Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 oktober 2025, nr. WJZ/26315620, houdende procedures Adviescollege toetsing regeldruk

De Minister van Economische Zaken, handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad;

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, onderdeel c, en 9, van de Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk;

Besluit:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

werkdag:

kalenderdag, niet zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag als bedoeld in artikel 3 van de Algemene termijnenwet;

wet:

Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk.

Artikel 2 Uitgezonderde ministeriële regelingen

Als ministeriële regelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, worden aangewezen ministeriële regelingen die uitsluitend bestaan uit:

  • a. technische verbeteringen van fouten;

  • b. de vaststelling of wijziging van bedragen, tarieven of percentages;

  • c. de vaststelling of wijziging van openstellingsperiodes en subsidieplafonds voor subsidieregelingen;

  • d. de verlenging van tijdelijke regelingen;

  • e. regels over de verhoudingen tussen overheden; of

  • f. de vastlegging van een afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die niet werken in de sectoren zorg, onderwijs, veiligheid en sociale zekerheid.

Artikel 3 Adviestermijnen ontwerpen van EU-wetgevingshandelingen

  • 1. De Minister van Buitenlandse Zaken zendt een ontwerp van een EU-wetgevingshandeling zo spoedig mogelijk, maar binnen een termijn van één werkdag na ontvangst van dat ontwerp, aan het adviescollege.

  • 2. De minister die het aangaat maakt een conceptbeoordeling van de regeldrukeffecten van een ontwerp van een EU-wetgevingshandeling binnen een termijn van tien werkdagen na publicatie van het ontwerp en legt die conceptbeoordeling uiterlijk op de werkdag na die conceptbeoordeling voor aan het adviescollege.

  • 3. Het adviescollege brengt een advies als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet uit binnen een termijn van zeventien werkdagen na publicatie van een ontwerp van een EU-wetgevingshandeling.

  • 4. In uitzonderlijke gevallen waarin spoedige advisering over de conceptbeoordeling van een ontwerp nodig is, brengt het adviescollege op verzoek van de minister die het aangaat een advies als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet uit binnen een door die minister in afstemming met het adviescollege te bepalen termijn.

Artikel 4 Adviestermijnen voorstellen voor nationale regelgeving

  • 1. Het adviescollege brengt een advies als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen a of b, van de wet uit binnen vier weken na ontvangst van de in artikel 8, eerste lid, van de wet bedoelde stukken, of binnen de termijn waarbinnen een ieder in de gelegenheid wordt gesteld langs elektronische weg opmerkingen te maken over het concept indien die termijn langer is dan vier weken.

  • 2. In verband met de termijn, bedoeld in het eerste lid, vindt voorlegging als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet plaats op een zodanig tijdstip dat besluitvorming na die termijn kan plaatsvinden. Indien een ieder in de gelegenheid wordt gesteld langs elektronische weg opmerkingen te maken over het concept vindt voorlegging als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet uiterlijk voorafgaand aan internetconsultatie plaats. In uitzonderlijke gevallen waarin spoedige inwerkingtreding van de voorgenomen regelgeving nodig is, kan de minister die het aangaat in afstemming met het adviescollege hiervan afwijken.

  • 3. Indien de in artikel 8, eerste lid, van de wet bedoelde stukken inhoudelijk zodanig complex zijn dat het adviescollege zich niet in redelijkheid binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een afgewogen oordeel kan vormen over de regeldrukeffecten, kan het adviescollege besluiten zijn advies ten hoogste vier weken later uit te brengen. Het adviescollege stelt de minister die het aangaat daarvan onverwijld op de hoogte.

  • 4. In uitzonderlijke gevallen waarin spoedige inwerkingtreding van de voorgenomen regelgeving nodig is, brengt het adviescollege op verzoek van de minister die het aangaat een advies als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen a of b, van de wet uit binnen een door die minister in afstemming met het adviescollege te bepalen termijn.

Artikel 5 Termijnen aanvullende zienswijze

  • 1. Het adviescollege brengt een aanvullende zienswijze als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet uit binnen twee weken na ontvangst van de gewijzigde stukken.

  • 2. Indien de gewijzigde stukken inhoudelijk zodanig complex zijn dat het adviescollege zich niet in redelijkheid binnen de termijn van twee weken een afgewogen oordeel kan vormen over de regeldrukeffecten, kan het adviescollege besluiten zijn aanvullende zienswijze ten hoogste twee weken later uit te brengen. Het adviescollege stelt de minister die het aangaat van het voornemen om een aanvullende zienswijze te geven en van een verlenging van de termijn van twee weken onverwijld op de hoogte.

Artikel 6 Algemene termijnenwet

Op de termijnen in deze regeling zijn de artikelen 1 tot en met 4 van de Algemene termijnenwet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 8 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling procedures Adviescollege toetsing regeldruk.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 3 oktober 2025

De Minister van Economische Zaken, V.P.G. Karremans

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Doel en aanleiding

Deze regeling vormt een nadere invulling van de Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: Instellingswet ATR)1. Deze regeling bepaalt welke regelingen niet voor advies aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) hoeven te worden voorgelegd (op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van de Instellingswet ATR). Verder bevat deze regeling termijnen voor het indienen van adviesaanvragen en voor de advisering door ATR (op grond van artikel 9 van de Instellingswet ATR). De vaststelling van deze termijnen bepaalt tevens de werkprocessen van ATR en de departementen.

2. Inhoud regeling

2.1 Uitgezonderde ministeriële regelingen

In beginsel adviseert ATR over alle voorgenomen ministeriële regelingen. In de Instellingswet ATR (artikel 3, tweede lid) is in een aantal gevallen een uitzondering gemaakt op dat uitgangspunt:

  • 1. ministeriële regelingen op het gebied van strafrecht en strafvordering;

  • 2. ministeriële regelingen die behoren tot bij regeling van Onze Minister, handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, aangewezen categorieën, vanwege de beperkte regeldrukeffecten.

Verder geldt op grond van artikel 1:7, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een algemene uitzondering op een wettelijke adviesverplichting ”indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie”. Deze uitzondering geldt ook voor voorgenomen regelgeving die enkel strekt tot implementatie van Europese regelgeving die geen mogelijkheid biedt voor nationale beleidsruimte.

Artikel 2 van de regeling geeft invulling aan artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van de wet. In artikel 2 van deze regeling zijn categorieën van ministeriële regelingen aangewezen die niet aan ATR hoeven te worden voorgelegd voor advies. Dit zijn regelingen die vanuit hun aard geen substantiële effecten op de regeldruk hebben. Het zou onnodig beslag leggen op de capaciteit van ATR en de departementen als deze regelingen wel voor advies zouden moeten worden voorgelegd aan ATR.

Hoewel de aangewezen regelingen niet aan ATR hoeven te worden voorgelegd, moet in de toelichting bij deze regelingen wel aandacht worden besteed aan de kwantitatieve en kwalitatieve regeldrukeffecten.2 Ook dient in de toelichting expliciet te worden vermeld dat de regelingen niet zijn voorgelegd aan ATR op grond van artikel 2 van de regeling.

Alle ontwerpen voor ministeriële regelingen die niet in de Instellingswet ATR, in deze regeling of op grond van de Awb zijn uitgezonderd, moeten voor advies aan ATR worden voorgelegd. Dat geldt ook voor spoedregelgeving. Dit laat onverlet dat het kan voorkomen dat een regeling die niet is uitgezonderd geen of geen substantiële regeldruk oplevert. Dit is ter beoordeling van ATR. In zo’n geval kan ATR aangeven dat geen formeel advies wordt uitgebracht.

2.2 Termijnen advisering ontwerpen van EU-wetgevingshandelingen3

De beoordeling van een Europees ontwerp van regelgeving door een departement wordt vrijwel altijd opgenomen in zogenoemde BNC-fiches.4 Het BNC-proces kent korte, strakke termijnen. Het ATR-advies over een BNC-fiche en de reactie van het kabinet op dat advies worden opgenomen in het BNC-fiche.

In deze regeling worden drie termijnen vastgesteld: de termijn waarbinnen de Minister van Buitenlandse Zaken ontwerpen van EU-regelgeving aan ATR zendt, de termijn waarbinnen departementen de conceptbeoordeling van de regeldrukeffecten (onderdeel van het BNC fiche) naar ATR toesturen en de termijn waarbinnen ATR advies uitbrengt.

Termijnen voorleggen stukken aan ATR

Gelet op de korte termijnen moet de Minister van Buitenlandse Zaken in een zo vroeg mogelijke fase ATR informeren over nieuwe ontwerpen van EU-wetgevingshandelingen. Vroegtijdige betrokkenheid van ATR kan de tijdsdruk op de adviestermijnen verminderen. De Minister van Buitenlandse Zaken verzendt een ontwerp van een EU-wetgevingshandeling tegelijkertijd aan het adviescollege en aan de betrokken ministers.

De minister die het aangaat informeert ATR binnen 5 werkdagen na publicatie van een ontwerp of daarvan een beoordeling zal worden gemaakt. Wanneer een beoordeling (BNC-fiche) wordt opgesteld, treedt het eerstverantwoordelijke departement in overleg met ATR. Bij de advisering sluit ATR zoveel mogelijk aan bij de interne procedures van departementen om te voorkomen dat departementen geen of te weinig tijd hebben om te reageren op het advies. De minister die het aangaat maakt een conceptbeoordeling van de regeldrukeffecten van een ontwerp van een EU-wetgevingshandeling binnen een termijn van tien werkdagen na publicatie van het ontwerp en legt die conceptbeoordeling uiterlijk op de elfde werkdag na publicatie van het ontwerp voor aan ATR.

Adviestermijn ATR

Het BNC-proces bepaalt tevens de reactietermijnen waarbinnen ATR moet adviseren over een ontwerp van een EU-wetgevingshandeling. Uitgangspunt van de regeling is dat advisering door ATR niet leidt tot vertraging van de BNC-fiches. Vanwege de vereiste flexibiliteit die nodig is (verschillende procedures per departement, verschillende weekdagen van publicatie door de EU, waardoor de doorlooptijd verschilt), is gekozen voor een maximumtermijn van 17 werkdagen. Afhankelijk van de dag waarop een ontwerp wordt gepubliceerd en de procedure die een departement hanteert, kan het ATR binnen een kortere termijn advies uitbrengen. ATR heeft aangegeven dat het de volgende uiterste termijnen zal hanteren:

Publicatie ontwerp EU-wetgevingshandeling

Uiterste adviestermijn ATR (aantal werkdagen na publicatie ontwerp)

Maandag

15 werkdagen

Dinsdag

16 werkdagen

Woensdag

15 werkdagen

Donderdag

17 werkdagen

Vrijdag

16 werkdagen

Indien ATR niet binnen de gestelde termijn kan adviseren, is het departement niet gehouden het advies mee te nemen in het BNC-fiche. Wel moet de minister die het aangaat dan zijn standpunt over het advies aan beide kamers van de Staten-Generaal laten weten (artikel 24 van de Kaderwet adviescolleges).

Spoed

In bepaalde gevallen is spoedadvisering over de conceptbeoordeling vereist. Dit is het geval als de Staten-Generaal het voornemen heeft geuit een behandelvoorbehoud te plaatsen of een subsidiariteitsbezwaar in te dienen.

In dat geval zal in onderlinge afstemming tussen de eerstverantwoordelijke minister en ATR worden bezien hoe ATR kan adviseren over de conceptbeoordeling ten aanzien van regeldrukeffecten.

Overigens bevat de Instellingswet ATR (artikel 3, tweede lid, onderdeel d) een uitzondering voor ontwerpen van een EU-wetgevingshandeling waarbij het besluitvormingsproces van de EU zo spoedeisend is, dat de kabinetsappreciatie zich beperkt tot de kern van de beoordeling. In die gevallen wordt geen BNC-fiche, maar een verkorte kabinetsappreciatie aan de Staten-Generaal gestuurd, waarvan een beschrijving van de gevolgen voor de regeldruk geen deel uitmaakt. Die urgente ontwerpen van EU-rechtshandelingen worden niet voor advies aan ATR voorgelegd.

Praktijktesten

Voorafgaand aan de publicatie van deze regeling is met een aantal dossiers de werkbaarheid van de regeling ten aanzien van ontwerpen van EU-wetgevingshandelingen getest. Gedurende de testen zijn geen onoverkomelijke knelpunten naar voren gekomen. Wel bleek dat een goede communicatie per dossier tussen de departementen en ATR vereist is om het proces goed in te passen.

Een jaar na inwerkingtreding van deze regeling zal worden bezien of de termijnen of werkprocessen voor zowel de departementen als ATR aanpassing behoeven. In dat geval wordt bezien of werkafspraken of de regeling wijziging behoeft.

2.3 Termijnen advisering nationale regelgeving

De procedure voor nationale wetgeving5 houdt in dat departementen voorgenomen regelgeving, die niet in de Instellingswet ATR, de Awb of in deze regeling zijn uitgezonderd, steeds uiterlijk voorafgaand aan de internetconsultatie ter advies voorleggen aan ATR (artikel 4, tweede lid, tweede zin).

ATR heeft op grond van deze regeling in beginsel een termijn van vier weken voor het uitbrengen van advies over voorstellen voor nationale regelgeving (artikel 4, eerste lid). Wanneer over een voorstel internetconsultatie plaatsvindt gedurende een langere periode dan vier weken, geldt diezelfde, langere termijn voor ATR.

In een aantal gevallen zal geen internetconsultatie plaatsvinden over voorstellen voor regelgeving. Om onduidelijkheid te vermijden is bepaald dat concepten voor nationale regelgeving in dat geval op een zodanig tijdstip aan ATR moeten worden voorgelegd, dat besluitvorming over die concepten door de minister die het aangaat (bij een regeling door vaststelling) of door de regering (bij een algemene maatregel van bestuur of een wetsvoorstel door in de ministerraad te besluiten het voorstel om advies bij de Afdeling advisering van de Raad van State aanhangig te doen maken) na de termijn van vier weken kan plaatsvinden (artikel 4, tweede lid, eerste zin). Hiermee wordt geborgd dat ATR altijd een adequate termijn heeft om tot een afgewogen oordeel te komen, ongeacht of internetconsultatie heeft plaatsgevonden of niet.

Daarna beoordeelt ATR het voorstel en brengt een advies uit. Dit kan door een formeel advies van ATR aan de eerstverantwoordelijke minister, dat ATR openbaar maakt. Of ATR kan besluiten de verkorte procedure te hanteren (waarbij het college het secretariaat van ATR mandateert om een dossier versneld op ambtelijk niveau af te handelen en er dus geen formeel advies wordt gegeven), indien er bijvoorbeeld geen substantiële regeldruk is gemoeid met het voorstel en de regeldruk transparant in kaart is gebracht.

In een aantal gevallen worden inhoudelijk zeer complexe dossiers aan ATR voorgelegd waarbij het niet redelijk is te verwachten dat het college tot een afgewogen oordeel komt binnen de termijn van vier weken. In dergelijke gevallen kan ATR besluiten maximaal vier weken later te adviseren (artikel 4, derde lid). Dit kan bijvoorbeeld voorkomen bij stelselherzieningen met veel potentiële effecten voor de regeldruk.

Spoed

In uitzonderlijke gevallen is een kortere adviestermijn dan vier weken vereist omdat spoedige inwerkingtreding van de voorgenomen regelgeving nodig is. In dat geval stelt de verantwoordelijke minister in afstemming met ATR een kortere adviestermijn vast (artikel 4, vierde lid). De verantwoordelijke minister zal met ATR bezien welke termijn haalbaar en werkbaar is. In zeer spoedeisende gevallen kan het nodig zijn om een zodanig korte termijn te stellen, dat ATR niet binnen die termijn kan adviseren. In een dergelijk geval kan de verantwoordelijke minister met ATR afspreken dat ATR adviseert nadat er besluitvorming door die minister of door de regering over het voorstel heeft plaatsgevonden (op grond van artikel 4, tweede lid, derde zin).

Om dergelijke situaties te vermijden, kan de verantwoordelijke minister bij het voorbereiden van wet- en regelgeving en bij het beoordelen van een ontwerp van een EU-wetgevingshandeling al in een vroeg stadium ATR verzoeken om ondersteuning bij het in kaart brengen en analyseren van mogelijke regeldrukeffecten (artikel 3, zesde lid, van de Instellingswet ATR). Dit betreft informeel, ambtelijk overleg. Dit overleg kan worden gebruikt om de hoofdlijnen van voorgenomen regelgeving door te spreken maar ook om te voorkomen dat er tijdsdruk optreedt.

Aanvullende zienswijze

Indien na het uitbrengen van een advies, maar voor de besluitvorming in de ministerraad de voorgenomen regelgeving wordt gewijzigd in die zin dat er regeldrukeffecten zijn, stelt de betrokken minister ATR in de gelegenheid een aanvullende zienswijze over de gewijzigde stukken te geven (artikel 8, derde lid, van de Instellingswet ATR). In deze regeling is bepaald dat ATR een termijn van twee weken heeft voor het uitbrengen van zo’n zienswijze (artikel 5, eerste lid). Binnen deze termijn kan ATR zich een afgewogen oordeel vormen, omdat het voorstel voor regelgeving al bekend is. Een nieuwe termijn van vier weken is daarom niet nodig. Het is aan ATR om te beoordelen wanneer sprake is van een substantiële wijziging.

Indien het gaat om zeer complexe dossiers, kan ATR met een beroep op artikel 5, tweede lid, de adviestermijn verlengen met ten hoogste twee weken als ATR in redelijkheid niet binnen de hiervoor vermelde termijn van twee weken tot een afgewogen oordeel kan komen. In het geval dat er een aanvullende zienswijze wordt gegeven én bij een verlenging van de adviestermijn stelt ATR de verantwoordelijke minister op de hoogte.

3. Regeldruk

Deze regeling heeft geen regeldrukgevolgen voor de burgers of het bedrijfsleven.

4. Uitvoerbaarheids- en handhavingstoets Adviescollege toetsing regeldruk

Met de Uitvoerbaarheids- en handhavingstoets (UHT-toets) geeft ATR aan of en in hoeverre de termijnen die in deze regeling zijn opgenomen, voor ATR werkbaar en haalbaar zijn. Deze regeling is tot stand gekomen in goed overleg met ATR. In deze afstemming is vanuit ATR aangegeven welke adviestermijnen haalbaar zijn.

De termijnen met betrekking tot de advisering over BNC-fiches zijn nieuw. Deze zijn in de afgelopen periode in de praktijk getest en haalbaar bevonden. De belangrijkste vraag daarbij lijkt of en in hoeverre ministeries ATR tijdig (ook al in vroegere fasen van het wetgevingsproces) betrekken bij Europese voornemens en voorstellen.

ATR concludeert in de UHT-toets in het algemeen dat de termijnen die in de ministeriële regeling staan genoemd, haalbaar zijn. Het eindoordeel van de UHT-toets is dan ook dat de ministeriële regeling voor ATR uitvoerbaar is binnen de bestaande financiële kaders.

5. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2026, tegelijk met de Instellingswet ATR. Met inwerkingtreding op deze datum, en met de publicatie van deze regeling minimaal twee maanden voor de inwerkingtreding, is toepassing gegeven aan het beleid voor vaste verandermomenten en een minimuminvoeringstermijn, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving

II. Artikelsgewijs

Artikel 2 Uitgezonderde ministeriële regelingen

In dit artikel zijn categorieën regelingen aangewezen die niet voor advies aan ATR voorgelegd hoeven te worden, omdat zij beperkte regeldrukeffecten hebben. Het gaat veelal om regelmatig voorkomende regelingen waarvan bleek dat deze geen of zeer beperkte regeldrukeffecten met zich brengen.

Op grond van onderdeel c hoeft een wijziging van een subsidieregeling waarbij uitsluitend het subsidieplafond wordt verhoogd, zonder dat nieuwe aanvragen kunnen worden ingediend, niet opnieuw voor advies aan ATR te worden voorgelegd. Een dergelijke verhoging van het subsidieplafond maakt het mogelijk om reeds aangevraagde subsidies, waarvoor eerder onvoldoende budget beschikbaar was, alsnog toe te kennen, terwijl dit geen extra regeldruk voor de aanvragers met zich brengt. Ook wanneer uitsluitend de periode van openstelling wordt gewijzigd, hoeft geen advies aan ATR te worden gevraagd. Wanneer de voorwaarden voor subsidieverlening wijzigen of andere inhoudelijke wijzigingen worden aangebracht in een subsidieregeling, moet de conceptregeling wel opnieuw worden voorgelegd aan ATR. In onderdeel c kan het zowel gaan om een zelfstandige subsidieregeling als om een subsidiemodule binnen een subsidieregeling zoals de Regeling nationale EZ-, LVVN en KGG-subsidies.

Op grond van onderdeel e hoeven regels over de verhoudingen tussen overheden niet voor advies aan ATR te worden voorgelegd. Het kan bijvoorbeeld gaan om decentralisatie van taken, delegatie van een bevoegdheid of om financiële verhoudingen. Deze regelgeving heeft geen regeldrukeffecten voor bedrijven, instellingen zonder winstoogmerk, burgers, vrijwilligers, en beroepsbeoefenaren.

Dat neemt niet weg dat in de toelichting bij deze regelingen een analyse van de kwantitatieve en kwalitatieve regeldrukeffecten moet worden opgenomen.

De uitzondering geldt alleen voor regelingen die uitsluitend een of meer van de in dit artikel vermelde bepalingen bevatten. Regelingen die daarnaast ook andere onderwerpen regelen, moeten wel voor advies aan ATR worden voorgelegd.

Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.1 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 3 Adviestermijnen ontwerpen van EU-wetgevingshandelingen

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 2.2 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 4 Adviestermijnen voorstellen voor nationale regelgeving

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 5 Adviestermijn aanvullende zienswijze

In paragraaf 2.3 is de termijn voor een aanvullende zienswijze van ATR toegelicht. Deze mogelijkheid geldt alleen voor voorstellen voor nationale regelgeving.

Artikel 6 Algemene termijnenwet

Deze bepaling regelt dat een termijn in deze regeling, die eindigt op een zaterdag, zondag of op een algemeen erkende feestdag als bedoeld in de Algemene termijnenwet wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

De Minister van Economische Zaken, V.P.G. Karremans


X Noot
1

Stb. 2025, 209.

X Noot
2

Aanwijzingen voor de regelgeving, aanwijzing 7.5a.

X Noot
3

Op grond van de begripsomschrijving in de Instellingswet ATR (artikel 1) valt onder ontwerp van een EU-wetgevingshandeling een ontwerp van een Europese verordening, een richtlijn of een besluit.

X Noot
4

In een BNC-fiche (BNC staat voor Beoordeling Nieuwe Commissie-voorstellen) geeft de regering een eerste oordeel over een voorstel van de Europese Commissie. Dit document wordt toegestuurd aan de Eerste en Tweede Kamer.

X Noot
5

De procedure voor nationale regelgeving die werd gehanteerd voor advisering door het vorige Adviescollege toetsing regeldruk (zoals neergelegd in Instellingsbesluiten van voorgangers van ATR) bleek in de praktijk goed te werken en is derhalve in deze regeling gecontinueerd.

Naar boven