Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 38916 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 38916 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;
Besluit:
De Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 6, eerste lid, wordt ’16 oktober 2026’ vervangen door ’31 juli 2027’.
B
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. het volgen van een door de minister goedgekeurde opleiding die tot doel heeft het integreren van financiële educatie in bestaande vakken en het onderwijzen van studenten of leerlingen in financiële competenties, door docenten en medewerkers van mbo-instellingen en vo-instellingen die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs binnen de mbo-instellingen of vo-instellingen. Van de medewerkers en docenten die deze opleiding volgen is ten minste de helft docent.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt ‘Minister’ vervangen door ‘minister’.
b. In onderdeel d vervalt ‘of docent’.
3. In het vierde lid wordt ‘Minister’ vervangen door ‘minister’.
C
In artikel 8, eerste lid, onderdeel b, wordt ‘de docenten van mbo-instellingen en vo-instellingen’ vervangen door ‘de docenten en medewerkers van mbo-instellingen en vo-instellingen’.
D
In artikel 14, derde lid, aanhef, wordt ‘Minister’ vervangen door ‘minister’.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel
Het doel van de ‘Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen’ (hierna: de subsidieregeling) is het bevorderen van structurele aandacht voor financiële educatie binnen het onderwijs. Inmiddels zijn er drie tijdvakken geweest, respectievelijk voor het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), voortgezet onderwijs (vo) en primair onderwijs (po).
Deze wijziging van de subsidieregeling ziet op twee punten, namelijk:
1. Het verlengen van de projectperiode voor het mbo en
2. Het opleiden van andere medewerkers, niet zijnde docenten, naast docenten als subsidiabele activiteit in het mbo en vo.
In het kader van de subsidieregeling vervult Wijzer in Geldzaken de rol van ‘Expertisepunt Financiële Educatie’. Scholen, docenten en aanbieders van trainingen kunnen hier terecht voor een actueel overzicht van trainingsaanbod, informatie, advies en het uitwisselen van kennis over effectieve financiële educatie (zie www.geldlessen.nl). Daarnaast organiseert het Expertisepunt een netwerk en (periodieke) sessies waar ervaringen van scholen op het gebied van financiële educatie worden gedeeld, ter inspiratie voor andere onderwijsinstellingen en om van te leren.
Tijdens deze sessies heeft een aantal mbo-scholen verzocht om meer tijd voor het uitvoeren van hun project. Momenteel is de projectperiode maximaal drie jaar. Door de maximale projectperiode te verlengen tot aan het einde van het schooljaar 2026–2027 krijgen scholen meer ruimte om alle geplande activiteiten uit te voeren. Hiertoe is artikel 6, eerste lid, gewijzigd. Activiteiten voor een project in het kader van deze regeling vinden als gevolg van deze wijziging plaats binnen de periode van 17 oktober 2023 tot en met 31 juli 2027 (voorheen 16 oktober 2026). Onder het kopje ‘Het indienen van een wijzigingsverzoek’ kunt u lezen hoe u een wijzigingsverzoek kunt indienen.
Mbo-scholen hebben inmiddels één tussentijdse rapportage gedaan en hoeven niet nogmaals een tussentijdse rapportage te doen; zij hoeven alleen de eindrapportage na afloop van het project op te stellen en in te dienen. De reden waarom scholen geen extra tussentijdse rapportage hoeven in te dienen is om de administratieve belasting zo laag mogelijk te houden. Daarnaast houdt het Expertisepunt Financiële educatie contact met de scholen met betrekking tot de voortgang en is een voortgangsrapportage daarom niet noodzakelijk.
Vanuit verschillende scholen zijn vragen binnengekomen met betrekking tot de eerste subsidiabele activiteit, die luidt als volgt:
‘Het volgen van een door de Minister goedgekeurde opleiding door docenten van mbo-instellingen of vo-instellingen die tot doel heeft het integreren van financiële educatie in bestaande vakken en het onderwijzen van studenten respectievelijk leerlingen in financiële competenties’.
Binnen de huidige subsidieregeling kunnen mbo- en vo-scholen alleen docenten trainen die bevoegd zijn om les te geven.
Dit is gedaan vanuit de gedachte dat deze medewerkers daadwerkelijk voor de klas staan. Zij worden geacht het fundament te vormen voor de investering in duurzame financiële educatie op scholen.
Mbo- en vo-scholen lopen bij de uitvoering van het project echter aan tegen het feit dat zij geen andere medewerkers, niet zijnde docenten, kunnen trainen ten behoeve van financiële educatie van studenten en leerlingen. Het trainen van deze medewerkers is wel noodzakelijk om financiële educatie effectief in te kunnen bedden binnen de scholen. De verschillende taken op scholen, ook op het vlak van financiële educatie, zijn niet alleen belegd bij docenten. Voorbeelden van medewerkers, niet zijnde docenten, die betrokken kunnen zijn bij het aanbieden van financiële educatie op scholen zijn ondersteuningsspecialisten en onderwijsmakelaren. Zij bieden begeleiding aan onderwijsteams en studenten, onder andere omtrent financiën en het voorkomen van financiële problemen. Redenerend vanuit het doel van de regeling, namelijk het bevorderen van structurele aandacht voor financiële educatie binnen het onderwijs, is het trainen van medewerkers, niet zijnde docenten, ook noodzakelijk.
Dit voortschrijdend inzicht was er niet bij het opzetten van de eerste twee tijdvakken niet, maar wel bij het derde tijdvak. In het derde tijdvak is de wijziging hiervoor al doorgevoerd voor po-scholen. Middels de wijziging van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, wordt ook voor mbo- en vo-scholen het trainen van andere medewerkers, niet zijnde docenten, mogelijk gemaakt.
Omdat het trainen van docenten belangrijk is voor het bereiken van het doel van deze subsidieregeling, dienen scholen ermee rekening te houden dat in ieder geval de helft van alle medewerkers die worden getraind, docent is (zoals oorspronkelijk het geval was). Hiervoor is de laatste zin in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, toegevoegd. Met deze wijziging is het niet de bedoeling meer medewerkers te trainen dan oorspronkelijk is berekend. Er zijn immers geen extra middelen beschikbaar voor deze wijziging. Als er geen kosten schuiven binnen het oorspronkelijke activiteitenplan, dan kunnen scholen zonder wijzigingsverzoek docenten inruilen voor andere medewerkers, zolang wordt voldaan aan het minimum percentage docenten (50%). Dit wordt gecontroleerd bij de vaststelling.
Als er wel kosten schuiven tussen de subsidiabele activiteiten, dan moeten scholen hier een wijzigingsverzoek voor indienen via Uitvoering van Beleid (UvB) (www.uitvoeringvanbeleidszw.nl).
Deze wijzigingsregeling is niet voor internetconsultatie aangeboden, omdat deze het gevolg is van de behoefte en vraag vanuit scholen zelf.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
Deze wijzigingsregeling ziet op twee punten. De eerste wijziging kan ervoor zorgen dat de gereserveerde middelen (20% nabetaling) later worden betaald. De tweede wijziging, het trainen van andere medewerkers dan docenten, gaat niet gepaard met extra financiële middelen. Deze wijziging zorgt voor extra ruimte en mogelijkheden voor de scholen en dient binnen de reeds toegekende subsidie te worden uitgevoerd.
De wijzigingen hebben betrekking op reeds verplichte activiteiten en gelden voor alle scholen binnen het desbetreffende tijdvak.
Scholen krijgen meer ruimte/flexibiliteit om hun reeds geplande verplichte activiteiten uit te voeren en daarmee sluit deze wijzigingsregeling aan op de behoefte die scholen hebben. Hiermee wordt de kans voor scholen om ook de geplande activiteiten aan het eind van de projectperiode te kunnen afronden vergroot. De kans is klein dat door deze voorgestelde wijzigingen andere scholen worden benadeeld. Er zijn ook geen signalen bekend dat scholen hebben afgezien van het indienen van een aanvraag omdat ze bijvoorbeeld de projectperiode te kort vonden of omdat ze alleen docenten kunnen trainen. Daarbij trekken we nu het trainen van andere medewerkers juist gelijk met het derde tijdvak.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Daarmee wordt afgeweken van de systematiek van vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn, zoals neergelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Dit is gerechtvaardigd, omdat het voor scholen belangrijk is om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen, zodat ze hier in de praktijk op kunnen voorbereiden.
Met de wijziging van artikel 7, tweede lid, onderdeel d, is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Met deze wijziging wordt verduidelijkt dat de opleiding van docenten en medewerkers plaatsvindt onder begeleiding van een trainer die niet ook een docent (als bedoeld in de zin van de regeling) hoeft te zijn.
Deze onderdelen herstellen een inconsistent gebruik van hoofdletters voor het woord ‘minister’ in de regeling.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-38916.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.