Uitspraak Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Hertogenbosch

Beslissing van 30 juli 2025 op de klacht van:

[A],

wonende in [B],

klager,

tegen

[C],

verzekeringsarts,

werkzaam in [B],

verweerder,

gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?

  • 1.1 Klager heeft zich bij zijn werkgever ziek gemeld en is op 29 februari 2024 bij verweerder op consult geweest. Klager is van mening dat verweerder hem niet serieus heeft onderzocht en reeds voorafgaand aan het onderzoek zijn beslissing over de arbeids(on)geschiktheid van klager had genomen. Die beslissing werd hem namelijk vrijwel direct na aanvang van het consult meegedeeld. Volgens klager is verder de probleemanalyse van verweerder niet juist. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en de problematiek bij klager goed heeft uitgevraagd. Volgens verweerder heeft hij kunnen komen tot zijn conclusies.

  • 1.2 Het college komt tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college zal eerst het verloop van de procedure weergeven en de feiten. Daarna licht het college toe hoe het college tot het oordeel is gekomen.

2. De procedure

  • 2.1 De procedure blijkt uit:

    • het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 10 april 2024;

    • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 juni 2024;

    • de repliek met de bijlagen, ontvangen op 10 juli 2024;

    • de dupliek met de bijlage, ontvangen op 25 juli 2024;

    • de brief van 22 oktober 2024 met de bijlage, ontvangen op 23 oktober 2024;

    • het proces-verbaal van het op 31 oktober 2024 gehouden mondelinge vooronderzoek;

    • de e-mail van 2 december 2024 van de gemachtigde van verweerder in reactie op het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek;

    • de e-mail van 28 mei 2025 met de bijlagen, ontvangen van klager.

  • 2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 6 juni 2025. De partijen zijn verschenen. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van verweerder hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. Wat is er gebeurd?

  • 3.1 Verweerder is vanaf 1 februari 2024 als ANIOS bedrijfsgeneeskunde onder supervisie van een bedrijfsarts werkzaam bij een arbodienst (hierna: de arbodienst).

  • 3.2 Klager is op 20 november 2023 door zijn werkgever (hierna: de werkgever) ziek gemeld bij de arbodienst. Hij heeft naar aanleiding van de ziekmelding online aan de arbodienst laten weten dat hij verwachtte binnen één tot twee weken weer volledig te kunnen gaan werken en dat er geen bijzondere werk- of privéfactoren speelden.

  • 3.3 Op 18 december 2023 heeft klager een telefonisch consult gehad bij een bedrijfsarts (hierna: de bedrijfsarts), een collega van verweerder, niet zijnde zijn supervisor. De bedrijfsarts heeft naar aanleiding van dit consult in het dossier genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):

    “Is helemaal afgebrand, staat stijf van de stress, door wat er op werk gebeurt en de afgelopen tijd gebeurd is.

    Managers misdragen zich: ellebogenwerk, vriendjespolitiek. Pesterijen. (...) Krijgt niet de juiste faciliteiten. Wordt gekleineerd, moet voor het kleinste dankbaar zijn, terwijl de managers niet doen waarvoor ze zijn aangenomen.

    (...)

    VG: Paar jaar terug ziek geweest:

    Insuline problematiek, met oogproblemen sinds een paar jaar. Spuit insuline nu. Werkt thuis, met verduisterde ruimte en aangepast beeldscherm.

    (...)

    Heeft geprobeerd een afspraak te maken bij HA, maar kan daar ook alleen zijn verhaal kwijt. HA kan het ook niet oplossen.

    WN is een spraakwaterval, het zit hem allemaal hoog.

    Probleem met werksfeer en stijl van LG. Akkoord voor op terugkoppeling.

    Advies: mediation met directeur en wn.

    Wel ziekte, maar niet langdurig.

    Vooralsnog geen evrvolgafspraak, bewaking zn PA su en opstellen.

    CAS Codes

    Hoofdoorzaak 985. Problemen met wijze van leidinggeven

    Nevenoorzaak 1 981. Problemen met werksfeer

    Hoofddiagnose P109 Spanningsklacht / geprikkeldheid en woede / nerveuze spanning.”

  • 3.4 In het advies over de inzetbaarheid in werk heeft de bedrijfsarts genoteerd dat op dat moment bij klager sprake was van medische klachten, maar dat het ziekteverzuim niet lang hoefde voort te duren, mits er werk werd gemaakt van het oplossen van de arbeidsgerelateerde factoren. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om mediation in te zetten, voordat klager de eigen werkzaamheden weer kon oppakken. Een vervolgafspraak werd niet gepland.

  • 3.5 Klager heeft één mediationgesprek met de werkgever gevoerd, op 10 januari 2024. Nadat aanvankelijk tussen hen de verhouding was verbeterd, is de verhouding daarna weer verslechterd. Om die reden heeft de werkgever bij de arbodienst verzocht om een nieuw consult.

  • 3.6 Klager is op 29 februari 2024 bij verweerder op consult geweest. Naar aanleiding van het consult heeft verweerder onder meer in het dossier genoteerd:

    “Medisch beloop:

    HA: niet terug geweest bij de huisarts (...)

    Klachten:

    Stijf van de stress, opgefokt voelen, slechts slapen: 22/23u naar bed, paar uur wakker liggen en fors piekeren, rond 9u op, slaapt overdag niet, ligt wel. Niet echt somber, situatie is niet leuk. Kan wel genieten van wandelen met de hond.

    ADL/HDL: overdag op de computer bezig (van alles, geïnteresseerd op eigen vakgebied), wandelt veel, iedere dag met de hond van zijn zus, met elektronica aan het hobby-en. Youtube en actualiteiten volgen. Huishouden loopt achter, eet kant-en-klaar maaltijden (altijd al), gaat naar de winkel, autorijden gaat goed.

    Tractusanamnese:

    Diabetes type 1 laat ontstaan/vastgesteld: insuline, glucose en Hba1c zitten goed, let op voeding, geen medische problemen gekend in werk tot moment van uitval. Heeft op werkt geen koeling om insuline kwijt te kunnen en er is geen ruimte waar hij deze kan inbrengen. Deed dit altijd thuis.

    Visus: ooglensen vervangen, 2021, littekenweefsel ontstaan, thuis speciale monitor en verduisterd. Voor december 2023 wel mee kunnen werken.

    (...)

    Behandeling:

    Geen

    Medicatie:

    Insuline: 4x/dag (ochtend langdurig, bij maaltijden kortdurend)

    (...)

    O/

    Vriendelijk bij contactname, spreekt op hoog tempo, laat zich lastig onderbreken, reageert in gesprek met momenten geagiteerd. Aandacht goed te trekken en vast te houden. Geen geheugenproblemen waargenomen. Stemming met name geagiteerd, niet duidelijk somber. Affect moduleert, lacht breeduit wanneer het over de hond van zijn zus gaat. Het denken is licht tachyfreen, duidelijke preoccupatie met situatie op het werk. Geen angstequivalenten of verstorende vermoeidheid waargenomen. Emoties worden voldoende beheerst.

    E/

    Spanningsklachten als gevolg van verstoorde verhoudingen met werkgever. Onvoldoende aanwijzingen voor een psychische aandoening in engere zin. Derhalve geen arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte.’’

  • 3.7 Verweerder heeft diezelfde dag een probleemanalyse opgesteld. Daarin heeft hij onder meer geschreven:

    “Ik begrijp dat de medewerker zich ziek heeft gemeld vanwege gezondheidsklachten. Ik heb begrip voor de moeilijke omstandigheden en neem de gezondheidsklachten serieus. Echter, ik kan ze niet als arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte beschouwen. Het effect dat de medewerker ervaart, is eerder een veelvoorkomend gevolg van de huidige omstandigheden.

    Gezien de ontstane situatie adviseer ik tijdelijke vrijstelling van werkzaamheden van maximaal 2 weken, zodat er voldoende tijd is opnieuw contact te zoeken met de mediator en gezamenlijk tot nieuwe afspraken te komen.

    Conclusie

    Op basis van mijn medische expertise en beschikbare informatie kan ik concluderen dat er geen medische beperkingen zijn als gevolg van ziekte die de medewerker belemmeren om volledig terug te keren naar het werk.

    (...)

    Samen in gesprek met een deskundige

    Medewerker en werkgever. Gezien de huidige omstandigheden adviseer ik jullie om opnieuw contact te leggen met de mediator. Die kan assisteren bij het voeren van een constructief gesprek.”

  • 3.8 Eveneens op 29 februari 2024 heeft verweerder zijn beoordeling met zijn supervisor besproken. De supervisor heeft de bevindingen van verweerder dat er op dat moment geen sprake was van ziekte onderschreven. Volgens de supervisor was sprake van een conflict en van een normale reactie op een vervelende gebeurtenis.

4. De klacht en de reactie van verweerder

  • 4.1 Klager verwijt verweerder dat:

    • a. hij een oordeel heeft geveld over de arbeidsongeschiktheid van klager zonder klager eerst te spreken/zien. Klager is alleen uitgenodigd om het vonnis van verweerder aan te horen;

    • b. hij als arts absoluut niet in het belang van klager heeft gehandeld, maar uitsluitend in het zakelijk belang van zijn eigen werkgever en die van klager;

    • c. de inhoud van de probleemanalyse van verweerder niet juist is.

  • 4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

  • 4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

Welke criteria gelden bij de beoordeling?

  • 5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Klachtonderdeel a) een oordeel heeft geveld over de arbeidsongeschiktheid van klager zonder klager eerst te spreken/zien

  • 5.2 Klager is van mening dat verweerder al een oordeel over zijn arbeids(on)geschiktheid had voordat verweerder hem had onderzocht. Volgens klager heeft verweerder hem al vrijwel meteen bij aanvang van het gesprek meegedeeld dat er geen sprake was van een fysiek probleem en dat klager dus weer per direct volledig aan het werk kon gaan. Klager heeft weliswaar nog van alles over zijn situatie verteld, maar dat heeft de mening van verweerder niet kunnen veranderen. Verweerder wilde volgens klager niets over zijn situatie horen en werd zelfs boos. Hij heeft tegen klager gezegd dat hij al had beslist.

  • 5.3 Verweerder heeft aangegeven dat er voorafgaand aan het consult overleg is geweest met zijn supervisor en dat zij gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat verweerder bekwaam was om het consult zelfstandig te doen. Hij is van mening dat hij zorgvuldig heeft gehandeld. Hij heeft tijdens het consult een medische anamnese afgenomen, gevraagd naar de privésituatie van klager en naar zijn functioneren in het dagelijks leven. Verweerder heeft klager daarbij de ruimte gegeven om zijn verhaal te doen. Verder heeft verweerder kennisgenomen van wat de bedrijfsarts in een eerder stadium had geconcludeerd alsmede haar opmerking dat de ziekte die zij op dat moment had vastgesteld, niet als langdurig werd ingeschat. Ook klager had aangegeven dat hij veronderstelde dat hij binnen enkele weken weer aan het werk zou kunnen. Over de visuele beperkingen en de beperkingen door de suikerziekte van klager – die al aanwezig waren ruim voor de ziekmelding – heeft klager aangegeven dat hij daarmee kon functioneren. Verweerder is pas tot een beoordeling gekomen nadat hij alle daartoe benodigde informatie had ontvangen en beoordeeld. Hij is van mening dat hij gelet op al die informatie heeft kunnen vaststellen dat er geen medische redenen waren om klager arbeidsongeschikt te verklaren. De door klager omschreven spanningsklachten vond verweerder passen bij het arbeidsconflict. Klager heeft met betrekking tot de spanningsklachten ook niet aangegeven dat er sprake was van een vastgestelde diagnose in de curatieve sector en/of dat er een behandeltraject was gestart.

  • 5.4 Het college komt op grond van het volgende tot het oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Tussen partijen bestaat een verschil van mening over wat is besproken tijdens het consult van 29 februari 2024 en hoe het consult is verlopen. Klager stelt dat al direct is gezegd dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Verweerder weerspreekt dat en heeft aangegeven dat hij pas aan het einde van het consult is gekomen tot de conclusie dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Dat betekent dat het college niet kan vaststellen wat er aan het begin van het consult van 29 februari 2024 is besproken. Vast staat in ieder geval dat het medisch dossier van klager een uitgebreide weergave bevat van het consult dat op 29 februari 2024 heeft plaatsgevonden. Het college stelt daarmee vast dat er inhoudelijk een compleet gesprek is geweest. Op welke wijze dit gesprek uiteindelijk heeft plaatsgevonden, kan het college niet vaststellen. In gevallen waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan een verwijt dat is gebaseerd op de lezing van klager niet gegrond worden bevonden. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.

Klachtonderdeel b) als arts absoluut niet in het belang van klager heeft gehandeld, maar uitsluitend in het zakelijk belang van zijn eigen werkgever en die van klager

  • 5.5 Klager verwijt verweerder dat hij niet in het belang van klager heeft gehandeld, maar uitsluitend in het zakelijk belang van zijn eigen werkgever en de werkgever van klager.

  • 5.6 Verweerder betwist dat hij niet in het belang van klager heeft gehandeld. Hij heeft aangevoerd dat hij bij zijn beoordeling het belang van klager voorop heeft gesteld door hem op een zorgvuldige wijze te beoordelen. Bovendien heeft hij in het belang van klager gehandeld door te adviseren om opnieuw mediation in te zetten om het arbeidsconflict op te lossen. Dit achtte verweerder noodzakelijk voor een afname van de spanningsklachten. Verweerder heeft verder in het belang van klager gehandeld door te adviseren om hem maximaal twee weken vrij te stellen van werk. Het doel daarvan was dat klager wat ruimte zou krijgen om zijn emoties/spanningen wat te laten zakken en zich voor te bereiden op de gesprekken met de werkgever.

  • 5.7 Het college is van oordeel dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is, reeds omdat klager niet op enigerlei wijze heeft onderbouwd waarom verweerder niet in het belang van klager zou hebben gehandeld. Het college heeft klager daarnaast op de zitting gevraagd waaruit klager heeft afgeleid dat verweerder uitsluitend in het zakelijk belang van zijn werkgever en die van klager heeft gehandeld, maar daarop is geen duidelijk antwoord gekomen. Het enkele feit dat verweerder tot een conclusie komt die klager niet deelt, betekent niet dat niet zorgvuldig is gehandeld noch dat dit niet in het belang van klager zou zijn.

Klachtonderdeel c) een onjuiste inhoud van de probleemanalyse van verweerder

  • 5.8 Het college begrijpt het verwijt van klager aldus dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat enkel sprake was van een arbeidsconflict en daarmee van arbeidsgeschiktheid. Klager heeft daarvoor verwezen naar de naderhand opgestelde rapporten betreffende beoordelingen door andere artsen.

  • 5.9 Verweerder heeft aangegeven dat hij op grond van de door hem ontvangen informatie heeft kunnen komen tot de conclusie dat enkel sprake was van een arbeidsconflict. Hij heeft eerst beoordeeld of sprake was van een ziekte of gebrek. Vervolgens heeft hij gekeken of sprake was van overbelasting of een burn-out of dat de klachten het gevolg waren van een vervelende situatie. Er waren volgens verweerder onvoldoende aanwijzingen voor overspannenheid. Daarom was er geen medische reden voor ziekteverzuim. De visuele beperkingen en de beperkingen door de suikerziekte had klager al en leverden als zodanig geen ziektebeeld op dat tot arbeidsongeschiktheid leidde. Verweerder is van mening dat hij de juiste stappen heeft gezet.

  • 5.10 Het college stelt voorop dat de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, uitsluitend wordt beoordeeld in het licht van wat er ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen aan verweerder bekend was en bekend kon zijn omtrent de arbeids(on)geschiktheid van klager. Dit betekent dat bij de beoordeling van het handelen van verweerder geen rekening wordt gehouden met het oordeel van een andere zorgverlener dat in een later stadium is gegeven over de vraag of iemand al dan niet als arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt. Klager heeft na de beoordeling door verweerder oordelen gevraagd aan andere zorgverleners. Deze ‘second opinions’, zoals klager deze noemt, leiden niet – zonder meer – tot de conclusie dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als de second opinion leidt tot een andere uitkomst dan de first opinion.

  • 5.11 Het college oordeelt als volgt. Uit het medisch dossier blijkt dat klager tijdens het consult op 29 februari 2024 heeft aangegeven dat hij overdag op de computer bezig was met van alles, dat hij vooral geïnteresseerd was in zaken die met zijn vakgebied te maken hadden, dat hij veel wandelde, ook met de hond van zijn zus, en dat hij bezig was met elektronica, YouTube en het volgen van de actualiteiten. Wel liep klager achter met het huishouden en at hij vooral kant-en-klaar maaltijden, maar dat deed hij altijd al. Klager ging zelfstandig naar de winkel en maakte ook gebruik van de auto. Verder heeft klager tijdens het consult op 29 februari 2024 aangegeven stijf te staan van de stress, dat hij zich opgefokt voelde en slecht sliep, waarbij hij soms een paar uur wakker lag en fors aan het piekeren was. Daarnaast was het verweerder bekend dat klager tijdens een eerder consult bij de bedrijfsarts had aangegeven dat de ziekte van korte duur zou zijn en hij binnenkort weer aan het werk zou kunnen. Ook dit heeft klager niet betwist. De spanningsklachten die klager ervoer konden op dat moment worden geduid als een normale reactie op een abnormale situatie en niet als een gevolg van een ziekte. Daardoor waren er ook geen beperkingen te benoemen door verweerder. Klager was ook overigens op 29 februari 2024 niet onder behandeling van een andere arts of medisch specialist. In het licht van deze feiten en omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van het college kunnen komen tot de conclusie dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, maar van een arbeidsconflict. Dit betekent dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

Slotsom

  • 5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

Publicatie

  • 5.13 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht ongegrond;

  • bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde.

Deze beslissing is gegeven door I. Boekhorst, voorzitter, K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, lid-jurist, P.E. Rodenburg, R.P.J. Ansem en E. Gorissen, ledenberoepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink en D. van Grootveld, beiden secretaris, en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 30 juli 2025.

Naar boven