Uitspraak Regionaal Tuchtcollege Zwolle

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 1 augustus 2025 op de klacht van:

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd,

gevestigd in Utrecht,

vertegenwoordigd door K. Stekelenburg, senior inspecteur, en mr. Q.J.M.A. Amelink, senior juridisch adviseur,

klaagster,

tegen

A,

verpleegkundige (tot 18 augustus 2023),

destijds werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de verpleegkundige,

gemachtigde: mr. B.D.W. Martens, werkzaam in Den Haag.

1. De zaak in het kort

  • 1.1 De verpleegkundige werkte op een zorgboerderij waar hij tevens vennoot was. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (de IGJ) kreeg een melding van de politie wegens grensoverschrijdend gedrag en geweld jegens cliënten door de verpleegkundige. Naar aanleiding daarvan heeft de IGJ onderzoek gedaan. Daarna heeft de IGJ een klacht tegen de verpleegkundige ingediend wegens overschrijding van de professionele grenzen door meermaals fysiek en verbaal geweld te gebruiken in de zorgrelatie jegens meerdere cliënten.

  • 1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure

  • 2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

    • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 februari 2025;

    • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 maart 2025.

  • 2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek).

    Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

  • 2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 juni 2025. De IGJ werd aldaar vertegenwoordigd door K. Stekelenburg, senior inspecteur en mr. Q.J.M.A. Amelink, senior juridisch adviseur. Verweerder en zijn gemachtigde waren afwezig met kennisgeving. De vertegenwoordigers van de IGJ hebben haar standpunt mondeling toegelicht.

3 De feiten

  • 3.1 De IGJ ontving op 30 november 2022 een melding van de politie Noord-Nederland over grensoverschrijdend gedrag en geweld door de verpleegkundige jegens cliënten bij zorgboerderij C. De IGJ ontving daarbij camerabeelden die waren gemaakt voor het tv-programma D. De IGJ bracht naar aanleiding van dit signaal op 14 december 2022 een bezoek aan de zorgboerderij en verzamelde informatie. De zorgboerderij kreeg de opdracht om alle zorg te staken totdat zij voldeed aan alle normen voor goede en veilige zorg. Tevens besloot de IGJ om een onderzoek te doen naar het toepassen van geweld in de zorgrelatie door zorgverleners van de zorgboerderij, onder wie de verpleegkundige, jegens meerdere cliënten.

  • 3.2 De verpleegkundige was ten tijde van het inspectieonderzoek vennoot van de zorgboerderij. Daarnaast was hij daar ook als zorgverlener werkzaam. De zorgboerderij bood 24-uurszorg aan acht cliënten met (ernstige) verstandelijke beperkingen en bijkomende problematiek zoals autisme, onbegrepen gedrag en andere psychische problematiek. Daarnaast werd er zorg geboden aan twee meervoudig beperkte cliënten.

  • 3.3 De IGJ stelde een onderzoek in naar de meldingen en heeft haar bevindingen vastgelegd in een conceptrapport dat voor controle op feitelijke onjuistheden aan de verpleegkundige is voorgelegd. Deze is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven op de conclusies van de IGJ. Hij heeft hier gebruik van gemaakt. Hierna is het rapport vastgesteld in augustus 2024. In het rapport wordt geconcludeerd dat de verpleegkundige essentiële beroepsnormen heeft overtreden gedurende de periode dat hij BIG-geregistreerd was en dat er sprake is van risico’s voor de cliëntveiligheid en voor het bieden van goede zorg.

  • 3.4 De verpleegkundige was tot 18 augustus 2023 ingeschreven in het BIG-register. De klacht handelt over een periode waarin de verpleegkundige BIG-geregistreerd was. De inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register is doorgehaald omdat de uiterlijke termijn voor herregistratie ongebruikt was verstreken. De verpleegkundige heeft tijdens het inspectieonderzoek en in zijn verweerschrift in onderhavige klacht verklaard niet meer in de zorg te willen werken.

  • 3.5 Bij vonnis van 18 juli 2024 van de rechtbank Noord-Nederland is de verpleegkundige veroordeeld voor het medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade van meerdere personen met gedragsproblemen, psychische problematiek en/of lichamelijke beperkingen. De rechtbank maakt in haar vonnis melding van het langdurige, stelselmatige en sadistische karakter van de bewezenverklaarde mishandelingen jegens volledig afhankelijke bewoners in combinatie met de weinig gewetensvolle houding van de verpleegkundige waardoor volgens de rechtbank alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf als afdoening in aanmerking komt. De verpleegkundige heeft hiervoor een gevangenisstraf van 5 jaar en 4 maanden gekregen. Daarnaast is aan hem de bijkomende straf opgelegd van ontzetting uit het recht om alle beroepen in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg uit te oefenen voor de duur van 10 jaren en 4 maanden. De verpleegkundige heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend en is in afwachting daarvan op vrije voeten. Op het hoger beroep is ten tijde van deze tuchtrechtelijke uitspraak nog niet beslist.

  • 3.6 De IGJ heeft op 7 februari 2025 onderhavige klacht ingediend.

4 De klacht en de reactie van de verpleegkundige

  • 4.1 De IGJ verwijt de verpleegkundige dat hij de professionele grenzen die hij in acht hoort te nemen heeft overschreden door meermaals fysiek en verbaal geweld te gebruiken in de zorgrelatie jegens meerdere cliënten.

  • 4.2 De verpleegkundige heeft hiermee volgens de IGJ gehandeld in strijd met de artikelen 2.1 tot en met 2.4 en 2.7 van de Nederlands Beroepscode Verpleegkundigen en Verzorgenden, V&VN, 2015 en in strijd met artikel 47, eerste lid, van Wet BIG. De IGJ is van mening dat de gedragingen van de verpleegkundige onverenigbaar zijn met de beroepsuitoefening. De verpleegkundige bleek tijdens het inspectieonderzoek nauwelijks in staat om te reflecteren op wat het effect van zijn handelen op de cliënten is geweest. Hij toonde zich daarmee niet bewust van de schade die hij met zijn handelen kon aanrichten of heeft aangericht. De verpleegkundige is kennelijk niet in staat om in de hoedanigheid van zijn beroep binnen een afhankelijkheidsrelatie adequaat en professioneel in het belang van de cliënt op te treden, aldus de IGJ.

  • 4.3 In het belang van de cliëntveiligheid acht de IGJ daarom naast een ontzegging van het recht om wederom in het BIG-register te worden ingeschreven, de maatregel uit artikel 48, tweede lid van de Wet BIG passend. Deze maatregel houdt in dat aan de verpleegkundige beperkingen worden opgelegd met betrekking tot het beroepsmatig handelen op het gebied van de individuele gezondheidszorg. De IGJ verzoekt het college om indien de voorgaande maatregel wordt opgelegd te beslissen dat deze onmiddellijk van kracht wordt. Tenslotte verzoekt de IGJ de eindbeslissing bekend te maken in de Staatscourant en in door het college aan te wijzen vaktijdschriften of nieuwsbladen op grond van artikel 71 van de Wet BIG.

  • 4.4 De verpleegkundige kan zich niet vinden in het door de IGJ geschetste feitenrelaas. Desondanks heeft hij besloten zich bij de verzochte maatregel, oplegging van een beroepsverbod voor de individuele gezondheidszorg, neer te leggen. Hij voert geen inhoudelijk verweer met betrekking tot de op te leggen maatregel. Met betrekking tot het feitenrelaas zegt hij hier tijdens de behandeling van de hoger beroepszaak bij de strafrechter op te zullen reageren. Voor zover van belang in deze tuchtzaak verwijst hij naar zijn reactie die hij op het conceptrapport van de inspectie heeft gegeven. Daarin erkent hij dat hij fouten heeft gemaakt. Tegelijkertijd stelt hij dat hij een bijzondere vorm van humor heeft en het beste met zijn cliënten voor had. Hij wilde zijn cliënten een normaal leven bieden en investeerde op allerlei manieren in hen, aldus de verpleegkundige.

  • 4.5 Tot 18 augustus 2023 stond de verpleegkundige ingeschreven in het BIG-register. Momenteel is hij arbeidsongeschikt. Over drie jaar bereikt hij de pensioengerechtigde leeftijd. Hij heeft aangegeven dat hij niet meer in de individuele gezondheidszorg wil en kan werken. Dit ongeacht het resultaat van de nog lopende hoger beroepsprocedure bij de strafrechter.

  • 4.6 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5 De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

  • 5.1 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

  • 5.2 De Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden (V&VN) vermeldt, voorzover hier relevant:

    • “2.1 Als verpleegkundige/verzorgende ga ik ervan uit dat iedere zorgvrager recht heeft op zorg. Dat betekent onder andere dat ik

      • bij mijn zorgverlening de zorgvrager niet discrimineer op basis van kenmerken als etnische afkomt, nationaliteit, leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid, ras, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, leefwijze, sociale positie of de aard van de gezondheidsproblemen

      • iedere zorgvrager en zijn naasten met respect benader

      • aandacht heb voor de zorgvrager als persoon en voor zijn omgeving.

    • 2.2 Als verpleegkundige/verzorgende streef ik naar een goede zorgrelatie met de zorgvrager (en/of zijn vertegenwoordiger). Dat betekent onder andere dat ik

      • mij ervan bewust ben dat een goede zorgrelatie een voorwaarde is om zicht te krijgen op de zorgbehoeften van de zorgvrager

      • mij inzet voor een relatie met de zorgvrager die op wederzijds vertrouwen gebaseerd is

      • weet dat de zorgvrager het recht heeft om de zorgrelatie niet aan te gaan of te beëindigen en dat ik die beslissing respecteer, voor zover dit verantwoord is.

    • 2.3 Als verpleegkundige/verzorgende stel ik in de zorgverlening de zorgvrager centraal.

      Dat betekent onder andere dat ik

      • opkom voor de belangen van de zorgvrager

      • bij schaarste de zorg rechtvaardig over de verschillende zorgvragers verdeel en mijn verdeling kan verantwoorden.

    • 2.4 Als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager (en/of zijn vertegenwoordiger) professionele grenzen in acht.

      Dat betekent onder andere dat ik

      • geen misbruik maak van de afhankelijke positie van de zorgvrager

      • geen intieme en/of seksuele relatie aanga met de zorgvrager

      • mij niet schuldig maak aan intimidatie of geweld

      • geen gift in natura, geld of geschenk van de zorgvrager of diens sociale netwerk accepteer dat meer is dan een symbolisch gebaar van dank

      • geen financiële banden van welke aard dan ook aanga met de zorgvrager

      • aan de zorgvrager mijn eigen grenzen duidelijk maak

      • mijn collega’s of leidinggevende om hulp vraag als ik merk dat de professionele grenzen dreigen te vervagen of overschreden dreigen te worden.

    • 2.7 Als verpleegkundige/verzorgende werk ik samen met de zorgvrager (en/of zijn vertegenwoordiger).

      Dat betekent onder andere dat ik

      • de regie zoveel mogelijk bij de zorgvrager laat

      • de zorgvrager stimuleer om binnen zijn mogelijkheden en op basis van zijn ervaringskennis voor zichzelf te zorgen en hem daarbij ondersteun

      • de zorgvrager steun bij het zoeken naar wat voor hem goede zorg is door goed naar hem te luisteren, hem te observeren en te reageren op zijn zorgen, wensen en behoeften

      • samen met de zorgvrager zijn verpleeg- of zorg(leef)plan opstel, uitvoer en evalueer.”

  • 5.3 De klacht houdt in dat de verpleegkundige een grove inbreuk heeft gemaakt op de rechten van cliënten jegens wie hij fysiek en verbaal geweld gebruikte. De in de zaak door de IGJ ingebrachte videobeelden en de in het geding gebrachte dagrapportage onderbouwen deze klacht en bevatten schokkende voorbeelden waaruit een structureel disrespect voor cliënten, het gebruiken van geweld en ernstig disfunctioneren blijkt. Ter illustratie volgt hier een selectie van hetgeen in de beeldopnames en uit de dagrapportage naar voren komt.

    Zo zegt de verpleegkundige tegen collegae over een ernstig meervoudig beperkte cliënt: “Flikker hem maar in zijn stoel, douw hem maar in een hok en hij hoeft er niet meer uit te komen”. Vervolgens zegt de verpleegkundige tegen de cliënt: “Nooit meer naar de wc, er wordt niet meer naar je gekeken. We laten je wegteren tot een geraamte.”

    In een andere beeldopname oppert de verpleegkundige het idee om deze cliënt, die volgens de verpleegkundige niet genoeg heeft gedronken, in de zon te zetten, zodat hij hoofdpijn krijgt. Als een collega oppert om de cliënt een zout voetbad te geven om vocht aan het lichaam te onttrekken, gaat de verpleegkundige daarin mee omdat hij dat naar zijn zeggen een leuk idee vindt.

    Bij een andere ernstig meervoudig beperkte cliënt die met zijn rolstoel in een hoek van de kamer is gezet met zijn gezicht naar de muur, zet de verpleegkundige een omgekeerde wasmand over zijn hoofd en schouders met de vraag of hij naar het gevang wil. Als een collega opmerkt dat de cliënt te dik is voor de wasmand, zegt de verpleegkundige: “Hij heeft hem zo vaak over zijn neus gehad, gewoon even doorduwen”. Als de cliënt de wasmand van zijn hoofd afwerpt, merkt een collega op dat er bloed op de wasmand zit. De verpleegkundige lacht hierom, gaat kijken en zegt lachend “je hebt je neus er doorheen getrokken” en haalt vervolgens langs de neus van de cliënt een stuk keukenrol. Als een collega vraagt of het wel gaat, zegt de verpleegkundige ”ja hoor” onder de opmerking dat cliënt een dunne huid heeft.

    De verpleegkundige laat een ernstig meervoudig beperkte cliënt voor straf vanaf ’s ochtends vroeg urenlang op een houten bankje zonder kussen buiten het huis in de voortuin zitten. De verpleegkundige zegt tegen een collega dat de cliënt in de voortuin zit omdat hij “wel last moet hebben van het verkeer” en dat het niet uitmaakt hoe lang de cliënt daar zit, omdat cliënt “tijdloos is”. Een collega vraagt of hij de cliënt nog eten gaat geven. De verpleegkundige antwoordt: ”maar dan gaat hij niet dood, dan blijft hij gillen”. Op een vraag van de collega antwoordt de verpleegkundige dat cliënt die ochtend geen eten heeft gehad, ’s middags tijdens de lunch nog geen eten krijgt en dat cliënt alleen eten krijgt als hij niet gilt.

    In de dagrapportage in een cliëntdossier staat aangetekend dat een cliënt omdat hij weigerde zijn was te doen, een emmer water over zich heen gegooid krijgt en vervolgens zonder kleren naar buiten is gestuurd. Ook deze cliënt krijgt in eerste instantie geen eten omdat “alleen mensen die werken eten verdienen.”

  • 5.4 De verpleegkundige heeft op de door de IGJ gemaakte verwijten in deze tuchtzaak geen inhoudelijk verweer gevoerd. Bij zijn reactie op het conceptrapport van de IGJ heeft hij gezegd dat hij soms sarcastische en wat donkere humor hanteert en dat hij het beste met de cliënten voorhad. Verder zouden de video opnames niet representatief zijn voor zijn gedrag. De verpleegkundige geeft geen blijk van spijt en/of zelfreflectie. Evenmin geeft hij er als ervaren zorgverlener en vennoot blijk van zich bewust te zijn van zijn voorbeeldfunctie voor collega’s.

  • 5.5 Uit de beeldopnames blijkt dat cliënten niet met respect worden benaderd, er blijkt niet van onderling vertrouwen, de afhankelijke positie van de meervoudig beperkte cliënten wordt niet of onvoldoende onderkend en er is sprake van intimidatie van cliënten en het toepassen van geweld. Collega’s worden daartoe eveneens aangemoedigd. De verpleegkundige geeft geen blijk van enig besef dat hij professionele grenzen overschrijdt, laat staan dat hij daarop reflecteert. Van het geven van regie aan de zorgvrager is geen sprake, evenmin van het geven van goede zorg door te reageren op zorgen, wensen en behoeften van de zorgvrager.

    Het college oordeelt dat de verpleegkundige de Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden en de fundamentele beginselen van goed hulpverlenerschap in ernstige mate geweld heeft aangedaan. Hij schaadde met zijn gedrag in ernstige mate het welzijn en de autonomie van de cliënten door structureel intimidatie en geweld te vertonen en zijn collega’s daar eveneens toe aan te moedigen. Dit klemt eens te meer nu de betrokken cliënten vanwege de ernst van hun problematiek niet in staat waren om voor hun belangen op te komen of bespreekbaar te maken wat hen overkwam.

Slotsom

  • 5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.

Maatregel

  • 5.7 Het handelen van de verpleegkundige is ernstig verwijtbaar. Voor de veiligheid en het welzijn van de aan zijn zorg toevertrouwde patiënten is het noodzakelijk dat een zorgverlener de professionele grenzen van de beroepsgroep respecteert en in acht neemt. De ernst van de verweten gedragingen rechtvaardigt een beroepsbeperkende maatregel. Het college moet beoordelen welke maatregel in de gegeven omstandigheden en gelet op de aard en de ernst van het handelen naar verwachting voldoende effect zal hebben om herhaling te voorkomen. Preventie hoort in gevallen als deze voorop te staan.

  • 5.8 De verpleegkundige heeft er geen blijk van gegeven dat hij zich bewust is van de gevolgen van zijn handelen voor de veiligheid van patiënten. In zijn reactie op het (concept)rapport van de IGJ en op de tegen hem ingediende klacht bij dit college heeft hij niet of nauwelijks blijk gegeven van enige zelfreflectie. De verpleegkundige is niet in gesprek gegaan met de IGJ omdat hij daar naar zijn zeggen niet toe in staat was en is evenmin ter zitting van het college verschenen. Het college is daardoor niet in de gelegenheid geweest om de verpleegkundige persoonlijk te horen en te bevragen op zijn reflecties op de klacht. Het college heeft dan ook geen inzicht gekregen in de drijfveren en persoonlijkheid(structuur) van de verpleegkundige. Dat betekent dat voor het college ook niet helder is welke factoren hebben bijgedragen aan het handelen van de verpleegkundige. Ook is niet duidelijk of op deze factoren gerichte maatregelen kunnen worden getroffen en of behandeling nodig, mogelijk en haalbaar is. Een inschatting van eventuele toekomstige risico’s voor het geval de verpleegkundige terug zou gaan in de zorg is daardoor niet te geven.

  • 5.9 Het bovenstaande, tezamen en in onderling verband bezien, leidt ertoe dat er op dit moment geen zicht is op het antwoord op de vraag of – en zo ja, onder welke voorwaarden – de verpleegkundige zijn werk als verpleegkundige en in de zorg veilig zou kunnen hervatten. De aard en de duur van zijn ernstig tuchtrechtelijk verwijtbare handelen en de wijze waarop hij zich heeft opgesteld na het bekend worden van dit handelen, geeft het college niet het vertrouwen dat de verpleegkundige nu of in de toekomst geen risico zou vormen voor de patiëntveiligheid. Dat betekent dat de maatregel van verbod tot wederinschrijving in het BIG-register onontkoombaar is. Onder deze omstandigheden is er echter onvoldoende zekerheid dat met de maatregel van een verbod tot wederinschrijving het risico op herhaling voldoende is weggenomen. Het college zal daarom naast een verbod tot wederinschrijving ook een beroepsverbod als bedoeld in artikel 48, tweede lid, wet BIG, opleggen. Het college heeft zich nog afgevraagd of dit beroepsverbod beperkt zou moeten worden tot bepaalde groepen (extra) kwetsbare patiënten, zoals patiënten in de ggz, thuis- en verpleeghuis-, verstandelijk gehandicapten- en/of ouderenzorg. Het college heeft daar echter niet voor gekozen, omdat ook voor andere patiënten geldt dat zij zich (in meerdere of mindere mate) in een kwetsbare positie bevinden ten opzichte van hun zorgverlener. Afgezet tegen de bagatelliserende houding van de verpleegkundige en diens onwil of onvermogen om zich toetsbaar op te stellen, is de slotsom dat er bij het college onvoldoende vertrouwen bestaat dat andere categorieën patiënten met zo’n geclausuleerd beroepsverbod voldoende zouden worden beschermd. In het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg zal het college ook bepalen dat deze algehele beperking (het beroepsverbod) onmiddellijk van kracht wordt (artikel 48, achtste lid, tweede volzin).

  • 5.10 Voor het geval de verpleegkundige op de datum van deze uitspraak weer is ingeschreven in het BIG-register, legt het Centraal Tuchtcollege bovendien de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register op.

Publicatie

  • 5.11 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht gegrond;

  • beveelt de doorhaling van de inschrijving van de verpleegkundige in het register dan wel ontzegt de verpleegkundige, voor het geval hij op het moment van onherroepelijk worden van deze beslissing niet is ingeschreven in het register, het recht om weer in dit register te worden ingeschreven;

  • legt daarnaast een algeheel verbod op tot het beroepsmatig handelen op het gebied van de individuele gezondheidszorg en bepaalt dat dit verbod onmiddellijk van kracht wordt;

  • bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften V&VN Magazine, Nurse Academy GGZ, Medisch Contact, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Gezondheidszorg Jurisprudentie.

Deze beslissing is gegeven door P.E.M. Messer-Dinnissen, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, L.H. Kruze, J. van der Sluis en R. Broeren-Woudstra, leden-beroepsgenoten,

bijgestaan door K.M. Dijkman, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2025.

secretaris

voorzitter

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  • a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

    • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of

    • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

    Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  • b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

  • c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,– griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Herstelbeslissing d.d. 8 augustus 2025 naar aanleiding van de op 1 augustus 2025 gegeven beslissing op de klacht van

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd,

gevestigd in Utrecht,

vertegenwoordigd door K. Stekelenburg, senior inspecteur, en mr. Q.J.M.A. Amelink, senior juridisch adviseur,

klaagster,

tegen

A,

verpleegkundige (tot 18 augustus 2023),

destijds werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de verpleegkundige,

gemachtigde: mr. B.D.W. Martens, werkzaam in Den Haag.

1. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

In deze zaak is op 1 augustus 2025 een beslissing gegeven.

Naar thans blijkt, bevat de genoemde beslissing een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel.

In overweging 5.10 staat abusievelijk vermeld “Centraal Tuchtcollege” in plaats van “college”.

Derhalve wordt als volgt beslist.

2. DE BESLISSING

De beslissing wordt als volgt verbeterd:

In overweging 5.10 dient “Centraal Tuchtcollege” te worden vervangen door “college”.

Deze herstelbeslissing zal worden aangetekend op de beslissing van 1 augustus 2025 en maakt door aanhechting onderdeel uit van deze beslissing.

Aldus gegeven door P.E.M. Messer-Dinnissen, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist en L.H. Kruze, J. van der Sluis en R. Broeren-Woudstra, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van K.M. Dijkman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2025.

voorzitter

secretaris

Naar boven