Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 10 november 2025, nr. IENW/BSK-2025/272850, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer (vaststellen absoluut aandeel 2026) [KetenID WGK028442]

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 4, derde lid, van het Besluit BDU verkeer en vervoer;

Besluit:

ARTIKEL I

Artikel 3 van de Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer komt te luiden:

Artikel 3

Het absolute aandeel bedraagt voor het uitkeringsjaar 2026 het bij de uitkeringsontvanger genoemde bedrag in onderstaande tabel:

Uitkeringsontvanger

Bedrag

Openbaar lichaam als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdeel a, Besluit personenvervoer 2000

€ 119.913.630,–

Openbaar lichaam als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdeel b, Besluit personenvervoer 2000

€ 131.369.545,–

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van de uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, A.A. Aartsen

TOELICHTING

Hoofdlijn van deze wijziging

Het Rijk geeft elk jaar aan de Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag een brede doeluitkering (BDU) voor de voorbereiding en de uitvoering van hun regionaal verkeer- en vervoerbeleid (artikel 3, eerste lid, Wet BDU verkeer en vervoer). De vervoerregio’s gebruiken dit geld voor regionaal openbaar vervoer en infrastructuur. De BDU bestaat uit twee delen: het percentuele aandeel en het absolute aandeel.

Het absolute aandeel van de BDU is bestemd voor de verkeers- en vervoerprojecten waarover de vervoerregio’s aparte afspraken hebben gemaakt met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Vanaf 2025 maken ook de op grond van de motie Bikker1 extra beschikbare middelen deel uit van het absolute aandeel. Deze middelen zijn bedoeld om de voorziene prijsstijgingen in de toekomst in het regionaal openbaar vervoer structureel te voorkomen en de beschikbaarheid van het regionaal openbaar vervoer structureel te verbeteren. Het absolute aandeel is daardoor hoger dan in de jaren tot en met 2024.

Deze wijziging stelt de hoogte van het absolute aandeel vast voor het jaar 2026. Op basis van deze wijziging kunnen in december 2025 de BDU-beschikkingen worden gegeven voor de uitkeringen voor 2026.

Administratieve lasten en internetconsultatie

Deze wijzigingsregeling leidt niet tot een aanmerkelijke verzwaring van de administratieve lasten voor de burgers, het bedrijfsleven of de twee vervoerregio’s. Daarom is de regeling niet ter toetsing voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk. De wijzigingsregeling heeft ook geen gevolgen voor de uitvoeringspraktijk. Op grond van het kabinetsstandpunt over internetconsultatie is daarom afgezien van internetconsultatie.2

Vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat verstuurt de BDU-beschikkingen in december van het voorafgaande kalenderjaar (artikel 2, Besluit BDU verkeer en vervoer). De Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer moet daarvoor zijn aangepast. De voor de aanpassing benodigde bedragen zijn pas in oktober 2025 bekend geworden. Daarom wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn die de Aanwijzingen voor de regelgeving voorschrijven. Hiermee worden grote publieke nadelen voorkomen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, A.A. Aartsen


X Noot
1

Kamerstukken II 2023/24, 36 410, nr. 29

X Noot
2

Kamerstukken II 2009/10, 29 279, nr. 114 en Kamerstukken II 2012/13, 29 362, nr. 224.

Naar boven