Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Commissariaat voor de Media | Staatscourant 2025, 3744 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Commissariaat voor de Media | Staatscourant 2025, 3744 | beleidsregel |
Het Commissariaat voor de Media,
Na de verkregen goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gelet op de artikelen 3.29e, vijfde en zesde lid, en 3.29i, tweede lid, van de Mediawet 2008,
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt;
Commissariaat voor de Media;
de verplichting als bedoeld in artikel 3.29e, eerste lid, van de Mediawet 2008 voor een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt, om te investeren in Nederlands cultureel audiovisueel product;
de relevante omzet per boekjaar bestaat uit alle in Nederland gegenereerde omzet die verband houdt met het aanbieden van de betreffende commerciële mediadienst op aanvraag. Hiertoe wordt gerekend omzet uit: reclameboodschappen, abonnementen, gebruikerstransacties, sponsoring en productplaatsing;
Richtlijn (EU) 2018/1808 van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie;
de Mediawet 2008.
1. Het Commissariaat verleent een ontheffing van de investeringsverplichting, indien de aanbieder naar het oordeel van het Commissariaat aantoont dat naleving gelet op de aard of het onderwerp van de betreffende mediadienst, of het gebruik van innovatieve formats, praktisch onuitvoerbaar of ongerechtvaardigd zou zijn.
2. Het Commissariaat kan bij de vaststelling of sprake is van een geval als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval de aard en omvang van de doelgroep van een mediadienst of specifieke economische omstandigheden aan de zijde van de aanbieder betrekken. Ook kan het Commissariaat hierbij rekening houden met de specifieke vereisten die gelden in het kader van de investeringsverplichting, zoals het vereiste dat de aanbieder de helft van het te investeren bedrag moet aanwenden voor een documentairefilm, documentaireserie, dramaserie of speelfilm, voor welke typen aanbod steeds een bepaalde minimumduur geldt.
3. De enkele omstandigheid dat de aanbieder geen of weinig Nederlands cultureel audiovisueel aanbod produceert dan wel aanbiedt, is onvoldoende grond voor een ontheffing.
1. De aanbieder dient een aanvraag om een ontheffing in bij het Commissariaat uiterlijk vóór 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd.
2. De aanvraag om een ontheffing wordt schriftelijk ingediend.
3. Bij de aanvraag om een ontheffing dient alle relevante informatie te worden gevoegd, waaronder in ieder geval:
a. de naam van de aanbieder en de naam van de betreffende commerciële mediadienst op aanvraag;
b. het boekjaar waarover de ontheffing wordt aangevraagd;
c. een met redenen omklede motivering.
4. Indien een aanbieder meerdere commerciële mediadiensten op aanvraag verzorgt, wordt een aanvraag ingediend per commerciële mediadienst op aanvraag.
1. Indien de aanbieder naar het oordeel van het Commissariaat aantoont dat sprake is van een geval waarin niet kan worden verlangd dat (geheel) aan de investeringsverplichting wordt voldaan, verleent het Commissariaat een ontheffing.
2. Het Commissariaat verleent een ontheffing in beginsel voor de duur van maximaal één boekjaar. Dit is alleen anders als de aanbieder naar het oordeel van het Commissariaat heeft onderbouwd dat er een langdurige reden is voor de aanvraag om een ontheffing. In dat geval wordt een ontheffing voor langere duur verleend, waarbij een maximum geldt van drie boekjaren.
3. Een ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden verleend.
4. De aanbieder dient elke wijziging in de aangevoerde omstandigheden, op grond waarvan een ontheffing is verleend, zo spoedig mogelijk te melden bij het Commissariaat.
5. Het Commissariaat kan een ontheffing intrekken of wijzigen, bijvoorbeeld:
a. op verzoek van de aanbieder van een commerciële mediadienst op aanvraag;
b. bij een relevante wijziging van omstandigheden;
c. wanneer blijkt dat bij de aanvraag om een ontheffing onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt.
1. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling ontheffing investeringsverplichting commerciële mediadiensten op aanvraag 2025.
2. Deze regeling wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant en op de website van het Commissariaat (www.cvdm.nl).
3. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na plaatsing in de Staatscourant.
Vanaf 1 januari 2024 zijn bepaalde media-instellingen die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgen, verplicht om te investeren in Nederlands cultureel audiovisueel product. Deze investeringsverplichting is gebaseerd op artikel 13, tweede lid, van de Richtlijn. Op grond van deze bepaling kunnen lidstaten financiële verplichtingen invoeren ter bevordering van de productie van Europese werken.
De Nederlandse investeringsverplichting heeft als doel om het Nederlandse culturele audiovisuele aanbod duurzaam te versterken en aanbod te stimuleren waarin de kijker zichzelf en zijn leefwereld kan herkennen. De verplichting is een gevolg van de toenemende druk op het Nederlands cultureel audiovisueel product vanwege de veranderingen in het medialandschap en de sterke toename van aanbod dat wordt gedistribueerd en vertoond door met name internationale spelers.
Om ervoor te zorgen dat verplichtingen inzake de bevordering van Europese producties de marktontwikkeling niet ondermijnen en om de toetreding van nieuwe marktdeelnemers mogelijk te maken, geeft de Richtlijn aan dat deze vereisten niet mogen gelden voor aanbieders zonder significante aanwezigheid op de markt. Dit is met name het geval voor aanbieders met een lage omzet of een klein publiek. Daarnaast geeft de Richtlijn nog aan dat het niet passend is om de verplichtingen op te leggen in gevallen waarin deze, gezien de aard of het onderwerp van de audiovisuele mediadiensten, onuitvoerbaar of ongerechtvaardigd zouden zijn.
De Nederlandse investeringsverplichting geldt niet voor elke media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt. De investeringsverplichting geldt alleen als de commerciële mediadienst op aanvraag een relevante omzet per boekjaar heeft van meer dan € 10 miljoen. Wanneer de relevante omzet van de mediadienst boven deze drempel uitkomt, dient de aanbieder 5% van zijn relevante omzet te investeren in Nederlands cultureel audiovisueel product, waarvan minimaal de helft in documentairefilms, documentaireseries, dramaseries of speelfilms.
Het Commissariaat kan een ontheffing verlenen indien toepassing gelet op de aard of het onderwerp van de betreffende mediadienst, of het gebruik van innovatieve formats, praktisch onuitvoerbaar of ongerechtvaardigd zou zijn. Met deze regeling stelt het Commissariaat nadere regels over de ontheffing.
De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving. Voor zover er in deze regeling begrippen worden gebruikt die niet in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving zijn opgenomen, worden deze begrippen gedefinieerd in dit artikel.
Het Commissariaat kan een ontheffing verlenen van de investeringsverplichting. De aanbieder dient hiervoor aan te tonen dat naleving gelet op de aard of het onderwerp van de betreffende mediadienst, of het gebruik van innovatieve formats, praktisch onuitvoerbaar of ongerechtvaardigd zou zijn.
Bij de beoordeling of hiervan sprake is, kunnen onder meer de omstandigheden een rol spelen zoals de aard en omvang van de doelgroep van een commerciële mediadienst op aanvraag. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een hele specifieke en beperkte doelgroep. Ook specifieke economische omstandigheden aan de zijde van de aanbieder kunnen van belang zijn.
Dit kan bijvoorbeeld relevant zijn bij een opstartende commerciële mediadienst op aanvraag. Een ontheffing wordt verleend als aan een van deze omstandigheden of een combinatie hiervan is voldaan. De genoemde omstandigheden zijn niet limitatief.
Over het gebruik van innovatieve formats, heeft de wetgever in de toelichting op de investeringsverplichting aangegeven dat het hierbij bijvoorbeeld kan gaan om hybride of experimentele vormen van Nederlandse culturele audiovisuele producties. Het kan daarbij gaan om short-form-content (korte, snel te consumeren content) of nieuwe formats die zich specialiseren in virtual reality (VR) en augmented reality (AR), die samen onder de noemer immersive media vallen. Bij zulke producties kan het voorkomen dat bijvoorbeeld de minimale vertoningsduur van media-aanbod een knelpunt is om te voldoen aan alle vereisten die gelden in het kader van de investeringsverplichting, terwijl dat aanbod wel kwalificeert als Nederlands cultureel audiovisueel product. Artikel 3.29g, vierde lid, van de wet vereist namelijk dat de aanbieder de helft van het te investeren bedrag moet aanwenden voor een documentairefilm, documentaireserie, dramaserie of speelfilm. Voor al deze vormen van media-aanbod bepaalt de wet in artikel 3.29a een minimumduur, terwijl dat zich bijvoorbeeld niet verhoudt tot de eerdergenoemde short-form-content.
De voorbeelden die hiervoor zijn genoemd, zijn niet limitatief. Het is aan de aanbieder om te onderbouwen dat en waarom hij zich in de positie bevindt dat de investeringsverplichting praktisch onuitvoerbaar voor hem is of een ongerechtvaardigde uitwerking op hem heeft. Een ontheffing kan niet worden gebaseerd op de enkele omstandigheid dat een aanbieder geen of weinig Nederlands cultureel audiovisueel aanbod produceert dan wel aanbiedt. Dit zou immers indruisen tegen de bedoeling van de investeringsverplichting.
Dit artikel regelt de wijze waarop een aanbieder een aanvraag om een ontheffing indient bij het Commissariaat. Een aanbieder moet de aanvraag uiterlijk indienen op 1 juli van het jaar ná het boekjaar waarover de ontheffing wordt aangevraagd. Daarbij is van belang dat het enkel indienen van een aanvraag, een aanbieder niet ontslaat van de investeringsverplichting.
De aanvraag kan worden ingediend per post (Postbus 1426, 1200 BK Hilversum) of langs elektronische weg via de website cvdm.nl/ontheffinginvesteringsverplichting met in het onderwerp 'Aanvraag ontheffing investeringsverplichting'.
Indien de aanbieder naar het oordeel van het Commissariaat aantoont dat sprake is van een geval waarin niet kan worden verlangd dat (geheel) aan de investeringsverplichting wordt voldaan, verleent het Commissariaat een gehele of gedeeltelijke ontheffing. Het verlenen of afwijzen van een ontheffing is een besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de bepalingen van hoofdstuk 3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn.
Het Commissariaat verleent een ontheffing in beginsel voor de duur van ten hoogste één boekjaar. Het kan echter zo zijn dat de reden die aan de aanvraag om een ontheffing ten grondslag ligt, langdurig aanwezig is. Dit zou het geval kunnen zijn als de reden voor ontheffing is gelegen in de aard van de mediadienst en de aanbieder aannemelijk maakt dat die aard voor langere duur niet zal wijzigen. In dat geval kan het Commissariaat een ontheffing voor langere duur verlenen, zolang die aard niet wijzigt. Hierbij hanteert het Commissariaat een maximum van drie boekjaren. Het is aan de aanbieder om te onderbouwen dat en waarom in zijn situatie aanleiding bestaat voor een ontheffing met een langere duur dan één boekjaar.
Als de aanbieder na verloop van een verleende ontheffing opnieuw een ontheffing noodzakelijk acht, dan moet hij daarvoor opnieuw een aanvraag indienen. Daarbij is van belang dat de verlening van een ontheffing een aanbieder niet ontslaat van een maximale inspanningsverplichting om gedurende de duur van de ontheffing te zoeken naar mogelijkheden om toch aan de verplichting te voldoen. Het Commissariaat kan een gebrek aan dergelijke inspanningen meewegen bij een eventuele nieuwe ontheffingsaanvraag.
Een aanbieder die een ontheffing heeft verkregen, moet relevante wijzigingen zo spoedig mogelijk meedelen aan het Commissariaat. Het Commissariaat kan daarnaast bij de aanbieder die beschikt over een ontheffing, actuele informatie opvragen omtrent de omstandigheden die verband houden met de verlening van de ontheffing.
Indien er sprake is van een relevante wijziging van de omstandigheden kan het Commissariaat een ontheffing intrekken of wijzigen. Dit kan ook op verzoek van de aanbieder of wanneer blijkt dat onjuiste informatie is verstrekt. Deze voorbeelden zijn niet limitatief.
De verlening van een gehele of gedeeltelijke ontheffing, ontslaat de aanbieder niet van de informatieverplichting uit artikel 3.29h van de wet. De aanbieder is dan dus nog steeds gehouden om het Commissariaat jaarlijks vóór 1 juli te informeren over de samenstelling en hoogte van de relevante omzet en de uitvoering van de investeringsverplichting.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-3744.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.