Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 september 2025, nr. 6016460, houdende wijziging van de Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen in verband met invoering van het locatie-gebonden bellen en de mogelijkheid van tijdelijke verruiming van contactmomenten in een extra beveiligde inrichting (EBI) en een afdeling voor intensief toezicht (AIT)

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Gelet op artikel 39, vijfde en zesde lid, artikel 40b, zevende lid, en artikel 40c, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet;

Gezien het advies van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van 3 april 2025, kenmerk 6065735, 6167003 en 6230876;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

d. wet:

de Penitentiaire beginselenwet.

e. de Minister:

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

B

Artikel 3, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. Een minderjarige jonger dan veertien jaar is het niet toegestaan een gedetineerde die is geplaatst in een afdeling voor intensief toezicht of in een extra beveiligde inrichting te bezoeken zonder meerderjarige begeleider.

C

Artikel 5a, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 5a, derde lid, wordt ‘in de huisregels van de extra beveiligde inrichting’ vervangen door ‘in de huisregels van een extra beveiligde inrichting’.

2. Aan artikel 5a, derde lid, wordt na ‘in de huisregels van een extra beveiligde inrichting’, ingevoegd ‘in de huisregels van een afdeling voor intensief toezicht,’.

D

Aan artikel 6 worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • d. een gedetineerde die is geplaatst in een afdeling voor intensief toezicht;

  • e. een gedetineerde die is geplaatst in een extra beveiligde inrichting.

E

Na artikel 6 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

  • 1. Een telefoongesprek als bedoeld in artikel 40b, eerste lid, onderdeel b, of artikel 40c, eerste lid, onderdeel b, van de wet vindt niet eerder plaats dan nadat uit onderzoek van de directeur is gebleken dat geen bezwaar bestaat tegen contact tussen de gedetineerde en de persoon met wie de gedetineerde wenst te telefoneren.

  • 2. Een telefoongesprek wordt beëindigd indien het telefoongesprek in een andere taal wordt gevoerd dan is toegestaan of als het telefoongesprek aan de zijde van de contactpersoon van de gedetineerde door meerdere personen tegelijk wordt gevoerd.

Artikel 6b

  • 1. De gedetineerde geeft ten minste 48 uur voorafgaand aan het telefoongesprek binnen Nederland aan in welke taal hij het telefoongesprek wenst te voeren.

  • 2. Plaatsen binnen Nederland als bedoeld in artikel 39, zesde lid, van de wet zijn in beginsel de penitentiaire inrichtingen zoals genoemd in de bijlage van deze regeling.

  • 3. Voor het voeren van telefoongesprekken buiten Nederland als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, van de wet, dient de gedetineerde een schriftelijke aanvraag te doen bij de directeur. Bij deze aanvraag wordt in ieder geval vermeld in welke taal de gedetineerde de telefoongesprekken wenst te voeren, een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de persoon gevoegd en een gelegaliseerd bewijs van inschrijving, dan wel een bewijs van inschrijving voorzien van een apostille gevoegd niet ouder dan twaalf maanden waaruit blijkt dat de persoon met wie de gedetineerde telefoneert een vaste woon- of verblijfplaats heeft in het buitenland.

  • 4. De directeur neemt de aanvraag van de gedetineerde voor het voeren van telefoongesprekken buiten Nederland in ontvangst. Deze aanvraag dient de directeur met de stukken bij de Minister in.

  • 5. De Minister bepaalt aan de hand van de aanvraag of toestemming voor het voeren van telefoongesprekken buiten Nederland wordt verleend.

  • 6. Indien toestemming door de Minister wordt verleend, wordt daarbij bepaald voor welke periode de toestemming wordt gegeven, in welke taal de telefoongesprekken worden gevoerd en op welke locatie de telefoongesprekken plaatsvinden. Tevens kan de Minister aanvullende voorwaarden stellen aan de telefoongesprekken buiten Nederland die dienstig zijn aan het toezicht op de telefoongesprekken of aan het identificeren van de persoon met wie de gedetineerde telefoneert.

  • 7. De Minister kan de toestemming intrekken, naar een andere locatie verplaatsen en daar nadere voorwaarden aan verbinden als sprake is van gewijzigde omstandigheden. De directeur informeert de Minister onverwijld over gewijzigde omstandigheden.

  • 8. De toestemming vervalt wanneer de termijn waarvoor de toestemming is verleend is verstreken of als opnieuw toestemming wordt verleend.

Artikel 6c

  • 1. Een tijdelijke verruiming als bedoeld in artikel 40b, vierde lid, van de wet kan worden verleend mits de veiligheid dit toestaat en als de wekelijkse contactmomenten op grond van de wet niet kunnen worden afgewacht en contact noodzakelijk is wegens een bijzondere omstandigheid in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde:

    • a. geboorte van een kind van de gedetineerde;

    • b. aanstaand of daadwerkelijk overlijden van de levenspartner, een kind, ouder, schoonouder, broer of zuster van de gedetineerde; of

    • c. een andere onvoorziene klemmende reden gelegen in de persoonlijke sfeer.

  • 2. Een tijdelijke verruiming bestaat uit:

    • a. één uur extra ontvangst van bezoek in één week;

    • b. het voeren van één extra telefoongesprek van maximaal tien minuten in één week; of

    • c. één extra minderjarige dan wel meerderjarige bezoeker tijdens het wekelijkse bezoekmoment op grond van de wet.

  • 3. Voordat een tijdelijke verruiming wordt verleend, dient ten aanzien van de persoon waarmee extra contact wordt toegestaan vast te staan dat:

    • a. de beweerde band bestaat,

    • b. de relatie hecht is,

    • c. de persoon waarmee extra contact wordt toegestaan daartegen geen bezwaar heeft, en

    • d. uit onderzoek van de directeur is gebleken dat geen bezwaar bestaat tegen contact tussen de gedetineerde en die persoon.

  • 4. Van een situatie als bedoeld in het eerste lid onder a respectievelijk b kan slechts sprake zijn indien de desbetreffende toestand of gebeurtenis door een arts respectievelijk door de burgerlijke stand is bevestigd.

Artikel 6d

  • 1. De gedetineerde in een extra beveiligde inrichting of een afdeling voor intensief toezicht die een verzoek indient tot toepassing van het bepaalde in artikel 40b, vierde lid, van de wet, vermeldt in het verzoek de bijzondere toestand of gebeurtenis waarvoor om tijdelijke verruiming wordt verzocht, de concrete noodzaak voor die tijdelijke verruiming alsmede de wens op welke wijze door de Minister invulling aan die tijdelijke verruiming zou moeten worden gegeven, waarbij bewijsstukken worden overgelegd waaruit van de bijzondere toestand of gebeurtenis en de noodzaak voor tijdelijke verruiming blijkt.

  • 2. De Minister beslist over de precieze invulling en de duur van de tijdelijke verruiming genoemd in artikel 6c, tweede lid en kan daaraan voorwaarden verbinden. Voordat de Minister beslist krijgt de gedetineerde de gelegenheid zijn verzoek schriftelijk of mondeling toe te lichten.

  • 3. De Minister kan te allen tijde een reeds toegestaan contact of het daarvan nog resterende gedeelte intrekken, naar een ander tijdstip verplaatsen en daar nadere voorwaarden aan verbinden, indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. De Minister wordt onverwijld door de directeur van gewijzigde omstandigheden in kennis gesteld.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 14 juli 2025 houdende wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie (Stb. 2025, 197) in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte

TOELICHTING

ALGEMEEN

Aanleiding voor deze wijzigingen vormen de wet tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet (de wet) in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie (Kamerstukken 36 372) en de wijzigingswet daarbij (Kamerstukken 36 583). Het doel van deze maatregelen is het toezicht te versterken op gedetineerden waarvan een ernstige gevaarzetting voor de samenleving uitgaat. Bij deze doelgroep bestaat immers het risico dat zij iedere mogelijkheid tot contact en communicatie met de buitenwereld zullen gebruiken om hun criminele praktijken vanuit detentie voort te zetten en daarbij ernstige intimiderende en levensbedreigende activiteiten buiten de inrichting niet zullen schuwen. Gelet op dit risico is het noodzakelijk om bij deze doelgroep zo volledig mogelijk toezicht op het contact met de buitenwereld te houden en de communicatiemogelijkheden (met uitzondering van geprivilegieerde contacten) in te perken.

De wet voorziet onder meer in een aantal generieke maatregelen voor gedetineerden die zijn geplaatst in een afdeling voor intensief toezicht (AIT) als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de wet of een extra beveiligde inrichting (EBI) als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de wet. Een van die maatregelen heeft betrekking op het locatie-gebonden bellen. Deze maatregel houdt in dat gedetineerden in een AIT of EBI alleen telefoongesprekken mogen voeren met personen binnen Nederland die zich daarvoor op een door mij aangewezen locatie hebben gemeld en gebruikmaken van een daar beschikbaar gestelde telefoon. Het voeren van telefoongesprekken met personen buiten Nederland is enkel mogelijk indien hiervoor door mij toestemming is verleend en het telefoongesprek plaatsvindt onder de door mij gestelde voorwaarden. Het doel hiervan is te voorkomen dat een gedetineerde telefoongesprekken voert met personen met wie het contact ongewenst wordt geacht, dat deze personen anderszins invloed op de gesprekken uitoefenen of dat aan de zijde van de contactpersoon meer personen tegelijkertijd aan het telefoongesprek deelnemen.

Daarnaast bevat de wet een aanscherping van het EBI- en AIT-regime door middel van inperking van de communicatiemogelijkheden voor gedetineerden in de EBI of een AIT met de buitenwereld.1 Het past bij een humaan detentieregime dat gedetineerden in uitzonderlijke situaties (tijdelijk) meer contact met hun naasten kunnen onderhouden, mits de veiligheid dit toelaat. Daarom moet maatwerk mogelijk zijn en is in de wet aan de Minister de bevoegdheid toegekend om een tijdelijke verruiming van de contactmogelijkheden in het EBI- en AIT-regime toe te staan, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een dergelijke verruiming rechtvaardigen. Daarbij moet met name worden gedacht aan gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde, zoals de geboorte van een kind of een (aanstaand) overlijden van een naaste. Indien nieuwe feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de Minister een reeds toegestaan contact of het daarvan nog resterende gedeelte intrekken, naar een ander tijdstip verplaatsen of er nadere voorwaarden aan verbinden. Voor de toepassing van de tijdelijke verruiming van contactmogelijkheden worden door de Minister nadere regels gesteld.

In de onderhavige wijziging van de Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen (de regeling) worden de voorwaarden omtrent het locatie-gebonden bellen nader uitgewerkt. Tevens bevat deze wijziging nadere regels met betrekking tot de tijdelijke verruiming van contactmogelijkheden van AIT- en EBI-gedetineerden.

Telefoneren binnen Nederland

Aan telefoongesprekken tussen contactpersonen binnen Nederland en AIT- en EBI-gedetineerden zijn voorwaarden verbonden. Vanuit veiligheidsoogpunt kan een telefoongesprek alleen worden gevoerd met een contactpersoon waartegen uit onderzoek van de directeur van de inrichting geen bezwaar bestaat. De grondslag hiervoor is als volgt. Op grond van artikel 3, derde lid, van de wet is de directeur belast met het beheer en daarmee met de orde en de veiligheid binnen de inrichting of afdeling. In dat kader wordt ingevolge artikel 40b, derde lid, en artikel 40c, derde lid, van de wet bij AIT- en EBI-gedetineerden standaard toezicht op telefoongesprekken uitgeoefend. Ten behoeve van het uitoefenen van dit toezicht onderzoekt het Landelijk Bureau Inlichtingen en Veiligheid (LBIV) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) of de contactpersoon ook in contact staat of heeft gestaan met een andere gedetineerde of gedetineerden.

Ook is inzicht vereist in de justitiële gegevens die het Gedetineerden Recherche Intelligencepunt van de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties (GRIP) onder zich heeft. Het GRIP controleert de opgevoerde contactpersoon van een gedetineerde door primair identiteit van die persoon te onderzoeken. Over de resultaten van deze controle brengt het GRIP op grond van artikel 18, onderdeel a, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens een rapport uit met daarin een advies aan de directeur. Op basis van de informatie vanuit het LBIV en het GRIP beslist de directeur vervolgens of het door de gedetineerde gewenste contact is toegestaan.

Nadat is gebleken dat tegen de opgevoerde contactpersoon geen bezwaar bestaat, wordt bepaald op welke locatie deze persoon zich voor het telefoongesprek dient te melden. Een gedetineerde die is geplaatst in een AIT of EBI kan uitsluitend een telefoongesprek voeren met een contactpersoon die zich op dat moment in een daartoe aangewezen penitentiaire inrichting bevindt, zodat deze persoon kan worden geïdentificeerd en diegene gebruik kan maken van een daar beschikbaar gestelde telefoon. Daartoe zijn in Nederland de penitentiaire inrichtingen aangewezen die in de bijlage van deze regeling zijn genoemd. In de eerste tien inrichtingen die in deze bijlage staan vermeld, is reeds in het bijzonder aandacht voor veiligheidsaspecten. Het inrichtingspersoneel is daartoe ook opgeleid. Bovendien beschikt dit personeel over de nodige kennis en ervaring ten aanzien van deze doelgroep en hun contactpersonen. Dat maakt deze locaties bij uitstek geschikt voor het organiseren van het toezicht op belcontacten met AIT- en EBI-gedetineerden. Voor een voldoende landelijke spreiding van de bellocaties zijn daar vier locaties aan toegevoegd. Daar wordt maatwerk geleverd voor wat betreft de veiligheidsaspecten.

De Minister kan enkel in noodgevallen naar een andere locatie, die niet in de bijlage is opgenomen, uitwijken om schrijnende situaties te voorkomen. Te denken valt aan het overlijden van een familielid van een gedetineerde. Dat vergt een individuele belangenafweging tussen enerzijds het belang van een humane tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en anderzijds het belang van handhaving van de orde en de veiligheid binnen en buiten de inrichting.

Telefoneren buiten Nederland

Aan het voeren van telefoongesprekken door AIT- en EBI-gedetineerden met personen in het buitenland verbind ik dezelfde voorwaarden als aan de telefoongesprekken binnen Nederland. Dat betekent dat ook voor het buitenland geldt dat een telefoongesprek pas tot stand kan worden gebracht als na onderzoek door de directeur is gebleken dat tegen de contactpersoon geen bezwaar bestaat en dat het telefoongesprek wordt beëindigd in de gevallen zoals in de onderhavige regeling genoemd. Aanvullend geldt voor telefoongesprekken buiten Nederland dat hiervoor toestemming van de Minister is vereist. Het verlenen van toestemming kan de Minister mandateren aan de directeur-generaal DJI (dgDJI). In dat geval oefent dgDJI deze bevoegdheid in naam van de Minister uit. De Minister blijft daarmee (politiek) verantwoordelijk voor het toestaan of weigeren van telefoongesprekken met contactpersonen in het buitenland.

Om de Minister om toestemming te verzoeken, dient de gedetineerde daartoe een aanvraag in bij de directeur van de inrichting. In deze aanvraag wordt vermeld in welke taal de gedetineerde het telefoongesprek wenst te voeren. Daarnaast omvat de aanvraag in ieder geval een kopie van een geldig identiteitsbewijs en een gelegaliseerd bewijs van inschrijving, dan wel een bewijs van inschrijving voorzien van een apostille waaruit blijkt dat de contactpersoon een vaste woon- of verblijfplaats heeft in het buitenland. Door middel van legalisatie, dan wel een apostille kan de authenticiteit van het document worden aangetoond. Het bewijs van inschrijving mag niet ouder zijn dan twaalf maanden. Deze termijn is gelijkgesteld aan de standaardfrequentie om te bezien of tegen de contactpersoon al dan niet een bezwaar bestaat. Vervolgens bepaalt de Minister op basis van de aanvraag in welke taal het telefoongesprek wordt gevoerd en op welke locatie het telefoongesprek plaatsvindt.

Bovendien kan de Minister aanvullende voorwaarden stellen aan het voeren van een telefoongesprek buiten Nederland. Dit kan onder meer relevant zijn in het geval het niet mogelijk is om een bellocatie in een bepaald land te vinden waar het vereiste toezicht kan worden uitgeoefend. De aanvullende voorwaarden strekken ertoe de risico’s op voortgezet crimineel handelen vanuit detentie via telefonisch contact te beperken en/of doelen na te streven die volgen uit artikel 39, vijfde lid, van de wet en de toelichting daarop, zoals het vaststellen van de identiteit van de persoon met wie de gedetineerde belt. Met deze bepaling wordt eveneens beoogd ruimte te houden voor het gebruik van eventuele (technologische) ontwikkelingen, zoals specifieke software die kan bijdragen aan een veilig telefoongesprek met zo min mogelijk risico’s op voortgezet crimineel handelen vanuit detentie.

Indien de gegevens van de contactpersoon waarmee de gedetineerde wenst te telefoneren zijn gewijzigd, zal de procedure opnieuw moeten worden doorlopen. Dat betekent dat op basis van de nieuwe gegevens dient te worden bekeken of tegen de contactpersoon (nog steeds) geen bezwaar bestaat. Tevens zal de gedetineerde een nieuwe aanvraag voor een telefoongesprek moeten indienen. Aan de hand van deze aanvraag beziet de Minister opnieuw of toestemming voor het voeren van dergelijke telefoongesprekken wordt verleend en zo ja, in welke taal het telefoongesprek wordt gevoerd, evenals waar de telefoongesprekken zullen plaatsvinden of dat er aanvullende voorwaarden worden gesteld.

Tijdelijke verruiming contact met de buitenwereld bij bijzondere omstandigheden

Bij de plaatsing van een gedetineerde wordt op basis van het (risico)profiel van de gedetineerde de afweging gemaakt welk regime, met de daarbij passende toegestane contactmomenten met de buitenwereld, noodzakelijk is. In geval van EBI-gedetineerden staan die contactmomenten in artikel 40b van de wet en voor AIT-gedetineerden staan die in artikel 40c van de wet. De Minister kan de gedetineerde toestaan om die bestaande mogelijkheden voor contact met de buitenwereld (niet zijnde een rechtsbijstandverlener) tijdelijk te verruimen, mits de veiligheid dit toestaat. Daarvoor is vereist dat de wekelijkse contactmomenten op grond van respectievelijk de artikelen 40b en 40c van de wet niet kunnen worden afgewacht en contact noodzakelijk is wegens een bijzondere omstandigheid in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde. Waar in ieder geval aan kan worden gedacht is de geboorte van een kind van de gedetineerde of het (aanstaande) overlijden van de in dat artikel genoemde personen in de naaste omgeving van de gedetineerde. Voor die in aanmerking komende personen wordt aangesloten bij de begripsbepalingen zoals opgenomen in artikel 1 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Een limitatieve opsomming van bijzondere omstandigheden valt niet te geven, zodat in de regeling ook een categorie ‘een andere onvoorziene klemmende reden gelegen in de persoonlijke sfeer’ is opgenomen.

Het gaat bij bijzondere omstandigheden uitdrukkelijk niet om (voorspelbare) omstandigheden zoals verjaardagen, bruiloften, (religieuze) feestdagen of diploma uitreikingen. Evenmin is daarvan sprake bij een dreigend (zakelijk of persoonlijk) faillissement van de gedetineerde of een dreigende ontruiming van onroerend goed van de gedetineerde, omdat dergelijke omstandigheden weliswaar dringend kunnen zijn maar een langere aanloop kennen en de reguliere contactmomenten om zaken in dat verband te regelen volstaan. Bovendien blijft geprivilegieerd contact met een rechtsbijstandverlener in dat verband altijd mogelijk.

Voor iedere vorm van extra contact met de buitenwereld op grond van de hiervoor beschreven tijdelijke verruiming geldt, dat dat slechts is toegestaan ten aanzien van reeds positief gescreende contactpersonen van de gedetineerde. De Minister kan een reeds toegestaan contact of het daarvan resterende gedeelte intrekken, naar een ander tijdstip verplaatsen of nadere voorwaarden aan verbinden indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Daarbij kan worden gedacht aan signalen dat de gedetineerde de verruiming misbruikt voor voortgezet crimineel handelen in detentie of ander gedrag dat onverenigbaar is met de orde of de veiligheid binnen of buiten de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.

Invulling van de tijdelijke verruiming

De mogelijkheden voor een tijdelijke verruiming bestaan uit één uur extra ontvangst van bezoek in één week, het voeren van één extra telefoongesprek van maximaal tien minuten in één week of één extra (minderjarige dan wel meerderjarige) bezoeker tijdens het wekelijkse reguliere bezoekmoment of een combinatie hiervan. In het verzoekschrift van de gedetineerde dient te worden vermeld om welke tijdelijke verruiming wordt verzocht, maar uiteindelijk beslist de Minister over hoe de tijdelijke verruiming evenals de duur daarvan daadwerkelijk zal worden ingevuld.

Beslissing op gemotiveerd verzoek van gedetineerde en beroepsmogelijkheid

Het is aan de gedetineerde zelf om tijdig een gemotiveerd verzoek in te dienen, waarin wordt ingegaan op de bijzondere toestand of gebeurtenis waarvoor om tijdelijke verruiming wordt verzocht, de concrete noodzaak voor die tijdelijke verruiming alsmede de wens op welke wijze door de Minister invulling aan die tijdelijke verruiming zou moeten worden gegeven. Ook is vereist dat door de gedetineerde bewijsstukken (bijvoorbeeld van een arts of burgerlijke stand) worden overgelegd, waaruit van de bijzondere toestand of gebeurtenis en de noodzaak voor tijdelijke verruiming blijkt.

Voordat een tijdelijke verruiming wordt verleend, dient ten aanzien van de persoon waarmee extra contact wordt toegestaan vast te staan dat:

  • de beweerde band bestaat (bijvoorbeeld door overlegging van een uittreksel uit de Basisregistratie Personen, een huwelijksakte/akte van partnerregistratie of – bij zwangerschap/geboorte – een bewijs van erkenning van een ongeboren vrucht);

  • de relatie hecht is (bijvoorbeeld door overlegging van stukken waaruit blijkt dat die persoon regelmatig op bezoek komt bij de gedetineerde of veelvuldig belt met de gedetineerde, of stukken waaruit blijkt dat de gedetineerde en de persoon voorafgaand aan detentie langdurig op hetzelfde adres stonden ingeschreven);

  • de persoon waarmee extra contact wordt toegestaan daartegen geen bezwaar heeft, en

  • uit onderzoek van de directeur is gebleken dat geen bezwaar bestaat tegen contact tussen de gedetineerde en die persoon (te weten een reeds positief gescreende contactpersoon).

De Minister maakt telkens een (kenbare) belangenafweging alvorens op het verzoek van de gedetineerde wordt beslist. Daarbij zullen in ieder geval de belangen van de gedetineerde bij een tijdelijke verruiming van de contactmomenten worden meegewogen. Ook de eventuele risico’s voor de veiligheid bij een tijdelijke verruiming maken onderdeel van de belangenafweging uit. Voordat de Minister op het verzoek beslist, wordt de gedetineerde in de gelegenheid gesteld het verzoek schriftelijk of mondeling toe te lichten. Aan de hand van de over de gedetineerde beschikbare informatie (zoals informatie afkomstig van de inrichting waar de betrokken gedetineerde verblijft en informatie van het GRIP en het Openbaar Ministerie) en de mate waarin de door de gedetineerde aan zijn verzoek ten grondslag gelegde informatie controleerbaar is, zal op het verzoek worden besloten. Alleen in situaties waarbij er sprake is van aanstaand overlijden (pre-terminale/terminale fase) kan door de inrichting een beroep worden gedaan op het Bureau Individuele Medische Advisering (BIMA) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), zodat omtrent die situatie ook een onafhankelijk advies van een medisch adviseur beschikbaar is. Dat advies wordt gezonden aan de Minister, zodat dit bij de beslissing op het verzoek kan worden betrokken. Dit draagt bij aan de voorkoming van het door een gedetineerde uitoefenen van druk of dwang op een arts ter verkrijging van een bepaalde medische verklaring.

Omdat het bij dergelijke verzoeken gaat om dringende uitzonderlijke omstandigheden zal de Minister zo spoedig mogelijk beslissen op het verzoek, maar in ieder geval binnen zes weken. Tegen een afwijzende beslissing van de Minister staat rechtstreeks beroep open bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).

Advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming

Algemeen

Een concept van de wijziging van onderhavige regeling is voor advies aan de RSJ voorgelegd. Bij brief van 3 april 2025 heeft de RSJ zijn advies aan mij toegezonden. Het advies van de RSJ is op de website van de RSJ te raadplegen. Dit advies heeft mij aanleiding gegeven de regeling en de toelichting daarop op onderdelen te wijzigen.

Voordat de RSJ op de onderhavige regeling ingaat, spreekt de RSJ in het advies zijn bredere zorgen uit over de aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie. Hoewel de RSJ de noodzaak onderkent om aan bepaalde gedetineerden tijdelijk extra en ingrijpende maatregelen te kunnen opleggen, is de RSJ kritisch over het generieke karakter daarvan en de mate waarin maatwerk kan worden toegepast. Ook heeft de RSJ zorgen over het toepassingsbereik van deze maatregelen, de onderbouwing daarvan, het tempo waarop de maatregelen elkaar opvolgen, het onderscheid tussen het EBI- en AIT-regime, de relationele veiligheid ten aanzien van het contact tussen het inrichtingspersoneel en EBI- en AIT-gedetineerden en het effect van deze maatregelen op de lange termijn. Verder vraagt de RSJ specifiek voor de maatregel van het locatie-gebonden bellen aandacht voor de positie en de belangen van het kind c.q. kinderen van EBI- en AIT-gedetineerden.

Voor de voorgestelde mogelijkheid tot tijdelijke verruiming van contact heeft de RSJ in zijn advies aandacht gevraagd voor het feit dat de mogelijkheden om tot een verruiming te komen te bureaucratisch en te beperkt zijn en dat het in de praktijk lastig zal zijn op korte termijn formele bevestiging te krijgen van een bijzondere toestand of gebeurtenis. Bovendien vindt de RSJ het aantal vormen van verruiming die kunnen worden toegestaan te beperkt en zou de beslistermijn moeten worden aangepast, gelet op het feit dat een bijzondere toestand of gebeurtenis een beslissing binnen enkele dagen vergt. Ook zou volgens de RSJ verruiming van contacten mogelijk moeten zijn als het risico dat van een gedetineerde uitgaat is afgenomen zodat dit bijdraagt aan een exit-strategie.

Naar aanleiding van deze zorgen merk ik op dat dit onderdeel van het advies – zoals de RSJ zelf ook al in zijn advies vermeldt – betrekking heeft op de wetswijziging, die reeds door de Tweede Kamer op 4 februari 2025 is aangenomen. De onderhavige wijziging van de regeling is daar slechts een uitvloeisel van. Over de wijziging van de wet heeft de RSJ reeds geadviseerd. Ik verwijs daarom naar de memorie van toelichting bij de wet2 en mijn reactie in de nota naar aanleiding van het verslag van 3 oktober 20243.

Locatie-gebonden bellen

Ten aanzien van de voorliggende wijziging van de regeling beveelt de RSJ aan om het aantal locaties binnen Nederland van waaruit een contactpersoon een telefoongesprek met een gedetineerde in een EBI en AIT kan voeren, uit te breiden. In dat verband adviseert de RSJ om de politiebureaus in Nederland als bellocatie in de onderhavige regeling op te nemen. Volgens de RSJ wordt hiermee een goede regionale spreiding bevorderd en de reisafstand voor contactpersonen van EBI- en AIT-gedetineerden verkleind.

In reactie op deze aanbeveling kan ik melden dat ik het belang van een goede regionale spreiding van de bellocaties in Nederland onderken. In de onderhavige regeling zijn daartoe in totaal veertien penitentiaire inrichtingen aangewezen. Zoals in de toelichting bij de onderhavige wijziging van de Regeling reeds is vermeld, is bij het aanwijzen van de bellocaties rekening gehouden met een gelijkmatige verdeling daarvan over het land ten behoeve van de bereikbaarheid. Ook kan in noodgevallen naar een andere locatie, die niet in de bijlage bij deze Regeling is opgenomen, worden uitgeweken om schrijnende situaties te voorkomen. Daarnaast is voor de uitvoering van deze maatregel onderzocht of dergelijke telefoongesprekken ook op een veilige en verantwoorde wijze vanuit politiebureaus tot stand kunnen worden gebracht. Dat is niet het geval. Politiebureaus zijn niet zo ingericht dat een spreekkamer zich na een toegangscontrole bevindt, zoals bij een penitentiaire inrichting het geval is. Daarnaast is het personeel op een politiebureau niet opgeleid als het personeel van een penitentiaire inrichting. Zij gaan ook niet dagelijks om met (familie van) EBI- en AIT-gedetineerden. Het aanwijzen van politiebureaus is dan ook geen reële optie gebleken. Aan deze aanbeveling kan daarom geen opvolging worden gegeven.

Ook beveelt de RSJ aan om de regels voor het voeren van telefoongesprekken met contactpersonen in het buitenland te versoepelen. Er zullen landen zijn van waaruit het niet mogelijk is om aan de gestelde voorwaarden te voldoen, aldus de RSJ. Bovendien is het volgens de RSJ omslachtig en bureaucratisch om een aanvraag voor het voeren van telefoongesprekken buiten Nederland aan de Minister te richten in plaats van aan de directeur van de penitentiaire inrichting.

Deze aanbeveling van de RSJ neem ik gedeeltelijk over. Om te beginnen zijn de regels voor het voeren van telefoongesprekken met contactpersonen buiten Nederland strikt. Dat is vanwege veilgheidsredenen. Als een EBI- of AIT-gedetineerde een telefoongesprek wenst te voeren met een positief bevonden contactpersoon met een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, dan zal in dat land een locatie moeten worden gezocht waarvandaan op een veilige en verantwoorde wijze kan worden gebeld. Dat betekent dat er ook personen in het buitenland moeten worden geregeld die het benodigde toezicht kunnen uitoefenen. Daarmee is veel tijd en zijn hoge kosten gemoeid. Met de gestelde voorwaarden kan worden gecontroleerd of de betreffende contactpersoon van een EBI- of AIT-gedetineerde daadwerkelijk een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland heeft. Het doel hiervan is om onnodige inspanningen en kosten te voorkomen en zodoende bij te dragen aan een zorgvuldige en doelmatige besteding van de publieke middelen. Als blijkt dat niet of niet volledig aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan, dan zal per geval worden beoordeeld of het telefonisch contact wordt toegestaan. Dat vergt een individuele afweging tussen enerzijds het belang van de gedetineerde om met de betreffende persoon telefonisch contact te onderhouden en anderzijds het belang van handhaving van de orde en de veiligheid binnen en buiten de inrichting. Uitkomst van deze belangenafweging kan zijn dat het telefonisch contact onder voorwaarden wordt toegestaan. Voorbeelden van dergelijke voorwaarden zijn controle van het identiteitsbewijs van de contactpersoon voorafgaand aan het telefoongesprek, de aanwezigheid van fysiek toezicht tijdens het telefoongesprek, de aanwezigheid van een tolk en het stellen van eisen aan de belruimte en aan het geluid.

Op grond van artikel 39, vijfde lid, van de wet kunnen telefoongesprekken vanuit het buitenland enkel met mijn toestemming en onder door mij gestelde voorwaarden, waaronder de voertaal van het telefoongesprek, worden gevoerd. Gelet op het advies van de RSJ en met het oog op praktische en organisatorische redenen is het proces voor het voeren van telefoongesprekken met het buitenland heroverwogen. Dat heeft ertoe geleid dat dit proces anders wordt vormgegeven binnen het kader, zoals in artikel 39, vijfde lid, van de wet is gesteld. De gedetineerde dient de aanvraag met onderliggende stukken schriftelijk bij de directeur van de penitentiaire inrichting in. De directeur neemt de aanvraag in ontvangst en dient deze aanvraag vergezeld van de stukken vervolgens bij de Minister in. Op basis van deze aanvraag bepaalt de Minister of toestemming voor het voeren van dergelijke gesprekken aan de penitentiaire inrichting wordt verleend. Daarbij wordt bepaald voor welke periode toestemming voor het voeren van telefoongesprekken met het buitenland wordt verleend, in welke taal deze telefoongesprekken worden gevoerd, op welke locatie de betreffende contactpersoon zich moet melden of dat eventueel aanvullende voorwaarden aan de telefoongesprekken worden gesteld. Indien toestemming is verleend, is het vervolgens aan de penitentiaire inrichting om binnen het kader van de gegeven toestemming te bepalen op welke data en tijdstippen de gedetineerde met de contactpersoon in het buitenland kan telefoneren. Dit vergt immers de nodige operationele afstemming en dat is bij uitstek een taak van de penitentiaire inrichting.

In de periode waarvoor de toestemming is verleend, kunnen zich omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen zijn om de toestemming in te trekken, naar een andere locatie verplaatsen en daar nadere voorwaarden aan te verbinden. Te denken valt aan de verhuizing van de contactpersoon, als in de tussentijd bezwaar tegen de contactpersoon is gerezen of als sprake is van (een vermoeden van) misbruik van het telefonisch contact. De directeur informeert de Minister onverwijld over dergelijke omstandigheden. Daarnaast is in de regeling opgenomen in welke gevallen de toestemming komt te vervallen.

Verder adviseert de RSJ om in de onderhavige regeling op te nemen en toe te lichten in welke gevallen naar een andere locatie dan in de bijlage is opgenomen, kan worden uitgeweken en om welke locatie(s) het kan gaan.

In reactie op deze aanbeveling wijs ik erop dat in de toelichting reeds het voorbeeld van het overlijden van een familielid van een gedetineerde is genoemd. Andere voorbeelden zijn een familielid van een gedetineerde die in de (pre-)terminale fase verkeerd, de geboorte van een kind van een gedetineerde of een andere onvoorziene klemmende reden gelegen in de persoonlijke sfeer. Bij een alternatieve locatie kan worden gedacht aan een kamer in het ziekenhuis of in een hospice onder toezicht van personeel. Ik benadruk dat het hier om voorbeelden gaat. Een limitatieve opsomming van gevallen en locaties kan niet worden gegeven. Het uitwijken naar een andere locatie voor het voeren van telefoongesprek vergt immers maatwerk. Of het uitwijken naar een andere locatie in een concrete situatie noodzakelijk is en welke locatie daarvoor geschikt is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Per geval dient een zorgvuldige afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van een humane tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en anderzijds het belang van handhaving van de orde en de veiligheid binnen en buiten de inrichting. Factoren die in ieder geval relevant zijn is de aard en ernst van de situatie, het belang van de gedetineerde om met de betreffende contactpersoon te telefoneren, de beschikbaarheid van een alternatieve locatie en de veiligheidsrisico’s die daaraan verbonden zijn. Om zoveel mogelijk ruimte voor maatwerk in de praktijk te behouden, heb ik ervoor gekozen om deze aanbeveling van de RSJ verder niet over te nemen.

Tot slot vraagt de RSJ aandacht voor de vormgeving van de rechtsbescherming tegen de beslissing van de Minister op een aanvraag voor het bellen naar een contactpersoon in het buitenland. Naar aanleiding van dit aandachtspunt wijs ik erop dat tegen deze beslissing geen bezwaar en beroep openstaat conform de artikelen 17 en 73 van de wet. Hiervoor kan een gedetineerde zich tot de burgerlijke rechter, meer specifiek de voorzieningenrechter in kort geding, wenden. Via deze route kan de gedetineerde tegen een dergelijke beslissing op adequate wijze in rechte opkomen.

Tijdelijke verruiming contact met de buitenwereld

Met betrekking tot de voorliggende wijziging van de regeling beveelt de RSJ aan om de mogelijkheden van tijdelijke verruiming in artikel 6c, tweede lid, alsmede het aantal vormen van verruiming dat is toegestaan te versoepelen.

In reactie op deze aanbeveling kan ik meedelen dat op grond van de wet tijdelijke verruiming kan worden toegestaan van het aantal bezoekmomenten, van het aantal telefoongesprekken en van het aantal bezoekers. Daarmee zijn de openstaande mogelijkheden een gegeven. Daar komt bij dat voor AIT- en EBI-gedetineerden, gelet op het hiervoor in de toelichting beschreven bijzondere risico voor de samenleving dat van hen uitgaat wat maximaal toezicht noodzakelijk maakt, geen andere contactmogelijkheden waarbij in voldoende mate toezicht kan worden gehouden mogelijk zijn (zoals beeldbellen of bezoek zonder toezicht). Gelet hierop volg ik de RSJ niet in de aanbeveling om de mogelijkheden van tijdelijke verruiming te versoepelen. Wel neem ik het advies van de RSJ ter harte om niet langer als uitgangspunt te nemen dat in verband met één bijzondere toestand of gebeurtenis in beginsel slechts één van de daar genoemde vormen van tijdelijke verruiming kan worden toegestaan. Dat leidt ertoe dat meer maatwerk mogelijk is. Zodoende zal steeds per geval op basis van een risico-afweging worden beoordeeld op welke wijze aan de tijdelijke verruiming invulling wordt gegeven, waarbij ook een combinatie van de vormen van verruiming zoals genoemd in artikel 6c, tweede lid, tot de mogelijkheden behoort. In de beoordeling van het verzoek zal echter wel nog steeds voorop staan dat tijdelijke verruiming alleen mogelijk is, mits de veiligheid dit toestaat. Dat kan er dus toe leiden dat toch wordt gekozen voor één van de vormen van verruiming.

Verder beveelt de RSJ aan om de eisen die worden gesteld aan de tijdelijke verruiming te versoepelen en open te laten in welke situaties er sprake is van een bijzondere toestand. Bovendien zouden ook de eisen om die bijzondere toestand aan te tonen moeten worden versoepeld.

In reactie op deze aanbeveling kan ik meedelen dat de regels voor het toestaan van een tijdelijke verruiming, gelet op het bijzondere risico dat uitgaat van AIT- en EBI-gedetineerden en omdat ongeoorloofde contacten met de buitenwereld moeten worden voorkomen, strikt zijn. Slechts in geval van een bijzondere omstandigheid in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde kan tot een tijdelijke verruiming kan worden besloten, mits wordt voldaan aan de in artikel 6c, eerste en derde lid gestelde eisen. Bij een dergelijke bijzondere omstandigheid is met name gedacht aan de geboorte van een kind van de gedetineerde en een (aanstaand) overlijden van een naaste, maar uiteraard kunnen er ook andere dringende omstandigheden zijn die een tijdelijke verruiming zouden kunnen rechtvaardigen. Om maatwerk te kunnen toepassen is daarom in het eerste lid van artikel 6c niet gekozen voor een limitatieve opsomming, maar is daarin ook categorie c (een andere onvoorziene klemmende reden gelegen in de persoonlijke sfeer) opgenomen waarin is opengelaten om wat voor klemmende reden het kan gaan. Zoals reeds in de toelichting is vermeld, kan het daarbij niet gaan om (voorspelbare) omstandigheden zoals verjaardagen, bruiloften, (religieuze) feestdagen of diploma uitreikingen. In de praktijk zal moeten worden bezien aan welke andere bijzondere situaties kan worden gedacht. De eisen om een bijzondere omstandigheid aan te tonen, zoals genoemd in artikel 6c, derde lid, zijn vergelijkbaar met de eisen voor het verlenen van incidenteel verlof of strafonderbreking om humanitaire redenen op grond van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, waarmee ruime ervaring is opgedaan. Op basis van die ervaring kan worden gezegd dat het in de praktijk wel degelijk mogelijk is om op korte termijn aan die eisen te kunnen voldoen.

Eveneens beveelt de RSJ aan om de mogelijkheid van tijdelijke verruiming ook toe te passen als het risico dat van een gedetineerde uitgaat is afgenomen, zodat dit leidt tot de afbouw van toezichtmaatregelen en zo bijdraagt aan een exit-strategie.

In reactie op deze aanbeveling kan ik meedelen dat plaatsing in een AIT of EBI maatwerk is, waarbij op basis van het (risico)profiel van de gedetineerde de afweging wordt gemaakt welk regime, met de daarbij passende toegestane contactmomenten met de buitenwereld waarop live toezicht wordt gehouden, noodzakelijk is. Slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheid in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde kan daarvan worden afgeweken in de vorm van een tijdelijke verruiming. De exit-strategie wordt gevormd door de mogelijkheid van afschaling van het EBI-regime naar (indien wordt voldaan aan (één van) de plaatsingscriteria) een AIT-regime en als laatste naar een normaal beveiligd regime. Telkens wordt na een periode van twaalf maanden na plaatsing of verlenging van het verblijf in een AIT of EBI beoordeeld of de gedetineerde nog steeds aan (één van) de plaatsingscriteria voldoet. Zo niet, dan vindt afschaling plaats. In dat proces van afschaling, waarin wordt aangenomen dat van de gedetineerde een lager risico uitgaat, is ruimte voor meer contact met de buitenwereld. Hoe verder een gedetineerde wordt afgeschaald, hoe meer contactmogelijkheden er op basis van dat regime zijn. Verder is het zo dat de directeur op grond van artikel 26, zevende lid van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog) in verband met nieuwe feiten, bijvoorbeeld afname van risico, de selectiefunctionaris tussentijds kan voorstellen om de gedetineerde over te plaatsen naar een lichter regime. Ik volg de RSJ dus niet direct in de aanbeveling, maar uit het voorgaande blijkt dat de Rspog tegemoet komt aan de door de RSJ geuite zorgen. Bij afname van het risico dat van de gedetineerde uitgaat ligt het meer voor de hand om af te schalen naar een lichter regime.

Als laatste beveelt de RSJ aan om de termijn waarbinnen de Minister beslist op een verzoek tot tijdelijke verruiming aan te passen van zes weken naar maximaal enkele dagen. De voorgestelde termijn past volgens de RSJ niet bij een bijzondere toestand of gebeurtenis.

In reactie op deze aanbeveling stel ik voorop dat in de toelichting bij de voorgestelde regeling is opgenomen dat zo spoedig mogelijk op een verzoek wordt beslist, maar in ieder geval binnen zes weken. Ik ben het met de RSJ eens dat met betrekking tot een verzoek tot tijdelijke verruiming in verband met een bijzondere omstandigheid in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde niet steeds de ruimte is om enige tijd te nemen voor een beslissing. In zeer urgente situaties zal daar ook naar worden gehandeld en zal binnen enkele dagen een beslissing volgen. Dat gebeurt nu ook bij beslissingen op verzoeken om incidenteel verlof of strafonderbreking om humanitaire redenen op grond van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, waarin is voorzien in het nemen van een beslissing op zeer korte termijn. Er kan echter ook sprake zijn van een meer voorzienbare bijzondere toestand of gebeurtenis in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde, die pas op een later moment urgent wordt maar waarvoor alvast een verzoek wordt gedaan. In een dergelijk geval kan wel enige tijd worden genomen.

Artikelsgewijze toelichting

Onderdeel A

Aan artikel 1 van de regeling worden twee definities toegevoegd. Deze definities spreken voor zich en behoeven geen nadere toelichting.

Onderdeel B

Met artikel 3, tweede lid, van de regeling wordt de leeftijdsgrens voor het bezoeken van een gedetineerde in een AIT door een minderjarige onder begeleiding van een meerderjarige vastgesteld. Daarnaast wordt de leeftijdsgrens voor het bezoeken van een gedetineerde in een EBI gewijzigd en met een AIT gelijkgetrokken. Dat houdt in dat het een minderjarige tot veertien jaar niet is toegestaan een gedetineerde die is geplaatst in een AIT of een EBI zonder meerderjarige begeleider te bezoeken. Deze leeftijdsgrens sluit aan op de Wet op de identificatieplicht.

Onderdeel C

In artikel 5a, derde lid, van de regeling is reeds opgenomen dat in de huisregels van een extra beveiligde inrichting en in de huisregels van de terroristenafdeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld voor bezoek met de beroepspas. Onder dit bezoek vallen medewerkers of vrijwilligers van niet-justitiegebonden organisaties. Aan deze bepaling wordt toegevoegd dat dergelijke voorwaarden ook in de huisregels van een AIT kunnen worden opgenomen. Gelet op de doelgroep die in een AIT verblijft in combinatie met de orde en de veiligheid op deze afdeling kan het immers noodzakelijk zijn om eveneens specifieke toelatingscriteria te stellen voor bezoek met de beroepspas aan deze afdeling.

Onderdeel D

Artikel 6 van de regeling bevat drie gronden voor weigering van bezoek en een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken voor de maximumduur van twaalf maanden. Met deze wijziging worden daar twee gronden aan toegevoegd. Deze twee gronden hebben betrekking op gedetineerden die op grond van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden in een AIT of een EBI zijn geplaatst. Aan een dergelijke gedetineerde kan de Minister een bevel opleggen, inhoudende een beperking of uitsluiting van het ontvangen van bezoek of een beperking of uitsluiting van telefoonverkeer. De grondslag hiervoor vormt artikel 40d, derde lid, onderdelen d en e, van de wet.

Onderdeel E

In artikel 6a van de regeling zijn de voorwaarden voor het voeren van telefoongesprekken met contactpersonen binnen Nederland opgenomen. Die voorwaarden zijn dat tegen het contact met de betreffende persoon geen bezwaar mag bestaan en dat het telefoongesprek in bepaalde gevallen wordt beëindigd.

In artikel 6b van de regeling wordt naar de bijlage bij deze regeling verwezen. In die bijlage zijn de bellocaties in Nederland opgenomen. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan de Minister naar een andere locatie uitwijken. Daarnaast zijn in aanvulling op artikel 6a, eerste en tweede lid, van de regeling, in dit artikel de voorwaarden voor het voeren van telefoongesprekken met contactpersonen buiten Nederland uitgewerkt.

Artikel 6c van de regeling bevat de bijzondere omstandigheden die de Minister, op verzoek van de gedetineerde, aanleiding kunnen geven om tijdelijke verruiming van contact met de buitenwereld toe te staan. Verder is daarin opgenomen onder welke voorwaarden dat contact kan worden toegestaan.

Artikel 6d van de regeling gaat in op de vereiste inhoud van het verzoek van de gedetineerde, die de bijzondere toestand of gebeurtenis waarvoor om tijdelijke verruiming wordt verzocht, de concrete noodzaak voor die tijdelijke verruiming alsmede de wens op welke wijze door de Minister invulling aan die tijdelijke verruiming zou moeten worden gegeven moet bevatten. De Minister beslist uiteindelijk over de invulling van de duur van de tijdelijke verruiming. De Minister trekt een reeds toegestaan contact of het daarvan nog resterende gedeelte in, verplaatst het naar een ander tijdstip of verbindt daar nadere voorwaarden aan indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte

BIJLAGE. BELLOCATIES IN NEDERLAND

  • 1. Penitentiaire inrichting Leeuwarden

  • 2. Penitentiaire inrichting Lelystad

  • 3. Penitentiaire inrichting Achterhoek

  • 4. Penitentiaire inrichting Arnhem

  • 5. Penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Eikenlaan

  • 6. Penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie

  • 7. Penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel

  • 8. Penitentiaire inrichting Vught

  • 9. Penitentiaire inrichting Zuid-Oost, locatie Roermond

  • 10. Penitentiaire inrichting Sittard

  • 11. Penitentiaire Inrichting Ter Apel

  • 12. Penitentiaire Inrichting Zwolle

  • 13. Penitentiaire Inrichting Heerhugowaard

  • 14. Penitentiaire Inrichting Middelburg


X Noot
1

Zie artikel 40b respectievelijk artikel 40c van de wet.

X Noot
2

Kamerstukken II 2022/23, 36 372, nr. 3.

X Noot
3

Kamerstukken II 2024/25, 36 583, nr. 6.

Naar boven