij een algemeen verzoek tot indeling in een andere bezoldigingsklasse voor de gehele instelling, zijn op verzoeken tot een individuele uitzondering naast de procedurevoorschriften van de regeling de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, waarbij met name de afdelingen 4.1.1 en 4.1.2 van belang zijn. Voor een individueel verzoek geldt voorts dat de aanvragen moeten worden gedaan door de verantwoordelijke; een term die in artikel 1.1 van de WNT gedefinieerd is. De aanvragen moeten zijn voorzien van een deugdelijke motivering van de noodzaak tot de gevraagde indeling. Een dergelijke motivering draagt bij aan de behandeling van het uitzonderingsverzoek.
De aanvraag bevat verder een verklaring van het hoogst toezichthoudende orgaan van de rechtspersoon of instelling waaruit zijn instemming met het verzoek blijkt en (gelet op de terughoudendheid die is geboden bij het toewijzen van een uitzondering en daarmee het uitzonderlijke karakter van een toewijzing) een onderbouwing van de benodigde duur van de afwijking.
Van een beslissing waarin een hogere indeling of hoger maximum wordt toegestaan, wordt conform de WNT mededeling gedaan in de Staatscourant. In het financieel verslaggevingsdocument wordt zowel een onderbouwing van de bezoldigingsklasse die volgt uit deze regeling, als een weergave van de bezoldigingsklasse of het bezoldigingsmaximum volgens de uitzondering gegeven.
Tegen een besluit op bovengenoemd uitzonderingsverzoek staat conform hoofdstuk 6 tot en met 8 van de Algemene Wet bestuursrecht de mogelijkheid tot bezwaar en beroep open
De maximumbedragen worden geïndexeerd met het gemiddelde van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer voor de cao-lonen inclusief bijzondere beloningen voor de sector overheid per maand (voor jaar 2024: 6,4%) en het door Zorgverzekeraars Nederland vastgestelde gemiddelde van de loonontwikkeling binnen de branche van zorgverzekeraars (voor jaar 2024: 5,9%). Het gemiddelde van deze percentages is 6,15%.
Op 1 januari 2025 zijn de maximumbedragen voor de Regeling zorgverzekeraars voor het laatst gepubliceerd. Er is gebleken dat bij de berekening van de maximumbedragen van 2025 per abuis is gerekend met een verkeerd percentage.2 Als het juiste percentage was gehanteerd, dan was het bezoldigingsbedrag in alle drie de klassen € 2.000 hoger geweest. Het juiste maximale bezoldigingsbedrag over 2025 had € 344.000 moeten zijn. Bij de indexering van de maximumbedragen per 2026, zal daarom gerekend worden met bedragen die € 2.000 hoger liggen dan de bedragen zoals deze op 1 januari 2025 zijn gepubliceerd.
In navolging van artikel 2.3, tweede lid, van de WNT en de toelichting hierbij is het bedrag naar boven op een duizendvoud euro’s afgerond. Hiermee is de maximale bezoldiging voor het jaar 2026 bepaald op een bedrag van € 366.000. De overige twee klassen voor zorgverzekeraars zijn op dezelfde wijze geïndexeerd.
De wijzigingen die met deze regeling worden doorgevoerd betreffen geen grote inhoudelijke wijzigingen en leiden niet tot een grote toename van de administratieve lasten ten opzichte van de eerdere regeling. Instellingen en zorgverzekeraars die onder de reikwijdte van de Regeling zorg en jeugdhulp en de Regeling zorgverzekeraars vallen, nemen eenmalig kennis van de nieuwe bezoldigingsnormen en schaal bij het criterium ‘omzet’. Er bestaat geen precies getal van het aantal zorginstellingen en verzekeraars die onder de sectorale regelingen van de WNT vallen, maar naar schatting zullen gemiddeld 6.000 instellingen eenmalig van de nieuwe bezoldigingsnormen en schalen kennis moeten nemen zonder verdere implicaties met overgangsrecht. Dit komt met een bedrag van € 27 per instelling, neer op een totaalbedrag van € 162.000 voor al deze instellingen in totaal. Naast de bovengenoemde instellingen zullen naar schatting 1.800 instellingen wel te maken krijgen met overgangsrecht. Voor sommige instellingen zal de indexering van het criterium ‘omzet’ immers leiden tot overschrijdingen die vallen onder het overgangsrecht. Instellingen, bestuurders en Raden van Toezicht moeten hiervan kennisnemen en met de bestuurder afspraken maken over de gevolgen. De kosten voor de kennisneming van de nieuwe bezoldigingsnormen en de schaal bij het criterium ‘omzet’, in samenhang met eventuele gevolgen ten aanzien van het overgangsrecht, bedragen gemiddeld € 324 per instelling. De administratieve lasten voor deze 1.800 instellingen bedraagt in totaal € 583.200. De totale administratieve lasten voor alle instellingen die kennis nemen van de nieuwe bezoldigingsnormen en de schaal bij het criterium ‘omzet’ komt vervolgens neer op € 745.200.
Deze regeling leidt in zeer beperkte mate tot administratieve lasten in de zin van aanvullende informatieverplichtingen. Deze ontstaan alleen indien op grond van artikelen 4 of 4a een verzoek wordt gedaan tot een uitzondering op de klassenindeling. Een dergelijk verzoek dient deugdelijk gemotiveerd te worden en aanvullende bescheiden te bevatten. Echter, nu instellingen voorheen ook al een motivering toevoegden bij het doen van een uitzonderingsverzoek, leiden de procedureregels niet tot een omvangrijke toename van de administratieve lasten. Het totaal aan administratieve lasten bij een uitzonderingsverzoek bedraagt gemiddeld € 540 per verzoek. De afgelopen 10 jaar zijn in totaal 28 verzoeken gedaan. Dit komt neer op gemiddeld drie verzoeken per jaar en leidt dus tot een totaalbedrag van € 1.620 wat de administratieve lasten voor het doen van een uitzonderingsverzoek betreft.
Uit de WNT volgt dat deze regeling uiterlijk in november 2025 moet worden vastgesteld. De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Daarmee wordt aangesloten bij het beleid inzake vaste verandermomenten van regelgeving voor wat betreft de inwerkingtredingstermijn. De termijn tussen publicatie en inwerkingtreding is korter dan twee maanden. Omdat het gaat om een verplichte indexering die in de maand november bekend moet worden gemaakt, is er voor betrokken partijen voldoende tijd om op deze wijziging te anticiperen. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat deze regeling van toepassing is op bezoldigingen die verschuldigd zijn voor werkzaamheden vanaf 1 januari 2026.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Gedurende de periode van 7 oktober tot en met 4 november 2025 heeft de regeling opengestaan voor internetconsultatie, zodat suggesties konden worden gedaan om de kwaliteit en uitvoerbaarheid van deze regeling te verbeteren. In totaal zijn 10 reacties binnengekomen op deze consultatie. De Minister waardeert dat burgers en organisaties de moeite hebben genomen om via deze weg te reageren op de regeling. Het hoofdlijnenverslag van de internetconsultatie wordt online gepubliceerd en bevat een samenvatting van de geplaatste reacties en de reactie daarop van de Minister.
De ontvangen reacties op de internetconsultatie leiden tot een kleine aanpassing van de toelichting bij de regeling van artikel 4a. Hier zal nader worden verduidelijkt dat bij de uitzonderingsverzoeken waarop artikel 4a Regeling zorg en jeugdhulp ziet, het overeen te komen bedrag niet hoger mag zijn dan het bezoldigingsmaximum uit artikel 2.3 WNT. In de regeling zelf zal de termijn voor het doen van een uitzonderingsverzoek in de zin van artikel 2.7 lid 4 WNT worden aangepast van 16 naar 6 weken. Dit zorgt ervoor dat de instelling een verzoek kan indienen op het moment dat ook daadwerkelijk zicht bestaat op het spoedig aantreden van een topfunctionaris, waarvoor een hogere individuele bezoldigingsklasse noodzakelijk wordt geacht wegens een uitzonderlijk geval.
Hoewel bij het hanteren van de 16-wekentermijn beter wordt aangesloten bij de termijn voor het nemen van een besluit op een uitzonderingsverzoek in de zin van artikel 7.5 WNT, zal in de meeste gevallen op dat moment nog geen duidelijkheid bestaan over de noodzakelijkheid van een individuele uitzondering van de bezoldigingsklasse, omdat normaliter niet 16 weken van te voren al bekend is dat een topfunctionaris bij een instelling zal gaan aantreden. Het hanteren van een kortere termijn voor indiening van het uitzonderingsverzoek, laat de termijn die op grond van artikel 7.5 WNT wordt gesteld voor het nemen van een besluit op een uitzonderingsverzoek onverlet.
Met de wijzigingen in artikel I, onderdeel A, zijn de bezoldigingsmaxima voor 2026 geïndexeerd met 6,3% (hetzelfde percentage als de indexering van het algemeen bezoldigingsmaximum van de WNT). De bedragen zijn vervolgens conform de werkwijze bij het algemeen bezoldigingsmaximum naar boven afgerond op een duizendvoud in euro’s. De bedragen zijn aangepast voor bezoldigingsklassen I tot en met V. Er is gerekend met de bedragen die voor 2025 van toepassing waren.
Met het vervangen van de tabel in onderdeel 3 van de Bijlage behorende bij artikel 2 van de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp, worden de grenswaarden gewijzigd van het omzetcriterium dat gebruikt wordt voor het bepalen van de toepasselijke bezoldigingsklasse voor topfunctionarissen in zorg en jeugdhulp. Voor de indexatie wordt gebruik gemaakt van het CPI zoals vastgesteld door het CBS. De grenswaarden zijn gecorrigeerd voor de jaren 2016 tot en met 2024. De bedragen zijn vervolgens op € 100.000 afgerond. Het voornemen is om deze indexatie periodiek plaats te laten vinden. Op deze regeling is het algemene overgangsrecht van de WNT van toepassing. Dit geldt ook voor zorginstellingen die door de indexatie van de grenswaarden van het criterium ‘omzet’ in een lagere klasse terecht komen. De indexatie van de grenswaarden van het criterium ‘omzet’ wordt niet beschouwd als wijziging van het criterium; de indexatie zorgt er immers voor dat de reële waarde van de grenzen gelijk blijven. Artikel 7.3, vijfde lid, WNT is daarom van toepassing.
De wet geeft de minister de bevoegdheid om op verzoek af te wijken van de bij ministeriële regeling geregelde klassenindeling.3 De rechtspersoon of instelling die in een andere klasse wenst te worden ingedeeld, kan bij de minister een verzoek indienen. De minister zou daartoe kunnen besluiten wanneer de toepassing van de criteria voor een specifieke instelling leidt tot een onbillijke indeling, gelet op de betrokken belangen.
Het verzoek wordt tijdig ingediend bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en in ieder geval niet later dan 16 weken voordat de andere klassenindeling moet ingaan. Alleen op die manier kan de minister tijdig beslissen en is er eventueel nog ruimte voor een bezwaarprocedure.
In het verzoek wordt de noodzaak van de andere klassenindeling gemotiveerd. Het verzoek bevat ook een verklaring van het hoogste toezichthoudende orgaan van de rechtspersoon of instelling. Daarnaast bevat het verzoek een onderbouwing van de periode waarvoor de andere klassenindeling moet gelden. De andere klassenindeling is in beginsel van tijdelijke duur. Dit, gelet op de terughoudendheid waarmee volgens de WNT met een uitzonderingsverzoek moet worden omgegaan. Een toewijzing vindt bij hoge uitzondering plaats. Als toewijzing al in de rede ligt, dan alleen voor zolang dat noodzakelijk lijkt te zijn.
Voor artikel 4a geldt grofweg dezelfde toelichting als voor artikel 4. De wet geeft de minister eveneens de bevoegdheid om op individuele basis een afwijking van het toepasselijke bezoldigingsmaximum toe te staan.4 Tot die beslissing zou de minister kunnen komen wanneer blijkt dat de klassenindeling op zich juist is, maar het voor de individuele topfunctionaris een onbillijke bezoldigingsnorm impliceert.
Met de wijzigingen in artikel II, zijn de bezoldigingsmaxima voor 2026 geïndexeerd met 6,15%. De bedragen zijn vervolgens conform de werkwijze bij het algemeen bezoldigingsmaximum naar boven afgerond op een duizendvoud in euro’s. De bedragen zijn aangepast voor bezoldigingsklassen I tot en III. Er heeft een correctie van 2.000 euro plaatsgevonden op de bedragen van afgelopen jaar. Vervolgens is gerekend met de hernieuwde bedragen.
De vaststelling van verhoogde maxima gebeurt volgens artikel 2.6, eerste lid, en artikel 2.7, tweede lid, telkens uiterlijk in de maand november voorafgaand aan het jaar waarop de bedragen betrekking hebben. De inwerkingtreding is op 1 januari 2026 gesteld.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J.A. Bruijn
Abusievelijk is voor de berekening van het gemiddelde percentage gebruik gemaakt van het percentage dat geldt voor regeling zorg en jeugdhulp (hetzelfde percentage als voor indexering van het algemeen bezoldigingsmaximum van de WNT), in plaats van het percentage dat volgt uit de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer voor de cao-lonen inclusief bijzondere beloningen voor de sector overheid per maand. Voor de berekening van het gemiddelde percentage is gerekend met 5,4% in plaats van 6,6%, waardoor voor de indexering is gerekend met een gemiddeld percentage van 4,5% in plaats van 5,10%.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-39481.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.