Toekomstbestendig Onderwijsrecht, Naar een duurzame verankering in het veld, Call for proposals, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

2025

Inhoudsopgave

 
     

1

Inleiding

1

 

1.1 Achtergrond

1

 

1.2 Beschikbaar budget

2

 

1.3 Indieningsdeadline(s)

2

2

Doel

2

 

2.1 Doelstelling van het programma

2

 

2.2 Maatschappelijke impact

4

3

Voorwaarden voor aanvragers

5

 

3.1 Wie kan aanvragen

5

 

3.2 Wat kan worden aangevraagd

6

 

3.3 Het opstellen en indienen van de aanvraag

7

 

3.4 Indieningsvoorwaarden

8

 

3.5 Subsidievoorwaarden

8

4

Beoordelingsprocedure

11

 

4.1 De San Francisco Declaration (DORA)

11

 

4.2 Procedure

11

 

4.3 Criteria

14

5

Subsidieverplichtingen

15

 

5.1 Start project

15

 

5.2 Voortgang project

16

 

5.3 Afronding project

17

 

5.4 Datamanagement

18

 

5.5 Intellectueel eigendom en consortiumovereenkomst

18

 

5.6 Maatschappelijk verantwoord licentiëren

18

 

5.7 Open Access

18

6

Contact en overige informatie

19

 

6.1 Contact

19

 

6.2 Overige informatie

20

7

Bijlagen

20

 

7.1 Budgetmodules en tarieven

20

 

7.2 Indexering

21

1 Inleiding

In deze Call for proposals leest u hoe de aanvraagprocedure is ingericht voor de subsidieronde ‘Toekomstbestendig Onderwijsrecht’. Deze Call for proposals valt onder de verantwoordelijkheid van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). Het NRO is onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

U vindt in deze Call for proposals achtereenvolgens informatie over het doel van dit programma (hoofdstuk 2), de voorwaarden voor de subsidieaanvraag (hoofdstuk 3) en hoe uw aanvraag wordt beoordeeld (hoofdstuk 4). Deze informatie heeft u nodig om een aanvraag voor subsidie te kunnen indienen. In hoofdstuk 5 vindt u de subsidieverplichtingen die van toepassing zijn in geval van toewijzing. In hoofdstuk 6 staan de contactgegevens en in hoofdstuk 7 de bijlagen.

1.1 Achtergrond

Het NRO coördineert en financiert onderwijsonderzoek en bevordert de verbinding tussen wetenschappelijk onderzoek en de praktijk van het onderwijs. Zo werkt het NRO aan verbetering van het onderwijs.

Deze subsidieronde valt onder de verantwoordelijkheid van de Programmaraad voor wetenschappelijk onderwijsonderzoek.

1.2 Beschikbaar budget

Het beschikbare budget voor deze Call for proposals bedraagt in totaal € 3.500.000,–. Binnen deze Call for proposals worden naar verwachting ongeveer vijf aanvragen toegewezen.

1.3 Indieningsdeadline(s)

Bij het indienen van uw aanvraag in ISAAC dient u ook online nog gegevens in te voeren. Begin daarom ten minste één dag vóór de deadline van deze Call for proposals met het indienen van uw aanvraag.

Aanvragen die na de deadline worden ingediend, worden niet in behandeling genomen.

De deadline voor het indienen van intentieverklaringen is dinsdag 11 november 2025, voor 14:00:00 CET.

De deadline voor het indienen van aanvragen is dinsdag 9 december 2025, voor 14:00:00 CET.

2 Doel

Dit hoofdstuk beschrijft de doelstelling van het programma en de maatschappelijke impact.

2.1 Doelstelling van het programma

Het doel van dit programma is het financieren van onderzoek dat bijdraagt aan de ontwikkeling van onderwijsrecht als toekomstbestendige, academische discipline in Nederland. Onderwijsrecht betreft de constitutionele grondslagen, wetgeving en de rechtspositie van de verschillende individuen in het onderwijs. Onderwijsrechtelijk onderzoek richt zich doorgaans op het inventariseren, doorgronden en analyseren van juridische bronnen, met als doel reflectie te bieden op de beleidspraktijk, juridische interpretatiekaders te ontwikkelen, en een kennisbasis te leggen voor onderwijsrechtelijk vervolgonderzoek.

Als academische discipline is het onderwijsrecht relevant voor alle onderwijssectoren. Het draagt bij aan het duiden van juridische fundamenten van het onderwijsbestel en het juridisch doorgronden van beleidsontwikkelingen. Voorbeelden van zulke ontwikkelingen zijn curriculumherzieningen, passend onderwijs, de kwalificatiestructuur in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), burgerschapsonderwijs en internationalisering van het hoger onderwijs (ho). De opgedane kennis wordt benut door overheden (voor beleid), onderwijsinstellingen (voor naleving van regelgeving), ouders en leerlingen (voor het benutten van rechten) en de rechtspraak (voor correcte toepassing van wetten en juridische bescherming).

Toch staat het onderwijsrecht als academisch vakgebied onder druk. De maatschappelijke waarde ervan krijgt onvoldoende erkenning en er is beperkt onderzoekscapaciteit. Dit komt deels door de versnipperde en specialistische aard van het vakgebied. Het aantal actieve onderzoekers is gering, wat leidt tot ‘witte vlekken’ in de academisch-juridische kennis over belangrijke maatschappelijke onderwijsvraagstukken. Bovendien kiezen weinig jonge onderzoekers voor een carrière binnen dit domein, wat de uitdagingen verder vergroot.

Onderzoeksopzet

In dit onderzoeksprogramma geven aanvragers invulling aan een zelfgekozen vraagstuk. Dit vraagstuk dient primair onderwijsrechtelijk te zijn. Aanvragers lichten de relevantie toe (voor de wetenschap en de maatschappij) van het onderzoeken van de desbetreffende kwestie. In het dichten van hiaten in kennis in het onderwijsrecht kan de nadruk liggen op het verbreden en verdiepen van de fundamentele juridische wetenschappelijke kennis, of op het onderzoeken en analyseren van uitdagingen waarmee overheden en onderwijsorganisaties geconfronteerd worden. Echter, aanvragen dienen impact na te streven op zowel wetenschappelijk als maatschappelijk vlak (zie ook paragraaf 2.2.1). Ter inspiratie volgen hier enkele kwesties die academische onderwijsrechtelijke aandacht verdienen.

Hoe ver reikt de zorgplicht? Wat voor werking heeft Grondwet artikel 23 richting mbo en het hoger onderwijs? In hoeverre mag en moet de overheid sturen op hoe en wat er binnen het onderwijs gegeven wordt? Wat is de rol van de Inspectie van het Onderwijs in het onderwijs? Hoe ver strekt het recht van een kind op onderwijs binnen het reguliere onderwijssysteem, rekening houdend met zowel inclusief als gespecialiseerd onderwijs (go); en hoe verhoudt zich dit tot het internationale recht? Wat is de huidige staat van het duale systeem van openbaar en bijzonder onderwijs? Wat zijn juridisch gezien de beroepsprofielen van bijvoorbeeld bestuurders, schoolleiders, directeuren, leraren en docenten, en waar moet het naartoe?

Voorwaarden

Onderwijssectoren

Het onderwijsrecht kent aanzienlijke verschillen tussen onderwijssectoren, elk met hun eigen wet- en regelgeving. Aanvragen richten zich daarom idealiter op twee of meer sectoren (po, vo, go, mbo, hbo, wo). In de aanvraag dient duidelijk te worden gemaakt waarom er voor deze sectoren is gekozen. Een aanvraag die zich op één sector richt is toegestaan, mits dit expliciet en overtuigend wordt gemotiveerd.

Samenwerkingen

Om het onderwijsrecht stevig te verankeren in wetenschap, beleid en praktijk, is samenwerking met andere disciplines en actoren uit het onderwijsveld wenselijk. Een aanvraag wordt ingediend namens een consortium waarin ten minste één consortiumlid vertegenwoordigd is uit een andere relevante (rechts)wetenschappelijke discipline, het onderwijsbeleid of de onderwijspraktijk (zie paragraaf 3.1). De keuze voor deze vertegenwoordiging moet goed worden toegelicht.

Bij complexe, sociaal-maatschappelijke onderwijsrechtelijke vraagstukken kan samenwerking met sociale wetenschappen of andere rechtsgebieden van toegevoegde waarde zijn. Binnen (of naast) deze samenwerkingen kan gebruik worden gemaakt van sociaalwetenschappelijke, empirische onderzoeksmethoden. Dit bevordert de bredere integratie van onderwijsrecht binnen academische domeinen. Ook samenwerking met partners uit de praktijk, zoals lerarenopleidingen, beleidsadviseurs, gemeenten, schoolbesturen, belangenorganisaties, leerlingen/studenten, hun ouders, en onderwijsprofessionals, draagt bij aan duurzame verankering van het onderwijsrecht.

Samenvattend vraagt het onderwijsrecht om meer aandacht, zowel binnen de wetenschap als in de praktijk. Er is dringend behoefte aan fundamentele juridische kennis die relevant is voor het onderwijsveld. Met dit programma wil NRO hieraan bijdragen door onderzoeksprojecten te ondersteunen die rechtswetenschappelijke kennis over onderwijs verdiepen en verbreden, nieuw onderzoekstalent stimuleren en bijdragen aan de onderwijsrechtelijke kennis- en leerinfrastructuur. Een verdere toelichting op deze drie doelstellingen is te vinden in paragrafen 2.1.1, 2.1.2 en 2.1.3.

2.1.1 Verdiepen en verbreden van rechtswetenschappelijke kennis

De wetenschappelijke bestudering van het onderwijsrecht wordt bemoeilijkt door de omvang en complexiteit van het vakgebied. Onderwijsrecht is een interdisciplinaire juridische discipline die zich bezighoudt met een breed scala aan vraagstukken binnen het onderwijs. Onderwijsorganisaties worden geconfronteerd met complexe, transdisciplinaire vraagstukken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan zaken zoals de grenzen tussen onderwijs en jeugdzorg, leerrechten, kansenongelijkheid, internationalisering en uitdagingen op het gebied van digitale veiligheid en personeelstekorten. Deze ontwikkelingen roepen juridische vraagstukken op die samenhangen met de wijze waarop het onderwijsstelsel is ingericht en gereguleerd. Het is dan ook van belang om de juridische basis van het onderwijsbestel te doorgronden en verder te ontwikkelen vanuit een academisch perspectief.

2.1.2 Stimuleren van talent

Binnen dit onderzoeksprogramma wil het NRO mogelijkheden bieden aan beginnende onderzoekers die onderzoek (willen) doen naar het onderwijsrecht in Nederland. Dit omdat, zoals eerder beschreven, een relatief beperkt aantal personen zich bezig houdt met de wetenschappelijke bestudering van onderwijsrecht. Daarom dient er ten minste één beginnend onderzoeker bij de aanvraag te worden betrokken. Bij beginnende onderzoekers kan bijvoorbeeld gedacht worden aan promovendi of postdocs, maar ook docent-onderzoekers van hogescholen. In de aanvraag moet helder worden gemaakt op welke manier er aandacht is voor het betrekken van beginnende onderzoekers en op welke manier zij worden begeleid.

Door middel van de activiteiten omtrent kennis- en leerinfrastructuur (zie paragraaf 2.1.3) kunnen de beginnende onderzoekers met elkaar in contact komen en aan netwerkvorming doen.

2.1.3 Kennis- en leerinfrastructuur

Een toekomstbestendig onderwijsrechtsveld vraagt, buiten de eenmalige stimulering middels dit programma, om stimulering in de kennis- en leerinfrastructuur. Een goede infrastructuur kan leiden tot blijvende toename in deskundigheid en actieve kennisontwikkeling die het veld ten goede komt. Met infrastructuur bedoelen we hier het geheel aan middelen, structuren en samenwerkingsverbanden die nodig zijn om onderwijsrecht als academische en juridische discipline duurzaam (door) te ontwikkelen en (verder) te verankeren. Dit omvat bijvoorbeeld academische inbedding, structurele financiering, ondersteuning van promovendi en onderzoekers – inclusief het bieden van loopbaanperspectieven binnen het onderwijsrecht, samenwerking en kennisdeling tussen bijvoorbeeld universiteiten en onderwijsinstellingen, en het ontwikkelen van een kennisagenda. Binnen deze Call for proposals wordt op twee manieren een bijdrage geleverd aan een dergelijke infrastructuur.

Ten eerste worden de aanvragers gevraagd gedurende de projecten gezamenlijk bijeenkomsten (werkconferenties) te organiseren. Tijdens deze werkconferenties kunnen de betrokken onderzoekers, inclusief beginnende onderzoekers, met elkaar sparren en kennis uitwisselen. Zo ontstaat een netwerk van beginnende onderzoekers over de betrokken instellingen heen. Ook andere relevante partijen kunnen bij deze werkconferenties betrokken worden. Zie paragraaf 5.1 en 5.2 voor meer informatie.

Ten tweede wordt van aanvragers verwacht dat zij gedurende de looptijd van hun eigen onderzoek bijdragen aan het schrijven van een plan van aanpak voor de toekomst van het onderwijsrecht als academisch vakgebied. Voor de ondersteuning en ontwikkeling van dit plan dient per aanvraag circa € 35.000 te worden begroot. Het plan van aanpak wordt uiteindelijk in samenwerking met aanvragers van de andere toegewezen onderzoeksprojecten opgesteld. Uiterlijk na afloop van het laatste project wordt het plan van aanpak als gezamenlijk product opgeleverd. Zie voor meer informatie over het plan van aanpak paragraaf 3.2.2, 5.1 en 5.2.

2.2 Maatschappelijke impact

Nieuwe kennis en inzichten vanuit wetenschappelijk onderzoek kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken van vandaag én morgen. Denk o.a. aan uitdagingen gerelateerd aan het welzijn van kinderen en jongeren, digitalisering, de aansluiting (beroeps)onderwijs en de arbeidsmarkt, of de ongelijkheid in onderwijskansen. Vragen die leven in het brede onderwijsveld en die het verdienen om, op basis van kennis, gezamenlijk opgepakt te worden. Door interactie en afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers (zoals leraren, schoolleiders, bestuurders, lerarenopleiders en beleidsmakers), neemt de kans op het toepassen van kennis toe en daarmee ook de kans op maatschappelijke impact.

Maatschappelijke impact staat hier voor veranderingen die (mede) het gevolg zijn van door onderzoek gegenereerde kennis en kunde. Deze veranderingen dragen bij aan het welzijn van mens, planeet en maatschappij voor deze en toekomstige generaties. Via haar beleid op impact bevordert NWO de mogelijke bijdrage vanuit onderzoek aan maatschappelijke vraagstukken door het stimuleren van productieve interacties met maatschappelijke belanghebbenden. Zowel tijdens de ontwikkeling als in de uitvoering van het onderzoek. Dit doet zij op een manier die past bij het doel van het financieringsinstrument. NWO stimuleert onderzoekers om met een brede blik te kijken naar de mogelijke gewenste en ongewenste impact van hun onderzoek.

2.2.1 Impact op maat

Afhankelijk van het doel van het financieringsinstrument kiest NWO een bijbehorende benadering die de kans op maatschappelijke impact optimaal ondersteunt. Het primaire doel van het financieringsinstrument bepaalt de keuze voor de benadering die NWO inzet om kennisbenutting in verschillende fases van het project (aanvraag, uitvoering, na afloop) te bevorderen en de inspanning die van aanvrager(s) en partners gevraagd wordt.

In dit programma wordt de Impact Outlook benadering toegepast. Onderzoekers kunnen hierbij kiezen op welk soort impact ze hun nadruk willen leggen, i.e. wetenschappelijke en/of maatschappelijke impact. In de aanvraag dient onderbouwd te worden in hoeverre de gekozen nadruk/impact-focus aansluit bij (de invulling van) het onderzoeksvraagstuk. Hoewel de nadruk bij één type impact kan liggen, moeten projecten ook enige mate van het andere type impact beschrijven en nastreven. Er wordt namelijk ook beoordeeld in hoeverre het andere type impact proportioneel aan het onderzoeksvraagstuk is uitgewerkt.

Voor meer informatie, zie het beoordelingscriterium ‘Relevantie en impact’ in paragraaf 4.3. NWO biedt een e-learning module aan die geïnteresseerden op weg kan helpen via NWO Impact - Online workshops. Voor meer informatie over het kennisbenuttingsbeleid van NWO zie de website: Kennisbenutting | NWO.

3 Voorwaarden voor aanvragers

Dit hoofdstuk bevat de voorwaarden die gelden voor uw subsidieaanvraag. Eerst wordt beschreven wie subsidie kan aanvragen (paragraaf 3.1) en waarvoor u subsidie kunt aanvragen (paragraaf 3.2). Vervolgens vindt u de voorwaarden voor het opstellen en indienen van de aanvraag (paragrafen 3.3 en 3.4) en specifieke subsidievoorwaarden (paragraaf 3.5).

3.1 Wie kan aanvragen

Hoogleraren en universitair (hoofd)docenten mogen als hoofdaanvrager een aanvraag indienen als zij in dienst zijn bij:

Hoogleraren, universitair (hoofd)docenten, docent-onderzoekers, hogeschool(hoofd)docenten en (associate) lectoren, mogen als medeaanvrager een aanvraag indienen als zij in dienst zijn bij:

Aanvullende voorwaarden:

  • Aanvragers moeten een dienstverband hebben voor de duur van het gehele project. De omvang van dit dienstverband is ten minste gelijk aan de inzet waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het kan voorkomen dat de huidige arbeidsovereenkomst van de aanvrager eindigt vóór de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd of eindigt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In dat geval voegt de aanvrager een verklaring van zijn werkgever bij, waarin de betreffende organisatie garandeert dat het project en alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd adequaat zullen worden begeleid voor de volledige duur van het project.

  • Aanvragers met een deeltijd dienstverband dienen garant te staan voor adequate begeleiding van het project en van alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd.

  • Aanvragers met een nuluren-arbeidsovereenkomst zijn uitgesloten van indiening.

  • Hoofdaanvragers moeten gepromoveerd zijn.

  • Hoofdaanvragers mogen slechts bij één aanvraag binnen deze Call for proposals indienen in de hoedanigheid van hoofdaanvrager. Een hoofdaanvrager mag daarnaast binnen deze Call for proposals als medeaanvrager in andere aanvragen deelnemen.

  • Medeaanvragers mogen als medeaanvrager in andere aanvragen deelnemen.

  • Bij iedere aanvraag is minimaal één beginnende onderzoeker (e.g. promovendus, postdoc of docent-onderzoeker) betrokken.

  • Beginnende onderzoekers hoeven niet als medeaanvrager te worden opgegeven.

U dient als hoofdaanvrager een aanvraag in namens een consortium. Daarmee wordt bedoeld een samenwerkingsverband tussen aanvragers, eventuele samenwerkingspartners en eventuele cofinanciers.

Aanvullende voorwaarde consortium:

  • In het consortium wordt minstens één iemand betrokken die werkzaam is in één de volgende velden1 :

    • (sociaal-)wetenschappelijke disciplines, zoals onderwijskunde, pedagogiek, rechts- en onderwijssociologie, sociale antropologie, onderwijseconomie en bestuurskunde;

    • relevante rechtsgebieden, zoals staats- en bestuursrecht, privaat- en publiek recht, jeugdrecht, arbeidsrecht, en internationaal recht;

    • de onderwijspraktijk, zoals onderwijsinstellingen en hun onderwijsprofessionals, leerlingen en studenten, lerarenopleidingen, opleidingstrajecten voor bestuurders en leidinggevenden in het onderwijs, en onderwijsbesturen;

    • het onderwijsbeleid, zoals gemeenten, beleidsadviseurs, en belangenbehartigers.

3.1.1 Samenwerkingspartners

Een samenwerkingspartner is een partij die nauw betrokken is bij de uitvoering van het onderzoek en/of de kennisbenutting. Hierbij kan gedacht worden aan bedrijven en bovenstaande publieke en private organisaties binnen de onderwijspraktijk en het onderwijsbeleid. De rol die deze partijen spelen bij de voorbereiding, uitvoering, en vertaling van het onderzoek naar de maatschappij dient in de aanvraag beschreven te worden.

Let op: voor personeel van organisaties die als samenwerkingspartner deelnemen aan het consortium kan dus geen subsidie voor salaris- of onderzoekskosten als hoofd- of medeaanvrager worden aangevraagd. Wel is het mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via de modules ‘materiële kosten’ of ‘kennisbenutting’ (zie paragraaf 3.2 en bijlage 7.1).

3.1.2 Cofinanciers

Een cofinancier is een partij die deelneemt aan het consortium en cash en/of in kind bijdraagt aan het project. De rol die de cofinancier speelt bij de voorbereiding, uitvoering, en vertaling van het onderzoek naar de maatschappij dient in de aanvraag beschreven te worden.

Een cofinancier ontvangt geen subsidie van NWO op basis van deze Call for proposals. Ook is het niet mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via de budgetmodules. Organisaties waarvan onderzoekers conform paragraaf 3.1 als (hoofd- of mede)aanvrager mogen deelnemen, mogen in deze Call for proposals niet deelnemen als cofinanciers.

De bijdrage van de cofinancier wordt bekend gemaakt door middel van een verklaring cofinanciering en is een netto bijdrage aan het project. Voor eventuele verdere specifieke cofinanciersingsvoorwaarden die gelden in deze Call for proposals, zie paragraaf 3.5.5.

3.1.3 Hoofd- en medeaanvragers

De hoofdaanvrager dient de aanvraag in via ISAAC, het elektronische indiensysteem van NWO. Tijdens het beoordelingsproces communiceert NWO met de hoofdaanvrager.

Na toewijzing van een aanvraag wordt de hoofdaanvrager projectleider en aanspreekpunt voor NWO. De onderzoeksorganisatie van de hoofdaanvrager is hoofdbegunstigde en wordt penvoerder.

Medeaanvragers hebben een actieve rol bij de uitvoering van het project. De (deel)projectleider(s) en begunstigde(n) zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele project.

3.2 Wat kan worden aangevraagd

Per project is maximaal € 700.000 subsidie aan te vragen. De minimale looptijd van het voorgestelde project is 24 maanden en de maximale looptijd is 60 maanden, afhankelijk van de aanstelling(en) van de beginnende onderzoeker(s). Bij aanstelling van een promovendus is de minimale looptijd 48 maanden en de maximale looptijd 60 maanden. Bij aanstelling van een postdoc of een docent- onderzoeker geldt een minimale looptijd van 24 maanden en een maximale looptijd van 48 maanden. De aanvragers kunnen kosten opvoeren voor personeel, materieel en kennisbenutting. De beschikbare budgetmodules (inclusief eventuele maximale bedragen) staan hieronder vermeld. Vraag alleen datgene aan wat essentieel is om het project uit te voeren. De tarieven en een toelichting op deze budgetmodules staan in bijlage 7.1.

3.2.1 Personeel

Voor personeel dat een bijdrage levert aan het project, kan subsidie voor de loonkosten worden aangevraagd. Het bedrag hiervoor is afhankelijk van het type aanstelling en de organisatie waar het personeel werkt.

3.2.1.1 Personeel bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden

Voor personeel dat werkzaam is bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden kunnen loonkosten worden opgevoerd voor de volgende functies: promovendus, postdoc, niet- wetenschappelijk personeel (NWP).

Het is ook mogelijk om loonkosten van junior onderzoekers/onderzoeksassistentie (niet-promovendi), universitair (hoofd)docenten en hoogleraren op te voeren.

3.2.1.2 Personeel van hogescholen

Het is mogelijk om loonkosten op te voeren van personeel van hogescholen.

3.2.1.3 Studenten

Het is mogelijk om studenten in te zetten voor het project als ze studeren aan een organisatie genoemd in paragraaf 3.1. De kosten voor studenten kunt u opvoeren als materiële kosten (zie paragraaf 7.1.2). Er is geen maximum aan het aantal studenten dat kan meewerken in het project.

3.2.2 Materieel

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke materiële kosten. Voor deze kosten geldt een maximum van 25% van het totale NWO subsidiebedrag.

Kennis- en leerinfrastructuur

Er dient ongeveer € 35.000 van het subsidiebedrag begroot te worden voor het leveren van een bijdrage aan het plan van aanpak, zoals beschreven in paragraaf 2.1.3. De daadwerkelijke besteding van dit bedrag wordt nader bepaald in samenwerking met de aanvragers van de andere toegewezen projecten. In de begroting dient € 35.000 onder de post ‘materieel’ te worden geschaard. Indien aanvragers verwachten tijd bij te dragen aan het opstellen van het plan van aanpak, kan (een deel van) dit budget begroot worden onder personeelskosten.

Binnen deze Call for proposals wordt uitsluitend het opstellen van het plan van aanpak gefinancierd, niet de uitvoering ervan of bijvoorbeeld onderwijsactiviteiten.

3.2.3 Kennisbenutting

Financiering kan worden aangevraagd voor activiteiten die bevorderen dat kennis uit het onderzoek wordt benut, 2 om zo de maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten.

Impact Outlook: Het is mogelijk om maximaal 5% van het subsidiebedrag in te zetten voor deze module.

3.3 Het opstellen en indienen van de aanvraag

Voor het opstellen van uw aanvraag doorloopt u de volgende stappen:

  • download het aanvraagformulier vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);

  • vul het aanvraagformulier in;

  • sla het formulier op als pdf en dien het met de eventueel verplichte bijlage(n) in ISAAC in;

  • vul de online in ISAAC gevraagde gegevens in.

Verplichte bijlage(n):

  • begroting;

  • consortiumpartner formulier.

Optionele bijlage(n) uitsluitend:

  • steunverklaring (met eigen bijdrage/cofinanciering);

  • verklaring aanstelling en projectbegeleiding.

De aanvraag en bijlage(n) dienen conform het door NWO aangeboden template opgesteld te worden. Bijlagen dienen los van de aanvraag in ISAAC geüpload te worden. Alle bijlagen, met uitzondering van de begroting, dienen als pdf-bestand (zonder beveiliging) te worden ingediend. De begroting moet als Excel-bestand worden ingediend in ISAAC. Andere bijlagen dan hierboven vermelde bijlagen zijn niet toegestaan.

Het is verplicht uw aanvraag in het Nederlands op te stellen.

Het indienen van een aanvraag kan alleen via het online aanvraagsysteem ISAAC. Aanvragen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen. U bent als hoofdaanvrager verplicht een aanvraag via het eigen persoonlijke ISAAC-account in te dienen.

Het is verplicht om in ISAAC minimaal één disciplinecode in te vullen die van toepassing is op het voorgestelde onderzoek. U kunt hiervoor alleen gebruik maken van de NWO disciplinecodes, te vinden via Disciplinecodes | NWO. Deze codes vult u in onder het tabblad “Algemeen” bij “Disciplines”. Neem in ieder geval de disciplinecode voor ‘Onderwijswetenschappen’ (1.90.00) op. Indien meerdere disciplinecodes van toepassing zijn op het voorgestelde onderzoek, wordt u gevraagd om deze ook in te vullen in ISAAC. Het invullen van aanvullende disciplinecodes is niet verplicht.

Het is belangrijk om tijdig te beginnen met uw aanvraag in ISAAC:

  • indien u nog geen ISAAC-account heeft, dient deze op tijd te worden aangemaakt om eventuele aanmeldproblemen te voorkomen;

  • nieuwe onderzoeksorganisaties moeten eventueel nog door NWO toegevoegd worden aan ISAAC;

  • u moet ook online nog gegevens invoeren.

Aanvragen die na de deadline worden ingediend, neemt NWO niet in behandeling.

Voor vragen van technische aard verzoeken wij u contact op te nemen met de ISAAC-helpdesk, zie contact (hoofdstuk 6).

Werkt een hoofd- en/of medeaanvrager bij een onderzoeksorganisatie die niet is opgenomen in de database van ISAAC? U kunt dit dan melden via relatiebeheer@nwo.nl zodat de onderzoeksorganisatie kan worden toegevoegd. Hier zijn enige dagen voor nodig. Daarom is het van belang dit uiterlijk een week voor de deadline te melden.

NWO gaat er vanuit dat de aanvrager diens onderzoeksorganisatie heeft geïnformeerd over het indienen van de aanvraag en dat de onderzoeksorganisatie de subsidievoorwaarden van deze Call for proposals aanvaardt.

3.4 Indieningsvoorwaarden

3.4.1 Formele voorwaarden voor indiening

NWO toetst uw aanvraag op alle in deze Call for proposals gestelde voorwaarden, inclusief onderstaande voorwaarden. Alleen als uw aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt deze toegelaten tot de beoordelingsprocedure. U wordt gevraagd om na indiening van een aanvraag beschikbaar te zijn om eventuele administratieve correcties door te voeren en zo (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening.

Deze voorwaarden zijn:

  • de hoofdaanvrager en medeaanvrager(s) voldoen aan de in paragraaf 3.1 gestelde voorwaarden;

  • indien van toepassing: de cofinanciers voldoen aan de in paragraaf 3.1.2 gestelde voorwaarden;

  • de intentieverklaring is tijdig ingediend;

  • de aanvraag voldoet aan de DORA-richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.1;

  • het aanvraagformulier is, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld;

  • de aanvraag is ingediend via het ISAAC-account van de hoofdaanvrager;

  • de aanvraag is ontvangen voor de gestelde deadline;

  • de aanvraag is in het Nederlands opgesteld;

  • de aanvraagbegroting is volgens de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld (gebruikmakend van het beschikbaar gestelde format dat de meest recente tarieven bevat);

  • het voorgestelde project heeft een looptijd van minimaal 24 en maximaal 60 maanden, zoals beschreven in paragraaf 3.2;

  • alle vereiste bijlagen zijn, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld en conform de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld en ingediend.

3.5 Subsidievoorwaarden

Op alle aanvragen zijn de NWO Subsidieregeling 2024 en het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek van toepassing.

3.5.1 Naleving Nationale leidraad kennisveiligheid

Wetenschap van wereldklasse kan profiteren van internationale samenwerking. De Nationale leidraad kennisveiligheid (hierna: de Leidraad) helpt kennisinstellingen ervoor te zorgen dat internationale samenwerking veilig kan plaatsvinden. Bij kennisveiligheid gaat het om ongewenste overdracht van gevoelige kennis en technologie die de nationale veiligheid aantast; om heimelijke beïnvloeding van onderwijs en onderzoek door statelijke actoren, en daarmee de academische vrijheid en de sociale veiligheid in gevaar brengt; en om ethische kwesties die kunnen spelen in de samenwerking met landen die de grondrechten niet respecteren.

Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of het project in lijn is en blijft met de Leidraad. Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan de overwegingen in deze Leidraad. In geval van het vermoeden van schending van de Leidraad bij een bij NWO ingediende aanvraag voor projectfinanciering of een door NWO gefinancierd project, kan NWO de aanvrager verzoeken om een risicoafweging te overleggen waaruit blijkt dat de overwegingen uit de Leidraad zijn gevolgd. Indien de aanvrager niet aan het verzoek van NWO voldoet of als de risicoafweging klaarblijkelijk een schending van de Leidraad behelst, kan dit gevolgen hebben voor de subsidieverlening of vaststelling door NWO. Ook kan NWO in een voorkomend geval nadere voorwaarden opnemen in de toewijzingsbrief.

De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de rijksoverheid: Home | Loket Kennisveiligheid.

3.5.2 Datamanagement

Resultaten van wetenschappelijk onderzoek moeten kunnen worden gerepliceerd, geverifieerd en gefalsifieerd. In het digitale tijdperk betekent dit dat behalve publicaties ook onderzoeksdata zo veel mogelijk vrij toegankelijk moeten zijn. NWO verwacht dat de onderzoeksdata die voortkomen uit projecten die door NWO zijn gefinancierd zo veel mogelijk vrij beschikbaar komen voor hergebruik door andere onderzoekers. NWO hanteert daarbij het principe: “zo open als mogelijk, beschermd indien nodig”. Van onderzoekers wordt verwacht dat zij ten minste die data en/of niet-numerieke resultaten die ten grondslag liggen aan de conclusies van binnen het project gepubliceerde werken openbaar maken, gelijktijdig met de publicatie zelf. Eventuele kosten die hiervoor worden gemaakt, kunnen worden meegenomen in de projectbegroting. Onderzoekers maken kenbaar hoe met data voortkomend uit het project wordt omgegaan aan de hand van de datamanagementparagraaf in de aanvraag, en het datamanagementplan na toewijzing van subsidie.

Datamanagementparagraaf

De datamanagementparagraaf maakt deel uit van de aanvraag. Onderzoekers wordt gevraagd reeds voor aanvang van het onderzoek te bedenken hoe de verzamelde data geordend en gecategoriseerd moeten worden zodat zij vrij beschikbaar kunnen worden gesteld. Vaak zullen al vóór het tot stand komen van de data en de analyse daarvan maatregelen getroffen moeten worden om opslag en deling later mogelijk te maken. Indien niet alle data voortkomende uit het project openbaar gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld om redenen van privacy, ethiek of valorisatie, dient de aanvrager dit beargumenteerd kenbaar te maken in de datamanagementparagraaf.

De datamanagementparagraaf wordt niet beoordeeld en daarom ook niet meegewogen in de beslissing om een aanvraag al dan niet toe te wijzen. De beoordelingscommissie kan wel advies geven met betrekking tot de datamanagementparagraaf.

3.5.3 Wetenschappelijke integriteit

Het project dat NWO financiert moet, conform de NWO Subsidieregeling 2024, uitgevoerd worden in overeenstemming met de nationaal en internationaal aanvaarde normen van wetenschappelijk handelen zoals neergelegd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (2018). Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan deze code. In geval van (mogelijke) schending van deze normen bij een door NWO gefinancierd project, dient de aanvrager NWO hiervan onverwijld op de hoogte te stellen en dient deze alle ter zake relevante documenten aan NWO te overleggen. Meer informatie over de gedragscode en het beleid op het gebied van wetenschappelijke integriteit vindt u op de website: Wetenschappelijke integriteit | NWO.

3.5.4 Ethische verklaring of vergunning

Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. De aanvrager dient er voor te zorgen dat deze tijdig wordt verkregen bij de relevante instelling of ethische commissie. Het wel of niet hebben van een ethische verklaring of vergunning op het moment van het aanvraagproces heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag. Bij toewijzing wordt de subsidie verleend onder de voorwaarde dat de benodigde ethische verklaring of vergunning vóór de uiterste startdatum van het project is verkregen. Het project kan pas starten nadat NWO een kopie van de ethische verklaring of vergunning heeft ontvangen.

3.5.5 Eigen bijdrage en/of cofinanciering

Een eigen bijdrage en/of cofinanciering is in deze Call for proposals niet verplicht. Het is wel mogelijk een eigen bijdrage en/of cofinanciering toe te voegen in de aanvraag.

Verklaring eigen bijdrage en/of cofinanciering

U moet de rol en de garantie van deze eigen bijdrage en/of cofinanciering duidelijk toelichten in het aanvraagformulier. Daarnaast dient u samen met uw aanvraag een ‘steunverklaring (met eigen bijdrage/cofinanciering)’ in. In deze verklaring spreekt u zowel inhoudelijke als financiële steun uit aan het project en bevestigt de toegezegde eigen bijdrage en/of cofinanciering. Verklaringen welke genoemd worden in de aanvraagbegroting, zijn verplicht als bijlage(n) bij het indienen van de aanvraag. De verklaring moet zijn ondertekend door een tekenbevoegd persoon. Het NRO stelt een verplicht format beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NRO website en in ISAAC.

Onderscheid eigen bijdrage en cofinanciering

  • Eigen bijdrage

    Eigen bijdrage is een bijdrage, cash of in-kind, door de instelling van een aanvrager en/of samenwerkingspartner. De tariefstelling voor de personele inzet onder de eigen bijdrage is gelijk aan de tariefstelling voor de personele inzet onder de subsidie. Nadere toelichting op de tariefstelling is te vinden in paragraaf 7.1. Eigen bijdragen kwalificeren niet als cofinanciering, het betreft additionele uitgaven van de instelling(en) aan het project.

  • Cofinanciering

    Cofinanciering is een bijdrage, cash of in-kind, door een publieke of private cofinancier. Op alle aanvragen is de Regeling Cofinanciering | NWO van toepassing.

Aanvullende definities:

  • In kind-bijdrage: gekapitaliseerde personele en/of materiële bijdragen;

  • Cash bijdrage wordt gebruikt ter dekking van een deel van de totale projectkosten en vormt samen met de door NWO verstrekte subsidie de benodigde financiële middelen.

Geldende uitgangspunten cofinanciering

  • NWO is hoofdfinancier van een aanvraag. Aanvragen waarbij de cofinanciering van de cofinanciers meer dan 49% van de totale projectkosten bedraagt, worden niet in behandeling genomen;

  • in kind cofinanciering wordt alleen geaccepteerd onder de voorwaarde dat het gedeelte dat door de cofinancier wordt ingebracht integraal onderdeel is van de projectactiviteiten en als identificeerbare inspanning kan worden gevolgd of aangemerkt. Bij vragen kan NWO verzoeken om nadere motivering en bewijsstukken van de gehanteerde tarieven en eveneens om aanpassing. Daarnaast mogen eventuele in kind bijdragen in de vorm van diensten en know how niet reeds bij de kenninstelling(en) van de aanvrager(s) beschikbaar of voorhanden zijn;

  • voor het kapitaliseren van de personele inbreng (mensuren) aan een project worden vaste integrale uurtarieven gebruikt. Voor de tarieven, zie de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. Hierbij dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert;

  • cash cofinanciering is het netto bedrag dat een cofinancier betaalt aan de aanvrager. De aanvrager factureert cash cofinanciering en eventuele btw aan de cofinancier;

  • cofinanciering mag niet afkomstig zijn van partijen die op grond van deze Call for proposals een aanvraag bij NWO kunnen indienen;

  • door NWO verstrekte subsidie is niet toelaatbaar als cofinanciering (zie de Regeling Cofinanciering, artikel 6);

  • bij toewijzing van de aanvraag legt de cofinancier de bijdrage en afspraken vast in een consortiumovereenkomst (zie ook 5.1.5).

Verantwoording cash en in kind cofinanciering

De verhouding cofinanciering (zowel cash als in kind) en de door NWO verstrekte subsidie in deze Call for proposals, is van toepassing vanaf het indienen van een aanvraag tot en met de vaststelling van de subsidie. Cash cofinanciering heeft invloed op het subsidiebedrag dat NWO verstrekt omdat zowel de bijdrage van NWO als cash cofinanciering voor dezelfde projectspecifieke kosten gebruikt worden (in tegenstelling tot cofinanciering in kind).

Ambtshalve indexeren als gevolg wijziging van de tarieven na indiening van een aanvraag heeft geen invloed op de verhouding en cofinancieringseis voor de NWO bijdrage. NWO gaat uit van de verhouding in de door NWO toegewezen aanvraagbegrotingen.

Bij vaststelling van een project wordt het definitieve subsidiebedrag bepaald aan hand van de eindverantwoording, de financiële voorwaarden en de verhouding cofinanciering zoals vermeld in de aanvraagbegroting.

In geval van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering(door onvoorziene omstandigheden, zoals faillissementen) gaat NWO voor haar bijdrage uit van de oorspronkelijke subsidieverlening, rekening houdend met de wel geleverde cash cofinanciering en de geldende minimale cofinancieringseis, indien deze van toepassing is.

Cash cofinanciering boven de cofinancieringseis heeft invloed op de gehanteerde verhouding tussen cofinanciering en door NWO verstrekte subsidie. Indien een project cash cofinanciering kent boven de cofinancieringseis en er bij vaststelling sprake is van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering, is de NWO bijdrage nooit hoger dan de oorspronkelijke bijdrage uit de subsidieverlening. De verhouding van de NWO bijdrage is dan maximaal de bijdrage die volgt uit de cofinancieringseis.

Te allen tijde dient NWO op de hoogte gesteld te worden van problemen in verwachte eigen bijdrage en/of cofinanciering (cash en/of in-kind). Naast financiële gevolgen voor een project, kan NWO ook adequate wijzigingen in een project verlangen, zodat het onderzoek naar beste vermogen vervolgd kan worden.

3.5.6 Aanvullende voorwaarden

Er kan alleen vergoeding worden aangevraagd voor de inzet van een aanvrager wanneer de totale omvang van diens eigen aanstelling aan een universiteit en hogeschool en/of overige organisatie gezamenlijk kleiner is dan of gelijk is aan 1 fte.

4 Beoordelingsprocedure

Dit hoofdstuk beschrijft allereerst de beoordeling volgens de DORA-principes (paragraaf 4.1) en hoe de beoordelingsprocedure verloopt (paragraaf 4.2). Vervolgens somt het de criteria op waaraan de beoordelingscommissie uw aanvraag toetst (paragraaf 4.3).

Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen en betrokken NWO- medewerkers is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing (Code persoonlijke belangen | NWO).

NWO streeft naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). NWO stimuleert leden van een beoordelingscommissie actief om zich bewust te worden van impliciete associaties en te proberen deze te minimaliseren. NWO voorziet hen van informatie over concrete manieren om de beoordeling van een aanvraag te verbeteren.

4.1 De San Francisco Declaration (DORA)

NWO is ondertekenaar van de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA). DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld te verbeteren. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksinstellingen, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen.

DORA richt zich op het terugdringen van het onkritisch gebruik van bibliometrische indicatoren en het wegnemen van onbewuste vooringenomenheid (unconscious bias) bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. Overkoepelende filosofie van DORA is dat onderzoek moet worden beoordeeld op zijn eigen kwaliteiten en verdiensten in plaats van op basis van afgeleide indicatoren, zoals het tijdschrift waarin het onderzoek wordt gepubliceerd.

NWO gaat bij het beoordelen van het wetenschappelijk track record van aanvragers uit van een brede definitie van wetenschappelijke output.

NWO verzoekt commissieleden bij de beoordeling van aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de h-index. U mag deze niet vermelden in uw aanvraag. Wel mag u naast publicaties ook andere wetenschappelijk producten vermelden, zoals datasets, patenten, software en code enzovoort.

Voor meer informatie over wat NWO doet om de principes van DORA te implementeren zie: DORA | NWO.

4.2 Procedure

De aanvraagprocedure bestaat uit de volgende stappen:

  • indiening van de intentieverklaring;

  • indiening van de aanvraag;

  • in behandeling nemen van de aanvraag;

  • eventuele voorselectie;

  • preadvisering door de beoordelingscommissie;

  • schriftelijk weerwoord;

  • vergadering van de beoordelingscommissie;

  • besluitvorming.

Voor deze Call for proposals wordt een externe, onafhankelijke beoordelingscommissie ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers uit de wetenschap en uit het snijvlak van de onderwijspraktijk en het onderwijsbeleid met kennis van het onderwijsrecht. De taak van de beoordelingscommissie is om de ingediende aanvragen en de daarop betrekking hebbende stukken in onderlinge samenhang en op eigen merites te beoordelen op basis van de gegeven beoordelingscriteria in deze Call for proposals.

Vanwege de in de beoordelingscommissie aanwezige expertise heeft NWO besloten om bij de beoordeling van de aanvragen gebruik te maken van de mogelijkheid gegeven in artikel 2.2.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2024, om de beoordelingsprocedure uit te voeren zonder referenten in te schakelen.

4.2.1 Indiening van de intentieverklaring

Met een intentieverklaring geeft u aan dat u een aanvraag wilt indienen voor deze Call for proposals. Deze wordt niet op inhoud beoordeeld gedurende het subsidieproces. Het indienen van een intentieverklaring is verplicht om in een latere fase een aanvraag in te mogen dienen.

De intentieverklaring is bedoeld om NWO te informeren over het te verwachten aantal aanvragen. U moet uw intentieverklaring voor de deadline indienen via ISAAC (zie paragraaf 1.3).

In het intentieverklaring formulier via ISAAC voegt u bij ‘korte samenvatting’ enige tekst toe, waaronder uw naam als hoofdaanvrager. Neem hierin bij voorkeur ook de naam/namen van medeaanvragers/consortiumpartners onder voorbehoud op. Tot slot bent u vrij om hier ook een samenvatting van uw onderzoeksvoorstel in te zetten. U ontvangt als hoofdaanvrager een ontvangstbevestiging van de intentieverklaring.

U mag een intentieverklaring intrekken. Dit doet u via uw account in ISAAC.

4.2.2 Indiening van de aanvraag

Voor indiening van de aanvraag is een standaardformulier beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website. In uw aanvraag moet u zich houden aan de vragen die in dit formulier staan en aan de werkwijze die in de toelichting staat. Ook moet u zich houden aan de voorwaarden voor het maximale aantal woorden en pagina’s.

Uw volledig ingevulde aanvraagformulier moet voor de deadline via ISAAC zijn ontvangen (zie paragraaf 1.3). Na dit tijdstip kunt u geen aanvraag meer indienen. De hoofdaanvrager ontvangt na indiening van de aanvraag een ontvangstbevestiging.

4.2.3 In behandeling nemen van de aanvraag

Zo snel mogelijk nadat u uw aanvraag heeft ingediend, hoort u of NWO uw aanvraag in behandeling neemt. NWO bepaalt dit aan de hand van een aantal administratief-technische criteria (zie de formele voorwaarden voor indiening, paragraaf 3.4). Alleen als uw aanvraag hieraan voldoet, kan NWO deze in behandeling nemen.

Houd er rekening mee dat NWO u binnen twee weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. U krijgt één keer de gelegenheid om de correcties door te voeren, hiervoor krijgt u vijf werkdagen de tijd.

4.2.4 Eventuele voorselectie

Indien NWO dusdanig veel aanvragen heeft ontvangen dat het totaal aangevraagde subsidiebedrag vier maal groter is dan het subsidieplafond voor deze Call for proposals (zoals vermeld in paragraaf 1.2), zal een voorselectie van de aanvragen plaatsvinden. De beoordelingscommissie beoordeelt dan alle aanvragen globaal aan de hand van de beoordelingscriteria (zie 4.3.1). U krijgt vervolgens vijf werkdagen de gelegenheid om te reageren op het voorlopig oordeel van de beoordelingscommissie. Met inachtneming hiervan adviseert de beoordelingscommissie NWO om de minst kansrijke aanvragen af te wijzen. De overige aanvragen worden verder in behandeling genomen.

4.2.5 Preadvisering door de beoordelingscommissie

Hierna wordt uw aanvraag voor commentaar voorgelegd aan enkele leden van de beoordelingscommissie (de preadviseurs). De preadviseurs geven schriftelijk een inhoudelijk en beargumenteerd commentaar op de aanvraag. Zij formuleren dit commentaar aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.3.1) en geven de aanvraag per beoordelingscriterium een cijfermatige score. Hierbij wordt de NWO scoretabel gehanteerd (op een schaal van 1 tot 9, waarbij ‘1’ excellent is en ‘9’ ontoereikend).

4.2.6 Schriftelijk weerwoord

De hoofdaanvrager ontvangt geanonimiseerde pre-adviezen zonder cijfermatige scores. U heeft daarna de gelegenheid om een weerwoord te formuleren. U krijgt vijf werkdagen de tijd om uw weerwoord per e-mail (programmaraad@nro.nl) in te dienen. Mocht u besluiten de aanvraag in te trekken, moet u dit zo snel mogelijk per e-mail aan het bureau te melden en de aanvraag in ISAAC in te trekken. Indien NWO uw weerwoord na de deadline ontvangt, wordt het niet meegenomen in de verdere procedure.

4.2.7 Vergadering van de beoordelingscommissie

De beoordelingscommissie maakt op basis van de aanvragen, preadviezen en weerwoorden een eigen afweging. Hierbij geldt dat de preadviezen in belangrijke mate richtinggevend zijn voor de uiteindelijke beoordeling, maar niet per se onverkort worden overgenomen door de beoordelingscommissie. De commissie weegt de argumenten van de preadviseurs (ook onderling) en bekijkt of in het weerwoord een goede reactie is geformuleerd op de kritische opmerkingen uit de preadviezen.

De commissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op voor de Programmaraad voor wetenschappelijk onderwijsonderzoek over de kwaliteit en prioritering van de aanvragen. Dit advies baseert zij op de beoordelingscriteria. De aanvraag als geheel moet ten minste de kwalificatie ‘goed’ krijgen om in aanmerking te komen voor de subsidie. Daarnaast moet de aanvraag op elk van de afzonderlijke beoordelingscriteria ten minste de kwalificatie ‘goed’ krijgen.

Alle aanvragen worden voorzien van een kwalificatie, gebaseerd op de eindscore. Daarbij wordt de volgende schaal gehanteerd:

  • 1,0 tot en met 1,4: excellent

  • 1,5 tot en met 3,4: zeer goed

  • 3,5 tot en met 5,4: goed

  • 5,5 tot en met 9,0: ontoereikend

Voor meer informatie over de kwalificaties zie Financiering aanvragen, hoe werkt dat? | NWO.

Als na de bespreking van de aanvragen blijkt dat twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen totaalscore niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan is er sprake van een ex aequo-situatie (zie paragraaf 4.2.8).

4.2.8 Ex aequo

Onder ex aequo verstaat NWO de situatie waarin twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen score niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een ex aequo-situatie is relevant rondom de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Of er sprake is van een ex aequo-situatie wordt als volgt bepaald. Het uitgangspunt is de door de beoordelingscommissie opgestelde prioritering, met eindscores afgerond op twee decimalen. De referentiescore is de score van de laagst geprioriteerde aanvraag binnen de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Alle aanvragen met een score die 0,05 of minder van de referentiescore afliggen, worden in overweging genomen. Zo worden de aanvragen geselecteerd die binnen 0,1 gelijk zijn. Indien een ex aequo-situatie zich voordoet op de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens, zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘kwaliteit van het onderzoeksplan’ als hoogste eindigen. Als ook dan aanvragen gelijk eindigen, zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘relevantie en impact’ als hoogste eindigen. Indien dit niet doorslaggevend is, bepaalt de beoordelingscommissie met behulp van een (anonieme) meerderheidsstemming de prioritering (conform artikel 2.2.6, derde lid, van de NWO Subsidieregeling 2024). Als ook stemming geen uitsluitsel biedt, of niet gewenst is, wordt de ex aequo-situatie doorgestuurd naar het besluitnemend orgaan.

4.2.9 Besluitvorming

Tot slot toetst de Programmaraad voor wetenschappelijk onderwijsonderzoek de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. Vervolgens stelt de raad de definitieve kwalificaties vast en besluit over toe- en afwijzing van de aanvragen.

4.2.10 Tijdpad

Hieronder treft u het tijdpad aan voor deze Call for proposals. Het kan zijn dat NWO het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure nog aanpassingen te doen in het tijdpad van deze Call for proposals. Uiteraard ontvangt u hierover op tijd bericht.

Intentieverklaringen

Dinsdag 11 november 2025, voor 14:00:00 CET

Deadline intentieverklaringen

Aanvragen

Dinsdag 9 december 2025, voor 14:00:00 CET

Deadline aanvragen

Januari/februari 2026

Optioneel: uitslag voorselectie

Februari 2026

Raadplegen preadviseurs

Maart 2026

Aanvragers kunnen een weerwoord indienen

April 2026

Vergadering beoordelingscommissie

Juni/juli 2026

Besluit door besluitnemend orgaan

4.3 Criteria

4.3.1 Inhoudelijke beoordelingscriteria

De aanvragen die binnen deze Call for proposals worden ingediend, worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

  • 1. Kwaliteit van het onderzoeksplan (40%)

    • a. Uitwerking probleemstelling en onderzoeksvragen

      • In hoeverre is de centrale probleemstelling helder beschreven, afgebakend en uitgewerkt?

      • In hoeverre is de aanduiding van en de aansluiting op bestaande kennis, theorieën en relevante juridische kaders adequaat?

      • In hoeverre is de probleemstelling op consequente wijze uitgewerkt in onderzoeksvragen en – voor zover van toepassing – in een conceptueel model en/of hypothesen?

      • In hoeverre is er voldoende aandacht voor samenhang en dwarsverbanden tussen de verschillende onderdelen van de aanvraag?

    • b. Opzet en methoden

      • In hoeverre is de gekozen onderzoeksopzet passend bij het vraagstuk en de fasering adequaat?

      • In hoeverre zijn de voorgestelde (juridische en eventueel empirische) methoden en technieken doelmatig en geschikt om de onderzoeksvragen te beantwoorden?

    • c. Haalbaarheid en begroting van het onderzoek

      • In hoeverre is er een goed doordacht en haalbaar werk- en publicatieplan waarbij rekening wordt gehouden met de maximale looptijd van het onderzoeksproject?

      • In hoeverre is de raming van de aangevraagde personele en materiële middelen redelijk voor het voorgestelde onderzoek en voldoende adequaat beargumenteerd?

  • 2. Relevantie en impact (40%)

    • a. Relevantie

      • In hoeverre wordt duidelijk en overtuigend uiteengezet hoe het onderzoek aansluit bij de doelstellingen uit paragraaf 2.1? Deze zijn:

        • verdiepen en verbreden van rechtswetenschappelijke kennis rondom het onderwijs;

        • stimuleren van nieuw talent; en

        • bijdragen aan de onderwijsrechtelijke kennis- en leerinfrastructuur.

      • In hoeverre wordt adequaat uiteengezet waarom het vraagstuk relevant en van belang is voor zowel de rechtswetenschap als de onderwijspraktijk/het onderwijsbeleid?

      • In hoeverre is de keuze voor de onderwijssector(en) duidelijk en overtuigend onderbouwd?

    • b. Impact

      • In hoeverre is er een adequate onderbouwing voor de mate waarin wetenschappelijke en maatschappelijke impact proportioneel aan het vraagstuk zijn uitgewerkt?

      • Met betrekking tot de wetenschappelijke impact:

        • In hoeverre is er sprake van een passende en realistische visie op de manier(en) waarop het voorgestelde onderzoek tot wetenschappelijke impact kan leiden?

        • In hoeverre hebben de beoogde resultaten potentie voor het eigen vakgebied én voor aanverwante of bredere wetenschappelijke domeinen?

      • Met betrekking tot de maatschappelijke impact:

        • o In hoeverre is er sprake van een passende en realistische visie op de manier(en) waarop het voorgestelde onderzoek tot maatschappelijke impact kan leiden?

        • o In hoeverre is de aanvraag adequaat gericht op het ontdekken en opvolgen van (onvoorziene) kansen voor kennisbenutting en maatschappelijke impact gedurende alle fasen van het onderzoek?

  • 3. Kwaliteit van het consortium (20%)

    • a. Deskundigheid

      • In hoeverre zijn de aanvragers deskundig op het desbetreffende terrein, mede blijkend uit publicaties, presentaties en kennisbenuttingsprestaties? (Voor de beoordeling van publicaties wordt o.a. gebruik gemaakt van het Publicatieculturen NWO-domein Sociale en Geesteswetenschappen | NWO. De Journal Impact Factor en H-index mogen niet als indicator worden meegenomen conform de DORA- verklaring.)

      • In hoeverre past de samenstelling van het consortium bij de gekozen vraagstelling? Denk hierbij aan de vertegenwoordiging van relevante (praktijk- of beleids)partners en (sociaalwetenschappelijke of rechts)disciplines.

      • In hoeverre wekt de rolverdeling van het onderzoeksteam voldoende vertrouwen dat het project tot een goed einde kan worden gebracht?

    • b. Stimuleren van talent

      • In hoeverre is de rol en mate van betrokkenheid van de beginnende onderzoeker(s) passend en realistisch?

      • In hoeverre is er een concreet en haalbaar plan met een doelmatige visie op het begeleiden van de beginnende onderzoeker(s)?

      • In hoeverre wordt duidelijk en is doelmatig hoe de beginnende onderzoeker(s) zich kan/kunnen ontwikkelen in onderzoeksvaardigheden en het desbetreffende vakgebied?

Op alle criteria moet ten minste sprake zijn van de kwalificatie ‘goed’ om in aanmerking te komen voor subsidietoewijzing. Ook moet de aanvraag als geheel de kwalificatie ‘goed’ krijgen. Voor het subcriterium ‘Impact’ geldt: het is mogelijk een goede score te krijgen voor dit criterium als de focus van het voorstel ligt op wetenschappelijke impact, als de focus ligt op maatschappelijke impact, of als de focus verspreid is over beide vormen van impact. De score voor dit criterium is onafhankelijk van de gekozen focus/nadruk; de ene vorm van impact is niet beter of minder goed dan de andere.

5 Subsidieverplichtingen

In dit hoofdstuk worden de verschillende subsidieverplichtingen toegelicht die – in aanvulling op de in paragraaf 3.5 genoemde subsidievoorwaarden – van toepassing zijn na toewijzing.

5.1 Start project

Uiterste startdatum

Een toegekend project moet uiterlijk maandag 11 januari 2027 starten. Als het project te laat start kan het NRO het toewijzingsbesluit intrekken.

Voor de start van het project dient u de volgende startdocumenten in via ISAAC:

  • een volledig ingevuld en ondertekend startformulier;

  • een consortiumovereenkomst (in geval van cofinanciering).

Daarnaast registreert u iedere aanstelling van een promovendus of postdoc via ISAAC voor de aanstellingsduur op het project waarvoor u subsidie aanvraagt.

Startbijeenkomst

Een toekomstbestendig onderwijsrechtsveld behoeft stimulering in de kennis- en leerinfrastructuur. Om hieraan bij te dragen, organiseert het NRO een startbijeenkomst. De insteek is om de aanvragers van toegewezen onderzoekers met elkaar in contact te brengen, om mogelijke samenwerkingen tussen projecten tot stand te brengen, om bijvoorbeeld overlap in (deel)onderwerpen te voorkomen en/of om elkaar juist in expertise en focus te versterken. Bovendien kunnen tijdens de startbijeenkomst de vervolgstappen voor het gezamenlijke ontwerp van een plan van aanpak besproken worden. Wie er hoofdzakelijk binnen een werkgroep met het plan van aanpak aan de slag gaan, wordt bij voorkeur tijdens deze startbijeenkomst bepaald.

De startbijeenkomst is de eerste in een reeks van bijeenkomsten. De verantwoordelijkheid voor de daaropvolgende werkconferenties ligt bij de aanvragers. Afspraken over totstandkoming van deze werkconferenties worden gemaakt tijdens de startbijeenkomst, waaronder welke onderzoeker(s) hoofdverantwoordelijk wordt/worden voor het organiseren van de werkconferenties.

5.2 Voortgang project

Tussentijdse wijzigingen melden

U bent als hoofdaanvrager verplicht om wijzigingen in de planning of uitvoering van het onderzoek onmiddellijk te melden. In die melding geeft u het NRO een beargumenteerde motivatie voor de wijzigingen.

Werkconferenties

Aan de start van het eerste jaar organiseert het NRO een startbijeenkomst (zie paragraaf 5.1). Na dit eerste jaar organiseren de onderzoekers/consortia onderling bij voorkeur ieder kalenderjaar, en in ieder geval twee keer tijdens de looptijd van de onderzoeken, een werkconferentie om de kennis- en leerinfrastructuur voor een toekomstbestendig onderwijsrecht te stimuleren. Deelname aan zowel deze startbijeenkomst als de werkconferenties is verplicht voor consortia met een lopend onderzoek.

Tijdens een werkconferentie presenteren de onderzoekers/consortia voorlopige resultaten of bijvoorbeeld de voortgang van de conceptuele uitgangspunten en kaders. Deze werkconferenties bouwen in eerste instantie op de startbijeenkomst voort, en vervolgens op elkaar. De werkconferenties dienen ter ondersteuning van de onderlinge samenwerking, afstemming en uitwisseling van inzichten en kennis. Het staat aanvragers vrij om werkconferenties te laten resulteren in gezamenlijke publicaties.

De werkconferenties dragen bij aan netwerkvorming van een nieuwe generatie onderwijsrechtswetenschappers, door de beginnende onderzoekers met elkaar in contact te brengen. Andere relevante partijen, zoals de Vereniging voor Onderwijsrecht of het Ministerie van OCW kunnen voor deze werkconferenties ook worden uitgenodigd.

Plan van aanpak

Tijdens de werkconferenties dient ook het plan van aanpak aan bod te komen. Omdat het plan van aanpak na afloop van het laatste project moet worden opgeleverd als gezamenlijk onderzoeksproduct (zie paragraaf 5.3), is het aan te raden om hier tijdens de verschillende werkconferenties over te brainstormen. De werkgroep die zich bezighoudt met het plan van aanpak, kan ook buiten de werkconferenties om met elkaar om tafel.

Middels een wijzigingsverzoek is het mogelijk de verdeling van de aangevraagde kosten voor het plan van aanpak te wijzigen. Het NRO moet het verzoek goedkeuren voordat u de wijziging doorvoert.

Monitoring voortgang

Halverwege de looptijd van het onderzoek moet de hoofdaanvrager verslag doen van het tot dan toe uitgevoerde onderzoek. Daarbij dient u aan te geven hoe het onderzoek in de resterende looptijd wordt uitgevoerd. Graag ziet het NRO in dit voortgangsverslag ook een korte rapportage van de tot dan toe georganiseerde werkconferentie(s).

Het NRO volgt en ondersteunt de voortgang en evalueert de resultaten van het onderzoek. Hierbij wordt uitgegaan van de planning en beoogde opbrengsten zoals vermeld in uw aanvraag. Een aanzienlijke afwijking op de aanvraag, zonder voorafgaande instemming van het NRO, kan ertoe leiden dat het NRO de betaling van tranches (tijdelijk) stopzet, en de subsidie gedeeltelijk of geheel intrekt, en waar nodig terugvordert.

Daarnaast vraagt het NRO u gedurende de looptijd, en tot twee jaar na de looptijd van het project, iedere publicatie of andere vorm van output te registreren in ISAAC. U volgt hierbij het Standaard Evaluatie Protocol (SEP). Op www.isaac.nwo.nl vindt u een uitgebreide beschrijving van de stappen die u doorloopt om producten in ISAAC te registreren.

Kennisbenutting

Voor het NRO is het van belang dat de gegenereerde kennis voortkomend uit door het NRO gefinancierd onderzoek ook zijn weg vindt naar de maatschappij. Om de potentie voor maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten is aantoonbare betrokkenheid nodig van belangrijke gebruikers vanaf de vorming van het consortium tot en met afronding van het project.

Gedurende de uitvoering van het onderzoek vraagt het NRO te reflecteren op de impact van het onderzoek en na te denken op welke manier informatie uit het onderzoek benut, verspreid en geborgd kan worden onder eindgebruikers en andere belanghebbenden. Dit komt terug in het monitoren van de voortgang van het onderzoek.

Onderwijskennis

In het kader van kennisdisseminatie en kennisbenutting kunnen uitvoerders gedurende de looptijd van het onderzoek uitgenodigd worden om in relatie tot het thema van de aanvraag een bijdrage te leveren aan een themapagina op het nationale kennisknooppunt Onderwijskennis.nl. Dit platform wordt mogelijk gemaakt door het NRO en toont wetenschappelijk onderbouwde bronnen van diverse partners met als doel het toegankelijk maken van kennis en het verbinden van onderwijsonderzoek

met de onderwijspraktijk en onderwijsbeleid. De website biedt thematische pagina’s over relevante onderwijsthema’s, met onder andere thematische overzichten, praktische handvatten en verdiepende bronnen.

Een bijdrage kan gevraagd worden in de vorm van het aanleveren van een geschikte bron, maar ook in de vorm van het reviewen van een thematisch overzicht of van reeds geselecteerde bronnen over het onderzoeksthema van de aanvraag. Een bijdrage is mogelijk ongeacht de onderwijssector of het perspectief van het onderzoek. Indien een bijdrage aan Onderwijskennis gewenst is, neemt het NRO contact op met de projectleider. U kunt ook contact opnemen via de contactpagina op Onderwijskennis.nl wanneer u zelf een bijdrage wilt leveren.

5.3 Afronding project

Presentatie projecten

Het NRO organiseert regelmatig bijeenkomsten waar onderzoeken die zijn gehonoreerd gepresenteerd worden. Daarmee beoogt het NRO, conform zijn missie, bij te dragen aan het verbeteren en vernieuwen van het onderwijs. Het NRO kan uitvoerders van dit project uitnodigen om aan de bijeenkomsten een bijdrage te leveren. Daarnaast wordt van de uitvoerders gevraagd om hun onderzoek te presenteren op andere bijeenkomsten in relatie tot het thema.

Procesverslag, factsheet, plan van aanpak en financiële verantwoording

Uiterlijk binnen drie maanden na afronding van het onderzoek dient de hoofdaanvrager een procesverslag, factsheet en een financiële verantwoording in.

In de factsheet staan beknopt en puntsgewijs de kenmerken van het project beschreven. De factsheet dient als inzichtelijke presentatie van de onderzoeksresultaten/geproduceerde kennis.

Voor de factsheet gelden de volgende uitgangspunten:

  • De factsheet is gericht op een breed publiek waaronder in ieder geval professionals uit de onderwijspraktijk, wetenschappelijke onderzoekers en beleidsmakers.

  • De factsheet wordt in het Nederlands opgesteld.

  • De tekst moet overzichtelijk zijn; de lezer moet zich snel een beeld kunnen vormen van de inhoud en de relevantie voor diens eigen praktijk.

Uiterlijk binnen drie maanden na afronding van het laatst lopende toegewezen onderzoeksproject moet ook het gezamenlijk opgestelde plan van aanpak zijn ingediend.

Daarnaast registreert u afzonderlijk in ISAAC alle tot dan toe in het project gerealiseerde output. Vervolgens sluit het NRO de subsidieperiode af en stelt de definitieve subsidie vast.

Publicatie op NRO-website

Nadat uw project succesvol is afgerond publiceert het NRO de factsheet op de website.

DANS

Alle producten en tussenproducten moet u binnen drie maanden na publicatie van een rapport uploaden in DANS Data Stations. Dit is het online archiveringssysteem van Data Archiving and Networked Services (DANS) van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW, i.c. Data Stations - DANS (knaw.nl). Het gaat hier met name om de databestanden met onderzoeksgegevens die zich lenen voor meervoudig gebruik. Uiteraard moet u ervoor zorgen dat de bestanden geen vertrouwelijke gegevens en gerubriceerde gegevens bevatten. Ook schrapt u de gegevens waarvan op grond van de wet- en regelgeving het openbaar maken achterwege moet blijven. U moet bij het aanbieden van de databestanden het unieke OND-nummer vermelden. Ook moeten de databestanden voldoen aan de richtlijnen van DANS. Na opname van de databestanden in een van de vier domeinspecifieke DANS Data Stations kent DANS een Persistent Identifier toe aan het databestand.

NCO

Omvangrijke landelijk representatieve databestanden moet u mogelijk ter beschikking stellen aan het CBS. Daarmee is een verbinding mogelijk met het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO), dat gefinancierd wordt door het NRO. De NCO-coördinatoren adviseren over de wenselijkheid hiervan bij de start van het project. Als het bestand integraal onderdeel wordt van het NCO, ontvangt u instructies en handleidingen over de voorwaarden waaraan de dataverzameling moet voldoen en hoe u de respondenten informeert.

5.4 Datamanagement

Na toewijzing van een aanvraag dient de aanvrager de datamanagementparagraaf uit te werken tot een datamanagementplan. Aanvragers kunnen hierbij gebruik maken van het advies van de referenten en commissie. De aanvrager beschrijft in het plan of gebruik gemaakt wordt van bestaande data of dat het om een nieuwe dataverzameling gaat en hoe de dataverzameling dan FAIR: vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar gemaakt wordt. Het datamanagementplan dient voor indiening te zijn afgestemd met een data-steward of vergelijkbare functionaris van de onderzoeksorganisatie waar het project wordt uitgevoerd. NWO beoordeelt het plan zo snel mogelijk. Goedkeuring van het datamanagementplan door NWO is voorwaarde voor de subsidieverlening. Het plan kan tijdens het onderzoek worden bijgesteld.

Meer informatie over het datamanagementprotocol van NWO staat op: Research datamanagement | NWO.

5.5 Intellectueel eigendom en consortiumovereenkomst

Met betrekking tot de intellectuele eigendom (IE) geldt het NWO IE-beleid. Het NWO IE-beleid is te vinden in hoofdstuk 4 van de NWO Subsidieregeling 2024.

Aanvragers moeten een door NWO gefinancierd project uitvoeren in de tijd dat ze voor de onderzoeksorganisatie werken. Indien een aanvrager of een door NWO gefinancierde onderzoeker bij meerdere werkgevers is aangesteld, dient de andere werkgever ten behoeve van de aanvrager afstand te doen van eventuele IE-rechten die uit het project voortvloeien.

In geval van een consortiumovereenkomst:

In geval van cofinanciering is het afsluiten van een consortiumovereenkomst na toewijzing van de aanvraag één van de voorwaarden voor de start van het project. In deze overeenkomst worden afspraken gemaakt over intellectueel eigendom en publicatie, kennisoverdracht, geheimhouding, betalingen van cofinanciering en voortgangs- en eindverslagen. Uploaden in ISAAC is noodzakelijk voordat een project kan starten.

De (model) consortiumovereenkomst die NWO beschikbaar stelt op de financieringspagina voor deze Call for proposals dient hiervoor gebruikt te worden. Deze modelovereenkomst is opgesteld conform de NWO Subsidieregeling 2024.

5.6 Maatschappelijk verantwoord licentiëren

Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licentie- en/of overdracht van onder deze Call for proposals ontwikkelde onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de tien principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren, zoals opgenomen in het NFU rapport “NFU-19.3793 Maatschappelijk Verantwoord Licenseren CMYK 7.indd”.

5.7 Open Access

NWO heeft de Berlin Declaration (2003) ondertekend en is lid van cOAlitie S (2018) en zet zich in om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat door NWO gefinancierd wordt vrij toegankelijk te maken via internet (Open Access). Daarmee geeft NWO invulling aan het beleid van de Nederlandse regering om al het publiek gefinancierde onderzoek Open Access beschikbaar te maken.

Wetenschappelijke publicaties van onderzoek dat is gefinancierd op basis van toewijzingen voortvloeiend uit deze Call for proposals dienen daarom Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access.

Wetenschappelijke artikelen

Voor wetenschappelijke artikelen geldt dat ze direct op het moment van publicatie (zonder embargo) Open Access beschikbaar gesteld moeten worden via één van de volgende routes:

  • publicatie in een volledig open access-tijdschrift of -platform dat is geregistreerd in de DOAJ;

  • publicatie in een abonnementstijdschrift en het deponeren van ten minste de auteursversie van het artikel in een Open Access-repository die is geregistreerd in OpenDOAR;

  • publicatie in een tijdschrift waarvoor een transformatieve Open Access-overeenkomst beschikbaar is tussen de UNL en een uitgever. Zie daarover: Open Access.

Boeken

Voor boeken, boekhoofdstukken en bundels gelden afwijkende voorwaarden. Zie daarover de Beleidsregel Open Access op Open Science | NWO.

Overige typen publicaties

NWO moedigt aan dat ook niet-wetenschappelijke publicaties zo vroeg mogelijk en onder een open licentie open access beschikbaar gesteld worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om rapporten, working papers, posters, protocollen, prototypen, presentaties en projectwebsites. Om de vindbaarheid, hergebruik en langdurige beschikbaarheid te garanderen, is het advies:

  • een DOI (Digital Object Identifier) of andere persistent identifier toe te passen;

  • een open licentie, bij voorkeur een Creative Commons Licentie, te hanteren;

  • het materiaal in een trusted repository op te slaan die langdurige toegankelijkheid garandeert. NWO adviseert om gebruik te maken van Zenodo dat gratis opslag en geautomatiseerde diensten aanbiedt op deze drie terreinen.

CC BY-licentie

Met het oog op een optimale verspreiding van publicaties moet tenminste een Creative Commons (CC BY)-licentie worden toegepast. Bij de aanwezigheid van zwaarwegende belangen kan de auteur verzoeken om te publiceren onder toepassing van een CC BY-ND-licentie. Voor boeken, bundels en boekhoofdstukken staat de keuze van een CC BY-licentie vrij.

Kosten

Eventuele kosten voor publiceren in volledig Open Access-tijdschriften kunnen worden begroot in de

projectbegroting door gebruikmaking van de budgetmodule ‘materieel’. Kosten voor publicaties in hybride tijdschriften komen niet in aanmerking voor vergoeding door NWO. Voor Open Access-boeken kan een beroep gedaan worden op het aparte NWO Open Access-boekenfonds.

Voor een nadere toelichting op het Open Access-beleid van NWO zie: Open Science | NWO.

6 Contact en overige informatie

6.1 Contact

6.1.1 Inhoudelijke vragen

Voor inhoudelijke vragen over deze Call for proposals neemt u contact op met:

Beleidsmedewerkers

Wouter Keijzer, MSc

Tel: 070 344 0551

E-mail: programmaraad@nro.nl

Evi van Saase, MSc

Tel: 070 344 0551

E-mail: programmaraad@nro.nl

Secretariaat NRO

Marijke Klement

Tel: 070 344 0713

E-mail: programmaraad@nro.nl

6.1.2 Technische vragen over het elektronisch aanvraagsysteem ISAAC

Bij technische vragen over het gebruik van ISAAC kunt u contact opnemen met de ISAAC-helpdesk. Raadpleeg eerst de handleiding voordat u de helpdesk om advies vraagt. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen twee werkdagen een reactie.

6.2 Overige informatie

NWO verwerkt persoonsgegevens die ze in het kader van deze ronde ontvangt conform de NWO privacyverklaring, Privacyverklaring | NWO.

NWO kan aanvragers mogelijk benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.

7 Bijlagen

7.1 Budgetmodules en tarieven

7.1.1 Personeel

Voor genoemde salaristabellen en tarieven: zie Salaristabellen | NWO.

Promovendus

Een promovendus wordt 48 maanden voor 1,0 fte aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden. Het equivalent van 48 voltijdsmaanden, bijvoorbeeld een aanstelling van 60 maanden voor 0,8 fte, is ook mogelijk. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een promovendus die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL. Voor iedere promovendus is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.

Postdoc

Een postdoc wordt aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden.

Gebruik de tarieven van een senior wetenschappelijk medewerker in de salaristabellen van UNL

Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een postdoc die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Alleen een postdoc-positie met een aanstelling van ten minste 12 maanden voor 0,5 fte kwalificeert als een aanstelling waarvoor een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar staat ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.

Niet-wetenschappelijk personeel

Financiering kan worden aangevraagd voor niet-wetenschappelijk personeel (NWP) dat nodig is voor de uitvoering van het project. Het kan bijvoorbeeld gaan om programmeurs, technisch assistenten, analisten of projectmanagers. De inzet van NWP moet worden beschreven in de aanvraag.

De duur van de aanstelling is niet langer dan de looptijd van het door NWO gefinancierde project. Afhankelijk van het functieniveau wordt gekozen uit de salaristabellen van het UNL voor NWP-mbo, NWP-hbo en NWP-academisch. Voor NWP is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

Universitair (hoofd)docenten, hoogleraren en junior onderzoekers/onderzoeksassistentie

Financiering kan worden aangevraagd voor loonkosten van universitair (hoofd)docenten, hoogleraren en junior onderzoekers/onderzoeksassistentie bij universiteiten. Begeleiding van een promovendus of postdoc komt niet in aanmerking voor financiering.

Gebruik de tarieven volgens de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2.1 gemiddelde directe loonkosten per salarisschaal, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal bepaalthet tarief. Voor hoogleraren geldt maximaal schaal 17.

Voor universitair (hoofd)docenten, hoogleraren en junior onderzoekers (m.u.v. promovendi) is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

Personeel van hogescholen

Financiering kan worden aangevraagd voor personeel van hogescholen. De tarieven worden bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2.2 gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De te verwachten werkelijke loonkosten per mensjaar van de aangevraagde functie bepaalt de schaal/het tarief uit de HOT-tabel. Deze loonkosten bevatten alleen de directe werkgeverslasten inclusief het in de HOT-tabel opgenomen vaste bedrag voor overhead, en mag geen overige opslagen bevatten als bijvoorbeeld een winstopslag.

7.1.2 Materieel

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke kosten met betrekking tot onder meer verbruiksgoederen, inkoop van diensten, personele inzet en/of onderzoekskosten vanuit samenwerkingspartners, inhuur van derden, materialen, kleine instrumenten, toegang tot (inter)nationale faciliteiten, software en onderzoeksmiddelen die na gebruik geen economische waarde meer hebben. Reis- en verblijfkosten (nationaal en internationaal) voor alle mensen die aan het project werken incl. buitenlandse gastonderzoekers, kosten voor de organisatie van (internationale) workshops en symposia, kosten voor datamanagement, publicaties, en kosten in het kader van citizen science vallen eveneens onder deze module.

In het onderzoek kunnen studenten worden ingezet. Indien de studenten bijdragen als onderdeel van hun curriculum, geldt het tarief volgens de gebruikelijke stagevergoeding van de universiteit of hogeschool. Indien de studenten als bijbaan naast hun studie als student-assistent bijdragen, geldt maximaal het tarief volgens HOT-tabel 2 schaal 1.

Maximaal 50% van het bij NWO aangevraagde materiele budget kan ingezet worden voor werk door samenwerkingspartners en/of derden.

Reiskosten (nationaal en internationaal) worden alleen vergoed op basis van tweede klasse/economy class tarieven. Voor publicaties gelden de bepalingen in de paragraaf 5.7 Open access. Kosten voor een controleverklaring kunnen alleen worden opgevoerd voor instellingen die niet onderworpen zijn aan het onderwijsaccountantsprotocol van OCW voor maximaal € 5.000 per controleverklaring.

Het is niet toegestaan om kosten op te voeren voor:

  • organisatie-infrastructuur en overhead, waaronder een volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening en thuiswerkvergoeding;

  • het gebruik en onderhoud van in eigen beheer ontwikkelde wetenschappelijke infrastructuur.

  • reguliere onderwijsactiviteiten;

Indien het maximum aan te vragen bedrag (zie paragraaf 3.2.2) niet toereikend is voor het uitvoeren van het onderzoek, kan, mits goed gemotiveerd in de aanvraag, daarvan afgeweken worden.

7.1.3 Kennisbenutting

Het aangevraagde budget dient in de aanvraag adequaat gespecificeerd te worden. Gebruik voor de bepaling van de tarieven de bepalingen van de budgetmodules Personeel (paragraaf 7.1.1) en Materieel (paragraaf 7.1.2).

Impact Outlook benadering

Het is mogelijk om maximaal 5% van het subsidiebedrag in te zetten voor deze module. Voorbeelden van mogelijke kosten, maar niet gelimiteerd tot, zijn het maken van een lespakket, een haalbaarheidsstudie naar toepassingsmogelijkheden, kosten voor het indienen van een octrooiaanvraag of het gebruik maken van een business developer.

7.2 Indexering

Het tarief op het moment van de besluitdatum is van toepassing. NWO past bij de toekenning zo nodig eenmalig ambtshalve een indexering toe van de loonkosten. Hierbij wordt de datum gehanteerd dat de tarieven ingaan. Indien de datum van bekendmaking van de tarieven later is dan de ingangsdatum, wordt de datum van bekendmaking gehanteerd. De tarieven van de Universiteiten van Nederland (UNL) gaan doorgaans in op 1 juli, van de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU) op 1 augustus en van de Handleiding Overheidstarieven (HOT) op 1 januari.

Ambtshalve indexering heeft geen invloed op het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag. Het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag blijven ongewijzigd tijdens de beoordelingsprocedure. Bij toewijzing wordt indexering toegepast op het subsidiebedrag.

Indien cofinanciering is vereist dan wel toegestaan, heeft de ambtshalve indexering geen gevolgen voor de eisen aan eigen bijdragen en cofinanciering, noch voor de IE-rechten die uit de cofinanciering kunnen voortvloeien.


X Noot
1

Mensen werkzaam in de bovenste twee categorieën kunnen als medeaanvrager deelnemen in het consortium wanneer zij aan de voorwaarden voldoen zoals beschreven in paragraaf 3.1. Daarnaast kunnen ze als samenwerkingspartner deelnemen.

Mensen werkzaam in de onderste twee categorieën kunnen enkel als samenwerkingspartner deelnemen.

X Noot
2

Alle activiteiten die worden aangevraagd onder deze budgetmodule moeten passen binnen de definitie van "Activiteiten inzake kennisoverdracht" die door de Europese Commissie wordt gehanteerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2022, C 414).

Naar boven