Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 7 oktober 2025, nr. IENW/BSK-2025/238367, houdende vaststelling van tijdelijke regels ter stimulering van de opschaling van watertechnologische innovaties voor testen in een pilotomgeving (Tijdelijke Subsidieregeling stimulering opschaling watertechnologische innovaties voor testen in een pilotomgeving)

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, eerste lid, onderdeel d, 6, 7, 8, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, 9, 10, tweede lid, 13, 22, tweede lid, 23, vijfde lid en 26, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanvrager:

consortium dat een aanvraag doet op grond van deze regeling;

adviescommissie:

onafhankelijke adviescommissie die zorgdraagt voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvragen;

AGVV:

Algemene Groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in artikel 1 van het Kaderbesluit subsidies I en M;

consortium:

consortium als bedoeld in artikel 12, tweede lid;

experimentele ontwikkeling:

ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de AGVV;

focusgebieden:

de vijf focusgebieden van UPPWATER, te weten Waterbehandeling 4.0, Alternatieve bronnen, Circulariteit, Digitalisering en Decentraal;

KWR:

KWR Watercycle Research Institute;

minister:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

onderzoeksorganisatie:

organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader;

O&O&I-steunkader:

Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414);

opschaling:

proces waarbij een innovatie die in een laboratorium succesvol is gebleken naar een realistischere schaal wordt overgezet en wordt toegepast in een pilotomgeving;

pilotomgeving:

gecontroleerde of gesimuleerde omgeving die representatief is voor het functioneren onder reële omstandigheden, waarin de innovatie getest kan worden;

Programma 2:

programma ‘Pilots en Testen’ van UPPWATER dat wordt gecoördineerd door KWR en STOWA;

Programma 4:

programma ‘Naar de markt’ van UPPWATER dat wordt gecoördineerd door Water Alliance;

programmaconsortium:

consortium van UPPWATER;

project:

individueel project dat past binnen de focusgebieden van UPPWATER, bestaande uit experimentele ontwikkeling waarbij een prototype wordt getest in een pilotomgeving, dat wordt geleid door een consortium dat een aanvraag doet op grond van deze regeling;

prototype:

vroeg proefontwerp van een watertechnologische innovatie waarmee de werking van de innovatie wordt getest;

STOWA:

Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer;

subsidieontvangers:

individuele partijen uit het consortium;

substantiële vestiging:

vestiging in Nederland van waaruit duurzaam kan worden deelgenomen aan het economische leven in Nederland;

testen:

verzameling activiteiten die uitgevoerd wordt om een of meer kenmerken van de watertechnologische innovatie vast te stellen volgens een gespecificeerde procedure;

uitvoerperiode:

periode waarin het project wordt uitgevoerd;

vaste inrichting:

inrichting die structureel beschikt over personeel en technische middelen die noodzakelijk zijn voor het verrichten van bepaalde diensten;

watertechnologische innovaties:

innovatie die gericht is op het verbeteren van de waterkwaliteit of de waterbeschikbaarheid;

Werkpakket Versnellen en Maximaliseren:

werkpakket 2 van UPPWATER dat wordt gecoördineerd door TKI Watertechnologie.

Artikel 2 Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel om de opschaling van watertechnologische innovaties die passen binnen de focusgebieden te stimuleren.

Artikel 3 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

Voor subsidie komen in aanmerking de loonkosten, investeringskosten, materiaalkosten en advieskosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de AGVV, die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van een of meer van de volgende activiteiten:

  • a. het testen en valideren van een prototype van de innovatieve watertechnologie in een laboratorium;

  • b. het doorontwikkelen van een prototype van de innovatieve watertechnologie;

  • c. het bouwen van een prototype van de innovatieve watertechnologie in een pilotomgeving;

  • d. het testen en demonstreren van een prototype van de innovatieve watertechnologie in een pilotomgeving; en

  • e. het monitoren en valideren van een prototype van de innovatieve watertechnologie in een pilotomgeving.

Artikel 4 Kosten die niet voor subsidie in aanmerking komen

Tot de kosten, bedoeld in artikel 3, behoren in ieder geval niet:

  • a. reiskosten;

  • b. winstopslagen binnen het consortium;

  • c. kosten en vergoedingen voor representatie;

  • d. kosten van personeelsactiviteiten;

  • e. kosten van overboekingen en annuleringen;

  • f. gratificaties en bonussen.

Artikel 5 Subsidieplafond en verdeling

  • 1. Het subsidieplafond voor deze regeling bedraagt € 18,4 miljoen en bestaat uit

    • a. een bedrag van € 10 miljoen voor de eerste uitvoerperiode, bedoeld in artikel 6, tweede lid; en

    • b. een bedrag van € 8,4 miljoen voor de tweede uitvoerperiode, bedoeld in artikel 6, derde lid.

  • 2. Indien na afloop van de eerste uitvoerperiode de daarvoor beschikbare middelen niet zijn uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor de tweede uitvoerperiode.

  • 3. De subsidie voor experimentele ontwikkeling door een onderneming bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten en kan worden opgehoogd naar 30% tot een maximum van € 1,5 miljoen per project:

    • a. in het geval één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b van de AGVV is vervuld;

    • b. voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV; of

    • c. voor middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV.

  • 4. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.

  • 5. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een publieke of semi-publieke partij.

  • 6. Indien voor de berekening van de subsidiabele kosten uurtarieven worden gehanteerd, wordt gebruik gemaakt van:

    • a. een berekening op basis van de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

    • b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitaire opslag van 50% voor indirecte kosten, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit subsidies I en M; of

    • c. een berekening op basis van een forfaitair uurtarief van € 60,–.

  • 7. De aanvragen worden ter beoordeling voorgelegd aan de adviescommissie.

  • 8. De subsidie wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen, waarbij de tijdig en volledig ingediende subsidieaanvragen worden gerangschikt naar geschiktheid op grond van de volgende criteria:

    • a. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van Programma 2 en UPPWATER als geheel en aan de focusgebieden in het bijzonder;

    • b. de mate waarin het project innovatief is;

    • c. de mate waarin, middels het exploitatieplan, het project financieel en economisch toekomstperspectief heeft; en

    • d. de mate van uitvoerbaarheid van het project.

  • 9. Voor de rangschikking scoort het project ten minste 50 van de maximaal 100 toe te kennen punten, waarbij per criterium als bedoeld in het vijfde lid een maximum van 25 punten wordt toegekend en de aanvraag met de meeste punten het hoogst wordt gerangschikt.

  • 10. Indien aan twee of meer projecten een gelijk aantal punten is toegekend worden de aanvragen daarvoor gerangschikt naar focusgebied, waarbij de aanvraag voor het project dat bijdraagt aan een focusgebied waarvoor de minste aanvragen zijn ingediend het hoogst wordt gerangschikt.

Artikel 6 Adviescommissie

  • 1. Er is een adviescommissie die belast is met adviseren van de minister over de aanvragen door middel van beoordeling en rangschikking, conform artikel 5.

  • 2. De adviescommissie bestaat uit zeven leden, waarvan één de voorzitter is, met:

    • a. drie leden uit de kenniswereld;

    • b. twee leden uit de waterschappen;

    • c. een lid uit de drinkwaterbedrijven;

    • d. een lid uit de industrie.

  • 3. De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister benoemd voor periode tot uiterlijk zes maanden na sluiting van de laatste uitvoerperiode.

Artikel 7 Aanvraag

  • 1. De minister kan op aanvraag van een consortium subsidie verlenen.

  • 2. Subsidie kan worden aangevraagd vanaf 23 oktober 2025 tot en met 23 januari 2026 voor de uitvoerperiode vanaf 23 januari 2026 tot en met 23 januari 2030.

  • 3. Vanaf 1 september 2029 tot en met 1 december 2029 kan subsidie worden aangevraagd voor de uitvoerperiode vanaf 1 december 2029 tot en met 1 december 2033.

  • 4. Een aanvraag wordt ingediend bij de minister. Voor het indienen van de aanvraag kan gebruik worden gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier.

  • 5. Onverminderd de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 10 van het Kaderbesluit Subsidies I en M, gaat de aanvraag vergezeld van in ieder geval:

    • a. de contactgegevens van het consortium en de partijen die daar onderdeel van zijn;

    • b. een beschrijving van het consortium en de rol van alle partijen in het consortium;

    • c. een getekende samenwerkingsovereenkomst of indien dat nog niet voorhanden is, een concept samenwerkingsovereenkomst of intentieverklaring waarna binnen zes maanden na indiening van de aanvraag de getekende samenwerkingsovereenkomst alsnog wordt verstrekt, waarin in ieder geval staat wat de voorwaarden zijn van het samenwerkingsproject waaronder de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de uitkomsten en de toegang tot en de regels voor toewijzing van intellectuele eigendomsrechten;

    • d. een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd met een specificatie van de activiteiten per partij in het consortium, de daaraan verbonden kosten en de gevraagde subsidie voor het totaal en per deelnemende partij;

    • e. een toelichting op de wijze waarop en de mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, passen binnen een of meerdere focusgebieden van UPPWATER waarbij, als een buitenlandse partij onderdeel is van het consortium, ook wordt onderbouwd dat de inbreng van die partij bijdraagt aan een toename van het Nederlandse verdienvermogen;

    • f. een beschrijving van de watertechnologische innovatie die wordt getest, met daarbij een toelichting voor welk probleem dit een oplossing vormt, een beschrijving van het vernieuwende karakter ervan en het belang van de innovatie voor de opschaalbaarheid naar andere sectoren;

    • h. een exploitatieplan; en

    • i. als een mkb-onderneming aan het consortium deelneemt, een mkb- verklaring van die onderneming.

  • 6. Het exploitatieplan bevat de volgende gegevens en bescheiden:

    • a. een beschrijving van hoe het consortium zich onderscheidt van potentiële concurrenten op deze technologie;

    • b. een inschatting van de potentie van een marktdoorbraak in termen van omzetgroei en productiviteitsgroei en een beschrijving van de maatregelen om dit te realiseren;

    • c. een onderbouwde inschatting van de resultaten die worden verwacht direct na afloop van het project en vijf jaar na afloop van het project, aan de hand van de in bijlage I bij deze regeling opgenomen kentallen.

Artikel 8 Afwijzingsgronden

Onverminderd de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit subsidies I en M, beslist de minister afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. de te verlenen subsidie minder bedraagt dan € 330.000,–;

  • b. de financiering van het project niet aantoonbaar sluitend is;

  • c. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de AGVV;

  • d. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de AGVV;

  • e. de werkzaamheden in het kader van de maatregelen reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor het project is ingediend en het stimulerend effect bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de AGVV, daardoor ontbreekt;

  • f. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de AGVV;

  • g. ten aanzien van de aanvrager reeds een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

Artikel 9 Verlening

  • 1. Een besluit tot verlening van de subsidie vermeldt in ieder geval:

    • a. de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend en hoe deze bijdragen aan de doelstellingen en focusgebieden van UPPWATER;

    • b. het totale bedrag van de subsidie en het bedrag gespecificeerd per partij in het consortium;

    • c. de wijze waarop het bedrag van de subsidie is bepaald; en

    • d. de periode waarvoor de subsidie wordt verleend.

  • 2. Met het besluit tot verlening van de subsidie wordt het format van de voortgangsrapportage meegezonden.

Artikel 10 Voorschot

Gedurende de looptijd van het project wordt per kalenderjaar aan de hand van de projectbegroting maximaal 80% van de te verstrekken subsidie die de subsidieontvangers dat jaar aan de activiteiten zullen besteden, bevoorschot.

Artikel 11 Voorwaarden

  • 1. De subsidie wordt uitsluitend besteed aan activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2. De aanvrager voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 12, eerste tot en met het vijfde lid.

  • 3. Het project is onderdeel van Programma 2.

Artikel 12 Verplichtingen met betrekking tot het project

  • 1. Het consortium realiseert ten minste 30% van het projectbudget uit private middelen.

  • 2. Een consortium bestaat uit ten minste:

    • a. één Nederlandse technologieontwikkelaar;

    • b. één Nederlandse partij die de technologie naar de markt wenst te brengen, die dezelfde partij kan zijn als de technologieontwikkelaar;

    • c. één Nederlandse onderzoeksorganisatie met minimaal een uitvoerende rol in de opschaling van de innovatie naar een pilotomgeving;

    • d. één eindgebruiker.

  • 3. Alle deelnemende partijen in het consortium hebben een substantiële vestiging die in stand blijft tot in ieder geval de datum waarop de beschikking tot vaststelling van de subsidie onherroepelijk is geworden.

  • 4. Een buitenlandse partij die onderdeel uitmaakt van een consortium kan subsidie ontvangen, mits de inbreng van deze partij in het project bijdraagt aan een toename van het Nederlandse verdienvermogen.

  • 5. De deelnemende ondernemingen in het consortium zijn ten opzichte van elkaar in ieder geval aan te merken als zelfstandige ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van Bijlage 1 van Verordening 651/2014.

  • 6. Het consortium verstrekt gedurende de looptijd van het project jaarlijks, uiterlijk op 1 februari, een voortgangsrapportage over het daaraan voorafgaande kalenderjaar aan de minister.

  • 7. De voortgangsrapportage wordt opgesteld met gebruikmaking van het format, bedoeld in artikel 9, tweede lid, en bevat in ieder geval:

    • a. inzicht in de kwantitatieve en kwalitatieve voortgang van het project;

    • b. een beschrijving van de gerealiseerde activiteiten;

    • c. een overzicht en onderbouwing van de gemaakte kosten voor de gerealiseerde activiteiten.

  • 8. De uitvoering van het project waarvoor subsidie is verleend, start binnen drie maanden na de dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 9.

  • 9. Het project waarvoor subsidie is verleend, is binnen 48 maanden na dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 9, voltooid.

  • 10. De termijnen, bedoeld in het achtste en negende lid, kunnen op onderbouwd verzoek van de aanvrager eenmalig worden verlengd met 21 weken.

Artikel 13 Verplichtingen in het kader van UPPWATER

  • 1. Het project is onderdeel van UPPWATER en voldoet aan de in dit artikel opgenomen verplichtingen.

  • 2. De deelnemende partijen in het consortium nemen deel aan activiteiten binnen Programma 4 en het Werkpakket Versnellen en Maximaliseren.

  • 3. De voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 12, zesde lid, wordt door de deelnemende partijen in het consortium tevens verstrekt aan het programmaconsortium.

  • 4. Indien het programmaconsortium ten behoeve van rapportage aan de beheerders van het Nationaal Groeifonds, bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke wet Nationaal Groeifonds, projectinformatie opvraagt bij de deelnemende partijen, leveren de deelnemende partijen de gevraagde informatie tot en met vijf jaar na afronding van het project.

  • 5. De deelnemende partijen in het consortium leveren een actieve bijdrage aan de ketenbrede samenwerking en de kennisdeling die het project overstijgt.

  • 6. Alle presentaties, publicaties en andere communicatie-uitingen over het project worden voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd in het kader van UPPWATER, met subsidie van het Nationaal Groeifonds.

Artikel 14 Verplichtingen voor onderzoeksorganisaties

  • 1. Indien in het project niet-economische experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie wordt verricht:

    • a. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie:

      • 1°. uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking, als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van het O&O&I-steunkader, met ondernemingen; en

      • 2°. in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en

    • b. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat:

      • 1°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend;

      • 2°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of

      • 3°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.

  • 2. Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3°, in mindering worden gebracht.

  • 3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3°, stemt overeen met de marktprijs indien:

    • a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure; of

    • b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs; of

    • c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding om, rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of

    • d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, onderdeel c, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen.

  • 4. De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding.

Artikel 15 Vaststelling

  • 1. Een aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt ingediend bij de minister.

    Voor het indienen van de aanvraag kan gebruik worden gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier.

  • 2. Onverminderd artikel 24 van het Kaderbesluit subsidies I en M wordt bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in ieder geval toegelicht op welke wijze de projectresultaten bijdragen aan het doel, bedoeld in artikel 2.

  • 3. Wanneer het door technische omstandigheden of omstandigheden die buiten de invloedsfeer liggen van de aanvrager niet mogelijk is om te voldoen aan artikel 12, negende lid, toont de aanvrager aan dat hij zich maximaal heeft ingespannen om aan deze verplichting te voldoen waarbij hij in ieder geval inzicht geeft in de omstandigheden die hebben geleid tot het niet kunnen voltooien van het project.

Artikel 16 Evaluatie

  • 1. De minister publiceert uiterlijk op 1 november 2029 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de krachtens deze regeling verstrekte subsidie in de praktijk.

  • 2. UPPWATER wordt na afronding integraal geëvalueerd.

Artikel 17 Staatssteun

De subsidie voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 3, bestaande uit experimentele ontwikkeling door een onderneming, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de AGVV.

Artikel 18 Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 november 2034, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 19 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke Subsidieregeling stimulering opschaling watertechnologische innovaties voor testen in een pilotomgeving.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, R. Tieman

BIJLAGE I, BEDOELD IN ARTIKEL 7, ZESDE LID, ONDER C, VAN DEZE REGELING

Als onderdeel van het exploitatieplan wordt een onderbouwde inschatting opgenomen van de verwachte resultaten na de looptijd van het project en van de verwachte resultaten vijf jaren na afloop van het project. De resultaten worden ingeschat op basis van de volgende kentallen:

Voor de partij die de innovatie naar de markt wenst te brengen:

− Verwacht resultaat (kwalitatief): ...

− Verwachte omzetgroei in Nederland: ...

− Verwachte omzetgroei in buitenland: ...

− Verwachte groei werkgelegenheid: ...

− Verwachte vervolginvesteringen na afloop project: ...

Voor de betrokken eindgebruikers(s) bij succesvolle implementatie van de innovatie:

− Verwachte bedrijfseconomische resultaten: ...

− Verwachte maatschappelijke resultaten (kwalitatief): ...

− Verwachte indirecte economische resultaten: ... Denk hierbij aan het voorkomen van stagnatie in de economische groei van regio’s en/of bedrijven.

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Met het Nationaal Groeifonds (hierna: NGF) investeert het kabinet in projecten die zorgen voor het duurzame verdienvermogen van Nederland. Het gaat om gerichte investeringen op twee terreinen waar de meeste kansen aanwezig zijn voor structurele en duurzame economische groei, namelijk Kennisontwikkeling en Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie.

Nederland staat voor grote opgaven: de productie groeit minder snel dan voorheen, de bevolking vergrijst en verschillende transities zorgen voor grote uitdagingen, maar bieden ook talloze kansen. Er moet continu gewerkt worden aan versterking van de economie, zodat Nederland een aantrekkelijk land blijft om in te leven en te ondernemen. Het NGF investeert in projecten die een zo groot mogelijke bijdrage leveren aan het duurzame verdienvermogen van Nederland.

Een van de NGF-programma’s is UPPWATER. Met dit programma wordt een impuls gegeven aan de innovatiekracht, groei en exportvolume van de watertechnologiesector middels versterking van het gehele onderzoeks- en innovatiesysteem waarin onderzoek, ontwikkeling en demonstratie van nieuwe watertechnologische innovaties plaatsvinden, van onderzoek tot en met fullscale demonstratie en verdere marktontwikkeling. UPPWATER is ingericht met vier programma’s en twee werkpakketten. Het programmaconsortium bestaat uit zes partijen: Wetsus, KWR, STOWA, Waterschap Vechtstromen, Water Alliance en TKI Watertechnologie. TKI Watertechnologie is de penvoerder voor het programmaconsortium van UPPWATER. Het programmaconsortium is verantwoordelijk voor de uitvoering van UPPWATER, waarbij de afzonderlijke deelnemers in het programmaconsortium coördinator zijn van een afzonderlijk programma of werkpakket. Dat levert het volgende beeld op:

Programma/werkpakket

Naam

Coördinatie

Programma 1

Enabling Watertech

Wetsus

Programma 2

Pilots & Testen

KWR en STOWA

Programma 3

Fullscale Demonstratie

Waterschap Vechtstromen

Programma 4

Naar de Markt

Water Alliance

Werkpakket 1

Programmamanagement

TKI Watertechnologie

Werkpakket 2

Versnellen & Maximaliseren

TKI Watertechnologie

Figuur 1. Programma’s, Werkpakketten en coördinatie

Programma’s 1 tot en met 3 zijn gericht op de ontwikkeling van baanbrekende technologie, van onderzoek (P1) tot en met validering en opschaling (P2) tot de eerste demonstratieprojecten (P3). In Programma 4 (P4) ligt de focus op het omzetten van de sterke kennispositie van de Nederlandse watertechnologiesector in bedrijvigheid en groei van de export. Met P4 worden de deelnemende consortia ondersteund in de vervolgfase van het naar de markt brengen van innovaties. De vier programma’s worden ondersteund vanuit het Werkpakket 2. In figuur 2 is deze opzet visueel gemaakt:Figuur 2. Opzet ketenaanpak in UPPWATER.

Figuur 2. Opzet ketenaanpak in UPPWATER.

Deze regeling is gericht op Programma 2, Pilots en Testen. De projecten die onder deze subsidieregeling worden uitgevoerd zijn ook onderdeel van Programma 2 en daarmee van heel UPPWATER. In het programma Pilots en Testen worden watertechnologische innovaties opgeschaald naar een omvang waarin deze onder realistische omstandigheden in een praktijkomgeving getest kunnen worden. Dit programma wordt gecoördineerd door KWR en STOWA. De taken die KWR en STOWA uitvoeren ten behoeve van coördinatie van Programma 2 zijn 1) het bewaken van samenhang met UPPWATER, 2) inhoudelijke monitoring van de voortgang en output van Programma 2, zodat over heel programma 2 op inhoudelijke doelrealisatie en het behalen van programmadoelen gerapporteerd kan worden aan het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Nationaal Groeifonds en de Supervisory Board van UPPWATER, 3) ophalen waar belemmeringen voor innovatie zich voordoen en deze adresseren, en 4) communicatie van Programma 2 naar buiten toe.

2. Achtergrond

Door klimaatverandering gaan de waterkwaliteit en het watergebruik in Nederland steeds meer knellen. Nederland staat voor een grote waterbeschikbaarheidsopgave die leidt tot grote maatschappelijke uitdagingen en die vele economische sectoren raakt. We worden in toenemende mate geconfronteerd met te veel water, te weinig water en vervuild water. In de afgelopen vijf jaar was er vier jaar sprake van droogte, waarin de kwetsbaarheid van onze watervoorziening en de impact van droogte op de leefbaarheid en de economie duidelijk werd. Bovendien vergroot de stijging van de zeespiegel onder invloed van klimaatverandering het risico op opwellend zout water en verzilting van het kustgebied. Het RIVM signaleerde in 2020 dat er een grote opgave ligt om de beschikbaarheid van de drinkwaterbronnen veilig te stellen voor de toekomst. Naast problemen met de beschikbare hoeveelheid water, doen zich bij meer dan de helft van de winningen problemen voor met de waterkwaliteit. In 135 van de 216 winningen komen (potentiële) probleemstoffen voor en door de droogte van de afgelopen jaren worden concentraties van verontreinigende stoffen hoger. Een tekort aan schoon zoet water heeft, naast effecten op burgers en natuur, grote economische gevolgen. In een periode van waterschaarste hebben maatschappelijke sectoren (drinkwater en natuur) prioriteit boven waterlevering voor industrie en land- en tuinbouw. Dit beperkt niet alleen de productiemogelijkheden in deze sectoren, maar staat ook de toekomstige vestigingsmogelijkheden in de weg. Verder zal de export van Nederland krimpen als de kwantiteit of kwaliteit van water de productie van exporterende bedrijven beperkt.

De watertekorten en de kwaliteitsverslechtering van de beschikbare waterbronnen in de wereld zijn een groei- en exportkans voor de Nederlandse watertechnologiesector. De watertechnologiesector heeft een vooraanstaande positie ten aanzien van het leveren van kennisintensieve oplossingen, maar door beperkingen wordt het innovatie- en exportpotentieel onvoldoende benut. De watertechnologiesector bestaat veelal uit kleine bedrijven met een sterke kennispositie, maar die niet de middelen hebben die innovaties verder te ontwikkelen en te testen in een pilot- of praktijkomgeving vanwege de risico’s die daarbij komen kijken. In de testfase worden immers middelen geïnvesteerd, zonder dat de werking van de techniek al bewezen is. Daarnaast ontbreekt het vaak aan middelen en kennis en vaardigheden over ondernemerschap om de innovatie succesvol op de markt te brengen. Vanuit UPPWATER worden de deelnemende consortia ook ondersteund in het naar de markt brengen van hun innovaties. Met UPPWATER geeft het Rijk een impuls aan de kennisinfrastructuur, innovatiekracht en exportkansen van de Nederlandse Watertechnologiesector.

3. Hoofdlijnen van de regeling

Met UPPWATER stimuleert het Rijk de kennisinfrastructuur, innovatie en exportkansen van de Nederlandse watertechnologiesector.

Deze regeling is gericht op de opschaling van een prototype naar een project in een pilotomgeving. In het programma Pilots en Testen worden watertechnologische innovaties opgeschaald naar een omvang waarin deze onder realistische omstandigheden in een pilotomgeving getest kunnen worden. Om op te schalen moeten substantiële investeringen gedaan worden. Er zijn ook risico’s aan verbonden, bijvoorbeeld rondom de prestatie van de innovatie of de afzet van teruggewonnen grondstoffen. Met deze regeling wordt opschaling naar een pilotomgeving gestimuleerd. De belangrijkste bepalingen uit deze regeling zijn dan ook:

  • Als subsidiabele kosten komen het testen en valideren van een prototype in een laboratorium in aanmerking, het doorontwikkelen van het prototype, het bouwen van een prototype in een pilotomgeving en het testen, demonstreren, monitoren en valideren hiervan.

  • Er geldt een subsidieplafond van € 18,4 miljoen, waarbij de subsidie wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

  • Er is gekozen voor twee uitvoerperiodes. Om in aanmerking te komen voor subsidie in de eerste uitvoerperiode moet een aanvraag zijn ingediend op uiterlijk 23 januari 2026. Voor de tweede uitvoerperiode kan een aanvraag ingediend worden van 1 september 2029 tot en met 1 december 2029.

  • De aanvrager beschrijft bij indiening van een aanvraag tot subsidieverlening onder andere hoe de activiteiten bijdragen aan de doelstellingen van deze regeling en hoe dit past binnen de focusgebieden van UPPWATER, voor welk probleem de op te schalen innovatie een oplossing vormt, het vernieuwende karakter en het belang ervan voor de sector en geeft in het exploitatieplan een inschatting van de potentie van een marktdoorbraak.

  • Per kalenderjaar vindt bevoorschotting plaats tot maximaal 80% van de te verstrekken subsidie voor dat jaar, aan de hand van de projectbegroting.

  • De regeling bevat projectspecifieke verplichtingen en aanvullende verplichtingen in het kader van UPPWATER.

  • Van de subsidieregeling gaat de stimulans uit om de watertechnologische innovatie een stap verder te brengen in het innovatieproces, om het zo weer een stap dichter bij marktintroductie te brengen. De vaststelling van de subsidie is primair gekoppeld aan het uitvoeren van het pilotproject en het voldoen aan de verplichtingen, maar ook als wegens technische omstandigheden of omstandigheden die buiten de invloedsfeer van de aanvrager liggen die resultaten niet behaald konden worden maar wel maximale inzet is gepleegd om dit te behalen, kan subsidie worden verstrekt. Zo wordt optimaal aangesloten bij het karakter van het innovatieproces.

Voor Programma 3, Fullscale demonstraties, van UPPWATER wordt eveneens een subsidieregeling opgesteld. Deze staat los van de voorliggende subsidieregeling, hetgeen betekent dat ook partijen die subsidie ontvangen op grond van voorliggende subsidieregeling in aanmerking kunnen komen voor subsidie op grond van de subsidieregeling voor Fullscale demonstratieprojecten. Voorliggende subsidieregeling gaat immers over pilotprojecten, de subsidieregeling voor programma 3 over Fullscale demonstratieprojecten.

4. Verhouding tot bestaande regelgeving

Het nationaal bestuursrechtelijk kader voor deze regeling wordt gevormd door de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), meer specifiek titel 4.1 (Beschikkingen) en titel 4.2 (Subsidies). Daarnaast zijn het Kaderbesluit subsidies I en M en de Europese staatssteunregelgeving van belang voor deze subsidieregeling.

Awb en Kaderbesluit Subsidies I en M

Op grond van deze regeling worden subsidies verstrekt aan partijen die deel uitmaken van de consortia die zorgdragen voor de opschaling van watertechnologische innovaties naar een omvang waarin deze in een gecontroleerde en gesimuleerde pilotomgeving getest kunnen worden. Uit artikel 4:21, eerste lid, van de Awb volgt dat titel 4.2 (Subsidies) van die wet van toepassing is op de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt, met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Subsidie wordt slechts verstrekt op basis van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt (artikel 4:23 van de Awb). Met deze regeling wordt voldaan aan deze verplichting uit de Awb. Uit artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van de Kaderwet subsidies I en M volgt dat de minister subsidie kan verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake water.

Europeesrechtelijke aspecten

Deze regeling is getoetst op mogelijke staatssteunelementen. Een subsidie die op basis van deze regeling kan worden verstrekt voor zover het experimentele ontwikkeling door een onderneming betreft of economische activiteiten door onderzoeksorganisaties, is aan te merken als staatssteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). De subsidieregeling wordt toegepast binnen het kader van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV). In het bijzonder wordt gebruik gemaakt van artikel 25 van de AGVV. Zolang wordt voldaan aan dit artikel en de bepalingen uit hoofdstuk I van de AGVV is sprake van geoorloofde staatssteun en wordt de steun verenigbaar geacht met de interne markt. Met een kennisgeving op basis van artikel 11, onderdeel a, van de AGVV is de Europese Commissie op de hoogte gesteld van deze subsidieregeling. Voor niet-economische experimentele ontwikkeling door onderzoeksorganisaties is geen sprake van staatssteun.

5. Bestuurlijke lasten

De partijen in het consortium zullen investeringen moeten doen om als proeftuin of toekomstig afnemer te kunnen fungeren, zodat innovaties in de watersector plaatsvinden en doorgang blijven vinden.

6. Financiële gevolgen Rijksoverheid

De subsidie is onderdeel van het Nationaal Groeifonds en de nodige middelen zijn beschikbaar voor UPPWATER. Het totaal gereserveerde bedrag voor het subsidiëren van pilotprojecten met innovatieve watertechnologie bedraagt € 18,4 miljoen.

7. Uitvoering, toezicht en handhaving

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voert de regeling uit en houdt toezicht op een correcte uitvoering van de projecten. Ter uitvoering van de subsidieregeling zullen subsidieaanvragen beoordeeld moeten worden en verleningsbeschikkingen en vaststellingsbeschikkingen opgesteld worden. Daarnaast wordt de voortgangsrapportage jaarlijks beoordeeld en wordt beoordeeld of kan worden bevoorschot. De subsidieregeling is onderdeel van Programma 2 (Pilots en Testen) van UPPWATER Binnen dit programma hebben KWR en STOWA een coördinerende rol. De taken die KWR en STOWA uitvoeren ten behoeve van coördinatie van Programma 2 zijn 1) het bewaken van samenhang met UPPWATER, 2) inhoudelijke monitoring van de voortgang en output van Programma 2, zodat over heel programma 2 op inhoudelijke doelrealisatie en het behalen van programmadoelen gerapporteerd kan worden aan het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Nationaal Groeifonds en de Supervisory Board van UPPWATER, 3) ophalen waar belemmeringen voor innovatie zich voordoen en deze adresseren, en 4) communicatie van Programma 2 naar buiten toe. KWR en STOWA zorgen voor een bundeling van de voortgangsrapportages van alle projecten binnen Programma 2. Dit zal gedeeld worden met het Programmabureau van UPPWATER.

8. Consultatie en voorhang

Van 23 oktober 2024 tot en met 20 november 2024 kon er gereageerd worden op deze regeling en de toelichting. In totaal zijn er negen reacties ingediend. Het sentiment van de reacties is overwegend positief. Er zijn goede, kritische vragen gesteld die hebben geleid tot aanscherping en verbetering van de regeling. De belangrijkste thema’s waarover opmerkingen zijn binnengekomen zijn: subsidiabele kosten en het bepalen van loonkosten, steunintensiteit, samenstelling van het consortium dat voor subsidie in aanmerking komt, verduidelijkingsvragen over bepaalde definities, doel van de regeling en nog een aantal vragen in een overig categorie.

Na aanleiding van de binnengekomen reacties zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • Voor het vaststellen van het uurtarief kan, in lijn met artikel 7, lid 2 van het Kaderbesluit subsidies I en M, nu gebruikt gemaakt worden van een forfaitair vastgesteld uurtarief van € 60 per uur.

  • In de paragraaf 9. Toetsing regeldruk van de toelichting is een rekenfout hersteld.

  • Uit diverse reacties is gebleken dat een maximale subsidiepercentage van 30% voor onderzoeksorganisaties niet werkbaar is. Hierop is besloten om de maximale subsidiepercentage van 50% te hanteren voor onderzoeksorganisaties.

  • In de regeling was een verplichting opgenomen om tot vijf jaar na afronding van het project een voortgangsrapportage te delen met het UPPWATER consortium. Deze verplichting is anders vormgegeven. Tevens zijn de vereiste van hetgeen dat moet worden aangeleverd afgezwakt.

9. Toetsing regeldruk

De regeling heeft gevolgen voor de regeldruk voor bedrijven die subsidie willen ontvangen. Het gaat in het bijzonder om:

  • het voorbereiden en indienen van de subsidieaanvraag;

  • het jaarlijks rapporteren over de voortgang van het project en deelnemen aan activiteiten zoals genoemd in artikel 13;

  • het aanleveren van relevante informatie voor het vaststellen van de subsidie.

Voor deze regeling wordt verwacht dat er in de twee openstellingsperioden gecombineerd ca. 20 aanvragen worden ingediend. De regeldruk wordt bepaald aan de hand van 3 fasen. Dit zijn de aanvraag van de subsidie, het uitvoeren van jaarlijkse activiteiten en de vaststelling van de subsidie. Enkel consortia komen in aanmerking voor subsidie. Er wordt daarom rekening gehouden met enige administratieve lasten voor alle consortiumleden individueel en gezamenlijk. Er wordt uitgegaan van gemiddeld 4 partners per aanvraag. Er wordt een gemiddeld uurtarief van € 60 gehanteerd.

Op basis van bovenstaande worden de administratieve lasten per 20 aanvragen ingeschat op een totaal van 4.130 uur. Dit komt neer op € 247.800,–. Dit is 1,35% van het totale subsidiebedrag. Per aanvraag is de administratieve last 206,5 uur. Dit komt neer op € 12.390,–.

Deze regeling is ook voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). De ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

10. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en de minimum invoeringstermijn, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd omdat de specifieke doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding. Deze regeling vervalt met ingang van 1 november 2034, en blijft van toepassing op subsidies die voor deze datum zijn verleend. De projecten die onder deze subsidieregeling uitgevoerd worden zijn onderdeel van het NGF-programma UPPWATER. Dit programma heeft een looptijd van negen jaren, namelijk van 2025 tot 2034. Om de effectiviteit van UPPWATER maximaal te borgen, is het noodzakelijk dat deze subsidieregeling ook negen jaren blijft gelden. De subsidieregeling is opgedeeld in twee uitvoerperiodes, om zo ook de kennis en lessen uit de eerste periode mee te kunnen nemen in de tweede uitvoerperiode. Op die manier wordt optimaal de verbinding gelegd met UPPWATER en worden de doelen maximaal nagestreefd. Het zou daarom afbreuk doen aan de effectiviteit van de subsidieregeling als deze een kortere termijn zou gelden. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 4.10, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016. Op grond van artikel 4.10, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt de regeling voorgehangen bij de Tweede Kamer voordat deze wordt vastgesteld.

Artikelsgewijs deel

Artikel 1 Begripsbepalingen

Adviescommissie:

de adviescommissie draagt zorg voor de inhoudelijke beoordeling van de projectaanvragen. Voor nadere uitleg wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6.

Programmaconsortium:

dit betreft het consortium van UPPWATER, bestaande uit de volgende partijen: Wetsus, KWR, STOWA, Waterschap Vechtstromen, Water Alliance en TKI Watertechnologie. TKI Watertechnologie is penvoerder van het programmaconsortium van UPPWATER.

Substantiële vestiging:

de deelnemende partijen in het consortium moeten een substantiële vestiging in Nederland hebben. Zo wordt namelijk gewaarborgd dat de deelnemende partijen in het consortium duurzaam deelnemen aan het economisch leven in Nederland. Hiermee wordt voorkomen dat deelnemende partijen die geen economische waarde voor Nederland hebben in aanmerking komen voor subsidie. Deelnemende partijen zonder economische waarde voor Nederland zijn bijvoorbeeld brievenbusmaatschappijen. Voor dit begrip is bewust geen aansluiting gezocht bij de bestaande definities uit de Handelsregisterwet, omdat deze definities voor de doeleinden van deze regeling te summier zijn. Het begrip is in deze regeling opgenomen, omdat zo expliciet wordt gemaakt dat daadwerkelijk moet worden deelgenomen aan de Nederlandse economie. Dit is juist ook van belang wanneer buitenlandse partijen onderdeel uitmaken van een consortium.

Uitvoerperiode:

er worden twee rondes voor het aanvragen van subsidie opengesteld. Om in aanmerking te komen voor subsidie in de eerste uitvoerperiode, zal de aanvraag op uiterlijk 23 januari 2026 ingediend moeten worden. De eerste uitvoerperiode loopt van 23 januari 2026 tot en met 23 januari 2030. Om in aanmerking te komen voor subsidie in de tweede uitvoerperiode, kan een aanvraag worden ingediend van 1 september 2029 tot en met 1 december 2029. De tweede uitvoerperiode loopt van 1 december 2029 tot en met 1 december 2033.

Watertechnologische innovaties:

voor het verbeteren van de waterkwaliteit en vergroten van de waterbeschikbaarheid zijn technologieën en processen van belang die de waterkwaliteit veranderen om aan bepaalde eisen te voldoen, meestal via verwijdering of omzetting van bepaalde verbindingen. Een breed scala aan stoffen, energie en organismen is in het water aanwezig als een complex mengsel van bijvoorbeeld zouten, zware metalen, giftige stoffen, nutriënten, organische stof, warmte, bacteriën, virussen en genetische informatie. Deze diversiteit aan verbindingen maakt dat meerdere en multidisciplinaire mechanismen nodig zijn voor detectie, behandeling en terugwinnen, zoals combinaties van (micro)biologische processen, (elektro)chemische omzettings- of adsorptieprocessen en fysische scheidingsprocessen. Tevens gaat het om ondersteunende technologieën zoals sensortechnologie en data-science.

Artikel 2 Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel om met subsidieverstrekking het opschalen van watertechnologische innovaties binnen de focusgebieden van UPPWATER te stimuleren, zodat deze een omvang bereiken waarin deze in een pilotomgeving getest kunnen worden. De innovaties die reeds de ‘proof-of’’-concept fase hebben afgerond en die klaar zijn om in een gecontroleerde of gesimuleerde omgeving getest te worden, komen in aanmerking voor subsidie. Dit resulteert dus in innovaties die in de pilotfase voldoende doorontwikkeld zijn, zodat deze onder realistische omstandigheden in een pilotomgeving kunnen worden getest.

Artikel 3 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

Voor subsidie komen in aanmerking de loonkosten, investeringskosten, materiaalkosten en advieskosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de AGVV, die direct verbonden zijn met de uitvoering van een of meer van de volgende activiteiten: het testen en valideren van een prototype van de innovatieve watertechnologie in een laboratorium, de doorontwikkeling, het bouwen van het prototype in een pilotomgeving en het testen, valideren en uiteindelijk monitoren van het prototype in de pilotomgeving. Het testen van een prototype vindt plaats in bijvoorbeeld een proeftuin of een pilot plant. Het prototype wordt gemonitord en gevalideerd in een gecontroleerde of gesimuleerde omgeving om zo inzicht te krijgen in de werking van alle componenten tezamen. De pilotomgeving is de eerste keer dat de innovatie in zijn geheel wordt getest.

Met subsidieverlening op grond van deze regeling is er mogelijk sprake van staatssteun, dat rechtmatig geborgd wordt onder artikel 25 van de AGVV. Daarom is bepaald dat de subsidiabele kosten die rechtstreeks samenhangen met genoemde activiteiten loonkosten, investeringskosten, kosten voor advies en materiaalkosten zijn. Onder loonkosten vallen gelet op artikel 25, derde lid, onderdeel a, van de AGVV de personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het project bezighouden. Investeringskosten zijn kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project (artikel 25, derde lid, onderdeel b, van de AGVV). Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Kosten voor advies betreffen alleen de kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt (artikel 25, derde lid, onderdeel d, van de AGVV). Materiaalkosten zijn alleen subsidiabel als deze rechtstreeks uit het project voortvloeien (artikel 25, derde lid, onderdeel e, van de AGVV).

Artikel 4 Kosten die niet voor subsidie in aanmerking komen

De kosten die in dit artikel zijn genoemd betreffen de kosten die niet voor subsidie in aanmerking komen. Reiskosten, winstopslagen, kosten en vergoedingen voor representatie, kosten voor personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen, gratificaties en bonussen zijn niet subsidiabel. Met kosten en vergoedingen voor representatie worden onder andere bedoeld studiekosten, vakliteratuur of een abonnement op een (zakelijk) tijdschrift, (bedrijfs)kleding met logo, relatiegeschenken en zakelijke feesten. Uit artikel 6, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M volgt dat kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, ook niet subsidiabel zijn.

Artikel 5 Subsidieplafond en verdeling

Het subsidieplafond voor deze regeling bedraagt in totaal € 18,4 miljoen. Op basis van deze regeling zijn er twee uitvoerperioden, zie artikel 7, tweede en derde lid. In de eerste uitvoerperiode geldt een plafond van € 10 miljoen, in de tweede uitvoerperiode geldt een plafond van € 8,4 miljoen. Als na afloop van de eerste uitvoerperiode blijkt dat een deel van dit budget onbenut is gebleven, wordt dat resterende bedrag automatisch toegevoegd aan het plafond voor de tweede uitvoerperiode.

Lid 3 en lid 4 bevatten bepalingen over de steunintensiteit. De activiteiten onder deze regeling kwalificeren als ‘experimentele ontwikkeling’, zoals nader gedefinieerd in artikel 2, punt 86, van de AGVV. Gelet op artikel 25, vijfde lid, van de AGVV bedraagt de steunintensiteit voor experimentele ontwikkeling door ondernemingen maximaal 25%. Op grond van artikel 25, zesde lid, van de AGVV zijn er mogelijkheden om het steunpercentage van 25% op te hogen. Voor kleine ondernemingen kan het steunpercentage verhoogd worden met 20%, voor middelgrote ondernemingen met 10% en in het geval aan één van de voorwaarden van artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de AGVV is voldaan, kan het steunpercentage opgehoogd worden met 15%. Voor subsidies die worden verstrekt voor activiteiten in het kader van experimentele ontwikkeling door ondernemingen op grond van deze regeling is besloten om, in gevallen waarin de AGVV ophoging van steun toelaat, die steun te maximeren op 30%. Per project kan niet meer dan € 1,5 miljoen worden gesubsidieerd. Dit geldt dus ook voor onderzoeksorganisaties die economische activiteiten verrichten. Voor niet-economische experimentele ontwikkeling verricht door onderzoeksorganisaties geldt dat op grond van deze regeling de steunintensiteit gemaximeerd is op 50%.

Als alle aanvragen binnen zijn, dat is voor de eerste uitvoerperiode op uiterlijk 23 januari 2026 en voor de tweede uitvoerperiode op uiterlijk 1 december 2029, worden de aanvragen beoordeeld. De aanvragen worden ter beoordeling voorgelegd aan de adviescommissie, die de inhoudelijke beoordeling doet op de kwaliteit van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De adviescommissie maakt een rangschikking van de aanvragen en legt deze voor aan de minister. De minister mag gemotiveerd afwijken van de beoordeling van de adviescommissie. De minister is verantwoordelijk voor verdeling van de subsidie.

De subsidie wordt verdeeld op basis van rangschikking van de aanvragen. Er is gekozen voor een verdeelsystematiek op basis van rangschikking, omdat hiermee de mogelijkheid wordt gecreëerd om de projecten die de grootste bijdrage leveren aan de doelstellingen van de regeling en aan het programma als geheel en de focusgebieden in het bijzonder te subsidiëren. Omdat de subsidieregeling twee openstellingen kent, zijn er twee momenten waarop een rangschikking van de aanvragen zal plaatsvinden. Voor aanvragen ingediend op uiterlijk 23 januari 2026 geldt dat deze voor de eerste uitvoerperiode gerangschikt zullen worden. Voor aanvragen ingediend tussen 1 september 2029 en 1 december 2029 geldt dat deze voor de tweede uitvoerperiode gerangschikt zullen worden.

De rangschikking vindt plaats op basis van criteria en de daaraan toegekende punten. Een project moet ten minste 50 punten scoren. Per criterium worden maximaal 25 punten toegekend. De aanvraag met de meeste punten wordt het hoogst gerangschikt. De gegevens die de aanvrager dient te overleggen op grond van artikel 7, van deze regeling sluiten aan bij de criteria voor de rangschikking:

  • artikel 10, vierde lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit subsidies I en M en artikel 7, vijfde lid, onderdeel e, van deze regeling (de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het programma en UPPWATER en de focusgebieden van UPPWATER);

  • artikel 7, vijfde lid, onderdeel f, van deze regeling (de mate waarin het project innovatief is);

  • artikel 7, zesde lid, van deze regeling (de mate waarin het project financieel en economisch toekomstperspectief heeft); en

  • artikel 10, vierde lid, onderdeel d, van het Kaderbesluit subsidies I en M (de mate van uitvoerbaarheid van het project).

Als meerdere projecten eenzelfde aantal punten toegekend krijgen worden de aanvragen hiervoor gerangschikt naar focusgebied. Aanvragen van projecten die zien op een focusgebied waarvoor de minste aanvragen zijn ingediend worden het hoogst gerangschikt. Hiermee wordt een gelijke verdeling over de verschillende focusgebieden gestimuleerd.

Artikel 6 Adviescommissie

Artikel 6 regelt instelling van de onafhankelijke adviescommissie die de minister zal adviseren over aanvragen door middel van het beoordelen en rangschikken van de aanvragen. De adviescommissie zal bestaan uit:

  • drie vertegenwoordigers uit de kenniswereld, benoemd uit de programmaraad TKI;

  • twee vertegenwoordigers vanuit de waterschappen, die komen vanuit de begeleidings- en programmacommissies van STOWA;

  • een vertegenwoordiger vanuit de drinkwaterbedrijven, voortkomend uit een passende themagroep uit het bedrijfstakonderzoek drinkwater;

  • een vertegenwoordiger vanuit de industrie, te nomineren vanuit Water Alliance of ISPT.

De Programmaraad TKI staat voor Topconsortium voor Kennis en Innovatie. Dit is een netwerk waar ondernemers en onderzoeksorganisaties zich bij kunnen aansluiten.

ISPT staat voor Institute for Sustainable Process Technology.

De adviescommissie is onafhankelijk. Dat betekent dat een partij die deelneemt aan het projectconsortium en een aanvraag doet voor subsidie op grond van deze regeling niet ook in de adviescommissie vertegenwoordigd kan zijn, of zich in ieder geval van beoordeling dient te onthouden als het project waarbij die partij betrokken is in de adviescommissie wordt behandeld.

Artikel 7 Aanvraag

Op grond van artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit subsidies I en M wijst het consortium een penvoerder aan die namens het consortium de aanvraag doet. De minister kan op aanvraag van het consortium subsidie verlenen.

Deze regeling is onderverdeeld in twee uitvoerperiodes. Dit is zo besloten om ook aan ondernemers die nog niet voor 23 januari 2026 hun watertechnologische innovatie als prototype gereed hebben om te testen in een pilotomgeving, de mogelijkheid te bieden om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van deze regeling. Om in aanmerking te komen voor subsidie in de eerste uitvoerperiode moet de aanvraag worden gedaan op uiterlijk 23 januari 2026. Voor de tweede uitvoerperiode kan de aanvraag worden gedaan vanaf 1 september 2029 tot en met 1 december 2029.

Het is niet mogelijk om op grond van deze regeling meerdere keren subsidie te ontvangen voor hetzelfde project. Dit volgt uit artikel 8, onderdeel e, van deze regeling (ontbreken stimulerend effect). Wel is het mogelijk dat één aanvrager meerdere keren een aanvraag voor subsidie doet, als het gaat om verschillende projecten.

De aanvraag wordt ingediend bij de minister. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het door de minister digitaal beschikbaar gestelde aanvraagformulier. Deze kan worden gevonden op de website van UPPWATER.

In dit artikel zijn ook de gegevens en bescheiden opgenomen die bij de aanvraag ingediend moeten worden. Dit geldt naast de gegevens en bescheiden die op grond van artikel 10 van het Kaderbesluit subsidies I en M ingediend moeten worden.

In het vijfde lid, onderdeel c, van dit artikel is de verplichting opgenomen om een getekende samenwerkingsovereenkomst te verstrekken of indien deze nog niet voorhanden is, een concept samenwerkingsovereenkomst of intentieverklaring waarna binnen zes maanden na indiening van de aanvraag de getekende samenwerkingsovereenkomst alsnog wordt verstrekt. In deze samenwerkingsovereenkomst staan de voorwaarden van het samenwerkingsproject en wordt in ieder geval beschreven wat de bijdrage is van de verschillende partijen van het consortium in de kosten, het delen in risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de uitkomsten en de toegang tot en de regels voor toewijzing van intellectuele eigendomsrechten. Dit zijn voorwaarden die volgen uit paragraaf 2.2.2, punt 28, van O&O&I-steunkader en die gelden voor projecten die in een samenwerkingsverband van een onderzoeksorganisatie met ondernemingen worden uitgevoerd.

Gelet op de criteria voor samenstelling van een consortium, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van deze regeling, dat een aanvraag kan doen op grond van deze regeling is het mogelijk dat een buitenlandse partij onderdeel uitmaakt van het consortium. In deze situatie moet onderbouwd worden dat de inbreng van deze partij bijdraagt aan een toename van het Nederlandse verdienvermogen. Dit betekent ook dat als dit niet onderbouwd kan worden, dit mogelijk tot gevolg heeft dat deze partij geen subsidie kan ontvangen op grond van deze regeling. Dit vereiste is opgenomen in de regeling om aan te sluiten bij de voorwaarden in het kader van het Nationaal Groeifonds.

Artikel 8 Afwijzingsgronden

In dit artikel zijn, ter aanvulling op de algemene afwijzingsgronden uit de Awb en hoofdstuk 6 van het Kaderbesluit subsidies I en M, aanvullende afwijzingsgronden opgenomen. Er is bepaald dat als een van deze gronden aan de orde is, de minister afwijzend zal beslissen op een aanvraag om subsidieverlening.

De afwijzingsgrond opgenomen in artikel 8, onderdeel a, houdt in dat de minister een aanvraag om subsidie afwijst als de te verlenen subsidie minder bedraagt dan € 330.000,–. De gedachte hierachter is dat projecten minimaal van een bepaalde omvang moeten zijn om deze goed te kunnen uitvoeren en daarmee de doelen te behalen die zijn gesteld.

De afwijzingsgrond opgenomen in artikel 8, onderdeel b, houdt in dat indien blijkt dat de financiering van het project niet aantoonbaar sluitend is, de minister afwijzend zal beslissen op de aanvraag. Bij de aanvraag wordt een projectbegroting ingediend aan de hand waarvan dit beoordeeld kan worden.

Met de subsidieverlening op basis van deze regeling kan sprake zijn van staatssteun. Dit wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de AGVV. Daarom zijn in de onderdelen c tot en met g de afwijzingsgronden van de AGVV opgenomen.

Artikel 9 Verlening

In dit artikel is geregeld wat in ieder geval in het besluit tot verlening van de subsidie vermeld zal worden. Uit artikel 14 van het Kaderbesluit subsidies I en M volgt dat de minister het besluit tot verlening van de subsidie neemt binnen dertien weken na afloop van de periode waarbinnen aanvragen ingediend kunnen worden. In deze regeling zijn er twee periodes waarbinnen het project uitgevoerd kan worden en waarvoor subsidie aangevraagd kan worden. Voor de eerste uitvoerperiode betekent dit dat de minister binnen dertien weken na 23 januari 2026 moet beslissen op de aanvragen. Voor de tweede uitvoerperiode betekent dit dat de minister binnen dertien weken na 1 december 2029 moet beslissen op de aanvragen. De minister kan deze termijn voor beide uitvoerperiodes eenmalig met 9 weken verlengen.

Artikel 10 Voorschot

In dit artikel is de manier van bevoorschotten bepaald. Bevoorschotting wordt aan de hand van de projectbegroting bepaald. In de projectbegroting wordt een overzicht gegeven van de activiteiten per partij in het consortium en de daaraan verbonden kosten per kalenderjaar. Aan de hand hiervan wordt per kalenderjaar maximaal 80% van de te verstrekken subsidie die de subsidieontvangers dat jaar aan de activiteiten besteden, bevoorschot. Na vaststelling van de subsidie zal de resterende 20% worden betaald, indien aan de subsidieverplichtingen is voldaan.

Artikel 11 Voorwaarden

In dit artikel zijn de voorwaarden uiteengezet waaraan moet worden voldaan om subsidie te ontvangen. De subsidie moet worden besteed aan activiteiten waarvoor deze is verleend en er moet worden voldaan aan de verplichtingen uit artikel 12 van deze regeling. Voor het verkrijgen van een verleningsbeschikking op grond van deze regeling is het nodig dat wordt voldaan aan artikel 12, eerste tot en met het vijfde lid. Aan de verplichtingen in artikel 12, zesde tot en met het tiende lid, kan niet worden voldaan voorafgaand aan de subsidieverlening. Dit gaat om de verplichtingen over de voortgangsrapportage en de termijnen voor het starten en voltooien van het project.

Deze subsidieregeling ziet op Programma 2 (Pilots en Testen) van UPPWATER. Dat betekent dat de projecten die onder deze regeling worden uitgevoerd, ook onderdeel zijn van UPPWATER. Programma 2 wordt gecoördineerd door KWR en STOWA. KWR en STOWA zijn onderdeel van het programmaconsortium van UPPWATER.

Artikel 12 Verplichtingen met betrekking tot het project

Dit artikel bevat de verplichtingen waar het consortium aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van deze regeling.

In het eerste lid is bepaald dat het consortium ten minste 30% van het projectbudget realiseert uit private middelen. Deze verplichting is van belang om commitment te creëren van partijen binnen het consortium. Daarnaast wordt het vertrouwen in de marktpotentie verder onderstreept door de bijdrage uit eigen middelen van de betrokken partijen.

In het tweede lid is bepaald uit wat voor soort partijen het consortium in ieder geval moet bestaan. Deze samenstelling van het consortium is verplicht gesteld omdat deze (soort) partijen nodig zijn om tot de beoogde innovaties te komen, deze te testen en uiteindelijk naar de markt te brengen. In het derde lid wordt als eis gesteld dat alle deelnemende partijen in het consortium een substantiële vestiging in Nederland moeten hebben. Dit betekent dus ook dat buitenlandse partijen onderdeel kunnen uitmaken van het consortium dat een aanvraag doet voor subsidie op grond van deze regeling. Een vestiging wordt beschouwd als ‘substantieel’, als de partij een vestiging in Nederland heeft van waaruit duurzaam kan worden deelgenomen aan het economisch verkeer in Nederland.Die substantiële vestiging in Nederland dient in stand te worden gehouden tot in ieder geval de datum waarop de beschikking tot vaststelling van de subsidie onherroepelijk is, dus dat is tot uiterlijk het moment dat tegen de vaststellingsbeschikking geen rechtsmiddelen meer mogelijk zijn en het besluit formele rechtskracht heeft.

In het vierde lid is tot uitdrukking gebracht dat een buitenlandse partij die onderdeel uitmaakt van een consortium als bedoeld in het tweede lid, alleen dan subsidie kan ontvangen op grond van deze regeling als de inbreng van deze partij bijdraagt aan een toename van het Nederlandse verdienvermogen. Dit dient bij indiening van de aanvraag onderbouwd te worden. Als onvoldoende onderbouwd is dat de inbreng van die partij bijdraagt aan een toename van het Nederlandse verdienvermogen, dan kan de subsidieaanvraag deels afgewezen worden voor deze partij.

Conform het vijfde lid moeten de deelnemende ondernemingen in het consortium ten opzichte van elkaar in ieder geval zijn aan te merken als zelfstandige ondernemingen. Het gaat hierbij om de definitie van een zelfstandige onderneming als bedoeld bij EFRO in artikel 3 van Bijlage 1 van Verordening 651/2014. In de Europese regelgeving wordt onderscheid gemaakt tussen zelfstandige ondernemingen, partnerondernemingen en verbonden ondernemingen. Een onderneming is niet zelfstandig als een andere onderneming invloed kan uitoefenen, bijvoorbeeld door aandelenbezit of via het bestuur van een onderneming.

Gelet op de hoogte van de subsidie wordt op grond van het zesde lid aan het consortium de verplichting opgelegd om gedurende de looptijd van het project jaarlijks, uiterlijk op 1 februari, aan de minister een voortgangsverslag te overleggen over het daaraan voorafgaande kalenderjaar, die inzicht geeft in de voortgang van het project, de al gerealiseerde activiteiten en de kosten daarvan. Voor de subsidieverstrekking is het van belang dat de rapportage ingediend wordt bij de minister. In artikel 13 is geregeld dat, vanwege de integraliteit en afstemming met UPPWATER en de andere programma’s binnen UPPWATER, deze voortgangsrapportage ook bij het programmaconsortium ingediend wordt.

Voor het opstellen van de rapportage wordt gebruik gemaakt van het format dat wordt meegezonden met het verleningsbesluit. Dit betreft het algemene format voor rapportages uit het NGF.

Het achtste tot en met het tiende lid geven de termijnen voor wanneer de projecten waarvoor subsidie is verleend starten en eindigen. Drie maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking moet zijn gestart met de uitvoering van het project waarvoor subsidie is verleend en binnen 48 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking moet dit project zijn afgerond. De termijnen genoemd in het achtste en negende lid kunnen op verzoek van de aanvrager eenmalig door de minister worden verlengd met 21 weken. Dit zal door de aanvrager wel onderbouwd moeten worden, omdat het gevolg van verlenging van de termijn is dat het project buiten de eerste of tweede uitvoerperiode uitgevoerd zal worden. Om deze reden zal de minister terughoudend omgaan met verlengingen en deze in principe alleen toekennen als is onderbouwd waarom de verlenging nodig is voor afronding van het project.

Artikel 13 Verplichtingen in het kader van UPPWATER

De projecten die onder deze subsidieregeling worden uitgevoerd zijn onderdeel van het integrale UPPWATER programma. Om deze reden zijn in dit artikel aanvullende verplichtingen opgenomen om de verbinding met UPPWATER te behouden en een bijdrage te leveren aan het innovatiesysteem van de Nederlandse watertechnologiesector zodat deze verder ontwikkeld kan worden. Deze verplichtingen zijn projectoverstijgend, en aanvullend op de projectspecifieke verplichtingen uit artikel 12 van deze regeling. Overigens wordt opgemerkt dat voor de beoordeling van de vaststelling van de subsidie, het voldoen aan de verplichtingen uit artikel 12 leidend is. Het voldoen aan de verplichtingen uit artikel 13 is dus niet van belang voor de beoordeling van de vaststelling van de subsidie. De verplichtingen uit artikel 13 zien immers niet op de projecten zelf, maar zijn projectoverstijgend omdat de projecten onderdeel zijn van een groter geheel, namelijk UPPWATER.

In dit artikel wordt de eis gesteld dat de deelnemende partijen in het consortium deelnemen aan activiteiten binnen Programma 4 en binnen het Werkpakket Versnellen en Maximaliseren. Binnen Programma 4 ‘Naar de Markt’ worden innovatieve watertechnologische bedrijven ondersteund in valorisatie, business development en ondernemerschapsontwikkeling om zo de kennispositie van de Nederlandse watertechnologiesector om te zetten in bedrijvigheid en groei van de export. Het werkpakket Versnellen en Maximaliseren geeft vorm en inhoud aan de niet-technologische aspecten bij de uitvoering van UPPWATER en is essentieel bij het versnellen en opschalen van activiteiten in de programma’s van UPPWATER.

Het derde lid bepaalt dat de voortgangsrapportage die op grond van artikel 12, zesde lid, bij de minister ingediend moet worden, ook bij het programmaconsortium ingediend moet worden. De reden hiervoor is het integraal rapporteren over UPPWATER door de penvoerder, TKI Watertechnologie.

Op grond van het vijfde lid leveren de deelnemende partijen in het consortium een actieve bijdrage aan de ketenbrede samenwerking en kennisdeling die het project overstijgt. Dit houdt in dat wordt bijgedragen aan de verdere ontwikkeling en instandhouding van het kennisinnovatie-ecosysteem van de Nederlandse watertechnologiesector, met als doel de Nederlandse watertechnologiesector internationaal op de kaart te zetten.

Artikel 14 Verplichtingen voor onderzoeksorganisaties

In dit artikel zijn verplichtingen opgenomen die gelden voor onderzoeksorganisaties die onderdeel zijn van het consortium dat een aanvraag doet voor subsidie op grond van deze regeling.

Het eerste lid, onderdeel a, bepaalt dat de projectactiviteiten worden uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen en dat deze in de boekhouding worden opgenomen als niet-economische activiteiten. Daarnaast volgt uit het eerste lid, onderdeel b, dat aan één van deze voorwaarden moet worden voldaan om te bewerkstellingen dat de voordelen die een onderzoeksorganisatie geniet niet als indirecte staatssteun doorgegeven worden aan een onderneming waarmee de onderzoeksorganisatie in samenwerking activiteiten verricht. De verplichtingen in het eerste en het tweede lid volgen uit paragraaf 2.2.2, punt 29, van het O&O&I-steunkader.

De verplichtingen opgenomen in het derde lid, volgen uit paragraaf 2.2.2, punt 30, van het O&O&I-steunkader. De verplichting opgenomen in het vierde lid is een nadere specificering van het derde lid, onderdeel c, en is gebaseerd op het ‘op arms ’length’ beginsel zoals nader gedefinieerd in paragraaf 1.3, punt 16, sub (f) van het O&O&I‑steunkader. Dit beginsel wordt als volgt gedefinieerd ‘de voorwaarden van de transactie tussen de contractpartijen wijken niet af van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure, wordt geacht te voldoen aan het arm’s length-beginsel’.

Indien niet wordt voldaan aan de verplichtingen in dit artikel, zal de volledige waarde van de bijdrage van de onderzoeksorganisatie aan het project (overeenkomstig punt 31 van het O&O&I-steunkader) worden beschouwd als een (economisch) voordeel voor de samenwerkende ondernemingen, waarvoor de regels inzake staatssteun gelden. In dat geval zal gekeken moeten worden of de subsidieverlening past binnen de grenzen van het dan toepasselijke staatssteunkader van artikel 25 van de AGVV. Het is dus van belang dat er een duidelijk onderscheid gemaakt kan worden tussen economische en niet-economische activiteiten. Om te kunnen beoordelen welke activiteiten niet-economisch van aard zijn, dient de onderzoeksorganisatie dan ook een gescheiden boekhouding bij te houden tussen economische en niet-economische activiteiten (lid 1, onderdeel a, subonderdeel 2°, van artikel 14 van deze regeling).

Artikel 15 Vaststelling

Uit artikel 24 van het Kaderbesluit subsidies I en M volgt dat de aanvraag tot een beschikking om subsidievaststelling moet worden gedaan binnen dertien weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt. De aanvraag wordt ingediend bij de minister. Uit artikel 24 van het Kaderbesluit volgt reeds wat in ieder geval bij deze aanvraag ingediend moet worden, namelijk het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteit waaruit blijkt dat de subsidieontvanger aan de verplichtingen heeft voldaan. Daarnaast wordt de subsidie ook financieel verantwoord door indiening van een financiële verantwoording, controleverklaring en, indien de gemaakte kosten 10% of meer afwijken van de onderbouwde begrotingspost van de aanvraag, een toelichting daarop. In artikel 15 is bovendien nog geregeld dat, onverminderd de eisen uit artikel 24 van het Kaderbesluit subsidies I en M, in ieder geval wordt toegelicht op welke wijze de projectresultaten bijdragen aan het doel van de regeling. Dit is nodig om inzicht te krijgen in de wijze waarop de resultaten van het project daadwerkelijk bijdragen aan en onderdeel zijn van het integrale UPPWATER programma.

In het derde lid van dit artikel is tot uitdrukking gebracht dat de subsidievaststelling primair verbonden wordt aan het voltooid zijn van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en het voldoen aan alle verplichtingen, maar dat het mogelijk is dat wegens technische omstandigheden of andere omstandigheden die buiten de invloedsfeer liggen van de aanvrager de activiteiten niet voltooid konden worden. Dit zijn bijvoorbeeld technische omstandigheden met betrekking tot het (fullscale) prototype van de watertechnologische innovatie of situaties als Covid-19. In dergelijke gevallen is het aan de aanvrager om aan te tonen dat hij zich maximaal heeft ingespannen om te voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, waarbij hij onderbouwt welke omstandigheden zich hebben voorgedaan en waarom deze hebben geleid tot het niet kunnen voldoen aan de verplichtingen. Ook in deze gevallen kan de subsidie vastgesteld worden. In een innovatieproces is het van belang dat de subsidie wordt verbonden aan de inspanning die wordt verricht om de resultaten te behalen, en niet alleen aan het resultaat zelf. Van deze regeling moet de stimulans uit gaan om de innovatie een stap verder te brengen in het ontwikkelproces. Inherent aan dit proces is dat de ontwikkeling van de innovatie gepaard gaat met risico’s en dat het eruit halen en oplossen van fouten en optimaliseren van de innovatie, van belang zijn. Dit ontslaat de subsidieontvangers overigens niet van de verplichting, bedoeld in artikel 18 van het Kaderbesluit subsidies I en M, om onverwijld de minister op de hoogte te stellen zodra aannemelijk is dat de activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of niet, niet tijdig of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan. De minister zal aan de hand van de door de aanvrager aangedragen onderbouwing beoordelen of de subsidie desondanks vastgesteld kan worden.

Opgemerkt wordt dat de minister bevoegd blijft tot uitoefening van de bevoegdheden die aan hem zijn toegekend in titel 4.2 van de Awb. Dit betekent ook dat artikelen 4:49, eerste lid en 4:57, eerste lid, van de Awb van toepassing zijn op deze regeling. De minister kan de beschikking tot subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen, op grond van feiten en omstandigheden waarvan hij bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager zou zijn vastgesteld, als de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten of als de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet (meer) voldoet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, bijvoorbeeld in de situatie dat na vaststelling van de subsidie de innovatie uit bedrijf wordt gehaald. Na intrekking van de vaststellingsbeschikking of het ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen van de vaststellingsbeschikking, kan de minister overgaan tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde subsidie. De bevoegdheid van de minister om tot terugvordering over te gaan betreft een discretionaire bevoegdheid, er zal altijd worden afgewogen of dit in het concrete geval gelet op de verschillende belangen redelijk is.

Artikel 16 Evaluatie

Vlak voor het einde van de eerste uitvoerperiode van deze regeling, zal de subsidieregeling geëvalueerd worden. De reden dat gedurende de looptijd van deze regeling al een evaluatie plaatsvindt, is dat eventuele lessen meegenomen kunnen worden in het kader van de tweede uitvoerperiode van deze regeling. Nadat het volledige UPPWATER programma is afgerond, zal UPPWATER integraal, dus alle programma’s onder UPPWATER tezamen, geëvalueerd worden.

Artikel 17 Staatssteun

Zoals uiteengezet in het algemeen deel van deze toelichting, kan met de subsidieverleningen op basis van deze regeling sprake zijn van staatssteun in de zin van artikel 107 van het VWEU. Deze steun wordt gerechtvaardigd door artikel 25 AGVV.

Artikel 18 Inwerkingtreding en horizonbepaling

Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 10 van het algemeen deel van deze toelichting.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, R. Tieman

Naar boven