Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 17 september 2025, nr. 4209465-1087508-J, houdende wijziging van de Regeling specifieke uitkering randvoorwaardelijke functies jeugdhulp in verband met aanpassing van de hoogte van de specifieke uitkering en enkele andere wijzigingen van ondergeschikte aard [KetenID WGK028233]

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling specifieke uitkering randvoorwaardelijke functies jeugdhulp wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het opschrift wordt toegevoegd ‘2025’.

2. In de aanhef wordt ‘jaarlijks’ vervangen door ‘voor 2025’.

3. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Expertisenetwerken:

    a)

    Amsterdam

    € 3.897.690,33

    b)

    Rotterdam

    € 5.004.065,81

    c)

    Eindhoven

    € 3.930.712,26

    d)

    Roermond

    € 1.844.638,51

    e)

    Groningen

    € 2.677.568,31

    f)

    Utrecht

    € 2.812.216,18

    g)

    Nijmegen

    € 3.237.468,30

    h)

    Enschede

    € 2.140.640,29

B

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5. Hoogte van de specifieke uitkering en uitkeringsplafond vanaf 2026

De specifieke uitkering per randvoorwaardelijke functie en per coördinerende gemeente bedraagt vanaf 2026 maximaal:

  • 1. Expertisenetwerken:

    a)

    Amsterdam

    € 3.433.080,15

    b)

    Rotterdam

    € 4.407.574,11

    c)

    Eindhoven

    € 3.462.165,82

    d)

    Roermond

    € 1.624.755,01

    e)

    Groningen

    € 2.358.398,39

    f)

    Utrecht

    € 2.476.996,05

    g)

    Nijmegen

    € 2.851.557,52

    h)

    Enschede

    € 1.885.472,95

  • 2. Academische centra:

    a)

    Amsterdam

    € 941.053,02

    b)

    Groningen

    € 1.453.242,50

    c)

    Leiden

    € 840.822,36

    d)

    Nijmegen

    € 1.676.077,18

  • 3. Plaatsingscoördinatie gesloten jeugdhulp:

    a)

    Arnhem

    € 91.458,03

    b)

    Den Haag

    € 142.268,04

    c)

    Leeuwarden

    € 91.458,03

    d)

    Tilburg

    € 116.863,04

    e)

    Utrecht

    € 116.863,04

C

In artikel 6 vervalt ‘minimaal’.

D

In artikel 11, derde lid, wordt na ‘niet of niet geheel’ ingevoegd ‘in het jaar of’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2025.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J.Z.C.M. Tielen

TOELICHTING

Algemeen

Op grond van de Regeling specifieke uitkering randvoorwaardelijke functies jeugdhulp (hierna: de regeling) ontvangen een aantal coördinerende gemeenten middelen voor drie ‘randvoorwaardelijke functies’ in het jeugdhulpstelsel. Dit houdt in dat zij, namens alle gemeenten, bepaalde taken bovenregionaal op zich nemen, namelijk voor de volgende randvoorwaardelijke functies:

  • Expertisenetwerken jeugdhulp

  • Academische onderzoeksfunctie van de academische centra kinder- en jeugdpsychiatrie

  • Plaatsingscoördinatie gesloten jeugdhulp

De regeling wordt op een aantal punten aangepast door middel van een wijzigingsregeling. De hoogte van de uitkering voor de expertisenetwerken voor het jaar 2025 is verhoogd. De hoogte van de specifieke uitkering voor alle drie de functies vanaf 2026 is verlaagd. Daarnaast zijn er enkele wijzigingen van ondergeschikte aard doorgevoerd.

Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als aan de volgende vijf cumulatieve criteria is voldaan:

  • De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;

  • De steun wordt met staatsmiddelen bekostigd;

  • De staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen;

  • De maatregel is selectief;

  • De maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU.

In dit geval wordt het eerste criterium niet vervuld. Gemeenten kunnen voor de uitvoering van bepaalde aan hen opgedragen publieke taken een specifieke uitkering krijgen. Zij zijn in zo’n geval niet aan te merken als ondernemingen in de zin van de staatssteunregels. Logischerwijs dienen gemeenten bij het invullen van deze publieke taken zelf rekening te houden met de staatssteunregels.

Artikelsgewijs

ARTIKEL I

Onderdeel A

Via het amendement Westerveld en Klaver1 is jaarlijks € 26 miljoen beschikbaar voor de bovenregionale expertisenetwerken. € 25 miljoen wordt op grond van de regeling direct uitgekeerd aan acht coördinerende gemeenten en € 1.000.000,– is beschikbaar voor de ondersteuning van de expertisenetwerken en de landelijke kennis- en leerfunctie.

Van deze € 1.000.000,– wordt in 2025 € 455.000,– besteed aan verbeteringen aan de landelijke monitor Regionaal Expertteams (RETs), afdracht aan het btw compensatiefonds en een onderzoek naar de invulling van de functies en

randvoorwaarden van de 42 RETs. Om de overige € 545.000 in 2025 ten gunste te laten komen van de acht bovenregionale expertisenetwerken waarvoor de middelen bedoeld zijn, wordt alsnog dit bedrag volgens de sinds 2022 gehanteerde verdeelsleutel over de coördinerende gemeenten van de regeling verdeeld. Dit houdt in dat 75% van het bedrag verdeeld wordt over de acht bovenregionale gebieden op basis van het gewogen aantal jongeren tot 23 jaar in het betreffende gebied en 25% van de middelen wordt evenredig verdeeld over de acht bovenregionale gebieden.

In artikel 4, eerste lid van de regeling zijn de extra bedragen opgeteld bij de bedragen die reeds uitgekeerd zijn voor het jaar 2025. Deze bedragen worden uitgekeerd aan de coördinerende gemeenten via een herziening van de beschikking.

Onderdeel B

In het regeerprogramma Schoof is opgenomen om specifieke uitkeringen per 2026 om te zetten naar fondsuitkeringen en hierbij een budgetkorting van 10% toe te passen. In mei is de Kamer geïnformeerd over het Kabinetsbesluit2 waarin ook het besluit over deze regeling is toegelicht. De regeling zal in elk geval de vorm van een SPUK behouden in 2026 en de budgetkorting van 10% zal vanaf 2026 worden toegepast. De SPUK zal eind 2025 en begin 2026 geëvalueerd gaan worden waarbij ook verkend zal worden of op termijn het instrument bijzondere fonds uitkering (BFU) een mogelijke nieuwe uitkeringsvorm voor deze regeling wordt.

In het nieuwe artikel 5 van de regeling zijn de bedragen vanaf 2026 voor de drie functies weergegeven waarbij de 10% budgetkorting is toegepast op de bedragen zoals deze begin 2025 als specifieke uitkering zijn verstrekt.

Vanaf 2026 ontvangen de coördinerende gemeenten met betrekking tot deze regeling geen middelen meer voor loon- en prijsontwikkeling (LPO) van VWS, omdat hiervoor geen middelen beschikbaar zijn. Het oorspronkelijke artikel 5 van de regeling is daarom komen te vervallen. Ook is de indexering voor de loon- en prijsontwikkeling (LPO), verstrekt in het jaar 2025, om dezelfde reden niet verder doorgerekend in de maximale bedragen vanaf het jaar 2026.

Onderdelen C en D

Gezien de beschikking jaarlijks wordt afgegeven is het woord ‘minimaal’ in artikel 6 overbodig geworden en is in artikel 11 ‘in het jaar of’ een beter passende bewoording.

ARTIKEL II

De regeling treedt, in lijn met de vaste verandermomenten voor inwerkingtreding van ministeriële regelingen, in werking op 1 oktober 2025.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J.Z.C.M. Tielen


X Noot
1

Amendement van de leden Westerveld en Klaver over budget voor expertisecentra voor gespecialiseerde jeugdhulp van 19 september 2019, 35 300-XVI-7.

Naar boven