Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 10 november 2025, nr. IENW/BSK-2025/274529, houdende vaststelling van regels voor subsidie ter stimulering van inzet van duurzaamheidscoördinatoren 2026–2029 (Tijdelijke mbo-verduurzamingsregeling) [KetenID WGK028158]

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, 6, zesde lid, 7, derde lid, 8, eerste lid, 10, eerste, tweede en vierde lid, 13, 16, 22, tweede lid, en 23, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

duurzaamheidscoördinator:

coördinator die als taak heeft een mbo-instelling te ondersteunen bij het structureel verankeren van duurzaamheid en circulariteit in de onderwijspraktijk;

fte:

fulltime-equivalent;

Kaderbesluit:

Kaderbesluit subsidies I en M;

mbo-instelling:

instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Minister:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

RVO:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;

SustainaBul MBO peer-review:

coöperatieve ranking die laat zien hoever een instelling is in het verankeren van duurzaamheid.

Artikel 2 Doel van de subsidie

De verstrekking van subsidies op grond van deze regeling heeft als doel het borgen en versterken van duurzaamheid en circulariteit in mbo-instellingen middels de aanstelling van een of meerdere duurzaamheidscoördinatoren.

Artikel 3 Subsidiabele activiteit

De Minister kan, gelet op artikel 2, op aanvraag van het bevoegd gezag van een mbo-instelling subsidie verstrekken voor het invoeren of uitbreiden van de inzet van een of meer duurzaamheidscoördinatoren die ten minste drie en ten hoogste drieënhalf jaar als duurzaamheidscoördinator voor de aanvrager werkzaam zullen zijn, voor:

  • a. ten minste 0,6 fte per jaar, indien de aanvraag één duurzaamheidscoördinator betreft;

  • b. ten minste 0,3 fte per duurzaamheidscoördinator per jaar, indien de aanvraag meerdere duurzaamheidscoördinatoren betreft, met dien verstande dat voor de aanvrager in elk geval één duurzaamheidscoördinator werkzaam is voor ten minste 0,6 fte per jaar.

Artikel 4 Subsidiabele kosten

  • 1. Kosten van de werkgever voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 3, komen in aanmerking voor subsidie.

  • 2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden berekend door een bedrag van € 110.000 per fte per jaar te vermenigvuldigen met het aantal fte waarvoor de aanvrager arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 3 aangaat.

Artikel 5 Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 75% van de in aanmerking komende kosten, met een maximum van € 285.000, voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 3.

Artikel 6 Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2026 € 798.000 voor mbo-instellingen die op 1 september 2025 zijn ingeschreven voor deelname aan de SustainaBul MBO peer-review.

  • 2. Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2026 € 1.197.000 voor mbo-instellingen die op 1 september 2025 niet zijn ingeschreven voor deelname aan de SustainaBul MBO peer-review.

  • 3. Indien het subsidieplafond, bedoeld in eerste lid, ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, worden de bedragen aangevuld met de onaangesproken middelen gereserveerd op grond van het tweede lid.

  • 4. Indien het subsidieplafond, bedoeld in tweede lid, ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, worden de bedragen aangevuld met de onaangesproken middelen gereserveerd op grond van het eerste lid.

  • 5. Bij ministerieel besluit kan het subsidieplafond worden verhoogd of kan worden besloten tot een nadere openstelling.

Artikel 7 Wijze van verdelen

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op basis van de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 8 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3 wordt ingediend bij de Minister met gebruikmaking van een aanvraagformulier zoals dat door de Minister is vastgesteld.

  • 2. De aanvraag voor subsidieverlening kan worden ingediend van 16 februari 2026, 9.00 uur, tot en met 16 oktober 2026, 12.00 uur.

  • 3. Een aanvraag tot subsidieverlening bevat naast de in artikel 10 van het Kaderbesluit genoemde gegevens ten minste:

    • a. het aantal fte waarvoor de aanvrager arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 3 aangaat;

    • b. een onderbouwing waaruit blijkt dat de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 3, leidt tot additionele fte voor duurzaamheidscoördinatie ten opzichte van de situatie bij het begin van de aanvraagperiode;

    • c. een projectplan voor de werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator gedurende de projectperiode, waarbij de vragen opgenomen in de bijlage bij deze regeling worden beantwoord en waarbij geldt dat:

      • i. de werkzaamheden passen binnen de in de bijlage opgenomen rolomschrijving; en

      • ii. de werkzaamheden op de lijst met werkzaamheden staan die is opgenomen in de bijlage, of daar naar aard en inhoud bij aansluiten.

Artikel 9 Afwijzingsgronden

In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien een mbo-instelling reeds een subsidie op grond van deze regeling heeft ontvangen.

Artikel 10 Subsidieverstrekking

De regels, bedoeld in artikel 15, derde lid, van het Kaderbesluit, inzake een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 zijn van toepassing op subsidies van € 125.000 of meer.

Artikel 11 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1. In aanvulling op de artikelen 17 tot en met 20 van het Kaderbesluit is de subsidieontvanger verplicht:

    • a. binnen zes maanden na de subsidieverlening een arbeidsovereenkomst aan te gaan of uit te breiden met de duurzaamheidscoördinator waarvoor subsidie is ontvangen;

    • b. tot aan het einde van de projectperiode deel te nemen aan de SustainaBul MBO peer-review, vanaf:

      • i. 1 september 2026 indien de arbeidsovereenkomst, bedoeld in onderdeel a, uiterlijk 1 september 2026 is afgesloten; of

      • ii. 1 september 2027 indien de arbeidsovereenkomst, bedoeld in onderdeel a, na 1 september 2026 is afgesloten;

    • c. in de jaarlijkse voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 20 van het Kaderbesluit, een toelichting te geven op de deelname aan de SustainaBul MBO peer-review waaruit blijkt welke acties in verband met deze deelname zijn verricht en welke verbeterpunten dit heeft opgeleverd;

    • d. het project af te ronden binnen 42 maanden na het aangaan of uitbreiden van de arbeidsovereenkomst bedoeld in onderdeel a en uiterlijk op 30 juni 2030.

  • 2. De Minister kan op verzoek van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, indien de subsidieontvanger kan aantonen dat de benodigde tijd voor de realisatie van het project langer is dan 42 maanden.

  • 3. De ontheffing, bedoeld in het tweede lid, betreft maximaal zes maanden.

Artikel 12 Voorschot

De Minister verstrekt voorschotten volgens de volgende systematiek:

  • a. 15% van de verleende subsidie bij de subsidieverlening;

  • b. 25% van de verleende subsidie een jaar na subsidieverlening;

  • c. 25% van de verleende subsidie twee jaar na subsidieverlening;

  • d. 25% van verleende subsidie drie jaar na subsidieverlening.

Artikel 13 Subsidievaststelling

  • 1. De subsidieontvanger dient uiterlijk dertien weken nadat het project is afgerond een aanvraag tot subsidievaststelling in met gebruikmaking van een formulier zoals dat door de Minister is vastgesteld.

  • 2. In aanvulling op artikel 24 van het Kaderbesluit bevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in elk geval:

    • a. een bestuurdersverklaring waaruit blijkt dat de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 3, heeft geleid tot additionele fte voor duurzaamheidscoördinatie ten opzichte van de situatie bij het begin van de aanvraagperiode;

    • b. een samenvatting van de resultaten van het project ten behoeve van openbare kennisdeling waaruit blijkt:

      • i. welke werkzaamheden de duurzaamheidscoördinator heeft verricht gedurende de projectperiode;

      • ii. hoe de werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator na afloop van de projectperiode zijn geborgd.

    • c. een verslag waaruit blijkt welke acties zijn verricht naar aanleiding van de deelname aan de SustainaBul MBO peer-review en de daaruit voortgekomen verbeterpunten.

Artikel 14 Evaluatie

De Minister publiceert voor 1 januari 2032 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.

Artikel 15 Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor laatstbedoelde datum zijn aangevraagd.

Artikel 16 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke mbo-verduurzamingsregeling.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, A.A. Aartsen

BIJLAGE BIJ ARTIKEL 8, DERDE LID, ONDERDEEL C, VAN DE TIJDELIJKE MBO-VERDUURZAMINGSREGELING

Het projectplan voor de werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator is een essentieel onderdeel van uw aanvraag. De inhoudelijke beoordeling van uw voorstel vindt plaats op basis van de informatie die u daar verschaft en de eventuele bijlagen waar u naar verwijst.

Voor het projectplan geldt dat het beantwoorden van de daarin opgenomen vragen verplicht is.

Vraag 1: Welke werkzaamheden gaat de duurzaamheidscoördinator concreet uitvoeren?

U kunt hiervoor gebruik maken van de in deze bijlage opgenomen lijst met werkzaamheden. Daarbij dienen de werkzaamheden te passen binnen de rolomschrijving van de duurzaamheidscoördinator en dienen werkzaamheden die niet zijn opgenomen in de in deze bijlage opgenomen lijst met werkzaamheden, naar aard en inhoud aan te sluiten bij de lijst met werkzaamheden.

Vraag 2: Wat is de globale planning van die werkzaamheden voor de duur van de projectperiode?

U kunt dit uitsplitsen voor de verschillende jaren van het project: welke werkzaamheden verricht de duurzaamheidscoördinator in het eerste jaar en welke werkzaamheden komen er in latere jaren van het project bij?

Vraag 3: Hoe beoogt u de voortzetting van de werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator na afloop van de projectperiode te borgen?

Hierbij dient u inzicht te geven in de manier waarop u borgt dat de werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator na de projectperiode worden voortgezet, bijvoorbeeld door het opstellen van een strategische visie voor de verdere integratie van duurzaamheid binnen de school.

Indien er op de mbo-instelling nog geen duurzaamheidscoördinator is aangesteld, volstaat een globaal overzicht en beschrijving van de werkzaamheden en een voorlopige planning. De subsidieverlening zal dan de verplichting bevatten dat het projectplan binnen het eerste jaar na aanstelling van een duurzaamheidscoördinator nader wordt uitgewerkt.

Rolomschrijving van een duurzaamheidscoördinator

De inzet van de duurzaamheidscoördinator draagt indirect bij aan de taken van het bestuur en de onderwijsinstelling, met name op het gebied van kwaliteit, strategisch beleid en de toekomstige ontwikkeling van de onderwijsorganisatie. De duurzaamheidscoördinator speelt een essentiële rol in de verdere integratie van duurzaamheid en circulariteit binnen het onderwijs, wat kan bijdragen aan het bereiken van bredere institutionele en strategische doelstellingen.

De inzet van een duurzaamheidscoördinator op instellingsniveau betreft primair het structureel in de onderwijspraktijk verankeren van duurzaamheid en circulariteit. Een duurzaamheidscoördinator stimuleert initiatieven en zet ze in gang, afgestemd op de specifieke behoeften en vraag van de instelling, met als doel de instelling toekomstbestendiger te maken. De duurzaamheidscoördinator is een aanjager binnen de instelling, krijgt verantwoordelijkheid om verder met duurzaamheid aan de slag te gaan en heeft mandaat om duurzame initiatieven te bedenken, te coördineren en te borgen in de verschillende lagen van een onderwijsinstelling. Hierbij valt te denken aan het bestuurlijk niveau, managementniveau en operationeel niveau. Op basis van de scope en verantwoordelijkheden van de functie is het wenselijk een duurzaamheidscoördinator aan te stellen in schaal 11 of hoger (CAO mbo).

Voor de breedte van duurzaamheid hanteert de duurzaamheidscoördinator de Sustainable Development Goals (SDG’s).1 De zeventien doelen zijn een mondiaal kompas voor uitdagingen en vraagstukken rondom extreme armoede, (gender)ongelijkheid en klimaatverandering. Naast de SDG’s richt de duurzaamheidscoördinator zich ook op het toepassen van circulariteit volgens de R-ladder.2 In de context van de onderwijspraktijk kan dit op verschillende manieren worden geïntegreerd, zoals afvalrecycling, circulair inkopen of het stimuleren van circulair gedrag bij medewerkers en studenten. De Whole School Approach3 is daarbij een raamwerk dat ruimte biedt om vanuit diverse invalshoeken na te denken over duurzaamheid, daar waar passend bij de behoefte en vraag van een school.

De werkzaamheden zijn erop gericht dat de duurzaamheidscoördinator na afloop van de projectperiode heeft gezorgd voor een stevige basis voor de structurele borging van duurzaamheid en circulariteit binnen de onderwijspraktijk. Daarbij zijn duurzaamheid en circulariteit ten minste geïntegreerd in de visie en het strategisch koersplan van de school, waardoor er voor de komende jaren duidelijke richting is voor het beleid van de instelling op deze onderwerpen.

Lijst met werkzaamheden

Een verplicht onderdeel van de duurzaamheidscoördinator is het jaarlijks deelnemen aan de SustainaBul MBO peer-review en de daarbij horende werkzaamheden. Daarnaast volgt hieronder een lijst van werkzaamheden die door een duurzaamheidscoördinator uitgevoerd kunnen worden. Deze lijst dient als voorbeeld en is niet uitputtend. De aanvrager stelt zelf een projectplan op met de geplande werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator binnen de projectperiode, passend bij de vraag en behoefte van de instelling.

Opties. Een duurzaamheidscoördinator:

  • Stimuleert en draagt bij aan de integrale verankering van duurzaamheid in de instellingsplannen, visie en strategisch koersplan;

  • Coördineert projecten gericht op duurzaamheid en circulariteit en maakt een jaarplanning voor duurzaamheidsinitiatieven;

  • Zorgt voor het monitoren van het jaarplan op duurzaamheid en circulariteit, stelt dit vast, stuurt op de voortgang en legt resultaten vast;

  • Brengt duurzaamheid en circulariteit in beleidsvoorstellen en lopende zaken;

  • Houdt zich bezig met wettelijke verplichtingen en landelijke ontwikkelingen in het onderwijs omtrent duurzaamheid en circulariteit;

  • Is de schakel tussen docenten, schoolleiding, facilitair management en het schoolmanagement en fungeert als sparringpartner voor medewerkers die aan duurzaamheid en circulariteit werken;

  • Ondersteunt duurzaamheids- en circulariteitsinitiatieven en verbindt top-down beleid met bottom-up initiatieven;

  • Brengt succesfactoren en uitdagingen van scholen onder de aandacht van bestuurders;

  • Stimuleert de professionalisering van personeel op het gebied van duurzaamheid en circulariteit;

  • Signaleert en benut kansen voor duurzaamheid en circulariteit, zowel intern als extern;

  • Verkent subsidiemogelijkheden en dient aanvragen in namens de instelling;

  • Deelt inspiratie en informatie over duurzaamheid en circulariteit tussen scholen en/of binnen de instelling;

  • Zorgt voor interne en externe communicatie om de zichtbaarheid van duurzaamheid en circulariteit te verhogen;

  • Onderhoudt contacten met relevante netwerken voor kennisdeling en inspiratie;

  • Werkt samen met externe organisaties op lokaal, regionaal en landelijk niveau;

  • Faciliteert en ondersteunt een door mbo-studenten geleid duurzaamheidsplatform (zoals een Green Office) binnen de mbo-instelling.

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Een adviesrapport, opgesteld in consultatie met de sector, bevatte in 2024 de conclusie dat er in het middelbaar beroepsonderwijs (hierna: mbo) behoefte is aan meer capaciteit om binnen de instelling duurzaamheid te versterken en borgen.4 Door in het mbo meer aandacht te geven aan duurzaamheid kunnen studenten hieraan een waardevolle bijdrage leveren en zijn beter ze toegerust voor de maatschappelijke uitdagingen van hun toekomst. Op grond van de Tijdelijke mbo-verduurzamingsregeling (hierna: de regeling) kunnen subsidies worden verstrekt aan mbo-instellingen.5 De subsidie is bedoeld voor het aanstellen van duurzaamheidscoördinatoren: medewerkers op instellingsniveau die helpen bij het verder borgen en versterken van duurzaamheid en circulariteit in mbo-instellingen. De regeling komt tegemoet aan de vraag van de sector naar meer capaciteit voor duurzaamheid binnen de instelling.

2. Doel en hoofdlijnen van de regeling

Doel

Het doel van deze regeling is het stimuleren van mbo-instellingen om duurzaamheid en circulaire economie structureel meer te verankeren in hun onderwijspraktijk. Dit doel wordt bereikt door de aanstelling van een (of meerdere) duurzaamheidscoördinatoren.

Het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023–20306 (hoofdstuk Onderwijs) vormt het achterliggende beleidskader. Hierin staat de kabinetsbrede ambitie om in afstemming met het onderwijs en de departementen te verkennen hoe duurzaamheid in brede zin en circulariteit een passende plek kunnen krijgen in het onderwijs. Deze ambitie is uitgewerkt in het Uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs7 en het Implementatieplan Duurzame School.8 Deze regeling betreft de invulling van dit Uitvoeringsplan.9

Keuze voor subsidie

Door in het onderwijs meer aandacht te geven aan duurzaamheid in brede zin en circulariteit in het bijzonder, wordt de positie van studenten op de snel veranderende arbeidsmarkt versterkt. Ook kunnen studenten hierdoor een waardevolle bijdrage leveren aan de circulaire economie en duurzaamheidstransities en zijn ze toegerust voor de maatschappelijke uitdagingen van hun toekomst. Er gebeurt al van alles op het gebied van duurzaamheid en circulariteit in het onderwijs en met name in het mbo is de aandacht voor duurzaamheid en circulariteit toegenomen.

Er liggen kansen om duurzaamheid en circulariteit structureler te verankeren in het mbo. Het onderwijsveld geeft signalen dat duurzaamheid en circulariteit in het onderwijs nog geen structureel karakter hebben.10 Belemmeringen, zoals het ontbreken van een expliciete visie en strategie op duurzaamheid bij bestuurders en het gebrek aan tijd en bekwaamheid rondom duurzaamheid in het onderwijs, zijn naar voren gekomen. Zo ontbreekt er vaak een strategie of visie op duurzaamheid en daardoor ontbreken ook richting, tijd en middelen om operationeel invulling te geven aan duurzaamheid in de onderwijspraktijk. Het rapport van de Kwartiermaker11 brengt deze belemmeringen in kaart en schetst zes kansrijke oplossingsrichtingen voor het primair, voortgezet, gespecialiseerd en middelbaarberoepsonderwijs, aangedragen door het onderwijsveld zelf. Een structurele belemmering in het mbo is het gebrek aan capaciteit binnen de school; de daarbij horende oplossingsrichting die door stakeholders is ingebracht is het stimuleren van het aanstellen van duurzaamheidscoördinatoren. Deze regeling geeft invulling aan deze oplossingsrichting.

Deze subsidie stimuleert werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator die invulling geven aan het verankeren van duurzaamheid en circulariteit in het onderwijs. Een financiële stimuleringsregeling haakt precies in op het in de vorige alinea geschetste probleem. Tegelijkertijd behouden mbo-instellingen hun autonomie om duurzaamheid en circulariteit te verankeren op een manier die zij als passend zien bij de (regionale) context, hetgeen het eigenaarschap vergroot en de vrijheid van onderwijs beschermt.

Doelgroep

De doelgroep bestaat uit bekostigde mbo-instellingen.12 Niet-bekostigde mbo-instellingen vallen buiten de regeling. Dit is in overeenstemming met landelijk beleid voor de inzet van publieke middelen in het middelbaar beroepsonderwijs. Er is daarnaast voor gekozen geen nieuwe subsidies richting andere onderwijssectoren (primair en voortgezet onderwijs) op te zetten. Dit vanwege reeds bestaande subsidieregelingen die voor deze sectoren beschikbaar zijn. De beschikbare middelen kunnen daarnaast doelmatiger ingezet worden als deze op één onderwijssector zijn geconcentreerd, in plaats van deze uit te smeren over verschillende onderwijslagen. Het mbo ontpopt zich als de spil in de circulaire transitie. Studenten in het mbo worden opgeleid voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Het integreren van duurzaamheid en circulariteit zijn daarom bijzonder van belang in deze onderwijssector en het aanstellen van een duurzaamheidscoördinator geeft een verdere impuls aan duurzaamheid voor de sector als geheel.

Verwachte impact van de regeling

Om duurzaamheid en circulariteit in mbo-instellingen verder te borgen, is het belangrijk dat er een duurzaamheidscoördinator aanwezig is die de onderwerpen breed agendeert en implementeert. Op deze manier is deze medewerker verantwoordelijk voor het bevorderen van duurzaamheid en circulariteit binnen een onderwijsinstelling en wordt het geen extra taak voor docenten. Door subsidie te verstrekken voor de inzet van een of meerdere duurzaamheidscoördinatoren worden relevante werkzaamheden aangejaagd binnen de instelling. Dit biedt een concreet handelingsperspectief voor het vertalen van de visie en strategie op het gebied van duurzaamheid en circulariteit naar de dagelijkse gang van zaken op een onderwijsinstelling. Zo kan een goede basis worden gelegd voor structurele borging van duurzaamheid en circulariteit in de onderwijspraktijk van de deelnemende mbo-instellingen.

SustainaBul MBO: algemeen

De mate waarin mbo-instellingen in staat zijn om duurzaamheid en circulariteit te verankeren in hun onderwijspraktijk is zichtbaar gemaakt in de SustainaBul MBO peer-review (hierna: de peer-review).13 De peer-review is een coöperatieve ranking die laat zien hoe ver een instelling is in het verankeren van duurzaamheid. Voor de peer-review zijn in 2023 16 mbo-instellingen geanalyseerd. Deze behalen gemiddeld 62 procent van het totaal aantal haalbare punten in de peer-review, hetgeen wijst op een redelijke prestatie bij het implementeren van duurzaamheid. Tien van de 55 mbo-instellingen in Nederland hebben duurzaamheid een vaste plaats gegeven in de strategische visie.14 De peer-review is een benchmarktool van de Coöperatie Leren voor Morgen.

SustainaBul MBO peer-review – specifiek voor deze regeling

De peer-review kan een mbo-instelling inzicht geven in haar groeipotentie op het gebied van een integrale aanpak van leren voor duurzame ontwikkeling. Daarom is gekozen om deelname aan de regeling te verbinden met deelname aan de peer-review.15 Subsidieontvangers zijn verplicht binnen 12 maanden na de subsidieverlening een bewijsstuk aan te leveren van hun inschrijving voor de peer-review. Aanmelding voor de SustainBul MBO peer-review kan tot uiterlijk 1 september 2026. Als een instelling 1 september 2026 niet haalt, omdat zij dan nog geen arbeidsovereenkomst heeft met de duurzaamheidscoördinator, dient zij zich uiterlijk 1 september 2027 aan te melden. Voor deze instelling is het wel al mogelijk om lid te worden van het lerend netwerk SustainaBul MBO. De aanvrager kan dan kosteloos deelnemen aan onder andere kennissessies en intervisiemomenten. Daarnaast is het eventueel mogelijk om mee te kijken bij een andere onderwijsinstelling om te zien hoe zij de collegiale beoordeling uitvoeren.

Na inschrijving wordt de instelling benaderd door SustainaBul MBO voor begeleiding en advies. In de praktijk werkt de peer-review als volgt:

  • Deelnemende mbo-instellingen vullen jaarlijks tussen 1 mei en begin oktober een vragenlijst in die ingaat op alle aspecten van duurzaamheid in de onderwijsinstelling. Hierbij valt te denken aan de instellingsvisie, didactiek en pedagogiek, curriculum en stages en bedrijfsvoering.

  • Aan de hand van de vragenlijst worden mbo-instellingen via een peer review proces beoordeeld door collega’s van andere deelnemende instellingen. Deze collega’s vullen de beoordeling aan met advies op basis van hun eigen expertise of wat ze in de beoordeling bij andere instellingen tegenkomen.

  • De peer review geeft de subsidieontvanger input voor een goede nulmeting of duurzaamheidsrapportage én voor het vormgeven van ambities. De (beginnend) duurzaamheidscoördinator inventariseert welke initiatieven er al zijn binnen de instelling. Het is een effectieve manier om overzicht te krijgen van wat er al gebeurt binnen de onderwijsinstelling en van hieruit de functie als duurzaamheidscoördinator verder vorm te geven.

3. Wettelijk kader

Nationaal recht

Het nationaal bestuursrechtelijk kader voor deze regeling wordt gevormd door de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Meer specifiek gaat het om hoofdstukken 4.1 (Beschikkingen) en 4.2 (Subsidies) van de Awb, waarin bepalingen zijn opgenomen die relevant zijn of kunnen zijn voor subsidieontvangers. Daarnaast zijn het Kaderbesluit subsidies I en M (hierna: het Kaderbesluit) en de aan het Kaderbesluit ten grondslag liggende Kaderwet subsidies I en M van belang voor de onderhavige regeling. De bepalingen van het Kaderbesluit zijn dan ook van toepassing op de subsidieverstrekking op grond van de onderhavige regeling, ook wanneer er niet expliciet in de regeling naar wordt verwezen. Voor de subsidieontvangers is dan ook niet alleen deze regeling, maar ook het Kaderbesluit van belang. In het Kaderbesluit zijn onder andere artikelen opgenomen over de subsidiabele kosten (hoofdstuk 3), het indienen van de aanvraag (hoofdstuk 5), afwijzingsgronden van een aanvraag (hoofdstuk 6), verplichtingen voor de subsidieontvanger (hoofdstuk 8) en de subsidievaststelling (hoofdstuk 10).

Europeesrechtelijke aspecten

Indien onderwijs wordt aangeboden op grond van een landelijk en wettelijk onderwijsstelsel dat in hoofdzaak wordt gefinancierd door de staat, kwalificeert een onderwijsinstelling niet als een onderneming in de zin van de staatssteunregels. De werkzaamheden van een duurzaamheidscoördinator staan weliswaar los van het daadwerkelijk aanbieden van onderwijs, maar dit maakt de mbo-instelling nog geen onderneming, omdat de werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator niet gericht zijn op het maken van winst. Van een markt voor de werkzaamheden van duurzaamheidscoördinatoren op mbo-instellingen is geen sprake.

Caribisch Nederland

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) werkt momenteel aan wetgeving die de wetgeving voor Caribisch Nederland16 integreert in de Wet educatie en beroepsonderwijs. Deze nieuwe wetgeving is naar verwachting niet gerealiseerd voordat deze regeling in werking treedt. Gelet hierop is deze regeling vooralsnog niet van toepassing op Caribisch Nederland.

4. Uitvoering en privacy

Uitvoering

Deze regeling wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO), onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. RVO heeft een uitvoeringstoets voor de regeling verricht. Mandaat en machtiging voor de uitvoering van deze regeling is verleend middels aanpassing van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: Ministerie van IenW). RVO is betrokken bij het opstellen van de regeling.

Privacy

Van verwerking van persoonsgegevens is bij deze regeling geen sprake. Bij de aanvragers gaat het om mbo-instellingen. De gegevens die zij delen, zijn bedrijfsgegevens, zoals het aantal fte waarvoor zij arbeidsovereenkomsten afsluiten. Een subsidieontvanger verstrekt geen informatie die gerelateerd kan worden aan een persoon, maar aan het collectief van de mbo-instelling.

5. Financiële gevolgen

Bij de Voorjaarsbesluitvorming 2023 zijn klimaatfondsmiddelen toegekend voor de maatregel Circulair Denken en Doen – categorie onderwijs. De uitwerking van deze maatregel is te lezen in het Uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs. Voor de onderhavige regeling, inclusief de uitvoering daarvan, is uit deze middelen € 9.112.000,00 beschikbaar. De regeling steunt mbo-instellingen die overwegen aan de slag te gaan met de structurele borging van duurzaamheid en circulariteit in de onderwijspraktijk. Daarnaast steunt de regeling mbo-instellingen die hier al mee bezig zijn. De taak van een duurzaamheidscoördinator valt buiten de primaire onderwijstaak van een mbo-instelling.

6. Regeldruk

Regeldrukeffecten

De inspanning die gevraagd wordt van de aanvragers van de subsidie bestaat allereerst uit het kennisnemen van de regeling. In de praktijk zal een instelling een aanvraag voor subsidieverlening via het digitale loket van RVO indienen. Aanvragers moeten de aanvraag met behulp van het door RVO gevraagde niveau van eHerkenning indienen. Naast de formele informatie die nodig is voor de aanvraag, dient ook een projectplan te worden overgelegd. De beoordeling vindt plaats op basis van dit projectplan. Het projectplan biedt de aanvrager zelf ook duidelijkheid over de te nemen acties.

Na het beoordelen en toekennen van de subsidieaanvraag worden voorschotten op het subsidiebedrag uitgekeerd. Daarna volgt het verzoek tot vaststelling. Op de vaststelling volgt normaal gesproken de uitbetaling van de rest van de subsidie. De tijd die een subsidieaanvrager aan deze stappen besteedt, is afhankelijk van de complexiteit van het project. De verwachting is dat een subsidieaanvrager in totaal maximaal 64 uur per aanvraag besteedt aan deze stappen.

Voor het berekenen van de regeldruk voor deze non-profit instellingen wordt een standaardtarief van € 60 gehanteerd. In totaal is de regeldruk voor een aanvrager daarmee maximaal € 3.840 per aanvraag. Uitgaande van een subsidiebedrag van € 285.000 betekent dit een regeldruk van 1,35%. Met de kennis van nu worden ongeveer 29 aanvragen voor subsidie verwacht. Daarmee is de macro regeldruk van deze regeling in totaal ongeveer € 111.360. Dit bedrag is 1,35% van het totale subsidiebudget van € 8,27 miljoen.

Bij het inrichten van de regeling is ingezet op het zo beperkt mogelijk houden van de rapportageplicht en regeldruk. Zo worden de subsidiabele kosten bepaald aan de hand van een basisbedrag van € 110.000 per jaar in plaats van aan de hand van een individuele berekening. Ook is afgezien van het toepassen van arrangement 3, waardoor de financiële verantwoording voor de subsidieontvanger eenvoudig is.

De regeling is aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) voorgelegd ter toetsing. Op 7 augustus 2025 heeft ATR laten weten dat hij het dossier niet heeft geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

7. Advies en consultatie

Advies vooraf

Bij het opstellen van deze regeling zijn onderwijsprofessionals, jongeren en organisaties die zich bezig houden met duurzaamheid in het onderwijs geraadpleegd. In 2024 is door een Kwartiermaker in opdracht van de interdepartementale werkgroep Duurzame School17 in kaart gebracht hoe duurzaamheid in het onderwijs verankerd kan worden in de verschillende onderwijssectoren. Hiervoor heeft de Kwartiermaker relevante stakeholders (uit het onderwijs en uit onderwijsondersteunende sleutelpartijen) geïnterviewd. Er zijn daarbij belemmeringen, maar ook oplossingsrichtingen opgehaald. Een structurele belemmering in het mbo is het gebrek aan capaciteit binnen de instelling; de daarbij horende oplossingsrichting die door stakeholders is ingebracht is het stimuleren van het aanstellen van duurzaamheidscoördinatoren. Met deze regeling wordt invulling gegeven aan deze oplossingsrichting.

Internetconsultatie

Er heeft geen internetconsultatie plaatsgevonden omdat hier sprake is van een ministeriële regeling die geen significante veranderingen brengt in rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen en die evenmin grote gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk. Overeenkomstig het kabinetsstandpunt inzake internetconsultatie (Kamerstukken II 2009/10, 29 2749, nr. 114 en Kamerstukken II 2012/13, 29 362, nr. 224) is internetconsultatie daarom achterwege gebleven.

In de aanloop naar de totstandkoming van deze regeling is overleg gevoerd met de MBO Raad, met het Ministerie van OCW, met het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (hierna: LVVN) en met de Coöperatie Leren voor Morgen. De Stuurgroep Duurzame School, bestaande uit vertegenwoordigers van de MBO Raad en de ministeries van LVVN, Klimaat en Groene Groei (hierna: KGG), IenW en OCW, staan positief tegenover de mogelijkheid een subsidie op grond van deze regeling aan te vragen. De regeling is daarnaast in lijn met het advies van de Kwartiermaker, die zich heeft laten voeden door betrokkenen uit de sector, zoals is weergegeven onder het kopje ‘Advies vooraf’. De toegevoegde waarde van internetconsultatie is daarom als gering beoordeeld.

8. Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. De regeling geldt voor een periode van tenminste drie jaar en vervalt per 1 januari 2031. De regeling blijft wel van toepassing op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd. Voor 1 januari 2032 wordt een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en effecten van de subsidie in de praktijk (conform artikel 4:24 van de Awb).

Artikelsgewijs

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

In het algemene deel van deze toelichting is het belang van het stimuleren van de inzet van een duurzaamheidscoördinator aan bod gekomen. Dit artikel hangt samen met het doel dat de subsidie ertoe leidt dat duurzaamheid en circulariteit in mbo-instellingen daadwerkelijk worden geborgd en versterkt.

De eisen in dit artikelvormen een uitwerking van het structurele karakter van het werk van de duurzaamheidscoördinator: ten minste drie en ten hoogste drieënhalf jaar, minimaal 0,6 fte per jaar. De invulling hiervan is aan de subsidieontvanger. Zo kan een instelling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangaan, waarvan de inzet gedurende ten minste drie en ten hoogste drieënhalf jaar de subsidiabele activiteit bedoeld in deze regeling betreft. Een instelling kan ook een arbeidsovereenkomst aangaan voor de duur van een bepaald werk of project (‘projectovereenkomst’, zie artikel 667, eerste lid, en 668, tweede lid, onder a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek). Hierbij is van belang dat uit de arbeidsovereenkomst voor de duur van bepaald werk of project duidelijk blijkt om welke werkzaamheden het gaat en wat het tijdelijke karakter van de werkzaamheden is. Ook moet er duidelijk worden omschreven wanneer het project als afgerond dient te worden beschouwd. Dit moet objectief bepaalbaar zijn. Dit om te voorkomen dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst afhankelijk is van de wil van de werkgever.

Aangezien de functie van duurzaamheidscoördinator op grond van deze regeling voor een bepaalde tijd wordt gesubsidieerd, en deze functie is gekoppeld aan het doel van de subsidie, kan een instelling een arbeidsovereenkomst aangaan voor de duur van de subsidie. Daarbij dient zij de voorwaarden voor afronding helder in de overeenkomst vast te leggen.

Een aanvrager kan meerdere duurzaamheidscoördinatoren aanstellen, maar dan geldt de eis dat elke overeenkomst met een duurzaamheidscoördinator minimaal 0,3 fte betreft. Daarbij geldt dat voor de aanvrager in elk geval een duurzaamheidscoördinator werkzaam is met een overeenkomst van ten minste 0,6 fte per jaar (zie onderdeel a). Dit voorkomt de ongewenste situatie dat bijvoorbeeld 10 medewerkers elk voor 0,1 fte duurzaamheidscoördinator worden, waardoor de taak versplintert. Het is dus expliciet niet mogelijk om de 0,6 fte in te vullen door twee overeenkomsten voor 0,3 fte aan te gaan. Binnen deze kaders zijn drie scenario’s mogelijk:

Scenario 1

  • Huidige situatie: Er is nog geen duurzaamheidscoördinator aanwezig.

  • Invulling subsidieaanvraag: De aanvrager stelt een duurzaamheidscoördinator aan voor tenminste 0,6 fte per jaar. Naast een overeenkomst van minstens 0,6 fte kan de beschikbare subsidieruimte ook aangewend worden voor een overeenkomst met een extra duurzaamheidscoördinator (zie ook scenario 3). Daarbij geldt wel de eis dat de overeenkomst met de extra duurzaamheidscoördinator minimaal 0,3 fte betreft.

Scenario 2

  • Huidige situatie: Er is al een duurzaamheidscoördinator aanwezig, maar voor minder dan 0,6 fte.

  • Invulling subsidieaanvraag: De aanvrager breidt het contract van de huidige duurzaamheidscoördinator uit naar tenminste 0,6 fte. Naast een overeenkomst van minstens 0,6 fte, kan de beschikbare subsidieruimte ook aangewend worden voor een overeenkomst met een extra duurzaamheidscoördinator (zie ook: Scenario 3). Daarbij geldt wel de eis dat de overeenkomst met de extra duurzaamheidscoördinator minimaal 0,3 fte betreft.

Scenario 3

  • Huidige situatie: Er is al een duurzaamheidscoördinator aanwezig voor ten minste 0,6 fte.

  • Invulling subsidieaanvraag: De aanvrager kan de beschikbare subsidieruimte inzetten voor contractuitbreiding van de bestaande duurzaamheidscoördinator, en/of voor een overeenkomst met een extra duurzaamheidscoördinator. Daarbij geldt wel de eis dat de overeenkomst met de extra duurzaamheidscoördinator minimaal 0,3 fte betreft.

Bij het inrichten van de scenario’s en voorwaarden van de regeling is zoveel mogelijk rekening gehouden met mbo-instellingen van verschillend formaat. Door de regeling zo in te richten dat onderwijsinstellingen ook de optie hebben om een duurzaamheidscoördinator van 0,6 fte aan te stellen, wordt verwacht dat meer instellingen hierdoor in staat zijn om een duurzaamheidcoördinator aan te stellen, zelfs als zij beperkte middelen hebben.

Het kan uiteraard gebeuren dat de duurzaamheidscoördinator overstapt naar een andere werkgever. Daardoor kan de subsidieontvanger de subsidiabele activiteit niet uitvoeren, die betreft immers de inzet van een duurzaamheidscoördinator die voor minstens drie jaren werkzaam zal zijn. In dat geval kan de subsidieontvanger een verzoek indienen tot ontheffing van de verplichting de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteiten in de subsidieverlening (artikel 17, tweede lid, van het Kaderbesluit). Dit kan bijvoorbeeld een verzoek zijn de activiteiten tot een kortere periode te beperken of een verzoek een andere duurzaamheidscoördinator aan te stellen voor een periode korter dan drie jaar. Hierop volgt een beoordeling of een afwijking kan worden toegestaan van het uitgangspunt dat de duurzaamheidscoördinator voor ten minste drie en ten hoogste drieënhalf jaar voor de subsidieontvanger werkzaam is.

Artikel 4 Subsidiabele kosten

De subsidiabele kosten worden berekend door een bedrag van € 110.000 per jaar te vermenigvuldigen met de hoeveelheid fte waarvoor de aanvrager een overeenkomst aangaat met een duurzaamheidscoördinator. Het bedrag van € 110.000 per jaar is gebaseerd op de gemiddelde werkgeverslasten per jaar voor een functie in schaal 11–12. Hieronder wordt dit in meer detail toegelicht.

Wanneer iemand in het midden van salarisschaal 11 zit volgens de cao mbo18 (rond trede 11.06), bedraagt het brutosalaris per 1 juni 2024 € 4.879 per maand. Aangezien de projectperiode later start, is hier als uitgangspunt een brutosalaris van € 5.000 genomen. Omgerekend naar een jaar komt het bruto jaarsalaris dan uit op € 60.000. Hier komen nog het vakantiegeld van 8% (€ 4.800) en een eindejaarsuitkering van 8,33% (€ 4.980) bij. Samen resulteert dit in een bruto-inkomen van € 69.780 per jaar (afgerond € 70.000).

Naast het brutoloon betaalt de werkgever ook werkgeverslasten, zoals sociale premies en pensioenbijdragen. Deze lasten liggen gemiddeld tussen de 30% en 50% van het brutoloon; in deze berekening is uitgegaan van 40%. Dat komt neer op een geschatte € 28.000 aan werkgeverslasten.

De totale loonkosten voor de werkgever bedragen daarmee ongeveer € 98.000 per jaar. In deze berekening is geen rekening gehouden met specifieke premies of aanvullende regelingen die per mbo-instelling kunnen verschillen, of met indexatie. Dit bedrag is verhoogd tot € 110.000, zodat daarmee een marge is voor elementen die geen deel uitmaken van het bedrag van € 98.000.

Artikel 5 Subsidiehoogte

De subsidie bedraagt 75% van de subsidiabele kosten, te weten het forfaitaire bedrag van € 110.000 per fte per jaar (artikel 5, tweede lid). De maximale subsidiehoogte van € 285.000 gaat uit van één fte die de volledige periode van drieënhalf jaar wordt ingezet. Een aanvrager kan een duurzaamheidscoördinator voor een langere periode aannemen, of meer dan 1 fte in dienst nemen, maar dit kan er niet toe leiden dat de subsidie hoger wordt dan € 285.000.

Artikel 6 Subsidieplafond

eerste en tweede lid

Het subsidieplafond is verdeeld over twee categorieën: instellingen die al zijn ingeschreven voor de SustainaBul MBO peer-review en instellingen die daarvoor nog niet zijn ingeschreven. Door deze verdeling is verzekerd dat instellingen die reeds actief met duurzaamheid aan de slag zijn, geen onevenredig groot beslag op het budget leggen. RVO ontvangt van Coöperatie Leren voor Morgen een overzicht welke instellingen per 1 september 2025 zijn ingeschreven voor deelname aan de SustainaBul MBO peer-review.

derde en vierde lid

Als het budget voor aanvragen van instellingen die al zijn ingeschreven voor de SustainaBul MBO peer-review ontoereikend is om alle in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, wordt dat budget op grond van het derde lid aangevuld met de onaangesproken middelen die voor dat jaar zijn gereserveerd voor aanvragen van instellingen die nog niet zijn ingeschreven voor de SustainaBul MBO peer-review. Het vierde lid bevat een regeling voor het omgekeerde geval. Op deze wijze is verzekerd dat de subsidieplafonds voor de twee categorieën aanvragen zo efficiënt mogelijk kunnen worden gebruikt.

Artikel 7 Wijze van verdelen

Het beschikbare bedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen (wie het eerst komt, het eerst maalt). Bij deze verdelingswijze geldt op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel a en b, van het Kaderbesluit het volgende. Als datum van binnenkomst van de aanvraag geldt de datum waarop een aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften. De datum van binnenkomst is dus niet de datum waarop een aanvraag wordt ingediend die met toepassing van artikel 4:5 van de Awb nog aanvulling behoeft. Daarmee wordt voorkomen dat een aanvrager die snel een (pro forma) aanvraag indient die niet aan alle wettelijke eisen voldoet, voorgaat op iemand die weliswaar iets meer tijd nodig heeft, maar wel met een aanvraag komt die aan alle eisen voldoet.

Verder geldt dat de onderlinge rangschikking van aanvragen die binnenkomen op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt, wordt vastgesteld door loting. Voor deze oplossing is gekozen omdat het bij aanvragen die op dezelfde dag binnenkomen veelal lastig is vast te stellen welke aanvraag feitelijk het eerst is binnengekomen, terwijl dat in deze situatie wel verstrekkende gevolgen kan hebben in verband met het bereiken van het subsidieplafond.

Ten tijde van de openstelling van de regeling is een deel van het in paragraaf 5 van het algemene deel van de toelichting vermelde bedrag beschikbaar voor subsidieverlening. De subsidieplafonds zijn daarop afgestemd. De eerst binnengekomen, toewijsbare aanvragen zullen in volgorde van binnenkomst worden gehonoreerd totdat deze plafonds zijn bereikt. De overige aanvragen worden aangehouden, voor zover aanvragers daarmee op grond van artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht hebben ingestemd. In de loop van 2026 vindt besluitvorming plaats over de beschikbaarstelling voor subsidieverlening van het resterende deel. Alsdan zal het subsidieplafond navenant worden verhoogd en zal op de overige aanvragen worden besloten. Door deze werkwijze hoeven aanvragers maar eenmaal een aanvraag in te dienen en wordt de volgorde van binnenkomst van de aanvragen, die bepalend is voor de verdeling van het beschikbare bedrag, gehandhaafd.

Artikel 8 Aanvraag

In dit artikel worden enkele zaken rondom de aanvraag om subsidieverlening geregeld. Overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van het Kaderbesluit wordt de aanvraag ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de Minister beschikbaar gesteld middel. De benodigde formulieren voor de aanvraag zijn te vinden op www.rvo.nl. De aanvraag kan met behulp van het door RVO bepaalde niveau van eHerkenning worden ingediend.

Naast de in artikel 10 van het Kaderbesluit genoemde gegevens geeft de aanvrager door voor hoeveel fte hij (een) duurzaamheidscoördinator(en) gaat aanstellen. Aan de hand hiervan wordt de maximale subsidie berekend. Daarnaast geeft de aanvrager een onderbouwing waaruit blijkt dat de inzet van een (of meerdere) duurzaamheidscoördinator(en) leidt tot invoering of uitbreiding van fte die de aanvrager inzet als duurzaamheidscoördinator. De aanvrager kan deze onderbouwing bijvoorbeeld laten opstellen door een medewerker die als controller voor hem werkt. Het volstaat dus niet om een zittende medewerker die reeds werkzaamheden verricht als duurzaamheidscoördinator (doch die niet een bijbehorende arbeidsovereenkomst heeft) voor dezelfde hoeveelheid werkzaamheden aan te stellen als duurzaamheidscoördinator. Het moet gaan om additionele inzet in fte ten opzichte van de situatie ten tijde van de aanvraag. De subsidie is bedoeld om te stimuleren, niet om een bestaande situatie voort te zetten. Het met deze regeling beoogde doel van structurele borging van duurzaamheid in de onderwijspraktijk is dan immers al bereikt.

Het aanleveren van een plan voor de werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator zorgt ervoor dat de aanvrager vooraf goed in beeld heeft hoe zij deze medewerker(s) gaat inzetten. Hierbij geldt dat de werkzaamheden moeten passen bij de in de bijlage opgenomen rolomschrijving en werkzaamheden. Dit waarborgt dat de werkzaamheden passen bij het doel van de regeling.

Artikel 9 Afwijzingsgronden

Gelet op de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit beslist de Minister onder meer afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde regels, onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkene de activiteiten kan financieren, het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen de in de regeling gestelde termijn kunnen worden voltooid, of als het aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie worden uitgevoerd.

Naast de algemene afwijzingsronden, zoals opgenomen in het Kaderbesluit, bevat de regeling in dit artikel een specifieke afwijzingsgrond. De subsidie wordt geweigerd als een mbo-instelling reeds een subsidie op grond van deze regeling heeft ontvangen. De reden hiervoor is dat de regeling beoogt een zo groot mogelijk deel van de mbo-instellingen te bereiken.

Artikel 10 Subsidieverstrekking

Om de administratieve lasten voor zowel de subsidieontvanger als RVO zo laag mogelijk te houden, is in dit lid bepaald dat de regels voor een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 van toepassing zijn op subsidies vanaf € 125.000. Gelet op de relatief eenvoudige manier waarop de subsidieontvanger kan verantwoorden dat hij de kosten heeft gemaakt, en de controle die RVO daarop kan uitvoeren, is het passend bij deze regeling de mogelijkheid te gebruiken om de regels voor subsidies tussen € 25.000 en € 125.000 (arrangement 2) toe te passen op subsidies vanaf € 125.000.

Artikel 11 Verplichtingen subsidieontvanger

In artikel 17 en 18 van het Kaderbesluit is opgenomen welke verplichtingen voor de subsidieontvanger gelden. Het gaat bijvoorbeeld om het uitvoeren van de activiteiten conform de omschrijving van die activiteiten in de subsidieverlening, of om een meldingsplicht. Ook dient de subsidieontvanger, indien daarom wordt verzocht, mee te werken aan het evalueren van deze regeling. Bij het openbaar maken van de evaluatie van de regeling worden geen persoonsgegevens openbaar gemaakt. Verslaglegging vindt volledig geanonimiseerd plaats.

eerste lid, onderdeel a

Naast de verplichtingen genoemd in artikel 17 en artikel 18 van het Kaderbesluit is in dit artikel de specifieke subsidieverplichting opgenomen waaruit volgt dat de duurzaamheidscoördinator(en) waarom het gaat, binnen zes maanden na de subsidieverlening in dienst is of zijn genomen. De reden hiervoor is dat het om langlopende subsidieprojecten gaat, waarbij het niet past dat de start langdurig wordt vertraagd.

eerste lid, onderdelen b tot en met d

Daarnaast moet de subsidieontvanger deelnemen aan de SustainaBul MBO peer-review. Om de mbo-instellingen in staat te stellen snel aan de slag te gaan met dit onderwerp, is dit niet als vereiste vooraf opgenomen in de regeling. Wel moet de instelling hiermee uiterlijk 12 maanden na de subsidieverlening aan de slag. Aanmelding voor de SustainBul MBO peer-review 2026–2027 kan tot uiterlijk 1 september 2026 (onderdeel b, subonderdeel i). Het is mogelijk dat een instelling 1 september 2026 niet haalt. Dit omdat zij dan nog geen overeenkomst heeft met de duurzaamheidscoördinator. Zie ook onderdeel a: de datum van 1 september 2026 kan liggen in de periode tussen de verlening en het aangaan van de arbeidsovereenkomst. In dat geval dient de subsidieontvanger zich uiterlijk 1 september 2027 aan te melden (onderdeel b, subonderdeel ii).

De subsidieontvanger moet een jaarlijkse voortgangsrapportage aanleveren. In onderdeel c is opgenomen dat de aanvrager een toelichting geeft op de deelname aan de peer-review. In de toelichting dienen de ontwikkelingen op de onderwijsinstelling in het lopende kalenderjaar op hoofdlijnen te worden beschreven volgens de hoofdthema’s van de SustainaBul (in 2024 waren dit: integrale benadering, onderwijs, praktijk en bedrijfsvoering), met speciale aandacht voor successen, tegenvallers en ontwikkelkansen. Op deze manier is verzekerd dat de subsidieontvanger de voortgang in kaart brengt. De omvang van de jaarlijkse toelichting is minimaal 1 A4 en max 2 A4.

De verplichting in onderdeel d (eenvoudig gezegd: het project binnen 42 maanden afronden en uiterlijk 30 juni 2030) correspondeert met de activiteit zoals opgenomen in artikel 3, onderdeel b.

tweede en derde lid

Van de verplichting het project af te ronden binnen 42 maanden na het aangaan of uitbreiden van de overeenkomst met de duurzaamheidscoördinator, kan de Minister eenmaal ontheffing verlenen. Deze ontheffing correspondeert met de periode van zes maanden die de subsidieontvanger heeft om de duurzaamheidscoördinator(en) waarom het gaat in dienst te nemen.

Mocht het ook binnen de verlengde periode niet lukken het project af te ronden, dan kan op grond van artikel 17, tweede lid, van het Kaderbesluit om ontheffing worden verzocht van de verplichting om de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de beschrijving van die activiteiten in de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 12 Voorschot

Het percentage van de subsidie dat een subsidieontvanger bevoorschot krijgt, bedraagt 15% bij subsidieverlening en 25% in de drie erop volgende jaren. Hierdoor loopt de bevoorschotting parallel met het kasritme voor deze regeling. In totaal heeft een subsidieontvanger aan het eind van het project voorschotten ontvangen ter hoogte van 90% van de subsidie. Als de activiteiten conform het projectplan zijn uitgevoerd, wordt het resterende subsidiebedrag bij de subsidievaststelling uitbetaald.

Artikel 13 Subsidievaststelling

In artikel 24, vierde lid, van het Kaderbesluit is opgenomen welke gegevens de subsidieontvanger moet verstrekken. Het gaat bijvoorbeeld om een verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteit. De aanvraag om vaststelling van de subsidie wordt ingediend via een door RVO beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Bij de subsidievaststelling wordt beoordeeld of de activiteiten conform de aanvraag zijn uitgevoerd. Daarbij komt in elk geval aan bod of de activiteit heeft geleid tot invoering of uitbreiding van fte die de aanvrager inzet als duurzaamheidscoördinator(en).

Daarnaast maakt de Minister de samenvattingen van de resultaten van het project openbaar. Hierdoor kunnen andere partijen kennisnemen van goede praktijken die ontvangers van deze subsidies ontwikkelen. Gelet hierop maakt de subsidieontvanger een samenvatting van de eindresultaten van het project. Hierin wordt opgenomen welke werkzaamheden zijn uitgevoerd en hoe deze passen binnen de rolomschrijving van een duurzaamheidscoördinator zoals uiteengezet in de bijlage. In de samenvatting geeft de subsidieontvanger eveneens aan hoe de werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator na afloop van de projectperiode zijn geborgd. Hier kan bijvoorbeeld worden opgenomen op welke wijze duurzaamheid en/of de werkzaamheden van de duurzaamheidscoördinator zijn verankerd in het strategisch koersplan of de strategische visie van een onderwijsinstelling.

De samenvatting gaat mee met de aanvraag om vaststelling. RVO stelt ook voor de samenvatting een digitaal formulier beschikbaar.

Artikel 15 Inwerkingtreding

Er is een uitzondering gemaakt op de minimuminvoeringstermijn van twee maanden, nu dit gelet op de doelgroep aanmerkelijke ongewenste nadelen voorkomt.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, A.A. Aartsen


X Noot
9

De drie actielijnen uit het Uitvoeringsplan: 1) Een ondersteuningsstructuur voor duurzaamheid bestaande uit een combinatie van lokale organisaties die scholen maatwerk kunnen bieden bij het vraaggericht invulling geven aan duurzaamheid in hun onderwijspraktijk, subsidieregelingen voor scholen en het ontwikkelen van een overkoepelend informatie- en adviespunt; 2) Werken aan een duurzame schoolomgeving (po, vo en go); 3) Jongerenparticipatie duurzaamheid in het onderwijs.

X Noot
13

Nieuwe naam voor ‘SustainaBul MBO benchmark’

X Noot
15

De regeling voorziet niet in financiering van de jaarlijkse deelnamebijdrage voor de peer-review die onderwijsinstellingen aan Coöperatie Leren voor Morgen voldoen. Deze keuze is bewust gemaakt om de regeling overzichtelijk en beheersbaar te houden. Tevens onderstreept deze eigen financiële bijdrage de betrokkenheid en het commitment van de deelnemende onderwijsinstellingen aan de SustainaBul MBO. Voor meer informatie over deze bijdrage kunt u terecht op de website: SustainaBul MBO

X Noot
16

hoofdstuk 11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020

X Noot
17

De interdepartementale Werkgroep Duurzame School bestaat uit de ministeries LVVN, KGG, VRO, VWS en OCW onder voorzitterschap van IenW. De werkgroep werkt samen op het snijvlak van jongeren, duurzaamheid en onderwijs

Naar boven