Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 september 2025, nr. 6692706, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering voor de aanpak Preventie met Gezag 2026–2029

De Minister van Justitie en Veiligheid,

Gelet op artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet,

Besluit:

Artikel 1. Definitiebepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Minister:

de Minister van Justitie en Veiligheid;

Gemeenten:

de gemeenten genoemd in de bijlage behorende bij deze regeling;

Programma:

het plan van aanpak over de activiteiten Preventie met Gezag per gemeente.

Artikel 2. Doel en definitie activiteiten

  • 1. Deze regeling heeft tot doel om gemeenten een specifieke uitkering te verstrekken waarmee zij in staat worden gesteld activiteiten in het kader van de aanpak Preventie met Gezag te ontplooien. Daarnaast worden enkele gemeenten in staat gesteld mee te doen aan de grassroot pilots.

  • 2. Onder de aanpak Preventie met Gezag wordt verstaan de aanpak waarmee een betekenisvolle en merkbare bijdrage aan het voorkomen, terugdringen en aanpakken van diverse vormen van (jeugd)criminaliteit wordt geleverd. De aanpak richt zich op kinderen, jongeren en jongvolwassenen in de leeftijd van 8 tot 27 jaar.

  • 3. De grassroot pilots zijn pilots bij zes gemeenten die gaan werken aan betere ondersteuning aan de geselecteerde informele organisaties in hun gemeenten.

Artikel 3. Specifieke uitkering

De Minister kan op aanvraag jaarlijks een specifieke uitkering verstrekken aan een gemeente genoemd in de bijlage bij deze regeling, voor het treffen van maatregelen in het kader van de aanpak Preventie met Gezag van 1 juni 2026 tot en met 31 december 2029.

Artikel 4. Aanvraag

  • 1. De aanvraag bevat:

    • a. een reflectie op het huidige programma tot en met juni 2025 en een vooruitblik van juli 2025 tot en met mei 2026;

    • b. een integraal domeinoverstijgend plan van aanpak voor 1 juni 2026 tot en met 31 december 2029.

  • 2. In de reflectie wordt in ieder geval ingegaan op:

    • a. de inspanningen die de gemeente vanaf de start heeft verricht vanuit het programma, de problematiek, de afgebakende doelgroep, de samenwerking met lokale, regionale en landelijke (justitie)partners en de bereikte (tussen)resultaten;

    • b. de financiële uitputting van het huidige programma tot 1 juni 2025 en een financiële prognose van 1 juni 2025 tot 1 juni 2026. In de financiële reflectie en prognose worden de oorzaken van een eventuele onderuitputting toegelicht.

  • 3. In het integraal domeinoverstijgend plan van aanpak wordt in ieder geval ingegaan op:

    • a. de ernst van de problematiek van de georganiseerde en ondermijnende (jeugd)criminaliteit en hieraan rakende thema’s in de gemeente;

    • b. een analyse van de doelgroep (8 t/m 27 jaar) in het focusgebied, daaronder begrepen een indeling in subdoelgroepen;

    • c. de visie voor de aanpak en de samenhang van het pakket aan maatregelen en interventies welke de gemeente wenst in te zetten en de beoogde balans tussen preventie en gezag;

    • d. de inhoudelijke samenhang van de aanpak met andere relevante programma’s en organisaties;

    • e. de begroting voor de periode vanaf juni 2026 tot en met december 2029, met een uitsplitsing van de inzet van eigen middelen, een uitsplitsing van de BTW en een overzicht van de wijze van borging van de aanpak in de gemeente.

  • 4. De aanvraag wordt uiterlijk op 31 december 2025 ingediend.

  • 5. De aanvraag voor een uitkering als genoemd in tabel 2 van de bijlage, wordt als addendum bij de aanvraag bijgevoegd.

Artikel 5. Hoogte specifieke uitkering

De hoogte van de specifieke uitkering bedraagt per gemeente ten hoogste het in de bijlage bij deze regeling genoemde bedrag. Het compensabele BTW-deel van het in de bijlage genoemde bedrag wordt niet aan de gemeente uitgekeerd. Dat bedrag wordt afgedragen aan het BTW-compensatiefonds.

Artikel 6. Verlening en bevoorschotting

  • 1. De Minister besluit uiterlijk 13 weken na indiening van aanvraag tot verlening van de specifieke uitkering.

  • 2. Het aan de gemeenten toegekende bedrag wordt in de periode van 2026 tot en met 2029 bij wijze van voorschot in jaarlijkse termijnen uitgekeerd. De eerste betaling vindt plaats binnen zes weken volgend op dagtekening van de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering. De volgende betalingen vinden plaats in januari 2027, januari 2028 en januari 2029.

Artikel 7. Verplichtingen

  • 1. De gemeente besteedt de specifieke uitkering binnen de periode die is opgenomen in de beschikking tot verlening daarvan.

  • 2. De gemeente neemt jaarlijks deel aan de monitorings- en evaluatiecyclus met betrekking tot de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend, alsook aan de landelijke evaluatie daarvan.

  • 3. De gemeente doet jaarlijks binnen de periode die is opgenomen in de verlengingsbeschikking aan de Minister verslag van de voortgang van de activiteiten, waarvoor de specifieke uitkering is verleend.

  • 4. De gemeente evalueert en monitort de eigen interventies zo veel mogelijk aan de hand van het Kwaliteitskader Effectieve Jeugdinterventies (KEI), dan wel aan de hand van een te starten traject om de activiteiten wetenschappelijk te onderbouwen met betrekking tot effectiviteit. Interventies die hier niet aan voldoen worden geleidelijk afgebouwd.

  • 5. De gemeente die een specifieke uitkering heeft ontvangen is verplicht om onverwijld een schriftelijke melding te doen zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor die uitkering is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht.

Artikel 8. Vaststelling en verantwoording

  • 1. Nadat de Minister de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ontvangen, stelt de Minister de uitkering binnen 22 weken overeenkomstig de verlening vast.

  • 2. De Minister kan de uitkering lager vaststellen, indien:

    • a. de kosten van de activiteiten lager uitvallen dan in de beschikking is vastgesteld;

    • b. de gemeente niet heeft voldaan aan de aan de uitkering verbonden verplichtingen;

    • c. de gemeente onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of

    • d. de verlening van de uitkering onjuist was en de gemeente waaraan de uitkering is verleend dit wist of behoorde te weten.

Artikel 9. Terugvordering

  • 1. De Minister kan onverschuldigd uitgekeerde bedragen naar aanleiding van een lagere vaststelling van de uitkering als bedoeld in artikel 8, tweede lid, terugvorderen.

  • 2. Indien de verantwoordingsinformatie te laat, niet of niet volledig wordt verstrekt, kan de Minister de uitkering op een lager bedrag vaststellen als volledige terugvordering tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden.

Artikel 10. Hardheidsclausule

De Minister kan een bepaling van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van het verstrekken van een uitkering voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 11. Inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2030.

Artikel 12. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering Preventie met Gezag 2026–2029.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 18 september 2025

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten

BIJLAGE BEHOREND BIJ ARTIKEL 5

Tabel 1: Bedragen aanpak Preventie met Gezag per gemeente

Gemeente

2026 (jun t/m dec)

2027, 2028 en 2029 per jaar

Totaal 1 jun 2026 – 31 dec 2029

Almere

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Amsterdam

€ 5.691.063,26

€ 9.756.108,45

€ 34.959.388,61

Arnhem

€ 1.238.181,96

€ 2.122.597,65

€ 7.605.974,91

Breda

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Delft

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Den Bosch

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Den Haag

€ 2.920.671,96

€ 5.006.866,22

€ 17.941.270,62

Dordrecht

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Eindhoven

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Enschede

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Groningen

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Heerlen

€ 1.116.127,93

€ 1.913.362,17

€ 6.856.214,44

Helmond

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Leeuwarden

€ 1.067.080,41

€ 1.829.280,70

€ 6.554.922,51

Lelystad

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Maastricht

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Nieuwegein

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Nijmegen

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Roosendaal

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Rotterdam

€ 5.456.494,76

€ 9.353.991,01

€ 33.518.467,79

Schiedam

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Sittard-Geleen

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Tilburg

€ 1.496.403,99

€ 2.565.263,99

€ 9.192.195,96

Utrecht

€ 2.776.925,25

€ 4.760.443,28

€ 17.058.255,09

Venlo

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Vlaardingen

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Zaanstad

€ 1.047.083,33

€ 1.795.000,00

€ 6.432.083,33

Tabel 2: Bedragen grassroot pilots per gemeente

Gemeente

2026 t/m 2029 per jaar

Totaal

Amsterdam

€ 200.000

€ 800.000

Arnhem

€ 200.000

€ 800.000

Delft

€ 100.000

€ 400.000

Leeuwarden

€ 200.000

€ 800.000

Tilburg

€ 200.000

€ 800.000

Utrecht

€ 100.000

€ 400.000

TOELICHTING

De Minister van Justitie en Veiligheid investeert meerjarig in het voorkomen dat jongeren in de georganiseerde criminaliteit terecht komen. Deze investering bestaat uit het verstrekken van specifieke uitkeringen aan een geselecteerd aantal gemeenten voor het treffen van maatregelen in het kader van het programma ‘Preventie met Gezag’.

Dit programma heeft als doel om te voorkomen dat kinderen en jongeren van 8 tot en met 27 jaar in aanraking komen met ondermijnende criminaliteit of daarin doorgroeien. Dit doet het programma door jongeren en hun gezinnen in een kwetsbare positie kansen te bieden als alternatief voor een criminele carrière en grenzen te stellen aan crimineel gedrag.

In dit programma werken geselecteerde gemeenten samen met lokale, regionale en landelijke (justitie)partners aan een domeinoverstijgende en gebiedsgerichte aanpak. Dit krijgt vorm doordat zij hun bestaande aanpak intensiveren, beter met elkaar samen werken of door het ontwikkelen van nieuwe interventies. De maatregelen zijn aangepast op de lokale situaties van de gemeenten.

Preventie met gezag is in 2022 gestart en de huidige financiering loopt tot en met mei 2026. Vanaf juni 2026 start een nieuwe financieringsronde voor de geselecteerde gemeenten. Door middel van deze specifieke uitkering krijgen gemeenten de mogelijkheid om ook de komende jaren hun bestaande aanpak te continueren en aan te scherpen. Hiervoor dienen de gemeenten een domeinoverstijgend integraal plan in en geven de gemeenten aan welke plannen zij willen uitvoeren op het terrein van het voorkomen van georganiseerde en ondermijnende jeugdcriminaliteit.

Op dit moment doen 27 gemeenten mee aan het programma ‘Preventie met gezag’. Het gaat om de volgende gemeenten. Daarnaast zij er zes gemeenten die meerjarig aanvullende middelen ontvangen voor de grassroot pilotaanpak. Deze gemeenten staan vermeld in de bijlage bij deze regeling.

Jaarlijks dienen de deelnemende gemeenten om deel te nemen aan monitorings- en evaluatiecyclus met betrekking tot de activiteiten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een vastgestelde vragenlijst. In overleg met de gemeenten, kan de vragenlijst jaarlijks worden aangescherpt.

Gemeenten dienen het pakket aan maatregelen en interventies te onderbouwen op basis van onderzoeken, data of het Landelijk Kwaliteitskader. Bij de keuze voor de gedragsinterventies, wordt verwacht dat er zoveel mogelijk wordt gekozen voor bewezen effectieve en/of wetenschappelijk onderbouwde interventies. Indien er geen gepaste bewezen effectieve interventies beschikbaar zijn, is er ruimte voor ontwikkeling, waarbij wel wordt gewerkt aan (wetenschappelijke) onderbouwing van de interventie. Indien ingezet wordt op interventies die niet voldoen aan bovenstaande verplichting, dient deze geleidelijk afgebouwd te worden.

In 2027 zal JenV de regeling als instrument evalueren. Hierbij zal de optie om de SPUK om te zetten naar een BFU worden meegenomen.

Aanvraag

De aanvraag bestaat uit een plan van aanpak met een reflectie en een begroting. De reflectie is bedoeld om te kunnen leren uit het verleden en zodoende bepaalde activiteiten aan te scherpen of aan te passen.

De reflectie dient onder meer inzicht te geven over de inspanningen die de gemeente vanaf de start (heeft) verricht vanuit het programma. Ook biedt de reflectie een financiële uitputting van het huidige programma. In de financiële prognose worden de oorzaken van een eventuele onderuitputting toegelicht.

Bij de beoordeling van de aanvraag zal worden gekeken naar de onderbouwing van de reflectie en het plan van aanpak. Hierbij zal ieder in artikel 4 van deze regeling genoemd onderdeel worden getoetst. Per onderdeel kan de gemeente een goed, voldoende of onvoldoende scoren. Op basis van de totaalbeoordeling zal de Minister per gemeente een specifieke uitkering toekennen.

Naast het plan van aanpak kunnen de zes gemeenten die deelnemen aan de pilot ‘grassroot’ middels een addendum bij de aanvraag voor de specifieke uitkering, een aanvullende uitkering aanvragen. Uit een Quickscan van het Instituut Publieke Waarden ‘Hoe bereikbaar zijn moeilijk bereikbare doelgroepen’ 1 blijkt dat informele ‘grassroot’ organisaties de jongeren beter bereiken dan formele organisaties. Daarbij werd eveneens geconstateerd dat de invulling van randvoorwaarden voor hun inzet, waaronder de wijze van financiering, niet optimaal is. Met de inzet van de pilots zal gewerkt worden aan betere ondersteuning van geselecteerde informele organisaties met betrekking tot de (financiële) randvoorwaarden.

De maximale hoogte van de specifieke uitkering per gemeente staat vermeld in bijlage 1 van deze regeling. Voor iedere gemeente is uitgegaan van een gereserveerd jaarbedrag ter grootte van € 1.795.000. Dit bedrag bestaat uit de volgende onderdelen: € 1.000.000 (basisbedrag), € 555.000 (net als bij de SPUK PmG 2023 t.b.v. de GI's, ZVH-en en jeugdboa's) en aanvullend € 240.000 (richtbedrag voor 1 RIO en 1 IPTA). Voor gemeenten die in 2025 een hoger bedrag ontvingen dan € 1.795.000 per jaar, wordt hetzelfde jaarbedrag als in 2025 gereserveerd voor 2026 tot en met 2029. De bedragen die genoemd zijn bij bovenstaande onderdelen zijn niet geoormerkt. Het totaalbedrag wordt naar inzicht van de aanvrager verdeeld over de lokale inspanningen, op basis van de lokale problematiek en behoeften.

Indien de gemeente de uitkering wil gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het was toegekend moet een aanvraag tot wijziging worden ingediend. De nieuwe activiteit wordt op dezelfde manier beoordeeld als de activiteiten die zijn vermeld bij de eerste aanvraag.

Het toegekende bedrag is inclusief BTW.

Via het financiële format van de aanvraag dienen de gemeenten aan te geven welk deel van de kosten uit hun begroting bestaat uit BTW. JenV dient deze BTW af te dragen aan het BTW-compensatiefonds (hierna: BCF), waarna de gemeente de werkelijk gemaakte BTW kosten na elk jaar bij het BTW-compensatiefonds kan claimen. Indien op moment van indienen van de aanvraag de BTW vanaf 2027 nog niet goed kan worden ingeschat, dient in het voorafgaande jaar t-1 een bijgestelde begroting met de uitsplitsing naar BTW van jaar t aangeleverd te worden. Wanneer deze begroting uiterlijk ingediend moet zijn, hoort de gemeente van de contactpersoon van het departement. In 2026, 2027, 2028 en 2029 ontvangt de gemeente jaarlijks een voorschot en zal jaarlijks door JenV een afdracht worden gedaan aan het BCF. Die bedragen zullen worden gebaseerd op de (herziene) begroting.

Als de gemeente van mening is dat BTW via het BCF niet van toepassing is (bijv. door afspraken met de regionale belastinginspecteur), dient aangegeven te worden in het financiële format dat een BTW afdracht niet van toepassing is. De toekenning zal dan inclusief BTW zijn.

Indien de opgegeven BTW (en dus de afdracht vanuit JenV) lager is dan de gemeente claimt of er wordt toch door de gemeente BTW geclaimd bij het BCF terwijl is aangegeven dat er geen sprake is van te verrekenen BTW met het BCF, dan veroorzaakt dat een negatief saldo in het BCF. Dit wordt dan verhaald op alle deelnemende gemeenten.

De financiële verantwoording geschiedt op de wijze als bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. Die wijze van verantwoording is nader uitgewerkt in de Regeling informatieverstrekking SiSa. Bij niet tijdig indienen van de verantwoordingsinformatie, treedt het maatregelenbeleid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in werking. Er volgt opschorting van uitbetaling van de specifieke uitkering totdat de verantwoordingsinformatie is ontvangen, tot een maximum van 26 weken. De verantwoordingsinformatie betreft het bedrag dat aan de gemeente is betaald. Dat is dus exclusief het gedeelte dat de gemeente uit het BTW-Compensatiefonds vergoed kan krijgen.

Indien het Ministerie van Justitie en Veiligheid loon- en prijsstijgingen krijgt uitgekeerd, kan de Minister besluiten de in de bijlage genoemde bedragen te verhogen. In dat geval zal de regeling worden gewijzigd.

’s-Gravenhage, 18 september 2025

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten


X Noot
1

Landstra, F & Voogt, I. (2024). Hoe bereikbaar zijn ‘moeilijk bereikbare doelgroepen’? Instituut Publieke Waarden.

Naar boven