Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2025, 34284 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2025, 34284 | advies Raad van State |
2024-000056641
Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken
Ministerie van Financiën
Aan de Koning
Nader rapport inzake het voorstel van rijkswet tot wijziging van de Belastingregeling Nederland – Sint Maarten
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 3 oktober 2024, no. 2024001816, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van rijkswet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 4 december 2024, no. W06.24.00261/III/K, bied ik U hierbij aan.
Naar aanleiding van het advies, dat hieronder cursief is opgenomen, merk ik het volgende op.
Bij Kabinetsmissive van 3 oktober 2024, no.2024001816, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet tot wijziging van de Belastingregeling Nederland Sint Maarten in verband met de implementatie van de uitkomsten van het Base Erosion and Profit Shifting project van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling alsmede enige overige wijzigingen, met memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft geen opmerkingen over het voorstel van rijkswet en adviseert het voorstel in te dienen bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal en over te leggen aan de Staten van Aruba, die van Curaçao en die van Sint Maarten.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk,
Th.C. de Graaf
In het voorstel van rijkswet en de memorie van toelichting zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen en over te leggen aan de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
De Staatssecretaris van Financiën, E. Heijnen.
No. W06.24.00261/III/K
's-Gravenhage, 4 december 2024
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 3 oktober 2024, no.2024001816, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet tot wijziging van de Belastingregeling Nederland Sint Maarten in verband met de implementatie van de uitkomsten van het Base Erosion and Profit Shifting project van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling alsmede enige overige wijzigingen, met memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft geen opmerkingen over het voorstel van rijkswet en adviseert het voorstel in te dienen bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal en over te leggen aan de Staten van Aruba, die van Curaçao en die van Sint Maarten.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk, Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige bepalingen van de Belastingregeling Nederland Sint Maarten te wijzigen ter implementatie van de uitkomsten van het Base Erosion and Profit Shifting project van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en om enkele overige wijzigingen aan te brengen;
Geleid door de wens van Nederland en Sint Maarten hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Belastingregeling Nederland Sint Maarten wordt als volgt gewijzigd:
A. De considerans komt te luiden:
‘Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van Nederland en Sint Maarten het in onderling overleg raadzaam oordelen, dat op het terrein van de belastingen een nieuwe onderlinge regeling bij rijkswet wordt vastgesteld;
Geleid door de wens van Nederland en Sint Maarten hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren, voornemens om dubbele belasting te vermijden met betrekking tot de onder deze regeling vallende belastingen, zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting (daaronder begrepen door treaty-shopping-structuren die als doel hebben om inwoners van derde staten indirect het voordeel te laten genieten van de in deze rijkswet voorziene tegemoetkomingen) en tot het aanbrengen van enkele overige wijzigingen;’.
B. Artikel 1, tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. een stichting particulier fonds of een trust als bedoeld in Titel 6 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of naar soortgelijk buitenlands recht, indien en voor zover haar, onderscheidenlijk zijn, voordelen voortvloeien uit buiten bedrijf gebezigd kapitaal of uit een bedrijf hetwelk uitsluitend strekt ter behartiging van een algemeen maatschappelijk belang, die volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Landsverordening op de winstbelasting van de winstbelasting is vrijgesteld, tenzij deze volgens artikel 1B van de Landsverordening op de winstbelasting als doelvermogen is aangewezen;.
C. In artikel 2, derde lid, onderdeel a, wordt, onder vervanging van ‘; en’ aan het slot van het eerste subonderdeel 4° door een puntkomma, een subonderdeel ingevoegd, luidende:
5°. de bronbelasting; en.
D. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vijfde lid vervalt ‘, behoudens met betrekking tot de bepalingen van artikel 14, tweede lid,’.
2. Het zevende lid komt te luiden:
7. Uitsluitend teneinde vast te stellen:
a. of de duur van 183 dagen, bedoeld in het derde lid, is overschreden,
i. wanneer een onderneming van een land in het andere land werkzaamheden verricht op een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden en die werkzaamheden worden verricht gedurende een of meer tijdvakken die in totaal langer duren dan 30 dagen zonder een termijn van 183 dagen te overschrijden, en
ii. op diezelfde plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden gedurende verschillende tijdvakken, die elk langer duren dan 30 dagen, daarmee verband houdende werkzaamheden worden verricht door een of meer ondernemingen die nauw verbonden zijn met de eerstbedoelde onderneming, worden die verschillende tijdvakken bij het totale tijdvak gevoegd gedurende welke de eerstbedoelde onderneming werkzaamheden heeft uitgeoefend op die plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden;
b. wat de duur van de werkzaamheden buitengaats ingevolge het vijfde lid is, wanneer een onderneming van een land in het andere land werkzaamheden buitengaats verricht en daarmee verband houdende werkzaamheden in dat andere land gedurende verschillende tijdvakken worden verricht door een of meer ondernemingen die nauw verbonden zijn met de eerstbedoelde onderneming, worden die verschillende tijdvakken bij het totale tijdvak gevoegd gedurende welke de eerstbedoelde onderneming werkzaamheden buitengaats heeft verricht in dat andere land.
3. In het achtste lid, onderdeel e, vervalt ‘die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft’.
4. Het achtste lid, onderdeel f, wordt vervangen door:
f. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend voor een combinatie van de in de onderdelen a tot en met e genoemde werkzaamheden;
mits die werkzaamheid, of, in het geval van onderdeel f, het geheel van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting, van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.
5. Onder vernummering van het negende tot en met elfde lid tot tiende tot en met twaalfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
9. Het achtste lid is niet van toepassing op een vaste bedrijfsinrichting die door een onderneming gebruikt of aangehouden wordt indien dezelfde onderneming of een nauw daarmee verbonden onderneming op dezelfde plaats of op een andere plaats in hetzelfde land werkzaamheden uitoefent, en
a. die plaats of die andere plaats voor de onderneming of voor de nauw daarmee verbonden onderneming een vaste inrichting vormt op grond van de bepalingen van dit artikel; of
b. het geheel van de werkzaamheden dat resulteert uit de combinatie van de werkzaamheden die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen worden uitgeoefend, niet van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft, mits de bedrijfsactiviteiten die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen, worden uitgeoefend aanvullende taken zijn die deel uitmaken van een samenhangende bedrijfsvoering.
6. Het tiende lid (nieuw) komt te luiden:
10. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede, vierde en vijfde lid, maar onder voorbehoud van de bepalingen van het elfde lid, indien een persoon namens een onderneming optreedt in een land en daarbij gewoonlijk overeenkomsten sluit, of gewoonlijk de voornaamste rol speelt die leidt tot het sluiten van overeenkomsten die stelselmatig zonder materiële wijziging door de onderneming gesloten worden, en die overeenkomsten gesloten zijn:
a. in naam van de onderneming;
b. voor de eigendomsoverdracht of voor het verlenen van het gebruiksrecht van goederen die aan die onderneming toebehoren of ter zake waarvan de onderneming het gebruiksrecht heeft; of
c. voor het verlenen van diensten door die onderneming;
wordt die onderneming geacht in dat land een vaste inrichting te hebben met betrekking tot alle werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van een dergelijke persoon beperkt blijven tot die werkzaamheden genoemd in het achtste lid, die, indien zij worden verricht door middel van een vaste bedrijfsinrichting (anders dan een vaste bedrijfsinrichting waarop het negende lid van toepassing zou zijn), deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.
7. Het elfde lid (nieuw) komt te luiden:
11. Het tiende lid is niet van toepassing indien de persoon die in een land optreedt voor een onderneming van het andere land, in het eerstgenoemde land een bedrijf uitoefent als een onafhankelijke vertegenwoordiger en voor de onderneming handelt in de normale uitoefening van dat bedrijf. Wanneer een persoon evenwel uitsluitend of nagenoeg uitsluitend optreedt voor een of meer ondernemingen waarmee hij nauw verbonden is, wordt die persoon ten opzichte van elke dergelijke onderneming niet geacht een onafhankelijke vertegenwoordiger te zijn in de zin van dit lid.
8. Onder vernummering van het twaalfde lid (nieuw) tot het dertiende lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:
12. Voor de toepassing van dit artikel is een persoon of onderneming nauw verbonden met een onderneming indien uit alle relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de ene zeggenschap heeft over de andere of dat beide onder zeggenschap staan van dezelfde personen of ondernemingen. In elk geval wordt een persoon of onderneming geacht nauw verbonden te zijn met een onderneming indien de ene middellijk of onmiddellijk meer dan 50 percent bezit van het uiteindelijk belang in de ander (of, in het geval van een lichaam, meer dan 50 percent bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) of indien een andere persoon of onderneming middellijk of onmiddellijk meer dan 50 percent bezit van het uiteindelijke belang (of, in het geval van een lichaam, meer dan 50 percent bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) in de persoon en in de onderneming of in de twee ondernemingen.
E. Artikel 11, eerste lid, komt te luiden:
1. Rente afkomstig uit een land die wordt verkregen door een inwoner van het andere land die de uiteindelijk gerechtigde is, is slechts belastbaar in dat andere land.
F. In artikel 20, eerste lid, vervalt ‘of artikel 33’.
G. Artikel 21, tiende lid, vervalt.
H. Artikel 22 komt te luiden:
1. Niettegenstaande de overige bepalingen van deze rijkswet, wordt een voordeel uit hoofde van de rijkswet niet toegekend met betrekking tot een inkomensbestanddeel indien, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat het verkrijgen van dit voordeel een van de voornaamste redenen was voor een constructie of transactie die direct of indirect tot dat voordeel heeft geleid, tenzij wordt vastgesteld dat toekenning van dit voordeel onder deze omstandigheden in overeenstemming zou zijn met het voorwerp en doel van de relevante bepalingen van deze rijkswet.
2. Indien een persoon een voordeel uit hoofde van deze rijkswet wordt geweigerd ingevolge het eerste lid van dit artikel, dient de bevoegde autoriteit van het land die het voordeel anderszins zou hebben toegekend deze persoon desalniettemin te behandelen alsof deze recht heeft op dit voordeel of op andere voordelen ter zake van een specifiek bestanddeel van het inkomen , indien deze bevoegde autoriteit, op verzoek van deze persoon en na bestudering van de relevante feiten en omstandigheden, vaststelt dat deze voordelen aan die persoon zouden zijn verleend bij het ontbreken van de transactie of constructie bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
3. De bevoegde autoriteit van een land raadpleegt de bevoegde autoriteit van het andere land alvorens een voordeel uit hoofde van het eerste lid te weigeren of een verzoek uit hoofde van het tweede lid af te wijzen.
I. Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, eerste zin, wordt ‘autoriteit van het land waarvan hij inwoner is’ vervangen door ‘autoriteit van een van beide landen’.
2. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt ‘nadat de kwestie is voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van het andere land’ vervangen door ‘na de datum waarop alle informatie die voor de bevoegde autoriteiten nodig is om de kwestie te kunnen beoordelen aan beide bevoegde autoriteiten ter beschikking is gesteld’.
3. In het vijfde lid wordt ‘verzoek’ vervangen door ‘schriftelijk verzoek’.
4. In het vijfde lid wordt na de eerste zin, een zin ingevoegd, luidende: Deze onopgeloste kwesties zullen niet voor arbitrage worden voorgelegd indien een rechtelijke instantie of administratieve rechtbank van een van beide landen reeds over deze kwesties heeft beslist.
J. Artikel 30 vervalt.
K. Artikel 33 vervalt.
L. Artikel 34 vervalt.
Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dag volgend op de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wordt geplaatst en de bepalingen ervan vinden toepassing voor belastingjaren en belastingtijdvakken die aanvangen of, in geval van aan de bron geheven belastingen, voor betalingen die zijn gedaan op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin deze rijkswet in werking is getreden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad en het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Staatssecretaris van Financiën,
Tussen Nederland en Sint Maarten is sinds 1 maart 2016 de Belastingregeling Nederland Sint Maarten (hierna: BRNS) van kracht. De BRNS bevat bepalingen ter vermijding van dubbele belasting en tegen het ontgaan van belastingen. Daarnaast regelt de BRNS, onder meer met het oog op het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, de administratieve wederzijdse bijstand in de vorm van onderlinge uitwisseling van fiscale informatie en wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen.
In 2016 is ook het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (hierna: het MLI) tot stand gekomen. Het MLI strekt ertoe de uitkomsten van het Base Erosion and Profit Shifting project (hierna: ‘BEPS’) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: ‘OESO’) en de G20 op een snelle en efficiënte wijze door te laten werken in de bilaterale belastingverdragen van de deelnemende landen. Het Koninkrijk heeft voor Nederland het MLI ondertekend. Alhoewel de BRNS geen bilateraal belastingverdrag is – vanwege de staatkundige verhouding tussen Nederland en Sint Maarten heeft de BRNS de vorm van een rijkswet – wensen beide landen bepaalde aan belastingverdragen gerelateerde BEPS-maatregelen op te nemen in de BRNS. Nederland en Sint Maarten hebben daarom afgesproken om de BEPS-minimumstandaarden in de BRNS op te nemen, aangevuld met enkele optionele maatregelen waar beide landen zich in konden vinden.
Naast de aanpassingen om de uitkomsten van het BEPS-project op te nemen, hebben beide landen van deze gelegenheid gebruikgemaakt om enkele technische aspecten van de BRNS te wijzigen. Vanwege de beoogde revisie van het belastingstelsel van Sint Maarten hebben beide landen afgesproken om nadat deze revisie is doorgevoerd verder te praten over inhoudelijke wijzigingen, die in een beoogd nieuw wetsvoorstel zullen worden opgenomen.
De (wijzigingen in de) BRNS is (zijn) in beginsel gebaseerd op het OESO-modelverdrag. Voor de voorliggende wijzigingen is het OESO-modelverdrag 2017 en het daarbij geldende commentaar als uitgangspunt genomen. Dit brengt mee dat het OESO-commentaar van belang is voor de uitleg van de onderhavige (te wijzigen) bepalingen van de BRNS. Op onderdelen wordt echter afgeweken van het OESO-modelverdrag. In de artikelsgewijze toelichting wordt in dat geval aangegeven op welk onderdeel de te wijzigen bepalingen afwijken van de bepalingen van het OESO-modelverdrag. Voor de duidelijkheid: wanneer hierna wordt gesproken van het OESO-modelverdrag gaat het dus om de teksteditie van 2017.
Deze memorie van toelichting is in samenwerking tussen de landen tot stand gebracht en zal in beide landen aan de parlementen als toelichting op deze rijkswet worden aangeboden.
In grote lijnen is het belastingstelsel van Sint Maarten na inwerkingtreding van de BRNS ongewijzigd gebleven. Momenteel wordt, zoals aangegeven, wel gewerkt aan een revisie van het belastingstelsel.
In Nederland is de laatste jaren een groot aantal wijzigingen in de verschillende belastingwetten ingevoerd. Te noemen valt de implementatie van de richtlijnen Anti Tax Avoidance Directive 1 (ATAD 1)1 en ATAD 22. Ook is de Wet bronbelasting 2021 geïntroduceerd.
De wijzigingen van de BRNS omvatten onder andere de maatregelen waarvan in de BEPS-rapporten is geconcludeerd dat deze minimaal nodig zijn om verdragsmisbruik op een adequate manier te bestrijden en om geschillenbeslechting te verbeteren (de zogenoemde ‘minimumstandaard’). Dit betreft (aanpassingen in) de considerans, het opnemen van een algemene antimisbruikbepaling in de vorm van een Principal Purposes Test (PPT) (artikel 22) en de toegang tot de onderlinge overlegprocedure (artikel 24). Daarnaast zijn beide landen overeengekomen enkele aanvullende MLI- bepalingen op te nemen met betrekking tot het kunstmatig omzeilen van de vaste inrichting, het opsplitsen van contracten en commissionairsstructuren (artikel 5).
Verder zijn er enkele technische wijzigingen opgenomen. Deze zien onder andere op het toevoegen van de bronbelasting aan de opsommingen van Nederlandse belastingen, het schrappen van een uitgewerkte overgangsregeling en van een bepaling over de inmiddels buiten werking getreden EU-spaarrenterichtlijn (in verband met de invoering van de CRS) en het uitbreiden van de toepassing van de ‘offshore vaste inrichting’ ten aanzien van inkomsten uit dienstbetrekking (artikel 5).
De budgettaire gevolgen van de voorgestelde wijzigingen zijn naar verwachting neutraal.
In het rapport bij actiepunt 6 van het BEPS-project met de titel ‘Preventing the Granting of Treaty Benefits in Inappropriate Circumstances’ wordt onder meer (als minimumstandaard) aanbevolen om in de preambule van het verdrag – in dit geval in considerans van de rijkswet (de BRNS derhalve) – duidelijk te maken dat de BRNS bedoeld is om dubbele belasting te vermijden, zonder daarmee mogelijkheden te creëren voor dubbele niet-heffing of verlaagde heffing door belastingontduiking of belastingontwijking. Daarbij wordt expliciet verwezen naar treaty-shopping-constructies. Deze aanbeveling is van belang met het oog op de uitleg en toepassing van belastingverdragen en wordt in de considerans van de BRNS opgenomen. Er is voor gekozen om hierbij af te wijken van aanwijzing 6.7 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) en de toelichting op die aanwijzing, gelet op de mogelijkheid die aanwijzing 1.2 van de Ar hiervoor biedt. De keuze om af te wijken is gemaakt in verband met de noodzaak om te voldoen aan de minimumstandaard zoals die in het kader van het BEPS-project is ontwikkeld.
In artikel 1, tweede lid, onderdeel a, is een bepaling opgenomen ten aanzien van de Sint Maartense stichting particulier fonds en trust. Omdat de bewoording in de relevante regelgeving van Sint Maarten waarnaar in dit lid wordt verwezen, is aangepast, wordt ook de tekst van genoemd onderdeel a hieraan aangepast. Daarbij wordt de verwijzing naar de relevante artikelen uit de regelgeving van Sint Maarten dienovereenkomstig aangevuld.
In artikel 2 is neergelegd op welke belastingen de BRNS ziet. In dat kader bevat het derde lid een opsomming van bestaande belastingen waarop de BRNS van toepassing is. Voor Sint Maarten hebben op dat punt na 2015 zich geen wijzigingen voorgedaan. Voor Nederland geldt dat per 1 januari 2021 de Wet bronbelasting 2021 in werking is getreden. Om die reden wordt in het derde lid, onderdeel a, met het invoegen van subonderdeel5° voor het Europese deel van Nederland een verwijzing naar de bronbelasting opgenomen.
Artikel 5 geeft invulling aan de definitie van het begrip vaste inrichting.
Het vijfde lid van artikel 5 BRNS bevat bepalingen die betrekking hebben op de aanwezigheid, in een land, van een vaste inrichting met betrekking tot zogenoemde ‘werkzaamheden buitengaats’ (offshore vaste inrichting). Dat lid wordt aangepast in overeenstemming met de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 van Nederland. Het gevolg hiervan is dat Nederland dan wel Sint Maarten in meer gevallen kan heffen over salarissen van werknemers die, kort gezegd, werken voor een vaste inrichting in Nederland, respectievelijk Sint Maarten, met betrekking tot zogenoemde werkzaamheden buitengaats.
De tekst van het zevende lid wordt vervangen door een nieuwe tekst die bestaat uit twee onderdelen. In dat kader bevat het zevende lid, onderdeel a, nieuwe bepalingen die zien op de bepalingen van het derde lid op grond waarvan pas een vaste inrichting aanwezig is als de duur van de in deze bepalingen bedoelde werkzaamheden een bepaalde drempelperiode overschrijdt. Met genoemd onderdeel a wordt beoogd te voorkomen dat de bedoelde werkzaamheden worden opgesplitst tussen nauw verbonden ondernemingen om zo per werkzaamheid onder de drempelperiode te blijven (antisplitsingbepaling). Deze bepaling komt voort uit het rapport bij BEPS-actiepunt 7. Met betrekking tot de offshore vaste inrichting geldt een vergelijkbare bepaling reeds in de vorm van de huidige tekst van het zevende lid. Die bepaling wordt in iets aangepaste vorm opgenomen in onderdeel b van het zevende lid, waarbij de voorwaarde dat de betreffende werkzaamheden buitengaats onderdeel moeten zijn van hetzelfde project komt te vervallen.
Het achtste lid omschrijft een aantal situaties waarin geen vaste inrichting aanwezig wordt geacht. Het gemeenschappelijke kenmerk van deze situaties is dat het gaat om het aanhouden of gebruiken van een vaste bedrijfsinrichting voor uitsluitend activiteiten van voorbereidende aard of met een ondersteunend karakter. In het rapport bij BEPS-actiepunt 7 is voorgesteld het voorbereidende en ondersteunende karakter voor al deze activiteiten als expliciete eis vast te leggen, hetgeen inmiddels ook in het OESO-modelverdrag is verwerkt. Door middel van de wijziging van het achtste lid waarmee onderdeel f van dat lid wordt vervangen door een nieuwe tekst wordt het voorbereidende karakter van werkzaamheden een expliciete eis voor alle uitzonderingen genoemd in de onderdelen a tot en met f van het achtste lid (in plaats van een impliciete aanname).
Er wordt een negende lid ingevoegd, onder vernummering van het negende tot en met elfde lid tot tiende tot en met twaalfde lid. Het nieuwe negende lid waarborgt dat de uitzonderingen van het achtste lid niet op kunstmatige wijze kunnen worden opgezocht. Deze bepaling is ontleend aan de in paragraaf 15 van het rapport bij BEPS-actiepunt 7, en inmiddels ook in het OESO-modelverdrag en in het MLI, opgenomen zogenoemde antifragmentatiebepaling. Volgens onderdeel a van genoemd negende lid gelden de uitzonderingen van het achtste lid niet voor de betreffende activiteiten van een onderneming als die onderneming, of een daarmee nauw verbonden onderneming, in dezelfde staat samenhangende activiteiten uitoefent waarvoor een vaste inrichting aanwezig wordt geacht. Volgens onderdeel b van genoemd negende lid gelden de uitzonderingen van het achtste lid voorts niet als de betreffende samenhangende activiteiten van een onderneming en een daarmee nauw verbonden onderneming tezamen genomen niet van voorbereidende aard of ondersteunend van karakter zijn.
Het tiende en elfde lid (nieuw) hebben betrekking op het (niet) aannemen van een vaste inrichting bij situaties van (on)afhankelijke vertegenwoordiging. In het tiende lid is overeengekomen dat van een vaste inrichting sprake is indien een persoon voor rekening van een onderneming van het andere land overeenkomsten sluit, of gewoonlijk de belangrijkste rol vervult die leidt tot het sluiten van die overeenkomsten en deze routinematig worden gesloten door de onderneming. Het gaat daarbij uitsluitend om overeenkomsten die op naam van de onderneming worden gesloten (onderdeel a), die leiden tot de overdracht van goederen door die onderneming (of het verlenen van een gebruiksrecht op die goederen) (onderdeel b) of die zien op het verlenen van diensten door die onderneming (onderdeel c). Vanwege die laatste twee elementen kunnen hier dus ook commissionairsstructuren onder vallen, waarbij de vertegenwoordiger op eigen naam overeenkomsten sluit.
Het elfde lid bevat een uitzondering op de bepaling in het tiende lid voor gevallen waarin de persoon in de andere staat een bedrijf uitoefent als onafhankelijke agent en handelt in de normale uitoefening van dat bedrijf. Van een onafhankelijke agent is geen sprake wanneer deze uitsluitend of vrijwel uitsluitend optreedt voor een nauw verbonden onderneming.
Sint Maarten hechtte belang aan opname van het tiende en elfde lid, in overeenstemming met artikel 5, vijfde en zesde lid, van het OESO-modelverdrag en gebaseerd op het rapport bij BEPS-actie 7. Nederland heeft hiermee ingestemd, mede omdat de regeling een voldoende effectieve geschilbeslechtingsprocedure bevat in de vorm van arbitrage (artikel 24, vijfde lid, BRNS). Hierbij is rekening gehouden met het amendement Lodders – Slootweg op de goedkeuringswet bij het MLI dat ruimte laat bepalingen overeenkomstig artikel 5, vijfde en zesde lid, van het OESO-modelverdrag bilateraal overeen te komen als er een effectieve vorm van geschilbeslechting is.3
In het twaalfde lid (nieuw) is het begrip ‘nauw verbonden’, zoals gebruikt in het zevende lid alsmede het negende en elfde lid (nieuw), gedefinieerd. Daarvan is sprake indien, gebaseerd op alle feiten en omstandigheden, de ene onderneming controle heeft over de andere, of indien beide ondernemingen onder controle staan van dezelfde persoon of onderneming. Daarvan is in elk geval sprake bij een belang van meer dan 50% van de ene persoon of onderneming in een andere onderneming.
Omdat artikel 33 BRNS komt te vervallen (zie de toelichting bij artikel I, onderdelen K en L), dient de verwijzing naar dat artikel in artikel 11, eerste lid, BRNS te worden verwijderd. De nieuwe tekst van artikel 11, eerste lid, BRNS zorgt daarvoor.
In artikel 20, eerste lid, BRNS vervalt de verwijzing naar artikel 33 BRNS in verband met het schrappen van dat artikel (zie ook de toelichting bij artikel I, onderdelen K en L).
In artikel 21 BRNS is neergelegd op welke wijze de landen dubbele belasting vermijden. In het eerste tot en met vierde lid is, in lijn met het Nederlandse verdragsbeleid, bepaald hoe Nederland voorziet in het vermijden van dubbele belasting voor inkomsten genoten door een inwoner van Nederland die op grond van de BRNS in Sint Maarten mogen worden belast. Het zesde tot en met negende lid bepalen hoe Sint Maarten vermijding van dubbele belasting verleent voor inkomsten genoten door een inwoner van Sint Maarten die volgens de BRNS in Nederland mogen worden belast.
Het huidige tiende lid komt te vervallen om de reden die bij de toelichting bij artikel I, onderdelen K en L, wordt gegeven.
In artikel 22 BRNS – dat integraal wordt vervangen – worden de algemene antimisbruikbepalingen opgenomen. De nieuwe tekst van artikel 22 BRNS bestaat uit drie leden.
In het eerste lid wordt de PPT opgenomen. Het betreft een van de zogeheten BEPS-minimumstandaarden die zijn oorsprong vindt in BEPS-actiepunt 6 en die inmiddels zijn weg heeft gevonden naar de modelverdragen van de OESO en de Verenigde Naties maar ook onder andere via het MLI naar een aantal door Nederland gesloten belastingverdragen.
Het doel van de PPT is te voorkomen dat de BRNS wordt misbruikt. Op grond van het eerste lid wordt een verdragsvoordeel niet toegekend voor een inkomensbestanddeel indien het verkrijgen van dit verdragsvoordeel één van de voornaamste redenen was voor een constructie of transactie die tot dat voordeel heeft geleid, bijvoorbeeld in het geval van afwezigheid van geldige zakelijke overwegingen die de economische realiteit weerspiegelen. Of het gebruikmaken van een voordeel van de BRNS als een van de voornaamste redenen kan worden beschouwd dient per geval te worden beoordeeld. In aanvulling op de limitations-on-benefits-bepaling (LOB) in artikel 10 BRNS, die bepaalde personen van het betreffende verdragsvoordeel uitsluit, kan op basis van de PPT naar aanleiding van een bepaalde transactie of constructie een verdragsvoordeel worden geweigerd.
Het huidige eerste en tweede lid van genoemd artikel 22 komen te vervallen omdat met het opnemen van de PPT verdragsmisbruik conform een internationaal aanvaarde maatregel kan worden tegengegaan. Nationale antimisbruikmaatregelen kunnen daarmee voor zover sprake is van verdragsmisbruik worden toegepast zonder dat een expliciete verwijzing nodig is.
In het tweede lid is bepaald dat op verzoek van een belastingplichtige de bevoegde autoriteit van het land waarvan het voordeel wordt gevraagd (veelal het bronland) maar dat het betreffende voordeel van de BRNS weigert toe te kennen de mogelijkheid heeft een voordeel toch toe te kennen voor zover wordt vastgesteld dat bij afwezigheid van een transactie of constructie als bedoeld in het eerste lid dat voordeel ook zou zijn verleend (de zogenoemde vangnetbepaling).
Op grond van artikel 22, derde lid, BRNS dient een land voordat het aan een belastingplichtige op grond van het eerste lid een voordeel weigert of een verzoek uit hoofde van het tweede lid afwijst het andere land daarover te raadplegen (verplichte voorafgaande consultatie).
Artikel 24 BRNS bevat een regeling voor onderling overleg tussen de beide landen (onderlinge overlegprocedure) en sluit aan bij artikel 25 van het OESO-modelverdrag. Met de wijziging van het eerste lid wordt het mogelijk gemaakt dat een inwoner van een land bij de bevoegde autoriteit van elk van de landen om een onderlinge overlegprocedure kan verzoeken wanneer hij van mening is dat de maatregelen van één of van beide landen voor hem leiden of zullen leiden tot belastingheffing die niet in overeenstemming is met de BRNS.
De wijziging van het vijfde lid, onderdeel b, behelst een verlenging van de daargenoemde tweejaarstermijn met de periode die een belastingplichtige nodig heeft om de informatie aan te leveren waar de bevoegde autoriteiten om hebben verzocht om tot een beoordeling van de zaak te kunnen komen. De bevoegde autoriteiten zullen daarbij over het algemeen uiterlijk binnen drie maanden na de indiening van het verzoekschrift de belastingplichtige op de hoogte dienen te stellen van de door hun benodigde additionele informatie. Tevens wordt in lijn met de betreffende bepaling in het OESO-modelverdrag in het vijfde lid opgenomen dat een verzoek om arbitrage schriftelijk moet worden ingediend, en dat gevallen waarin een rechterlijke instantie of administratieve rechtbank van een van beide landen al over de kwestie heeft beslist van arbitrage zijn uitgezonderd.
De overgangsregeling voor dividenden in deelnemingsverhoudingen zoals die is opgenomen in artikel 30 BRNS vindt inmiddels geen toepassing meer. Derhalve komt genoemd artikel 30 te vervallen.
Door implementatie van de Common Reporting Standard (CRS) door Sint Maarten zijn de artikelen 33 en 34 BRNS overbodig geworden. Derhalve komen die artikelen te vervallen.
In artikel II is bepaald dat de rijkswet in werking treedt met ingang van de dag volgend op de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wordt geplaatst. De bepalingen van de rijkswet vinden toepassing voor belastingjaren en tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin deze rijkswet in werking is getreden. Met betrekking tot aan de bron geheven belastingen vinden de bepalingen van de regeling toepassing voor betalingen die zijn gedaan op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin deze rijkswet in werking is getreden.
De Staatssecretaris van Financiën,
Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PbEU 2016, L 234/26).
Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen (PbEU 2016, L 144/1).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-34284.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.