Wijziging Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid

22 september 2025

Nr. D2025-004569

De Staatssecretaris van Defensie

Gelet op de artikelen 60a en 60c van het Algemeen militair ambtenarenreglement;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5. Toelage onregelmatige dienst

  • 1. De commandant kent na afloop van iedere kalendermaand een toelage onregelmatige dienst toe aan de militair met de rang van kapitein-luitenant ter zee dan wel luitenant-kolonel of met een lagere rang dan wel zonder rang die, uitsluitend in opdracht van de commandant, op ongebruikelijke uren werkzaamheden of diensten heeft verricht, anders dan bij wijze van overwerk en anders dan meerdaagse activiteiten.

  • 2. De toelage onregelmatige dienst komt slechts tot uitbetaling als de hoogte van de toelage in een kalendermaand ten minste € 50,40 bedraagt conform de in het derde lid vastgestelde berekeningswijze. Dit bedrag wordt naar evenredigheid verminderd indien op de militair buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid van toepassing is, bedoeld in artikel 2 van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen.

  • 3. De hoogte van de toelage onregelmatige dienst bedraagt per gewerkt uur een percentage van € 14,– en wel:

    • a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 uur en 07.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur;

    • b. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 uur en 06.00 uur en tussen 22.00 uur en 24.00 uur;

    • c. 45% voor alle uren op zaterdag;

    • d. 70% voor alle uren op zondag;

    • e. 100% voor alle uren op de feestdagen, genoemd in artikel 57a, tweede lid, van het AMAR.

  • 4. Voor de in het derde lid, onder a, genoemde avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de werkzaamheden of diensten zijn beëindigd na 19.00 uur.

  • 5. De militair die aanspraak heeft op een toelage onregelmatige dienst, heeft geen aanspraak op een ZZF-vergoeding als bedoeld in artikel 9, vierde lid, tenzij de militair bij wijze van overwerk in opdracht van de commandant op een ZZF-dag een activiteit verricht, genoemd in artikel 9, vierde lid.

B

Artikel 5a komt te luiden:

Artikel 5a. Afbouwtoelage onregelmatige dienst

  • 1. De commandant kent een afbouwtoelage onregelmatige dienst toe aan de militair, indien aan de militair in een kalendermaand niet langer een toelage onregelmatige dienst wordt toegekend en aan de militair voor de duur van ten minste vierentwintig maanden voorafgaande aan die beëindiging onafgebroken een toelage onregelmatige dienst is toegekend.

  • 2. Onderbreking van de toekenning van de toelage onregelmatige dienst tijdens de in het eerste lid genoemde duur van vierentwintig maanden, wordt buiten beschouwing gelaten voor zover deze onderbreking verband houdt met:

    • a. inzet in het kader van een operatie als bedoeld in de Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties, alsmede de aan die inzet voorafgaande opleiding;

    • b. een waarneming, in opdracht van de commandant voor een periode van in totaal ten hoogste twaalf maanden.

  • 3. De afbouwtoelage wordt toegekend voor een periode van twaalf maanden. Deze periode wordt opgeschort voor zover op de militair de Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties van toepassing is, of indien aan de militair een vergoeding wordt toegekend voor het verrichten van meerdaagse activiteiten.

  • 4. De berekeningsbasis voor de afbouwtoelage onregelmatige dienst is de toelage onregelmatige dienst die de militair gemiddeld over de twaalf kalendermaanden direct voorafgaand aan de beëindiging van de toekenning van de toelage onregelmatige dienst heeft ontvangen.

  • 5. De hoogte van de afbouwtoelage wordt, conform de in het derde lid genoemde periode van twaalf maanden, vastgesteld:

    • a. voor de eerste vier maanden op 75% van de berekeningsbasis;

    • b. voor de tweede vier maanden op 50% van de berekeningsbasis en

    • c. voor de derde vier maanden op 25% van de berekeningsbasis.

  • 6. Indien tijdens de in het derde lid genoemde periode van twaalf maanden opnieuw een toelage onregelmatige dienst wordt toegekend, dan wordt het bedrag van de afbouwtoelage daarmee verlaagd.

C

In artikel 5b wordt het bedrag ‘€ 54,–’ vervangen door ‘€ 55,97’.

D

Artikel 5c komt te luiden:

Artikel 5c. Berekening toelage onregelmatige dienst in bijzondere situaties

  • 1. De militair van wie de werkzaamheden of diensten door ziekte worden onderbroken, behoudt aanspraak op de toelage onregelmatige dienst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, voor de duur van de ziekte.

  • 2. De hoogte van de toelage, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van de toelage onregelmatige dienst die de militair gemiddeld over de twaalf kalendermaanden direct voorafgaand aan de onderbreking heeft ontvangen.

  • 3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de werkzaamheden of diensten door vakantieverlof worden onderbroken.

ARTIKEL II OVERGANGSBEPALING VOOR DE KONINKLIJKE MARECHAUSSEE

In afwijking van artikel I wordt tot en met 31 december 2025 voor militairen die werkzaam en ingedeeld zijn bij de Koninklijke Marechaussee, met uitzondering van de militairen op wie de Regeling vergoedingen militairen DSI van toepassing is, voor de berekening van de toelage voor onregelmatige dienst en de afbouwtoelage onregelmatige dienst uitgegaan van de berekeningssystematiek zoals die gold voor de inwerkingtreding van artikel I.

ARTIKEL III OVERGANGSBEPALING VOOR DE DIENST SPECIALE INTERVENTIES

In afwijking van artikel I wordt met ingang van 1 augustus 2025 voor militairen op wie de Regeling vergoedingen militairen DSI van toepassing is, als tijdelijke maatregel voor het vaststellen van de toelage voor onregelmatige dienst uitgegaan van een vast bedrag ter hoogte van € 616,84 per maand, totdat voor deze categorie militairen een structurele maatregel met betrekking tot de vergoeding voor onregelmatigheid van kracht is.

ARTIKEL IV OVERGANGSBEPALING VOOR DE OVERGANGSMAAND

  • 1. Voor de maand waarin de berekeningssystematiek van de toelage onregelmatige dienst wijzigt conform artikel I, ontvangt de militair zowel een voorschot op de toelage onregelmatige dienst op basis van de berekeningssystematiek zoals die gold voor de inwerkingtreding van artikel I, als een toelage onregelmatige dienst op grond van artikel I.

  • 2. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in gelijke delen teruggevorderd over een periode van twaalf maanden.

ARTIKEL V OVERGANGSBEPALING COMPENSATIE

  • 1. Voor zover in de periode van 1 augustus 2025 tot en met de datum van inwerkingtreding van deze regeling de militair financieel nadeel ondervindt als gevolg van de toepassing van deze regeling ten opzichte van de periode voor 1 augustus 2025, verstrekt het bevoegd gezag op verzoek van de militair eenmalig een compensatie ten bedrage van het ondervonden nadeel.

  • 2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, bevat een onderbouwing van het ondervonden nadeel.

  • 3. Het recht op compensatie vervalt indien het verzoek daartoe niet voor 1 december 2025 is ingediend.

ARTIKEL VI INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2025, met uitzondering van artikel I dat terugwerkt tot en met 1 januari 2023.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Defensie voor deze De Hoofddirecteur Personeel M.A. Suwout (wnd)

TOELICHTING

Algemeen deel

In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 is afgesproken dat per 1 januari 2023 de toelage onregelmatige dienst (TOD) voor militairen geharmoniseerd wordt met de systematiek die geldt voor het burgerpersoneel. Het uurtarief dat voor de berekening wordt gehanteerd is € 14,– per uur. Vanaf de invoering van deze nieuwe systematiek wordt de TOD voor militairen achteraf berekend en betaald. Sociale partners hebben op een eerder moment afgesproken om een vereenvoudigd model van toelagen te gaan introduceren. Zij willen naar een systeem waarin toelagen zo generiek als mogelijk zijn en zo specifiek als noodzakelijk. De toelagen worden daarbij beter uitlegbaar en zoveel mogelijk op dezelfde manier berekend. De nieuwe systematiek voor de TOD achteraf sluit bij dit uitgangspunt aan: een TOD die achteraf wordt berekend en wordt betaald op grond van de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden, zal eerlijker en rechtmatiger zijn dan wanneer die gebaseerd is op een vooraf vastgesteld rooster. Gepoogd is om zoveel als mogelijk te harmoniseren met de TOD-systematiek die geldt bij het burgerpersoneel van Defensie, geregeld in het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (IBBAD). Daar waar het op grond van regelgeving niet mogelijk was, of het op praktische bezwaren stuitte, is van dit uitgangspunt afgeweken.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

Artikel 5, eerste lid

Voorheen werd de TOD op basis van een rooster vooraf toegekend. Met deze wijziging wordt de TOD na afloop van iedere kalendermaand toegekend op basis van het daadwerkelijk gerealiseerde rooster in die maand. Van belang is dat de werkzaamheden of diensten door de commandant zijn opgedragen. Het is niet de bedoeling dat werknemers zelfstandig besluiten om uit eigen beweging werkzaamheden of diensten te verrichten op ongebruikelijke uren en daarvoor een TOD ontvangen. Tevens is een wijziging doorgevoerd ten aanzien van de doelgroep voor TOD. Voortaan komen militairen tot en met de rang van kapitein-luitenant ter zee dan wel luitenant-kolonel in aanmerking voor een TOD. De grens lag voorheen bij de rang van luitenant ter zee der eerste klasse dan wel majoor.

In geval van samenloop tussen het verrichten van werkzaamheden of diensten op ongebruikelijke uren met overwerk of meerdaagse activiteiten gaat de overwerkvergoeding of vergoeding in geval van meerdaagse activiteiten vóór op het toekennen van TOD.

Werkzaamheden of diensten moeten als TOD-gevend worden beschouwd indien de verrichte werkzaamheden of diensten aan minimaal één van de volgende voorwaarden voldoen:

  • a. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn een werkdag (artikel 54a van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) exclusief pauze (= rusttijd);

  • b. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn een geconsigneerde pauze/afwijking pauzeverplichting (artikel 56q en 56r van het AMAR);

  • c. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn een aanwezigheidsdienst (conform de herleiding uit artikel 7 van de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid (VROB);

  • d. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn een opkomst als reservist;

  • e. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn een oproep uit consignatie (niet zijnde overwerk);

  • f. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn oefenen voor de duur van minder dan 24 uur;

  • g. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn varen voor de duur van minder dan 24 uur;

  • h. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn bijzondere inzet voor de duur van minder dan 24 uur.

De volgende werkzaamheden of diensten worden uitgesloten bij het bepalen van recht en hoogte van de TOD:

  • a. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn Meerdaagse Activiteiten, te weten:

    • oefenen voor de duur van meer dan 24 uur;

    • varen voor de duur van meer dan 24 uur;

    • bijzondere inzet voor de duur van meer dan 24 uur;

  • b. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn consignatie;

  • c. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn beperking in bewegingsvrijheid (zowel op de werkplek als niet op de werkplek);

  • d. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn tijdens een uitzending;

  • e. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn overwerk;

  • f. de verrichte werkzaamheden of diensten zijn tijdens het verlenen van bijstand in het kader van de Politiewet 2012, gedurende de tijd dat de militair aanspraak heeft op een toelage militaire bijstand in de zin van artikel 8 van de Inkomstenregeling Militairen.

Artikel 5, tweede lid

Omdat niet wenselijk wordt geacht dat ieder gewerkt uur op een ongebruikelijk tijdstip leidt tot toekenning van een TOD, is een drempelwaarde bepaald. Conform de rekensystematiek van de TOD achteraf levert dit een ondergrens op van (huidig) € 50,40. De norm voor deze drempelwaarde is gebaseerd op de waarde van één dienst (8 uren) op een zaterdag in een kalendermaand. Dit betekent uitdrukkelijk niet dat er ook daadwerkelijk op een zaterdag werkzaamheden of diensten moeten worden verricht, ook door het verrichten van werkzaamheden of diensten op andere ongebruikelijke uren kan de drempelwaarde worden gehaald. Deze waarde is gekoppeld aan het uurbedrag van (huidig) € 14,– zoals opgenomen in het derde lid van artikel 5 VROB. De drempelwaarde wordt naar rato toegepast op militairen voor wie op grond van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid van toepassing is. Op deze manier wordt rekening gehouden met het feit dat deze militairen als gevolg van de deeltijdarbeid minder werkzaamheden of diensten op ongebruikelijke uren kunnen verrichten.

Artikel 5, derde lid

In dit artikellid wordt de hoogte van de TOD vastgesteld. Naar mate de werkzaamheden of diensten een meer belastend karakter met zich brengen (zoals het werken op een zondag of een feestdag), is het percentage waarmee wordt gerekend en daarmee de toelage hoger. Voor de berekeningssystematiek is aansluiting gezocht bij de systematiek zoals die geldt bij het burgerpersoneel (vergelijk artikel 20, tweede lid, IBBAD). Hierop zijn twee uitzonderingen gemaakt.

In de eerste plaats wordt een percentage van een vast uurbedrag gehanteerd, te weten € 14,– dat geldt voor alle militairen ongeacht hun rang of stand. In de tweede plaats worden uren op maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 8:00 uur voor militairen, in tegenstelling tot bij hun burger collega’s, niet als een ‘ongebruikelijk uur’ aangemerkt maar als normale werktijd. Dit is overeenkomstig de bepalingen over werktijd voor de militair in artikel 54b, derde lid, van het AMAR.

Voor de berekening van de TOD wordt voor iedere maand alle hele en alle gebroken uren per tijdsperiode opgeteld, waarbij ieder heel kwartier voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 5, vijfde lid

Het uitgangspunt is dat aan de militair voor het verrichten van werkzaamheden of diensten op een zaterdag, zondag of feestdag een TOD wordt toegekend en geen ZZF-vergoeding. Behalve als de militair bij wijze van overwerk in opdracht van de commandant op een ZZF-dag een activiteit verricht, genoemd in artikel 9, vierde lid, van de VROB. In dat geval ontvangt de militair geen TOD, maar een ZZF-vergoeding en vergoeding voor overwerk (waar van toepassing).

Artikel I, onderdeel B

Artikel 5a, eerste lid

Een afbouwtoelage onregelmatige dienst (ATOD) wordt toegekend indien er in een kalendermaand geen TOD meer wordt toegekend. Door de wijziging naar TOD achteraf wordt geen ATOD meer toegekend bij een vermindering van de TOD. De hoogte van de TOD kan namelijk elke kalendermaand fluctueren en het wordt niet wenselijk geacht als die wijzigingen steeds tot een ATOD zouden leiden.

Er dient tenminste vierentwintig maanden onafgebroken TOD te zijn toegekend, voordat door de commandant een ATOD wordt toegekend. Deze termijn is in lijn met de burgersystematiek (vergelijk artikel 21, tweede lid, IBBAD). Er is daarnaast gekozen voor een periode van vierentwintig maanden, omdat militairen dan beschikbaar zijn voor het functietoewijzingsproces en het redelijk wordt geacht dat zij bij functiewisseling naar een functie zonder TOD in aanmerking komen voor een ATOD.

Artikel 5a, tweede lid

De inzet in het kader van een operatie dan wel de waarneming wordt niet aangemerkt als een onderbreking van de opbouw van de periode van vierentwintig maanden benodigd voor de latere toekenning van ATOD. Gedurende de inzet of waarneming wordt de opbouw van die periode gecontinueerd.

Voor de bij onderdeel b genoemde duur van twaalf maanden is aansluiting gezocht bij de maximale duur van een waarneming op grond van artikel 22 van het AMAR. Enkel de onderbrekingen door waarnemingen die bij elkaar opgeteld maximaal twaalf maanden duren, worden buiten beschouwing gelaten. Indien aan de voorwaarden voor ATOD is voldaan, wordt tijdens de tijdelijke onderbreking zoals hiervoor bedoeld ATOD toegekend.

Artikel 5a, zesde lid

Als de ATOD wordt toegekend, gebeurt dit conform het derde lid voor een periode van twaalf maanden. Indien aan de militair tijdens deze periode opnieuw een TOD wordt toegekend, eindigt de toekenning van de ATOD niet. De militair ontvangt in dat geval voor de resterende duur de ATOD en, als de nieuwe TOD hoger is dan de ATOD, het meerdere van de TOD. Is de TOD lager, dan ontvangt de militair gewoon het bedrag van de ATOD.

Zodra de militair overigens gedurende de periode van ATOD opnieuw onregelmatig gaat werken en weer TOD ontvangt, start meteen de opbouw voor een nieuwe ATOD. Als die opbouw minstens vierentwintig maanden onafgebroken plaatsvindt, kan de militair na verloop van tijd wederom een ATOD krijgen.

Artikel I, onderdeel D
Artikel 5c, eerste en tweede lid

Tijdens ziekte wordt een vervangende TOD doorbetaald. De hoogte van de vervangende TOD wordt berekend over de gemiddelde TOD van de twaalf kalendermaanden direct voorafgaande aan de maand van de eerste ziektedag. Dit wordt teruggerekend naar een uurbedrag, zodat indien nodig voor ieder uur van ziekte een vervangende TOD kan worden toegekend.

Met de term ‘behoudt’ in het eerste lid komt de voorwaarde tot uitdrukking dat de militair al TOD ontvangt op het moment dat de militair ziek wordt. Dit houdt in dat in de kalendermaand direct voorafgaande aan de maand van de eerste ziektedag minimaal TOD ter hoogte van de drempelwaarde van artikel 5, tweede lid, is toegekend.

De drempelwaarde uit artikel 5, tweede lid, geldt onverkort voor de kalendermaand(en) waarin een vervangende TOD voor ziekte wordt doorbetaald. Als dus sprake is van een kalendermaand waarin de totale TOD, dat wil zeggen TOD conform artikel 5 eerste lid en/of de vervangende TOD op grond van artikel 5c eerste en tweede lid, niet boven de drempelwaarde van artikel 5 tweede lid uitkomt, vindt er geen uitbetaling van TOD plaats.

Artikel 5c derde lid

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest Williams e.a./British Airways

bepaald dat ‘elke last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die de werknemer zijn opgedragen (...) en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt, wordt gerekend tot de globale beloning van de werknemer (...), die noodzakelijkerwijs deel moet uitmaken van het bedrag waarop de werknemer recht heeft gedurende diens jaarlijkse vakantie’.1

Vastgesteld kan worden dat de TOD van een militair intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken van diens functie. De TOD is daarmee onderdeel van het loonbegrip en komt derhalve ook tijdens een periode van vakantieverlof in aanmerking voor uitbetaling.

Artikel II

Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden vindt de ingebruikname van het nieuwe roostersysteem Tactisch Operationeel Bevelvoering Systeem (TOBS) bij de KMar en de invoering van de nieuwe berekeningswijze van de TOD (nagenoeg) gelijktijdig plaats. Pas bij de (door)ontwikkeling van TOBS zal de noodzakelijke integratie met de Roosterservice van de Rooster Management Tool (RMT) ingeregeld kunnen worden. Omdat het gebruik van de Roosterservice een noodzakelijke voorwaarde is voor de uitbetaling van TOD achteraf en er vanaf 1 augustus 2025 nog geen goedgekeurde, gerealiseerde roosters vanuit de KMar kunnen worden aangeboden aan de Roosterservice, betekent dit dat er voor deze doelgroep dus ook nog geen TOD achteraf kan worden bepaald.

Hoewel artikel I van de wijzigingsregeling ook voor militairen van de KMar in werking treedt op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2023, vindt de uitvoering ervan pas plaats vanaf 1 januari 2026. In de tussenliggende periode wordt voor militairen van de KMar gewerkt met voorschotten op de TOD, berekend op basis van de berekeningssystematiek die gold voor de inwerkingtreding van artikel I. Voor KMar-militairen op wie de Regeling vergoedingen militairen DSI van toepassing is, geldt het gestelde in artikel III.

Artikel III

Tijdens de implementatie van TOD achteraf is gebleken dat er voor militairen die worden ingezet bij de Dienst Speciale Interventies (DSI) geen mogelijkheid bestaat om goedgekeurde, gerealiseerde roosters aan te leveren aan de Roosterservice. Zij worden ingezet bij de politie en hun werkzaamheden worden in het roostersysteem aldaar opgenomen. Gelet op de veiligheid van de betrokken militairen kan er geen (geautomatiseerde) overdracht van op de persoon traceerbare gegevens plaatsvinden vanuit het politiesysteem naar de Roosterservice. Voor deze militairen zal dan ook een andere manier van vergoeding voor onregelmatigheid moeten worden gevonden. Sociale partners spannen zich in hiervoor ten spoedigste tot een structurele maatregel te komen.

Gelet op de korte termijn tot de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling geldt met ingang van 1 augustus 2025 tot het moment waarop een structurele maatregel in werking is getreden dat de toelage onregelmatige dienst voor militairen op wie de Regeling vergoedingen militairen DSI van toepassing is, bestaat uit een vast bedrag ter hoogte van € 616,84 per maand. Dit bedrag is gebaseerd op de hoogste TOD-vergoeding in de berekeningssystematiek die gold voor de inwerkingtreding van artikel I en dit bedrag werd ook voor de inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingsregeling aan deze categorie militairen uitgekeerd. Met deze afspraak blijft de situatie voor de militairen van de DSI derhalve ongewijzigd.

Artikel IV

Bij de berekeningssystematiek van TOD vooraf vond de uitbetaling van de TOD plaats in de betreffende maand aan de hand van een voorschot. Bij de berekeningssystematiek van TOD achteraf vindt de uitbetaling van de TOD pas plaats in de maand volgend op de maand waarop de TOD betrekking heeft. Door de wijziging van de berekeningssystematiek ontstaat in de overgangsmaand de situatie dat de militair eenmalig geen TOD ontvangt bij de salarisbetaling (de militair ontvangt immers geen voorschot meer, maar zal pas in de volgende maand de TOD betaald krijgen). Om deze periode te overbruggen, ontvangt de militair in de overgangsmaand eenmalig toch nog een voorschot op basis van de oude systematiek, naast de TOD achteraf-betaling in de maand erna. Dit voorschot wordt in zijn geheel vervolgens in gelijke delen teruggevorderd over een periode van twaalf maanden.

Voor militairen van de KMar is januari 2026 de overgangsmaand, voor de overige militairen is dit augustus 2025. Voor militairen die worden ingezet bij de DSI is deze overgangsbepaling niet van toepassing, omdat de nieuwe berekeningssystematiek op grond van artikel I niet voor hen zal gelden.

Artikel V

Omdat al vanaf 1 augustus 2025 uitvoering is gegeven aan deze wijzigingsregeling, terwijl de publicatie in de Staatscourant pas later heeft plaatsgevonden, worden militairen die in de periode van 1 augustus 2025 tot de datum inwerkingtreding financieel nadeel hebben ondervonden door de toepassing van deze regeling, gecompenseerd voor dit ondervonden nadeel. Het gaat hierbij om de situatie dat de militair in de periode van 1 augustus 2025 tot de inwerkingtreding van de regeling een lager bruto bedrag aan TOD heeft ontvangen dan in de periode voor 1 augustus 2025, terwijl het vooraf vastgestelde basisrooster van de militair gelijk is gebleven.

De betreffende militair kan daartoe uiterlijk 1 december 2025 een verzoek indienen, waarin de militair uiteen zet waarin het ondervonden nadeel is gelegen. Na 1 december 2025 vervalt het recht op compensatie.

Artikel VI

In het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 zijn voor de verschillende maatregelen (deels vanwege beleidskeuzes, deels om budgettaire redenen) verschillende tijdstippen van inwerkingtreding afgesproken. Gelet op de datum waarop deze wijzigingsregeling wordt gepubliceerd is het onvermijdelijk dat hier terugwerkende kracht aan wordt verleend.

Hoewel artikel I van de wijzigingsregeling voor alle militairen in werking treedt op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2023, wordt voor militairen van de KMar pas per 1 januari 2026 uitvoering gegeven aan dit artikel.

In september 2025 vindt voor alle militairen (met uitzondering van de KMar, zie artikel II) voor het eerst de uitbetaling op basis van de nieuwe berekeningssystematiek plaats. Daarna vindt voor alle militairen (inclusief KMar) een herberekening plaats met terugwerkende kracht over de periode van 1 augustus 2025 tot en met 1 januari 2023 ten aanzien van zowel de TOD als de ATOD. Hierbij geldt de afspraak dat eventueel te weinig ontvangen TOD of ATOD wordt nabetaald, maar dat eventueel te veel genoten voorschot niet zal worden teruggevorderd. Voor deze herberekening geldt dus het ‘voordeel schutter’ principe.

Omdat voor militairen van de KMar pas in januari 2026 uitvoering zal worden gegeven aan artikel I, vindt voor hen, naast de bovengenoemde herberekening, na 1 januari 2026 nog een herberekening plaats, maar dan over de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 december 2025. Ook voor deze herberekening geldt het ‘voordeel schutter’ principe.

Voor militairen op wie de Regeling vergoedingen militairen DSI van toepassing is, is artikel I niet van toepassing en zal er dus ook geen herberekening plaatsvinden. Zie voor hun situatie artikel III en de toelichting daarbij.

De Staatssecretaris van Defensie voor deze De Hoofddirecteur Personeel M.A. Suwout (wnd)


X Noot
1

HvJEU 15 september 2011, ECLI:EU:C:2011:588.

Naar boven